Eindverslag - Vervanging van kinderaftrek van de loon- en inkomstenbelasting door verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Algemene Kinderbijslagwet voor het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1978 en voor het kalenderjaar 1979

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 10

EINDVERSLAG Vastgesteld 30 mei 1978

INHOUDSOPGAAF

ALGEMEEN

blz. 2

DE EERSTE FASE

Het karakter van het voorstel als «besparing»

4 Fiscale aspecten

Inkomenseffecten; het «draaipunt»

HET VERBAND TUSSEN DE DRIE FASEN

DE TWEEDE FASE

Het vervallen van de inkomensafhankelijkheid 12 Het uitstel van meervoudige kinderbijslag voor oudere kinderen 14 Compenserende maatregelen voor bepaalde categorieën

19 Alternatieve maatregelen

20 Eerste aanvullende suggestie 20 Tweede aanvullende suggestie 20 Derde aanvullende suggestie 21 Vierde aanvullende suggestie 21 Vijfde aanvullende suggestie

DE DERDE FASE

BIJZONDERE GROEPEN

Alimentatieplichtigen

25 Ambtenaren

25 Ouders/verzorgers met pleegkinderen

25 Onvolledige gezinnen

26 Grensarbeiders

26 DIVERSE KWESTIES

7 vel

Tweede Kamerzitting 1977-1978,14184, nr. 10

De bijzondere commissie voor dit wetsontwerp heeft de eer als volgt te rapporteren over de vragen en opmerkingen die vanuit verschillende fracties werden naar voren gebracht naar aanleiding van de memorie van antwoord en de in het wetsontwerp aangebrachte wijzigingen.

ALGEMEEN Het verheugde de leden van de P.v.d.A.fractie dat de Regering het door het kabinet-Den Uyl bevorderde wetsontwerp in hoofdzaak handhaaft. Zij betreurden het dat niettemin bijna twee jaren vertraging zijn opgetreden. Wil de Regering uitleggen waarom, gelet op het naar verhouding geringe belang der voorgestelde wijzigingen, tussen het afleggen van de regeringsverklaring en de inzending van de memorie van antwoord nog meer dan drie maanden moesten verlopen?

' Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels (D'66), Hermsen (CDA), ondervoorzitter, Dolman (PvdA), voorzitter, Van Dis (SGP), Haas-Berger (PvdA), Keja (VVD), Epema-Brugman (PvdA), G. M. P. Cornelissen (CDA), Van Amelsvoort (CDA), Jansen (PPR), Van Houwelingen (CDA), Van der Doef (PvdA), Beumer (CDA), Meijer (PvdA), De Graaf (PvdA), Klein (PvdA), Van Dijk (CDA), Nijpels (VVD), Duisenberg (PvdA), Van Rooijen (CDA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD).

De leden behorend tot de C.D.A.-fractie merkten allereerst op dat er thans bijna twee jaren verstreken waren sinds de Kamer in een gedachtenwisseling met het toenmalige kabinet in overgrote meerderheid de noodzaak onderschreef van een duidelijke beperking van de stijging van de collectieve lasten, waarvan de sociale voorzieningen zulk een integrerend bestanddeel uitmaken. Reeds toen hadden zij betoogd dat men ingrijpende maatregelen op laatstbedoeld terrein, welke de inkomenspositie van zeer velen uit brede lagen van de bevolking aanmerkelijk zouden beïnvloeden, niet los zou mogen zien van datgene wat ook op andere terreinen zou worden ondernomen om de stijging van de uitgaven voor collectieve voorzieningen om te buigen. Zij hadden daarbij gewezen op de duidelijke samenhang tussen ombuigingen op het terrein van de kindervoorzieningen enerzijds en hetgeen verder aan beleidsmaatregelen in de sociale zekerheidssector zou worden ondernomen anderzijds. Tegen die achtergrond hadden zij de noodzaak erkend en in beginsel, zij het met de nodige voorbehouden, de omvang geaccepteerd van maatregelen op het terrein van de kindervoorzieningen. Die samenhangen moeten niet uit het oog worden verloren. Dit klemt te meer nu -zagen zij het goed -de Kamer zich bij aanvaarding van het wetsontwerp in grote trekken vastlegt op een ombuiging op dit deelterrein die in totaal 1120 min. oplevert, te weten per saldo 300 min. méér voor de algemene middelen via een bepaald niet irrelevant te noemen belastingdrukstijging en 820 min. via een daarna volgende besparing op de kinderbijslagen. Het is niet uitgesloten dat de openbare behandeling van dit wetsontwerp zal moeten plaatsvinden, zo betoogden deze leden* op een tijdstip waarop de totale inhoud van het aangekondigde pakket van verdere beleidsvoornemens van de Regering, gericht op ombuiging van de uitgavenstijging voor collectieve voorzieningen, de Kamer nog niet bereikt heeft. Zij achtten het daarom van grote betekenis dat daarover toch reeds zoveel mogelijk inzicht wordt verschaft. De omvang van de operatie in de sfeer van de sociale voorzieningen en daarbinnen van het aandeel van de kindervoorzieningen kon destijds tegen de achtergrond van het totaal pakket van voorgenomen ombuigingen niet onredelijk worden genoemd. Nu de Regering voor wat betreft de KA/KBW-operatie vasthoudt aan de toen bepaalde omvang daarvan in guldens van 1981, rees bij hen de vraag of die redelijkheid ook in de nieuwe context nog in dezelfde mate aanwezig was. Gegeven de ontwikkelingen sinds medio 1976 leek hun overigens een kleiner totaalbedrag aan ombuiging niet aannemelijk. Bezien op het totaalbedrag dat de kindervoorzieningen thans vergen, wordt, zo merkten zij voorts op, voor het welslagen van deze ombuigingsoperatie een relatief hoge bijdrage gevraagd. Dat betekent, hoe dan ook, beduidende offers van gezinnen met kinderen c.q. van hen die kinderen te verzorgen hebben. Deze leden achtten het daarom bepaald gewenst dat, nog voor de openbare behandeling, duidelijk zou worden welke verdere ombui-Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

gingen de Regering voornemens is te bevorderen binnen het sociale zekerheidspakket en dat duidelijk zou worden dat in het totaal van de ombuigingsoperatie ook van andere sectoren aanmerkelijke offers worden gevraagd. Zij konden vooralsnog niet wel inzien, hoe zij tot een verantwoorde definitieve beslissing zouden kunnen komen met betrekking tot wetsontwerp indien niet vóór de openbare behandeling daarover de nodige duidelijkheid zou zijn gegeven. De leden van de V.V.D.-fractie onderstreepten opnieuw hun liberale streven dat ten principale gericht is op een groeiende vrijheidservaring voor ieder. Het is daarom gericht op ontwikkeling en ontplooiing van wat in aanleg in ieder aanwezig is. Sociale zekerheid voor gezinnen met kinderen is daarom een belangrijk goed. Die sociale zekerheid brengt mee dat de gezinsweivaart als gevolg van gezinsuitbreiding niet beneden een bepaald minimum mag dalen. Gebeurt dat wel dan zouden immers de ontplooiingskansen van de kinderen en van de andere leden van het gezinshuishouden in de knel komen. Deze leden onderstreepten tevens hun overtuiging dat het bij het besluit tot gezinsuitbreiding gaat om een persoonlijke beslissing. Ontwikkelingen in de medische wereld en veranderingen in de normen met betrekking tot het gebruik van anticonceptiemiddelen hebben het krijgen van kinderen het karakter van een vrijwillige beslissing gegeven. Het krijgen van kinderen is onderwerp van keuze geworden. In principe dienen individuen zelf de verantwoordelijkheid voor deze persoonlijke keuze te dragen. Maar het gaat daarbij ook om een persoonlijke beslissing die gevolgen voor de gemeenschap heeft én waar de gemeenschap ook bepaalde belangen bij heeft. De gemeenschap is voor haar voortbestaan van een zekere graad van gezinsuitbreiding afhankelijk. Voor de aan het woord zijnde leden stond -dit alles afwegend -in ieder geval voorop dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de individuele ontplooiing van hun kinderen. Kinderbijslagen dienen daarbij een additionele financiële ondersteuningsbron te zijn, geen hoofdbron. Anders gezegd, kinderbijslagen dienen, gegeven de welvaart van dit moment, naar de mening van deze leden slechts een deel van de kosten van het kind te vergoeden, opdat de eigen verantwoordlijkheid van de ouders ook in hun financiële situatie tot uitdrukking komt. Bij de vaststelling van deze als additioneel te rekenen kinderbijslagen dient naar het oordeel van deze leden vooral gelet te worden op de kosten van kinderen als gevolg van hun leeftijd (het leeftijdseffect), de schaaleffecten van het hebben Van meer kinderen (het rangorde-effect) en het toereikend zijn van het gezinsinkomen op het niveau van het minimumloon in die zin dat de ontplooiingskansen van de kinderen en andere leden van het gezinshuishouden niet in de knel kunnen komen (het minimumnormeffect). Op dit laatste aspect kwamen zij verderop in dit verslag nog terug.

Zich baserend op hun stellingname in het voorlopig verslag hadden de leden van de fractie van D'66 met gemengde gevoelens kennis genomen van de memorie van antwoord. Aangezien echter de structuur van de regeringsvoorstellen voor de eerste fase door de nota van wijzigingen niet wordt aangetast, bestonden volgens deze leden hiertegen op zich zelf geen principiële bezwaren. Maar zij zagen wel enkele praktische bezwaren. Door de verhoging van het draaipunt, waarboven de nieuwe regeling geen nadelen oplevert van het modale inkomen naar een bruto-inkomen van f 40 000, zal de totale gezinssubsidie in de vorm van kinderbijslagen met opslagen een veel hoger bedrag vergen dan bij de oorspronkelijke voorstellen van het vorige kabinet. Hierdoor zal het voordelig saldo van de eerste fase aanmerkelijk minder groot worden, terwijl het systeem van gezinssubsidies in het totale sociaal-economisch stelsel een ongewenst grote betekenis zal blijven behouden.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 10

De leden van de S.G.P.-fractie hadden kennis genomen van het antwoord van de bewindslieden en van de door hen aangebrachte, niet onbelangrijke wijzigingen. Deze wijzigingen konden hun principiële bezwaren tegen het wetsontwerp echter niet wegnemen en zij betreurden het dat de memorie van antwoord juist aan deze meer principiële aspecten zo weinig aandacht schonk. Naar aanleiding van het antwoord op blz. 8 van de memorie van antwoord aan de S.G.P.-leden, wezen dezen er nadrukkelijk op dat in de discussie die momenteel gevoerd wordt over de grondslagen van een kinderbijslagstelsel, wel degelijk telkens de relatie met het kinderaantal wordt gelegd. De Vrees en De Kam kwamen in een puur materialistische redenering zelf tot de stelling dat het krijgen van een kind vergelijkbaar zou zijn met de aanschaf van een automobiel of chroomstalen Amerikaanse keuken (Weekblad Fiscaal Recht, 11 maart 1976). OokGroenewegen besteedde in een artikel inlntermediairvan 12 mei 1978 «kinderbijslag: noodzakelijk of overbodig?» aandacht aan de genoemde relatie (blz. 45 van zijn artikel: planning van de gezinsgrootte). Mag uit het antwoord op blz. 8 van de memorie van antwoord worden afgeleid dat de overheid inderdaad een neutrale houding indezen zal innemen?

De leden van de P.P.R.-fractie merkten op dat voor hen de plaats van dit wetsontwerp als onderdeel van een matiging van de groei van de uitgaven in de sector van de collectieve voorzieningen niet langer vaststond, nu dit kabinet werkt aan een wezenlijk ander beleid dan was neergelegd in de zogenaamde 1%-nota (13951). Zij konden dan ook pas tot een definitief oordeel komen wanneer dit voorstel geplaatst kan worden tegen de achtergrond van voldoende concreet geformuleerde bezuinigingsvoorstellen, die bij het kabinet in voorbereiding zijn.

De leden van de C.P.N.-fractie hadden met gemengde gevoelens kennis genomen van de memorie van antwoord en de nota van wijzigingen. Aan de ene kant waren zij verheugd dat de bewindslieden tegemoet zijn gekomen aan een aantal bezwaren die van de zijde van de leden van de C.P.N.-fractie naar voren waren gebracht, met name betreffende de lage inkomensgrens die als draaipunt in het oorspronkelijke wetsontwerp werd voorgesteld. De belangrijkste bezwaren blijven echter gehandhaafd. Met name verzetten deze leden zich tegen de geleidelijke afbouw van de Kinderbijslagwet zoals die ook in de voorstellen die in de nota van wijzigingen aan de orde zijn gesteld, wordt gehandhaafd.

