Voorlopig verslag - Vervanging van kinderaftrek van de loon- en inkomstenbelasting door verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Algemene Kinderbijslagwet voor het jaar 1977

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 6

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 22 december 1976

Bladzijde INHOUDSOPGAAF

Inleiding

Het karakter van het voorstel als «besparing»

Andere één-procentsmaatregelen in de sociale sfeer

Fiscale aspecten; het draagkrachtbeginsel

De socialezekerheidsaspecten

De beoogde nivellering

Alternatieve mogelijkheden tot besparingen bij de kinderregelingen

Het budgettair effect; de keuze van het «draaipunt»

Bijzondere groepen

Alimentatieplichtigen;

onvolledige gezinnen

27 Studenten en scholieren

29 Partieel leerplichtigen en parttimers

29 Zelfstandigen

30 Grensarbeiders

30 Ambtenaren

30 Verandering van inkomsten

30 Gemoedsbezwaarden

De tekst van de wet

De ingangsdatum

8 vel

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

De Kamer belastte de bijzondere commissie die eerder dit jaar het voorbereidend onderzoek verrichtte van de zgn. één-procentsnota (stuk 13951 )\ ook met het onderzoek van dit wetsontwerp. De commissie plaatste een oproep in de Staatscourant ten einde commentaar te ontvangen op het voorstel van de Regering. Zij is de organisaties die hierop reageerden erkentelijk voor hun bijdrage tot haar meningsvorming. Ook dankt de commissie de Sociaal Economische Raad voor het feit dat zij reeds in een vroeg stadium op de hoogte werd gebracht van het ontwerp-advies, dat onder meer dit wetsontwerp raakt. De commissie brengt als volgt verslag uit van hetgeen door de verschillende fracties naar voren werd gebracht.

Inleiding

1 Samenstelling: Bakker (CPN), Van der Mei (CHU), Notenboom (KVP), Peijnenburg (KVP), Van Leeuwen (ARP), Van der Spek (PSP), Wierenga (PvdA), Koning (VVD), Barendregt (PvdA), Nypels (D'66), Hermsen (KVP), ondervoorzitter, Rietkerk (VVD), Dolman (PvdA), voorzitter, Verbrugh (GPV), Van Dis (SGP), Van Aardenne (VVD), Epema-Brugman (PvdA), G. M. P. Cornelissen (KVP), Drees (DS'70), Honig van den Bossche (BP), Beuker (RKPN), Jansen (PPR), Nooteboom, Van der Doef (PvdA), Beumer (ARP), Huijsen.

De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. merkten allereerst op dat dit wetsontwerp niet los kan worden gezien van de door de Regering in haar nota over het te voeren beleid ter zake van collectieve voorzieningen en werkgelegenheid aangegeven en door deze leden onderschreven doelstelling, de stijging van de collectieve lasten in de eerstkomende jaren belangrijk te matigen. Bij de door de Kamer daarover met de Regering in juni jl. gevoerde gedachtenwisseling hadden deze fracties zich dan ook meegarant gesteld voor het welslagen van deze z.g. 1 %-operatie, ook op het terrein van de sociale voorzieningen, met name voor wat de daarmee gemoeid zijnde bedragen betreft en voor wat betreft een aanzet die daarvoor reeds in de eerste fase zou moeten worden gegeven ook op het gebied van de kinderbijslagregelingen. Dit standpunt nog eens onderlijnend, herinnerden zij er echter tevens aan dat zij bij die gelegenheid ook blijk hadden gegeven van de bij hen levende twijfels over de juistheid van de wijze waarop de Regering voor wat de kinderregelingen betreft dacht te komen aan de daarvoor in de nota genoemde bedragen. Die twijfel gold, zij het in geringere mate, ook de inhoud die de Regering dacht te geven aan het voor de eerste fase van deze operatie op het terrein van de kinderregelingen in te dienen en thans voorliggende wetsontwerp, waarbij zij toen reeds aandacht vroegen voor een aantal door hen aangevoerde alternatieve mogelijkheden. Kennisname van de memorie van toelichting had die twijfels, nu ook deskundigen op het terrein van de fiscale wetgeving en de sociale zekerheid over deze materie hun licht hebben doen schijnen en het verdeelde standpunt van de Sociaal-Economische Raad hen heeft bereikt, niet weggenomen. De genoemde leden betreurden het dat hun voorlopige meningsvorming over het thans voorliggende wetsontwerp grotendeels heeft moeten plaatsvinden voordat de Sociaal-Economische Raad het gevraagde advies met betrekking tot de eerste fase van de 1 %-operatie had vastgesteld. Weliswaar hadden zij van de voorlopige meningsvorming van de vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers in de Raad kunnen kennisnemen doch in het hun toegezonden ontwerp-advies was de mening van de kroonleden nog niet verwerkt en het definitief advies had hen nog niet bereikt. Zij behielden zich dan ook voor op de inhoud daarvan eventueel bij de verdere voorbereiding van de openbare behandeling van dit wetsontwerp nog terug te komen. Intussen was hun nu reeds duidelijk dat een niet geringe meerderheid van de leden van dat orgaan de door de Regering met dit wetsontwerp ingeslagen richting geheel afwijst en dat zich met name voor wat de afschaffing van de kinderaftrek betreft nog enige andere leden op hetzelfde standpunt stellen. Is de Regering bereid om in de memorie van antwoord diepgaand op de in het advies van de Raad tot uiting gekomen opvattingen en daaraan ten grondslag liggende argumentaties in te gaan? Overigens achtten de leden die deze vraag stelden het ook niet zo verwonderlijk dat binnen de SER een meerderheid negatief oordeelde over het voorliggende wetsontwerp. Men bedenke immers dat daarin getracht wordt twee fundamenteel van elkaar verschillende begrippen als het draagkrachtbeginsel in de fiscale wetgeving Tweede Kamerzitting 1976-1977, 14184, nr. 6

