Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen: -Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschikt heidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid) (19256); -Verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschikt heidsverzekering en de Wet arbeidsongeschikt heidsvoorziening militairen, die ťťn of meer personen tot hun financiŽle last hebben (Toeslagenwet) (19257); -Wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten) (19258); -Wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van niet-gehuwde personen met gehuwden (19259); -Het treffen van een inkomens voorziening voor oudere werklo ze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geŽindigd (Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers) (19260); -Verzekering van werknemers tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheids wet) (19261),

-de motie-Kraaijeveld-Wouters/Linschoten over de samenhang van normen en regelingen (19257, nr. 26); -de motie-Kraaijeveld-Wouters c.s. over de bepaling van het arbeidsverleden (19261, nr. 46); -de motie-Gerritse/Bosman over een sociale regeling voor oudere zelfstandigen (19260, nr. 28); -de motie-Willems over een volledig geÔndividualiseerd sociaal zekerheidsstelsel (19261, nr. 51); -de motie-Brouwer over verwerping van de voorstellen tot wijziging van het stelsel van sociale zekerheid (19261, nr. 55). (Zie vergadering van 15 april 1986.) De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

A.G. (Fred) van der SpekDe heer Van der Spek: Mijnheer de Voorzitter! De overtuiging dat een herziening van het sociale zekerheidsstelsel nodig was, is eigenlijk wel algemeen. Het zou echter met name moeten gaan om een vereenvoudiging en daarvan is naar mijn mening bij het nieuwe stelsel geen sprake. Ik wijs erop dat door de negatieve effecten van de nieuwe Werkloosheidswet enkele kunstgrepen nodig zijn in de vorm van de wet op de toeslagen en die op de inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers. Er zitten in de voorstellen zeker enkele positieve zaken. Ik denk aan het in zekere mate gelijk trekken van mannen en vrouwen en van de diverse samenlevingsverbanden. Ik

Ingekomen stukken Sociale zekerheid

denk aan de kleine voordelen in de vorm van een verbetering van de referte-eis voor deeltijdwerkers en voor sommigen de verlenging van de uitkeringsduur van de WW. Maar van de noodzakelijke toespitsing van dit stelsel op individualisering en verzelfstandiging komt niet veel terecht. Ik wijs dan weer op de toeslagenwet en de wet inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers waarin op allerlei manieren rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner in het kader van het begrip 'economische eenheid'. Ik kom daar nog op terug. De voornaamste functie van deze stelselherziening is wel degelijk een bezuiniging. Dat blijkt naar mening ook uit de wijziging, die naderhand is aangebracht in de nieuwe Werkloosheidswet. Het laten vallen van het plan om halfjaarlijkse verminderingen toe te passen is gepaard gegaan met het verkorten van de duur van de verschillende uitkeringsperiodes, steeds met een half jaar. Nadat wij een aantal aantastingen hebben gehad in de laatste jaren van het totale bouwsel van de sociale zekerheid -vermindering van uitkeringen met 10% tot wel 25% -wordt nu naar mijn mening ook het fundament van het stelsel aangetast. De verzekeringsgedachte wordt bijna helemaal los gelaten. De meeste uitkeringen zullen geen relatie meer hebben met het vroegere arbeidsinkomen. Ik wil enkele aspecten kort belichten. Wat vooral steekt, is het uit de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen lichten van de verdiscontering, dus van de werkloosheidscomponent. Dat is een heel slechte zaak, gegeven het feit dat arbeidsongeschikten minder kansen op de arbeidmarkt hebben dan valide langdurig werklozen. Nu wordt er geen rekening meer gehouden met hun positie op de betrokken arbeidsmarkt. De mensen, ouder dan 35 jaar, die thans een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben, vallen erbuiten maar dat vind ik een schrale troost. Mensen, jonger dan 35 jaar, met een arbeidsongeschiktheidsuitkering moeten opnieuw worden gekeurd. Dat is natuurlijk een zeer omvangrijke en dure operatie. Dat de uitkeringsduur van de WW uitkering afhankelijk wordt gesteld van de leeftijd, vind ik onjuist. Dat wil zeggen, het is na de wijziging in plaats van een combinatie van duur van het arbeidsverleden en leeftijd het arbeidsverleden zonder meer geworden. Maar dat zal de eerste jaren weinig uitmaken omdat via het fictieve arbeidsverleden het verschil met de oorspronkelijke opzet gering is. Later zal het echter wel veel uitmaken, vooral voor mensen die periodes van niet-werken kennen, zoals vrouwen in verband met de verzorging van hun kinderen. Voor hen zal een belangrijke verslechtering optreden. Ik denk trouwens dat in het algemeen -daar wijzen recente onderzoeken op -de eis dat men in de laatste vijf jaar drie jaar moet hebben gewerkt om in aanmerking te komen voor een uitkering, langer dan een half jaar, veel te streng is. Een belangrijke verslechtering betreft de wijziging van het begrip 'passende arbeid', die niet meer wordt verbonden aan een vroegere baan, het vroegere inkomen, de opleiding en de woonplaats, maar eigenlijk alleen nog maar op lichamelijke, geestelijke en sociale bezwaren wordt toegespitst. Volgens de huidige voorstellen komt men van de Werkloosheidswet wel erg snel in de bijstand terecht met het nadeel dat dan rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner en met het vermogen. Men komt in de bijstand terecht na 1,5a 6 jaar WW te hebben gekregen, waarvan 0,5 a 5 jaar 70% van het laatst verdiende loon en het laatste jaar 70% van het minimumloon. Doordat de duur van die uitkering langer is naarmate de leeftijd hoger is, zullen vooral jongeren zeer snel in de bijstand terechtkomen. Nu is er een uitzondering, als men bij het begin van de werkloosheid ouder is dan 50 jaar, dan komt men in de IOW terecht, maar dan is er wel sprake van afhankelijkheid van het inkomen van de partner. Iemand die ouder is dan 47,5 jaar en werkloos wordt, kan nu zijn werkloosheidsuitkering houden tot zijn 65ste jaar, -als hij ouder is dan 57,5 is dat zelfs een aan het loon gekoppelde uitkering tot 65 jaar -en daarbij wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner. Die IOW is dus een belangrijke achteruitgang. De partner mag zijn/haar baan niet opzeggen -de verleiding daartoe bestaat uiteraard, want men zal zeggen dat het toch niets uitmaakt -en bovendien worden de bijverdiensten -de eerste twee jaar gedeeltelijk en daarna helemaal, zij het tot maximaal 50% van de uitkering -verrekend.

Iets dergelijks doet zich voor bij de Toeslagenwet, bedoeld voor degenen wier uitkering van 70% van het laatst verdiende loon te laag is om ook partner en/of kinderen van te onderhouden. Ook daar wordt rekening gehouden met het inkomen van de partner en dat zal, net als in het vorige geval, ontmoedigend werken op de neiging van de partner om te gaan werken. Een andere verlsechtering is dat een ouder met een kind een aanvulling krijgt tot 90% van het minimumloon in plaats van de huidige 100%. De bedrijfsverenigingen gaan die toeslagen uitkeren en dat wil zeggen dat ze gaan 'snuffelen' en ik vind het dan ook terecht dat de Vereniging van Nederlandse Gemeente daartegen protesteert. Zij stelde namelijk dat sociale diensten bij problemen die zich in concrete gevallen allicht zullen voordoen tenminste gecontroleerd worden door een democratisch gekozen gemeenteraad, terwijl dat uiteraard anders ligt bij de bedrijfsverenigingen. Ik weet dat de bedrijfsverenigingen en ook de vakbeweging daar anders over denken, maar ik sluit mij aan bij het standpunt van de VNG in dezen. Een andere slechte ontwikkeling vind ik de zware straffen die worden ingevoerd, in de eerste plaats voor degenen die zeg. 'verwijtbaar werkloos' zijn. Men krijgt dan geen werkloosheidsuitkering, maar bijstand eventueel in bijzondere gevallen 70% van het minimumloon en dat geldt voor de gehele duur van de uitkering. Dat is, in vergelijking met nu, een belangrijke achteruitgang, want bij de WWV wordt in dit soort gevallen volstaan met 5 a 10% strafkorting. Dat wordt dan bovendien uitgevoerd door de sociale diensten die in het algemeen soepeler zullen zijn dan de bedrijfsverenigingen. Wie daar vooral door worden getroffen, zijn gastarbeiders, jongeren en mensen met zwaar werk die nogal eens de neiging hebben om zelf ontslag te nemen, onder andere omdat ze de precieze wettelijke situatie niet zo erg goed kennen. Ik vind ook de hier dreigende omkering van de bewijstlast een slechte zaak. Bovendien zullen werklozen die zich verwijtbaar gedragen volgens een recente circulaire van staatssecretaris De Graaf allerlei vrij vergaande kortingen krijgen. Ik vind dat in de gehele wetgeving sprake is van een slechte behandeling van alleenstaanden. Zij krijgen in het algemeen 70% van wat een echtpaar

krijgt en krijgen ook niets op grond van de Toeslagenwet; daar vallen ze helemaal buiten. In het bijzonder wordt door hun organisatie geprotesteerd tegen de achtergrond van deze beslissing, namelijk dat voor hen het leven zo veel goedkoper zou zijn dan voor een stel dat ze wel met 70% zouden kunnen uitkomen. Bovendien is bij de arbeidsongeschikte alleenstaanden sprake van 70% van het netto inkomen van de arbeidsongeschikte met partner in plaats van de huidige 70% van het bruto inkomen, hetgeen nog een extra verslechtering inhoudt. Het verbaast mij dat ten aanzien van de ambtenaren nog altijd niet duidelijk is wat er gebeurt. De redenering is dat zij er wel in zullen komen, maar dat dit voorlopig nog niet gebeurt. Dat hangt onder andere af van de onderhandelingen die gaande zijn. Wat is eigenlijk de verwachting van de bewindslieden ten aanzien van de ontwikkeling rond de ambtenaren? Hoe zal dat overleg verlopen? Zij zullen daar toch wel een beetje een idee van hebben, vooral omdat zij in hun hoofd hebben waar het naartoe moet. Op welke termijn zal dit tot een conclusie kunnen leiden? Naast de ambtenaren vormen de zelfstandigen, die buiten deze regelingen vallen, een probleem. Ik wil in het bijzonder enkele opmerkingen maken over bepaalde problemen die zich bij de deeltijdwerkers voordoen. De alleenstaande werklozen onder hen krijgen eigenlijk alleen maar een aanvulling via de Algemene Bijstandswet, met de bekende nadelen daarvan. De definitie van de werkloosheid, namelijk 50% verlies van arbeidstijd, is voor hen een veel te hoge eis. Geringer verlies zou dus geen werkloosheid betekenen. Een verlenging van de uitkering op grond van de Werkloosheidswet, langer dan het eerste halfjaar, vereist, dat men een arbeidsverleden van minimaal acht uur per week had. Dat betekent, dat deeltijdwerkers die minder dan acht uur per week werkten, hoogstens gedurende een half jaar een uitkering krijgen. Dit betekent weer, dat bijna uitsluitend vrouwen worden getroffen. Vanuit de kringen van deeltijdwerkers wordt geopperd, dat dit strijdig zou zijn met de derde richtlijn van de EG ten aanzien van gelijke inkomensrechten voor mannen en vrouwen.

Ik wijs vervolgens op de brief van de vereniging van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, DIVOSA, van 9 april jongstleden. Daarin worden vrij scherpe opmerkingen gemaakt over de criteria die nu zullen worden gehanteerd ten aanzien van het begrip 'economische eenheid'. Men vindt het onaanvaardbaar, dat er subjectieve criteria, zoals gezamenlijk optreden naar buiten en duurzaamheid van de samenleving, worden gehanteerd. Deze houden uiteraard een nogal belangrijke uitbreiding van het begrip 'economische eenheid' in. Controle in deze zin betekent naar mijn mening een verregaande aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Ik hoor ook graag het commentaar van de bewindslieden op hetgeen de Emancipatieraad onlangs heeft geschreven over de situatie rond artikel 36 van de huidige Wet werkloosheidsvoorziening. Van de eisen dat men moet staan ingeschreven bij het arbeidsbureau en dat men beschikbaar moet zijn voor in elk geval ťťn derde van de volle arbeidstijd, zegt de Emancipatieraad dat die vooral vrouwen zullen treffen. De Emancipatieraad vindt dat een objectieve rechtvaardiging van de tweede eis, die eis van ťťn derde van de volle arbeidstijd, volkomen ontbreekt. In het stuk van de Emancipatieraad worden een aantal aanbevelingen gedaan, zodat de voorzieningen ook ten goede kunnen komen aan nu niet-uitkeringsgerechtigde vrouwen. Ik ga ze nu niet opsommen. Er komen onder andere cursussen beroepsoriŽntatie in voor en natuurlijk ook de noodzaak van mogelijkheden voor kinderopvang. Ik hoor hierop graag het commentaar van de bewindslieden. Een bijzonder probleem dat zich voordoet, betreft het wegvallen van de loonsuppletie voor voormalig werklozen wier nieuwe baan minder loon oplevert dan de vorige, op grond waarvan de hoogte van hun uitkering werd vastgesteld. Naar mijn mening is dit een slechte zaak. Waarom wordt die loonsuppletieregeling eigenlijk opgeheven? Onlangs is er een rapport verschenen over de praktijk van de woningdelersmaatregel in de bijstand. Het is een rapport van de bureaus voor rechtshulp in Amsterdam en Rotterdam, van de Leidse rechtswinkel en van de Landelijke Organisatie Belangengroepen Huisvesting. De conclusie in het rapport is, dat er buitengewoon veel willekeur en rechtsongelijkheid bij het hanteren van die woningdelersmaatregel optreedt door de vaagheid van de richtlijnen die door de gemeentelijke sociale diensten moeten worden gehanteerd. Daardoor ontstaat een zeer verschillende behandeling van gelijke gevallen. Er treedt een groot inkomensverlies op bij vele mensen die al op het bestaansminimum leven, vooral in het geval van inwonende kinderen. Wat betekenen deze gegevens over die rechtsongelijkheid en willekeur, geconstateerd bij een regeling die al een tijdje in werking is, voor de nu in te voeren Toeslagenwet en de Wet IOW, die passen bij de nieuwe Werkloosheidswet? Het lijkt mij dat de conclusie juist is, dat de met de stelselherziening beoogde gelijke behandeling in gelijke gevallen niet tot stand zal komen. Het is duidelijk dat de nieuwe wetgeving tot zeer grote uitvoeringsproblemen zal leiden, onder andere door de gedeeltelijke overheveling van uitkeringen van gemeenten naar bedrijfsverenigingen. Dat geldt dus voor de huidige WWV-uitkeringen. In bijna alle brieven die wij van betrokkenen ontvingen staat dat 1 oktober -een datum die al later ligt dan de oorspronkelijk bedoelde -volstrekt onhaalbaar is. Ik wijs u op bij voorbeeld de Sociale Verzekeringsraad. Ik wijs in het bijzonder op de brief van de Federatie van Bedrijfsverenigingen van 4 april. Daarin staat dat men zeker niet voor 1 januari in staat zal zijn om behoorlijk te werken op grond van het ontbreken van nadere regels voor een groot aantal begrippen die in de nieuwe wetgeving voorkomen. Ik som ze even op: het begrip werkloosheid, de referte-eis, de arbeidsverledeneis, het herlevingsrecht, een aantal uitsluitingsgronden, de daglonen, de vrijwillige verzekering, de onbetaalde arbeid, de inkomenstoetsing in het kader van de toeslagenwet, de inhouding belasting en premies in het algemeen, de inhouding belasting en premies bij samenloop van uitkeringen in het bijzonder. Ik vraag de bewindslieden met name op het probleem van deze serie volstrekt onduidelijke zaken, die nader moeten worden omschreven, in te gaan. Ik denk dat, zoals wordt gesuggereerd van bepaalde kanten, een veel betere en efficiŽntere uitvoering van

het sociale zekerheidsstelsel mogelijk zal zijn door samenvoeging van alle voorzieningen en door het regionaal decentraliseren van de vestigingen die zich bezighouden met het vaststellen en uitkeren van de uitkeringen. Er is een rapport van de Algemene Landelijke Federatie Minder Validen. Daarin staat dat bij de uitvoering van AOW, AWW en AKW door de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid er niet meer dan 1,35% van het uitkeringsbedrag nodig is voor de uitvoeringskosten. Daarnaast wijst men erop dat bij de AAW/WAO dat percentage op 5 ligt, bij de Werkloosheidswet op 6,5 en bij de Ziektewet op 9. De suggestie is dat bij een gecentraliseerde uitvoering in principe, maar met een regionale (dus geen functionele) decentralisatie, de totale uitvoeringskosten terug te brengen zouden zijn tot 1,7% van het totale uitkeringsbedrag, waardoor een besparing van meer dan 4 miljard mogelijk zal zijn. De besparing kan dus worden besteed voor een verhoging van de uitkeringen, aldus deze federatie. Ook daarop wil ik graag commentaar. In het algemeen is het duidelijk dat de financiŽle effecten van de voorstellen in hoge mate onvoorspelbaar zijn. Dat geldt met name voor de wijziging van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringsregelingen. De Raad voor de GemeentefinanciŽn -een ander aspect is natuurlijk de besparing op de apparaatskosten -zegt daarvan dat die veel te hoog getaxeerd worden en dat er nauwelijks sprake zal zijn van vrijvallende apparaatskosten. Wat is daarop de reactie van de bewindslieden? Ik eindig met een algemene opmerking over de betekenis van de sociale zekerheid binnen ons bestel en de mogelijkheden daarvan. In 1985 is in Nederland voor f243 miljard aan particuliere consumptie uitgegeven. Daarvan zijn afgesplitst de overheidsconsumptie en de particuliere en de overheidsinvesteringen. Dat betekent dat het gaat om nettoconsumptie na aftrek van belastingen en premies. Dat is een particulier consumptiebedrag dat neerkomt op een gemiddelde van f 1 7.000 per persoon netto. Dat omvat iedereen, alle leeftijden. Dat geeft aan, dat de ellende waar wij nu mee te maken hebben, beslist niet nodig is. Dat geeft ook aan dat een systeem met betere uitkeringen zeer goed betaalbaar is. De bewering die wel eens geuit wordt dat het onmogelijk zou zijn en niet te dragen zou zijn voor onze economie heb ik wel meer hier bestreden. De minister-president heeft toen toegegeven dat dit niet betekent dat het economisch niet haalbaar zou zijn, maar dat het zou betekenen dat het de vraag is of de mensen die geen uitkeringen krijgen -die de anderen daarvoor als het ware moeten betalen -bereid zijn, dat op te brengen. Daarvoor geldt natuurlijk toch dat, vanuit een redenering van eigenbelang, dit zeer goed mogelijk is. Het is ten slotte zo, dat voor bijna iedereen geldt dat hij ziek kan worden, dat hij invalide kan worden, dat hij werkloos kan worden en dat hij oud kan worden. Het enige wat hij niet kan worden is jong, lijkt mij. Die andere vier dingen zijn echter allemaal mogelijk. Voor praktisch iedereen geldt dat hij dan in grote problemen komt. Het is dus zeer goed denkbaar, dat mensen die op het ogenblik die problemen niet hebben, zich realiseren dat vanuit hun eigenbelang gezien een buitengewoon goed stelsel van sociale zekerheid op zijn plaats is. De bereidheid om het te dragen is wel degelijk op rationele gronden mogelijk, echter op voorwaarde dat daarop gewezen wordt van allerlei kanten. Een van die kanten zou ook de regering kunnen zijn, die dat juist niet pleegt te doen. Het stelsel van sociale zekerheid heeft -en dat is in strijd met hetgeen veel min of meer rechtse lieden altijd beweren -helemaal niets met socialisme te maken. Het is een sociaal stelsel; het is geen socialistisch stelsel. Je kunt zeggen: vergeleken met de ellende van vroeger is het een verworvenheid van de arbeidersklasse, doch het is een wezenlijk kapitalistisch stelsel. De grondslagen van het stelsel zoals dat in Nederland bestaat zijn afkomstig van de liberale Engelse econoom Beveridge. Niet toevallig is dit stelsel zo sterk van de grond gekomen in een periode waarin in de industrie in toenemende mate tot massaproduktie werd overgegaan. Dat betekent, dat het belang van het bedrijfsleven steeds meer een brede afzet over zeer vele consumenten werd in tegenstelling tot een zeer beperkte afzet over weinigen van heel dure goederen. Het was dus in het belang van het bedrijfsleven dat de koopkracht zeer breed werd gemaakt en dat die ook op een redelijk niveau terecht kwam bij degenen bij wie dat tot dan toe niet het geval was: jongeren, ouderen, werklozen, zieken en invaliden. Het is dus ook economisch onverstandig om een dergelijk systeem terug te draaien. Waar wij nu mee te maken hebben is, dat dit stelsel van sociale zekerheid, dat zeker in Nederland, vergeleken met de meeste andere vergelijkbare landen, aan vrij hoge maatstaven voldeed, toch bij een vrij geringe problematiek binnen de economie al zo veel barsten vertoont en eigenlijk op instorten staat. Dat betekent, dat het naar mijn mening ook niet zo erg verstandig is om in de politiek te streven naar een herstel van de sociale zekerheid op een redelijk niveau, alleen maar op korte termijn. Wanneer het al zou lukken om dat socialezekerheidsstelsel binnen afzienbare tijd op een redelijk niveau te brengen, zal een nieuwe conjunctuurbeweging binnen de kapitalistische economie het vervolgens weer in hoge mate kapot maken. Ik vind dan ook dat het streven naar een verbetering op korte termijn van het stelsel van de sociale zekerheid -voor een groot deel herstel van de niveaus waarvan de laatste jaren is afgeknabbeld en waaraan verder wordt geknabbeld bij deze nieuwe wetgeving -moet gebeuren in het perspectief van een fundamentele maatschappijverandering, van het streven naar een socialistische maatschappij waarin een sociaal zekerheidsstelsel van niveau niet een kwetsbare tijdelijke verworvenheid zal zijn, maar blijvend. Mijnheer de Voorzitter! Deze stelselherziening mag niet doorgaan; zij is asociaal. Deskundigen van allerhande kanten laten zien dat zij er geen touw aan kunnen vastknopen, dat er nauwelijks iemand is in Nederland die echt precies weet waarom het gaat. Desondanks wordt zij erdoor gejaagd. In de Bondsrepubliek en vooral in West-Berlijn worden bepaalde groepen mensen met sterk afwijkende opvattingen nogal eens -naar mijn mening grotendeels ten onrechte -minachtend met het begrip 'Chaoten' aangeduid. Dat begrip lijkt mij meer van toepassing op de Nederlandse bewindslieden, die met deze chaotische voorstellen voor de stelselherziening sociale zekerheid durven aankomen.