DE EERSTE FASE

Het karakter van het voorstel als «besparing» De leden behorend tot de fractie van het C.D.A. meenden dat de Regering blijkens haar afsluitende opmerkingen in de memorie van antwoord gewijd aan de eerste fase van deze operatie (einde blz. 3, eerste deel blz. 4) wel wat lichtvoetig voorbij had gezien aan de door hen in het voorlopig verslag gemaakte opmerkingen over het karakter van het voorstel als «besparing». Met de constatering dat het wegvallen van de kinderaftrek het karakter heeft van een belastingmaatregel die extramiddelen voor de collectieve sector op!evert, maar per saldo middelen voor de ombuigingsoperatie is bepaald niet alles gezegd. Het «saldo» van dit deel der operatie betekent -zij herhaalden hetgeen zij ook reeds in het voorlopig verslag daarover hadden opgemerkt -een feitelijke belastingdrukstijging, welke evenals elke andere vorm van drukstijging kan leiden tot hogere arbeidskosten door middel van een afwentelingsproces. Onderkent de Regering deze mogelijkheid of acht zij de kans daarop te verwaarlozen?

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

Genoemde leden wezen erop dat bij aanvaarding van dit wetsontwerp en vervolgens van een op basis van de memorie van antwoord ingediend wetsontwerp voor de tweede fase, de «totaalopbrengst» plm.f 1120 min. zal zijn, derhalve f 120 min. méér dan hetgeen aanvankelijk door de Regering in 1976 was voorgesteld en waartoe deze leden zich -hetzij nogmaals gezegd -niet dan na grote aarzelingen en met nodige voorbehoud in beginsel toen hadden gecommitteerd. Zij hadden reeds in het voorlopig verslag over het wetsontwerp (blz. 25 en 26) als hun overtuiging uitgesproken dat een meeropbrengst van de eerste fase niet anders dan in mindering kan worden gebracht op de omvang van dit onderdeel van de 1 %-operatie, voor wat de volgende fase betreft. En dat die meeropbrengst, derhalve in generlei vorm mag worden «verrekend» met een mindere opbrengst van andere maatregelen, dan wel door dan een andere ombuigingsmaatregel weg te laten of te mitigeren. Zij zouden, nu die «meeropbrengst» eerst optreedt inde tweede fase, althans bij ongewijzigd aanvaarden daarvan, hun in het voorlopig verslag op dit punt ingenomen standpunt vooralsnog onverkort willen handhaven, ook voor de tweede fase. In dat verband vroegen zij of uit het feit dat de Regering in de memorie van antwoord zelf reeds kennelijk de mogelijkheid aanduidde dat in die tweede fase compensaties nodig zouden zijn voor bepaalde groepen, mag worden afgeleid, dat zonder aanvullende maatregelen in de sfeer van de kindervoorzieningen, nodig om het oorspronkelijke streefbedrag van f 1 mld. te halen, voor dergelijke compenserende maatregelen reeds f 120 min. beschikbaar komt.

Voorts zouden zij gaarne vernemen hoe de bij aanvaarding van dit wetsontwerp verkregen «besparing» van f 300 min. tot uitdrukking zal komen in de beoogde lastenverlichting. Naar zij aannamen zal dit gebeuren in de vorm van een premieverlichting.

De eerste fase bestaat uit een integratie van kinderbijslag en kinderaftrek met als gevolg dat de restantkinderaftrek wordt vertaald in een opslag op de kinderbijslag. Door het wegvallen van de kinderaftrek heeft deze integratie -zo werd van V.V.D.-zijde betoogd -het karakter gekregen van een belastingdrukverzwaring. De uitvoering van de eerste fase leidt immers tot een verzwaring van de collectieve lasten met f 1555 min. in 1981. Het feit, dat na de realisering van de belastingdrukverzwaring een groot deel van de meeropbrengst weer wordt uitgegeven aan de kinderbijslagfondsen, doet daaraan niets af. Het was deze leden dan ook een raadsel hoe de bewindslieden dit wetsontwerp konden presenteren in het kader van de ophanden zijnde «ombuigingsoperatie» getuige de zinsnede: «Het integratievoorstel levert echter toch een bijdrage aan de ombuigingsoperatie. Immers, er worden voor de realisering van de doelstellingen van de ombuigingsoperatie per saldo middelen vrijgemaakt.» Van de f 1555 min. aan extra geheven belastingmiddelen gaat immers f 1255 min. naar de tot de collectieve sector behorende kinderbijslagverzekering. Het saldo van f 300 min. blijft ter vrije besteding van de evenzeer tot de collectieve sector behorende overheid. Kortom, de collectieve druk neemt met ruim 0,5% in 1981 toe. Zelfs indien het voordelig saldo van f 300 min. voor het rijk zou worden teruggesluisd naar de particuliere sector, resteert er nog altijd een collectieve drukverzwaring van ca. 0,4%. Deze leden wilden in dit verband overigens graag vernemen of dergelijke plannen tot terugsluizing van het voordelig saldo ook door het kabinet overwogen worden. Hoe dan ook, zo meenden deze leden, dit wetsontwerp staat haaks op het aanstaande ombuigingsbeleid. Trouwens, waarom zou het anders ook niet in het kader van de medio juni aan de Kamer toegezegde ombuigingsnota gepresenteerd zijn, als het zozeer om een ombuigingsmaatregel ging? De tweede fase zal in tegenstelling tot de eerste fase wel een bijdrage leveren tot de totale ombuigingsoperatie. Het kabinet heeft immers voorgerekend dat de met de tweede fase beoogde afschaffing van de meervoudige bijslag Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

voor 16-en 17-jarigenf 820 min. aan besparingen oplevert in 1981. In dit verband wilden deze leden nog wel kwijt dat -ook al zou deze tweedefase operatie in z'n geheel doorgang vinden -eerste en tweede fase te zamen nog steeds een negatieve impuls voor 1981 van f 1555 min. minus f 820 min., dat wil zeggen van f 735 min. zouden betekenen voor de totale ombuigingsoperatie. Deze leden konden zich dan ook niet terugvinden in de conclusie van het kabinet dat er van deze twee fasen gezamenlijk een positieve ombuigingsim puls van f 300 min. plus f 820 min., dat wil zeggen van f 1120 min. zal uitgaan. Naar het oordeel van deze leden zijn er nadere maatregelen nodig om in de sfeer van de kinderbijslagvoorzieningen tot een werkelijke bezuiniging te komen van ca. f 1 mld.

De memorie van antwoord stelt op blz. 4, 2de alinea -zo werd ook in de fractie van DS'70 opgemerkt -dat het voorstel «het karakter heeft van een belastingmaatregel», maar toch een bijdrage levert aan de ombuigingsoperatie. «Immers, er worden voorde realisering van de doelstellingen van de ombuigingsoperatie per saldo middelen vrijgemaakt». Dit is toch echter geen kenmerk van het leveren van een bijdrage aan de ombuigingsoperatie? Indien dit wel zo gezien wordt, zou elke belastingverhoging of verhoging van niet-belastingmiddelen, zoals de prijs van aardgas, zo'n bijdrage leveren.

Fiscale aspecten

De V.V.D.-leden stonden zeer kritisch tegenover de volledige afschaffing van de kinderaftrek als onderdeel van de voorgenomen integratie van kinderbijslag en kinderaftrek. Zij hadden tegen deze afschaffing vooral principiële bezwaren. Ze onderschreven niet de in de memorie van antwoord verwoorde stelling dat door het toekennen van (verhoogde) belastingvrije kinderbijslagen aan het draagkrachtbeginsel in essentie recht wordt gedaan. Het ging bij deze leden nl. om het draagkrachtbeginsel in het kader van en als fundament van het belastingstelsel. In dat kader past belastingheffing die met het hebben en verzorgen van kinderen als draagkrachtverminderende factor rekening houdt. Kinderaftrek is daarbij een middel om de inkomstenbelasting van belastingbetalende burgers met kinderen ten opzichte van medeburgers zonder kinderen op redelijke wijze onderling -horizontaal vergeleken -vast te stellen. Belastingplichtigen betalen volgens een progressief stelsel belasting. Als zij kinderen onderhouden, vindt er op grond van het draagkrachtprincipe in de belastingheffing een correctie in de progressie plaats. Dergelijke gedachten zijn bepaald geen «monopolie» van deze leden. Ze werden al eerder door de leden van de C.D.A.-fractie in het voorlopig verslag n.a.v. dit wetsontwerp verwoord. Wat afschaffing van de kinderaftrek tot gevolg heeft, laat het huidige wetsontwerp zien als gekeken wordt naar de gezinsinkomens boven het draaipunt. Horizontaal vergeleken gaan de gezinsinkomens sterker achteruit naarmate er meer kinderen in het geding zijn. Kortom, hier gaat het tegengestelde gebeuren van hetgeen op grond van het draagkrachtprincipe zou worden verwacht. Vooral voor de inkomensgroepen tussen f 40 000 en f 50 000, die toch al in een weinig benijdenswaardige positie terechtgekomen zijn de afgelopen jaren, is dit nadelig. Eerder wezen deze leden -na een afwegingsproces -erop dat ouders primair verantwoordelijk dienen te zijn voor de individuele ontplooiing van hun kinderen. Zij meenden dan ook dat er geen betere weg is voor de ouders om de financiële verantwoordelijkheid voor hun kinderen te beleven dan via het draagkrachtbeginsel in de belastingheffing, dat hun immers in staat stelt met het door hen zelf verdiende inkomen hun kinderen op te voeden. De kinderbijslagen krachtens sociale verzekering blijven dan vooral een aanvullend karakter bewaren. De aan het woord zijnde leden vroegen zich in het kader van deze principiële overwegingen af, of het kabinet daarin niet alsnog aanleiding zou kunnen vinden te overwegen het principe van de kinderaftrek in ons belastingstelsel op enigerlei wijze te handhaven.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

P.P.R.-leden vroegen het oordeel van de Regering over een stelsel waarbij men terugkomt op de belastingvrijdom van de kinderbijslag. Wil de Regering, analoog aan bijlage 1 en 2 uit de memorie van antwoord, voor elk van de draaipunten berekeningen geven waarbij een van de hoogte van het inkomen onafhankelijk en tot het belastbaar inkomen gerekende kinderbijslag wordt toegekend die ten opzichte van het huidige stelsel neutraal uitwerkt voor de verschillende draaipunten voor gezinnen van werknemers met twee kinderen? Welke maatregelen moeten genomen om voor zelfstandigen een gelijk effect te bewerkstelligen? Welke technische problemen zouden bij een dergelijk voorstel ontstaan? Zijn deze onoplosbaar en -zo ja -waarom? De aan het woord zijnde leden waren zich zeer wel bewust dat men met het belasten van de kinderbijslag terugkomt op een eerder ingezette ontwikkeling. Niettemin meenden deze leden dat het praktisch effect dat bereikt wordt mede een rol moet spelen bij de beoordeling van de vraag of men op een dergelijke weg wil terugkomen.

Wat betreft het karakter van het voorstel als «besparing» had het antwoord op blz. 4 van de memorie van antwoord de leden van de S.G.P.-fractie wel zeer teleurgesteld, niet in het minst omdat principiële vragen die in het geding zijn, werden omzeild met een, wat zij noemden, per-saldo-ombuigingredenering. Mogen zij uit het antwoord aan de fractie van D.S/70 op blz. 10, waarin de bewindslieden verklaren dat zij van mening zijn dat de kinderaftrek geen «belastinguitgaaf» is, afleiden dat naar hun mening de belastingdoelstelling van de kinderaftrek niet zonder meer en zeker niet gelijkelijk via directe uitgaven (b.v. een opslag op de bestaande kinderbijslag) gerealiseerd kan worden? Zo neen, welke definitie van de «belastinguitgaaf» hanteren de bewindslieden dan? Indien zij hun vraag echter bevestigend zouden beantwoorden, dan kwam het de leden hier aan het woord volstrekt inconsequent voor eerst de band tussen het draagkrachtbeginsel in de fiscale wetgeving en het kindertal door te snijden om vervolgens uit de f 1555 min. die dat oplevert een vergroting van directe uitgaven te financieren. Wordt hier niet op z'n minst althans feitelijk een beleidsdoelstelling in de fiscale sfeer (kinderaftrek) vervangen door een directe uitgave (opslag op de kinderbijslagen)? In dit verband ontvingen deze leden gaarne een duidelijk ant woord op de hunnerzijds reeds in het voorlopig verslag gestelde vraag of de kinderaftrek niet een integrerend bestanddeel is van de belastingheffing naar draagkracht en daarom principieel te onderscheiden van de bijslag sociale voorziening. Hoe kunnen beide dan onderling verwisselbaar zijn? Tegen deze overheveling en het gemak waarmede dit alles wordt gepresenteerd, richten zich de onoverkomelijke bezwaren van de nu aan het woord zijnde leden. Zij herhaalden dan ook eveneens hun in het voorlopig verslag gestelde vraag of de bewindslieden het principiële onderscheid niet zien tussen de heffing naar draagkracht waarvan de kinderaftrek uitgaat en de sociale voorziening die ten grondslag ligt aan de kinderbijslag. Wanneer de ondertekenaars van de memorie van antwoord zelf de verantwoordelijkheid van de ouders voor hun kinderen willen benadrukken (memorie van antwoord blz. 13 boven), waarom stellen zij dan niet de ouders primair in staat die verantwoordelijkheid te beleven door hen via het draagkrachtbeginsel in staat te stellen de kinderen met het door henzelf verdiende inkomen op te voeden?

