Memorie van antwoord - Vervanging van kinderaftrek van de loon- en inkomstenbelasting door verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Algemene Kinderbijslagwet voor het jaar 1977

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 7

MEMORIE VAN ANTWOORD

INHOUDSOPGAAF

Algemeen

Beantwoording vragen uit het voorlopig verslag:

De vroegere stukken zijn gedrukt in de zitting 1976-1977

  • • 
    Inleiding • Het karaktervan het voorstel als «besparing». Andere één-procentsmaatregelen in de sociale sfeer/Fiscale aspecten; het draagkrachtbeginsel • Desocialezekerheidsaspecten • Inkomenspolitieke aspecten • Alternatieve mogelijkheden tot besparingen bij de kinderbijslagregelingen • Het budgettair effect; de keuze van het draaipunt • Bijzondere groepen • De tekst van de wet • Ingangsdatum ALGEMEEN Aan het op 27 oktober 1976 ingediende wetsontwerp lag de gedachte ten grondslag dat de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek een eerste fase zou zijn van een verdere herstructurering van kinderbijslag en kinderaftrek. Deze verdere herstructurering is in grote lijnen verwoord in de Nota over het te voeren beleid ter zake van collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid (gedrukte stukken nr. 13951) en had als centraal element het oogmerk om in de tweede fase te komen tot inkomensafhankelijke kinderbijslagen. De eerste en de tweede fase van de herstructurering werden gezien als een samenhangend geheel. Nadere overweging heeft ons doen besluiten af te zien van inkomensafhankelijkheid van kinderbijslagen. Wij menen namelijk dat een stelsel van in-komensafhankelijke kinderbijslagen, waarbij de kinderaftrek uitsluitend zou bestaan in het belastingvrij zijn van die bijslagen, een te rigoureuze aantasting van het fiscale draagkrachtbeginsel zou betekenen. Nadere bestudering heeft bovendien uitgewezen dat de uitvoering van een dergelijk systeem bij-

9 vel

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

zonder gecompliceerd is, terwijl wij juist vereenvoudiging van de sociale zekerheid en de belastingheffing een bijzonder waardevol goed achten. Ten slotte zou inkomensafhankelijkheid van kinderbijslagen, in samenhang met de beoogde ombuigingen, naar ons oordeel de inkomenspositie van middengroepen te zeer aantasten. Om deze drie redenen menen wij dat moet worden afgezien van de plannen om tot inkomensafhankelijke kinderbijslagen te komen, en dat daarvoor andere maatregelen in de plaats dienen te worden gesteld. Wel stellen wij voor de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek op de kortst mogelijke termijn doorgang te doen vinden, zij het met een hoger draaipunt dan in het wetsontwerp is voorzien. Hiertoe wordt bij dezen een nota van wijziging ingediend. De thans aan de orde zijnde herstructurering van de kinderbijslag en kinderaftrek zal naar onze opvatting moeten bestaan uit drie fasen. Ten einde het parlement in de gelegenheid te stellen zich een oordeel te vormen over de herstructurering in haar totaliteit volgt hier een uiteenzetting van de drie fasen van de herstructurering, zoals deze de Regering thans voor ogen staan. Het effect van de maatregelen is zoveel mogelijk gekwantificeerd weergegeven. De ramingen bevatten vrij grote onzekerheidsmarges, die in-herent zijn aan dit soort ramingen. Bovendien moesten de ramingen, bij gebrek aan recentere gegevens, worden gebaseerd op de sociale meerjarenramingen 1978 (dd. september 1977).

Eerste fase

De eerste fase bestaat uit integratie van kinderbijslag en kinderaftrek conform het ingediende wetsontwerp, dat wil zeggen dat de restantkinderaftrek wordt vertaald in een opslag op de kinderbijslag. Als draaipunt wordt evenwel niet het modale inkomen aangehouden, doch een bruto-inkomen van f40 000.1 Als ingangsdatum wordt voorgesteld 1 oktober 1978. Het gewijzigde wetsontwerp strekt tot vervanging van zowel de kinderaftrek voor het vierde kalenderkwartaal van 1978 als van de kinderaftrek voor het jaar 1979 en heeft dus betrekking op de kinderaftrek van vijf kwartalen. Realisering van de eerste fase per 1 oktober 1978 is alleen mogelijk indien het wetsontwerp vóór het zomerreces door de Tweede Kamer is behandeld. De voor de verdere uitwerking in beschouwing te nemen kinderaftrekbedragen luiden voor 1978 op jaarbasis als volgt:

1 kind

f 1086 2 kinderen

f 1645 3 of meer kinderen

f 2203

De belastingvermindering per jaar als gevolg van de kinderaftrekregeling voor een werknemer met een inkomen van f 40 000 (marginaal belastingpercentage van 32) kan aan de hand van de bovengenoemde bedragen worden bepaald op:

eerste kind

f 347,52 tweede kind

f 178,88 derde kind

f 178,56

1 In cijfers 1978, voor de jaren na 1978 is gerekend met aanpassing van het draaipuntinkomen van f 40 000 op basis van de ontwikkeling van de belastingvrije voet van de inkomstenbe lasting. 2 Ten einde de bedragen voor de kinderbijslag hanteerbaar te maken, hebben zodanige af rondingen plaatsgevonden, dat de kwartaalbedragen door 78 deelbaar zijn.

Aangezien de omzetting van kinderaftrek in kinderbijslag plaats moet vinden over vijf in plaats van vier kwartalen, dienen deze bedragen nog met een kwart te worden verhoogd. Om analoge redenen als vermeld in de memorie van toelichting op dit wetsontwerp, zullen de aldus verhoogde bedragen worden uitgekeerd over zes kwartalen. Het recht op de opslagen zal namelijk niet ingaan op 1 oktober 1978 doch reeds op 1 juli 1978. Per kwartaal zal op basis van de kinderaftrek 1978 worden uitgekeerd voor het eerste, tweede en derde kind resp. f 72,54, f 37,44 en f37,442.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

Deze kwartaalbedragen zullen bij beschikking worden herzien zodra de omvang van de te vervangen kinderaftrek voor 1979 bekend is. Alsdan zullen de bedragen worden berekend door de belastingvermindering uit hoofde van de som van een kwart van de kinderaftrek 1978 en de gehele kinderaftrek 1979 te verdelen over zes kwartalen. In de bij deze memorie behorende nota van wijziging is hiertoe een machtigingsbepaling opgenomen. De maatregel heeft positieve inkomenseffecten voor degenen met een marginaal belastingpercentage dat lager is dan 32 en negatieve inkomenseffecten voor degenen met een marginaal belastingpercentage dat hoger is dan 32. In onderstaande tabel is de grootte van het effect op de Rijksbegroting aangegeven zowel bij een draaipuntinkomen van f 29900 (modale werknemer), als bij een draaipuntinkomen van f 40000. Daaruit blijkt dat dit effect bij die twee draaipunten in 1981 gelijk is. Dit geldt ook voor de inkomenseffecten. In 1979 zijn deze bij het hogere draaipunt echter geringer; de positieve inkomenseffecten zijn groter terwijl de negatieve inkomenseffecten kleiner zijn (bij bijlage 1). Dat in dit geval -ongeacht de keuze van het draaipunt -de effecten in 1979 ongelijk zijn en in 1981 gelijk, wordt veroorzaakt door de omstandigheid,datde kinderaftrek bij het modale inkomen zich in 1979 ten dele inde 26 %-schijf van het tarief van de inkomstenbelasting bevindt, hetgeen in 1981 niet meer het geval is. Het hogere draaipunt is gekozen om de maatregel in zijn inkomenseffecten met name voor middengroepen een geleidelijker karakter te geven.

Effecten op de rijksbegroting in min. guldens

Transactiebasis

Begrotingsbasis

1978

1979

1981

1978

1979

1981

Draaipunt: f 29900 f 40 000

6550

27523 5

30030 0

-120 -130

455415

30030 0

In bijlage 3 zijn de bovenstaande ombuigingsbedragen nader gespecificeerd. Het voorstel tot integratie houdt in dat de restantkinderaftrek wordt vervangen door belastingvrije kinderbijslag (opslagen). Dit betekent dat de totale kinderaftrek (vóór integratie bestaande uit een belastingvrijdom ter grootte van de belastingvrije kinderbijslag en restantkinderaftrek) na de integratie voor werknemers met kinderen wordt beperkt tot de belastingvrijdom van de verhoogde kinderbijslag. Ter toelichting diene nog het volgende. Bij de discussie rond de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek speelt het aan de inkomstenbelasting ten grondslag liggende draagkrachtbeginsel een belangrijke rol. Met het oog op de draagkracht van een gezin zijn thans van betekenis: -de te ontvangen -onbelaste -kinderbijslag; -de restantkinderaftrek; deze restantkinderaftrek -de grootte daarvan hangt nauw samen met de stijging van de kinderbijslag -vermindert de hoogte van de te betalen inkomstenbelasting.

Voorgesteld wordt om de belastingvermindering, die het gevolg is van de thans geldende restantkinderaftrek, te vervangen door een verhoging van de onbelaste kinderbijslag. Daarvoor wordt als basis genomen het bedrag aan belastingvermindering bij het draaipuntinkomen van f 40 000. Dit bedrag aan belastingvermindering zal vervallen en in het voorstel worden gevoegd bij het bedrag van de bestaande -reeds onbelaste -kinderbijslag. De inkomens boven het draaipunt verkrijgen thans op grond van de huidige restantkinderaftrek méér belastingvermindering door de progressiewerking van de inkomstenbelasting; de inkomens beneden het draaipunt krijgen onder het thans vigerende regime een kleinere belastingvermindering dan degenen die het draaipuntinkomen hebben.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Voor zover de onder het voorstel te ontvangen opslag op de kinderbijslag lager is dan de huidige belastingvermindering door de restantkinderaftrek (d.i. het geval bij inkomens boven het draaipunt) is er dus sprake van een vermindering van beschikbaar inkomen in de vorm van meer belasting. Zou de restantkinderaftrek (aftrekpost op het inkomen) op dezelfde basis zijn omgebouwd in een gelijke belastingaftrek per kind dan zou netto dezelfde vermindering van beschikbaar inkomen zijn opgetreden. In dat geval zou de onbelaste kinderbijslag niet zijn verhoogd maar zou de belastingvermindering, die het gevolg is van de restantkinderaftrek -door de omzetting in een belastingaftrek -voor de inkomens boven het draaipunt minder zijn geworden. Met het bovenstaande is tevens gezegd dat het wegvallen van de kinderaftrek het karakter heeft van een belastingmaatregel en dat het integratievoorstel leidt tot extra middelen voor de collectieve sector. Het integratievoorstel levert echter toch een bijdrage aan de ombuigingsoperatie. Immers, er worden voor de realisering van de doelstellingen van de ombuigingsoperatie per saldo middelen vrijgemaakt.

Tweede fase

Voor studerende en invalide thuiswonende kinderen en zogenaamde huishoudkinderen, die na 31 december 1962 zijn geboren en die dus na 31 december 1978 16 jaar worden, wordt voorgesteld het eventuele rechtop tweevoudige kinderbijslag niette doen ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 16 jaar, maar bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dit impliceert dat voor dezelfde categorie, doch uitwonend, het eventuele recht op drievoudige kinderbijslag eerst ingaat bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. De omvang van dit onderdeel van de ombuiging blijkt uit de onderstaande tabel.

Ombuigingen in min. guldens

1979

170 1981

820

De voorgestelde maatregel leidt er niet toe, dat iemand er in inkomen op achteruitgaat. Wel vindt er -voor de duur van twee jaar -een uitstel van een inkomenstoeneming plaats. Deze inkomenstoeneming die anders zou plaatsvinden als het kind de 16-jarige leeftijd bereikt, vindt nu eerst plaats als het kind 18 jaar wordt. Hierbij gaat het om een bedrag van gemiddeld f 1680 (basis 1 januari 1978) per jaar gedurende twee jaren. Het feitelijke bedrag is afhankelijk van de rangorde van de kinderen (bijvoorbeeld 2de kind: f 1517, 4de kind f 1788, 6de kind f 1978). Bij deze maatregel zijn vier aspecten van belang: a. hij levert op betrekkelijk korte termijn besparingen op, zonder dat er sprake is van feitelijke vermindering van inkomens; b. hij leidt tot vereenvoudiging van de kinderbijslagwetgeving; c. hij leidt tot een logischer opzet op het gebied van de meervoudige kinderbijslagwet; d. hij laat de situatie ten aanzien van studerende kinderen van 18 jaar en ouder onverlet. De huidige opzet van de kinderbijslag voor studerende kinderen is als volgt: -voor niet-thuiswonende studerende kinderen bestaat een mogelijkheid van kinderbijslag voor één kind extra; -voor thuiswonende studerende kinderen vanaf 16 jaar bestaat een mogelijkheid van kinderbijslag voor één kind extra. Deze extrabijslagen cumuleren zodat voor niet-thuiswonende studerende kinderen vanaf 16 jaar een mogelijkheid bestaat van drievoudige kinderbijslag.