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D'66): Voorzitter! Er is veel en vaak moeilijk over de stelselherziening geschreven. Bewondering wil ik uiten voor de vele journalisten, die kans hebben gezien heldere samenvattingen en achtergrondartikelen te schrijven. Ik wil dat wel eens gezegd hebben. Ik heb uiteraard ook waardering voor de medewerkers van de staatssecretaris die onze bergen papier met nieuwe bergen papier hebben beantwoord. De tijd die de Kamer is gegund, is door toedoen van de regeringspartijen en de haast van de regering, de zaak vůůr de verkiezingen af te ronden, onverantwoord kort geweest. De fractie van D'66 is, los van de inhoud van de voorstellen die vandaag ter tafel liggen, van mening dat het onwijs en onwenselijk is om op dit moment de stelselherziening door de Kamer te jagen. Het enige draagvlak waarop het kabinet zich kan beroepen, wordt gevormd door beide regeringsfracties die samen, gezien de opiniepeilingen, nauwelijks of geen politieke meerderheid vertegenwoor digen. Maatschappelijk gezien ontbreekt vrijwel elke instemming en met name de sociale partners -aan wie dit kabinet toch op andere punten veel wil overlaten en wier zaken voor een belangrijk deel hier aan de orde zijn, zeker als het de werknemersverzekeringen betreft -zien zich straks voor het blok geplaatst. In een situatie waarin arbeidsonrust dreigt rond het proces van arbeidsduurverkorting en er een nog immer schrikbarend grote werkloosheid bestaat, is een arrogant optreden van het kabinet op een zo belangrijk punt als de sociale zekerheid beslist onverantwoord te noemen. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat alle voorstellen verkeerd zijn. Het is bovendien onverantwoord om op het moment dat alle actieven, zelfs ambtenaren, erop vooruitgaan dan wel hun koopkracht gehandhaafd zien in verband met de geringe inflatie en de voor dit jaar bij voorbaat ingegane premieverlaging, alle mensen die van een uitkering moeten rondkomen opnieuw de rekening te presenteren. Ik zeg 'opnieuw', omdat er in deze kabinetsperiode al fors gekort dan wel bevroren is op de uitkeringen. D'66 heeft al die bezuinigingen van de afgelopen jaren afgewezen, omdat zij eenzijdig gericht waren op de zwakste groepen in de samenleving. D'66 heeft altijd gepleit voor het eerlijk delen van de bezuinigingen. Wij hebben dat ook steeds in de afgelopen jaren bepleit in het kader van arbeidsverdeling en premie-en belastingverlaging om de koopkracht op peil te houden, iedereen had naar ons gevoel moeten inleveren, maar dan als het de zogenaamde actieven betreft, gepaard gaand met arbeidsduurverkorting en herbezetting. Langs die weg waren de bezuinigingen rechtvaardiger gespreid geweest en was het beleid ťcht gericht geweest op het terugdringen van het beroep op met name werkloosheidsuitkeringen. Het kabinet roept nu door verslecht teringen aan te brengen in het stelsel van sociale zekerheid over zich af dat het proces van arbeidsduurverkorting dreigt te stagneren. De vakbeweging zal immers proberen, de verslechteringen in het stelsel van sociale zekerheid, met name bij de duur van de loondervingsuitkeringen, goed te maken door verbeteringen aan te brengen in de arbeidsvoorwaarden. Keer op keer heeft de vakbeweging aangeboden, in te leveren. Keer op keer is dat genegeerd. Wat te denken bij voorbeeld van de recente premieverlaging waar het kabinet op stond en die de vakbeweging niet op prijs stelde? Hoe stelt het kabinet zich eigenlijk voor dat de CAO-onderhandelingen verder verlopen na de regeling van deze stelselherziening? Mijnheer de Voorzitter! Ik ga wat dieper in op de positie en de rol van de sociale partners bij de stelselherziening. De fractie van D'66 is van mening dat de organisaties van werkgevers en werknemers zowel in de voorbereiding van de wetsvoorstellen als in de uitwerking, de vormgeving en de plaatsbepaling ervan, onvoldoende hun rol hebben kunnen spelen dan wel nog zullen kunnen spelen. Ik begin bij de voorbereiding. Bij mijn weten is het ongeŽvenaard dat ingrijpende, structuurdoorbrekende wetsvoorstellen op sociaal-economisch terrein, zoals vandaag worden besproken, tot stand komen zonder steun van sociale partners of althans van een meerderheid in de Sociaal Economische Raad. De adviesaanvrage van het kabinet van mei 1984 vermocht geen genade te vinden in de ogen van een meerderheid van die raad. Op onderdelen was dat wel het geval, maar in totaliteit niet. Dat had een signaal moeten zijn voor dit kabinet: een signaal dat het maatschappelijk draagvlak voor dit stelsel dat -laten wij dat niet vergeten ~ voor een groot deel wordt betaald door diezelfde sociale partners, er niet was en er niet is. Dit had tevens een signaal moeten zijn om te trachten met diezelfde partners tot grotere overeenstemming te komen. Het advies bood daar zeker aanknopingspunten voor. Het kabinet is die weg niet ingeslagen, maar besloot in alle eigenwijsheid om in hoofdlijnen de eenmaal in de adviesaanvrage vastgelegde weg te blijven volgen. Een tweede punt waarop het kabinet de sociale partners tekort doet is de vormgeving van het stelsel. Talloze uitkeringsgerechtigden, veel meer dan voorheen, komen na de invoering van de wetsvoorstellen in aanraking met een uitkeringsregime waarin getoetst wordt op overige inkomsten. Niet alleen in het regime van de Algemene Bijstandswet, maar ook in dat van de toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers krijgen veel mensen met een uitkering al snel te maken met het toetsen op neveninkomsten. In de schriftelijke behandeling heeft mijn fractie uitvoerig aandacht gevraagd voor de kwestie van de bovenwettelijke aanvullende regelingen. Overigens geldt die kritiek niet alleen voor die regelingen, maar ook voor bij voorbeeld verzekeringen die de mensen zelf aanvullend hebben afgesloten en die voorzien in een inkomensvervangende uitkering. Juist van deze regering acht mijn fractie dit niet te begrijpen. Heeft niet juist deze minister van Sociale Zaken er te pas en te onpas, maar meestal te pas, op gewezen dat de verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaarden weer zo volledig mogelijk een zaak moest worden van de sociale partners? Wijst niet juist deze regering keer op keer op de eigen verantwoordelijkheid die mensen bereid moeten zijn te nemen? Is het niet juist deze regering die een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor het werkgelegenheidsbeleid, met name als het gaat om arbeidstijdverkorting, in handen legt van werkgevers en werknemers? Mijnheer de Voorzitter! De beleidsuitgangspunten die ik hier aan het kabinet toeschrijf, zijn voor een belangrijk deel ook de onze. Juist daarom vindt mijn fractie het onbegrij pelijk dat de ruimte voor het vorm geven van eigen verantwoordelijkheid in de voorstellen dermate wordt beperkt dat het tot stand komen van

een bovenwettelijke regeling veel minder interessant te noemen is. Deze komt immers rechtstreeks in mindering op de aanspraken op een toeslag of op een uitkering krachtens de IOW. De ruimte die daarmee aan partners wordt gelaten om het totaal van de arbeidsvoorwaarden te bespreken, wordt daardoor in ernstige mate beperkt. Het verlies van sociale zekerheidsrechten die in feite te rekenen vallen onder de secundaire arbeidsvoorwaarden, kan niet of nauwelijks worden goedgemaakt in onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers, ten einde te komen tot bovenwettelijke regelingen. Deze regelingen hebben in de meeste gevallen in het geheel geen zin. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat van werknemerszijde gepoogd zal worden om de vermindering van sociale zekerheidsrechten op andere wijze te compenseren. Waar dit niet kan in een secundaire sfeer, is te verwachten dat uit de wijzigingen in de sociale zekerheid voor het jaar 1987 of misschien eerder extra looneisen voortvloeien met het gevaar van vergroting van de afstand tussen actieven en niet-actieven, althans als de bevriezing ook dan nog zal worden voortgezet. De vergroting van die afstand kan echter niet de bedoeling zijn. Welk economisch beleid men in de toekomst ook voorstaat, centraal staat in alle gevallen loonmatiging als middel om met name via arbeidsduurverkorting te komen tot een lagere werkloosheid. Ik heb hieruit de volgende conclusie getrokken. De aan de stelselherziening sociale zekerheid mede ten grondslag liggende gedachte dat voor de minimum voorziening de overheid de eerst aangewezene is en voor het overige de sociale partners eerst verantwoordelijk zijn voor de sociale zekerheidsrechten, vindt in de vormgeving van het stelsel in ieder geval op dit punt geen vertaling. Mijnheer de Voorzitter! Ik sprak over de risico's voor de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers over de arbeidsvoorwaarden, rekening houdend meteen verslechtering van de sociale zekerheidsvoorwaarden. Er wordt terecht in de komende jaren een grote wissel getrokken op de afspraken die werkgevers en werknemers met elkaar weten te maken over omvang en invulling van arbeidstijdverkorting. De fractie van D'66 is van mening dat de stelselherziening sociale zekerheid een negatieve hypotheek legt op het arbeidsvoorwaardenoverleg in de komende jaren. Het belang ervan strekt verder dan het belang van deze stelselherziening. Met de zeven wetsvoorstellen worden immers de voorwaarden verslechterd, waardoor uiteindelijk globaal 3,5 miljard moet worden bespaard. Voor het terugdringen van de uitgaven in de sociale zekerheid is echter uiteindelijk het terugdringen van de werkloosheid en daarnaast de reÔntegratie in het arbeidsproces van mensen met een handicap van veel groter belang, nog afgezien van de vele andere redenen waarom dit wenselijk is. Het is hier niet de plaats om te bespreken op welke wijze dit moet gebeuren. Ik constateer slechts dat in beide opzichten door dit kabinet een belangrijke rol aan de sociale partners is gegeven. Dit is een rol die volgens mijn fractie tot uitdrukking moet komen in het na de verkiezingen en door een ander kabinet te sluiten meerjarig sociaal contract, waarin daarover afspraken zullen worden gemaakt tussen overheid, werkgevers en werknemers. Mijn vrees is dat de stelselherziening sociale zekerheid, zoals die nu nauwelijks een maand voor de verkiezingen en onvoldoende uitgekristalliseerd door de Kamer heen wordt getrokken, het proces van arbeidsduurverkorting, van reÔntegratie en van verdere loonmatiging niet ten goede komt, integendeel dat die zaken worden tegengewerkt door de stelselherziening. Mijn fractie is dan ook van mening dat het pakket van voorstellen wel degelijk ook na de verkiezingen tijdens de kabinetsformatie en in besprekingen met de sociale partners over het te voeren sociaal-economisch beleid ter discussie moet staan en nu niet meer moet worden afgehandeld. Het uitstel van de invoeringsdatum tot ten minste 1 oktober aanstaande geeft mij enige hoop dat daartoe gelegenheid zal ontstaan. Er is nog een laatste aspect met betrekking tot de rol van de sociale partners, waarop ik wil ingaan. Dat is de positie van de organisatie van werkgevers en werknemers na de stelselherziening. Mijn fractie betreurt het dat het kabinet daarover in de wetsvoorstellen eigenlijk geen visie heeft gegeven en dat de ruimte om daarover nu te discussiŽren ontbreekt. Zowel wat de financiering in de structurele situatie betreft als wat de vraag wie in de sociale zekerheid de belangrijkste zeggenschap heeft, betreft, bestaan nogal wat losse einden. Het Christelijk Nationaal Vakverbond, het CNV, heeft onlangs in een nota een voorschot gegeven op de discussie die wij daarover ongetwijfeld met elkaar op afzienbare termijn zullen voeren. Ik wil op deze plaats dan ook mijn in het eindverslag weergegeven opvatting herhalen, dat het natuurlijk niet zo kan zijn dat de vormgeving van onderdelen van het socialezekerheidsstelsel geheel uit handen wordt gegeven. De overheid zal te allen tijde een macroverantwoordelijkheid behouden, bij voorbeeld als het gaat om de minimumniveaus. Dat neemt niet weg, dat de fractie van D'66 er allerminst afwijzend tegenover staat, indien de sociale partners in de komende jaren een grotere verantwoordelijkheid krijgen toegemeten in de structuur en de uitvoering van het stelsel, met name als het gaat om de loondervingsverzekeringen. In dit opzicht wil ik op ťťn punt aandringen. In het eindverslag van de nieuwe werkloosheidswet zegt de regering, van oordeel te zijn dat de belangen van de uitkeringsgerechtigden behartigd worden en behoren te worden door de organisaties van werknemers. Ik heb ernstige bezwaren tegen die ondemocratische opvatting. In de eerste plaats omdat ik van mening ben, dat belangenbehartiging zoveel mogelijk door betrokkenen zelf dient te geschieden en in de tweede plaats, omdat de aard van de belangen die werknemers verdedigen, niet per definitie samengaat met de belangen van mensen met een uitkering. Ik hoef maar te denken aan een afweging tussen meer werkgelegenheid en meer loon, of aan de discussies over het werken met behoud van uitkering, en de tegenstellingen liggen overduidelijk op tafel. Overigens mogen wij niet uit het oog verliezen, dat er langzamerhand ongeveer evenveel werkenden als uitkeringsgerechtigden zijn. Lof voor de vakbeweging overigens, die tot nu toe krachtig stand heeft gehouden en is opgekomen voor de belangen van uitkeringsgerechtigden. Met deze herziening wordt echter een wig gedreven tussen werknemers en uitkeringsgerechtigden. Ik wil daarom dat de regering de bereidheid toont om bij de verdere activiteiten op het gebied van de organisatie en de uitvoering van de

sociale zekerheid, nadrukkelijk de vraag te betrekken, op welke wijze uitkeringsgerechtigden zelf ingeschakeld kunnen worden bij de sociale zekerheid, zowel wat de advisering betreft, als waar het gaat om uitvoering of om regelgevende bevoegdheden, zoals bij voorbeeld de Sociale Verzekeringsraad die heeft. Ik overweeg op dit punt in tweede termijn een motie in te dienen, maar ik hoop op een toezegging van de regering. Wij vinden nu een snelle afhandeling onverantwoord. Op de inhoud van de verschillende wetsvoorstellen kom ik nog afzonderlijk te spreken. Een ding is echter zeker: van de oorspronkelijke redenen om tot stelselherziening te komen, staat alleen de bezuinigingsdoelstelling nog keihard overeind, al zou je dat niet geloven als de heer Lubbers zegt dat bezuinigingen helemaal niet voorop staan. Waarom gaat het dan eigenlijk? De stelselherziening is meer dan een financieel-economisch probleem. Er moet ook rekening gehouden worden met maatschappelijke ontwikkelingen. De laatste socialezekerheidswetten kwamen tot stand in 1967, afgezien van het later tot stand komen van de volksverzekering AAW. Het ging toen om de WAO, de Ziektewet en de AWBZ. In de kleine twintig jaar daarna is de maatschappij niet stil blijven staan en niet alleen D'66 heeft dat kunnen volgen. Democratiseringsprocessen hebben plaatsgevonden en de emancipatiebeweging heeft zich vaste wortels verworven. De roep om persoonlijke en maatschappelijke ontplooiing, het anders denken over arbeid en vooral de toenemende pluriformiteit in de leefvormen, hebben een ander waardenklimaat geschapen. Die, zo men wil, sociologische invalshoek is nauwelijks gehanteerd bij de uitwerking van het nieuwe stelsel. Mijn fractie vindt het bij voorbeeld een ernstig manco aan de kabinetsplannen, dat onvoldoende rekening wordt gehouden met het streven naar economische onafhankelijkheid van vrouwen en met de diversiteit aan keuzen die mensen maken om hun leven alleen, dan wel met anderen, in te richten. Alsof er de afgelopen twintig jaar niets is gebeurd, wordt het traditionele huwelijks-en gezinsmodel nog steeds als standaard gebruikt voor de inrichting van het stelsel. Sterker nog: dit model wordt uitgebreid tot meer wetten naast de Algemene Bijstandswet. Ook de toeslagenwet, de IOW en de AOW zullen worden gestoeld op de onderlinge afhankelijkheid van partners. D'66 vindt dat zeer betreurenswaardig, hoewel ook wij beseffen dat een volledig individuele benadering van mensen op het minimumbehoeftenniveau thans niet te realiseren is. Dat echter ook het perspectief daarop ontbreekt, zegt veel over dit kabinet. Dat een kabinet niet de taak heeft, maatschappelijke ontwikkelingen te sturen of te initiŽren, daarover kun je nog verschillend denken, maar dat een kabinet het ene samenlevingsmodel bevoordeelt boven het andere, kan D66 niet goedkeuren. Als het bij voorbeeld gaat om de keus tussen grotere bescherming van oudere werklozen en het toekennen van langer durende individuele uitkeringsrechten voor de nieuwe generatie, spreekt het in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen, die een groeiende arbeidsparticipatie van jongere vrouwen laten zien en de wens om economisch zelfstandig te zijn, niet zonder meer vanzelf dat jongeren rechten moeten inleveren ten gunste van ouderen. Als er ongelijke behandeling geconstateerd wordt tussen gehuwd samenwonende partners en ongehuwd samenwonenden, spreekt het niet vanzelf dat die ongelijkheid wordt opgeheven door samenwonenden dan ook maar als waren zij gehuwd te beschouwen. Het huwelijksmodel als norm hanteren, betekent meer controle op leefvormen om te zien of de relatie wel te vergelijken is met de huwelijksrelatie. Controle op leefvormen moet afnemen in plaats van toenemen. Mensen hebben recht op privacy. De overheid is geen 'big brother' en mag zich ook niet als zodanig manifesteren. Bovendien, mijnheer de Voorzitter, worden en ik, en wij allen in dit debat niet op onze leefvorm beoordeeld, aangezien wij niet in een uitkeringssituatie verkeren. Hoe lager echter je inkomen, hoe meer de overheid meent op je te mogen letten. Niet alleen de economische situatie en de grote werkloosheid veroorzaken zo een tweedeling in de maatschappij, ook de mate van controle op leefvorm veroorzaakt een tweedeling; een tweedeling in mensen die vrij kunnen gaan en staan, leven en samenleven, en mensen die gecontroleerd worden of zich bespioneerd voelen. Eigen uitkeringsrechten en het toewerken naar verdere individualisering van de minimumbehoefteregelingen vormen de enige oplossing. Staatssecretaris De Graaf heeft zich ergens laten ontvallen, dat na de herzieningsoperatie ook het denken over het geheel of gedeeltelijk basisinkomen verder kan worden ontwikkeld. Mijn fractie heeft indertijd in tegenstelling tot andere fracties niet negatief gereageerd op het plan van de WRR met betrekking tot het gedeeltelijk basisinkomen. In combinatie met een krachtig voortgaand proces van arbeidsuurverkorting en werkverdeling is dat nog steeds bespreekbaar voor ons. Wat kunnen wij van het kabinet verwachten op dit punt? Het heeft nog maar een korte tijd te gaan, maar hebben de bewindslieden daarover gedachten? Met maatschappelijke ontwikkelingen moet op een andere wijze rekening worden gehouden dat het kabinet doet. Of liever gezegd: het kabinet heeft de ogen gesloten voor emancipatoire ontwikkelingen en voor de toenemende verscheidenheid aan leefvormen. Zo bestaan ook alleenstaanden niet voor dit kabinet, terwijl er ruim 1 miljoen alleenstaanden in Nederland zijn; een aantal dat nog zal toenemen. Nog steeds bestaat kennelijk het idee dat alleenstaanden meer draagkracht hebben dan niet-alleenstaanden. Ik heb hierop al eerder gewezen; ik heb tot nu toe geen gehoor gevonden als ik verschillende onrechtvaardigheden in het inkomstenbeleid voor alleenstaanden signaleerde. Ook met ontwikkelingen op de arbeidsmarkt wordt onvoldoende rekening gehouden. Het kabinet juicht flexibelisering van de arbeidsmarkt toe. Tot nu toe vindt die vooral plaats bij nieuwe arbeidskrachten: meer thuiswerk en afroepcontracten. Hoewel de rechtspositie van deze werkenden veel te wensen overlaat, voorziet deze vorm van flexibel werken in een bestaande behoefte. Waarom is er dan sprake van het hanteren van de toetredingseisen voor werkloosheidsuitkeringen, die de meeste flexibel werkenden van elk recht uitsluitend? Ik kom daarop nog terug. Een andere doelstelling die indertijd bij de eerste plannen tot stelselwijziging werd genoemd, was vereenvoudiging van het stelsel. Daarvan is echt geen sprake, al vindt het kabinet van wel. Het stelsel is straks alleen maar ingewikkelder en ondoorzichtiger, met nog minder

rechtszekerheid voor mensen. In de uitvoering zijn grote problemen te verwachten, zo is ons van verschillen-de zijden verzekerd. Is het niet beter de invoering van deze wetsvoorstellen nog even uit te stellen en eerst te werken met een schaduwadministratie in een aantal steekproefgemeenten om uitvoeringstechnische mankementen op te sporen en zo nodig te herstellen? Mensen weten steeds minder hoe de overheid zal reageren als ze om de een of andere reden gedwongen of vrijwillig veranderingen aanbrengen in hun leef-, woon-of werkgedrag. Wat gebeurt er als mensen in een uitkeringssituatie gaan werken, samenwonen, scheiden, een studerend kind hebben, een erfenis ontvangen, een oude tante in huis nemen etc? Dat is voor veel mensen niet te voorzien. D'66 vindt dat met gebruikmaking van moderne informatietechnieken mensen meer inzicht moet worden geboden in de consequenties van hun eigen gedrag. Waar uitvoerende instanties wel met gecomputeriseerde gegevensbestanden werken, gaat de gehele computerisering aan de echte gebruikers van de sociale zekerheid voorbij. Met name bij onze westerburen, de Britten, worden volgens mijn informatie momenteel goede vorderingen gemaakt met het gebruik van computers om de duidelijkheid te dienen. Hoe kijkt het kabinet daar eigenlijk tegenaan? Ik heb begrepen dat er nogal eens misverstanden zijn. Als ik dit soort ideeŽn lanceer, dan denken mensen dat die computers op naam toegankelijk zijn. Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat je eigen gegevens inzake huur, inkomen etc. op een computer kunt intikken. De gegeven blijven anoniem. Je moet er wel voor zorgen dat mensen hun oude situatie met hun nieuwe situatie kunnen vergelijken. Als het stelsel daarvoor te ingewikkeld is, dan deugt het stelsel eigenlijk niet. Ik krijg hierover graag een beschouwing van de staatssecretaris. Ik heb een dergelijke suggestie overigens ook gedaan toen het ging over de studiefinanciering. Minister Deetman heeft daarop heel positief gereageerd. Het ging daarbij ook niet om persoonlijke gegevens op naam maar om anonieme, maar wel de eigen gegevens waar mensen zelf mee zouden moeten kunnen werken. Mijnheer de Voorzitter! Dit brengt mij op de uitvoeringsorganisatie.