De kern van het voorstel is -aldus het DS'70-lid -afschaffing van de kinderaftrek en (in belangrijke mate) vervanging ervan door verhoging van de kinderbijslag. Gesteld wordt voorts dat belastingvrijdom van kinderbijslag ook een soort kinderaftrek is. Op de principiële aspecten van het vrijstellen van een bedrag uit het totale gezinsinkomen bij belastingheffing enerzijds en het verstrekken van overheidsuitkeringen anderzijds wordt echter nauwelijks ingegaan. Er is een groot verschil tussen het vrijlagen van een belastingvrije Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

som bij loon-en inkomstenbelasting en het verstrekken van een al of niet belastingvrije kinderbijslag als een sociale toelage. Het vrijlaten van een belastingvrije som (voor man, vrouw, echtpaar, kinderen) is een normaal element van belastingheffing die rekening houdt met de draagkracht van de te belasten huishouding. Deze verankering in de grondslagen van heffing naar draagkracht is ook veel stabieler gebleken dan toekenning van kinderbijslag die meer tijdsgebonden en variabel is. Acht het kabinet het ook denkbaar dat de belastingvrije sommen voor volwassenen worden afgeschaft en ten dele worden vervangen door een nieuwe sociale uitkering? Bij de tot nu toe gebruikelijke vorm van belastingvrije sommen komt de primaire verantwoordelijkheid van een gezin voor eigen onderhoud tot uitdrukking, bij verschuiving naar hogere belastingdruk annex meer sociale uitkeringen voor iedereen worden de gezinnen meer afhankelijk van de overheid, meer «verkinderlijkt» Inkomensffecten; het «draaipunt» De leden van de P.v.d.A.«fractie konden niet de redenering volgen krachtens welke een hoger draaipunt in 1981 budgettair neutraal zou zijn. De memorie van antwoord bevat de summiere verklaring dat «de kinderaftrek bij het modale inkomen zich in 1979 ten dele in de 26%-schijf van het tarief van de inkomstenbelasting bevindt, hetgeen in 1981 niet meer het geval is». Welke veronderstellingen liggen hieraan ten grondslag ten aanzien van de inflatiecorrectie in de inkomstenbelasting en de reële inkomensverbetering voor de modale burger? Aan de hand van welke berekening is de Regering op basis van deze veronderstellingen tot de conclusie van budgettaire neutraliteit gekomen?

De V.V.D.-leden meenden dat de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek, zoals voorgenomen in de eerste fase van deze operatie, vooral de kenmerken van een (gezins)inkomensoverheveling heeft. Immers, de gezinsinkomens beneden het draaipunt worden versterkt ten laste van de gezinsinkomens boven het draaipunt. De versterking van het gezinsinkomen beneden het draaipunt is groter bij een toenemend aantal kinderen. De vermindering van het gezinsinkomen boven het draaipunt is eveneens groter naarmate het aantal kinderen toeneemt. Hier is dus sprake van een bewuste in-komenspolitiek. De genoemde leden vroegen zich af welke argumenten daarbij gegolden hebben. Zij wilden voorshands niet aannemen dat deze verder gaande inkomensnivellering voorgenomen werd zonder dat daar reeds het begin van een totaalvisie -die van belang is wanneer het kabinet met de aangekondigde raamwet op de inkomensvorming komt -aan ten grondslag lag. Kunnen de bewindslieden al iets meer over deze totaalvisie zeggen? Ook het verschijnsel dat sommige gezinnen «meer» en andere gezinnen «minder» ontvangen als gevolg van deze operatie maakt volgens deze leden de eerste fase tot een «ombuigings»-vreemde operatie. Doel van het ombuigingsbeleid is immers dat alle burgers offers brengen, waarbij -ook naar de mening van de V.V.D.-leden -de zwaarste lasten door de sterkste schouders gedragen dienen te worden. Maar dat mag toch niet inhouden dat sommigen «meer» en anderen «minder» ontvangen? Dat mag toch ook niet inhouden dat -boven het draaipunt -de offers groter worden naarmate men meer kinderen onderhoudt? Dat betekent immers dat de zwakkere schouders (gezinnen met meer kinderen) meer moeten offeren dan de sterkere schouders (gezinnen met geen of weinig kinderen). Wordt zo niet al op voorhand afbreuk gedaan aan de vereiste solidariteit als het op de werkelijke bezuinigingen aankomt? Wat denkt het kabinet hier alsnog aan te kunnen doen? Bij de inkomensoverheveling van de eerste fase is ook de overheid betrokken,zo constateerden deze leden. De overheid deelt immers voor f 300 miljoen mee met de gezinsinkomens beneden het draaipunt, die erop vooruit Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

zullen gaan. Als inkomensoverheveling vooral het doel van de operatie is, zou het dan niet billijker en zuiverder zijn het draaipunt zo te leggen dat het saldo voor het Rijk op nul uitkomt? Is de conclusie juist, dat het draaipunt daartoe bij f 50 000 zou moeten komen te liggen? Past een dergelijk draaipunt ook niet beter in de doelstelling van het regeerakkoord om de inkomens tot tweemaal modaal zoveel mogelijk te ontzien? Daarbij brachten de leden van de V.V.D.-fractie ook nog het volgende naar voren: De middeninkomens anno 1978 mogen geacht worden te liggen tussen f30000 en f50000. Een draaipunt van f40000 ligt daar midden tussen in. In 1981 zullen echter deze middeninkomensgrenzen schattenderwijs opgeschoven zijn naar f 37000 en f 60000. Een draaipunt van f40000 zal dan weinig relevant meer zijn voorde middeninkomens. Overweegt de Regering nog tot een in-dexatie van het draaipunt over te gaan? Tot welk niveau zou het voordelig saldo voor het Rijk daardoor verkleind worden?

De leden van de S.G.P.-fractie waardeerden de verhoging van het draaipunttoteen bruto-inkomen van f40000 per jaar in de eerste fase positief. Mogen zij hieruit afleiden dat deze Regering voorzichtigheid wil betrachten na de nivellering zowel in de primaire als in de secundaire en tertiaire sfeer van de laatste jaren waarbij men omtrent de cumulatieve effecten volstrekt in het duister tastte?

Blijkens bijlagen 1 en 2 bij de memorie van antwoord gaat er ternauwernood invloed uit van het verleggen van het draaipunt van het modaal inkomen van f29900 naar het draaipunt van f40000 bruto. Immers, voor gezinnen met 1 kind maakt het niets uit, voor gezinnen met 2 kinderen maakt het f23 per jaar uiten voor gezinnen met 3 en meer kinderen f56 per jaar, ongeacht de hoogte van het inkomen. Tussen het draaipunt minimumloon ten opzichte van het draaipunt modaal inkomen enerzijds en tussen het draaipuntf 40000 bruto en f50000 bruto anderzijds, blijken krachtens bijlage 1 de verschillen veel groter te zijn. De leden van de P.P.R.-fractie vroegen de Regering in hoeverre het een toevallige omstandigheid is dat het verschil tussen het draaipunt modaal inkomen en het draaipuntf 40000 bruto zo gering is. In hoeverre mag verwacht worden dat deze verschillen weer groter worden wanneer als gevolg van een onvolledige inflatiecorrectie de schijven weer anders komen te vallen? Welke argumenten, anders dan optische, heeft de Regering om het oorspronkelijk voorgestelde draaipunt van f 29900 te verleggen naar f40 000 nu het verschil zo gering blijkt te zijn?

Juist omdat de bezwaren van een lage inkomensgrens als keerpunt door de bewindslieden zijn erkend, heeft het de leden van de C.P.N.-fractie bevreemd dat hier enkel de conclusie uit is getrokken om de inkomenseffecten voor de middengroepen te vertragen. Daarmee blijft het gevaar van een ernstige en onaanvaardbare aantasting van de inkomens van deze middengroepen gehandhaafd. Zou de Regering haar mening willen geven over het rapport van de Nederlandse gezinsraad die met name concludeert dat de bedragen van de kinderbijslag omhoog moeten?

Het lid van de P.S.P.-fractie vroeg of de bewindslieden alsnog willen ingaan op de opmerking van de genoemde fractie in het voorlopig verslag, namelijk dat door dit wetsontwerp wel nivellering wordt bereikt bij belastingplichtigen met fiscale kinderen maar niet bij belastingplichtigen zonder fiscale kinderen. Delen de bewindslieden de mening dat er vanuit het oogpunt van nivellering dus sprake is van een onlogische en ook onrechtvaardige opzet?

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

Het lid van de Ds'70-fractie vroeg of de bewindslieden bereid zijn een tabel te publiceren die de huidige kinderbijslag en kinderaftrek (voor werknemers en voor zelfstandigen, met een, twee of drie kinderen bij bij voorbeeld vijf verschillende jaarinkomens) vermeldt en de voorgestelde bedragen. Thans ontbreekt zo'n tabel die toch de kern van de toelichting inzake het nieuwe voorstel behoort te vormen. Bijlage 1 vermeldt slechts mutaties (inkomenseffecten) en niet zozeer betreffende het feitelijk voorstel maar betreffende vier verschillende denkbare voorstellen. Menen de bewindslieden niet dat het lidwoord «de» op blz. 7 (waar gespro ken wordt van de negatieve inkomenseffecten voor de hogere inkomens) onjuist gebruikt wordt? Het betreft toch alleen die hogere inkomenstrekkers die een gezin hebben? Gaat het in de discussie over kinderaftrek en kinderbijslag niet om de gevolgen voor de (netto)inkomens van echtparen met kinderen vergeleken met de (netto)inkomens van echtparen zonderkinderen? leder inzicht hierover ontbreekt in dit voorstel. Zouden de bewindslieden hieraan een beschouwing willen wijden?

Op blz. 2 van de memorie van antwoord wordt als argument tegen inkomensafhankelijkheid onder meer opgemerkt dat dit «de inkomenspositie van middengroepen te zeer» zou aantasten. Hierbij wordt het begrip «middengroep» gebaseerd op het inkomen van de kostwinner. Is dat voor de hand liggend? Het is voor iemands sociale positie toch van groot belang welk aantal personen van het gezinsinkomen moet rondkomen. Behoort een vrijgezel met b.v. f 30000 inkomen per jaar volgens de indieners van de memorie van antwoord niet tot de middengroepen en iemand met b.v. f 45 000 inkomen, getrouwd, vijf kinderen, wel tot de middengroepen? Het valt ook later op (blz. 9, derde alinea) dat de bewindslieden bij het begrip inkomen steeds denken aan mensen met kinderen. Dat is een manco. Bij discussie over begrippen als rechtvaardige verdeling, nivellering e.d. is het van belang dat men daarin het aantal personen betrekt dat van het inkomen moet rondkomen. Bij discussie over kinderbijslag en kinderaftrek is het van belang dat men ouders met kinderen vergelijkt met andere volwassenen zonder kinderen. De memorie van antwoord op blz. 13 stelt over inkomenspolitieke aspecten: «Aan het.... wetsontwerpligt mede ten grondslag de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dit resulteert in een maatregel waarbij de lagere inkomensgroepen erop vooruitgaan en de inkomens boven f 40 000 erop achteruitgaan». Uit de fractie van DS'70 kwam de vraag hoe verdedigd kan worden om het begrip «de sterkste schouders» te beperken tot ouders met kinderen. Noodzakelijk ter beoordeling van het voorstel uit inkomenspolitiek oogpunt is een uiteenzetting over de gevolgen voor de netto-inkomens van ouders met kinderen (bij voorkeur gemeten per gezinslid) vergeleken met ouders zonder kinderen. Waarom moet b.v. een leraar met kinderen veel sterker worden genivelleerd dan een ongehuwde leraar?

HET VERBAND TUSSEN DE DRIE FASEN Van P.v.d.A.-zijde werd gesuggereerd dat de verklaring voor het late in-zenden van de memorie van antwoord misschien hierin is te zoeken dat eerst overeenstemming binnen het kabinet moest worden bereikt over de thans geopperde z.g. tweede fase (afschaffing van dubbele kinderbijslag voor 16-en 17-jarigen). De Regering wil er geen onduidelijkheid over laten bestaan -zo deelt zij mee-«dat naar haar mening de invoering van de eerste en de tweede fase nauw samenhangende maatregelen zijn» (memorie van antwoord blz. 5). Het stemgedrag van de Kamer met betrekking tot het wetsontwerp kan echter geen uitsluitsel geven over de vraag of de geciteer-de opinie van de Regering door haar medewetgever wordt gedeeld. Toch wil de Regering deze stemming afzonderlijk aangaan. Wil zij volhouden dat eerste en tweede fase nauw samenhangen, dan zou zij -zo meenden de leden Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

van de fractie van de P.v.d.A. -tijdig moeten meedelen, d.w.z. vóór de stemming, welke politieke gevolgen zij verbindt aan een weigerachtige houding van de Kamer inzake de tweede fase. Is de Regering daartoe thans bereid?