3 Bij deze formulering gaat het om een éénmalige maatregel namelijk om de kinderen die in 1979 16 jaar en dus in 1980 17 jaar worden. Formuleert men de maatregel in leeftijden in plaats van in geboortedata dan kunnen per 1 januari 1979 de 16-jarigenen per 1 januari 1980 de 17-jarigen worden uitgesloten; materieel gaat het evenwel om dezelfde maatregel. 4 Kinderbijslagen (AKW, KWL, KKZ en KTO) en opslagen, alsmede de alsdan nog bestaan-de kinderaftrek voor bijzondere categorieën.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Tot 1 januari 1963 bestond alleen de mogelijkheid van enkelvoudige kinderbijslag voor kinderen van werknemers en kleine zelfstandigen; meervoudige kinderbijslagen bestonden niet. Met ingang van 1 januari 1963 werd de mogelijkheid van tweevoudige kinderbijslag geopend voor studerende kinderen van 16 tot 27 jaar. Voor uitwonende studerende kinderen beneden de 16 jaar is met ingang van 1 juli 1965 het recht op tweevoudige kinderbijslag ingevoerd en op 1 januari 1966 de mogelijkheid van drievoudige kinderbijslag voor studerenden van 16 tot 27 jaar. De leeftijdsgrens van 16 jaar voor tweevoudige kinderbijslag is betrekkelijk willekeurig. De motivering werd gevonden in de omstandigheid dat «onderhoudskosten als direct gevolg van studie aanwijsbaar hoger zijn dan de onderhoudskosten van kinderen in het algemeen»5. Bij deze motivering past eigenlijk niet de leeftijd van 16 jaar omdat deze midden in de middelbare schoolperiode valt. De als zodanig aan te merken extraonderhoudskosten beginnen öf bij de aanvang van het middelbaar onderwijs (ca. 12 jaar) öf bij de aanvang van het tertiair onderwijs (ca. 18 jaar). Een verlaging van de hierbedoelde leeftijdsgrens van 16 jaar is indertijd door de Regering afgewezen op grond van de hoge collectieve lasten en de omstandigheid dat de schoolgeldplicht bij 16 jaar begint. Het verschuiven van de leeftijdsgrens voor tweevoudige kinderbijslag van 16 naar 18 jaar is nimmer aan de orde geweest. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het verschil in behandeling tussen enerzijds kinderen van 12 t/m 15 jaar en anderzijds kinderen van 16 en 17 jaar ten aanzien van de tweevoudige kinderbijslag niet behoeft te worden gehandhaafd. Deze ongelijke behandeling kan op twee manieren worden opgeheven, nl. door voorde eerste groep ook tweevoudige kinderbijslag te geven of door voor de laatste groep geen tweevoudige kinderbijslag meer te geven. In het kader van de beperking van de groei van de collectieve lasten ligt de tweede keuze voor de hand. De maatregel zal in bepaalde situaties beperking van onderwijskansen tot gevolg kunnen hebben. Dit zal zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Wellicht geeft dit aanleiding tot compensaties voor bepaalde categorieën. Eventueel zullen hieromtrent voorstellen worden gedaan na afweging in het kader van het totale ombuigingspakket. De Regering heeft zich voorgenomen nog voor het zomerreces een wetsontwerp in te dienen om de tweede fase van de herstructurering per 1 januari 1979 te effectueren. Heden is aan de SER advies gevraagd over dit voorstel. De Regering wil er hierbij geen onduidelijkheid over laten bestaan, dat naar haar mening de invoering van de eerste en de tweede fase nauw samenhangende maatregelen zijn, noodzakelijk als onderdeel van de ombuigingsoperatie.

Derde fase

De derde fase zal bestaan uit maatregelen die een logisch gevolg zijn op de eerste fase. Na de eerste fase bestaat per 1 januari 1980 de volgende situatie: -verreweg het grootste deel van de ingezetenen met kinderen ontvangt kinderbijslag met opslagen; -doordat de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek ten aanzien van het indexeringssysteem uitging van ongewijzigd beleid, is het indexeringssysteem als volgt: • kinderbijslag eerste kind: bevroren • kinderbijslag tweede en volgende kinderen: loonindexering • opslag eerste kind: neemt toe meteen percentage dat ligt boven de jaarlijkse bijstelling van de belastingvrije voet van de inkomstenbelasting • opslag tweede en derde kind: neemt toe met een percentage dat ergens ligt beneden de jaarlijkse bijstelling van de belastingvrije voet van de inkomstenbelasting. . Memorie van toelichting op het op 26 oktober " de kinderaftrek bestaat nog voor de eerste twee kinderen van zelfstandi-1957 ingediende wetsontwerp AKW biz. 29.

gen, de gemoedsbezwaarden, gescheiden vrouwen, grensarbeiders.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

De harmonisering van deze situatie vraagt tijd en zal eerst per 1 januari 1980 in maatregelen kunnen resulteren. Per 1 januari 1980 zullen geen aparte opslagen meer moeten worden gegeven, doch alleen kinderbijslagen incl. opslagen. Dit vereist aanpassing van de indexering, waarbij enerzijds de ombuigingen niet mogen worden aangetast, anderzijds zoveel mogelijk uniformiteit dient te ontstaan. De nog resterende kinderaftrek zal zo enigszins mogelijk moeten worden afgeschaft, ten einde tot een uniform en doorzichtig kinderbijslagsysteem te komen. Hiermee zal gepaard moeten gaan het invoeren van kinderbijslag voor de eerste twee kinderen van zelfstandigen (zie bijlage 3). De derde fase zal zodanig moeten worden gerealiseerd dat de gehele operatie (vrijwel) neutraal kan worden gefinancierd.

Knelpunten Het is welhaast onvermijdelijk, dat er bij een zo ingrijpende operatie als de herstructurering van de kinderbijslag en kinderaftrek, een operatie die volgens deze opzet een ombuiging van meer dan f 1 mld. zou betekenen, knelpunten optreden. In de eerste fase kan als knelpunt worden beschouwd de omstandigheid dat de beschikbare inkomens van middengroepenzij het overigens in beperkte mate -worden verminderd. Hieraan is tegemoetgekomen door -anders dan aanvankelijk in de bedoeling lag -het draaipunt te verschuiven naar f40000 (bruto), waardoor de voor middengroepen nadelige inkomenseffecten geleidelijk optreden. De tweede fase geeft wellicht, zoals gezegd, aanleiding tot compensaties voor bepaalde categorieën. Hieromtrent zullen eventueel voorstellen worden gedaan na afweging in het kader van het totale ombuigingspakket. De derde fase vormt een conglomeraat van maatregelen, die op dit ogenblik nog niet kunnen worden uitgewerkt. Bij die uitwerking zal een aantal knelpunten te voorschijn komen. Voor een deel is thans al wel duidelijk waar de knelpunten liggen. Gemoedsbezwaarden bij voorbeeld hebben thans verhoogde kinderaftrek en zijn principieel tegen het ontvangen van kinderbijslag. Voorts treden bij de gescheiden vrouwen en de grensarbeiders complicaties op. Bijzondere knelpunten treden op bij de zelfstandigen als gevolg van de premieheffing en voorts vooral bij de kleine zelfstandigen. Deze ontvangen thans kinderbijslag voor de eerste twee kinderen op grond van de KKZ en genieten daarnaast -evenals de zelfstandigen die geen rechten aan de KKZ kunnen ontlenen -een verhoogde kinderaftrek. De inkomenseffecten van de integratie voor kleine zelfstandigen zijn weergegeven in bijlage 2. Hieruit blijkt dat voor sommige categorieën de negatieve inkomenseffecten aanzienlijk kunnen zijn. Compensaties om geleidelijk de nieuwe situatie te bereiken, lijken hier welhaast onvermijdelijk. De derde fase houdt onder meer in de oplossing van het indexeringsprobleem. Uiteraard is het in theorie mogelijk een wijze van indexering te ontwerpen waarbij rekenkundig de positieve en negatieve financiële effecten elkaar macro juist in evenwicht houden. Een nieuw indexeringssysteem moet echter aan een aantal andere eisen voldoen, zoals billijkheid, uniformiteit, geënt zijn op bestaande indexcijfers en rekening houden met indexering van andere sociale verzekeringsuitkeringen. Het is mogelijk dat een wijze van in-dexering die hiermee in voldoende mate rekening houdt, budgettair niet geheel neutraal uitkomt. Met betrekking tot de herstructurering van de kinderbijslag en kinderaftrek is gerekend met een voorlopig streefbedrag aan ombuigingen in de collectieve sector van f 1 mld. in 1981. Het totaal aan ombuigingen bedraagt f 300 min. (eerste fase) + f820 min. (tweede fase) = f 1120 min. Dit bedrag moet worden gezien in het licht van het voorlopig karakter van het streefbedrag en in het licht van bovenvermelde knelpunten en de daar eventueel uit voortvloeiende compensaties.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

De verdere toekomst

Na realisering van de derde fase zal een kindervoorziening bestaan in de vorm van één volksverzekering. Dit betekent een belangrijke vereenvoudiging ten opzichte van de huidige situatie en die in de overgangsperiode. Wij achten deze vereenvoudiging van groot belang. Dit wil overigens niet zeggen, dat daarmee het kinderbijslagsysteem voor altijd vastligt. In de verdere toekomst is een herbezinning op verdere herstructurering -bijvoorbeeld met betrekking tot differentiatie van kinderbijslagen naar leeftijd van de kinderen -denkbaar. Elders in deze memorie wordt op dit vraagstuk ingegaan. Hieruit blijkt, dat het gaat om een bijzonder complexe materie. Het zou om die reden voorbarig zijn daaromtrent beleidsuitspraken te doen en/of termijnente noemen. Wel dient te worden voorkomen dat de per 1 januari 1980 te bereiken eenvoud van het systeem in gevaar komt.

BEANTWOORDING VRAGEN UIT HET VOORLOPIG VERSLAG Een zeer groot deel van de vragen in het voorlopig verslag is in een ander licht komen te staan, nu de Regering de plannen, met name die voor de tweede en volgende fasen van de herstructurering ingrijpend heeft gewijzigd. Een groot gedeelte van deze vragen had betrekking op de tweede fase, als uiteengezet in de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid. Wij achten ons -door de gewijzigde plannen -van de plicht ontslagen om deze vragen te beantwoorden. Vele vragen hadden voorts betrekking op het draagkrachtbeginsel en het karakter van het voorstel als «besparing». Hieromtrent gaven wij in het licht van de nieuwe voorstellen in het voorgaande reeds een uiteenzetting; wij zullen derhalve in het vervolg van deze memorie van antwoord hierop niet meer ingaan. Een derde categorie vragen waarop niet wordt ingegaan, is die welke betrekking heeft op andere beleidsombuigingen. Hieromtrent zal aan het parlement immers afzonderlijk mededeling worden gedaan. Voor wat betreft de overige vragen zullen wij de indeling volgen, die in het voorlopig verslag is aangehouden.