Toen ik net in de Kamer zat, in 1981, was dit een belangrijk discussiepunt. Nu horen wij er niets meer van, behalve dat onlangs een hoge ambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierop gepromoveerd is. Wanneer wordt nu eens ernst gemaakt met de vereenvoudiging van de uitvoeringsorganisatie? Voor ik overga tot een samenvatting van deze algemene inleiding, ga ik in op de financiering van de sociale zekerheid. Het is opvallend hoe weinig aandacht dit punt heeft gekregen. Hoe zal het met de premiestelling gaan? Wordt over een andere financieringsgrondslag gedacht, bij voorbeeld niet langer alleen op arbeid, maar ook op toegevoegde waarde? Bij de overgang naar een informatiemaatschappij met steeds minder arbeidsintensieve produktie, moet toch hierover worden nagedacht. De SER heeft nog nooit fundamenteel geadviseerd over de financiering, terwijl dit uitdrukkelijk werd gevraagd in zijn advies van 29 juni 1 984. Moet er via een omslagstelsel van jaar tot jaar gefinancierd worden -dus een soort 'wiebelpremie' -of moet er een meer vaste premie komen, bij voorbeeld gebaseerd op de laatste vijf jaar? Ook het probleem van de ontgroening en de vergrijzing heeft een relatie met het financieringssysteem. De gemiddelde leeftijd van de werkende bevolking wordt steeds hoger, dus als men werkloos wordt, zal de werkloosheid wellicht langer duren, terwijl de werkloosheidsuitkeringen door een relatief kleiner wordende groep jongeren met relatief lage lonen moet worden opgebracht. Reeds tijdens het eerste mondeling overleg over de stelselherziening in de zomer van 1 982 heeft mijn fractie op maatregelen aangedrongen om in de toekomst ook de AOW nog te kunnen betalen. Het initiatief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot instelling van de commissie-Drees komt dan ook rijkelijk laat. Er zijn problemen te over. Volgens de fractie van D'66 zijn er nogal wat redenen om een gerichte adviesaanvrage over een toekomstig financieringssysteem aan de SER te sturen. Hoe oordeelt het kabinet hierover? Om deze vraag vast te leggen, leg ik de Kamer een motie voor.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Groenman wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; constaterende, dat de SER volgens zijn advies van 29 juni 1984 met advisering over de financiering van het gewijzigde stelsel van de sociale zekerheid heeft willen wachten tot de besluitvorming over de uitkeringssystematiek zou zijn afgerond; van mening, dat de premiestelling niet blijvend en vrijwel uitsluitend bepaald kan worden door van jaar tot jaar vast te stellen inkomenspolitieke overwegingen; van mening, dat het evenmin vanzelfsprekend is, dat stelselfinanciering uitsluitend plaatsvindt via aan het loon gerelateerde premies en via een omslagstelsel, gebaseerd op de jaarlijkse inkomsten en uitgaven van de fondsen; overwegende, dat nadere advisering door de SER gericht op verdergaande arbeidsverdeling en technologische en demografische ontwikkelingen voor zover relevant voor de werknemersverzekeringen wenselijk is; verzoekt de regering, zo spoedig mogelijk de SER advies te vragen over de toekomstige financiering van het stelsel van sociale zekerheid, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 58(19261).

Mevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik geef een zeer summiere samenvatting van onze uitgangspunten en stellingnames. 1. Een stelsel moet rechtvaardig zijn en niet sommige groepen meer duperen dan anderen, bij voorbeeld arbeidsongeschikte vrouwen en jongeren; 2. een stelsel moet een draagvlak hebben, waarbij bovenminimale uitkeringen aan de sociale partners worden overgelaten, met eventueel ruimte voor particuliere bijverzekering; 3. een stelsel moet maatschappelijke ontwikkelingen niet blokkeren, bij voorbeeld emancipatie, economische onafhankelijkheid van individuen en meer en andere leefvormen; 4. een stelsel moet eenvoudig te begrijpen en uit te voeren zijn;

5. een stelsel moet betaalbaar zijn en daarvoor moet de rekening aan alle burgers gepresenteerd worden, en het stelsel moet geen bedreiging voor de privacy zijn. Mijnheer de Voorzitter! Er is nu geen draagvlak. Het is beter, opnieuw te trachten met de sociale partners tot overeenstemming te komen. Er wordt geen perspectief geboden op verdergaande individualisering. De voorstellen staan haaks op de inhoud van het beleidsplan emancipatie. Bezuinigingen worden eenzijdig afgewenteld op arbeidsongeschikten, jongeren en vrouwen. Er is een grotere aantasting van de privacy door in meer gevallen te toetsen op leefvorm. De uitvoering zal grote problemen opleveren, waarvan uitkeringsgerechtigden de dupe worden. De begrijpelijkheid voor de burgers moet vergroot worden. De SER dient om advies inzake de toekomstige financieringssystematiek gevraagd te worden. Gemeenten dienen de extra te maken kosten in verband met de stelselherziening voor 100% vergoed te krijgen. Uitkeringsgerechtigden moeten ingeschakeld worden bij de advisering over de verdere vormgeving van de sociale zekerheid. Kortom: er moet niet overhaast worden beslist. Mijnheer de Voorzitter! Ik ga vervolgens in op de nieuwe werkloosheidswet. De onzorgvuldigheid in de behandeling, waarover ik eerder sprak, geldt in bijzondere mate de NWW. Net vůůr het paasreces, toen verdere schriftelijke behandeling onmogelijk was geworden -het eindverslag was er al; het was reces en de behandeling was onmiddellijk na afloop van het reces gepland -ontvingen wij een dikke nota van wijziging waarmee de halfjaarlijkse afbouw op aandringen van de Kamer werd geschrapt. De andere grote wijziging betrof echter een geheel nieuw systeem voor de berekening van het arbeidsverleden. Mijnheer de Voorzitter! Als wij, als Kamer, een dergelijk amendement hadden ingediend, had de regering misschien gesteld dat het destructief was, maar daar gaat het nu niet om. Een belangrijk bezwaar is, dat wij deze wijziging alleen plenair bespreken. De zorgvuldigheid van wetgeving en de afweging komen daarmee in een nog merkwaardiger daglicht te staan dan toch al het geval was. Ik kom nu bij de inhoud van het wetsvoorstel zelf. De nieuwe werkloosheidswet heeft, evenals de

gehele stelselherziening, onder de spanning moeten leven van een groot aantal wensen en verlangens enerzijds en de beoogde bezuinigingen anderzijds. Het voorstel is het resultaat van die tegenstrijdige eisen. Waar verbeteringen tot stand zijn gekomen -en ik ontken niet, dat deze er zijn -waren deze alleen mogelijk door de beperking van de rechten van anderen. Ik noem enkele voorbeelden. De verlenging van uitkeringsrechten voor oudere werklozen staat in het teken van meer dan evenredige vermindering bij jongeren. De verbetering voor 50-plussers -vergeleken althans met de oude wetgeving ten opzichte van de bestaande interimregeling WWV is het een verslechtering -gaat ten koste van de regeling van werklozen van 57,5 jaar en ouder. Een van de meest nijpende problemen in de werkloosheidswetgeving bestaat hierin, dat het bestaande stelsel niet ontworpen is voor een zo massaal beroep op de sociale zekerheid als op dit moment. De loongerelateerde uitkeringsduur van nu -globaal gesproken een half jaar WW en twee jaar WWV -maar zeker ook de RWW in het geval van langdurige werkloosheid, met de vermogens-en inkomenstoets, zijn niet bedoeld voor een omvangrijke, structurele en langdurige werkloosheid. Die constatering heeft geleid tot de brede conclusie dat het stelsel van werkloosheidsrechten aanpassing behoeft. Daarmee is nog niets gezegd over de gewenste richting van die aanpassing. Immers, het feit dat de werkloosheid, meer dan vroeger, langdurig van aard is, kan zowel leiden tot de conclusie, dat het met de rechten dan maar wat minder of met de uitkeringen wat lager moet, als tot het streven om de mensen zo lang mogelijk uit de bijstand te houden en dus langer recht te geven op een loondervingsuitkering. Door de regering is gekozen voor een mengeling. Jongere werklozen komen in de toekomst eerder dan nu in de bijstand. Ouderen krijgen een langere uitkeringsduur in de loondervingsfase, zeker als zij de 50 gepasseerd zijn. Dat maakt het moeilijk om over het voorstel een eensluidend oordeel te geven, voor zover dat al mogelijk zou zijn zonder de samenhang met de rest van de wetsvoorstellen. Ik hecht eraan te herhalen dat mijn fractie het betreurt, dat het kabinet

niet heeft gepoogd met de sociale partners tot overeenstemming te komen. Over de uitkeringsduur lagen in de SER vijf standpunten in combinatie met de hoogte van de uitkeringen die verschilden, maar waarin toch gemeenschappelijke tendensen te onderkennen waren en waaruit een gelijke noemer gevonden had moeten kunnen worden. Mijnheer de Voorzitter! De fractie van D'66 vindt het leggen van een relatie tussen arbeids-en premieverleden of leeftijd enerzijds en de uitkeringsvoorwaarden anderzijds alleszins te verdedigen. De bijdrage aan het stelsel van ouderen is over het algemeen groter en het is redelijk om ook de rechten die daaruit voortvloeien, ruimer te maken dan voor mensen, die korter aan het arbeidsproces hebben deelgenomen en dus korter verzekerd waren. Dat het arbeidsverleden niet volledig de uitkeringsduur kan bepalen, spreekt voor zich. Het is immers in veel gevallen niet bekend. Daarom is een combinatie van feitelijk arbeidsverleden en leeftijd, het fictief arbeidsverleden, geen onjuiste keuze. Dat leidt mij tot de vraag wanneer het kabinet verder denkt te gaan met het hanteren van het feitelijk arbeidsverleden als maatstaf voor de uitkeringsduur, of gebeurt dit nu helemaal niet meer door de nota van wijziging? Er is ook nog een andere rechtvaardiging voor een verlenging van de uitkeringsduur, juist voor oudere werklozen. Zij hebben helaas vaak een kleinere kans om werk te vinden en zijn gemiddeld langer werkloos. Ook doet zich vooral bij hen het probleem voor dat het in vele jaren opgebouwde vermogen, meestal in de vorm van een eigen huis, na 2,5 jaar werkloosheid moet worden aangesproken. Uitbreiding van de uitkeringsduur voor oudere werklozen is derhalve alleszins te rechtvaardigen. Er zijn echter ook nog andere aspecten van belang, die een invloed behoren te hebben op de duur van de werkloosheiduitkering. Ook voor jongeren is het weinig plezierig snel terug te worden geworpen op de bijstand. Weliswaar kan voor hen niet het argument van het langdurige arbeidsverleden worden gebruikt, en is er ook minder vaak sprake van vermogen, op grond waarvan een langere uitkeringsperiode kan worden bepleit, maar juist jonge mensen krijgen snel te maken met de partnersinkomenstoets. Een van de motieven voor de herziening van de sociale zekerheid 4523

bestaat uit de grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Deze doet zich in alle leeftijdsgroepen voor, maar het sterkst onder de jongeren. Het is tegengesteld aan die tendens en dus ook aan dit motief voor de herziening om jongeren zo snel op de bijstand terug te werpen en daarmee afhankelijk te maken van het inkomen van de partner. Mijnheer de Voorzitter! Ik heb eerder verdedigd dat voor ouderen een langere uitkeringsduur gerechtvaardigd is. Dit geldt volgens mijn fractie op andere gronden ook voor jongeren. Wij kunnen ons dan ook voorstellen, dat de minimumperiode, waarin een loondervingsuitkering wordt ontvangen, wordt verlengd tot bij voorbeeld vier jaar. Voor zover de in het wetsvoorstel voorgestelde uitkeringsduur, verlengd met een jaar vervolguitkering die periode van vier jaar niet bereikt, zou de vervolguitkering kunnen worden verlengd. Met een dergelijke verlenging van de loondervingsfase zou zowel recht gedaan kunnen worden aan de oudere werklozen als aan de situatie van jongere werklozen. Ik heb er op dit moment vanaf gezien om dit neer te leggen in een amendement, omdat ik de discussie wil afwachten. De duur van de vervolguitkering kan worden verlengd indien daartoe de mogelijkheden bestaan, zo laat de regering bij herhaling weten. Afgezien van het genoemde amendement, dat wij eventueel zullen indienen, heb ik een amendement ingediend waardoor in de nWW wordt vastgelegd dat elk jaar wordt bekeken of er aanleiding is voor verlenging van de vervolguitkering. Daarbij zijn twee zaken van belang: participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en mogelijkheden wat betreft de overheidsfinanciŽn. Om te voorkomen dat verlenging van de vervolguitkering te gemakkelijk op de lange baan kan worden geschoven, dient elk jaar die afweging te worden gemaakt. Over de uitkeringsduur voorts nog de volgende opmerking, die enigszins losstaat van het voorgaande. Mijn fractie zal het ingediende wijzigingsvoorstel steunen, waarin wordt aangegeven dat in geval van langere ziekteperioden de uitkeringsduur voor de werkloosheid wordt stopgezet. Voor langdurige ziekteperioden is het ook volgens onze fractie onterecht indien de uitkeringsduur in de nWW wordt opgemaakt terwijl van reŽle beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet gesproken kan worden en het vinden van werk sterk wordt bemoeilijkt. Het in de wet neerleggen van een arbeidsverledeneis van drie uit vijf jaar vindt zijn grond in het voorkůmen van een relatief lange uitkeringsduur bij een relatief gering arbeidsverleden. Tot voor kort was het niet mogelijk om tot reŽle beoordeling te komen van het effect van de voorgestelde eis. Twee weken geleden werden de resultaten bekend van het GAK-onderzoek. Ook de nota naar aanleiding van het eindverslag vermeldt de nodige gegevens waarvan mijn fractie is geschrokken. De mate, waarin de arbeidsverledeneis leidt tot de uitsluiting voor een verlengde loondervingsuitkering is veel groter dan voor ons aanvaardbaar is. Indien een werkelijk gering arbeidsverleden ertoe leidt dat geen verlengde uitkeringsduur geldt, hebben wij daar vrede mee maar als de eis ertoe leidt dat slechts de helft van de aanvragers van een WW-uitkering in aanmerking komt voor een volledig uitkeringsrecht, gaat dat veel te ver. Uit onderzoek blijkt onder meer dat 18% van alle aanvragers niet zal voldoen aan de arbeidsverledeneis. Dat dit bij ouderen gunstiger ligt dan bij jongeren ligt voor de hand. Daarnaast bestaat er een opmerkelijk verschil wat betreft de mate, waarin mannen en vrouwen aan de eis voldoen. Het verzorgingsforfait, gepresenteerd als groot gebaar tegenover vrouwen, blijkt vrijwel geen soelaas te bieden. De cijfers zijn eerder al uitvoerig besproken. Ik wil er daarom nu mee volstaan, te zeggen dat wij het amendement van de PvdA -ik omschrijf dit met 'twee uit vijf' -zullen steunen. De fractie van D'66 zal voorts de invoering van het verzorgingsforfait steunen. Het is op zichzelf op dit moment terecht wanneer bij de berekening van het arbeidsverleden rekening wordt gehouden met het feit dat veel mensen, voornamelijk vrouwen, als gevolg van de verzorging van kleine kinderen niet aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. In die zin steunen wij het forfait, zij het dat het niet nodig zou moeten zijn om het in te voeren. Ik bedoel daarmee dat het ten onrechte is dat vrouwen met kleine kinderen niet kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt. Daarmee is nog eens aangetoond dat er tot op heden veel te weinig is gewerkt aan de voorwaarden waaronder vrouwen en natuurlijk ook mannen het verzorgen van kinderen kunnen combineren met betaald werk. Omdat die situatie nu nog bestaat, is het invoeren van dit forfait echter een middel om met die verkeerde toestand rekening te houden en vrouwen daarvan niet al te zeer de dupe te laten worden. Wat voor de verzorging van kinderen geldt, geldt evenzeer voor de verzorging van anderen. Het is heel goed mogelijk dat ook door de verzorging van andere mensen niet deelgenomen kan worden aan het betaalde arbeidsproces. Ik denk daarbij aan de onbetaalde verzorging van ouders, familieleden of vrienden of een arbeidsongeschikte levenspartner. Mijn fractie vindt dat ook deze situaties in aanmerking genomen moeten worden bij de bepaling van het arbeidsverleden. Wij wilden een amendement indienen om dit in de wet te regelen maar de motie van het CDA ter zake maakt dit weinig zinvol. Ik zou de fractie van het CDA willen vragen of de tekst van deze motie niet ruimer kan worden gesteld, zodat de onbetaalde verzorging van anderen in alle getallen kan leiden tot het meetellen van die periode bij het bepalen van het arbeidsverleden, op dezelfde wijze als door het kabinet wordt voorgesteld met betrekking tot het forfait.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Het lijkt mij juist, eerst de reactie van de staatssecretaris af te wachten. Wij wilden nagaan, hoe ver men zou moeten gaan en hoe krap dit geformuleerd zou moeten worden, wilde men de bedoeling van de motie kunnen realiseren. Wij zullen hierover in de tweede ronde verder kunnen praten.

Mevrouw Groenman (D'66): Dat is prima. Mijnheer de Voorzitter! Met betrekking tot de voorgestelde hoogten van de uitkeringen neemt mijn fractie het volgende standpunt in. In de afgelopen jaren hebben wij de vermindering van de sociale zekerheidsrechten steeds scherp gekritiseerd, niet omdat wij van oordeel waren dat er te ontkomen viel aan de bezuinigingen op de sociale zekerheid maar omdat er bij die bezuinigingen veel meer moest worden gedaan aan het terugdringen van het volume van het beroep op uitkeringen. Verder is het onze overtuiging dat een ieder in dit land over ťťn kam moet worden geschoren.

De regering heeft het anders gedaan. De indexering verviel. Uitkeringen werden bevroren en verlaagd met de ene na de andere kortingsmaatregel. Het is die verdeling van de bezuinigingen geweest waar mijn fractie stelling tegen nam. Wij zien ons nu gesteld voor de vraag voor welke percentages moet worden gekozen in de stelselherziening. Omdat sprake is van een cumulatieve scheve verdeling van de lasten is het terugdraaien van de doorgevoerde bezuinigingen haast onmogelijk, te meer daar de bezuinigingen die zijn doorgevoerd deels gewenst waren, als zij maar over iedereen waren gespreid. Mijn fractie heeft er steeds voor gepleit, alle inkomens, ook die in de marktsector, door middel van afspraken over arbeidsduurverkorting te bevriezen en dit te compenseren door een verlaging van belastingen, ter bescherming van de koopkracht. Zou het beleid op die wijze zijn gevoerd, dan hadden wij nu niet gezeten met de enorme inkomensachterstand van uitkeringsgerechtigden. Voor de beoordeling van de voorstellen inzake de stelselherziening hebben wij ons laten leiden door het beginsel, dat er gestreefd moet worden naar het zo lang mogelijk uit de bijstand houden van de mensen. Dat streven heeft voor mijn fractie meer prioriteit dan verhoging van uitkeringspercentages. Als er gekozen moet worden, ziet mijn fractie de loondervingsuitkeringen liever verlengd dan verhoogd. In dat kader moet ook ons amendement worden gezien om jaarlijks te bezien of de vervolguitkering kan worden verlengd. Voor dit moment betekent het standpunt van mijn fractie, dat als gekomen zou kunnen worden tot een aanzienlijke uitbreiding van de uitkeringsduur voor jongeren, hetzij langs de weg van een amendement dat wij eventueel zullen indienen, hetzij langs de weg van de Partij van de Arbeid, mijn fractie akkoord kan gaan met een percentage van 70. Mijnheer de Voorzitter! De hoogte van de uitkering wordt niet alleen bepaald door het percentage, maar ook door de ontwikkeling door de jaren heen. Mijn fractie zal zich sterk maken voor herstel van de indexering. Aanpassing aan de gemiddelde loonontwikkeling is sinds 1982 ten onrechte achterwege gebleven. Het effect daarvan, 11,6% bruto, evenaart

het effect van de verlaging van de uitkeringspercentages, hetgeen andermaal een schril licht werpt op de inkomens van de mensen met een uitkering. Ik rond dit onderdeel af. De fractie van D'66 is van mening dat mensen zo lang mogelijk uit de bijstand moeten blijven. Daarnaast dient de indexering te worden hersteld. Beide doelstellingen hebben voor ons een hogere prioriteit dan verhoging van de uitkeringspercentages. Wat ons betreft zijn de verlangens van de Partij van de Arbeid dan ook irreŽel te noemen. En verlenging, Ťn verhoging Ťn indexering, Ťn geen maatregelen in het kader van de WAO zijn wat veel wensen tegelijk. Bij D'66 wordt economische groei vertaald in langer durende uitkeringsrechten, maar wel met indexering vanaf nu. Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie heeft in het wetsvoorstel voor een nieuwe Werkloosheidswet nogal wat aspecten node gemist. Flexibilisering van de arbeidsmarkt is er een van. Die flexibilisering, die wenselijk is binnen de bestaande arbeidscontracten, speelt zich op het moment hoofdzakelijk af door de totstandkoming van nieuwe contracten. Te denken valt allereerst aan het sterk toegenomen gebruik van afroepcontracten en minmaxcontracten, maar natuurlijk ook het thuiswerk. Die ontwikkelingen hebben nauwelijks hun neerslag gehad in het nieuwe stelsel van sociale zekerheid, terwijl de sociale zekerheidspositie van de betrokkenen toch bepaald slechts is. Ik kom daar nog op terug bij de personenkring. Behalve voor de flexibilisering is er nog een aspect waarvoor ik de aandacht wil vragen, en wel voor de informele economie, ofwel voor de enorme toename van zwart en grijs werk enerzijds en de groei van onbetaalde werkzaamheden aan de andere kant. De moeilijkheid daarbij is inzicht te krijgen in de omvang van die economie en die arbeidsmarkt, die aan de officiŽle cijfers en statistieke onttrokken zijn. Toch bestaat de indruk, dat wanneer men de kaart van deze arbeid zou leggen over het beeld van de arbeidmarkt dat in de sociale zekerheid tot uitdrukking komt en is erkend, het verschil tussen beide aanzienlijk is. Dat moet op enig moment gevolgen hebben voor de sociale zekerheid, zowel aan de inkomstenkant -kennelijk komen werkzaamheden waaraan behoefte is niet tot stand tegen de formele prijs -als aan

de uitgavenkant, de kant van de prestaties. Mijn fractie heeft daarvoor goede aanzetten gevonden in het Waarborgenrapport van de WRR, dat nog niet was verschenen of het werd door de regering en anderen neergemaaid. De stukken tot herziening van het stelsel van sociale zekerheid zwijgen over die discussie, terwijl deze daarin wel thuishoort. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot de personenkring. Ik begin met een vraag. Wij hebben tevreden vastgesteld, dat het kabinet na vele jaren nu bereid is een regeling te treffen voor produktiecoŲperaties. Wij hebben daar jarenlang op aangedrongen. Het kabinet zegt de ambtelijke afronding van een wetsvoorstel voor de verkiezingen gereed te willen hebben. Kan daaraan worden toegevoegd dat wordt gestreefd naar een zo spoedig mogelijke indiening van dat voorstel? Naar mijn idee behoeft de demissionaire status van het kabinet daarvoor geen belemmering te vormen, gezien de lange geschiedenis en de consensus. Wil de regering dat toezeggen? Op zichzelf staat mijn fractie niet negatief tegenover arbeidsrelaties van thuiswerkers en arbeidscontractanten. Er wordt terecht gestreefd naar flexibilisering van arbeidsverhoudingen. Dat is bepaald niet alleen in het belang van werkgevers, zoals sommigen wel beweren, maar wel degelijk ook in het belang van werknemers. Dat laat onverlet dat een aantal vormen van arbeid, waartoe zeker die van thuiswerkers en afroepcontractanten behoren, slecht geregeld zijn. Flexibilisering van de arbeidsmarkt komt nauwelijks terug in de sociale zekerheid. Zij die op basis van afroepcontracten werkzaam zijn en met behoorlijke tussenpozen betaald werken, hebben niet alleen daardoor vaak een slechte rechtspositie, maar zijn ook in de sociale zekerheid slechter af. Het is een vereiste voor de aanvaardbaarheid van deze arbeidscontracten dat de sociale zekerheid goed geregeld is. Weliswaar zal er door het omzetten van de gewerkte dageneis in een wekeneis iets verbeteren, maar voor veel betrokkenen biedt dat geen oplossing. De sociale zekerheid geeft in veel gevallen nog geen antwoord op deze contracten. Mijn fractie wil dat de rechten van arbeidscontractanten zo spoedig mogelijk geregeld worden in het Pariteitenbesluit. Voorts wil ik de regering vragen wanneer zij met voorstellen op dit gebied komt naar aanleiding van de studie naar flexibele arbeidsrelaties. 4525