De vrij algemeen met instemming begroete verhoging van het draaipunt leidt -aldus de leden van de C.D.A.-fractie -tot een grotere inkomensverbetering voor de lagere inkomensgroepen met kinderen. Waar vervolgens op de eerste fase een zo belangrijke tweede fase gaat volgen, liet zich naar hun mening de vraag stellen of het beleidsmatig wel opportuun is deze verbetering geïsoleerd te beschouwen, nu immers reeds vaststaat dat straks bij verdergaande besparingen in de sfeer van de kinderbijslagen weer negatieve effecten optreden. In aansluiting op deze gedachtengang deden de hier aan het woord zijnde leden daartoe later in hun betoog enige alternatieve voorstellen. Zij meenden, dat de problematiek zoals hierboven geanalyseerd dermate zwaar weegt, dat het de moeite loont om na te gaan welke alternatieven mogelijk zijn en zouden het bepaald betreuren indien slechts de keuze zou resteren tussen het treffen van kleine groepen enerzijds en het niet-halen van de vooropgestelde bedragen anderzijds. De aanduiding dat mogelijke compensaties voor die groepen gewenst zouden zijn blijkens de memorie van antwoord, geeft al aan dat dit dilemma bepaald moeilijk oplosbaar is zonder alternatieven te overwegen. Hoewel er geen direct verband tussen de 2e en 3e fase behoefde te worden gezien met de studiefinanciering, meenden de leden nu aan het woord reeds thans er op te moeten wijzen, dat financiële complicaties die in verband met de invoering van een nieuw systeem van studiefinanciering zouden kunnen optreden naar hun mening niet dienen te worden opgelost door maatregelen in de kinderregelingen die verband houden met leeftijdsgroepen die nog niet toe zijn aan onderwijsvoorzieningen waarvoor een dergelijk systeem zou gaan gelden.

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen zich in verband met de tweede «echte» ombuigingsfase af, of het niet «een gemiste kans» zou zijn indien eerste en tweede fase niet alsnog gezamenlijk onderwerp van beraadslaging zouden vormen. Het «nemen» in de tweede fase zal toch gemakkelijkerzeker door de gezinsinkomenstrekkers beneden het draaipunt -geaccepteerd worden, indien dit gepaard gaat met het «geven» in de eerste fase. Waarom toch deze grote haast met de eerste fase? De kabinetsdoelstelling om de koopkracht van de benedenmodalen in ieder geval te handhaven maakt in-voering per 1 oktober a.s. toch niet noodzakelijk? Wijzen de prognoses van het Centraal Economisch Plan niet juist op een koopkrachtstijging van de lonen van de benedenmodale werknemers met meer dan 2% (inclusief incidenteel)? Kan het kabinet daarom nader motiveren waarom de eerste fase operatie nodig is te realiseren van de tweede? Indien de eerste fase werkelijk nodig is voor de ombuigingsoperatie is het dan niet noodzakelijk de eerste en tweede fase tegelijkertijd te doen behandelen? In de memorie van antwoord verschaffen de bewindslieden zelf de argumentatie: «De Regering wil er hierbij geen onduidelijkheid over laten bestaan, dat naar haar mening de in-voering van de eerste en de tweede fase nauw samenhangende maatregelen zijn, noodzakelijk als onderdeel van de ombuigingsoperatie». Wanneer de eerste (inkomensoverhevelings)fase en de tweede (echte ombuigingslfase gekoppeld behandeld worden, zal dit ook het inslaan van alternatieve wegen vergemakkelijken. In dit verband wezen deze leden op het door de eerste fase ongedaan maken van het effect van de sinds 1973 volgehouden bevriezing van de bijslag voor het eerste kind. Omzetting van kinderaftrek in kinderbijslag betekent immers vooral dat de opslag voor de kinderbijslag voor het eerste kind zeer aanzienlijk zal zijn. Per kwartaal zal op basis van de kinderaftrek 1978 worden uitgekeerd voor het eerste, tweede en derde kind resp. f 72,54, f 37,44 en f 37,44. Deze leden meenden dat het kabi-Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

net in ieder geval nog eens dient te overwegen de bevriezing van de bijslag voor het eerste kind zonder een opslag op het huidige niveau te handhaven of tenminste de opslag voor het eerste kind van dezelfde hoogte te doen zijn als voor het tweede en derde kind. Dit laatste zou neerkomen op een halvering van de opslag van de kinderbijslag voor het eerste kind. Op andere alternatieven om tot besparingen in de kinderbijslag te komen kwamen deze leden lager terug.

Ook de leden van de P.P.R.-fractie merkten nog op dat de koppeling die de Regering legt tussen de eerste en de tweede fase als noodzakelijk onderdeel van de ombuigingsoperatie het noodzakelijk maakt om de instemming met de eerste fase mede afhankelijk te laten zijn van de voorstellen ten aanzien van de tweede fase.

De memorie van antwoord stelt op blz. 5 aan het slot van de paragraaf getiteld «Tweede fase» «dat de eerste en de tweede fase nauw samenhangende maatregelen zijn», maar stelt even later dat het kabinet nog niet concreet weet wat het wil met de tweede noch met de derde fase. Zo schrijven de bewindslieden op blz. 6: «De tweede fase geeft wellicht aanleiding tot compensaties....» en over de derde fase «een conglomeraat van maatregelen die op dit ogenblik nog niet kunnen worden uitgewerkt.... Voor een deel is het thans wel duidelijk waar de knelpunten liggen». Gezien de nauwe samenhang tussen de fasen -erkend door het kabinet -en het feit dat alle drie de fasen volgens het kabinet op korte termijn moeten worden doorgevoerd, achtte het lid van de fractie van DS'70 het teleurstellend dat het kabinet geen consistent uitgewerkt plan op tafel heeft gelegd. Het wordt zo erg moeilijk om de eerste fase goed te kunnen beoordelen.

DE TWEEDE FASE

Het vervallen van de inkomensafhankelijkheid Kennis nemend van de inhoud van de memorie van antwoord erkenden de leden, behorend tot de fractie van het C.D.A., dat een groot deel van de door hen destijds in het voorlopig verslag gegeven beschouwingen en gestelde vragen in een ander licht is komen te staan, nu de Regering het wetsontwerp aanmerkelijk heeft gewijzigd en duidelijk kenbaar heeft gemaakt welke koers zij voor wat de herstructurering van de kindervoorzieningen betreft in de tweede en derde fase wenst te varen. De bezwaren die deze leden hadden tegen het wetsontwerp in zijn aanvankelijke vorm, gelet op de samenhang daarvan met de inhoud die de Regering destijds dacht te geven aan de ombuigingen op dit gebied voor de tweede en derde fase, bezwaren die het voor velen van hen onmogelijk zouden hebben gemaakt hun stem aan dit wetsontwerp te geven, zijn hierdoor in belangrijke mate weggeno men, indien zij althans de in de memorie van antwoord gedane mededelingen met betrekking tot de voorgenomen inhoud van de tweede fase aldus mogen verstaan, dat bij deze gelegenheid de techniek van de aanvullende kinderaftrek in de fiscale wetgeving ter zake van het al of niet hebben van kinderen vervalt, indien en voor zolang er een voor ieder gelijke belastingvrije kinderbijslag wordt gegeven, die immers neerkomt op een materiële kinderaftrek. Wordt daarmee, zo vroegen deze leden, het vervallen van de kinderaftrek inderdaad gekoppeld aan het feit dat er voor ieder een gelijke belastingvrije kinderbijslag geldt en houdt een en ander in dat de Regering voor de volgende fasen wil afzien van de mogelijkheid de kinderbijslag aan het inkomen van de ouders te relateren? Gaarne zouden zij vernemen of deze interpretatie van de beleidsvoornemens van de Regering op dit stuk de juiste is.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

De leden van de V.V.D.-fractie hadden eerder in dit verslag de z.g. mini-mumnorm als een element erkend bij de opbouw van een kinderbijslagstelsel. Dit element mag er echter naar hun mening niet toe leiden dat kinderbijslagen verhoogd worden voor de laagste inkomensgroepen om vanaf het minimumloonniveau geleidelijk met het opklimmende inkomen tot nihil af te lopen. Dat zou volgens deze leden het systeem van kinderbijslagen devalueren tot een instrument van ingrijpende (gezins)inkomensnivellering. Vele overheidsmaatregelen (zoals belastingen, sociale premies, huursubsidies, studietoelagen, schoolgelden, tarieven voor gezinsverzorging) zijn reeds in-komensafhankelijk. Het cumulatieve effect van al deze maatregelen in hun relatie tot het gezinsinkomen is niet bekend. Dat was voor de leden van de V.V.D.-fractie dan ook een eerste reden waarom daaraan niet nog eens een nieuwe inkomensafhankelijke regeling -te weten een inkomensafhankelijk kinderbijslagsysteem -met een eigen marginaal tarief toegevoegd mag worden. Dit, naast de drie argumenten van het kabinet, namelijk: 1) inkomensafhankelijkheid van de kinderbijslagen zou een te rigoreuze aantasting van het fiscale draagkrachtbeginsel betekenen, 2) de uitvoering van een dergelijk systeem zou bijzonder gecompliceerd worden en 3) de positie van vooral de middengroepen zou te zeer worden aangetast, bracht deze leden ertoe hun instemming te betuigen met het voornemen van dit kabinet definitief af te zien van inkomensafhankelijke kinderbijslagen.

De leden van de fractie van D'66 waren zeer verheugd dat de Regering in overeenstemming met hun opmerkingen in het voorlopig verslag heeft afgezien van het oogmerk in de tweede fase inkomensafhankelijke kinderbijslagen in te voeren. De daarvoor aangevoerde argumentatie onderschreven zij. De ingreep van het kabinet in de oorspronkelijke voorstellen noopte de leden van de P.P.R.-fractie om terug te komen op hun aanvankelijk uitgesproken instemming met het voorstel van het kabinet-Den Uyl. Het vervangen van de inkomensafhankelijke bijslag in de tweede fase door een inkomenskorting, ongeacht de inkomenshoogte, het verschuiven van de aftrek voor studerende kinderen van 16tot 18 jaar, noemden zij een verandering waarbij de zwakke schouders een zwaardere en de sterke schouders een lichtere last te dragen krijgen. Deze leden nodigden de Regering dan ook uit om duidelijk te maken welk inkomensbeleid aan deze wijziging van het voorstel van het kabinet-Den Uyl ten grondslag ligt. De Regering beroept zich om deze stap te rechtvaardigen op het horizontaal draagkrachtbeginsel, op de druk voor de middengroepen en de technische ingewikkeldheid van inkomensafhankelijke kinderbijslagen. De leden nu aan het woord, meenden dat de Regering ten onrechte een min of meer principieel punt maakt van het horizontaal draagkrachtbeginsel met betrekking tot het onderhoud van kinderen. Immers, in de memorie van antwoord merkt de Regering op dat het niet de bedoeling kan zijn dat het k.b.-k.a.-systeem volledige compensatie biedt voor de kosten van onderhoud van kinderen. Daarmee, zo meenden deze leden, relativeert de Regering het horizontaal draagkrachtbeginsel van een fundamenteel beginsel tot een graduele maatregel. Het is dan immers een politieke beslissing geworden om vast te stellen in welke mate de kosten van onderhoud van kinderen in de draagkracht tot uitdrukking moeten worden gebracht. Wil de Regering uiteenzetten waarom naast (verschillend gewaardeerde) argumenten als welvaartsneutraliteit, eigen verantwoordelijkheid, collectieve lasten, etc. niet ook de inkomenshoogte een rol zou kunnen spelen bij het vaststellen van de mate waarin de draagkracht voor het onderhoud van kinderen beïnvloed wordt?

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

Ten aanzien van het derde argument van de Regering, namelijk de aantasting van de inkomenspositie van middengroepen, merkten de leden nu aan het woord op dat een dergelijke aantasting niet in principe verbonden is aan een stelsel met inkomensafhankelijke kinderbijslagen. Het is, zo zeiden deze leden, immers een politieke beslissing op welke wijze en in welke mate men inkomensafhankelijkheid realiseert.