Inleiding Wij hebben er begrip voor dat de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. zich voorbehouden terug te komen op de inhoud van het advies van de Sociaal-Economische Raad. Wij zullen zoals deze leden vragen, in deze memorie van antwoord ingaan op dit SER-advies evenwel zonder dit advies expliciet te noemen en met het voorbehoud, dat wij in het voorgaande maakten. Verreweg de meeste van de in het SER-advies vervatte opvattingen en argumentaties komen nl. aan de orde omdat ook de leden van de verschillende fracties hieromtrent vragen hebben gesteld. Wij zijn verheugd met de instemming die integratie van kinderbijslag en kinderaftrek ontmoet bij de leden van de fracties van P.v.d.A., P.P.R., D'66 en P.S.P. Uit een oogpunt van vereenvoudiging en inkomensverdeling beschouwen wij de in dit wetsontwerp voorgestelde maatregelen als een vooruitgang. Wij hebben kennis genomen van het standpunt van de leden van de fractie van de C.P.N., dat kinderbijslag een wezenlijk bestanddeel is van het looninkomen omdat zij wordt gefinancierd uit een heffing op de ondernemers en dat (geleidelijke) afschaffing alleen ten goede komt aan de ondernemers. Wij merken hierbij op dat er bij het thans voorliggende wetsontwerp geen sprake is van afschaffing van kinderbijslagen, noch van vermindering van werkgeverspremies en dat de opbrengst ten goede komt aan 's Rijks schatkist. De bron van de opbrengst van de ombuiging in de eerste fase wordt gevormd door de negatieve inkomenseffecten voor de hogere inkomenstrekkers, dat wil zeggen degenen met een inkomen boven f 40 000 per jaar.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

De opmerking van de leden van de P.P.R., dat het deel van het inkomen dat door de huidige kinderaftrek wordt vrijgesteld groter is naarmate het in-komen van de ouders groter is -hetgeen zij niet juist achten -berust naar onze mening op een misverstand. De kinderaftrek is immers niet afhankelijk van het inkomen. Wellicht doelen de hier aan het woord zijnde leden op de omstandigheid dat de belastingvermindering als gevolg van de kinderaftrek in guldens gemeten groter wordt naarmate het inkomen hoger is. De leden van de fractie van de S.G.P. stellen een aantal principiële vragen met betrekking tot het wetsontwerp. Zij vrezen dat het vervallen van de kinderaftrek en de invoering van opslagen op de kinderbijslag leiden tot uitholling dan wel aantasting van het gezin. Zal het wetsontwerp geen invloed gaan uitoefenen op het kindertal en daarmede aan de overheid in dat opzicht een meer actieve rol toekennen, zo vragen zij. Behoort de overheid niet een neutrale houding aan te nemen? Wordt persoonlijke vrijheid niet te veel opgeofferd aan dirigisme? Wij menen, dat de kinderbijslagregelingen geen instrument van bevolkings-politiek zijn noch om de bevolkingsomvang te stimuleren, noch om de bevolkingsomvang te beperken. Wij menen dat dit wetsontwerp hierin geen verandering brengt. Wij vermogen niet in te zien waarom -zoals de leden van de G.P.V.-fractie stellen -dit wetsontwerp een nieuwe maatregel is in een lange reeks van maatregelen die van weinig oog getuigen voor de verschillende posities van overheid, loontrekkenden en zelfstandigen. Wij delen de mening van deze leden ten aanzien van zelfstandigen en loontrekkenden niet. Wij menen dat zelfstandigen en loontrekkenden in beginsel beiden recht op kinderbijslag moeten hebben. Zoals eerder gezegd streven wij ernaar per 1 januari 1980 ook de eerste twee kinderen van zelfstandigen in het kinderbijslagsysteem te doen opnemen.

Het karakter van het voorstel als «besparing» Andere één-procentsmaatregelen in de sociale sfeer Fiscale aspecten; het draagkrachtbeginsel Onder verwijzing naar hetgeen wij in het algemene deel van deze memorie hebben verwoord, zullen wij met betrekking tot bovenvermelde onderwerpen alleen ingaan op die vragen waarvan de beantwoording naar onze mening informatie verschaft die relevant is voor de beoordeling van het gewijzigde wetsontwerp en de verdere herstructurering op grond van de huidige plannen. In antwoord op het verzoek van de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. om een overzicht te verschaffen van de kinderbijslagregelingen in een aantal landen kan het volgende worden medegedeeld: Uit gegevens over de wijze, waarop in het jaar 1974 door middel van kinderbijslagen en het belastingstelsel in de lidstaten van de OESO6 in hoofdlijnen werd rekening gehouden met het hebben van kinderen, blijkt dat van de 19 in beschouwing genomen landen er 14 van beide instrumenten gebruik maakten, 2 geen kinderbijslag kenden (Verenigde Staten en Spanje) en 3 geen kinderaftrek (noch in de vorm van een in komensaftrek noch in die van een belastingaftrek; Denemarken, Finland en Zweden). Volgens de informatie die beschikbaar is over de ontwikkeling in deze landen na 1974, heeft Australië inmiddels de inkomensaftrek vervangen door een belastingaftrek en is vervolgens geheel overgestapt op een kinderbijslagstelsel. West-Duitsland heeft zijn stelsel van kinderaftrek en kinderbijslag in 1975 vervangen door kinderbijslagen. In Engeland werd de kinderbijslag met ingang van april 1977 belastingvrij, onder gelijktijdige vermindering van de kinderaftrek. De resterende kinderaftrek zal geleidelijk worden vervangen door nieuwe bijslagen.

6 Thetreatment of family units in OECO member countries under tax and transfer systems, OECD, Paris 1977.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

Wat betreft van het inkomen afhankelijke kinderbijslagen kan in aanvulling op het antwoord opvraag 153 naar aanleiding van de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid worden opgemerkt, dat in Frankrijk gezinnen met lage inkomens, die wat betreft kindertal en/of leeftijd van de kinderen aan bepaalde voorwaarden voldoen, een extra kinderbijslag ontvangen. In zoverre zou kunnen worden gesteld, dat aldaar bij een stijgend inkomen de kinderbijslag daalt. In Griekenland bedraagt de kinderbijslag een vast percentage van het inkomen voor elk kind. Bij deze memorie van antwoord is als bijlage 4 gevoegd een tabel waarin de hoofdlijnen worden weergegeven van de kinderaftrek' en kinderbijslagregelingen in de meeste EEG-landen, de Verenigde Staten en Zweden. De leden van de fractie van DS'70 vestigen de aandacht op het ook door Nederland ondertekende Europees Sociaal Handvest. Zij achten de vervanging van de kinderaftrek door kinderbijslag strijdig met artikel 16 van dit Handvest, dat het recht van het gezin op sociale, wettelijke en economische bescherming regelt. Dat de vervanging van kinderaftrek door kinderbijslag strijdig zou zijn met genoemd artikel vermogen wij niet in te zien. Dit artikel laat immers volledige vrijheid aan de landen die de overeenkomst sluiten met betrekking tot de wijze waarop aan die bescherming wordt vorm gegeven. De leden van deze fractie vragen voorts bij het begrip «inkomenspolitiek» aan te geven aan welke eenheid de bewindslieden denken. Met betrekking tot dit wetsontwerp is gedacht aan het vrij besteedbare inkomen van degenen die thans kinderbijslag én kinderaftrek genieten. Zulks komt o.a. tot uitdrukking in de bijlage bij de memorie van toelichting en wederom in bijlage 1 van deze memorie van antwoord waarin de inkomenseffecten nader zijn uitgewerkt. Deze leden merken op, dat het zowel bij de kinderaftrek als bij de kinderbijslag van belang is hoe men een kind ziet: als een individu met eigen rechten, dan wel als een soort «bestedingsobject» van zijn ouders of als een individu met rechten die echter samenhangen met zijn positie in de huishouding van zijn ouders. Zij verwijzen daarbij naar het artikel van dr. ir. I. de Vries en mr. A. C. de Kam in het Weekblad voor fiscaal Recht van 11 maart 1976. Wij menendat het niet goed mogelijk is om de positievan een kind onder te brengen op de schematische wijze die in deze opmerking besloten ligt. Ongetwijfeld is het zo, dat aan het krijgen van kinderen vrijwillige beslissingen ten grondslag kunnen liggen. Ook het aangaan van een huwelijk is een vrijwillige beslissing. Daarmede is naar onze mening echter niet de conclusie gerechtvaardigd dat het sluiten van een huwelijk en het krijgen van kinderen beslissingen zijn die -op grond van hun veronderstelde bestedingskarakter -buiten beschouwing moeten worden gelaten voor de belastingheffing. Zo lang het gezin een zo kenmerkende maatschappelijke eenheid is, als thans het geval is, is dat afdoende reden om bij de belastingheffing rekening te houden met de samenstelling van het gezin. Bij een dergelijke belastingheffing past het inderdaad, het bedrag van de belastingvrije som af te stemmen op de omvang van het gezin. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de belastingvrijdom van de kinderbijslag in wezen onderdeel uitmaakt van de belastingvrije som.

De leden van de fractie van DS'70 vragen voorts of de gedachte, dat het in-dividu en niet het gezin uitgangspunt van de sociale verzekering moet worden, door ons wordt onderschreven. Wij merken hierbij op dat de huidige sociale wetgeving ten dele het individu als uitgangspunt heeft (werknemersverzekeringen bij voorbeeld) en ten dele het gezin (volksverzekeringen bij voorbeeld). Het vraagstuk van individualisering van laatstbedoelde verzekeringen is bijzonder complex. In onderzoek is bij voorbeeld de gedachte in hoeverre de emancipatie meer gestalte zou kunnen krijgen in de sociale verzekeringen. Hierbij komtuiteraard -de individualisering aan de orde, maar of dit zou moeten leiden tot algehele individualisering is een vraag, die wij thans, niet in het minst vanwege de problematiek van de kostenbeheersing, in genen dele kunnen beantwoorden. Voor wat de aanspraak op kinderbijslag betreft is en blijft het gezin voorshands basis van beoordeling. Indien deze le-Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

den daaruit de conclusie trekken dat daarbij een beleid past, dat rekening houdt met het behoefte-element van het gezin, dat toeneemt met het aantal leden van het gezin, dan zijn wij het daarmee eens. Met betrekking tot de door deze leden gemaakte opmerking, over aanspraken op kinderaftrek mogen wij er nogmaals op wijzen, dat deze wordt gegeven in de vorm van belastingvrijdom van de kinderbijslag. In antwoord op een ter zake door de leden van de fractie van D.S/70 gestelde vraag delen wij mede dat, voor zover ons bekend, in alle landen die een met Nederland vergelijkbaar welvaartsniveau hebben, bij de heffing van belasting naar inkomen rekening wordt gehouden met het aantal leden van de huishouding, aan welke belasting wordt opgelegd. Hierbij wordt aangetekend, dat in een toenemend aantal landen het fiscale onderscheid tussen gezinnen met kinderen en gezinnen zonder kinderen zich beperkt tot de belastingvrijdom van de kinderbijslag. De aan het woord zijnde leden merken op dat sociale uitkeringen op grote schaal van latere datum zijn dan de inkomstenbelasting. Het is naar hun mening onlogisch om de belastingheffing te verzwaren door afschaffing van kinderaftrek en dan te komen tot hogere kinderbijslag omdat voorop dient te staan, bij de heffing van belasting over volwassenen én kinderen, dat aan hen een redelijke belastingvrije som wordt toegekend. Wij onderkennen in deze opmerkingen geen inhoudelijke strijd met het voorliggende wetsontwerp. Ook naar onze mening moet in voldoende mate rekening worden gehouden met de draagkrachtverschillen die tot uitdrukking zijn gebracht in de huidige horizontale tariefstructuur, daaronder begrepen de belastingvrijdom van de kinderbijslag. Wat betreft de vraag van deze leden of naar de mening van de Regering de kinderaftrek als «belastinguitgaaf» moet worden aangemerkt omdat deze aftrek niet zou behoren tot de «normale structuur van het belastingstelsel» zij opgemerkt dat wij, evenals deze leden, van mening zijn dat de kinderaftrek geen «belastinguitgaaf» is. De leden van de fractie van D.S/70 vragen ten slotte wat is bedoeld met de zinsnede dat het effect van de kinderaftrek -in guldens gemeten -groter wordt naarmate het inkomen groter is. Met inkomen wordt hier bedoeld het belastbare inkomen van degene die kinderaftrek geniet. Met het effect van de kinderaftrek wordt bedoeld het verschil in besteedbaar inkomen van degenen die, bij eenzelfde belastbaar inkomen, wel en geen kinderaftrek genieten. De suggestie die deze leden in de betreffende zinsnede lezen, is niet bedoeld. Van S.G.P.-zijde wordt gevraagd hoe de uitkomsten zijn bij een voorstel dat gebaseerd is op de fiscale regeling zoals die vóór 1973 luidde. Deze uitkomsten zijn in beginsel gelijk aan de in bijlage 1 uitgewerkte inkomenseffecten, omdat juist deze effecten worden beoogd. De aan het woord zijnde leden hebben de indrukdat bij toepassing van de inflatiecorrectie voor 100% de oorspronkelijke aftrek van zeven of meer kinderen per 1 januari 1977 nog gehandhaafd had moeten worden. Dit is inderdaad het geval hetgeen blijkt uit het navolgende overzicht voor 1977:

Kinderaftrek

situatie in 1977

situatie bij 100% inflatie-(werknemers) voor

correctie vanaf 1973

1 kind

f

965

f 1036 2 kinderen

f 1481

f 1626 3 of 4 kinderen

f 1995

f 2216 5 of 6 kinderen

f 1995

f 2381 7 of meer kinderen

f 1995

f 2488

Wij vermogen overigens niet in te zien dat deze cijfers -die overigens uitgaan van een niet verdedigbaar verschil in behandeling tussen de kinderaftrek en de overige onderdelen van de belastingvrije sommen -van belang zijn voor de beoordeling van het thans aan de orde zijnde vraagstuk.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

De sociale zekerheidsaspecten

De leden van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. beschouwen de kinderbijslag als een wezenlijke component van het rechtvaardig loon, respectievelijk het rechtvaardig inkomen. Zij wijzen erop dat de kinderbijslagwetten altijd zijn beschouwd als instrument van inkomensverdeling, met name van horizontale inkomensverdeling ten behoeve van gezinnen met kinderen. Via de kinderbijslag wordt ervoor gezorgd, dat een gezin met meer dan het gemiddeld aantal kinderen alleen op grond van dit feit niet in een maatschappelijk ongunstiger positie wordt geplaatst. Dit betoog van deze leden kunnen wij in zijn algemeenheid wel onderschrijven. Wij merken echter op, dat de kinderbijslag ook de verticale inkomensverdeling beïnvloedt. Zelf wijzen deze leden reeds op het verschijnsel van de twee-en drievoudige bijslag, waarvan in de hogere inkomensgroepen meer gebruik wordt gemaakt. Wij zouden willen wijzen op de gelijkheid van de kinderbijslagen vooralle inkomensgroepen: er is als het ware sprake van centen in plaats van procenten. Wij zijn het ook -in zijn algemeenheid -eens met de stelling dat door een relatief groot aantal kinderen de maatschappelijke positie van het gezin niet mag worden aangetast. Veel moeilijker wordt het als men deze stelling gaat concretiseren. Het betekent in ieder geval niet dat de volledige kosten van kinderen vergoed moeten worden, hetgeen -zoals deze leden terecht constateren -ook in het huidige stelsel niet het geval is. Deze leden constateren dat de kinderbijslag ook voor midden-en hogere inkomens tot dusverre een component van het inkomen is geweest en dat dit als zodanig niet als een onrechtvaardige zaak werd gezien. Dit is juist. Het -gewijzigde -wetsontwerp dat voorziet in belastingvrije kinderbijslag onafhankelijk van het inkomen, doet daaraan ook geen afbreuk. Het huidige stelsel -zo menen de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. -is toch wel onrechtvaardig in zijn uitwerking door het niet differentiëren naar leeftijd, de progressie en de twee-en drievoudige kinderbijslag. Wij merken op dat het hier gaat om een bijzonder complexe materie. Het huidige kinderbijslagsysteem gaat ervan uit, dat door de kinderbijslag de uitgaven voor kinderen niet volledig worden vergoed. Op deze wijze wordt de eigen verantwoordelijkheid van de ouders tot uitdrukking gebracht. Voorts is het systeem gebaseerd op de zgn. gezinswelvaartstheorie, hetgeen betekent dat de welvaart van een gezin met kinderen niet mag dalen beneden een bepaald percentage van de welvaart van een gezin zonder kinderen met hetzelfde basisinkomen. De combinatie van deze twee uitgangspunten leidt tot positieve differentiatie naar rangorde. Het hiervoor genoemde eerste uitgangspunt (geen volledige vergoeding van de uitgaven) zal alleen al uit kostenoverwegingen gehandhaafd dienen te blijven. Een differentiatie naar leeftijd zal gebaseerd moeten zijn op de zgn. kostentheorie (een ouder kind is duurder dan een jonger kind). De kostentheorie impliceert echtertevens lagere kinderbijslagen naar mate het kindertal toeneemt (tweede kind is goedkoper dan het eerste enz.). Een combinatie van differentiatie naar leeftijd en positieve differentiatie naar rangorde is bijzonder gecompliceerd en wellicht technisch niet te realiseren. Dit hangt samen met de omstandigheid, dat het rangordesysteem alleen rekening houdt met hettotaal aantal kinderen. Hier nu botst het rangordesysteem met de «kosten-perkindtheorie». Hettotaal aantal kinderen bepaalt het totaal aan kinderbijslag. De vraag bij voorbeeld of het eerstgeboren kind in de rangorde nu het eerste kind of het laatste kind is, is voor het vaststellen van het bedrag aan kinderbijslag in het geheel niet belangrijk. Wordt er in een gezin met bij voorbeeld twee kinderen een kind geboren, dan resulteert dit in kinderbijslag voor een derde kind. Valt daarna het oudste kind af dan blijkt dat de kinderbijslag voor het derde kind vervalt. Met andere woorden, het aantal kinderen vormt een aaneengesloten rij met een vast verschil in kinderbijslag van het ene kind in de rij naar het opvolgend kind in de rij, ongeacht de leeftijd of de kosten van een kind.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Een «kostenleeftijdsysteem» is een geheel ander systeem. In tegenstelling tot het gegeven van het totaal aantal kinderen gaat het in dit systeem om het gegeven per kind. Nu is niet de collectiviteit de basis, maar het individu. Het individuele kind moet de hoogte van de kinderbijslag bepalen. Zoals gezegd, kan een differentiatie naar leeftijd alleen vanuit de «kosten-perkindtheorie» worden verdedigd. Deze benadering houdt impliciet in, dat de positieve differentiatie naar rangorde moet komen te vervallen. Zou dit op zodanige wijze gebeuren, dat alle kinderbijslagen gelijk zouden worden aan het huidige gewogen gemiddelde (dat wil zeggen neutrale financiering op het moment van invoering) dan gaan gezinnen met 3 en minder kinderen erop vooruit en gezinnen met 4 en meer kinderen erop achteruit. Voor een gezin met 8 kinderen scheelt dat ca. f 4 000 per jaar. Dit verschil wordt bij differentiatie naar leeftijd -aangenomen dat de spreiding voor de leeftijdscategorieën gelijkmatig is -niet gecompenseerd. Gezien de enorme inkomenseffecten van een dergelijke operatie zou een dergelijk systeem niet anders dan zeer geleidelijk kunnen worden ingevoerd. Een methode van geleidelijke invoering zou kunnen zijn een nieuw systeem alleen te doen gelden voor nieuwe kinderen. Voltooiing zou 18 jaar duren of anders gezegd 18 jaar lang zouden twee systemen naast elkaar bestaan. Het zal duidelijk zijn, dat met de invoering van een zodanig systeem wordt geaccepteerd, dat de inkomenspositie van de grote gezinnen ten opzichte van de gezinnen zonder kinderen aanmerkelijk verslechtert. De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. stellen voorts, dat de zelfstandigen ten aanzien van de kinderbijslag altijd zijn achtergesteld bij loontrekkenden. Zoals gezegd is de Regering voornemens ook de eerste twee kinderen van zelfstandigen per 1 januari 1980 in het kinderbijslagsysteem te betrekken, zodat er in feite sprake zal zijn vaneen integrale volksverzekering. Deze leden merken op dat de herstructurering moet passen in de noodzakelijke harmonisatie binnen de EEG. Uiteraard zijn wij het met deze stelling in zijn algemeenheid eens. Harmonisatie binnen de EEG op het gebied van de kinderbijslag is evenwel nog niet aan de orde. Binnen de EEG bestaat een verscheidenheid aan kindervoorzieningen.

De leden van de fractie van de P.P.R. vragen of, als wordt uitgegaan van het inkomen van de ouder, de afhankelijkheid van de kinderen evenredig is aan het inkomen van de ouder. Zij wijzen er voorts op dat talrijke factoren het begrip inkomen vertroebelen. Wordt voorts gewerkt aan de regeling, zo vragen deze leden, die principieel als uitgangspunt heeft een basisinkomen voor ieder met differentiatie naar leeftijd tot bijvoorbeeld 18 jaar? Tot een bepaalde leeftijd, bij voorbeeld 16 jaar, zou dit basisinkomen voor kinderen uitgekeerd kunnen worden aan de verzorgers van het kind. Wij gaan er niet van uit dat de kinderbijslag een zelfstandige aanspraak inhoudt van het betrokken minderjarige kind hetgeen tevens impliceert dat wij de gedachte van een gelijk basisinkomen voor iedereen niet onderschrijven. Zoals ook thans het geval is blijft de kinderbijslag een aanspraak van de ouders of verzorgers van kinderen.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de S.G.P. hoe kan worden gerechtvaardigd dat gezinnen met kinderen in feite zwaarder worden belast dan gezinnen zonder kinderen, mogen wij het volgende opmerken. In tegenstelling tot de leden van de fractie van de S.G.P. menen wij dat het onjuist is te veronderstellen, dat gezinnen met kinderen in feite zwaarder worden belast dan vergelijkbare gezinnen zonder kinderen. Gezinnen met en zonder kinderen betalen, na de integratie van de kinderbijslag en kinderaftrek bij een gelijk inkomen evenveel belasting. Gezinnen met kinderen ontvangen evenwel een belastingvrije kinderbijslag, die toeneemt met het kindertal. Wij hebben kennis genomen van de door deze leden bedoelde brief. Het is duidelijk dat grote gezinnen het moeilijker hebben, bij overigens gelijke omstandigheden, dan kleine gezinnen. Het is immers nooit de bedoe-Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

ling geweest, dat de kosten van kinderen volledig zouden worden gedekt door kinderbijslag; juist op deze wijze komt de verantwoordelijkheid van de ouders voor hun kinderen tot uitdrukking.

Met betrekking tot het zogenaamde basisinkomen onderschrijven de leden van de fractie van de P.S.P. het standpunt van de P.P.R.-fractie. Wij verwijzen in dit verband dan ook naar het eerder gegeven antwoord. Voorts vragen deze leden of de bezuinigingen kunnen worden aangewend voor voorzieningen ten behoeve van kinderen. Worden onder de in de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid (bijlage blz. 65) genoemde verbeterde gemeenschapsvoorzieningen ook verstaan verbeteringen ter zake van kindercentra e.d. of zijn daarin geen verbeteringen opgetreden? Zijn deze voorzieningenop het juiste peil, zo vragen zij. Wij menen dat de «optredende bezuinigingen» in elk geval niet dienen te worden aangewend in voorzieningen als bedoeld. Doel van de ombuigingen is immers te besparen onder meer op sociale voorzieningen. Met opnieuw aanwenden van deze besparingen, voor wat dan ook, zou dit doel niet worden bereikt. Voor subsidiëring van kinderdagverblijven zijn de volgende gelden uitgetrokken: 1975 5,5 min., 1976 12,9 min., 1977 20,8 min. en 1978 27,9 min. De bedoelde verbeteringen in de tertiaire sfeer hebben ook, zij het vooralsnog op bescheiden wijze, betrekking op kinderdagverblijven. De behoefte is nog steeds groter dan het aanbod. De leden van de fractie van het G.P.V. wijzen erop, dat de kinderbijslag primair bedoeld was als garantie dat door de werkgever geen bevoordeling zou plaatsvinden van werknemers zonder of met weinig kinderen. Wij vermogen niet in te zien op welke wijze dit wetsontwerp afbreuk doet aan deze garantie. De tegenstelling die hier wordt opgeroepen met «een door de overheid gestuurde inkomenscorrectie» is ons dan ook niet duidelijk. Sinds jaar en dag is de kinderbijslag een inkomenscorrectie die door de overheid wordt «gestuurd».

In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de G.P.V.-fractie menen wij, dat het inkomenspolitieke argument, dat ten grondslag ligt aan het huidige voorstel, niet een zeer oneigenlijk karakter bezit. Immers, ook de thans vigerende kinderbijslagwetgeving steunt mede op inkomenspolitieke argumenten. Het ontgaat ons op grond waarvan in dit opzicht van willekeur wordt gesproken. Het progressief maken van premies ligt niet in het verlengde van de in dit wetsontwerp voorgestelde maatregel. Ook vloeien hieruit noch direct, noch indirect progressieve tarieven voor overheidsdiensten voort.