Ten aanzien van thuiswerkers dient voorts op korte termijn het 2/5-criterium in de werknemersverzekeringen te vervallen. Mijn fractie is van mening dat alphahulpen onder de sociale zekerheid behoren te vallen. Dat is niet alleen in het belang van de betrokken arbeidskrachten maar leidt ook tot een betere beschikbaarheid. Door de werking van de tweeverdienerswet besloten veel van deze hulpen met dat werk te stoppen. Hun toch al lage inkomen nam nog verder af. Een verbetering van hun positie in de sociale zekerheid, uiteraard naast een herziening van de tweeverdieners wet, is een manier om de aantrekkelijkheid van het werken als alphahulp iets te vergroten. Dat is in het belang van de sectoren waarin veelvuldig gebruik wordt gemaakt van de alphahulpen en die daarvan voor een belangrijk deel afhankelijk zijn. Een verbetering van de positie van alphahulpen in de sociale zekerheid kan bereikt worden door deze groep in dienst te stellen van de instellingen waarvoor zij werkzaam zijn. Mijn vraag is, of de regering daartoe alsnog bereid is, al regardeert dit natuurlijk niet alleen deze staatssecretarissen. Thuiswerkers, af roepcontractanten en alphahulpen zijn vooral vrouwen. Hun positie op de arbeidsmarkt is zwak. Vaak moeten zij tegen hun zin genoegen nemen met slecht betaald of slecht geregeld werk omdat ander werk niet te vinden is. Als de regering ernst wil maken met de verbetering van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, hetgeen zij beweert, zou extra aandacht voor de vormen waarin veel vrouwen zich op die arbeidsmarkt bewegen, geboden zijn. In de stukken heeft mijn fractie betoogd, dat het buiten de NWW houden van alphahulpen leidt tot indirecte discriminatie, waarbij wij hebben verwezen naar de derde richtlijn. Het zijn immers vrijwel uitslutiend vrouwen die daardoor worden getroffen. Weliswaar voert de regering argumenten aan die de ongelijke behandeling moeten rechtvaardigen, maar mijn fractie is daardoor geenszins overtuigd en ziet een nadere argumentatie graag tegemoet. Voorzitter! Mijn fractie heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat het overheidspersoneel onder de voor werknemers geldende werkloosheidswetgeving dient te vallen.

Daarbij gold wel de deze dagen zeer actuele voorwaarde dat het geheel van arbeidsvoorwaarden van ambtenaren en werknemers in evenwicht moet zijn. De vorige week gepubliceerde pakketvergelijking geeft alle aanleiding tot de conclusie, dat dat evenwicht er door de bank genomen niet is. Mijn fractie blijft van mening, dat ambtenaren onder de NWW behoren te vallen. Of dat nu meteen al moet gebeuren, hangt af van de conclusies die uit de pakketvergelijking zullen worden getrokken. Wij kunnen ons voorstellen, dat die conclusies ertoe leiden dat van het onderbrengen onder de werkloosheidswet op dit moment wordt afgezien omdat het recht trekken van andere onderdelen van de arbeidsvoorwaarden, met name de salarissen, voorlopig een hele toer zal zijn. Voor het eindoordeel willen wij daarom de bespreking van de pakketvergelijking met name met de ambtenarenbonden afwachten. Wij steunen het amendement op grond waarvan het onderbrengen van ambtenaren onder de NWW wetswijziging noodzakelijk wordt. Ik voeg hieraan toe, dat voor ons opname van ambtenaren aanvaardbaar is nadat overeenstemming is bereikt over de loonpolitieke consequenties van de pakketvergelijking. Voorzitter! De regering stelt, dat de positie van deeltijdwerkers wordt verbeterd. Deels is dat ook zo. De verandering van gewerkte dageneis in een wekeneis en het vervallen van de ondergrens, is in het voordeel van deeltijdwerkers, vooral bij een relatief korte werkweek. Voorts zal ook voor deeltijdwerkers het regime van de toeslagenwet gelden. Op zich is dat mooi, maar dat leidt ertoe dat voor deeltijdwerkers die op de Toeslagenwet per definitie geen beroep kunnen doen -ik denk daarbij in de eerste plaats aan alleenstaanden -geen verbetering optreedt. Door de SER, de Emancipatieraad, de SVR en het Platform van Organisaties voor Alleenstaanden is ervoor gepleit om alleenstaanden bij deeltijdwerk alsnog recht te geven op een adequate minimumbescherming buiten de bijstand om. De bijstand is een slechtere regeling en stelt bovendien de voorwaarde van volledige beschikbaarheid, wat soms om allerlei redenen voor mensen niet mogelijk is; soms wil men dat gewoonweg niet. Een van de aangedragen oplossingen is het brengen van de deeltijdwerkende alleenstaande onder de Toeslagenwet. Mijn fractie is van mening, dat het karakter van de Toeslagenwet zich daartegen verzet. Het zou een stap te ver zijn om deze wet, bedoeld om ten behoeve van afhankelijke partners op minimumniveau een aanvulling te geven en die bovendien uiteindelijk een tijdelijke wet is, te gebruiken voor dit doel. Daarom heb ik een amendement ingediend ten behoeve van deeltijdwerkers voor wie geldt dat 70% van het laatste loon lager is dan 70% van het minimumloon. In die gevallen dient de NWW-uitkering zelf een aanvulling te geven tot aan dat niveau, hoewel nooit meer aan uitkering mag worden ontvangen dan het vroegere loon. Op die wijze worden de nadelen van de Toeslagenwet ontweken en bestaat toch een adequate minimumvoorziening voor alleenstaande deeltijdwerkers gelijk aan die van andere deeltijdwerkers in de NWW, precies zoals dat hoort in een loondervingsregeling. Mijnheer de Voorzitter! Ik komt tot de sancties. Ik kan daar kort over zijn. Het bestaan van sancties als middel voor het uitvoerend orgaan om uitdrukking te geven aan geconstateerde onregelmatigheden kan waarschijnlijk niet worden gemist. Er bestaan nu eenmaal situaties waarin het gewenst is om een korting op de uitkering toe te passen. De staatssecretaris heeft voorgesteld om de minimumomvang van die sanctie in de wet neer te leggen, met andere woorden om de uitkering te maximeren. De nota van wijzigingen verandert daar niets aan. Het verstandige element in de sanctieregeling tot nu toe is dat het aan de bedrijfsvereniging wordt gelaten om de sanctie te bepalen. Die kan rekening houden met alle relevante omstandigheden, waarbij niet alleen de mate van verwijtbaarheid van de werkloosheid, maar ook de overige situaties van betrokkenen kunnen worden meegewogen. Die mogelijkheid wordt nu voor een belangrijk deel weggenomen en in een adem worden de sancties verzwaard door de maximering op 70% van het minimumloon. De fractie van D'66 gaat daar niet mee akkoord en dat heeft zij in de schriftelijke voorbereiding al laten blijken. Mijnheer de Voorzitter! Een hiermee verwant onderwerp is de omgekeerde bewijslast, of laten wij zeggen: de omgekeerde aannemelijkheidslast. Mijn fractie heeft aanvankelijk wat ambivalent naar dit onderwerp gekeken. Het kabinet

heeft naar ons gevoel gelijk als het stelt dat de parallel met het strafrecht, zoals die door veel tegenstanders is getrokken, niet opgaat. Aan het constateren van feiten die van invloed zouden moeten zijn op de uitkering is altijd wat voorafgegaan. Er zijn gegevens verstrekt, formulieren ingevuld en er bestaat de verplichting voor de uitkeringsgerechtigden om wijzigingen in de situatie door te geven aan de bedrijfsvereniging. Het kabinet wijst wat dat betreft terecht op het bestaan van een vertrouwensrelatie. In de nota naar aanleiding van het eindverslag staan onderwerpen genoemd waarbij ook een omgekeerd aannemelijk maken in het geding is. Toch ligt de zaak anders dan ten aanzien van de uitkeringen. In de eerste plaats gaat het om het eerste en vaak enige inkomen van veel mensen. Intrekken of verlaging van de uitkering die het gevolg zou kunnen zijn van de situaties waarom het hier gaat, hebben een veelbepalende invloed op het leven van de betrokkenen. Daarom alleen al moet de grootste zorgvuldigheid in acht worden genomen en de kans op willekeur en onterechte korting zo klein mogelijk worden gemaakt. Daar komt nog iets bij. Door het voorstel van de omgekeerde bewijslast is minstens de indruk gewekt dat het recht in Nederland voor mensen met een uitkering anders in elkaar zit dan voor anderen. Andere onderdelen van de stelselherziening wekken die indruk ook wel eens, maar zeker dit punt. Ik vind dat die indruk niet mag bestaan, hier niet en ook niet wat betreft het overige deel van de voorstellen. Mijn fractie stelt zich op het standpunt dat het op zich wenselijk is om over de bewijslast verder te praten. Voor dit moment achten wij de haken en ogen te groot en de indruk die met de bepaling wordt gewekt slecht voor het rechtsgevoel. Wij wijzen dit voorstel dan ook af. Mijnheer de Voorzitter! Niet geheel tot de sfeer van de nieuwe Werkloosheidswet, maar wel in de schriftelijke voorbereiding daarvan het meest uitgebreid besproken, zijn de minimumuitkeringsniveaus tijdens de loondervingsfase. De tot dusver gehanteerde nettonettokoppeling komt te vervallen en wordt vervangen door een brutokoppeling. Bij vergelij king van de huidige en voorgestelde uitkeringsniveaus blijkt dat er voor mensen boven de 23 jaar twee groepen zijn die erop achteruit gaan; de eenoudergezinnen door de 90% in plaats van 100% in de Toeslagenwet en de alleenstaanden boven de 27 jaar die ten opzichte van de huidige situatie op minimumniveau minder AAW krijgen. Weliswaar worden overgangsregelingen voorgesteld, maar die doen daar verder niets aan af. Bij alle wijzigingen in uitkeringsniveaus die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan en vooral bij alle wijzigingen in uitkeringsniveaus die zich na de stelselherziening nog voor zullen doen, is mijn fractie van mening dat het niet terecht is om er hier, en dan nog alleen ten aanzien van bovenstaande groepen, nog eens een schepje boven op te doen. De voorgestelde achteruitgang voor deze groepen wijzen wij dan ook af. Wat betreft de eenoudergezinnen zullen wij het amendement van de PvdA steunen, althans het desbetreffende onderdeel daarvan. Mijnheer de Voorzitter! In het verlengde hiervan zijn wij evenmin gelukkig met het feit dat voor 18-, 19-en 20-jarigen het verschil tussen de loondervingsuitkering en het vloerbedrag van de ABW niet wordt overbrugd. Hetzelfde geldt voor de verlaging van de uitkering voor jonge (vroeg)gehandicapten. In de memorie van toelichting deelt de regering een aantal keren mee, het ongewenst te vinden dat een blijvend verschil bestaat tussen de loondervingsuitkering en de normen in de ABW en de AOW. Zij kondigt voorstellen aan die mede afhankelijk zijn van de financiŽle mogelijkheden. Ik ben zeer benieuwd in het antwoord van de regering te horen in welke richting die voorstellen zullen gaan. Mijnheer de Voorzitter! Een afronding wat betreft de Werkloosheidswet. Mijn fractie ziet in de voorstellen voor de NWW zowel plussen als minnen en wil de plussen niet onderwaarderen. Met name voor oudere werklozen wordt binnen de NWW een belangrijke verbetering bereikt. Voor jongeren betekenen de voorstellen echter een verslechtering. Zij komen snel terecht in de bijstand. Ik heb ervoor gepleit voor hen nu al tot een langer durende vervolguitkering te komen. Het wetsvoorstel is overigens verre van volmaakt. Voor alleenstaande deeltijdwerkers, voor vrouwen die werkzaam zijn als alphahulp of op afroep, hebben de voorstellen weinig te bieden. Dat geldt ook voor arbeidsongeschikten die voor hun restcapaciteit werkloos worden geacht, waarbij ze niet alleen te maken krijgen met de NWW, maar ook met de toeslagenwet IOW of met de bijstand. Dat roept bij mijn fractie grote bezwaren op. Afgezien van de bezwaren die wij tegen de NWW-voorstellen hebben, is het vooral de uitwerking van het pakket van voorstellen waar wij moeite mee hebben. Of wij de NWW uiteindelijk kunnen steunen, zal niet alleen afhangen van de eventuele wijzigingen in het voorstel, maar ook van het totaalbeeld dat de diverse wetsvoorstellen zullen bieden na de stemming over de amendementen, waaraan wij -wat ons betreft -voor de verkiezingen overigens beslist niet aan toe hoeven te komen. Dan het wetsvoorstel waarmee de regering haar financiŽle slag denkt te slaan. Van de bezuinigingen die de totale stelselherziening moet opbrengen, komt 70% voor rekening van wijziging in de AAW en de WAO. Niet langer zal rekening gehouden mogen worden met de verminderde kans op werk als iemand arbeidsongeschikt is, niet langer zal gekeken mogen worden of de verzekerde ook feitelijk passende arbeid kan krijgen en niet langer zal gelden dat de resterende verdiencapaciteiten in de eigen regio te gelde gemaakt moeten kunnen worden. Een ingrijpend wetsvoorstel met ingrijpende gevolgen voor arbeidsongeschikten en met name voor diegenen onder hen die nog geen 35 jaar zijn. Zij moeten allen herkeurd worden met alle ellende en uitvoeringsproblemen vandien. Zijn ze voor een deel arbeidsgeschikt, dan krijgen ze voor dat deel een werkloosheidsuitkering, aflopend naarde bijstand. In principe klinkt dat logisch. Een hele arbeidsongeschiktheidsuitkering als je maar ten dele arbeidsongeschikt bent en op die manier een hogere uitkering houden tot je 65ste, lijkt onrechtvaardig ten opzichte van langdurig werklozen. Waar het echter om draait, is de vraag of je als gedeeltelijk arbeidsongeschikte, en dus gedeeltelijk arbeidsgeschikte, wel dezelfde kansen op werk hebt als een werkloze. Als dat zo zou zijn, als met andere woorden werkgevers niet selectief zouden zijn bij het aannemen van werknemers, zou er niets aan de hand zijn. Helaas is dat niet zo. De positie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten op de arbeidsmarkt is niet gelijk aan die van een werkloze.

Integendeel, ook het kabinet erkent dat de arbeidsmarktpositie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten uitermate kwetsbaar is. Waarom dan toch dit wetsvoorstel? De conclusie van de fractie van D'66 kan niet anders zijn dan dat de enige rechtvaardiging van dit wetsvoorstel is gelegen in de forse bezuiniging die het op termijn opbrengt. Het kabinet houdt bij hoog en bij laag vol dat afschaffing van de verdisconteringsbepaling volstrekt redelijk is, als dat maar tegelijkertijd plaatsvindt met maatregelen die de positie van arbeidsongeschikten op de arbeidsmarkt versterken en noemt dan als maatregelen de intensieve begeleiding van arbeidsongeschikten, de voorzieningen op grond van artikel 57 van de AAW en de Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers. De WAGW is onlangs door de Kamer in afgezwakte vorm afgehan deld, terwijl die wet al in 1982 met daarin opgenomen een quotumver plichting werd ingediend. Daar hoeven wij ons dus voorlopig niets van voor te stellen, hoogstens op termijn een voorkomen van onnodige uitstoot uit het arbeidsproces. Een inschakeling van arbeidsongeschikten die al langere tijd de band met het arbeidsproces verloren hebben, valt niet te verwachten. Wat moet ik mij vervolgens voorstellen bij de aangekondigde intensieve begeleiding van arbeidsongeschikten bij het behouden of hervinden met de band met het arbeidsproces? Er heeft nog geen evaluatie plaatsgevonden van de per 1 januari 1982 landelijk ingevoerde administratieve termijnstelling en de nieuwe werkwijze van de GMD die een individueel op te stellen integra tieplan centraal stelt. Welke conclusies trekt de staatssecretaris uit de tot nu toe bekende gegevens en hoe stelt hij zich werkelijk een intensieve begeleiding voor van diegenen die straks na herkeuring gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en om aan de bijstand te ontkomen, begeleiding nodig hebben om weer aan het werk te komen, teneinde ook acceptabel te zijn voor de werkgever. Het invoeren van een 'opstapje' zou wat dat betreft een goede zaak zijn, maar dat is een financiŽle hulp en nog geen immateriŽle vorm van begeleiding en hulpverlening. Zoals de fractie van D'66 het nu bekijkt, stellen de maatregelen ter verbetering van de arbeidsmarktposi tie van gedeeltelijk arbeidsongeschik ten te weinig voor. Van een gelijkwaar dige arbeidsmarktpositie vergeleken met langdurig werklozen is vooralsnog geen sprake. Waarom niet gewacht met dit wetsvoorstel tot bijvoorbeeld 1990? De WAGW kan dan geŽvalueerd zijn en van een eventuele quotumverplich ting voorzien. De mogelijkheden om tot een intensieve begeleiding te komen bij het hervinden van werk kunnen voldoende zijn onderzocht en toepasbaar gemaakt. Ook zou dan afdoende zijn nagegaan hoe het met de onrechtvaardige behandeling van vrouwen, buitenlandse werknemers en jongeren staat als het om de afschaffing gaat. De PRR-fractie heeft in haar bijdrage aan het voorlopig verslag aangedrongen op een gelijke behandeling van vrouwen en mannen in de WAO/AWW. Zij doelt op de nu bestaande slechte overgangsregeling voor het zelfstandig recht van gehuwde vrouwen op een AAW-uitkering, het ontbreken van een uitkeringsrecht voor vrouwen die in deeltijd in het eigen bedrijf meewer ken. De vraag is of de commissie Meewerkende vrouw deze zaken meeneemt of dat het wachten is op de zoveelste EG-richtlijn die de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de onderneming regelt. Over gelijke behandeling gesproken. Arbeidsongeschikte alleenstaanden zien zich ook extra gedupeerd door de voorgestelde koppeling van de AWW aan het minimumloon. Ik wil daarvan wel voorbeelden geven, maar ik denk dat de staatssecretaris die voorbeelden kent. Straks zal de alleenstaande 70% krijgen van de netto-uitkering van een echtpaar. Nu gaat men uit van het brutoloon. Ik denk dat dit een nadeel is. Wil het kabinet nog eens aangeven welke argumenten het daarvoor precies heeft. Met betrekking tot de reŽle verdiencapaciteit vindt mijn fractie dat de beoordelingscriteria die daarmee gepaard gaan, ten minste in een algemene maatregel van bestuur moeten worden vastgelegd om rechtsonzekerheid te voorkomen en om duidelijkheid te scheppen in de uitvoeringspraktijk. De staatssecreta ris zegt, dat hij de ontwikkelingen in de praktijk zal afwachten om te bezien of het nodig is, de criteria alsnog wettelijk vast te stellen Wij denken dat de uitvoeringspraktijk zich beter ontwikkelt aan de hand van de vastgelegde criteria en dat deze altijd nog kunnen worden aangepast als zich daartoe de noodzaak aandient. De FNV heeft ons onlangs geschreven, dat de onduidelijkheid die bij de uitvoeringsorganen bestaat met betrekking tot de reŽle verdiencapa citeit allerminst is weggenomen. Dat vraagt dan toch om politieke duide lijkheid? Mijn fractie ziet in het algemeen grote problemen ontstaan bij de uitvoering van dit wetsvoorstel. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte zal ook met de NWW te maken krijgen, met alle eisen en bepalingen die daarbij horen en eventueel ook met de Toeslagenwet, de IOW en de ABW. En maar toetsen en maar controleren! En dat alles door verschillende uitvoeringsinstanties. Hoe wil de betrokkene daar zelf enig inzicht in hebben? Hoe kan voorkomen worden dat hij of zij de dupe wordt van niet goed op elkaar afgestemde werkzaamheden van de uitvoerende organen? Het aantal beroepszaken zal in elk geval tot een extra werklast leiden, als mensen tenminste al in beroep gaan als dat opportuun is. Waarschijn lijker is, dat mensen zich van het ene loket naar het andere moeten laten sturen. Het gaat immers om niet georganiseerde mensen. En ook als zij wel zijn georganiseerd, valt er weinig te ondernemen tegen bureau cratische en ondoorzichtige romslomp. D'66 heeft al eerder een pleidooi gehouden voor een ombudsman voor de sociale zekerheid en voor het ťne gemeentelijke loket, waar men zich met alle sociale zekerheidsproblemen kan vervoegen. Helaas is de uitvoe ringsorganisatie vandaag niet aan de orde. Wat er wel gebeurt, is het creŽren van een grote rechtsonzeker heid en een grotere ondoorzichtheid van het uitvoeringssysteem, waar in eerste instantie gehandicapte mensen de dupe van worden. D'66 keurt dat ten stelligste af. Ik heb echter al gezegd dat, als aan een aantal voorwaarden is voldaan, dit wetsvoorstel bij voorbeeld in 1990 wel van kracht zou kunnen worden. Ik kom vervolgens te spreken over de Toeslagenwet. De fractie van D'66 ziet de Toeslagenwet als een noodzakelijk kwaad met een voorlopig karakter. Het is noodzakelijk dat er voorlopig een aanvulling wordt verstrekt op een loondervingsuitkering voor die personen die een partner of kind tot financiŽle last hebben. Het is ook noodzakelijk dat de minimumdag-

toonregelingen die er tot nu toe voor zorgden dat in geval van werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid gehuwden en ťťn-oudergezinnen een aanvulling tot het minimumloon kregen, worden afgeschaft. D'66 heeft deze minimumdagloon regelingen als discriminatoir beschouwd vanaf het moment dat de bescherming alleen voor kostwinners is gaan gelden Nu echter de loonder vingsregelingen in de NWW inclusief de uitkering in de vervolgfase, individueel geregeld worden, zou zonder enige vorm van bescherming de financieel afhankelijke partner of het kind of de kinderen in een ťťn-oudersituatie niet meer onderhouden kunnen worden, als het althans om minimumuitkeringen gaat. Noodzakelijk is de Toeslagenwet dus wel, maar er zitten nogal wat kwalijke kanten aan die ik de revue zal laten passeren. Ik zal mijn bijdrage op dit punt besluiten met een pleidooi om de Toeslagenwet een tijdelijk karakter te geven. Dan mijn bezwaren tegen de Toeslagenwet. Partners worden verder en eerder al in de loondervingsfase financieel afhankelijk van elkaar gemaakt. Men krijgt immers geen toeslag als de partner voldoende inkomsten heeft. Om te bepalen of er recht is op een toeslag voor een afhankelijke partner, moet gekeken worden naar de privťsituatie van de betrokkenen. In de bijstand schept de toets op leefvorm nu al veel problemen. Verdere leefvormcontrole met alle onduidelijkheid daaromheen, is volgens de fractie van D'66 principieel verwerpelijk. Het door de regering gekozen systeem brengt dit wel met zich mee. De regering wil toetsen op het duurzaam -dat wil zeggen: minstens drie maanden -samenwoningsverband en bezien of de situatie ook anderszins niet verschilt van die van een wettelijke huwelijksrelatie. De VVD-fractie heeft samen met de CDA-fractie nu een amendement ingediend, waardoor subjectieve elementen worden uitgesloten. Daarbij zijn nogal wat vraagtekens te zetten. Waar vroeger in de slaapkamer gecontroleerd werd, zal nu in de keuken gecontroleerd worden, naar mijn gevoel. Bovendien worden verwanten uitgesloten Ik kan mij niet voorstellen, dat de fractie van de VVD daar gelukkig mee is als het om draagkrachtbepaling gaat.