De leden van de S.G.P.-fractie waardeerden het laten varen van de inkomensaf hankelijkheid van de kinderbijslagen in de tweede fase positief. Zit hier mede de verwachting achter dat men ook bij de uitvoering van een inkomensafhankelijke kinderbijslag geconfronteerd zou worden met een zeer gebrekkig inzicht in het cumulatieve effect voor de verschillende inkomensgroepen van overheidsmaatregelen (belastingen, sociale premies, subsidie e.d.) en andere regelingen die aan het inkomen gekoppeld zijn (b.v. contributies, peuterspeelzalen, allerlei lidmaatschappen)? Wordt (mede) op deze problematiek van de onbekendheid met de z.g. geïntegreerde marginale druk gedoeld waar de memorie van antwoord stelt «dat de uitvoering van een dergelijk systeem bijzonder gecompliceerd is» (blz. 1 en 2)? Onder de geïntegreerde marginale druk verstonden de leden, hier aan het woord, «dat deel van de individuele inkomensstijging waarop in totaal beslag gelegd wordt via regelingen die een heffing of overdracht inhouden naar rato van het inkomen» (definitievan Walenkamp, ESB 12 januari 1977). Zij maakten van de gelegenheid gebruik om te informeren hoe het staat met een lopende studie van het CPB ter zake. Houdt het besluit om af te zien van inkomensafhankelijke kinderbijslagen in dat de bewindslieden zich principieel op het standpunt stelden dat de kinderbijslag een oneigenlijk instrument in het kader van de z.g. verticale inkomensherverdeling is? Of sluiten zij «in de verdere toekomst» inkomensafhankelijkheid bij voorbaat toch niet helemaal uit?

De memorie van antwoord deelt onderaan op blz. 1 mede -aldus het DS'70 lid -waarom is afgezien van het leggen van een band tussen het in-komen van de ouder(s) en de kinderbijslag. Is wellicht ook een reden dat in het voorstel van het vorige kabinet de totale marginale druk (van belastingen en derving van subsidie) bij stijging van inkomen dan verder zou zijn verhoogd met name voor ouders met kinderen? Kunnen de bewindslieden ook mededelen wat de ervaringen zijn geweest met de afhankelijkheid van het inkomen die voor de kinderbijslag in de volksverzekering in het begin van de jaren zestig heeft bestaan?

Het uitstel van meervoudige kinderbijslag voor oudere kinderen De leden van de P.v.d.A.-fractie wilden er hunnerzijds geen misverstand over laten bestaan, dat zij de voorgenomen tweede fase afwijzen, zowel uit een oogpunt van inkomensbeleid als van onderwijspolitiek. Nu de Regering echter eerst het advies van de SER vraagt en bovendien van haar kant niet ingaat op vragen welke betrekking hebben op andere beleidsombuigingen, wilden deze leden op deze plaats geen discussie omtrent de tweede fase beginnen. De gelegenheid daartoe komt eventueel na de indiening van het desbetreffende wetsontwerp. Nog beter zou het zijn als de Regering na ontvangst van het SER-advies van de dwalingen haars weegs zou terugkeren. De leden van genoemde fractie bespaarden zich het liefst de moeite van een parlementair debat dat niet nodig blijkt te zijn.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

Niet ontkend kan worden dat het, hoe dan ook, moeielijk is een verantwoor-de inhoud voor de tweede fase te formuleren. De leden van de C.D.A.-fractie waardeerden het dat de Regering in ieder geval concrete voorstellen daartoe doet. Voor wat de inkomenspolitieke effecten betreft verwezen zij naar hetgeen zij in het algemene gedeelte van dit verslag reeds hadden opgemerkt. In de loop der jaren gespreid zullen -zagen zij het goed -vrijwel alle gezinnen met kinderen of verzorgers van kinderen dit uitstel van een inkomensvermeerdering ondergaan zodat, zo bezien, binnen de groep van gerechticden ieder gelijkelijk daarmee te maken krijgt. Wel treft deze maatregel, zij het zoals gezegd gespreid in de jaren, veelvuldiger de gezinnen of verzorgers van meerdere kinderen dan hen die minder of slechts 1 kind te verzorgen hebben. Strikt formeel kan ook niet ontkend worden dat er bij deze voorgestelde maatregel die op korte termijn een aanzienlijke besparing oplevert, geen sprake is van een feitelijke vermindering van inkomen. Maar het is wel een uitstel van inkomensvermeerdering waarmee zeker door ouders en verzorgers van kinderen die binnen, stel 1 è 2 jaar na 1 januari 1979 de leeftijd van 16 jaar zullen bereiken, dikwijls reeds rekening zal zijn gehouden in hun toekomstverwachting ten aanzien van de verdere studie-en vormingsmogelijkheden van deze kinderen. Overigens, ook op langere termijn bezien, zullen ouders steeds de financiële nadelen op korte termijn verbonden aan verder studeren van hun kinderen blijven afwegen tegen direct mogelijke of niet meer mogelijke compensaties. Het moge waar zijn dat het voor de ingangsdatum van de aanspraken op dubbele kinderbijslag gekozen moment, te weten het bereiken van de 16-jarige leeftijd, niet zonder meer gerelateerd kan worden aan aanwijsbaar hogere studiekosten, de verdubbeling van de kinderbijslag op die leeftijd moet stellig ook worden bezien vanuit de gedachte dat in de leeftijdsfase gelegen na de periode doorgebracht in het basisonderwijs de totale onderhoudskosten van het kind, waaronder de studiekosten een duidelijke, zij het geleidelijke, stijging vertonen. Verdubbeling van de kinderbijslag voor studerende en daarmee gelijkgestelde kinderen op 16-jarige leeftijd wordt dan ook algemeen als een groot goed ervaren. Uitstel van deze verdubbeling of verdrievoudiging zal dan ook stellig vele ouders en verzorgers van kinderen die spoedig na 1 januari 1979 de 16-jarige leeftijd bereiken niet ongevoelig treffen. Allereerst wezen de hier aan het woord zijnde leden daarbij op de ouders/ verzorgers van thuisverblijvende, althans te hunnen laste komende gehandicapte kinderen. Zijn er gegevens bekend waaruit kan worden afgeleid in hoeverre deze groep samenvalt met de nog studerenden in deze leeftijdsklassen? Hoe is de groep gehandicapten irrdeze leeftijdsklasse samengesteld die geen vervolgonderwijs geniet en thuis verblijft, althans ten laste van de ouders elders wordt opgevoed? Welke omvang heeft deze groep? Deze leden betwijfelden vooralsnog of het beroep dat in verband met de ex-tra kosten wegens de handicap of de invaliditeit kan worden gedaan op verstrekkingen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet de noodzaak van compenserende maatregelen voldoende zal ondervangen. Een grondige discussie achtten deze leden nodig over het verband tussen deze maatregel en de onderwijskansen. Zulks niet alleen bezien vanuit de feitelijke bereikbaarheid van die onderwijsvoorzieningen in financieel opzicht, maar ook vanuit de feitelijke bereidheid van ouders en verzorgers van kinderen eraan mee te werken dat hun kinderen ook na het bereiken van de leeftijd van 16 jaar hun studie voortzetten en voltooien of een nieuwe studie aanvatten. Zij vroegen zich af of de stelling in de memorie van antwoord dat de leeftijdsgrens van 16 jaar betrekkelijk willekeurig is en niet zou passen bij het gegeven dat de tweevoudige kinderbijslag wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat onderhoudskosten als direct gevolg van studie hoger zijn dan de onderhoudskosten van kinderen in het algemeen, zonder nader onderzoek wel voldoende onderbouwd is. Zij vermoedden toch dat er wel eens sprake zou kunnen zijn van een zekere cesuur voor de leerlingen op scholen Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

voor h.a.v.o. en v.w.o. als zij rond de 16-jarige leeftijd overgaan naar de bovenbouw van laatstgenoemde schooltypen. In ieder geval doemt rondom die leeftijd de schoolgeldplicht op. Voorts bereikt men op dat moment immers in het algemeen het einde van de leerplichtige leeftijd. Als in de memorie van antwoord op blz. 5 wordt opgemerkt dat die leeftijd valt midden in de middelbare schoolperiode, dan is niet alleen reeds de hier gebruikte term bepaald verouderd, maar dan werd naar hun overtuiging deze situatie daarmee veel te eenvoudig gesteld. Het is de leeftijd waarop een hoog percentage van de kinderen die het voortgezet onderwijs volgen, staan aan het einde van hun opleiding in het lager beroepsonderwijs en het m.a.v.o. Dan worden zowel deze studerenden als hun ouders/verzorgers geplaatst voor de vraag of een verdere dagstudie zal worden gevolgd, dan wel of gezocht zal worden naar een plaats in het arbeidsproces. Van niet geringe positieve invloed is dan op dat moment de zekerheid dat er aanspraak is of zeer spoedig zal zijn op verdubbeling of soms verdrievoudiging van de kinderbijslag en kinderaftrek. Deze leden vreesden dan ook dat het verschuiven van die inkomensvermeerdering naar het bereiken van de 18-jarige leeftijd een onmiskenbare negatieve invloed zal uitoefenen op die beslissing; zulks te meer omdat een dan plaatshebbende keuze voor verder onderwijs in de regel toch duidelijk een ten dele misschien eenmalige, ten dele echter ook blijvende kostenverhoging mee pleegt te brengen.

Voorts betoogden deze leden dat de ouders en verzorgers van de grote groep kinderen -circa 70% -die rondom de 16-jarige leeftijd staan voor de keuze tussen een verdere dagstudie dan wel het zoeken naar een plaats in het arbeidsproces bij de afweging van de voor de dan te nemen beslissing relevante factoren toch al geconfronteerd worden met de mogelijkheid dat het kind zich door opname in het arbeidsproces een zij het vooralsnog bescheiden inkomen uit arbeid kan verwerven en daarmee zelf voor een belangrijk deel in de kosten van het noodzakelijke levensonderhoud kan voorzien. En indien ten gevolge van de structureel toch al zeer moeilijke positie van jeugdige werkzoekenden met een relatief niet sterk opleidingsniveau geen arbeidsplaats kan worden gevonden, kan -indien men de studie beëindigt, dan wel geen nieuwe studie aanvangt -aanspraak worden gemaakt op een uitkering krachtens de sociale voorzieningen. Deze leden voorzagen dan ook in dit opzicht, zeker voor de eerstkomende jaren als het ouders/verzorgersen hun kinderen betreft die de 16-jarige leeftijd reeds vrij dicht genaderd zijn, ernstige nadelige gevolgen van deze maatregel. Dat geldt in het bijzonder de kinderen in de laagste en lagere inkomensgroepen. Bovendien kunnen zich daarbij situaties voordoen waarbij het gaat om meer dan één kind uit hetzelfde gezin of van dezelfde verzorger. De mededeling van de Regering dat de maatregel in bepaalde situaties een beperking van onderwijskansen ten gevolge kan hebben, welke beperking zoveel mogelijk moet worden voorkomen en die wellicht aanleiding geeft tot compensaties voor bepaalde categorieën achtten zij dan ook veelbetekenend!

In dat verband zouden zij het op prijs hebben gesteld indien de inhoud van de tot de SER gerichte adviesaanvrage enige ruimte zou hebben gelaten voor het aandragen van alternatieve mogelijkheden. Alternatieve maatregelen en aanvullende suggesties zijn -gegeven het over de tweede fase opgemerkte -immers waarschijnlijk onmisbaar. Thans kan daarover, indien zij de inhoud van die adviesaanvrage geheel juist interpreteerden, in het te verwachten advies nauwelijks worden gesproken, tenzij in de zin van compenserende maatregelen voor bepaalde groepen. Overigens zal op deze adviesaanvrage toch reeds vrij snel moeten worden gereageerd, wil de Regering in staat zijn een wetsontwerp dat met de inhoud van dat advies voor zover mogelijk rekening heeft gehouden, tijdig voor het zomerreces van de Kamer in te dienen. Met de bewindslieden waren de leden van de V.V.D.-fractie van mening dat de maatregel van afschaffing van meervoudige bijslagen in bepaalde Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

situaties beperking van onderwijskansen tot gevolg kan hebben en dat dit zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Het kabinet zegt daarover in de memorie van antwoord: «wellicht geeft dit aanleiding tot compensaties voor bepaalde categorieën. Eventueel zullen hieromtrent voorstellen worden gedaan na afweging in het kader van het totale ombuigingspakket.». Deze leden wilden graag van de bewindslieden vernemen tot welk bedrag deze compensaties zouden dienen te worden gegeven. Is het in dat verband juist om te veronderstellen dat het ombuigingsbedrag van f 820 min. nogal ruim geraamd is? Deze leden waren ervan overtuigd dat ook de kinderbijslagvoorziening een bijdrage zal moeten leveren aan de totale ombuigingsoperatie. Alleen was hun vraag of dit ombuigingsoffer wel geheel op de schouders van de ouders van 16-en 17-jarige kinderen gelegd mag worden, ook al worden geen bestaande rechten voor 16-en 17-jarigen aangetast. Het gaat hier immers om de in onderhoudskosten duurste kinderen. Terwijl de juistheid van differentiatie van bijslag naar leeftijd allerwege (ook door het kabinet in de memorie van antwoord) wordt erkend, gebeurt door de nu voorgestelde maatregel juist het omgekeerde.

