Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 197b

19258

Wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten, alsmede invoering van de één-oudernorm voor ongehuwde bejaarden met een kind jonger dan 18 jaar)

VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Vastgesteld 16 september 1986

Voor de algemene inleiding wordt verwezen naar het voorlopig verslag naar aanleiding van wetsvoorstel 19261.

De leden van de fractie van het C.D.A. merkten op dat deze wet vervalt met ingang van 1 april 1988 om nadere keuzes te kunnen maken in het kader van aanvullende pensioenregelingen die de franchises en de individualisering nader moeten hebben geregeld. Artikel III geeft een motivering voor een eventuele latere vaststelling van de datum betreffende wijziging van de in guldens uitgedrukte aanspraken, rechten en verplichtingen in pensioenregelingen. Dat kan misschien ook van belang zijn voor de inkomenstoets voor de AOW-toeslag die per 1 april 1988 zal ingaan. Is de bewindsman bereid op grond van de verdere ontwikkeling die samenhang «in de gaten te houden» en eventueel die inkomenstoets in dat licht bezien t.z.t. in heroverweging te nemen? Hoe verhoudt zich overigens de inhoud van de AOW-toeslagregeling na 1 april 1988 tot de regel van artikel 7 uit de Toeslagenwet nl. ten aanzien van de vrijlatingsperioden? Qua leeftijdsondergrens en in geval van calamiteiten bij de echtgenoot is de Toeslagenwetregeling immers wat gunstiger. Waarom wordt de AOW-regeling niet in dit opzicht geharmoniseerd? Op prevaleert in die gevallen de Toeslagenwet? Welke controlemogelijkheden heeft de regering ten aanzien van alleenstaande bejaarden, die blijvend resp. langer dan 3 maanden aaneengesloten in het buitenland wonen (b.v. Spanje) voor wat betreft hun daar gevoerde levenswijze (alleenstaand of samenwonend), met de daaraan gekoppelde uitkering ingevolge de AOW?

' Samenstelling: Franssen (CDA), voorzitter, Van Dalen (CDA), mw uijterwaai Cox (CDA), De leden van de fractie van de P.v.d.A. hadden met grote verbazing Van de Zandschuip (PvdA), Oskamp (PvdA), kennis genomen van het wetsvoorstel zoals het thans is aangeboden. Hun Heijmans (VVD). Van Tets (VVD), mw.

verbijstering betrof met name de zgn. horizonbepaling, door het kabinet Vonhoff-Luijendiik (VVD), mw Tiesinqa Aut

lx

» , , , •.

• •

.. -n

•• * r\nc 11 r\ nc o

-

i o\ sema.mw Van Leeuwen (PSP), mw. Bolding zelf voorgesteld bi) nota van wijziging dd. 1 6 april 1986 (19258, nr. 13) (CPN), De Gaay Fortman (PPR), Barendregt en de toelichting erbij, luidende: «Dit voorstel houdt in dat de gelijkstelling (SGP), Schuurman (RPF), Van der Jagt van gehuwden en ongehuwd samenwonenden met ingang van 1 april (GPV>

1988 weer vervalt.»

1 Aannemende dat zij dit voorstel als een serieus voorstel moeten beoordelen, stelden zij de volgende vragen. 1 Waarom stelt het kabinet voor om iets in te voeren (alleen voor «nieuwe» gevallen) om het prompt daarna weer af te schaffen? 2 Om hoeveel personen zou het kunnen gaan tussen invoeringstijdstip (nog onbekend) en afschaffingstijdstip (1-4-'88)? Mag verondersteld worden dat het om een zeer gering aantal mensen gaat? 3 Hoe verhoudt zich een dergelijke ingreep voor een gering aantal betrokkenen voor een zeer beperkte periode tot algemene beginselen van rechtsgelijkheid en behoorlijk bestuur? 4 Heeft het kabinet een kostenbatenanalyse gemaakt? Mag verondersteld worden dat de veronderstelde besparingen op AOW-uitkeringen voor een handjevol mensen gedurende een korte periode niet opwegen tegen de financiële meeruitgaven van wetswijziging, voorlichting, kosten van uitvoeringsorganen en controle? Valt een kostenbatenanalyse niet nog onvoordeliger uit als ook factoren als maatschappelijk onbegrip en protest tegen een dergelijke arbitrairkortstondige ingreep meegewogen worden? Hoe worden in het buitenland verblijvende ongehuwde AOW-ers getoetst op het eventueel voeren van een gezamenlijk huishouden? Wat is de uitkeringspositie van twee ongehuwde AOW-gerechtigden die in Nederland huisvesting en huishouding gescheiden hebben, maar besluiten om in de winter van 1987 op 1988 gezamenlijk een flatje in Spanje te huren en de huishoudelijke kosten te delen? Krijgen dezen gedurende de eerste 3 maanden «overwintering» elk de ongehuwden-AOW en worden deze personen in de vierde overwinteringsmaand door de Raad van Arbeid getoetst op het voeren van een gezamenlijke huishouding? Wordt hun eventuele gezamenlijke «gehuwden AOW» dan per 1 -4-'88 weer teruggezet in twee ongehuwdenpensioenen? De leden van de P.v.d.A.fractie moesten tenslotte constateren dat het hun voorstellingswereld te buiten ging dat iemand werkelijk kon bepleiten wat in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld. Zij gaven het kabinet daarom in dringende overweging om dit wetsvoorstel thans in te trekken. Zij waren van mening dat -indien het kabinet al van mening zou zijn dat wijziging noodzakelijk is in de uitkeringspositie van ongehuwd samenwonende AOW-ers -een dergelijk voorstel een langere duur beschoren zou moeten kunnen zijn.

De voorzitter van de commissie, Franssen De griffier van de commissie, Dijkstra-Liesveld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.