Inkomenspolitieke aspecten

Naar aanleiding van de vele vragen die zowel in de paragraaf «De beoog-de nivellering» als in andere paragrafen in het voorlopig verslag zijn gesteld met betrekking tot de inkomenspolitieke aspecten, mogen wij het volgende opmerken. Een groot aantal van de hier bedoelde vragen heeft betrekking op het aanvankelijke plan om te komen tot inkomensafhankelijke kinderbijslagen en zijn als zodanig achterhaald. Aan het huidige wetsontwerp ligt mede ten grondslag de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dit resulteert in een maatregel waarbij lagere inkomensgroepen erop vooruitgaan en de inkomens boven f 40 000 erop achteruitgaan. Het verlagen van de kinderbijslag voor kinderen behorende tot de huishouding van een bovenmodale werknemer is volgens de leden van de fractie van D.S.70 (zie paragraaf «De sociale zekerheidsaspecten» in strijd met het behoefte-element van die huishouding, vergeleken met een kinderloos gezin van een bovenmodale werknemer. Voorts wijzen deze leden erop.dat ren de relevante kinderbijslagen (inclusief opslagen) op te tellen.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

I

tussen mensen met dezelfde sociale positie (zelfde inkomen van de kostwinner) en huishoudens van verschillende grootte. Ook de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. (zie paragraaf «De sociale zekerheidsaspecten») hebben moeite met de aantasting van de materiële positie van de gezinnen met kinderen ten opzichte van gezinnen zonder kinderen. De maatregel brengt uiteraard een verandering van inkomensverhoudingen met zich mee bij een zelfde inkomensniveau en verschillende gezinssamenstelling. Wij zien niet in dat dit in strijd zou zijn met het behoefte-element. De gegevens die de leden van de fractie van D.S/70 in de memorie van toelichting missen, zijn op eenvoudige wijze te construeren door bij elk verondersteld belastbaar inkomen minus belasting van een gezin zonder kinderen de relevante kinderbijslagen (inclusief opslagen) op te tellen. De leden van de fractie van D.S/70 vragen ons voorts een aantal tabellen te verstrekken; de vraagstelling van deze leden is ons helaas niet duidelijk. Zij zien deze tabellen nl. enerzijds als een toelichting op de aanvankelijk gedachte negatieve koppeling tussen bijslag en inkomen, anderzijds spreken zij over «dit wetsontwerp». Bedoelde koppeling werd en wordt bij de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek niet voorgesteld.

De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. vrezen dat door dit wetsontwerp de spanning tussen het minimumloon en het modale loon nog wordt versterkt. Het is duidelijk -menen wij -dat door de in dit wetsontwerp voorgestelde maatregel het verschil tussen besteedbaar inkomen van de minimumloontrekker met kinderen enerzijds en de modale werknemer met kinderen anderzijds wordt verkleind. Het verschil wordt (op jaarbasis) f 65, f 76 of f 92 kleiner afhankelijk van de omstandigheid of men één, twee of drie of meer kinderen heeft. Overigens zij opgemerkt dat de verkleining van de verschillen als gevolg van de maatregelen ten aanzien van de kinderbijslag geldt voor een vergelijking 1977/1978. Op zich zelf heeft de kinderbijslag (na integratie) geen invloed op het verschil tussen besteedbaar inkomen van de minimumloontrekker en dat van de modale werknemer. De kinderbijslagen zijn immers gelijk voor de minimumloontrekker en de modale werknemer.

De ledenvan de P.P.R.-fractie vragen inzicht te geven in alle genomen en te nemen maatregelen waarbij inkomensherverdelende factoren meespelen. Wij beschikken tot onze spijt niet over de gevraagde gegevens. Alleen een vrij diepgaand onderzoek zou deze gegevens kunnen opleveren. Bovendien zouden zij een vrij sterk hypothetisch karakter hebben. Zo is bij voorbeeld moeilijk vast te stellen wat er zou zijn gebeurd als een loonmaatregel niet was genomen. Ook moet worden bedacht dat bij voorbeeld retributies op sommige inkomens wel en op andere in het geheel geen invloed hebben. De leden van de fractie van de S.G.P. hadden moeite met de stelling, dat de inkomensaftrek ten voordele van de hogere en hoogste inkomens zou werken. Moet hier niet -zo vervolgden deze leden -onderscheid worden gemaakt tussen het nominaal bedrag (dat de schijn van veel hogere inkomens wekt) en het overblijvende bedrag na aftrek van het progressieve tarief? Deze leden vroegen voorts om een staatje, waarin vanaf f 50 000 opklimmend met f 10000 tot f 150 000 inkomen, het nominale verschil en het reële verschil in bovengenoemde zin zijn verwerkt. Wij zijn het met de hier aan het woord zijnde leden eens, dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen bruto inkomens en inkomens na aftrek van belasting. Daarom zijn in bijlage 1 van de memorie van antwoord de inkomensmutaties als gevolg van de in dit wetsontwerp voorgestelde maatregel uitgedrukt in een percentage van het belastbaar inkomen minus belasting. Overigens blijft natuurlijk een hoog inkomen na aftrek van belasting hoger dan een laag inkomen na aftrek van belasting. De gevraagde gegevens luiden als volgt:

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Belastbaar inkomen:

Belastbaar inkomen minus belasting (in 1978 bij handhaving (1978) van de kinderaftrek, van gezinnen met:

50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 100 000 110 000 12000 0I30000 I40 000 150 000

1 kind

2 kinderen

3 en me

36768

37048

21501-41 655

41985

42 314 45 755

46085

46 414 49 744

50102

50 459 53 344

53702

54 059 56 917

57291

57 659 60 217

60591

60 965 63 517

63891

64 265 66 675

67066

67 457 69 675

70066

70 457 72 675

73066

73457

De leden van de P.S.P.-fractie vragen ons oordeel over een degressieve compensatie naarmate het belastbaar inkomen stijgt, alsmede over de denivellering welke het gevolg is van de grotere aftrekmogelijkheden voor hogere inkomens en de invloed die zulks heeft op de reële en de door deze aftrekken mogelijk geworden «verborgen» bestedingsmogelijkheden. Menen de bewindslieden niet dat de mutaties in besteedbaar inkomen een te rooskleurig beeld geven? In bijlage 1 zijn de mutaties in de geïntegreerde kinderbijslag en kinderaftrek uitgedrukt in een percentage van het belastbaar inkomen minus belasting. Daarbij kon uiteraard geen rekening worden gehouden met aftrekposten, die voor iedereen verschillend zijn.

Alternatieve mogelijkheden tot besparing bij de kinderbijslagregelingen De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. geven een vijftal alternatieve mogelijkheden aan om tot besparingen in de kinderbijslag te komen. Wij nemen aan dat het hier gaat om alternatieven voor alle fasen. Bij de voorbereiding van de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid zijn verschillende van deze en andere mogelijkheden onderzocht, zoals prijsindexering, gemengde indexering, bevriezing van de kinderbijslag voor het tweede kind, afbouw van de kinderbijslag voor het eerste kind. In het algemeen hebben deze maatregelen het nadeel dat het bijzonder moeilijk is, zonder ingewikkelde aanvullende voorzieningen, de laagste inkomensgroepen daarbij te ontzien. Derhalve hebben wij gemeend te dien aanzien geen voorstellen te moeten doen. Dit laat onverlet, dat het -alleen al om technische redenen -noodzakelijk is het indexeringsvraagstuk opnieuw in studie te nemen, zoals wij in het begin van deze memorie hebben uiteengezet. Alternatief I: Bevriezing kinderbijslag tweede kind en eventueel geleidelijke afschaffing kinderbijslag eerste kind, eventueel waardevast maken kinderbijslag tweede kind voor de laagstbetaalden.

Het alternatief zou nog nader moeten worden ingevuld. In hoeveel tijd zou de kinderbijslag voor het eerste kind moeten worden afgeschaft (fasering)? Beneden welk inkomen zou de kinderbijslag voor het tweede kind waardevast moeten worden gemaakt (draaipunt)? Ter berekening van de besparingen zouden hieromtrent enige veronderstellingen moeten worden ingevoerd. Bij de navolgende tentatieve berekeningen zijn wij uitgegaan van een fasering van 5 jaar met ingang van 1 januari 1979 en een draaipunt dat ligt bij het modaal inkomen. Als uitgangspunt voor deze en volgende berekeningen zijn de sociale meerjarenramingen gehanteerd (Kamerstuk 14800, 1977/1978).

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

Besparingen (in min. guldens)

1979

1981

Bevriezing kinderbijslag 2de kind

180

605 Geleidelijke afschaffing kinderbijslag 1ste kind

195

785

Totaal

375

1390 IIinder besparingen door prijsindexering kinderbijslag 2de kind tot modaal inkomen

Aan dit alternatief kleeft naar ons oordeel een aantal nadelen. In de eerste plaats zou de voorgestelde compenserende maatregel inhouden dat een in-komensgrens zou moeten worden ingebracht. Op korte termijn lijkt dit ons technisch niet uitvoerbaar, terwijl een inkomensgrens ook op langere termijn de uitvoering aanzienlijk bemoeilijkt. Dit was één van de redenen waarom wij de plannen tot inkomensafhankelijke kinderbijslagen weinig aantrekkelijk vonden. In de tweede plaats lijken ons de compenserende maatregelen onvoldoende: de bevriezing van de kinderbijslag voor het tweede kind wordt niet geheel en de afbouw van de kinderbijslag voor het eerste kind wordt geheel niet gecompenseerd, hetgeen ons met name voor de lagere in-komens moeilijk te verdedigen lijkt. In de derde plaats ontstaan op den duur aanzienlijke verschillen tussen de kinderbijslag voor het tweede kind juist boven en juist beneden het draaipunt. Bij een betrekkelijk gematigde prijsstijging, van bij voorbeeld 5%, wordt het verschil na 5 jaar 28%. Dit betekent een aanzienlijke vergroting van de marginale druk op de inkomenstoeneming bij het draaipunt. Bij de berekening van de besparingen volgens dit en volgende alternatieven is geen rekening gehouden met de restantkinderaftrek. Door relatieve verlaging van de kinderbijslag worden bij de huidige wetgeving de restantkinderaftrekken automatisch verhoogd, als gevolg waarvan belastingvermindering ontstaat, die qua omvang zeer globaal 35 a 40% van de hiervoor berekende besparingen bedraagt. Bij een vergelijking met de resultaten van de beleidsombuigingen als door ons voorgesteld dient hiermede rekening te worden gehouden. Het is juist -zoals deze leden stellen -dat de kinderbijslag voor het eerste en tweede kind duidelijk anders gericht was dan die voor derde en volgende kinderen. Anderzijds kan men de kinderbijslagen voor eerste en tweede kinderen niet los zien van verandering in inzichten die sindsdien hebben plaatsgevonden. Deze leden tekenen nog als bezwaar aan bij hun eerste alternatief dat hiermee een inkomensgrens in de kinderbijslagwetten zou worden geïntroduceerd, hetgeen in strijd geacht wordt met de doelstelling van de kinderbijslagwetten. Uit het vorenstaande zal duidelijk zijn, dat wij, onder andere vanwege het marginale effect, ook bezwaar hebben tegen een inkomensgrens in de kinderbijslag.

Alternatief II: Afschaffing kinderbijslag eerste kind, eventueel tweede kind, één en ander sterk getemporiseerd.

Onderstaand overzicht geeft de besparingen van dit alternatief, waarbij wij de term «sterk getemporiseerd» hebben vertaald in een lineaire afbouw overeen periode van 10 jaar.

Besparingen (in min. guldens)

1979

1981

Afschaffing kinderbijslag 1ste kind Afschaffing kinderbijslag 2de kind

10036 5

16574 0

Totaal

465

905

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Het bezwaar, dat wij aanvoerden ten aanzien van de inkomenseffecten geldt hier evenzeer. Voorts dient -ter wille van de vergelijking -rekening te worden gehouden met de verhoging van de restantaftrek, die bij de huidige wetgeving automatisch tot stand komt. De aan het woord zijnde leden signa leren evenwel nog een bezwaar namelijk de mogelijkheid dat een dergelijke maatregel tot een opwaartse druk op de lonen zou leiden. Zij vragen of het mogelijk is thans diepgaand op de financiële uitkomsten daarvan in te gaan. De vrees van deze leden delen wij met hen. Indien de vermindering van de kinderbijslag geheel zou worden doorberekend in de lonen hetgeen bij de huidige wijze van loonvorming waarschijnlijk is, dan zou dit, rekening houdend met de compensatie in de vorm van kinderaftrek, voor de modale werknemer (bij alternatief II) een extra loonstijging van nagenoeg één procent per jaar betekenen.

Variant alternatief II: Afschaffing kinderbijslag eerste kind bij voorbeeld voor inkomens die uitgaan boven de ziekenfondsgrens.