Als gevolg van de sterke verhoging van het draaipunt -zo begreep men in de fractie van D'66 -heeft het nieuwe kabinet naar een andere wijze moeten zoeken om de omvang van het voordelig saldo van de invoering van de geïntegreerde regeling niette veel van de oorspronkelijke voorstellen te laten afwijken. Dit heeft geleid tot de gedachte om in de tweede fase voor studerende en invalide thuiswonende kinderen en zogenaamde «huishoudkinderen» de dubbele kinderbijslag voor 16-en 17-jarigen af te schaffen, hetgeen inderdaad een fikse bezuiniging oplevert. Zolang er geen sluitend stelsel van studiefinanciering is, vonden deze leden dat zeer onrechtvaardig. De bezuinigingen worden hierdoor op een vrij willekeurige categorie afgewenteld. Wanneer echter een deugdelijk stelsel van studiefinanciering voor deze groepen ingevoerd zal worden, betekent dat automatisch dat hierdoor het voordeel in de collectieve sector door deze tweede fase voor een groot deel weer teniet is gedaan, zodat dit uit dat oogpunt gezien weinig zoden aan de dijk zet.

De leden van de P.P.R.-fractie noemden het uiterst merkwaardig dat de Regering een uitstel van inkomenstoeneming met 2 jaar, waarbij het gaat om een bedrag tussen de f 3000 en f 4000 in totaal per kind, niet beschouwt als een achteruitgang in inkomen. Ook de argumentatie die de Regering voor het nemen van deze maatregel naar voren brengt, sprak deze leden niet aan. Deelt de Regering de opvatting dat kinderen omstreeks hun 15de è 16de jaar een zodanige ontwikkelingsfase intreden dat alleen al daardoor de onderhoudskosten als direct gevolg van studie aanwijsbaar hoger zijn dan de onderhoudskosten van kinderen in het algemeen? Moet de zinsnede die de Regering uit de memorie van toelichting bij het in 1957 ingediende wetsontwerp Algemene Kinderbijslagwet ontleent, niet ook worden gebezigd bij een beoordeling van de inkomenssituatie van gezinnen met studerende kinderen ten opzichte van gezinnen met werkende jongeren? Vreest de Regering niet dat het verminderen van de kinderbijslag voor deze groep van kinderen net die drempel zal opwerpen die er toe kan bijdragen dat kinderen in hun 16de en 17de levensjaar afzien van vormen van afsluitend of aanvullend onderwijs? Wil de Regering bij het beantwoorden van deze vraag met name ingaan op de gevolgen voor meisjes in die leeftijdsgroep, die naar men moet aannemen ernstiger zijn dan voor jongens? Welk onderzoek heeft de Regering verricht of laten verrichten om het effect van de voorgestelde maatregel op het volgen van onderwijs door 16-en 17-jarigen te kunnen nagaan en Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

acht de Regering deze effecten aanvaardbaar? In hoeverre zal het bezuinigingseffect van deze maatregel, weer worden teniet gedaan door werkloosheidsuitkering als gevolg van een grotere toeloop van jongeren tot de arbeidsmarkt? Wat de geplande besparingen van de tweede fase betreft, waren de verwachtingen bij de S.G.P.Ieden gematigd. Verwachten de bewindslieden niet een zodanige politieke en maatschappelijke druk gericht «op compensaties voor bepaalde categorieën» (vgl. memorie van antwoord blz. 5) bij voorbeeld uitbreiding van de studiefinanciering voor 16-en 17-jarigen dat de aangegeven ombuigingen voor een belangrijk deel weer teniet gedaan zullen worden? Zal niet tevens de druk toenemen om gelijktijdig de studiefinanciering afdoende te regelen? Hoe stellen zij zich voor in dat geval een verdeling te maken wat betreft de onderwijskansen voor de leeftijdsgroepen van 16 en 17 jaar enerzijds en de leeftijdsgroepen daarboven, anderzijds? Of gaat deze vraagstelling uit van een te stringent verband tussen de tweede en de derde fase, waarin toch de studiefinanciering gestalte moet krijgen?

Ten aanzien van de tweede fase die in de memorie van antwoord uiteen wordt gezet, en waarover de Kamer nog een nader wetsontwerp moet bereiken, hadden de leden van de C.P.N.-fractie grote bezwaren. Zij meenden dat niet voor niets in de bestaande kinderbijslagwet de leeftijdsgrens bij 16 jaar is gesteld. Immers, in dat jaar begint de schoolgeldplicht en moet een groot aantal scholieren beslissen of zij verder onderwijs zullen volgen of werk zullen gaan zoeken. Daarbij speelt de inkomenspositie van de ouders, en dus ook het al of niet verkrijgen van kinderbijslag een belangrijke rol. De leden nu aan het woord meenden dan ook dat aan het recht op kinderbijslag zoals dat nu bestaat op die leeftijdgrens, niet getornd dient te worden. Zij wilden dat benadrukken door op te merken dat juist in deze leeftijdsperiode, die de overgang naar volwassenheid markeert, de kosten van kinderen zeer snel toenemen. Op blz. 4 van de memorie van antwoord wordt de tweede fase besproken met vermelding van vier aspecten die van belang zijn. Het verbaasde het lid van DS'70 dat geen melding wordt gemaakt van -wat belangrijk is als men het kind zelf en zijn inkomen over zijn leven beziet -de verhouding tussen kinderen die na de leerplichtige leeftijd gaan werken en kinderen die een langere opleiding volgen. Voorts valt op dat als eerste aspect wordt genoemd «levert op korte termijn besparingen op». Besparingen voor wie? Ouders, kinderen, kinderbijslagfondsen, werkgevers, centrale overheid? In de derde noot onderaan pag. 4 wordt gesteld dat het om een eenmalige maatregel gaat, nl. voor degenen die in 1979 16 jaar worden. Is echter niet sprake van permanent werkende maatregelen voor een ieder die na 1962 is geboren? Op blz. 23, 2de alinea, van de memorie van antwoord komt naar aanleiding van gesignaleerde bezwaren tegen de twee-en drievoudige kinderbijslag en aftrek de laconieke eindconclusie voor «dat deze discussie beter met de bewindslieden van Onderwijs en Wetenschappen kan worden gevoerd». Ongetwijfeld -aldus merkte het DS'70-lid op -hebben deze bewindslieden bemoeienis met dit vraagstuk doch thans is tevens aan de orde welke gevolgen dit wetsontwerp heeft voor de financiering van de kosten van levensonderhoud na de leerplichtige leeftijd. Voorgesteld wordt in de twee-de fase de tweevoudige kinderbijslag te doen ingaan op 18-jarige leeftijd in plaats van 16-jarige leeftijd zodat er sprake is van uitstel van inkomenstoeneming. Het genoemde lid stond kritisch tegenover dit voorstel van de Rege-Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

ring nu zij niet tevens aangeeft dat op die leeftijd, waar veelal een keuze gemaakt moet worden tussen werken of lager beroepsonderwijs gaan volgen, de studiefinanciering een aanvang kan nemen, zodat gewaarborgd is dat deze groep niet in het gedrang komt.

Compenserende maatregelen voor bepaalde categorieën Indien de hierna aan te dragen aanvullende suggesties voor de inhoud van de tweede fase bij nadere beschouwing in het geheel niet bruikbaar zouden blijken te zijn, terwijl ook het te verwachten SER-advies geen andere oplossingen zou bieden zonder grotere en zwaarwegender problemen op te roepen dan tot nu toe zijn gesignaleerd, dan zou het naar de mening van de leden behorend tot de fractie van het C.D.A. toch bepaald dringend gewenst zijn compenserende maatregelen te treffen voor bepaalde categorieën. Deze leden dachten daarbij in het bijzonder aan de laagste en lagere inkomensgroepen, maar daarnaast ook aan de grotere gezinnen die veelvuldiger dan kleinere in de loop der jaren het uitstel van de verdubbeling van dekinderbijslag voor hun kinderen die de 16-jarige leeftijd gaan bereiken, zullen ondervinden. Alsmede aan gezinnen en verzorgers van kinderen die daarmee binnen betrekkelijk korte tijd meer dan eenmaal geconfronteerd worden. Gelet op de groepen die allereerst voor compenserende maatregelen in aanmerking komen, leek hen een wijziging in de schoolgeldregeling daarbij nauwelijks van enige betekenis te zijn. Veeleer waren zij geneigd daarbij te denken aan een ingrijpende herziening van de regeling tegemoetkoming studiekosten aan ouders van kinderen die voortgezet onderwijs genieten. Daarbij moet overigens wel bedacht worden dat de inkomensgrenzen van deze regeling veel lager liggen dan f 40 000. Hier zal zich dan ongetwijfeld in versterkte mate het probleem voordoen dat verhoogde tegemoetkomingen aan de ouders in belangrijke mate worden afgeroomd door belasting-en premieheffing. Dit geldt reeds bij de bestaande regeling met name in de vele gevallen waarin, ten einde de ouders in staat te stellen hun kinderen op enige afstand van de woonplaats adequaat vervolgonderwijs te doen volgen, die tegemoetkoming voor een niet onbelangrijk gedeelte bestaat uit een vergoeding van reiskosten. Zij herinnerden er daarbij aan dat terzake van dit probleem reed op 14 april 1977 door een tweetal leden van hun fractie schriftelijke vragen werden gesteld aan de Staatssecretarissen van Financiën en Onderwijs en Wetenschappen, welke vragen nog steeds niet beantwoord zijn. De leden behorend tot de C.D.A.-fractie hoopten dat in ieder geval bij deze gelegenheid een oplossing voor dat probleem, waarvan het effect vooral nadelig werkt in gezinnen waarvan de kinderen voor het voortgezet onderwijs soms vrij belangrijke reiskosten moeten maken, wordt bereikt. Aan welke bedragen denkt de Regering als zij bepaalde compenserende maatregelen overweegt? Ziet de Regering nog andere compensatiemogelijkheden dan door middel van wijziging in de schoolgeldregeling en de regeling tegemoetkoming studiekosten? Gelet op de door de Regering zelf beklemtoonde samenhang tussen de invoering van de eerste en tweede fase van de herstructurering van de kinderregelingen, achtten de hier aan het woord zijnde leden het verschaffen van zoveel mogelijk duidelijkheid op dit stuk reeds in dit stadium van de behandeling van het wetsontwerp van niet geringe betekenis.

Hoe staat het kabinet -zo werd door de fractie van de V.V.D. gevraagd -tegenover de afschaffing van de schoolgeldverplichting tot 18 jaar? Zou dit althans geen bijdrage in de verlichting van de door de afschaffing van meervoudige aftrek ontstane lasten kunnen zijn? Wat zou het budgettaire gevolg zijn van deze maatregel?

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

De leden van de P.P.R.-fractie vroegen de Regering terug te komen op de opmerkingen met betrekking tot het nieuwe stelsel van studiefinanciering. Zij nodigden de Regering uit om bij handhaving van de tweede fase van het wetsontwerp te voorzien in een aanvullende studiefinancieringsregeling voor kinderen tussen 16 en 18 jaar. De uitkomst hiervan zou mede van in-vloed zijn op hun uiteindelijke beoordeling van het wetsontwerp.

Alternatieve maatregelen

Zoals zij reeds eerder in dit verslag hadden aangegeven, meenden de leden behorend tot de fractie van het C.D.A. dat het, gelet op de thans door de Regering aangegeven concrete vormgeving van de tweede fase, bijzonder gewenst zou zijn toch nog te overwegen aan die fase een ten dele andere in-houd te geven. Daardoor zou dan een gemitigeerde dan wel getemporiseer-de invoering van het verschuiven van de verdubbeling respectievelijk verdrievoudiging van de kinderbijslag naarde 18-jarige leeftijd mogelijk worden, zonder per saldo het bedrag der vereiste besparingen binnen de kinderregeling wezenlijk aan te tasten. Zij spraken er hun waardering voor uit, dat de Regering blijkens de memorie van antwoord uitvoerig is ingegaan op de consequenties van de door hen in dat verband in het voorlopig verslag reeds geopperde mogelijkheden.