Bovendien wordt er in dat amendement absoluut geen tijdelijkheid aan deze regeling gesteld. Dat lijkt mij niet te kloppen met de opmerkingen die naar aanleiding van het beleidsplan emancipatie gemaakt zijn. Wij zien vooralsnog de voordelen niet en vrezen nu toch opnieuw willekeur. Aan de controles wordt niet wezenlijk een einde gemaakt. Bovendien is het de vraag, waarom er ook niet een dergelijk amendement op de ABW is ingediend. Zowel de nieuwe werkloosheidswet als de toeslagenwet zullen door de bedrijfsverenigingen worden uitgevoerd. D'66 is het daarmee eens. De vraag doet zich echter voor, aan welke algemene bepalingen de bedrijfsverenigingen zich hebben te houden bij deze uitvoering. Mijn fractie denkt daarbij aan de grondwettelijke bescherming van de persoon lijke levenssfeer en aan de grondwet telijke norm van de gelijke behandeling. Ik heb daarvoor amendementen ingediend zowel op de nieuwe werkloosheidswet als op de toesla genwet.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Voorzitter! Mevrouw Groenman vroeg waarom wij geen amendement op de ABW hebben ingediend.

De heer Linschoten (VVD): Mevrouw Groenman, zei u AWW of ABW?

Mevrouw Groenman (D'66): Ik bedoel de ABW. U hebt in de toeslagenwet en de IOW op het punt van de samenlevingsvormen de duurzaamheid en het samenwonen geregeld en het subjectieve criterium laten vallen.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Dat hebben wij wel gedaan.

Mevrouw Groenman (D'66): Dan heb ik dat nog niet gezien. Dan ligt het aan mij. Dan heb ik er niets over gezegd.

De heer Linschoten (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb een vraag over het nieuwe onderwerp, dat mevrouw Groenman aansneed. Kan mevrouw Groenman mij uitleggen, waarom zij een dergelijke bepaling van gelijke behandeling opgenomen wil zien? Gegeven de toelichting op dat amendement, is zij van mening dat bedrijfsverenigingen, niet zijnde de overheid in strikte zin, niet gebonden zouden zijn aan hetgeen de Grondwet bepaalt. Waarop baseert zij die conclusie? Het gaat immers om het uitvoeren van een wet in formele zin?

Mevrouw Groenman (D'66): De bedrijfsverenigingen zijn op dit moment geen pure overheidsorganen. Bij die uitvoering is het beroep dat een burger mag doen op discriminatiebepalingen niet geregeld. Ik wil het voor de zekerheid vastgelegd hebben in de wet. Ik zal daarop nog nader ingaan. Een burger kan nu wel protesteren tegen iemand van de sociale dienst die zijn privacy aantast. Of hij dat echter ook kan doen tegen iemand van de bedrijfsvereniging is op dit moment onduidelijk. Voorzitter! Bij de grondwetsherzie ning is uitvoerig gesproken over de reikwijdte van beide artikelen Gelden deze normen alleen voor de staat, de overheid, of hebben zij in voorkomen-de gevallen ook een zogenaamde horizontale werking, dat wil zeggen dat zij ook van toepassing zijn in het onderling verkeer tussen burgers of tussen burgers en particuliere organisaties? Er zijn destijds soms zeer ruimhartige standpunten ingenomen, in ieder geval ten aanzien van het recht op privacybescherming. In de concrete gevallen waarin volgens de nu voorliggende NWW en toeslagenwet de bedrijfsverenigingen moeten gaan toetsen is het echter niet duidelijk of ook hier de uitvoeringsorganen -de bedrijfsverenigingen dus -aan deze normen gebonden zijn. Ik verneem graag de mening van de regering hierover. Op voorhand wil ik stellen, zeer te hechten aan beide grondwettelijke normen en beginselen. De fractie van D'66 wil voorkomen, dat van de kant van de burgers, van de kant van de uitvoe ringsorganen en ook van de kant van degenen die over mogelijke conflicten moeten oordelen -in dit geval de Raden van Beroep en de Centrale Raad van Beroep -enige twijfel zou ontstaan over de toepasselijkheid van beide normen. Daarom wil mijn fractie zowel in de NWW als in de TW een bepaling opnemen die deze toepasselijkheid uitdrukkelijk vastlegt Een dergelijke wettelijke bepaling zou echter tegelijkertijd voor uitvoeringsorganen onduidelijkheid kunnen scheppen. Vandaar dat naar onze mening aan de Sociale Verzekerings raad opgedragen zou moeten worden om, in overleg met de minister, hieromtrent nadere regels te stellen. De Sociale Verzekeringsraad lijkt ons hier de meest aangewezen regelgever. De voorgeschreven samenspraak met de minister is bedoeld om te voorkomen dat een uitleg aan de

grondwettelijke normen zou worden gegeven die zich niet tot in alle details verdraagt met de regelgeving die de regering geroepen is te geven ter uitvoering van de genoemde grondwettelijke normen. Onze amendementen zouden licht het verwijt van symboliek en niet meer dan dat kunnen krijgen. Dat is allerminst de bedoeling. Daarom noem ik een voorbeeld van de rechtsonzekerheid c.q. rechtsongelijkheid die zou kunnen ontstaan indien de wettelijke bescherming zou ontbreken. Niet zo lang geleden werd een kort geding aangespannen tegen een ambtenaar van de sociale dienst, met een beroep op de privacybescherming Deze ambtenaar zou uit eigen privť-wetenschap aan zijn dienst hebben gemeld, dat een vrouw met een uitkering deze uitkering ten onrechte genoot omdat zij samenwoonde met een partner. Hier kon een beroep op de privacybescherming worden gedaan omdat het een daad van een ambtenaar van een gemeentelijke dienst betrof, die als overheids instantie gehouden is aan de uitvoering van de grondwettelijke normen. Een vergelijkbare situatie zou ook bij de toeslagenwet kunnen optreden: een medewerker van de bedrijfsvere niging die het zijne of hare doet met de wetenschap dat de partner voor wie een toeslag wordt gegeven wellicht toch eigen inkomsten heeft. In een dergelijk geval is het echter niet duidelijk of de rechterlijke instantie die hiertoe geroepen is, ook hier een beroep op privacybescherming op zichzelf zal kunnen honoreren.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Is mevrouw Groenman niet met mij van mening dat de problematiek in de sfeer van het administratieve recht en in de sfeer van het socialezekerheidsrecht gedekt wordt door het leerstuk van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Daarbij is het duidelijk dat er in geval van gelijke situaties ook gelijk behandeld moet worden. Dat is ook herhaaldelijk bevestigd in de jurisprudentie door raden van beroep en door de Centrale Raad van Beroep.

Mevrouw Groenman (D'66): Regeling via de algemene beginselen van behoorlijk bestuur lijkt mij niet afdoende. De principes die in de Grondwet zijn geregeld, zijn zo belangrijk dat men elke onzekerheid moet voorkomen. Als men dan moet verwijzen naar de beginselen van behoorlijk bestuur, zou dat op dit moment ook al kunnen. Het schept alleen maar zekerheid, ook voor uitvoeringsorganen, als mensen weten dat die grondwettelijke normen ook hiervoor gelden. Ik kan mij trouwens niet voorstellen dat de heer Linschoten niet tegen is!

De heer Linschoten (VVD): Neen, Voorzitter, daar wil ik geen enkele onduidelijkheid over laten bestaan. Natuurlijk ben ik daar geen tegenstander van; ik ben er een voorstander van. De vraag is alleen of het noodzakelijk is om het in deze wet te regelen, omdat er op dit moment ook al een duidelijke praktijk op dit gebied bestaat. Alleen in geval van onduidelijkheid zou een dergelijk amendement nuttig zijn. In alle andere situaties zou het inderdaad neerkomen op niet veel meer dan symboliek. Maar ik ben in dat geval met mevrouw Groenman erg benieuwd naar het antwoord van de bewindslieden.

Mevrouw Groenman (D'66): Ja precies! De bedrijfsverenigingen -de uitvoeringsorganen -moeten nieuwe regelingen toepassen waar zij niet mee bekend zijn. Men moet er dan voor uitkijken dat er geen onrechtmatigheden plaatsvinden. Als een en ander in de wet wordt vastgelegd, weet men precies waar men aan toe is. Voorzitter! Bij de NWW speelt de privacybescherming op een wat andere manier een rol. Voor de uitvoering van de wet zullen de nodige formulieren worden ontworpen, waarin de voor een uitkering relevante gegevens staan. Mijn fractie vindt dat daarbij niet meer vragen moeten worden gesteld, ook niet in de gesprekken daaromheen, dan strikt noodzakelijk. Wat noodzakelijk is of niet, kan op dit moment wellicht niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Maar ik zie de reactie van de staatssecretaris daaromtrent met belangstelling tegemoet. Daarom is het ook juist dat de rechter in voorkomende gevallen kan toetsen of aan het beginsel van privacybescherming recht is gedaan. Waarom moet ook het beginsel van gelijke behandeling worden opgenomen in de wet en wel als eerste punt? De laatste vraag is gemakkelijk te beantwoorden. Onze fractie heeft voor de volgorde van de Grondwet gekozen om alle twijfel weg te nemen over mogelijke vragen over de hiŽrarchie tussen grondwetsbepalingen. Het is dus niet meer dan een formeel motief. Voor het opnemen van het beginsel is ook een belangrijke reden, namelijk dat boven elke twijfel verheven moet zijn dat bedrijfsverenigingen, die toch een essentieel deel van onze wettelijke sociale zekerheid uitvoeren, aan dit beginsel gebonden zijn en dat burgers, die menen daarin beknot te zijn een beroep kunnen doen op de rechter. Dat schept duidelijkheid voor de burgers en voor de uitvoeringsorganen zelf. Burgers, ongeacht geslacht of ras, kunnen zich met meer vertrouwen wenden tot de uitvoeringsorganen. Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie zou graag zien dat er reeds nu een onafhankelijk uitkeringsrecht voor een ieder zou kunnen bestaan. Maar wij realiseren ons dat dat in de bijstandsregeling momenteel alleen al financieel niet mogelijk is. Wij verzetten ons echter tegen de uitbreiding van het toetsen van het inkomen van de partner en dus tegen afhankelijkheid in een loondervingsfase op een manier zoals nu in de toeslagenwet gebeurt. Wij verzetten ons nog sterker tegen het daarbij in aanmerking nemen van alle vormen van ongehuwd samenleven. Een ander bezwaar hebben wij tegen de beperkte vrijlatingsregeling, die bovendien na twee jaar ophoudt. Als het kabinet het betaald werken van vrouwen wil stimuleren, moeten er geen ontmoedigende maatregelen genomen worden. Gelukkig heeft het CDA dit risico ook onderkend en gekozen voor de AOW-systematiek als het om de vrijlatingsregeling van bijverdiensten gaat. De befaamde knik die optreedt als de partner -meestal de vrouw -een inkomen van enige betekenis gaat verwerven en daardoor in ťťn klap de toeslag ziet verdwijnen, zodat net zo goed thuis kan blijven en van de toeslag kan profiteren, moet echt weg. Een volgend bezwaar is de verslechtering van de positie van ťťnoudergezinnen in een loondervingsfase, waar mijn fractie de noodzaak niet van inziet. In een onderzoek van de Nederlandse Gezinsraad van enige tijd terug werd gewezen op de achtergestelde maatschappelijke positie van kinderen uit ťťnoudergezinnen. De vele verhalen van bijstandsmoeders die wij ontvangen, ondersteunen die conclusie alleen maar.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Voorzitter! Ik wil ťťn misver stand wegnemen. De uiteindelijke keuze in ons amendement betreft niet precies de AOW-systematiek. Het is een combinatie van twee zaken.

Mevrouw Groenman (D'66): Neen, maar ik heb begrepen dat u iets moois hebt gedaan. Het sprak mij aan en ik meende dat ik mij er niet verder in hoefde te verdiepen. Maar goed, ik heb het wellicht wat te globaal geformuleerd. Het kan ook allemaal veel ingewikkelder.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): U heeft in ieder geval een goede indruk.

Mevrouw Groenman (D'66): Ja toch? Dan wat de alleenstaanden betreft. Als zij door werkloosheid of anderszins bij loonderving onder het voorheen geldende minimum vallen -dit kan inderdaad alleen in situaties van deeltijdwerk -wordt er geen aanvulling gegeven. Ik heb daarvoor al een oplossing gegeven in een eerder deel van mijn verhaal. De regering maakt een onderscheid tussen vrijwillig en gedwongen in deeltijd werken. Ik denk dat dit een onzinnig onderscheid is. Dat zou betekenen dat een alleenstaande nooit vrijwillig in deeltijd kan gaan werken, omdat hij dan, voor zover het om een laag inkomen gaat, een te groot risico zou lopen om in de bijstand terecht te komen. Hoe het kabinet dit rijmt met het beleid dat erop gericht is jongeren die relatief vaker alleenstaand zijn dan ouderen, in deeltijd te laten werken, is mij onduidelijk. Overigens doet het probleem zich nu schrijnend voor bij alleenstaande deeltijdwerkers. Samenwonende deeltijdwerkers zouden ook bij werkloosheid onder het sociaal minimum kunnen duiken. De regering steltvoor dat voor hen de Toeslagenwet moet blijven gelden. Ik heb daar al eerder over gesproken. Een zeer belangrijk bezwaar van de Toeslagenwet is het punt van de bovenwettelijke uitkeringen. Het beroep op de Toeslagenwet zal naar onze mening groter zijn dan verwacht wordt. Modale werknemers en zij die minder verdienen, zullen zeker als zij jong zijn en nog een betrekkelijk kort arbeidsverleden hebben, bij ziekte of werkloosheid al snel in een minimum sfeer terechtkomen. Vrouwen zullen door de hoge eisen die gesteld worden om voor een individuele uitkering in aanmerking te komen, al snel op de inkomsten van de partner zijn aangewezen. Voor veel werknemers met partners die van deze sociale zekerheid weinig bescherming te verwachten hebben, zal het onaantrekkelijker zijn om via bovenwettelijke regelingen een aanvulling te eisen voor langer dan het eerste halfjaar van eventuele werkloosheid. Ik heb daar al op gewezen. Voor de IOW geldt dit overigens in verscherpte mate. De regering kan in haar memorie van antwoord wel stellen dat de meeste afvloeiingsregelingen van relatief korte duur zijn, maar wat zij nu doet heeft als effect dat langer durende afvloeiingsregelingen er ook nooit zullen komen. Wij hebben steeds van de regering begrepen dat zij de verantwoordelijkheid van de sociale partners wilde vergroten. Bovenwettelijke uitkeringen worden echter door de verrekening met de toeslagen minder interessant. De regering moet dan ook niet verbaasd zijn, wanneer de druk op de vakbeweging om dan de onderhandelingsruimte maar te gebruiken voor hogere looneisen, groter wordt, niet alleen om de relatieve achteruitgang, zoals de hogere toelatingseisen, te compenseren, maar ook om in ieder geval een hogere uitkeringsgrondslag te bereiken. Ik ben hier toch nog even op teruggekomen -ik had hier al iets over gezegd -omdat dit met name bij de Toeslagenwet speelt. Wij vinden dat het overleg over de bovenwettelijke uitkeringen niet geblokkeerd mag worden. Als er goede bovenwettelijke uitkeringen komen, bespaart de overheid op de Toeslagenwet. Het zou dan ook redelijk zijn, als de overheid een deel van de bovenwettelijke uitkeringen mee bekostigt door de besparingen op de toeslagen of een gedeelte daarvan ten goede te laten komen aan de sociale partners. Mijn fractie heeft dit ook in de stukken gesuggereerd, maar vond de reactie daarop niet bevredigend. Kan de staatssecretaris nog eens uitleggen waarom de Ziektewet ook betrokken wordt bij de Toeslagenwet? Dit is in tegenstelling tot de adviesaanvrage van 1983, waarin de Ziektewet buiten beschouwing bleef. Mijn fractie zou er een sterk voorstander van zijn om de Toeslagenwet een tijdelijk karakter te geven. Wij menen dat dit een logische consequentie is van het beleidsplan emancipatie. Voor de generatie die na 1990 18 jaar wordt, zou de verplichting tot beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt als voorwaarde moeten gelden om voor een individueel uitkeringsrecht in aanmerking te komen. Die verplichting kan niet gevraagd worden van de huidige generatie vrouwen, voor zover zij gehuwd zijn of samenwonen. Op verschillende plaatsen in de schriftelijke stukken erkent het kabinet dat het element tijdelijkheid van wezenlijke betekenis is. Met de emancipatieraad vindt het kabinet dat voortdurend getoetst moet worden of er nog een objectieve rechtvaardigingsgrond is voor het verlenen van toeslagen. Voor het eerst in 1990 zou zo'n heroverweging op haar plaats zijn. Bezien kan dan worden hoe het staat met de arbeidsparticipatie van met name gehuwde of samenwonende partners, hoe het staat met de herverdeling van arbeid en in hoeverre ouderschapsverlofregelingen vaste voet aan de grond hebben gekregen. Gezien de arbeidsmarktparticipatie van jonge vrouwen nu ten opzichte van jonge mannen, ligt het in de verwachting dat het aantal tweeverdieners zal toenemen. Als er in 1990 bezien wordt hoe het verder met de Toeslagenwet moet, dan behoeven er volgens mij geen aanvullende voorwaarden gesteld te worden aan de partners van uitkeringsgerechtigden, opdat de laatsten voor een toeslag in aanmerking komen. Mijn fractie doelt in dit verband uitdrukkelijk op een eigen zelfstandig en volwaardig uitkeringsrecht tegenover de beschikbaarheidseis. Ook zou vanaf 1990 slechts voor nieuwe jaargangen van 18-jarigen zo'n combinatie van plichten en rechten moeten gelden. Ten einde te verzekeren dat tegen 1990 en daarna in ieder geval de afweging plaatsvindt, heb ik een amendement ingediend om de Toeslagenwet een tijdelijk karakter te geven, waarbij het de bedoeling is in 1990 te bezien in hoeverre verlenging voor bepaalde leeftijdsgroepen nog gewenst is. In het nader rapport en in de memorie van toelichting bij de Toeslagenwet hebben de staatssecretarissen aangegeven dat zij een verandering van het karakter van de toeslagenregeling mogelijk achten. De discussie moet voortgezet worden, zo lees ik in de memorie van antwoord, ten einde te zijner tijd tot een verantwoorde besluitvorming op dit punt te komen. Mijn amendement beoogt niet de discussie nu tot een

afronding te dwingen, maar wel te verzekeren dat die discussie wordt gevoerd. In het eindverslag heb ik tevens aangedrongen op een adviesaanvraag aan de Emancipatieraad over de relatie tussen de toeslagenwet en het toekomstige emancipatiebeleid. Als het kabinet A zegt in het beleidsplan emancipatie wat de aan de nieuwe generatie te stellen eisen betreft, zou het ook B moeten zeggen als het gaat om het ontwikkelen van een visie met betrekking tot de voorwaarden die vervuld moeten worden om A te kunnen realiseren. Ik denk dan aan een echt kinderopvang-en ouderschapsverlofbeleid, aan zaken als positieve actie om de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te versterken en om-, her-en bijscholingsbeleid. Natuurlijk gebeurt er op dat gebied wel wat vanuit het emancipatiebeleid, maar tot nu toe is een en ander niet echt gecoŲrdineerd gericht op het versterken van de positie van de nieuwe generaties na 1990. In die zin bepleit ik als vervolg op de motie die ik heb ingediend bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (19200 XV, nr. 36), een adviesaanvraag aan de ER en de SER. Ook aan de SER, omdat onlangs door deze Kamer een D'66-motie is aangenomen waarin de emancipatie van mannen en vrouwen als volwaardig zesde element van het sociaal-economisch beleid wordt beschouwd. Ik kom nu toe aan de IOW. Op het eerste gezicht lijkt dit een sympathiek wetsvoorstel. Het is goed dat rekening gehouden wordt met de slechte arbeidsmarktpositie van hen, die op oudere leeftijd werkloos worden. Het is ook verstandig om voor deze categorie een eind te maken aan de eigenhuisproblematiek, als mensen na de loondervingsuitkering in de bijstand belangen. Er zitten echter een paar addertjes onder het gras die mijn fractie minder goed bevallen. Ik doel op de eisen die aan de partner van een uitkeringsgerechtigde lOW'er worden gesteld, terwijl het vermogen van de uitkeringsgerechtig-de geheel buiten beschouwing blijft, op de verruiming van het begrip partner in het kader van ongehuwd samenwonenden van gelijk of verschillend geslacht en op het ontbreken van een vergelijkbare regeling voor ex-zelfstandigen. Op die punten zal ik nog nader ingaan.