De besparingen van dit alternatief (afschaffing in 10 jaar) zijn als volgt:

Besparingen (in min. guldens

1979

1981

165

Deze leden vragen voorts of de huidige kinderbijslagen nog wel voldoen-de zijn aangepast aan de additionele kosten per kind. Het komt ons voor dat dit wel het geval is voor de kinderbijslag voor tweede en volgende kinderen. Deze zijn immers steeds met de lonen geïndexeerd. Voor het eerste kind is de kinderbijslag met ingang van 1 januari 1973 bevroren ter wille van toentertijd door Regering en parlement noodzakelijk geachte besparingen en reservevorming ten behoeve van aanvullende pensioenen. Deze bevriezing heeft overigens geleid tot ten dele compensatie in de kinderaftrek, ten dele tot looncompensatie.

Alternatief III: Invoeren van leeftijdscategorieën in de kinderbijslagwetten waarbij voor de jongste categorie tot een verlaging van het huidige niveau wordt overgegaan. Ook bij neutrale financiering vormt de differentiatie naar leeftijd, in samenhang met die naar rangorde, een moeilijke problematiek. Differentiatie naar leeftijd is naar onze mening zeker op korte termijn niet mogelijk, (zie blz. 17 e.v.). Bovendien betekent de suggestie dat ook gezinnen met lagere inkomens en jongere kinderen er (aanzienlijk) op achteruit zouden moeten gaan, willen de beoogde besparingen worden gerealiseerd. Voorstellen ter zake zijn overwogen en voorshands niet geschikt bevonden. Passende berekeningen zijn niet beschikbaar.

Alternatief IV: Afschaffing, al dan niet getemporiseerd, van de bestaande progressie van de kinderbijslag naar kindertal.

Wil een dergelijke maatregel substantiële besparingen opleveren, dan zouden de kinderbijslagen gelijk moeten worden gemaakt aan de huidige bedragen voor het eerste, eventueel voor het tweede kind. In het laatste geval dient de kinderbijslag voor het eerste kind niet te worden opgetrokken, omdat dan de besparingen negatief zouden worden. Van beide varianten zijn onderstaand de besparingen berekend, rekening houdend met volledige invoering per 1 januari 1979 en anderzijds met een fasering in 5 jaar.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Besparingen (in min. guldens)

Volledige invoering

Fasering in 5 jaar per 1 januari 1979

1979

1981

1979

1981

Alle kinderbijslagen gelijk aan die voor het eerste kind (bevroren)

2810

3730

420

2050 Idem bij loonindexering

2575

2830

385

1555 Alle kinderbijslagen gelijk aan die voor het tweede kind (loonindexering)

-1215

-1745

-180

-960 Alle kinderbijslagen behalve die voor het eerste kind, gelijk aan die voor het tweede kind (loonindexering)

405

475

260

De inkomenseffecten van dit voorstel zijn bijzonder ongunstig voor gezinnen met veel kinderen. Bij vijf respectievelijk acht kinderen zou bij voorbeeld indien alle bijslagen behalve die voor het eerste kind gelijk zouden worden gesteld aan die voor het tweede kind, de totale kinderbijslag per jaar met f900 respectievelijk f 3030 (op basis 1 januari 1978) moeten worden verminderd, hetzij eenmalig, hetzij gefaseerd. Dit zou dan gelden voor alle inkomensgroepen, ook de laagste. Deze leden stellen dat bij dit voorstel ook de restant kinderaftrek zou moeten worden betrokken, nu bij meer dan vier kinderen geen meerdere restantaftrek wordt verleend. Zij menen, dat zonder grondige analyse van de gezinsbudgetten van diverse inkomenscategorieën moeilijk van een rechtvaardige wijziging kan worden gesproken. Beschikt de Regering over studiemateriaal, zo vragen deze leden. Uit deze vragen blijkt dat ook deze leden ervan doordrongen zijn, dat dit alternatief ver gaande consequenties heeft. Wij zouden daaraan willen verbinden, dat realisering, in ieder geval op korte termijn, uitgesloten moet worden geacht. Wij staan aarzelend tegenover het baseren van maatregelen in de sfeer van de kinderbijslag en kinderaftrek op zgn. gezinsbudgetten. Deze gezinsbudgetten geven namelijk de feitelijke gezinsuitgaven weer en niet de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Nauw hiermee hangt samen de filosofie waarop de kinderbijslag moet stoelen (kostentheorie, gezinsweivaarttheorie e.d.). De opmerking van deze leden over de kinderaftrek bij vier en meer kinderen berust mogelijk op een misverstand. De kinderaftrek in de vorm van belastingvrijstelling van de kinderbijslag is tot en met het achtste kind ook na 1973 groter naarmate het kindertal stijgt. Deze leden vragen voorts of aan de problematiek van de twee-en drievoudige kinderbijslag op korte termijn het nodige wordt gedaan. Zoals in het begin van deze memorie is verwoord, zal dit inderdaad het geval zijn met betrekking tot de kinderbijslag voor 16-en 17-jarige kinderen.

Alternatief V: Aanpassen van de kinderbijslagen aan de prijsindex, dan wel aan de gemengde index (gemiddelde loonindex/prijsindex).

Besparingen (in min. guldens)

1979

1981

Prijsindex

300 Gemengde index

150

Bij voorgaande berekeningen is verondersteld dat de bijslag voor het eerste kind bevroren blijft. Dit voorstel beïnvloedt de ontwikkeling van de inkomens van de lagere inkomensgroepen. Ook hier spelen de automatische effecten op de kinderaftrek en de opwaartse druk op de lonen een rol.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. zien ten slotte nog een mogelijkheid om de halfjaarlijkse aanpassingen op de een of andere manier achterwege te laten (zonder inhaal achteraf). Onze bezwaren zijn dezelfde als die tegen bevriezing of andere indexering. Wij zijn het overigens niet eens met deze leden, dat een dergelijke maatregel niet van invloed zou zijn op de verticale inkomensverdeling. Kinderbijslag op zich zelf werkt nivellerend (centen in plaats van procenten), ledere ongedifferentieerde vermindering in kinderbijslag werkt derhalve denivellerend, de vermindering geschiedt in dat geval namelijk ook in centen in plaats van in procenten.

Ook de leden van de fracties van de V.V.D. pleiten voor bevriezing met compensaties voor de laagste inkomens. Wij menen te kunnen volstaan met verwijzing naar het voorgaande.

De leden van de fractie van D'66 menen dat in samenhang met de totstandkoming van een aantal goedkope of gratis voorzieningen rechtstreeks ten behoeve van het kind (kleuteronderwijs, sportbeoefening, e.d.) de basissubsidie in de vorm van kinderbijslag gemiddeld teruggebracht kan worden tot het gemiddeld netto-effect van kinderbijslag en restantkinderaftrek voor het tweede kind bij het wettelijk minimumloon thans. Wij zien in de totstandkoming van een aantal goedkope of gratis voorzieningen ten behoeve van het kind onvoldoende reden om de kinderbijslag terug te brengen tot het gemiddelde netto-effect van de huidige kinderbijslag en kinderaftrek voor de minimumloner. Wij menen dat, alvorens een dergelijke maatregel overwogen zou kunnen worden, eerst meer inzicht zou moeten bestaan in de betekenis van die voorzieningen voor de gezinnen met kinderen.

Voor de jaren na 1977 bepleiten deze leden bevriezing van alle kinderbijslagen. Onze bezwaren tegen bevriezing hebben wij hiervoor reeds uiteengezet. Ook de leden van de fractie van de S.G.P. die daarnaar informeren, zouden wij te dien aanzien naar het voorgaande willen verwijzen.

De leden van de fractie van de P.S.P. vragen nog waarom de kinderaftrekken bij een aantal andere belastingen buiten beschouwing zijn gebleven. Zij achten de motivering, dat alleen bij de loon-en inkomstenbelasting sprake is van coördinatie met de kinderbijslag onvoldoende. Wij delen deze mening niet. Voor het verdwijnen van de kinderaftrek wordt (gedeeltelijk) compensatie gegeven in de vorm van kinderbijslag; voor de kinderaftrek bij andere belastingen zou dit niet mogelijk zijn.

Het budgettair effect; de keuze van het draaipunt Evenals de leden van de fractie van de P.v.d.A. achten wij een maximale achteruitgang van 1,5% van het besteedbaar inkomen voorde hogere inkomenscategorieën niet onoverkomelijk. Wij zijn het niet eens met de leden van deze fractie, dat de inkomenseffecten berekend in de bijlage te pessimistisch zouden zijn. Zonder beleidsombuigingen zou verhoging van belastingen en/of premies moeten plaatsvinden. Welke belastingen en premies zouden zijn verhoogd, zonder ombuigingen is niet te zeggen. Wel is duidelijk, dat men in dat geval op andere wijze was geconfronteerd met een vermindering van het besteedbaar inkomen. De vraag hoe de tabellen moeten worden bijgesteld wanneer het budgettaire voordeel zou worden vertaald in een algemene verlaging van de AWW-premie is dan ook zuiver hypothetisch. Deze leden achten het denkbaar de eerste fase van de herstructurering op haar beurt te faseren door de opslagen aanvankelijk op een hoger niveau vast te stellen. Zoals uiteengezet in het begin van deze memorie van antwoord hebben de inkomenseffecten volgens het gewijzigde wetsontwerp een geleidelijker karakter namelijk doordat een hoger draaipunt is gekozen.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Leden van verschillende fracties (C.P.N., S.G.P., P.S.P.) informeren naar de invloed van andere draaipunten op de besparingen en de besteedbare inkomens. Door de leden van de fractie van D'66 wordt de mogelijkheid geopperd van een draaipunt ter hoogte van het minimumloon. In onderstaande tabel zijn de effecten op de rijksbegroting berekend bij een aantal -door de fracties genoemde -alternatieve draaipunten.

Effecten op de Rijksbegroting 1979 en 1981 door integratie van kinderbijslag en kinder aftrek bij volledige compensatie op verschillende inkomensniveaus (in min. guldens en in lopende prijzen)

Draaipunt bij:

Transactiebasis

1979

1981

minimumloon (f 21750)

445

540 modaal inkomen (f 29900)

275

300 verzekeringsgrens ZFW (f 36200)

235

300 f 40 000

235

300 f 50 000

-50

-20

De inkomenseffecten van deze alternatieven zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze memorie van antwoord.

De leden van de fractie van de C.P.N, informeren welke mogelijkheden er zijn om de gevolgen van een verschuiving van het draaipunt op te vangen door verhoging van de premielast bij de ondernemers. Wij menen, dat een zodanige maatregel in strijd is met het doel van de ombuigingsoperatie te weten verlaging of beperking van de potentiële stijging van de arbeidskosten. Ter informatie van deze leden delen wij overigens mee dat een stijging van premie voor de volksverzekeringen met 0,1 % een equivalent is van een bedrag van ca. f 145 min.

Bij de behandeling van het belastingplan 1977 heeft de Regering in de nota naar aanleiding van het eindverslag bij wetsontwerp 14171 op verzoek van onder meer de leden van de S.G.P.-fractie gegevens verstrekt inzake het gezamenlijk effect van belasting, sociale premies, kinderbijslag, huursubsidie en studiefinanciering bij bepaalde inkomens. Deze leden vragen dezelfde gegevens thans te verstrekken voor 1977 met inachtneming van de in het onderhavige wetsontwerp voorgestelde nieuwe kinderbijslagregeling. In de onderstaande tabellen wordt de gevraagde aanvulling op de gegevens in de nota verstrekt voor het jaar 1977 onder de veronderstelling, dat de nieuwe kinderbijslagregeling toen reeds gold.