Eerste aanvullende suggestie Heeft de Regering echter ook overwogen of de door deze leden in het voorlopig verslag als eerste alternatief genoemde mogelijkheid de kinderbijslag voor het tweede kind -eventueel tijdelijk -te bevriezen in combinatie met een gedeeltelijke verschuiving van het uitstel van de verdubbeling, respectievelijk verdrievoudiging van de kinderbijslagen naarde 18-jarige leeftijd aan de door haar zelf ook reeds onderkende bezwaren tegen deze verschuN ving niet in belangrijke mate tegemoet kan komen? Zeker nu bij ongewijzig-de aanvaarding van het wetsontwerp in de eerste fase een inkomensverbetering optreedt voor de inkomens beneden het draaipunt van f 40 000 leek hun dit bepaald niet zonder belang. Kan bij benadering worden aangegeven wat voor de jaren 1979,1980 en 1981 de inkomenseffecten daarvan zouden zijn voor gezinnen met inkomens als vermeld in bijlage 1 van de memorie van antwoord en met behoud van het thans voor de eerste fase aangehouden draaipunt van f 40 000 indien de kinderbijslag voor het tweede kind gedurende het jaar 1979 bevroren zou blijven? Kan datzelfde ook worden aangegeven indien die bevriezing ook in 1980 zou voortduren? Welke besparing zou daarmee verkregen worden met het doel die te benutten om de thans voorgenomen verschuiving van de verdubbeling, resp. verdrievoudiging naar 18-jarige leeftijd te faseren dan wel te beperken tot de 17-jarige leeftijd is bereikt, dan wel op andere wijze te mitigeren?

Tweede aanvullende suggestie Voorts vroegen deze leden zich nog af of de Regering zich er wel voldoen-de van bewust is, dat de kinderbijslag altijd belangrijk minder is dan de werkelijke kosten per kind, hetgeen betekent dat de financiële druk op het gezin toeneemt naarmate het aantal kinderen stijgt. Zij vroegen zich af of daarin geen aanleiding kan worden gevonden de toeslag die in verband met de overheveling van het effect van de kinderaftrek naar de kinderbijslagen op die bijslagen wordt gegeven, eventueel gedeeltelijk, te benutten om de problemen die met betrekking tot deze herstructurering voor de grotere gezinnen in de tweede fase rijzen milder te maken. Zij dachten daarbij aan een beperking van de bij aanvaarding van het wetsontwerp te geven toeslag op de kinderbijslag voor het 1ste kind tot f 178,88 en die derhalve gelijkte doen zijn aan die voor het 2de en 3de kind. Daarbij zou dan vervolgens een toeslag op de bijslag voor het 4de, 5de en alle volgende kinderen worden toegekend van f 178,88 per kind. Kunnen Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 10

enige rekenkundige voorbeelden worden verstrekt inzake de mogelijke inkomenseffecten daarvan voor gezinnen met inkomens als vermeld in bijlage 1 van de memorie van antwoord, eveneens met behoud van het voor de eerste fase aangehouden draaipunt van f 40 000?

Derde aanvullende suggestie Indien de thans door de Regering gedachte inhoud van de tweede fase in-derdaad nogal ingrijpend aangepast zou moeten worden met alle financiële consequenties van dien, zou de vraag kunnen rijzen of geen verdere ingrijpende ombuigingen binnen de kinderbijslagregelingen nodig zijn. In dat geval wilden deze leden in herinnering roepen het door hen in het voorlopig verslag genoemde alternatief, te weten het aanpassen van de kinderbijslagen aan de prijsindex, dan wel aan de gemengde index. Ditmaal dan gelet op het positief effect wat aanvaarding van het thans voorliggende wetsontwerp in de eerste fase zal hebben op de inkomens beneden een draaipunt van f 40 000 en gelet op de mogelijkheid dat met -eventueel tijdelijke -gebruikmaking van dat middel eveneens mitigaties kunnen worden aangebracht in het voorstel om in de tweede fase de verdubbeling respectievelijk verdrievoudiging naarde 18-jarige leeftijd te verschuiven. Kunnen ook daar-van enige rekenvoorbeelden worden geproduceerd, uitgaande van een gematigde ontwikkeling van de prijsindex, respectievelijk de gemengde index, die een aanduiding geven van de inkomensontwikkeling voor gezinnen met inkomens als in bijlage 1 van de memorie van antwoord vermeld en met behoud van het draaipunt voor de eerste fase van f40000?

Vierde aanvullende suggestie De Regering merkt in de memorie van antwoord op, zo vervolgden de leden van de C.D.A.-fractie hun betoog, dat een differentiatie naar leeftijd verdedigbaar is en wel vanuit wat zij noemt de kosten-perkindtheorie. Vervolgens signaleert zij de mogelijke problemen die uitwerking van zo'n differentiatie kan geven. Deze leden wilden de Regering vragen of wellicht een systeem, waarin voor nieuwgeboren kinderen in de leeftijdscategorie van 0 jaar tot bij voor beeld 2 of 3 jaar een lagere bijslag wordt gegeven dan voor kinderen daarboven, de problemen met rangorde en dergelijke niet zou kunnen ondervangen. Aan die rangorde verandert dan immers niets. Alleen voor het kind dat in de bewuste leeftijdscategorie zit, wordt een lagere bijslag gegeven. Hoe denkt de Regering over zulk een opzet? Wil zij tevens aangeven of in zulk een benadering eventueel ruimte gevonden kan worden om voor 16-en 17-jarigende bijslag ietwat te verhogen? Aan welke bedragen zou men dan kunnen denken, stel dat de vermindering van de kinderbijslag aan de «leeftijdsvoet» bij voorbeeld zou leiden tot een niveau dat 50 of 75% bedraagt van het huidige?

Vijfde aanvullende suggestie Ten slotte vroegen de leden behorend tot de fractie van het C.D.A. zich af, of bezien tegen de ernst van de achtergrond van deze operatie door de Regering nog is overwogen de leeftijdsgrens van 26 jaar welke thans geldt voor het maken van aanspraak op kinderbijslag te herzien en enigermate terug te brengen. Welke besparingen zouden hieruit kunnen ontstaan, wederom ten einde de voorstellen met betrekking tot de tweede fase als thans voorgenomen, te mitigeren.

De leden van de V.V.D.-fractie hadden met veel belangstelling kennis genomen van de antwoorden van de bewindslieden in de memorie van antwoord naar aanleiding van een vijftal door de leden van de C.D.A.-fractie aangegeven alternatieve mogelijkheden om tot besparingen in de kinderbijslag te komen. Bevriezing van de kinderbijslag voor het tweede kind -een maatregel die 605 min. aan besparingen in 1981 oplevert -leek hun ondanks Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

de bezwaren van de bewindslieden nog steeds het overwegen waard. Ook vroegen zij zich af waarom het prijsindexeren van de kinderbijslagen -een maatregel die f 300 min. aan besparingen in 1981 oplevert -op zoveel bezwaren zou moeten stuiten. Dit is toch onder de gegeven omstandigheden van matiging over de gehele linie -zeker wanneer de maatregel allereerst voor een aantal jaren wordt overwogen, waarna aanpassing nog altijd mogelijk zou zijn -de minst ingrijpende, meest voor de hand liggende ombuigingsmaatregel in de kinderbijslagsector? Het argument dat automatische effecten op de kinderaftrek hier een rol zouden spelen doet merkwaardig aan, omdat het kabinet de kinderaftrek al in de eerste fase afgeschaft wenst te zien. Deze leden vroegen zich verder af of de tweede fase, zoals nu voorgesteld, niet aanvaardbaarder zou worden als reeds nu een aanvang werd gemaakt met differentiatie naar leeftijd. Deze leden dachten daarbij aan een begin van differentiatie naar leeftijd -zonder het rangordeprincipe voorlopig aan te tasten -door de 0-en 1-jarigen (die nu nog ongeboren zijn) op 50% van de geldende bijslag te brengenen de 16-en 17-jarigen (die nu nog 14 en 15 jaar zijn) op 150% van de geldende bijslag te brengen in plaats van volledige afschaffing van de meervoudige bijslag voor deze leeftijdscategorie. Hoe staan de bewindslieden tegenover deze gedachte? Wat betekent dit voor het uiteindelijke «ombuigings»bedrag?

Wellicht is het beter voor het bereiken van een echt voordeel in de collectieve sector dat niet teniet gedaan wordt door een compenserende maatregel elders -zo meenden de leden van de fractie van D'66 -de oorspronkelij ke voorstellen van het vorige kabinet met een draaipunt bij het modale inkomen als doelstelling te handhaven, en -wanneer de Regering dit voor de hogere inkomensgroepen een te grote schok vindt -deze doelstelling geleidelijk binnen een paar jaar te bereiken. Hiertoe zou het indexeringsmechanis me ten dele buiten werking gezet kunnen worden.

Op blz. 19 van de memorie van antwoord spreken de bewindslieden van bezwaren tegen bevriezing van de kinderbijslag. Met het oog op wel voorgestelde alternatieve bezuinigingsmogelijkheden kwam van S.G.P.-zijde de vraag welke waarde de bewindslieden hechten aan het argument dat bevriezing leidt tot vermindering van het vrij beschikbaar inkomen, hetgeen dan weer gecompenseerd wordt via een relatief grote loonstijging, ook voor werknemers zonder kinderen. Deze leden verwezen naar een artikel van Huizing en De Korte in ESB van 14 december 1977. Achten de bewindslieden het overigens mogelijk dat het genoemde mechanisme ook in omgekeerde zin werkt, zodat een verhoging van de kinderbijslag via de vergroting van het reëel beschikbaar inkomen van de modale werknemer tot een geringere loonstijging leidt, ook weer voor alle loontrekkenden? Welke invloed zou het voorgestelde opslagsysteem op de kinderbijslag zodoende kunnen hebben op de uitgaven van de collectieve sector (ambtenarensalarissen, geringere stijging minimumloon met de daaraan gekoppelde minima van de sociale verzekeringen)?

DE DERDE FASE

De leden van de C.D.A.-fractie merkten op, dat de Regering er terecht van uitgaat dat de eerste fase van de herstructurering van de kinderregelingen zo spoedig mogelijk gevolgd dient te worden door een aantal merkten de leden behorend tot de fractie van het C.D.A. op, dat de Regering maatregelen aangekondigd als de derde fase. Zulks is van grote betekenis Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

voorde noodzakelijke harmonisering en vereenvoudiging van de kinderregelingen in de sociale verzekeringswetgeving. Terecht signaleert de Regering reeds thans een aantal knelpunten welke daarbij zullen moeten worden opgelost. Hierbij zijn de belangrijkste: de gelijkschakeling van rechten en verplichtingen, waaronder met name de premieheffing, van de zelfstandigen met daaraan gekoppeld het verdwijnen van de speciale kinderbijslagvoorziening voor kleine zelfstandigen die thans geheel uit de algemene middelen wordt gefinancierd, alsmede de oplossing van het indexeringsprobleem. Deze leden zagen stellig de grote voordelen, verbonden aan een zo volledig mogelijke harmonisering van de kinderbijslagregelingen, maar zij wezen tegelijkertijd op de beslist niet te onderschatten problemen die dat met zich mee brengt voor wat het inkomensbeleid met betrekking tot de zelfstandigen betreft. Via de KKZ hebben de laagste inkomensgroepen onder hen een verworven recht op kinderbijslag krachtens een volledig uit de algemene middelen bekostigde wettelijke regeling. De gedachte dat recht zonder meer te doen verdwijnen en in plaats daarvan een algemene aanspraak mogelijk te maken, die dan echter gebaseerd is op een voor allen niet geringe premiedrukverzwaring, riep bij hen wel de nodige vraagtekens op. Reeds thans vroegen zij of uit de mededeling in de memorie van antwoord (blz. 6 aan het slot van de aan de derde fase gewijde beschouwingen) dat die derde fase zodanig moet worden gerealiseerd dat de gehele operatie (vrijwel) neutraal kan worden gefinancierd, moet worden afgeleid dat de bij opheffing van de KKZ vrijkomende algemene middelen zullen worden aangewend om die hogere premielast te mitigeren. Dat roept dan wel het bezwaar op dat zulk een tegemoetkoming, zagen zij het goed, alle zelfstandigen ten goede komt, terwijl uit de algemene middelen thans alleen de kinderbijslag voor de 1ste en 2de kinderen van de laagste inkomenstrekkers onder hen wordt gefinancierd. Hier kunnen nieuwe onevenwichtigheden ontstaan.

Overigens vroegen de hier aan het woord zijnde leden zich af of met de door de Regering gedachte fase de herstructurering van de kinderregelingen voorshands voltooid zal zijn. Zij dachten daarbij aan het probleem van de studiefinanciering voor studerenden in het HBO en universitair onderwijs en vroegen zich af of ook de repercussies die een nieuw systeem van studiefinanciering ongetwijfeld zal hebben op de kinderregelingen niet reeds thans in de beschouwingen dienen te worden betrokken. Gaat de Regering daarbij uit van de gedachte dat invoering van zulk een nieuw systeem met inachtname van de dan uit het vervallen van aanspraken op kinderbijslagen vrijkomende middelen zodanig dient te geschieden dat ook die operatie budgettair vrijwel neutraal verloopt? Van zeer grote betekenis voor hun uiteindelijke standpuntbepaling ten aanzien van de voor die derde fase te zijner tijd te verwachten wetsvoorstellen zou intussen voor hen zijn de inhoud van het in verband daarmee door de Regering nog te vragen SER-advies. In dat verband drongen zij erop aan, dat deze adviesaanvrage reeds zeer spoedig wordt gedaan, zodat de leden van de Sociaal-Economische Raad voldoende gelegenheid zullen hebben voor een doordachte en evenwichtige meningsvorming en in staat zullen zijn mee te werken aan een zo tijdig uitbrengen van dat advies, dat niet door tijdnood gedwongen de maatregelen betrekking hebbende op de derde fase naar een later tijdstip dan 1 januari 1980 moeten worden verschoven.