en de doelstellingen van de kinderbijslag in elkaar te schuiven. Het draagkrachtbeginsel wordt dan bovendien nog zeker voor wat de tweede fase betreft, ter zijde geschoven op een wijze en in een omvang die welhaast het vermoeden moet doen rijzen dat dit een eerste stap is die ook gevolgen zal hebben te zijner tijd voor de toepassing van dat beginsel op andere gebieden. Bij de bespreking van de fiscale aspecten van dit wetsontwerp kwamen deze leden daarop verder terug. Doch er is méér, zo meenden zij. De Regering stelt nadrukkelijk dat zij deze wijziging ziet als een basis waarop voor 1978 de tweede fase zal volgen. Voor die tweede fase staat de Regering reeds een duidelijk beeld voor ogen. Maar de aan het woord zijnde leden zagen wel degelijk een sterke band tussen het eventueel aanvaarden van dit wetsontwerp -wat de basis moet leggen voor de volgende fase -èn de inhoud welke die volgende fase zou moeten hebben. Met verwijzing naar de discussie tijdens het junidebat vroegen zij de Regering nogmaals, zeker in het licht van het thans verschenen SER-advies, te besluiten tot een open adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad. Zij herinnerden daarbij aan de voorbehouden die namens hen -ook met betrekking tot de thans aanhangige wijzigingsvoorstellen -toen werden gemaakt. De leden behorend tot de fractie van de P.v.d.A. namen kennis van de aankondiging dat de Regering het wetsontwerp beschouwt als een eerste fase in de herziening van het stelsel van kinderaftrek en kinderbijslag. Nu zij haar gedachten over de volgende fase(n) niet heeft ontvouwd, wilden deze leden zich strikt tot het wetsontwerp beperken. Zij onderkenden daarin een kwalitatief en een kwantitatief aspect. Kwalitatief is de voor werknemers volledige, respectievelijk voor zelfstandigen gedeeltelijke vervanging van het bestaande ingewikkelde systeem door enkelvoudige onbelaste bijslagen, onafhankelijk van het inkomen van ouders of verzorgers. Zowel uit een oogpunt van eenvoud als van inkomensverdeling zagen de hier sprekende leden dit als een vooruitgang. Met één slag worden alle kinderen, voor zover als economisch individu te beschouwen, in een zelfde financiële positie geplaatst, ongeacht de wieg waarin zij zijn geboren. Op het kwantitatieve aspect wilden de aan het woord zijnde leden terugkomen in de paragraaf van dit verslag gewijd aan het budgettair effect en de keuze van het draaipunt.

Het kwam de leden van de V.V.D.-fractie voor dat aanvaarding van dit wetsontwerp een impliciete aanvaarding van de verdere herstructureringsplannen van het kabinet met zich mee zou brengen. Van de Regering zou dan toch wel op zijn minst verwacht mogen worden dat zij een uitvoeriger uiteenzetting had gegeven van de uiteindelijke regeling die haar met betrekking tot de kinderbijslagen voor ogen staat. Ook over het daarop aansluiten-de studiefinancieringssysteem zal tevoren meer duidelijkheid nodig zijn. Hoe stelt de Regering zich dat voor?