Bruto inkomen en besteedbaar inkomen van een werknemer met 2 kinderen beneden 16 jaar, uitgaande van een huur van f 4000 per jaar

minimummodaal

2 x modaal 3 x modaal loon

Bruto inkomen (excl. pensioenpremie)

20000

28000

56000

84 000 Af:-werknemerspremies (excl. ziekenfondspremie)-premies volksverzekeringbelasting

15181

19910

35427

47382

Bij:-kinderbijslag (2 kinderen)

2383

2383

2383

2 383-huursubsidie

2040

300

-

-

967

1047

2773

27732 244

3182

4617

4 617 1 608

3501

13183

29228

Besteedbaar inkomen

19604

22593

37810

49765

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

Bruto inkomen en besteedbaar inkomen van een werknemer met 2 uitwonende, bij het wetenschappelijk onderwijs studerende kinderen, uitgaande van een huur van f 4000 per jaar

minimumloon

modaal

2 x modaal 3 x modaal

Bruto inkomen (excl. pensioenpremie)

20000

28000

56000

84 000 Af:-werknemerspremies (excl. ziekenfondspremie)

967

1407

2773

2 773-premies volksverzekering

2244

3182

4617

4 617-belasting

1608

3501

13183

29228

15181

19910

35427

47 382 Bij:-kinderbijslag

-

2383

5470

8 991-huursubsidie

2040

300

-

--studietoelage

17780

17000

7424

  • (waarvan renteloos voorschot)

(7 294)

(7 060)

(4 187)

-

Besteedbaar inkomen

35001

39593

48321

56373

De studietoelagen zijn berekend aan de hand van de normen voor het studiejaar 1977/1978 (inclusief inschrijfgeld, exclusief collegegeld). In verband met het afnemen van de studietoelage met de stijging van het ouderlijk inkomen is verondersteld, dat respectievelijk voor 0, 2,4 en 6 kinderen kinderbijslag wordt genoten. De huursubsidie is berekend aan de hand van de tabel voor het tijdvak juli 1977 -juni 1978. Met betrekking tot het effect op het besteedbaar inkomen van zelfstandigen met twee kinderen kan worden opgemerkt, dat zij hun kinderaftrek voor de eerste twee kinderen behouden, zodat het effect op het besteedbaar inkomen nihil is bij twee kinderen beneden 16 jaar en gering in verhouding tot de gevolgen voor werknemers ingeval deze kinderen uitwonend zijn en bij het wetenschappelijk onderwijs studeren.

De leden van de fractie van de S.G.P. vragen om preciese gegevens ter beantwoording van de vraag welke inkomensgroepen nu de besparingen zullen opleveren. Wij merken op dat zoals bekend gegevens betreffende de in-komensverdeling met grote vertraging beschikbaar komen. Gewerkt moet derhalve worden met globale ramingen. Pogingen worden ondernomen deze ramingen te verfijnen. In dit stadium zijn deze gegevens nog niet beschikbaar. Wel kan worden gesteld datanders dan deze leden veronderstellen -een relatief groot deel van de ombuigingen wordt opgebracht door de in-komensklasse juist boven de f 40 000. Per inkomenstrekker is de vermindering van het besteedbaar inkomen gering, doch het aantal inkomenstrekkers in deze categorie is groot. Relatief weinig wordt opgebracht door de hoogste inkomenstrekkers: per belastingplichtige is de vermindering van het besteedbaar inkomen groot, doch de groep is klein. De leden van de fractie van de S.G.P. vragen of de besparing kan worden aangewend voor premieverlaging. De premieverlaging voor de AKW zou ca. 0,1 % per f 145 min. bedragen. Wij mogen hier verwijzen naarde antwoorden die wij eerder gaven op de vragen van de leden van de fractie van de P.v.d.A. en van de C.P.N.

Bijzondere groepen

Alimentatieplichtigen; onvolledige gezinnen De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P., C.H.U., P.v.d.A., V.V.D. en P.P.R. vragen een nadere uiteenzetting met betrekking tot de situaties waarin de kinderbijslag van de belastingplichtige -wiens kinderaftrek wegvalt -Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

op grond van een alimentatieregeling aan een ander moet worden afgedragen. Deze leden merkten op dat zonder nadere voorziening te vrezen valt dat bestaande alimentatieregelingen langs de weg van procedures zouden moeten worden herzien. In rechterlijke uitspraken of door partijen gesloten overeenkomsten betreffende levensonderhoud wordt veelal bepaald dat de kinderbijslag door de daartoe gerechtigde moet worden afgedragen aan een ander. De in het wetsontwerp voorgestelde vervanging van kinderaftrek door een opslag op de kinderbijslag zou leiden tot een met het wetsontwerp niet beoogd effect: de kinderaftrek van de alimentatieplichtige valt weg, terwijl de verhoging van de kinderbijslag ten goede zou komen aan de verzorgende ouder. Dit effect zou in beginsel een grond kunnen opleveren voor wijziging van de getroffen alimentatieregeling: in het bijzonder de positie van de alimentatieplichtige is immers gewijzigd. Wij zijn met deze leden van mening dat een dergelijke, niet beoogde nevenwerking van het wegvallen van de kinderaftrek moet worden voorkomen. In overleg met de Ministervan Justitie is een daarop gerichte regeling ontworpen. Deze is neergelegd in de onderdelen H2 en 12 van de bij deze memorie gevoegde nota van wijzigingen. De nieuwe bepalingen hebben tot gevolg dat de voorgestelde opslag op de kinderbijslag niet behoeft te worden doorgegeven aan de verzorgende ouder. Daarmede wordt voorkomen dat de financiële positie van de tot onderhoud verplichte partij wordt aangetast. Ook de financiële positie van de ouder bij wie het kind verblijft, aan wie de kinderbijslag exclusief de opslag wordt afgedragen, blijft daardoor dezelfde. De tot onderhoud gerechtigde blijft ookindien een eigen rechtop kinderbijslag ontbreekt -in het genot van kinderaftrek. Met dit laatste is tevens de vraag van de leden van de P.P.R.-fractie beantwoord. Aldus wordt voorkomen dat een in het verleden plaatsgehad hebbende afweging van enerzijds de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon opnieuw zou moeten plaatsvinden. Naar onze mening zullen de inkomenseffecten van het wetsvoorstel, zoals weergegeven in bijlage 1, niet of nauwelijks tot procedures over de omvang van de alimentatieverplichting leiden. De bij nota van wijzigingen voorgestelde regeling heeft alléén betrekking op gevallen waarin de convenanten of rechterlijke uitspraken, op grond waar-van de kinderbijslag moet worden afgedragen, zijn tot stand gekomen vóór de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst (d.i. de datum van inwerkingtreding met betrekking tot de desbetreffende artikelen) en nadien niet zijn gewijzigd. Na dit tijdstip kan immers wat betreft het vaststellen en wijzigen van een onderhoudsbijdrage, hetzij door partijen die bij een overeenkomst zijn betrokken, hetzij door de rechter die een beslissing in verband met alimentatie neemt, rekening worden gehouden, met de door dit wetsontwerp teweeggebrachte wijzigingen. Hoewel de leden van de P.P.R.-fractie in het algemeen met de afschaffing van de kinderaftrek konden instemmen, leven bij hen ten aanzien van de onvolledige gezinnen nog enige vragen. Zij vragen of het wetsontwerp geen aanleiding kan zijn, voor deze groep een regeling analoog aan bij voorbeeld de zelfstandigenaftrek te treffen. Wij wijzen deze leden erop dat de studie over de fiscale positie van onvolledige gezinnen met jonge kinderen inmiddels heeft geleid tot de totstandkoming van de wet van 23 november 1977, tot wijziging van de regeling van de inkomstenbelasting en de loonbelasting met betrekking tot de buitengewone lasten met het oog op één-oudergezinnen (Stb. 648).

Studenten en scholieren

Leden van verschillende fracties hebben vragen gesteld over de relatie herstructurering kinderbijslag en -aftrek en het nieuwe stelsel van studiefinanciering. Deze relatie speelde in het bijzonder een rol in de oorspronkelijke tweede fase die beoogde te komen tot inkomensafhankelijke kinderbijslagen ook voor kinderen van 18 jaar en ouder. Bij de huidige plannen tot herstructurering is deze relatie er niet.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

De leden van de fractie van D.S/70 signaleren bezwaren tegen de twee-en drievoudige kinderbijslag en -aftrek voor studerende kinderen. Zij voeren daartoe een tweetal gronden aan. In de eerste plaats wordt aangevoerd dat als een kind eigen inkomsten heeft deze bij de beoordeling van het recht op kinderbijslag buiten beschouwing blijven wanneer deze inkomsten worden gespaard. Dit bezwaar is inmiddels achterhaald (Wet van 14 december 1977, Stb. 670). Destelling dat onderwijs een soort investering is, is op zichzelf wel juist, maar éénzijdig. Onderwijs is veel meer. Het hangt ook samen met het recht op zelfontplooiing en gelijke kansen voor iedereen. Wij menen overigens dat deze discussie beter met de bewindslieden van Onderwijs en Wetenschappen kan worden gevoerd. De leden van de fractie van de P.S.P. zouden het verwerpelijk vinden in-dien wijziging van de kinderbijslag-en kinderaftrekregelingen een verminderde invloed zou hebben op het inkomen van studerenden. Welke garanties kunnen de bewindslieden geven en welke invloed heeft of kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen op deze mogelijke gevolgen uitoefenen, zo vragen zij. Dit wetsontwerp leidt o.a. tot enige vermindering van (hogere) inkomens van ouders met studerende kinderen. Het ligt niet in de bedoeling deze inkomensverminderingen te compenseren.

Partieel leerplichtigen en parttimers De leden van de fractie van de P.v.d.A. vragen de Regering haar oordeel te geven over de positie van de parttimers, die niet over alle dagen van een kalenderkwartaal recht hebben op kinderbijslag. Voor parttimers bestaat een volledig recht op kinderaftrek. Een consequentie van de voorgestelde integratie is onder meer, dat de opslag op de kinderbijslag wordt onderworpen aan de bepalingen, die gelden voor het recht op kinderbijslag. De kinderbijslag (voor het eerste en tweede kind) voor degene, die niet gedurende een geheel kalenderkwartaal als werknemer heeft gewerkt, wordt per dag vastgesteld. Zo ontvangt dus een parttimer over elke dag, waarop hij als werknemer heeft gewerkt (ongeacht het aantal op die dag gewerkte uren) 1/78 deel van het volledige kwartaalbedrag. Naar onze mening dient ten aanzien van de opslag opdekinderbijslag in overeenkomstige zin te worden gehandeld. Wij zijn ons ervan bewust, dat een gevolg hiervan is, dat in een aantal gevallen een inkomensnadeel kan ontstaan, dat groter wordt naar mate men op minder dagen werkt.

De leden van de fractie van de P.P.R. vroegen zich af waarom voor partieel leerplichtige kinderen geen opslag wordt toegekend. Vervolgens stelden deze leden de vraag of of de bewindslieden inzicht hebben verkregen in hoeverre deze maatregel voor de Raden van Arbeid praktische moeilijkheden zal opleveren. Heeft de bewindsman ter zake contact gehad met de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid? Is met name onderkend -zo vervolgden deze leden -dat het verschil in bedrag aan kinderbijslag voor kinderen van gelijke rangorde in de gezinnen problemen bij de uitvoering zou kunnen geven met alle gevolgen van dien, zoals vertraging in de uitkering? Wij zijn van oordeel, dat het voor de hand ligt de opslag op de kinderbijslag niet voor partieel leerplichtige kinderen te verlenen aangezien voor deze kinderen thans ook geen recht bestaat op kinderaftrek. Het wetsontwerp beoogt immers een overheveling tot stand te brengen van de fiscale kinderaftrek naar de bestaande kinderbijslag door middel van een opslag op die kinderbijslag. Daar waar geen recht op kinderaftrek bestaat, kan van overheveling geen sprake zijn. Over de voorgestelde maatregel is geen overleg gevoerd met de uitvoeringsorganen van de kinderbijslagwetten. Wel hebben wij ons op de hoogte gesteld van eventuele moeilijkheden die bij de uitvoering zouden rijzen. De praktische moeilijkheden voor de Raden van Arbeid zullen slechts gering Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

zijn. De omstandigheid, dat voor alle partieel leerplichtige kinderen -ongeacht de rangorde -een ander kinderbijslagbedrag gaat gelden, zal naar het zich laat aanzien niet tot vertraging in de uitbetaling leiden.

De leden van de fractie van de P.S.P. waren van mening, dat het voorgestelde beleid ten aanzien van partieel leerplichtigen in feite een dubbele aantasting betekent van hun toch al kwetsbare positie. Is de huidige kinderbijslag een noodzakelijke aanvulling op hun schamele jeugdloon -aldus de hier aan het woord zijnde leden -, het ontbreken van de mogelijkheid tot het verkrijgen van een kinderaftrek kan toch geen argumentatie zijn voor het hun onthouden van de opslag. Deze leden spraken in dit verband van een achterstelling, die achterwege dient te blijven, gezien het feit, dat deze uitzondering, het tweede lid van de artikelen X en XI toch nauwelijks een besparing van grotere omvang dan een krent kan opleveren. In de fiscale sfeer is ten behoeve van partieel leerplichtige kinderen slechts een vrijstelling van de kinderaftrek verleend. Het niet bestaan van een fiscale kinderaftrek is naar onze mening voldoende grond voor het niet verlenen van de opslag.

Zelfstandigen Wij zijn het met de leden van de fractie van D'66 eens dat er ten aanzien van de kinderbijslag uiteindelijk gelijke rechten voor loontrekkenden, ambtenaren en zelfstandigen moeten komen. Zoals eerder in deze memorie aangegeven, streven wij ernaar dit per 1 januari 1980 te realiseren.