De leden van de V.V.D.-fractie merkten op, dat wanneer de eerste en twee-de fase in de nu voorgenomen vorm gerealiseerd zouden worden, het kinderbijslagsysteem er niet eenvoudiger op wordt. De ontvangers van kinderbijslagen krijgen opslagen, de kinderbijslag voor het eerste kind blijft bevroren, de bijslagen voor tweede en volgende kinderen zijn loongeïndexeerd, de nieuwe opslagen worden vastgesteld aan de hand van de jaarlijkse optrekking van de belastingvrije voet en er bestaat kinderaftrek voor de eerste twee kinderen van zelfstandigen en voor enkele andere categorieën. En dat alles in het kader van de vigerende kinderbijslagwetten: AKW, KWL, KKZ en KTO.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

Een dergelijke situatie zou terecht om harmonisering vragen. Maar waarom zouden wij het zo ver moeten laten komen? Dit alles zou toch veel eenvoudiger en doorzichtiger blijven als in de allereerste plaats de kinderaftrek niet op de helling werd gezet? Wat is er eenvoudiger en doorzichtiger, ook wat de uitvoering betreft, dan het systeem van de fiscale kinderaftrek? Bovendien blijft, zoals door deze leden eerder werd betoogd, de integriteit van ons belastingstelsel dan gehandhaafd. Nu wordt het straks zo, dat de kinderaftrek voor de loontrekkenden wordt afgeschaft met daarvoor in de plaats een systeem van opslagen; dat daardoor de zelfstandigen nog sterker in een speciaal daglicht komen te staan; dat dus de roep om harmonisering nog luider wordt; dat vervolgens ook de kinderaftrek voor zelfstandigen moet verdwijnen en deze groep -met name de zelfstandigen zonder kinderen en KKZ"Zelfstandigen -plotseling geconfronteerd wordt met een zware premielast. Is dit niet de wereld op zijn kop zetten? Uit bijlage 2 blijkt overduidelijk welke nadelen bij de (kleine) zelfstandigen als gevolg van afschaffing van de kinderaftrek en invoering van premieheffing kunnen optreden. Deze leden verwachten hier aanzienlijke moeilijkheden. Wat betreft de derde fase vroegen deze leden zich ook af of deze wel volledig uitgevoerd kan worden zonder daarin het probleem van de studiefinanciering te betrekken. Van harmonisering van de diverse «brokstukken» van het systeem kan toch geen sprake zijn wanneer ook de bijslagsituatie van de boven-17-jarigen daarin niet wordt meegenomen? Ook vroegen deze leden aan de bewindslieden hoe groot zij de kans achten dat bij voortgaande integratie van de nieuwe opslagen in de normale kinderbijslagen, zoals voorgenomen ten tijde van de derde fase, de achtergrond van de gehele kinderaftrek/kinderbijslagoperatie op den duur verloren zal gaan. Zou dat er weer niet toe kunnen leiden dat men later besluit tot overeenkomstige premieverhoging ten laste van de gezinnen, zelfstandigen en/of werkgevers? Zou deze gehele operatie daardoor niet een dubbele verzwaring van de collectieve lasten kunnen uitlokken, eerst via de weg van de belastingdrukverhoging (als gevolg van de afschaffing van de aftrek) en later nog eens via de weg van de premieverhoging (omdat de verhoogde kinderbijslagen niet meer kostendekkend genoeg blijken)? Uit het oogpunt van vergelijking van de kostensituatie van gezinnen bij verschillende inkomensniveaus, bij verschillende gezinssamenstellingen bij verschillende leeftijden van de kinderen leek het deze leden tenslotte van groot belang om over voldoende gegevens te beschikken. Delen de bewindslieden deze behoefte aan voldoende gegevens over een ruim scala van gezinsbudgetsituaties? Zijn zij bereid daartoe ook onderzoeken -voor zover die niet reeds gaande zijn -in gang te zetten? Deze leden waren nl. van mening dat de derdefaseharmonisering niet de noodzaak wegneemt om op den duur toe te groeien naar een geheel nieuwen rationeel stelsel van kinderbijslagvoorziening dat zijn toepassing zal moeten vinden op nog niet verwekte kinderen.

De leden van de fractie van D'66 waren verheugd over het regeringsvoornemen in de derde fase de rechten van de zelfstandigen op kinderbijslag voor eerste en tweede kinderen gelijk te trekken met die van werknemers.

De leden van de P.P.R.-fractie konden zich vinden in de doelstelling te komen tot een uniform en doorzichtig kinderbijslagsysteem. Zij vroegen daarbij nog of de Regering niet van oordeel is dat een systeem met een voor ieder gelijke doch belastbare kinderbijslag in beginsel aan dit streven tegemoet kan komen. Daarbij wilden zij niet onopgemerkt laten dat zij in de verdere toekomst het kinderbijslagsysteem zagen als een van de uitgangspunten voor het realiseren van een basisinkomen voor iedereen binnen een Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

inkomenspolitiek stelsel waarin ook maximuminkomen etc. een rol spelen. Dit paste in hun streven naar een individualisering zowel in het sociaal verzekeringsstelsel als in het fiscale stelsel. Deze leden meenden dat daaraan onder meer op grond van overwegingen met betrekking tot de emancipatie van de vrouw niet te ontkomen zal zijn.

In de derde fase wordt uitgebreid gesproken over indexering. Zou het -zo vroeg het D.S.'70-lid -niet de voorkeur verdienen de mogelijkheid te overwegen -in het licht van een beleid dat de inflatie wil beëindigen terwijl er weinig ruimte is voor reële inkomensverbetering -deze indexering af te schaffen? Men kan toch via wijziging van bestaande wetten ook tarieven of bedragen herzien?

BIJZONDERE GROEPEN

Alimentatieplichtigen Met voldoening constateerden de leden behorend tot de fractie van het C.D.A. dat de Regering bij nota van wijziging een oplossing heeft aangebracht voor de problemen welke bij invoering van het voorliggende wetsontwerp zouden kunnen ontstaan voor alimentatieplichtigen. Wel vroegen zij zich af of de voorgestelde oplossing wel de ideale kan worden genoemd waar zij toch min of meer in strijd is met de gedachte dat het kind centraal dient te worden gesteld ongeacht in welk verband of inkomensgroep. Deze thans gekozen oplossing maakt het stellig moeilijker om t.z.t. tot directe uitbetaling van de kinderbijslag aan de verzorgende ouder over te gaan. Is nog overwogen een directe vermindering van de overeengekomen of bij rechterlijke uitspraak opgelegde alimentaties mogelijk te maken tot een bedrag gelijk aan de uit deze wet volgende toeslagen op de kinderbijslagbedragen?

De leden van de V.V.D.-fractie en de P.P.R.-fractie spraken ook nog hun waardering uit voor de aandacht die de positie van de alimentatieplichtige heeft gekregen in de memorie van antwoord. Zonder een corrigerende maatregel zou de alimentatieplichtige nl. zijn kinderaftrek verliezen, terwijl de opslag van de kinderbijslag ten goede zou komen aan de verzorgende ouder. Deze leden vonden het dan ook billijk dat de nieuwe bepalingen op dit punt tot gevolg hebben dat de voorgestelde opslag op de kinderbijslag niet behoeft te worden doorgegeven aan de verzorgende ouder, waarmee de financiële positie van de tot onderhoud verplichte partij niet wordt aangetast.

Ambtenaren Op blz. 24 van de memorie van antwoord wordt onder het kopje «Zelfstandigen» medegedeeld dat het de bedoeling is om per 1 januari 1980 te komen tot gelijke rechten voor ambtenaren en loontrekkenden. Betekent dit -zo werd van D.S.'70-zijde gevraagd -dat de kindertoelageregelingoverheidspersoneel wordt ingetrokken? Op diezelfde pagine staat onder het kopje «Ambtenaren» juist dat die regeling blijft bestaan. Vindt over intrekking van de toelage overleg plaats met de ambtenarenbonden?

Ouders/verzorgers met pleegkinderen De leden behorend tot de fractie van het C.D.A. meenden bovendien nog de aandacht van de Regering te moeten vestigen op de situatie waarin ouders/verzorgers met een of meer pleegkinderen in een aantal gevallen ten Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

gevolge van aanvaarding van dit wetsontwerp kunnen komen te verkeren. Voor een deel van deze pleegkinderen wordt geen of voorshands nog geen kinderbijslag genoten, maar kan wel aanspraak gemaakt worden op kinderaftrek. Het vervallen van de kinderaftrek heeft voor deze ouders vrijwel hetzelfde effect als, zou hiervoor bij de ingediende nota van wijziging geen oplossing zijn gevonden, ten aanzien van alimentatieplichtigen. Is hiervoor wellicht een oplossing aan te dragen door de Regering?

Onvolledige gezinnen

De leden behorend tot de fractie van het C.D.A. vroegen zich nog af, of niet diende te worden overwogen, bij deze gelegenheid, de belastingvrije som voor onvolledige gezinnen, resp. ongehuwden boven 35 jaar, die aanspraak maken op kinderaftrek, gelijk te doen zijn aan die voor volledige gezinnen. Ter verduidelijking van hun vraag wezen zij erop, dat een volledig gezin met één kind voor kinderaftrek thans een belastingvrije som heeft van f 9599 + f 1086 = f 10685. Voor een onvolledig gezin met een kind bedraagt deze f7488 + f3197, derhalve eveneens f 10685. Zou hier nu een harmonisatie kunnen plaatsvinden, dan zou in het laatste geval de kinderaftrek tot het normale bedrag van f 1086 kunnen worden teruggebracht. Bij aanvaarding van dit wetsontwerp zou de kinderaftrek dan ook in deze gevallen verdwijnen en vervangen kunnen worden door de vastgestelde toeslag op de kinderbijslag.

Grensarbeiders De leden behorend tot de fractie van het C.D.A. merkten, kennis nemend van hetgeen daarover in de memorie van antwoord wordt gesteld en van de antwoorden op de betreffende schriftelijke vraag van leden van de fractie van de P.v.d.A. nog op, dat het hun wilde voorkomen, dat de positie van de grensarbeiders die kindergeld genieten krachtens een buitenlandse wet, f iscaal toch niet bevredigend geregeld is. De hun verleende hogere kinderaftrek, ex artikel 53, vierde lid, letter a van de wet I.B. biedt voor vele gevallen slechts zeer ten dele soelaas. Zij zouden het op prijs stellen te vernemen wat de bezwaren zouden zijn indien het door grensarbeiders werkend in omringende landen, maar in Nederland woonachtig, ontvangen Belgisch, resp. Duits kindergeld belastingvrij zou worden gemaakt voor de inkomstenbelasting. Daarbij zou dan vanzelfsprekend de in die gevallen toegestane hogere kinderaftrek dienen te vervallen.

DIVERSE KWESTIES

De leden van de P.v.d.A.-fractie achtten het gepast in het kader van het onderhavige wetsontwerp een zeer naliggende kwestie aan de orde te stellen. De kinderaftrek wordt vervangen door verhoging van de kinderbijslag. Zou het niet logisch zijn, met het oog op de inkomensverdeling en de beperktheid der collectieve middelen, ook de bejaardenaftrek te vervangen door verhoging van het algemene ouderdomspensioen? Wil de Regering op analoge wijze de inkomens-en budgettaire effecten daarvan onderzoeken?

De leden van de fractie van D'66 vroegen of de Regering bereid is ter wille van de vereenvoudiging van ons sociale zekerheidsstelsel de aparte premieheffing voor de kinderbijslagen af te schaffen door de vereiste heffingen op te nemen in de tabellen van de loon-en inkomstenbelasting en/of bedrijfsbelastingen. Problemen van premieheffing voor een deel van de zelfstandigen kunnen hierdoor geheel of grotendeels opgelost worden.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

Met de tijdige beantwoording van bovenstaande vragen en opmerkingen zal naar de mening van de bijzondere commissie de openbare behandeling van dat wetsontwerp voldoende zijn voorbereid. Zij behoudt zich zelf echter de mogelijkheid voor om na kennisneming van de nota naar aanleiding van dit verslag en vóór de openbare behandeling nog een mondeling overleg te voeren met de Regering.

De voorzitter van de commissie. Dolman De griffier van de commissie, De Beaufort Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 10

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.