De voorstellen in het onderhavige wetsontwerp gaven de leden van de C.P.N.-fractie aanleiding tot de opmerking dat de lancering van de plannen tot drastische aanpak van de kinderbijslag tijdens het VPRO-interview met Minister-President Den Uyl op 2 januari jl. in het gehele land veel stof heeft doen opwaaien. In het algemeen werden deze plannen, die hun plaats moeten hebben in het kader van een grote bezuinigingsoperatie van de Regering, zeer negatief ontvangen, omdat een algemene wijziging zich op den duur ook zou richten tegen mensen met lage inkomens. De nu aan het woord zijnde leden wensten hier met nadruk vast te leggen dat zij een dergelijke ontwikkeling van de hand zullen wijzen. De kinderbijslag is hun inziens een wezenlijk bestanddeel van het looninkomen, met nadruk ook omdat zij Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

wordt gefinancierd uit een heffing op de ondernemers. Een eventuele afschaffing van de kinderbijslag, ook een geleidelijke via individualisering, komt alleen ten goede aan de ondernemers.

De leden van de P.P.R.-fractie hadden met instemming kennis genomen van het voorstel, dat het absoluut bedrag, verkregen middels kinderaftrek en kinderbijslag, nu in de vorm van kinderbijslag gelijkschakelt voor alle inkomens. Reeds lang verzetten genoemde leden zich tegen het feit, dat het deel van het ouderlijk inkomen, dat middels de kinderaftrek vrijgesteld wordt voor de opvoeding en onderhoud van kinderen, groter is naarmate ook het inkomen van de verzorgende ouders hoger is. Dit feit alsmede ook het feit, dat bij de hogere inkomens de kinderaftrek veelal het bedrag aan kinderbijslag overtrof, hebben reeds in het verleden de rechtsgronden voor het verlenen van kinderbijslag, zoals deze door de onderscheidene bewindslieden zijn geformuleerd bij de verdediging van de wetsontwerpen, die geleid hebben tot de wet van 23 december 1939 en de wet van 26 april 1962, op losse schroeven gezet. Met het voorgestelde wetsontwerp keert de Regering weer terug naar wat de bedoeling van de kinderbijslag moet zijn: een stuk inkomen te verstrekken, dat bestemd is voor de opvoeding en verzorging van kinderen. Vanuit de fractie van DS'70 kwam het verzoek aan de Regering om een overzicht te verschaffen van de wetsontwerpen die het kabinet van plan is in te dienen of al ingediend heeft in verband met de in september 1975 (vijftien maanden geleden) aangekondigde 1 %-operatie. Is het waar dat dit wetsontwerp het eerste is dat is ingediend en dat de indiening van andere wetsontwerpen eerst na het Kerstreces is te verwachten?

De fractie van D'66 juichte de indiening van dit wetsontwerp toe met name omdat D'66 behoort tot de eerste politieke partijen die gepleit hebben voor een integratie van kinderaftrek en kinderbijslag in één gezinssubsidieregeling. De strekking van het wetsontwerp is geheel in overeenstemming met het in 1970 opgestelde beleidsplan van deze partij en zal tevens bijdragen aan de vereenvoudiging van het sociale zekerheids-en belastingstelsel in ons land.

Naar de mening van de leden van de fractie van de S.G.P. kan het vervallen van de kinderaftrek en de invoering van nivellerende toeslagen op de kinderbijslag leiden tot uitholling dan wel aantasting van het gezin als unieke samenlevingsvorm van één man en één vrouw, zoals de Bijbel benadrukt. Zal de aangekondigde verdergaande nivellering geen invloed gaan uitoefenen op het kindertal en daarmede aan de overheid zeker een meer aktieve rol in dit opzicht toekennen? Komt dat niet in strijd met het Bijbelwoord: «De kinderen zijn een zegen van de Heere?» Behoort de overheid hier niet een neutrale houding in te nemen? Moet ook dit wetsontwerp niet worden gezien tegen de achtergrond van een streven om fiscale heffingen en sociale lasten niet meer als gescheiden gebieden te beschouwen? Gaat hierachter een bepaalde visie op de gemeenschap schuil, ook al worden naar buiten de voordelen uit hoofde van doelmatigheid benadrukt? Wordt dan echter de persoonlijke vrijheid niet te veel opgeofferd aan een dirigisme waarvan het einde niet in zicht is? Nogmaals zij herhaald dat daarmede niet gezegd wil zijn dat de overheid als Gods Dienaresse niet geroepen is recht en gerechtigheid te oefenen, de hele Wet van God -ook te vertalen in de fundamentele geestelijke normen en waarden die in de Bijbel ons ten goede zijn geopenbaard -te handhaven.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