Het kabinet presenteert de IOW als een loondervingsregeling met een partnertoets. Dat is onlogisch, want loondervingsregelingen behoren per definitie geen partnertoets te kennen. Beter zou zijn om te spreken van een bijstandsregeling zonder vermogenstoets. Wat dat betreft zijn de huidige regelingen in de WWV voor oudere werklozen beter. De IOW betekent een verslechtering van hun positie ten opzichte van de bestaande regeling voor 57,5-jarigen, waarin een minder zware referte-eis bestaat, koppeling aan het loon bestaat in plaats van aan het minimumloon en de partnertoets en beschikbaarheidseis van de partner voor de arbeidsmarkt ontbreken. Ook de huidige interimregeling voor 47,5-jarigen is beter. De Raad van State suggereert om dichter bij de bestaande regelingen te blijven door de vervolguitkeringen op grond van de NWW te verlengen. Er zou dan net als bij de vervolguitkeringen recht op toeslag op grond van de toeslagwet bestaan en de inkomenstoets zou alleen gelden voor het recht op toeslag. Een aparte IOW is niet nodig. De uitvoering blijft in handen van het orgaan dat ook de vervolguitkering verzorgt en de zaak wordt een stuk eenvoudiger en doorzichtiger. De fractie van D'66 vindt dit nog steeds de mooiste oplossing. Als een dergelijke regeling duurder zou zijn, zouden de meerkosten gedragen worden door werkgevers en werknemers. De overheidskas wordt echter verlicht als de IOW plaats zou maken voor een verlengde vervolguitkering. Het kabinet voelt, om ons onduidelijke redenen, daar niet voor. Dus blijven wij met het huidige voorstel zitten. Het grootste bezwaar voor D'66 is gelegen in de onevenredig zware eisen die aan de partner van de uitkeringsgerechtigde gesteld zullen worden, eisen waartegenover overigens geen zelfstandig uitkeringsrechten staan. Er kunnen weliswaar ontheffingen verleend worden, maar dat doet niets af aan het principe dat aan oudere vrouwen, die een recent en bestendig arbeidspatroon hebben, de eis wordt gesteld, zich blijvend voor de arbeidsmarkt beschikbaar te houden. Waar het kabinet uiterst omzichtig omspringt met de zogenaamde sollicitatieplicht voor vrouwen en daarover in de toeslagenwet niets vastlegt -ook niet voor een nieuwe generatie -wekt deze beschikbaarheidseis in de IOW grote verbazing en ergernis.

Als wij het goed zien, gaan de ruime vrijlatingsbepalingen om het opeten van het eigen huis te voorkomen, ten koste van de rechten van oudere vrouwen. Als een oudere man werkloos wordt, blijft zijn vermogen dat hij ook los van een eigen huis kan hebben, onaangetast en wordt het eventuele inkomen van de partner onmiddellijk aangesproken. Een dergelijke oplossing van de eigenhuisproblematiek gaat ons wel erg ver. De beschikbaarheidseis voor vrouwen is onredelijk en bovendien is voor partners die nu een stuk jonger zijn dan 50 jaar, het vooruitzicht dat in de toekomst, als de man wel 50 jaar is en werkloos wordt, hij het inkomen van de partner moet opeten, ook nogal ontmoedigend. De fractie van D'66 vindt dat het inkomen van de partner eigenlijk niet betrokken zou moeten worden bij het recht op een lOW-uitkering, maar dat anderzijds vermogen niet onbeperkt behoeft te worden vrijgelaten. Van de thans verhandelde huizen is de gemiddelde koopsom f 140.000. Wat is er tegen om het vermogen vrij te laten tot bij voorbeeld f 1 50.000? Het zou wel eens zo kunnen zijn dat de oplossing van de Raad van State minder extra kost dan de beperking in de vermogensvrijlating oplevert. Wij horen graag het oordeel van de regering. Hoe duur is verder het laten vervallen van de partnerinkomenstoets en hoeveel levert het op om het vermogen vrij te laten tot een maximum van f 1 50.000? Voor de ex-zelfstandigen denken wij aan een vergelijkbare oplossing. Onder opheffing van de bedrijfsbeŽingingshulp zou de ex-zelfstandige opgenomen moeten kunnen worden in de IOW, waarbij het vermogen wordt vrijgelaten tot hetzelfde maximumbedrag van f 1 50.000, en tevens het vermogen dat als oudedagsreserve kan worden aangemerkt, buiten beschouwing blijft. Wij hebben begrepen dat de centrale organisaties van het midden-en kleinbedrijf en de landbouw het niet onredelijk vinden om bij opname van ex-zelfstandigen in de IOW rekening te houden met inkomen uit vermogen. Voor opname in de IOW zouden dezelfde voorwaarden kunnen worden gehanteerd, als bepleit door de CDA-fractie in de door haar geschetste hoofdlijnen voor een IOZ, een aparte inkomensvoorziening voor oudere zelfstandigen. Ook met zo'n IOZ zou de fractie van D'66 kunnen leven. Als het hoofdbezwaar dat de regering

daartegen heeft, wordt gevormd door het vermogen dat voor een ex-zelfstandige vrijkomt bij verkoop van de zaak, in tegenstelling tot werkloze werknemers die meestal niet over vermogen beschikken, en door de uitvoeringsproblemen ten aanzien van de toetredingseis, dan zouden onze ideeŽn over maximale vrijlating van het eigen vermogen en de toetredingseisen zoals die door de CDA-fractie zijn geformuleerd, wellicht toch tot opneming in de IOW kunnen leiden. Vervolgens merk ik nog iets op over de gelijkstelling van ongehuwd samenwonende partners van gelijk of verschillend geslacht aan gehuwden. D'66 wenst mensen zoveel en zolang mogelijk als individu te behandelen. Gelijkstelling aan.het huwelijksmodel staat haaks op dat uitgangspunt. Samenwonende personen die alleen om een schaalvoordeel samenwonen, mag nooit een onderhoudsplicht, zoals in het huwelijk geldt, worden opgelegd. De grens tussen het samenwonen vanwege het schaalvoordeel en het samenwonen vanwege een affectieve onderlinge band mag volgens D'66 niet door de overheid worden getrokken. Mensen moeten dat zelf kunnen uitmaken. Thans kom ik te spreken over de Algemene Bijstandswet. Het betreft hierbij een onuitputtelijke bron van discussie. Waar het garanderen van een minimum bestaansniveau door niemand betwist wordt, gaat het in de discussie om de vraag in hoeverre rekening moet worden gehouden met maatschappelijke ontwikkelingen. Nu wordt in de ABW uitgegaan van het traditionele huwelijksmodel. De regering wil meer groepen onder dit model brengen. D'66 wil zoveel mogelijk af van het verstrekken van bijstand aan de leefeenheid en de bijstand meer afstemmen op de individuele behoeften. Tegenover een individueel minimumrecht zou een individuele plicht moeten staan zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. Wij begrijpen dat deze situatie thans niet is te realiseren. Wij begrijpen echter niet waarom de regering geen perspectief schetst op de individualisering van de minimumuitkeringen. Als het al juist is dat het traditionele huwelijksmodel de overhand heeft, zijn er ook volgens onderzoeksgegevens en volgens de stukken ontwikkelingen gaande die de andere kant op wijzen, de kant van de economische onafhankelijkheid van mensen. Als de regering stelt dat de overheid niet sturend en initiŽrend kan optreden in de richting van andere vormen van samenwonen en samenleven, dan mag daar naar ons gevoel niet een beleid aan gekoppeld zijn dat een niet omkeerbare maatschappelijke ontwikkeling naar economische onafhankelijkheid van individuen blokkeert of ernstig tegenwerkt. Onze stelling is dat de regering door nieuwe groepen toe te voegen aan het wettelijk regime van de bijstand, wel degelijk maatschappelijke ontwikkelingen blokkeert. Bij meer mensen wordt gekeken naar de bestaansmiddelen van de leefeenheid en meer mensen worden dus economisch afhankelijk van elkaar gemaakt. Natuurlijk moet in deze visie het alleenverdienerspatroon voorlopig worden beschermd. Dit is echter niet in strijd met het bieden van althans het perspectief op zelfstandige uitkeringsrechten voor wie financieel onafhankelijk wil zijn en zich beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt. Partners die voordat de bijstandssituatie zich voordoet, financieel onafhankelijke waren, zouden dat zo lang mogelijk moeten blijven. Het kabinet wil daartoe trachten de vervolguitkering te verlengen. In het kader van de bespreking van de NWW heeft mijn fractie een amendement ingediend, waardoor komt vast te liggen dat telkenjare bezien wordt of dat mogelijk is. Dat dwingt komende kabinetten recht te doen aan de uitspraak dat verlenging eventueel mogelijk is, in ieder geval wenselijk is. Iets anders is het toekennen van individuele minimumrechten aan de jongere generatie. Wij refereren dan weer aan het beleidsplan emancipatie waarin 1 990 als cruciaal jaar genoemd wordt van waaraf van beide partners in een leefeenheid een beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt verwacht mag worden. De regering verzaakt consequent aan het beleidsplan in het kader van de stelselherziening handen en voeten te geven. Zij erkent wel dat toekomstige veranderingen in de maatschappelijke omstandigheden kunnen leiden tot een herbezinning op de uitgangspunten van de ABW met betrekking tot het beginsel van de gezinsbijstand. Mogelijkheden om tot individueel gerichte rechten en plichten te komen, kunnen dan volgens het kabinet nader worden onderzocht, om te beginnen bij de jongere generatie. Enig onderzoek is echter op dit moment niet gaande.

Wanneer zal het kabinet daarmee beginnen? Denkt het dan ook aan een adviesaanvrage aan SER en ER om te bezien welke maatregelen er nodig zijn voor de nieuwe generatie financiŽle onafhankelijkheid te kunnen realiseren? Ik doel dan op echte individuele uitkeringsrechten tegenover een eigen individuele beschikbaarheidseis. Het realiseren van individuele plichten en rechten voor een nieuwe generatie vergt meer dan louter afwachten hoe de arbeidsmarkt en het proces van de arbeidsduurverkorting zich zullen ontwikkelen. Het getuigt van toekomstgericht denken en het is stimulerend voor beide partners die betaalde arbeid willen verrichten terwijl zij in de bijstand zitten, als de vrijlatingsnorm voor bijverdiensten wordt verruimd. De Emancipatieraad stelt voor, 1,5 maal de normale vrijlatingsnorm te hanteren als beide parners neveninkomsten hebben. Ik steun dit voorstel met kracht. Mijnheer de Voorzitter! Het toevoegen van nieuwe groepen aan het bijstandsregime is niet alleen ongewenst, gezien in het licht van de door ons in de toekomst gewenste geÔndividualiseerde situatie, maar ook uit overwegingen van privacy. In het perspectief daarvan is het een stap terug. De inbreuk die ook nu reeds op de privacy wordt gemaakt -getuige de praktijk van de bijstand -is ons een doorn in het oog. Wij hebben dit bij het debat over de voordeurdelers als een van de bezwaren genoemd en wij maken ons nu weer ernstig ongerust over het gemak waarmee het kabinet dit probleem terzijde schuift. Zolang er geen helderheid is over de criteria die gehanteerd worden om te bepalen of er sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met het huwelijk, zal rechtsongelijkheid blijven bestaan. Dat die rechtsongelijkheid er ook nu is, is geen reden om nieuwe groepen burgers de dupe daarvan te laten worden. Het gezamenlijk bewonen van een woning en het gezamenlijk voeren van een huishouding als criteria voor een economische eenheid nemen, lijkt eenvoudig, maar bergt het gevaar in zich dat onterecht aan mensen een zorgplicht wordt opgelegd. Andere criteria zoals het gezamelijk optreden naar buiten in aanmerking nemen, leidt tot rechtsongelijkheid vanwege de subjectieve elementen daarin. Ik heb al eerder geÔllustreerd, door beide staatssecre-

2LB

# \J

tarissen als voorbeeld te nemen, tot welke rare conclusies dit kan leiden. Uitgaan van het individu is dus uiteindelijk de enige oplossing. Dit perspectief moet worden geboden en voorlopig moeten geen nieuwe groepen aan het bestaande bijstandsregime worden toegevoegd, terwijl dit regime zelf duidelijker moet worden en meer rechten aan de betrokkenen moet bieden om zich tegen willekeur te verweren. Uit een recent onderzoek blijkt dat de uitvoering van de voordeurdelers-regeling bepaald niet vrij van willekeur is. Mijn fractie heeft zich daarover altijd tegen verzet. In dit verband heb ik al eerder op de noodzaak gewezen van het invoeren van een gedragscode per gemeente, waaraan de betrokkenen houvast hebben. Hoe staat het met het overleg met de VNG hierover? Ik heb ook gewezen op het bezwaar van de nu bestaande administratiefrechtelijke beroepsgang met de zogenaamde omgekeerde bewijslast. Natuurlijk gaan de gemeentelijke sociale diensten eerst uit van de informatie van de betrokkenen. Als men echter meent daaraan te moeten twijfelen, gaat men uit van een andere dan de opgegeven situatie en moet de betrokkkene zelf aantonen dat de sociale dienst ongelijk heeft in plaats van dat de sociale dienst zijn gelijk moet bewijzen. Wij pleiten voor meer rechtszekerheid voor de betrokkenen en wij willen zo snel mogelijk toewerken naar het invoeren van individuele rechten op minimumniveau. Als wij nu alles onder het model van het huwelijk brengen, is het heel moeilijk om dit later weer terug te draaien. Dat de maatschappelijke ontwikkeling zich in de richting van relatievorming, waarbij mensen financieel onafhankelijk van elkaar willen zijn, zal voortzetten -dit is overigens iets heel anders dan emotionele verarming, zoals sommigen wel een suggereren -staat voor de fractie van D'66 als een paal boven water. Maar zelfs als dat niet het geval is, gaat het nog niet aan, ťťn samenlevingsmodel dominant te maken ten koste van andere modellen, waarvoor mensen vrijwillig kiezen.

©

E. (Erwin)  NypelsDe heer Nypels (D'66): Een gruwel is voor de fractie van D'66 het wetsvoorstel voor de gelijkstelling van niet-gehuwde personen met

gehuwden in de AOW. Hierover zal ik, mijnheer de Voorzitter, in aansluiting op het betoog van mevrouw Groenman enige opmerkingen maken. Uit het oogpunt van emancipatie en individualisering en uit het oogpunt van vereenvoudiging is dit wetsvoorstel ongewenst. Op zichzelf is het billijk dat men tot een vorm van gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden in de AOW wil komen, maar niet op deze wijze. Zoals al bij de behandeling van het wetsvoorstel tot gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW (18515) bleek, is mijn fractie, evenals de Emancipatieraad, voorstandster van een AOW die voor alle rechthebbenden, ongeacht hun burgerlijke staat of leefvorm, gelijk is. Hierbij worden in principe geen toeslagen gegeven. Op die grond behoort naar onze mening gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden te betekenen, dat de gehuwden dezelfde rechten krijgen als ongehuwd samenwonenden en niet andersom zoals in het voorstel van de regering staat. Uiteindelijk moeten in deze visie de alleenstaanden, ongehuwd samenwonenden en gehuwden bij het bereiken van hun 65ste levensjaar allen een AOW-uitkering krijgen van 70% van het netto minimumloon. Het huidige wetsvoorstel vormt geen stap in deze richting, integendeel. Bepaalde vormen van samenwonen leiden in het voorstel tot een verlaging van de AOW-uitkering van 140% naar 100%. Dit vraagt een extra controle op de leefwijze van mensen, om na te gaan of er al dan niet sprake is van samenwonen, waarbij men een gezamenlijke huishouding voert. Zoals de Raad van State aangeeft, gaat het hierbij om een uiterst gevoelige materie, waarbij de persoonlijke levenssfeer sterk wordt geraakt. Daarbij komt nog dat de normen die gehanteerd worden om vast te stellen, welke vormen van samenwonen gelijkgesteld worden met gehuwden, een arbitrair karakter dragen. Dit blijkt bij voorbeeld ten aanzien van de samenwonende verwanten, die weer niet als gehuwden worden beschouwd en ten aanzien van het onderscheid tussen samenwonende vriendinnen, die zich wel of die zich niet naar buiten toe presenteren als een relatie, die feitelijk overeenkomt met die van echtgenoten. Bij de schriftelijke voorbereiding is met name door de fractie van de PvdA erop gewezen, dat het voorstel zelfs praktisch onuitvoerbaar is in verband met het feit, dat de juridische controleerbaarheid in binnen en buitenland gering is. In principe is voor de gehele groep ongehuwde bejaarden een permanente controle

vereist om te weten te komen, of zij samenwonen of niet. De fiscale tariefgroepsindeling is hierbij wellicht een aanwijzing, maar het wetsvoorstel zal de stimulans tot fraude in het algemeen vergroten. Invoering van het regeringsvoorstel betekent verder dat de inkomensafhankelijke AOW-toeslagen voor partners die nog geen 65 jaar zijn, nu ook zullen gaan gelden voor de ongehuwd samenwonenden. De fractie van D'66 heeft, evenals de fractie van de VVD, ernstige bezwaren gemaakt tegen inkomensafhankelijke delen van de AOW, omdat zij deze strijdig acht met de sociale verzekeringen als algemene basisvoorziening, met het emancipatiestreven en met het streven naar vereenvoudiging en beperking van de bureaucratische controles. De bezwaren tegen het wetsvoorstel worden daarom nog vergroot, als per 1 april 1988 de inkomensafhankelijke AOW-toeslagen worden ingevoerd. Op die grond zal naar onze opvatting in ieder geval naar een andere opzet van de gelijke behandeling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden gezocht moeten worden. Daarom is door ons een amendement voorbereid om het wetsvoorstel een tijdelijk karakter te geven, ten einde te verkrijgen dat ten minste vůůr die datum 1 april 1 988 een andere gelijkstellingsvorm zal worden gekozen. Ik heb reeds aangegeven dat de fractie van D'66, evenals de Emancipatieraad, op het standpunt staat, dat uiteindelijk alle AOW-gerechtigden vanaf hun 65ste jaar een AOW dienen te krijgen van 70%, waarbij in principe geen toeslagen worden gegeven. Momenteel zou dat evenwel een premieverhoging tot gevolg hebben, die moeilijk is op te brengen. Onderzocht behoort te worden of het gewenste einddoel is te verkrijgen door bij voorbeeld te starten met een AOW van 60% voor een ieder, waarbij dit percentage in een overgangsperiode van 10 jaar geleidelijk wordt verhoogd tot 70%. In die overgangsperiode zou met name voor de alleenstaanden een suppletie tot 70% via een toeslagregeling gegeven behoren te worden. Daarbij zou verder nagegaan moeten worden, of de extra lasten hiervan gedragen kunnen worden in het kader van een systeemwijziging, gericht op de fiscalisering van de premies volksverzekeringen en een eventuele gelijktrekking van de inhoudingssystemen bij de werkenden en gepensioneerden. Indien deze weg wordt ingeslagen, ontstaat de mogelijkheid tevens tegemoet te komen aan de uitvoeringsbezwaren van de pensioeninstellingen tegen de inkomensafhankelijke AOW. Het wordt voor hen dan mogelijk de aanvullende pensioenregelingen af te stemmen op een eenvoudige AOW-regeling. Pas als de resultaten van een dergelijk onderzoek bekend zijn, kan mijn fractie een definitief standpunt innemen over de methode van gelijke behandeling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden in de AOW. Dat neemt overigens niet weg, dat, zoals gezegd, dit regeringsvoorstel uit het oogpunt van emancipatie, individualisering, vereenvoudiging en controlebeperking voor ons is: een gruwel.

©

J.N. (Jan Nico)  ScholtenDe heer Scholten: Mijnheer de Voorzitter! Bij het stelsel van sociale zekerheid is vrijwel de gehele Nederlandse samenleving betrokken, hetzij direct als uitkeringsgerechtigde -het gaat daarbij 3,5 miljoen mensen maar het zijn er mťťr gelet op de mensen die van deze groep afhankelijk zijn -hetzij omdat men de kans loopt, ziek of invalide te worden. Het is niet alleen vanwege de solidariteitsgedachte dat wij een goed stelsel moeten hebben maar ook vanwege verantwoord eigenbelang. Opmerkelijk is dat, terwijl de economie aantrekt en deze regering niet moe wordt, te beklemtonen dat het nationale perspectief zoveel gunstiger is en nog veel beter zal worden als deze club het karwei mag afmaken, er juist nu plannen worden voorgesteld en doorgedrukt om het perspectief voor velen in de samenleving te verslechteren. Ik acht die tegenstelling onbegrijpelijk. Is het een wonder dat in een laatste poging om het tij te keren tien landelijke organisaties, waaronder het CNV -van die organisatie is staatssecretaris De Graaf ooit vice-voorzitter geweest -een oproep aan deze Kamer hebben gedaan om deze wetsvoorstellen te verwerpen? Is het niet verheugend dat het Industriepas toraat DISK, en de Raad van Kerken te zamen met een groot aantal organisaties, waaronder de Nationale Raad voor Maatschappelijk Welzijn, deze hartekreet voor een ander beleid hebben ondersteund?

Als onafhankelijk christendemocraat, voor het laatst vandaag optredend, verheug ik mij over de stellingname van de Raad van Kerken, zoals deze ook in een pittige briefwisseling met de minister president naar voren is gebracht. Dat is het andere gezicht van de kerk, zoals het zich ook manifesteert in landen in Latijns Amerika en Zuid-Afrika. Het gaat er daarbij steeds om, in navolging van het evangelie partij te kiezen voor de zwakkeren in de samenleving. De Raad van Kerken heeft in die correspondentie met de minister-president erop gewezen dat het sociale zekerheidsstelsel niet los gekoppeld mag worden voor de bevordering van de werkgelegenheid en de herverdeling van arbeid. Het is juist deze geÔntegreerde aanpak, waarin het kabinetsbeleid tekortschiet. Daardoor worden mensen tweemaal gedupeerd: Ťn doordat er te weinig werk is Ťn doordat men met een lagere uitkering te maken krijgt dan nodig is. Mijnheer de Voorzitter! Het gaat hier om een politieke keuze. De keuze van het kabinet honoreert op onvoldoende wijze de grote verantwoordelijkheid van de overheid op dit terrein. Met mijn antirevolutionaire opvoeding betreur ik dit zeer. ' Full employment' is het fundament van een rechtvaardige samenleving, zo stellen de Amerikaanse bisschoppen in hun 'Second draft of the pastoral letter on catholic social teaching and the US economy'. Zij wijzen in deze brief erop dat de economische situatie, waarin grote aantallen mensen zonder werk verkeren, niet beantwoordt aan de eisen van de bijbelse gerechtigheid. In Nederland bedraagt het geregistreerde aantal werklozen nog altijd in verhouding bijna twee maal zo veel als in de Verenigde Staten. De meest recente publikaties tonen een somber perspectief. Ter zijde merk ik op dat het rapport van de Amerikaanse bisschoppen zaterdag jl. werd besproken op een bijeenkomst in Tilburg van Trefpunt, centrum voor levensbeschouwing en politiek in de Partij van de Arbeid, opgezet in samenwerking met het gewest Brabant-Oost. Daar is besloten de Nederlandse bisschoppen te vragen, het goede voorbeeld van de Amerikaanse collega's te volgen. Na diverse buitengewoon verontrustende politieke daden van het Reaganregime is het verheugend, ook eens zo'n brief uit Amerika te ontvangen.