Grensarbeiders De leden behorende tot de fractie van de P.v.d.A. vroegen naar de positie van grensarbeiders die kindergeld genieten krachtens een buitenlandse wet. Deze vraag werd inmiddels op verzoek van de heren Dolman en Hartmeijer door de ambtsvoorganger van de Minister van Sociale Zaken beantwoord. (Tweede Kamer, zitting 1977, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 160, dd. 12 juli 1977).

Ambtenaren In antwoord op een vraag van de leden van de fractie van DS'70 delen wij mee dat ten aanzien van dekindertoelageregeling overheidspersoneel -de KTO-analoge aanpassingen zullen plaatsvinden als ten aanzien van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden.

Gemoedsbezwaarden De leden van de fractie van de S.G.P. vragen of het niet gewenst zou zijn de bedragen van de extra kinderaftrek voor gemoedsbezwaarden zodanig te kiezen dat er rekening wordt gehouden met het verschil in rangorde van eerste, tweede, derde kind etc. Zij vragen zich in dit verband af of het verangen van de kinderbijslag door -navenant hogere -kinderaftrekken niet een betere weg zou betekenen dan de voorgestelde, en of de bewindslieden kunnen aangeven op welke wijze daaraan het beste gestalte zou kunnen worden gegeven. Wij begrijpen dat deze leden zich afvragen of de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek zou kunnen geschieden door middel van omzetting van kinderbijslag in kinderaftrek in plaats van omgekeerd. Wij menen echter dat de keuze die aan dit voorstel ten grondslag ligt, de voorkeur verdient omdat bij voorbeeld in het andere geval ingewikkelde voorzieningen nodig zouden zijn voor diegenen die geen belasting verschuldigd zijn.

De tekst van de wet

De leden behorende tot de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. stelden nog de vraag of de op blz. 10 van de memorie van toelichting geschetste constructie met als kern «kinderaftrek genieten of geacht worden te genieten» Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

niet met zoveel woorden in de wetstekst van de A.K.W. en K.W.L. moet worden vermeld. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de door deze leden bedoelde fictie tot doel heeft de redactie van bepalingen waarin sprake is van kinderaftrek, aan te passen aan de nieuwe situatie. In de wetstekst van de A.K.W. en K.W.L. komt de kinderaftrek behoudens in artikel 3 van de A.K.W. echter niet voor, zodat ook de bedoelde constructie in die wetstekst niet op zijn plaats is. Aan de leden van de S.G.P."fractie moet worden toegegeven, dat de vorenbedoelde fictiebepaling ingewikkeld is. Wij wijzen er echter op dat het hier gaat om een tijdelijke wijziging in een situatie waarin de kinderaftrekregeling nog geenszins kan worden gemist. Dezefictiebepaling wijst niet op een overijling bij de voorbereiding en indiening van het wetsontwerp.

Ingangsdatum Moeilijkheden bij de inhouding van loonbelasting en bij de inrichting van de loonadministratie, waarnaar door de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. wordt gevraagd, behoeven zich niet voor te doen. De problematiek die zich daarbij voordoet is in feite dezelfde als bij het jaarlijks samenstellen en invoeren van nieuwe loonbelastingtabellen. Vooralsnog wordt de tijd voor voorbereiding voldoende geacht. Deze leden vragen voorts, of de ingangsdatum tot moeilijkheden met de uitbetaling en de hoogte van de kinderbijslagen zou kunnen leiden. Ook op dit gebied worden geen moeilijkheden verwacht. Aanvankelijk lag het in het voornemen de maatregelen op 1 januari 1977 te doen ingaan. Ten einde het effect van het wegvallen van de restant kinderaftrek voor werknemers die hun kinderbijslag per kwartaal ontvangen ook in de tijd gezien zoveel mogelijk door de opslag op de kinderbijslag te compenseren, zou de kinderbijslag volgens het aanvankelijke voorstel per 1 oktober 1976 worden verhoogd. Wij stellen thans 1 oktober 1978 als ingangsdatum voor. Dit betekent dat de kinderbijslag per 1 juli 1978 zal worden verhoogd en dat de wijzigingen in de kinderaftrek" voor de loonbelasting -op 1 oktober 1978 ingaan. Het beoog-de samenvallen in de tijd van het ter beschikking komen van de extra kinderbijslag en het wegvallen van de kinderaftrek blijft aldus behouden.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda De Ministervan Financiën, F. H. J. J. Andriessen De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf De Staatssecretaris van Financiën, A. Nooteboom Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Bijlage 1

Inkomenseffecten integratie kinderbijslag en kinderaftrek voor werknemers in 1979 (op basis van cijfers 1978) in guldens per jaar. Tussen haakjes de mutaties in procenten van het belastbaar inkomen minus belasting.

Draaipunt f 21750 bruto

(minimumloon) Gezinnen met:

f21750

f29900

f40 000

f50 000

f75 000 min. ink.

modaal ink.

1 kind

0(0,0)

-65(-0,3) -65 (-0,3) -152 (-0.5) -358 (-0,8) 2 kinderen

0(0,0)

-76 (-0,4) -99 (-0,4) -231 (-0,7) -543 (-1,3) 3 en meer kinderen 0 (0,0) -92 (-0,4) -148 (-0,6) -324(-1,0) -743 (-1,7)

Draaipunt f 29900 bruto (modaal inkomen) Gezinnen met:

f21750

f29900

f40 000

f50 000

f75 000 min. ink.

modaal ink.

1 kind

+65 (+0,4) 0 (0,0)

0 (0,0)

-87 (-0,3) -293 (-0,7) 2 kinderen

+76 (+0,5) 0(0,0)

-23(-0,1) -154 (-0,5) -467(-1,1) 3 en meer kinderen +92 (+0,6) 0(0,0) -56 (-0,2) -233 (-0,8) -651 (-1,5)

Draaipunt verzekeringsgrens ZFI/V en f 40 000 bruto Gezinnen met:

f21750

f29900

f40 000

f50 000

f75 000 min. ink.

modaal ink.

1 kind

4 65 (+0,4)

0 (0,0)

0 (0,0)

-87 (-0,3) -293 (-0.7) 2 kinderen + 99 (+0,6) +23 (+0,1) 0(0,0) -132 (-0.4) -444(-1,0) 3 en meer kinderen +148 1+0,9) +56 (+0,3) 0(0,0)

-176 (-0,6) -595(-1,4)

Draaipunt f 50 000 bruto Gezinnen met:

f21750

f29900

f40 000

f50 000

f75 000 min. ink.

modaal ink.

1 kind

+152 (+0,1) + 87 (+0,4) + 87 (+0,3) 0(0,0)

-206 (-0.5) 2 kinderen

+2311+4,1) +155 (+0,7) +132 (+0,5) 0(0,0) -312 (-0,7) 3 en meer kinderen +324 (+2,0) +232(+1,1) +1761+0,7) 0(0,0)

-419 (-1,0)

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Bijlage 2

Ombuigingen in min. guldens en in lopende prijzen 1978

1979

1980

1981

Draaipunt modaal (f 29900) Transactiebasis: Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek

315 Opslagen kinderbijslag

250

Ombuigingen

1370 1095 275

1470 1185 285

1575 1275 300

Begrotingsbasis: Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek Opslagen kinderbijslagen

Ombuigingen

Draaipunt f 40 000 Transactiebasis: Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek Opslagen kinderbijslag

Ombuigingen

Begrotings basis: Meeropbrengst belastingen Opslagen kinderbijslag

Ombuigingen

10522 5

-120

32150 I-50

10523 5

-130

1355 900

455

1370 1135 235

1355 940

415

1455 1110 345

1470 1205 265

1455 1135 320

1555 1255 300

1575 1275 300

1555 1255 300

De KKZ geldt alleen voor zelfstandigen met een minimuminkomen. De volgende grenzen gelden hier:

KKZ voor: Inkomen p.j.:

1ste + 2de kind tot f 19450

2de kind tussen

f 19450 f20100

geen boven f 20100

Het gaat hierom het inkomen dat men in 1977 genoot.

Bij zeer lage inkomens profiteren kleine zelfstandigen in het geheel niet van de kinderaftrek, terwijl er anderzijds kleine zelfstandigen zijn met een wat hoger inkomen die volledig profiteren van de kinderaftrek (marginaal belastingtarief 20%).

In onderstaande tabel is getracht voor deze categorieën kleine zelfstandigen met kinderen globaal de inkomenseffecten aan te geven.

1 Gerekend is met de KWL-premie en de bestaande premievrijstellings-en reductie-regeling voor de volksverzekeringen.

Voor en nadelen van de integratie voor KKZ-zelfstandigen rekening houdend met premieheffing' Recht op kb en profijt van ka

  • kb voor 1ste en 2de kind/ geen profijt ka (bruto 14000)-kb voor 1 ste en 2de kind/ volledig profijt ka (bruto 19000)-kb voor 2de kind/volledig profijt ka (bruto 20000)

Voordeel (+) of nadeel (-) in guldens per jaar (basis 1978) voor zelfstandigen met:

1 kind

2 kinderen

+ 190

+ 370

-275

-460

+ 365

+ 180

Tweede Kamer, zitting 1977-1978,14184, nr. 7

Tussen de eerste en tweede groep bevinden zich ook zelfstandigen die nauwelijks tot bijna volledig van de kinderaftrek profiteren. Voor deze tussenliggende groep variëren de inkomenseffecten dus van iets minder dan + f 370 tot iets minder dan -f 460.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Bijlage 3

Integratie van kinderbijslag en kinderaftrek en het daarbij betrekken van de eerste twee kinderen van zelfstandigen heeft verschillende inkomenseffecten, welke voor sommige groepen nadelig zijn. Zelfstandigen met één kind en een inkomen dat ongeveer gelijk of hoger is dan dat van de «modale zelfstandige» ondervinden een nadeel als gevolg van de integratie door het netto-effect enerzijds van het kinderaftrekvoordeel en de nieuw op te brengen premielasten en anderzijds de voordelen van de kinderbijslag voor het 1ste kind. Dit nettonadelig effect loopt van f 0 tot ruim f 500 (bij een marginaal belastingtarief van 72%)'. Zelfstandigen zonder kinderen ondervinden een nadeel vanwege het feit dat zij na integratie premie moeten gaan betalen (dit nadelig effect zal netto maximaalnl. rond de premie-inkomensgrens -ongeveer f 600 bedragen). Bij een zelfstandige -zonder kinderen -die een bruto-inkomen van ca. f 30000 heeft, hetgeen voor hem een netto-inkomen oplevert ongeveer gelijk aan het minimuminkomen, bedraagt het nettonadeel ± f 400, hetgeen een achteruitgang van 2% in zijn besteedbaar inkomen betekent.

Voorts zitten er knelpunten bij de kleine zelfstandigen, die recht hebben op kinderbijslag uit hoofde van de Kinderbijslagwet kleine zelfstandigen (KKZ). Deze ontvangen thans kinderbijslag hebben recht op de verhoogde kinderaftrek en betalen geen premie.

' Gerekend is met de KWL-premie en op basis van cijfers 1978.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

Bijlage 4

Overzicht inzake de kinderbijslag en de kinderaftrek in een aantal landen

Land

Kinderbijslag in hoofdlijnen

Kinderaftrek in hoofdlijnen

Beiastbaar

gedifferentieerd naar

bijzonderheden

Vorm

gedifferentieerd naar

bijzonderheden

België

nee

rangorde leeftijd

belastingaftrek

rangorde inkomen

oplopend met een maximum

Italië

ia

belastingaftrek

rangorde

Engeland

ja

rangorde

inkomensaftrek

leeftijd

geleidelijke vervanging door nieuwe bijslagen Ierland

nee

rangorde

inkomensaftrek Verenigde Staten n.v.t.

voorzieningen in kader van welzijnsprogramma

inkomensaftrek

tevens «child care» aftrek indien vrouw buitenshuis werkt (tot een maximum inkomen) Frankrijk

nee

rangorde leeftijd inkomen

verdwijnt gedeeltelijk wanneer vrouw werkt

splitsing stelsel

West-Duitsland

nee

rangorde

geen

inkomensaftrek tot 1 januari 1975 Denemarken

nee

rangorde

meer voor het eerste dan voor volgende kinderen

geen

Zweden

nee

geen

werkende gehuwde vrouw heeft rechtop kinderaftrek Bron: The treatment of family units in OECD member countries under tax and transfer systems, OECD, Paris 1977.

Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14184, nr. 7

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.