Voorzitter! Er moet meer werk gemaakt worden en het bestaande werk moet beter worden verdeeld. De Raad van Kerken heeft gewezen op de noodzaak, vanuit de grondgedachte van de solidariteit dat werk en het inkomen eerlijk te delen. Het gaat daarbij om volwaardige en volledige arbeid. Bij die volwaardigheid gaat het om de arbeidsomstandigheden en natuurlijk ook de gezagsverhoudingen. Zo'n aanpak vraagt een andere rol van de overheid dan het kabinet-Lubbers op zich heeft willen nemen en ook om versterking van de basis, via participatie van de werknemers, waarvoor ik in de afgelopen periode bij herhaling heb gepleit. Hoewel de minister-president in zijn correspondentie met de Raad van Kerken wijst op de voortrekkersrol die de overheid zou moeten vervullen bij de herverdeling van arbeid, stelt de Raad van Kerken terecht vast, dat in de praktijk deze rol niet wordt waargemaakt. Is het niet een indicatie, dat de doorgaans zo loyale fractie van het GPV niet alleen heeft verklaard, dat zij onder condities bereid is een nieuw kabinet van CDA en VVD te steunen -een gedachte waarvan de verwezenlijking na zaterdag jl. kennelijk weer wat dichterbij is gekomen -maar dan wel met een andere rol van dat kabinet bij de bestrijding van de werkloosheid? In de betogen van de heer Schutte proef ik wel de AR-benadering, die de bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid wil honoreren. Het is de benadering die mij aanspreekt in de stukken van de Partij van de Arbeid over werk delen en werk maken. Voorzitter! De Amerikaanse bisschoppen gaan in tegen de heersende ideologie van Reagan, die in haar politieke uitwerking voert tot een aanpak waarbij de rijken rijker worden en de armen armer. Dat er in de Verenigde Staten 33 min. mensen beneden de officiŽle armoedegrens leven noemen die bisschoppen een 'social and moral scandal'. Wanneer de armen te rijk zijn om te werken en de rijken te arm om te investeren, vergroot dan de verschillen, want armoede is de beste stimulans om uit de ellende te komen, zo heeft een gezaghebbende Amerikaanse econoom verklaard. Die politiek wordt ook door Thatcher gevoerd, met alle gevolgen van dien in bepaalde Engelse treden. Nederland is niet vrij van dit type ideologische aanpak. Minister De Koning en met hem het kabinet hebben bij herhaling gewezen op de wenselijkheid de inkomensverschillen tussen de mensen te vergroten. Ik zal het in dit afsluitende betoog van mij nog eens citeren. Minister De Koning heeft op de vraag of het een geslaagd beleid is wanneer aan het einde van de rit de armen armer zijn en de welgestelden rijker geantwoord: 'Dat is een geslaagd beleid'. Voorzitter! Dat is ook het beleid dat in de afgelopen jaren is gevoerd en dat gevoerd zal worden als de kiezers de CDA-VVD-trein niet stoppen. Het ziet er overigens naar uit dat dit kan gebeuren. Tegenover deze aanpak plaatst de Raad van Kerken zijn visie en stipuleert, dat de lasten naar draagkracht over de bevolking moeten worden verdeeld. De zwaartse lasten moeten op de sterkste schouders worden gelegd. Dat staat trouwens letterlijk in het program van uitgangspunten van het CDA, dat niet wordt nageleefd. De raad pleit ook voor een inkomensbeleid waarbij uitkeringsgerechtigden niet anders worden behandeld dan zij die betaald werk verrichten. De aanpak van de Raad van Kerken, die parallel loopt met die van het CNV, is niet de aanpak van het kabinet, noch die van de Tweede Kamerfractie van het CDA. Dat laatste is in strijd met de verkiezingsbeloften van 1982. Terecht kon prof. dr. Harry de Lange, voorzitter van de Sectie sociale vragen van de Raad van Kerken, in de brochure van de FNV zeggen, dat de Raad van Kerken op gespannen voet staat met het CDA en dat er een andere coalitie moet komen om verdere afbraak van de sociale zekerheid tegen te gaan. Verdere afbraak, voorzitter, want er is al het een en ander aangericht sinds deze coalitie aan de macht is. Mede met het oog op de tijd zal ik slechts een enkel punt noemen. In de WWV zijn de uitkeringsvoorwaarden voor mensen jonger dan 35 jaar verscherpt. De RWW-uitkeringen voor jongeren zijn verlaagd en voor 1 6-en 17-jarigen zelfs geheel afgeschaft. De uitkeringen zijn stelselmatig bevroren, eenmaal verlaagd en uiteindelijk op 70% gesteld. Als ik daarbij nog noem de wijzigingen in het belastingregime, zoals de vermindering van de invaliditeitsaftrek en dergelijke, heb ik voldoende aangegeven wat er in deze kabinetsperiode onder primaire verantwoordelijkheid van staatssecretaris De Graaf is gebeurd. Ik geef toe, dat er enige verbeteringen voor oudere werklozen en gehuwde werkloze vrouwen tegenover staan, maar die verbeteringen worden nu grotendeels weer ongedaan gemaakt. Ik denk aan de positie van de oudere gehuwde werkende vrouw, die werkloos wordt. Voorzitter! Ik heb dan nog niet gesproken over de grote bezuinigingen op belangrijke collectieve voorzieningen, die wederom dezelfde groep treffen. Ik trek dan ook in dit debat en aan het einde van de rit de onvermijdelijke conclusie -en daar heeft de stelselherziening alles mee te maken -dat dit kabinet de lasten van de economische crisis niet naar draagkracht over de bevolking heeft willen verdelen, ondanks beloften in die richting. Hoe zal nu de toekomst zijn? Zal er rust zijn na invoering van de stelselherziening zoals, naar het mij voorkomt met het oog op de verkiezingen, bij herhaling wordt gezegd? Het antwoord moet na een rustige analyse helaas ontkennend luiden en wel omdat er tenminste twee soorten bezuinigingen in het vooruitzicht zijn gesteld, die beide wederom de zwakkeren zullen treffen en in ieder geval de inkomensverschillen tussen de mensen zullen doen toenemen. In de eerste plaats bezuinigingen op de zogenaamde overdrachtsuitgaven. Ook al worden die gecompenseerd door premie-en belastingverlaging, toch zullen ze de koopkrachtverschillen tussen de mensen doen toenemen. In de tweede plaats de aangekondigde bezuinigingen op de sociale zekerheid. Voor 1987 gaat het om een bedrag van 1,2 miljard gulden. Hoe kan het anders dan dat de WAM-systematiek wederom -al wordt zij dan ook in deze wetgeving geÔntroduceerd -buiten werking zal worden gesteld? En wat als de door de VVD bepleite bezuinigingen voor de periode 1986-1990 in volle omvang worden doorgevoerd? Minister Ruding heeft reeds gezegd, zich te kunnen aansluiten bij die omvang. Ik voorspel dat er, eenmaal aan de macht na de verkiezingen, weer met harde hand zal worden geregeerd. Het is veelzeggend dat het CDA zich voor de verkiezingen voor samenwerking met de VVD heeft uitgesproken -dat is onhistorisch -en dat de heer Bukman zelfs heeft gezegd, dat de formatie in drie dagen kan zijn geregeld. Ik wil daarom vandaag nogmaals aan het CDA vragen waar

in vredesnaam zijn politieke voorkeur ligt. Waar wil het met dit land en met de mensen naar toe? De stelselherziening zal diepe sporen trekken in de Nederlandse samenleving en de verschillen tussen de mensen doen toenemen, direct en indirect. De minister-president heeft tijdens de persconferentie van 11 april jongstleden gezegd dat er behalve voor de groep WAO'ers beneden de 35 jaar en natuurlijk de nieuwe gevallen niets zal veranderen. Dat is echter onjuist. Ik geef een voorbeeld. Zo zullen oudere werklozen, die thans onder de interimregeling vallen, straks onder het regime van de IWO vallen waarbij een inkomenstoets zal worden gehanteerd. En dat betekent nogal wat. Zo zullen gedeeltelijkarbeidsongeschikten, ook boven de 35 jaar, bij een herkeuring kennis maken met de nieuwe maatstaven en met de gevolgen daarvan. Al heeft het niet direct met de stelselherziening te maken, maar op 1 juli a.s. zal er een inkomensverslechtering voor een belangrijke groep arbeidsongeschikten optreden. Ik doel op de laatste fase van de invoering van het besluit waardoor het minimumdagloon in de WAO werd afgeschaft. De eerste fase -ik roep het nog maar even in herinnering -ging in op 1 januari 1984. Alleenstaande of samenwonen-de WAO'ers met een minimuminkomen kregen een flinke dreun te incasseren en op 1 juli volgt de laatste tik. Dat is geen rust op het terrein van de sociale zekerheid, zoals door het kabinet bij herhaling wordt gesuggereerd. Voorzitter! Staatssecretaris De Graaf -ik mij voorstellen dat staatssecretaris Kappeyne van de Coppello de regeringstafel inmiddels heeft verlaten, want mijn opmerkingen betreffen inderdaad met name staatssecretaris De Graaf -heeft een fase eerder, toen de PvdA kritiek uitsprak op verslechteringen die meteen zouden intreden, gezegd: dat is nu weer zo'n typisch voorbeeld van misleiding. Met een nota van wijzigingen moest hij daarop terugkomen. Nu weer de minister-president die jongstleden vrijdag zegt dat er niets aan de hand is en dat de anderen het allemaal opkloppen. Is het niet waar wat ik heb gezegd -ik heb mij maar tot twee voorbeelden beperkt -is er niet wel degelijk meer aan de hand dan de minister-president heeft gezegd?

Voorzitter! Met een grote mond alleen -ik heb het dan bij voorbeeld over de minister-president die de prominenten die deze stelselherziening hebben afgewezen, waaronder twee oud-CDA-ministers van Sociale Zaken, waaronder een keur van voormalige Antirevolutionaire tweedekamerleden -red je het niet! De mensen in dit land hebben aan de portemonnee, maar vooral aan hun toenemende maatschappelijke zorgen wel degelijk in de gaten wat hier aan de hand is! Verdoezeling van feiten zal dat niet keren. Heb dan toch de moed om de mensen recht in de ogen te zien en verdraai de zaak niet! 'Laat Lubbers het karwei afmaken', las ik afgelopen zaterdag in de krant. Dat zullen die 3,5 min. uitkeringsgerechtigden en zij die met die mensen solidair zijn op 21 mei a.s. niet willen! Over afmaken gesproken! Het stelsel herzien, betekent dat alle nieuwe gevallen van werkloosheid en invaliditeit uiteraard daaronder zullen vallen en dat er voor de meesten klappen zullen vallen. Een enkel voorbeeld, allereerst voor de werklozen in het algemeen. De uitkeringsduur wordt voor de meesten beperkt en de combinatie van leeftijd en feitelijk arbeidsverleden zal met name bepaalde groepen zwaar treffen. Jongeren die niet aan het werk kunnen komen of mensen die door studie later intreden, vrouwen, mensen met bepaalde beroepen. Oudere werknemers gaan er drastisch op achteruit. Allereerst wordt de 57,5-jarigenregeling omgezet in een 60-plusregeling, waarbij de loongerelateerde uitkering niet meer wordt gegarandeerd. Voorts wordt de interimregeling voor 47,5-jarigen omgezet in een 50-plus-regeling met inkomenstoets voor de partners en dat tikt aan! Over de arbeidsongeschikten kom ik nog afzonderlijk te spreken. Het kabinet wil de duur van de uitkeringen afstemmen op het arbeidsverleden dat dan in eerste aanleg deels fictief zal worden bepaald op basis van leeftijd en feitelijk arbeidsverleden (3 en 5). Deze laatste formule is sowieso te strak en zal voor velen de uitkering doen beperken tot een half jaar. Maar meer in het algemeen kan gezegd worden dat de gestelde arbeidsverledeneis tot gevolg zal hebben dat mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt vervolgens een zwakke positie zullen hebben wat betreft de sociale zekerheidsrechten;

twee keer mis! Een aanscherping van het begrip '

passende arbeid', zal eveneens een uitwerking hebben ten nadele van juist weer die groepen. Ik roep de staatssecretaris dan ook met klem op, in dezen op zijn schreden terug te keren. Naar mijn mening dient de grondgedachte van het nieuwe stelsel gestoeld te zijn primair op de verzekeringsgedachte. Ik zit hiermee in het voetspoor van het CNV. Daarop kan dan een langere uitkeringsduur worden gezet, naarmate men ouder is. De verzekeringsgedach te verzet zich ook tegen het voornemen, buitenlandse werknemers die zonder geldige titel in ons land verblijven, van een uitkering uit te sluiten. Bepalend mag alleen zijn het gegeven of men tot de kring der verzekerden behoort. Tegenover betaling van premie staat een recht op uitkering. Zo behoort het te zijn. Het zou onjuist zijn een door tijdelijke werkhervatting opgebouwd recht, in mindering te brengen op de duur van de verlengde uitkering. Dit werkt bepaald niet stimulerend. Is de staatssecretaris bereid, daarop terug te komen? Eveneens wijs ik de gedachte van de hand om een niet vrijwillig werkloos geworden werknemer, meer dan voorheen, hoogstens een uitkering van 70% van het minimumloon te geven. Er moet steeds een inhoudelijke relatie blijven tussen gedrag en sanctie. Ik pleit ervoor, de situatie te laten zoals zij is. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Staatssecretaris De Graaf: Weet u hoe het nu in de Werkloosheidswet is geregeld?

De heer Scholten: In grote lijnen wel.

Staatssecretaris De Graaf: In de Werkloosheidswet krijgt de persoon die u op het oog hebt niets.

De heer Scholten: Weet de staatssecretaris wie ik op het oog heb?

Staatssecretaris De Graaf: U sprak over de minimumsanctie die wordt toegepast als iemand verwijtbaar werkloos is. In het kader van de Werkloosheidswet heeft iemand die verwijtbaar werkloos is, geen recht op uitkering. Daarin is de zaak slechter geregeld dan u bedoelt, maar dat bent u waarschijnlijk vergeten.

De heer Scholten: Ik begrijp dat de heer Bosman er buitengewoon verheugd over is daar waar in mijn

betoog een puntje voorkomt waarop de staatssecretaris enige kritiek kan uitoefenen. Ik zal mijn stelling herhalen. Ik pleit ervoor dat in het bestaande stelsel een relatie bestaat tussen verwijtbaarheid en sanctie en de omvang daarvan. Ik pleit ervoor het te laten, zoals het nu is. Als de staatssecretaris mij in zijn antwoord gedetailleerd wil bestrijden, zal ik daarop in tweede termijn terugkomen. Mocht ik op dit punt een lek in mijn betoog hebben, dan ben ik de eerste om dat toe te geven. Ik zal mijn deskundigen nog eens raadplegen, voordat ik dat doe.

De heer Van der Vlies (SGP): Waar zitten die?

De heer Scholten: Ter voorbereiding van dit debat heb ik mij bij voorbeeld uitgebreid verstaan met het CNV, waar ik lid van ben. Men is daar buitengewoon gedocumenteerd en ik kan niet zeggen dat ik daar een sfeer heb aangetroffen die bemoedigend is voor de staatssecretaris, de regering of de fractie aan mijn rechterzijde die thans zoveel plezier heeft. Dat gaat op 21 mei wel over. Voorzitter! Omkering van de bewijslast verdraagt zich niet met ons rechtsstelsel, maar ook niet met artikel 6, lid 2 van het Verdrag van Rome -en daarom vind ik het jammer dat de andere staatssecretaris als juriste even afwezig is -inzake de fundamentele menselijke rechten en vrijheden. Wil de regering duidelijk maken dat dit volgens haar wel spoort met het Verdrag van Rome? Dan de arbeidsongeschikten, de gehandicapten in onze samenleving. Hier wordt een zware prijs betaald, daar waar het kabinet geen of onvoldoende rekening wenst te houden met de door de arbeidsongeschiktheid verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van werk. In combinatie met de korte uitkeringen voor werkloosheid komen jongere WAO-ers en nieuwe gevallen ten spoedigste in de bijstand terecht. Ik vind dat onaanvaardbaar. De voorstellen van het kabinet zijn voor deze groep buitengewoon alarmerend. Ik pleit ervoor, de huidige verdisconteringsbepalingen te handhaven en afschaffing niet te laten plaatsvinden, dan nadat herplaatsing daadwerkelijk is gerealiseerd. Het beleid ten aanzien van de WAO-ers is des te schrijnender, nu het kabinet overigens een beleid heeft gevoerd zonder of met weinig perspectief voor deze kwetsbare groepen in de samenleving. Was het niet een teken aan de wand dat de WSW-wijzigingen slechts met steun van CDA en VVD konden worden aanvaard en dat de doorgaans zo loyale fracties van SGP, RPF en GPV het kabinet lieten zakken? De WAGW werd eindeloos opgehouden en ten slotte verloor zij haar dwingend karakter. Geen werk en toch afschaffing! Dat is een sociaal onaanvaardbare politiek. Het is een schande voor onze samenleving. Ik vind dat ook een schande voor de christelijke politiek. De heer Bosman heeft aan het eind van zijn redevoering gezegd, dat de onderhavige voorstellen van de staatssecretaris na amendering door ons als christendemocraten gedragen kunnen worden. Ik vraag hem dan over wie hij het heeft. Spreekt hij dan ook namens de christendemocraten die in de prominenten vertegenwoordigd zijn? Spreekt hij ook namens de christendemocraten in het CNV die dit zo ingrijpend hebben afgewezen? Spreekt hij namens de christendemocraten in de Raad van Kerken, die de stelselherziening fundamenteel hebben veroordeeld? Voorzitter, de heer Bosman sprak -en ik betreur dat zeer -slechts namens zijn unanieme fractie. En ik betreur het zeer, dat zijn fractie op dit punt unaniem is. Is de conclusie juist, dat wat thans onder artikel 36 van de WWV valt, niet meer door WVC, maar alleen door Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal worden gefinancierd? Klopt het, dat alleen projecten die op herintreding zijn gericht, zullen worden gefinancierd? Zo ja, welke beperkingen houdt dit in ten aanzien van de groep van werklozen en arbeidsongeschikten, die tot dusverre van deze belangrijke voorzieningen gebruik konden maken? Er is in Nederland sprake van een nieuwe armoede. Wanneer langdurige werkloosheid of arbeidsongeschiktheid samenvalt met achteruitgang in inkomen en stijgende lasten, dan leidt dit tot een vorm van armoede die kan leiden tot een sociaal isolement van betrokkenen. Deze huishoudens raken het contact met de hoofdstroom van de Nederlandse samenleving kwijt, zoals de heer Den Uyl in zijn boek 'De toekomst onder ogen' heeft geformuleerd. In Engeland en in de Verenigde Staten is dit op grote schaal het geval. In ons land is dit verschijnsel bepaald niet afwezig. Het zal door de nieuwe aanpak toenemen. Mensen raken gemarginaliseerd. Gedeeltelijk is dit het gevolg van een bewuste politieke keuze. Het is het gevolg van een beleid waarbij men zich een grotere ongelijkheid ten doel heeft gesteld om daardoor de dynamiek van de economie te vergroten. Dan zijn wij toch weer terug bij elementen van Reagan en Thatcher. Het valt op, dat de klappen vooral vallen bij de mensen met de minste opleiding. 77% van de werklozen heeft alleen basisonderwijs of lager beroepsonderwijs gevolgd. Juist deze groepen worden met de WAO-ers primair de dupe van dit beleid. Het toenemen van de ongelijkheid leidt tot marginalisering van velen. En dat voert tot een proces van versplintering van de Nederlandse samenleving. Er doen zich fundamentele vragen voor, waarbij de doelmatigheid van economische processen in strijd komt met de normen van een rechtvaardige samenleving, waaraan allen deel hebben en die houdbaar van karakter is. De Wereldraad van Kerken heeft dit politieke model aan de wereld aangereikt. De Nederlandse Raad van Kerken heeft ermee gewerkt, maar het komt niet door in het beleid van dit kabinet. Als men wil, kan het anders. Dan kunnen de uitkeringen op 75% worden gesteld bij een toenemende economische groei, zoals het CNV heeft voorgesteld. Dan kan de interim-regeling voor de oudere werklozen, zoals die nu luidt, gehandhaafd worden. Dan behoeven de gehandicapten niet de zwaarste prijs te betalen voor iets waar zij absoluut part noch deel aan hebben. Dan kan aan zelfstandigen meer sociale zekerheid worden geboden. Dan zou -en dat ligt mij na aan het hart -ook een regeling kunnen worden ontworpen, waarbij vroeg gehandicapten buiten de Algemene Bijstandswet kunnen vallen. Ik zou de staatssecretaris willen vragen of hij bereid is met de grootst mogelijk creativiteit te werk te gaan om een regeling voor die vroeg gehandicapte te ontwerpen, waardoor zij buiten de bijstand kunnen blijven.

Staatssecretaris De Graaf: Dat hoeft toch niet. Die regeling hebben wij al jaren.

De heer Scholten: Als ik u goed begrijp, dan is alles in orde.

Staatssecretaris De Graaf: Wij hebben al jaren een Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Die geldt met name voor vroeg gehandicapten vanaf 18 jaar.

De heer Scholten: Ja, dat weet ik wel!

Staatssecretaris De Graaf: Nee, dat wist u niet, want dan had u die opmerking niet gemaakt!

De heer Scholten: Ik zal mijn vraag anders stellen. Bevestigt de staatssecretaris dat hetgeen waarvoor ik nu pleit, namelijk een regeling waarbij vroeg gehandicapten -dat is precies de groep waarover u spreekt -permanent buiten een bijstandsregime vallen? Bevestigt de staatssecretaris -gelet op zijn interruptie aan mijn adres -dat die regeling er nu in Nederland is? Ik nodig de staatssecretaris uit, dat in zijn antwoord glashelder uiteen te zetten. Ik nodig hem uit, deze opmerking van mij door een materieel inhoudelijke beantwoording overbodig te maken. Ik ben daar buitengewoon nieuwsgierig naar. Ik spreek hier wel op eigen gezag, Voorzitter, maar niet alleen op grond van eigen verzinsels. Mijnheer de Voorzitter! Ik heb een paar voorbeelden genoemd. De staatssecretaris heeft de andere voorbeelden laten passeren. Daarbij voelt hij zich waarschijnlijk wat minder veilig.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dit klopte ook niet.

De heer Scholten: Ik wacht het antwoord af. De oorlog wordt niet met een veldslag gewonnen en zeker niet met een interruptie. De mensen die mij voeden hebben een andere opvatting dan de staatssecretaris. Ik wacht zijn antwoord af. Ik kom daarop in tweede termijn terug. Hij moet eerst maar eens waar maken wat hij bij interruptie aan mijn adres heeft beweerd. Ik ben heel nieuwsgierig-Voorzitter! Het kan anders, maar dan moet er wel een beleid worden gevoerd waarbij sociale zekerheid wordt ingekaderd in een beleid van werk maken en werk delen. Dan rijst nog de vraag naar de legitimiteit van deze wijziging. Strikt formeel kan het allemaal. Wie de macht heeft, kan de dienst uitmaken. Materieel en moreel klopt het echter niet. Zů ingrijpend afwijken van dringende oproepen van de meest betrokkenen, zonder gefundeerd op hun bezwaren in te gaan, kan niet. Zů ingrijpend afwijken -ik kijk daarbij nog eens naar mijn voormalige fractie -van je eigen programma zoals het CDA doet zonder de kiezers te consulteren -terwijl die mogelijkheid nu aanwezig is -dat duidt op angst voor kiezers.

Mevrouw Kraaijeveld' Wouters (CDA): Mag ik de heer Scholten een vraag stellen? Zou het kunnen zijn, dat je verschil van inzicht kunt hebben over de wijze waarop je bij voorbeeld in het kader van de sociale zekerheid het beste partij kunt kiezen voor zwakkeren in de samenleving?

De heer Scholten: Natuurlijk kan dat.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Hebt u het laatste nummer van Christendemocratische verkenningen gelezen? Daarin staat een artikel van Dr. H. M. de Lange, voorzitter van de sectie sociale vragen Raad van Kerken, en daarnaast staat een artikel van Mr. W. C. D. Hoogendijk -die ons beiden zeer bekend is als oud-directeur van het anti revolutionaire wetenschappelijke bureau, de Dr. Kuypersstichting -waarin een analyse gegeven wordt van waar het verschil zit tussen de opvattingen van de Raad van Kerken/H.M. de Lange en het CDA. Ik beveel dat artikel van harte aan. Misschien kunnen wij daarover dan later nog eens discussiŽren.

De heer Scholten: Voorzitter! Leergierig als ik altijd ben, ben ik gaarne bereid dat artikel te lezen. Ik ben mevrouw Kraaijeveld ook om een heel andere reden erkentelijk dan alleen voor haar interruptie. Ik heb samen met mevrouw Ubels een motie ingediend, kamerstuk 18615 nr. 49. Daarin ging het om een onderzoek naar de aard en de omvang van de schuldenproblematiek van uitkeringsgerechtigden op het minimumniveau en om een rapportage naar de Kamer. Dat deze motie is aanvaard, heb ik vooral aan mevrouw Kraaijeveld te danken. Zij heeft ervoor gezorgd, dat de fractie van het CDA daarvoor stemde. Hoe staat het nu met de uitvoering van deze motie? Voor zover ik uit de lawine van stukken heb kunnen vaststellen, is er nooit meer wat van gezegd. Nu zojuist de naam van prof. dr. H. de Lange is gevallen, wil ik mijn betoog daarmee beŽindigen. Hij heeft onlangs gezegd dat er in Nederland een onderzoek zou moeten worden ingesteld naar nieuwe armoede. Dat zou wellicht het beste aangepakt kunnen worden door een daartoe in het leven te roepen staatscommissie. Ik wil ook graag voorkomen -en wie niet -dat er hier in grote omvang verschijnselen ontstaan, zoals bij voorbeeld in Engeland het geval is. Ik meen dat het instellen van zo'n staatscommissie ter zake ook preventief zou kunnen werken. Kan de staatssecretaris op die gedachte, die ik heb overgenomen van de heer De Lange, eens ingaan?

©

A.H.D. (Aad)  WagenaarDe heer Wagenaar: Mijnheer de Voorzitter! Het totaal van sociale verzekeringen en voorzieningen dat in de afgelopen decennia door middel van wet-en regelgeving tot stand is gekomen, wordt samengevat onder de titel 'sociale zekerheid'. Die naamgeving kan niet los worden gezien van de cultuur waarin dit stelsel is ontstaan en waarin het functioneert. In een maatschappij met een hoog welvaartsniveau is de behoefte aan zekerheid relatief sterk aanwezig. De grote toename van de omzet die de verzekeringsmaatschappijen in het recente verleden hebben gerealiseerd, bevestigen deze stelling. Uit dat oogpunt is het verklaarbaar dat de gedeeltelijke herziening van het stelsel van sociale zekerheid een zeer brede maatschappelijke discussie en een meer dan evenredige parlementaire belangstelling tot gevolg heeft. Sociale zekerheid als fenomeen spreekt aan in een welvaartsstaat, al gaat de grotendeels technische discussie en regelgeving voor een belangrijk deel aan de betrokkenen voorbij. Ik kom daar nog op terug. Met deze opmerkingen wil ik het belang van dit debat allerminst wegcijferen. Wel rijst de vraag of zekerheid een vruchtbare invalshoek is in de discussie over sociale verzekeringen en voorzieningen. Het enkele jaren geleden nog vrijwel unaniem beleden zekerheidsbeginsel van 80% van het laatstverdiende loon in de werkloosheidswetgeving -om een voorbeeld te noemen -wordt anno 1986 vrijwel kamerbreed niet meer onderschreven. Er zit dus beweging in de zekerheid. Ook in de memorie van toelichting bij de werkloosheidswet wordt ervan uitgegaan dat de voorliggende wetsvoorstellen slechts stappen zijn in het proces van stelselherziening. Bovendien wordt de mogelijkheid opengelaten dat in de komende kabinetsperiode ingrijpende wijzigingen in de structuur van het socialezekerheidsstelsel plaatsvinden. Tegen die achtergrond rijst de vraag hoe zeker '

zeker' is.

Een belangrijk argument om bij de behandeling van de voorliggende wetsvoorstellen en de deze week nog te behandelen invoeringswet op spoed aan te dringen, is de behoefte aan rust op het gebied van de sociale zekerheid. Het zal duidelijk zijn dat ik tegen de achtergrond van het voorgaande door dat argument niet ben overtuigd. Ik zou daarom in overeenstemming met de door ons beleden beginselen de nu door het kabinet voorgestelde herziening willen beoordelen tegen de achtergrond van de overheidsverantwoordelijkheid voor sociale gerechtigheid, waarbij ik ook -zij het noodzakelijkerwijs zijdelings -aandacht zal geven aan het vraagstuk van afweging van verantwoordelijkheden van overheid en maatschappelijke organisaties c.q. sociale partners als het gaat om sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. Voorzitter! Wie het resultaat van de voorgestelde wijzigingen overziet, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat het stelsel in elk geval niet aan duidelijkheid en doorzichtigheid heeft gewonnen. Integendeel, op verschillende onderdelen, zoals bij de opbouw van rechten in de nieuwe werkloosheidswet, wordt de wetgeving ingewikkelder, terwijl twee geheel nieuwe wetten worden ingevoerd. Hoewel deregulering nooit een doel op zichzelf mag zijn, kan wel de vraag gesteld worden hoe effectief een dereguleringstoets is als die pas plaatsvindt wanneer alle politieke wensen in wetgevende zin zijn geŽffectueerd. Hiermee wordt in zekere zin geÔllustreerd wat ik enige tijd geleden al aan de orde stelde in het kader van de bijzondere commissie deregulering, namelijk dat een dereguleringstoets slechts optimaal kan functioneren wanneer die reeds wordt toegepast tijdens de beleidsvoorbereiding die uiteindelijk tot wetgeving zal leiden. Is het daarom gewaagd te veronderstellendat de diverse onderdelen in de memories van toelichting die betrekking hebben op deregulering, ter zake als een rechtvaardiging achteraf functioneren? Het laatste lijkt mij niet in het belang van de burger die immers met de voorgestel-de wetgeving moet leren leven. Ik vrees ook dat dat de voorgenomen voorlichtingscampagne niet zal kunnen verhinderen dat velen zich overgeleverd zullen voelen aan onbegrijpelijke regels en ondoorgrondelijke interpretaties. Dit zal het verantwoordelijkheisbesef van de burgers zeker niet ten goede komen. Wat dat betreft, zou toch enig leergeld betaald moeten zijn met de wetgeving op het gebied van de loon-en inkomstenbelasting. Voorzitter! Na de inleidende opmerkingen van algemene aard kom ik toe aan de bespreking van de diverse wetsvoorstellen die in dit debat aan de orde zijn. In de volgorde van de kameragenda betreft dit in de eerste plaats het voorstel om de verdiscontering van de werkloosheidscomponent bij het bepalen van de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering af te schaffen. Het kabinet voert in dit verband drie argumenten aan. Een eerste argument, waarbij ik wat langer wil stilstaan, heeft betrekking op de veronderstelde anti-revaliderende werking van de verdisconteringsbepalingen. Hoewel ik dit argument niet zonder meer zou willen afwijzen, vraag ik mij toch af of het schrappen van de verdiscontering zal leiden tot een meer dan marginale toename van het aantal gedeeltelijk arbeidsongeschikten in het arbeidsproces, zoals het kabinet kennelijk veronderstelt. Bij de huidige stand van de arbeidsmarkt zal deze maatregel er in veel gevallen per saldo op neerkomen, dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte met een verlaging van de uitkering wordt geconfronteerd, zonder dat daar betere vooruitzichten op een mogelijke herintreding in het arbeids proces tegenover staan. Het lijkt mij daarom niet gewenst, de verdiscontering af te schaffen zonder flankeren-de maatregelen in de sfeer van een actieve begeleiding van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte bij zijn terugkeer op de arbeidsmarkt. In dit verband ben ik ook niet overtuigd van de argumenten waarmee het zogenaamde opstapje in de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt afgewezen. In de memorie van antwoord stelt de staatssecretaris zich ter zake aanvankelijk nogal principieel op, maar geeft in het vervolg van zijn betoog te kennen dat een opstapje in het kader van een stimulering van de reÔntegratie in het arbeidsproces nuttig zou kunnen zijn. Deze mogelijkheid zal echter pas aan de orde komen, wanneer blijkt dat de voorgestelde maatregelen in het kader van de WAGW onvoldoende mogelijkheden tot reÔntegratie bieden. Het is de vraag of het verstandig is om met betrekking tot de reÔntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten zoveel kaarten te zetten op de WAGW. Mocht de bedoelde evaluatie negatief uitvallen -dat is bepaald niet uitgesloten -dan ontkomt men niet aan de indruk dat het kalf reeds verdronken is voordat men begonnen is met het dempen van de put. Juist ook tegen de achtergrond van het ingrijpende karakter van de afschaffing van de verdisconteringsbepalingen lijkt mij enige verzachting in de vorm van een verhoging met ťťn klasse vande uitkering voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten zeer wel te verdedigen, te meer daar de budgettaire consequenties hiervan onzes inziens te overzien zijn. Een tweede argument dat in verband met de afschaffing van de verdisconteringsbepalingen wordt gebruikt, heeft betrekking op de aanzuigende werking van de arbeidsongeschiktheidsregelingen in relatie tot de werkloosheidsregelingen. De toename van het aantal uitkeringsgerechtigden AAW/WAO heeft in de afgelopen 20 jaar in zekere zin spectaculaire vormen aangenomen.Het is echter de vraag of de verdisconteringsbepalingen hier zonder meer als een belangrijke verklarende factor moeten worden aangewezen. Veel meer voor de hand liggend lijkt mij het gezamenlijke belang van werkgevers en werknemers om in het kader van afvloeiingsregelingen de WAO als financieringsbron te gebruiken. In de memorie van antwoord wordt dit ook in bedekte termen toegegeven. Tegen die achtergrond rijst opnieuw de vraag of er niet meer aandacht moet zijn voor het optimaal functioneren van beoordeling en begeleiding van werknemers die een beroep op ZW en WAO doen. Daarnaast zou een differentiŽring van de WAO-en AAW-premie werkgevers en werknemers ter zake kostenbewuster kunnen maken. Het komt mij voor dat voor een dergelijke gerichte benadering meer rechtvaardiging te vinden is dan voor generieke maatregelen die alle arbeidsongeschikten over ťťn kam scheren. Als derde argument voor het schrappen van de verdisconteringsbepalingen noemt het kabinet het verschil tussen de uitkering van gedeeltelijk arbeidsongeschikten voor het deel dat zij werkloos zijn enerzijds en de uitkering van werklozen anderzijds. Op zichzelf spreekt dit argument mij aan, al zou ik ook met betrekking tot dit argument het

verschil in arbeidsmarktpositie tussen werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten graag gehonoreerd zien met het eerder door mij bepleite opstapje. Bij dit alles past nog een niet onbelangrijke kanttekening. De afschaffing van de verdiscontering van de werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft tot gevolg, dat een grotere verantwoordelijkheid komt te liggen bij de uitvoeringsorganen. Het is bepaald niet uitgesloten, dat zij in toenemende mate onder druk komen te staan om de gedeeltelijk arbeidsongeschikten in een zo hoog mogelijke arbeidsongeschiktheidsklasse te plaatsen. Er zullen derhalve ook zwaardere eisen worden gesteld aan de objectiviteit en de controleerbaarheid van de arbeidsongeschiktheidsclassificatie. Het is de vraag, of de huidige systematiek tegen een dergelijke druk is bestand. Ik zou het op prijs stellen, hierover de mening van de staatssecretaris te horen. In het kader van de stelselherziening stelt het kabinet voor om twee geheel nieuwe wetten in te voeren: een toeslagenwet ten behoeve van kostwinners, en een wet inkomensvoorziening ten behoeve van oudere werkloze werknemers. Wat de toeslagenwet betreft, kan ik het standpunt van het kabinet onderschrijven, namelijk dat deze voorziening tot de financiŽle verantwoordelijkheid van de overheid gerekend moet worden. Hierin komt immers tot uitdrukking, dat de overheid haar roeping erkent om als schild voor de zwakkeren in de samenleving te fungeren. Wel is bij mij enige twijfel gerezen over de duurzaamheid van de voorgestelde regeling. In de memorie van toelichting wordt immers nogal nadrukkelijk melding gemaakt van maatschappelijke ontwikkelingen ter zake, die zouden wijzen op een toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, waardoor deze wet binnen afzienbare tijd weer ingetrokken kan worden, een en ander vergezeld van een sollicitatieplicht voor niet-kostwinners. Tegen deze voorstelling van zaken zijn verschillende bedenkingen in te brengen. Kortheidshalve volsta ik hier met een verwijzing naar mijn bijdrage aan het debat over het beleidsplan emancipatie, dat enige tijd geleden plaatsvond. Toegespitst op de voorgestelde toeslagenwet rijst bij mijn fractie de vraag, of de overheid ook in de toekomst een schild voor de zwakkeren zal vormen. Uit de memorie van toelichting kreeg ik de indruk, dat zulks slechts geldt voor zover de groep zwakkeren groot genoeg is. Ik zou het daarom op prijs stellen, indien het kabinet deze gedachte op overtuigende wijze zou willen weerleggen. Zowel de rechtszekerheid als de rechtsbescherming noodzaken naar ons oordeel tot een duurzame wetgeving op dit punt. De wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers geeft mij eveneens aanleiding tot het maken van opmerkingen. Ik onderschrijf weliswaar de overwegingen die aan deze wet ten grondslag liggen, maar ik ben niet overtuigd van de noodzaak om voor deze groep werklozen een aparte wettelijke regeling te creŽren. Juist omdat hier sprake is van een vervolguitkering na een periode van werkloosheid, lijkt een koppeling aan de nieuwe Werkloosheidswet meer voor de hand te liggen. De financiering zou dan door middel van premieheffing gerealiseerd kunnen worden. Ter motivering wil ik kortheidshalve twee argumenten aanvoeren. In de eerste plaats zal de financiŽle betrokkenheid van de sociale partners bij de langdurig werklozen in deze constructie toenemen, waardoor het herintredingsproces van deze groep gestimuleerd zal worden. Dit zal nog sterker gelden in een situatie, waarin de sociale partners zelf verantwoordelijk zijn voor de werknemersverzekeringen. In de huidige voorstellen dreigt het gevaar, dat de betrokken werklozen, omdat zij tot hun 65ste jaar zijn aangewezen op een uit de algemene middelen gefinancierde uitkering, definitief worden afgeschreven voor de arbeidsmarkt. Een aparte wettelijke regeling versterkt dit effect slechts. Deze indruk wordt nog eens bevestigd door de motivering van het voorstel in de memorie van toelichting, waarin de kansarme positie van deze groep werklozen centraal wordt gesteld. Het is dan ook bepaald niet denkbeeldig, dat hiervan een stigmatiserend effect uit zal gaan. In de tweede plaats kan voor een koppeling van de IOW aan de nieuwe WW het argument worden aangevoerd, dat hiermee de uitvoering van de IOW aan de bedrijfsverenigingen kan worden overgelaten. Op deze wijze wordt voorkomen dat de gemeenten financieel verantwoordelijk zijn voor een in dit kader nogal arbitraire bijdrage van 10% van de desbetreffende uitkeringen.

Ten slotte maak ik in verband met dit wetsvoorstel nog een opmerking over de gehanteerde leeftijdsgrens van 50 jaar. Deze algemene grens doet naar mijn oordeel geen recht aan langdurig werklozen, die weliswaar jonger zijn dan 50 jaar, maar wier arbeidsmarktpositie zeker niet in alle gevallen rooskleuriger is dan die van oudere werknemers. Initiatieven om de leeftijdsgrens van 50 jaar te verlagen, kunnen daarom op steun van mijn fractie rekenen. Met het oog op hetgeen hiervoor werd betoogd, lijkt het niet onredelijk zelfs een pleidooi te voeren voor het geheel afschaffen van de leeftijdsgrens, zodat voorkomen wordt dat werklozen in de bijstand terechtkomen. De financiŽle consequenties hiervan lijken mij minder groot dan de regering doet voorkomen. Jongere langdurig werklozen zullen in veel gevallen immers niet zijn toegekomen aan de opbouw van enig eigen vermogen. In dat licht vraag ik mij ook af op basis van welke veronderstellingen de berekening van de additionele kosten van uitbreiding van de doelgroep heeft plaatsgevonden. In de memorie van antwoord wordt daarop niet nader ingegaan. Wellicht kan de staatssecretaris op dit punt nog wat helderheid verschaffen. Over de voorstellen met het oog op een gelijke financiŽle behandeling in AOW en AWW kan ik kort zijn. Er kunnen voldoende rechtvaardigheidsgronden worden aangevoerd om tot een herziening van de desbetreffende wetgeving over te gaan. Dat betekent echter niet, dat de overheid daarmee elke vorm van samenleven wenselijk acht. Wel zal zij in haar beleid rekening moeten houden met de wijze waarop de burgers, zonder de overheid daarin te kennen, zich tegenover de samenleving presenteren. De nieuwe werkloosheidswet is wetgevingstechnisch gezien een huzarenstuk. Inhoudelijk beoordelen wij deze wet ook positief, voor zover zij een integratie tot stand brengt van WW en WWV. Deze vereenvoudiging wordt echter helaas weer teniet gedaan door ingewikkelde regelingen, onder meer op het gebied van de opbouw van rechten door de verzekerden. Ik heb deze kwestie reeds eerder in mijn betoog aan de orde gesteld en heb er derhalve geen behoefte aan om in deze fase van de discussie daarop uitgebreid in te gaan.

Wel vraag ik nog aandacht voor de voorgestelde invoering van een verzorgingsforfait ten behoeve van degenen die het arbeidsproces onderbroken hebben met het oog op verzorging van de kinderen. Een dergelijk forfait is namelijk wezensvreemd aan de structuur van de werkloosheidswetgeving die in beginsel immers het risico van onvrijwillige werkloosheid beoogt te dekken. Hoewel ik het tegen de achtergrond van het door kabinet voorgestane emancipatiebeleid op zichzelf op prijs stel, dat kennelijk wordt gezocht naar mogelijkheden om de verzorging van kinderen te honoreren, ben ik toch van oordeel dat het instrument van de werkloosheidswet zich hiervoor niet leent. Dit klemt des te meer, nu blijkt dat het verzorgingsforfait niet de belangstelling ontmoet, die aanvankelijk werd verondersteld. Ook uit een oogpunt van vereenvoudiging lijkt mij een dergelijke complicering van de wetgeving niet gewenst. Een nadere toelichting van de zijde van het kabinet zou ik met het oog hierop dan ook op prijs stellen. Ik rond mijn betoog af. Alles overziende kan geconstateerd worden dat het kabinet in de afgelopen periode veel overhoop heeft gehaald in de socialezekerheidswet geving. Daarmee zijn de kosten van de sociale zekerheid tot beheersbare proporties teruggebracht. Op zichzelf verdient dit waardering. De vraag is echter of de prijs die hiervoor is betaald naarde burgers toe voldoende gerechtvaardigd is. De herziening van het stelsel heeft veel onrust teweeggebracht onder uitkeringsgerechtigden. Uitkeringsrechten werden door middel van algemene kortingen zondereen aansprekend perspectief successievelijk beperkt. Het kabinet kan dan ook worden tegengeworpen, dat het een weinig visionair beleid heeft gevoerd. Ook de voorliggende wetsvoorstellen bevestigen dat. Voor een belangrijk deel wordt voortgeborduurd op de bestaande structuren. Een herbezinning op verantwoordelijkheden wordt daarmee bemoeilijkt. In veel opzichten is de wetgeving bovendien ingewikkelder en ondoorzichtiger geworden. Het is daarom te betreuren dat dit kabinet geen aanzetten heeft gegeven tot een bezinning op de verantwoordelijkheid van overheid en sociale partners voor de sociale zekerheid. Wat dat betreft ligt er een belangrijke taak voor een volgend kabinet. Het gaat immers niet alleen om de houdbaarheid van het systeem, maar ook en wel in de eerste plaats om de vraag, of het stelsel van sociale zekerheid aan normen van sociale gerechtigheid en van verantwoordelijkheid voldoet. De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De Voorzitter: De regering zal in de loop van de middag antwoorden. De vergadering wordt van 13.10 uur tot 13.50 uur geschorst.

De Voorzitter: De ingekomen stukken staan op een lijst, die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik ook voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Regeling van werkzaamheden

De Voorzitter: Ik stel voor, aan de orde te stellen en te behandelen morgen, donderdag 17 april, bij het begin van de vergadering het wetsvoorstel Wijziging van de wet van 1986 tot wijziging van de Wet investeringsrekening, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (afschaffing negatieve aanslag in het kader van de Wet investeringsrekening) (19487).

Daartoe wordt besloten.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.