De leden nu aan het woord zouden een nadere toelichting willen hebben op de mededeling dat de verschuiving van kinderaftrek naar kinderbijslag slechts statistische waarde heeft. Zijn de bewindslieden reeds zo «bedrijfsblind»» dat zij niet meer het onderscheid zien tussen de heffing naar draagkracht waarvan de kinderaftrek uitgaat en de sociale voorziening die ten grondslag ligt aan de kinderbijslag? Of zien zij deze kwestie zuiver als één van techniek, zonder principiële aspecten? Het voorstel wordt aangekondigd als min of meer neutraal in zijn uitwerking. Ook deze gedachte konden deze leden niet goed plaatsen. Zou een nadere opheldering niet dienstig kunnen zijn? De leden van de fractie van de P.S.P. verheugden zich in de voorgenomen afschaffing in fasen van de kinderaftrek vooral gelet op de denivellerende werking van die regeling. Wel relativeerden zij de betekenis van dit voorstel omdat het -een beetje onlogisch -uitsluitend nivellerend werkt bij belastingplichtigen met kinderen.

De leden van de G.P.V.-fractie zagen dit wetsontwerp als een nieuwe maatregel in een lange reeks van maatregelen die van weinig oog getuigden voor de verschillende posities van overheid, loontrekkenden en zelfstandigen. Deze leden doelden daarbij op de uitbouw van de kinderbijslag voor zelfstandigen, het blijvend maken van de als tijdelijk bedoelde kinderbijslag voor het eerste kind en de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek sinds 1973. Deze leden vroegen voorts waarom met de indiening van dit wetsontwerp zo lang is gewacht. Het is toch gebruikelijk dat fiscale wetsontwerpen die in-vloed hebben op de rijksbegroting worden ingediend op Prinsjesdag. Het voorstel om de kinderaftrek te vervangen door een verhoging van de kinderbijslag is trouwens slechts de eerste fase in een plan tot algemene herstructurering van het kinderbijslagstelsel. Wat zullen de volgende fasen inhouden en op welke termijn denkt de Regering de desbetreffende voorstellen aan het parlement voorte leggen?

Het karakter van het voorstel als «besparing» De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. merkten op dat niet ontkend kan worden dat door de thans voorgestelde afschaffing van de kinderaftrek de belastingdruk stijgt. Er ontstaat een meeropbrengst voor de belastingen die op zich zelf een collectieve drukverzwaring betekent zowel ma-cro-economisch als in de microsfeer voor de daardoor getroffen inkomens. Daarnaast leidt het voorstel, omdat een deel van deze meeropbrengst wordt aangewend om door middel van opslagen in de kinderbijslag het ontstane inkomensnadeel op te heffen of te mitigeren, feitelijk en formeel tot verhoging van de uitgaven in de sfeer van de collectieve voorzieningen. Hoe wil de Regering dit in overeenstemming brengen met de doelstelling van matiging van de stijging van de collectieve lasten? Zij kan in dit verband die belastingdrukstijging «niet relevant» noemen, zoals in de miljoenennota, maar dit doet niets af aan het feit van die verzwaring zelf. De redenering van de Regering een ogenblik volgende, zou er in ieder geval geen enkele reden zijn het «saldo» van de enerzijds hogere belastingopbrengst tengevolge van het vervallen van de kinderaftrek en anderzijds de storting in het kinderbijslagfonds niet als een relevante drukstijging te benaderen. Namens deze leden was dit ook reeds bij de algemene beschouwingen opgemerkt. Deze feitelijke belastingdrukstijging kan, evenals elke andere vorm van drukstijging, leiden tot hogere arbeidskosten (afwentelingsproces). De Regering zelf heeft Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

in de zogenaamde 1%-nota erkend, dat de loon-en inkomstenbelastingtarieven, in verband met het ontgaan, ontduiken, en afwentelen van deze belastingen, kritische grenzen hebben benaderd.

De leden van de V.V.D.-fractie hadden tegen dit wetsontwerp onoverkomelijke bezwaren. In de eerste plaats waren zij van oordeel dat in het kader van een operatie die erop gericht is het totaal van de collectieve lasten te verminderen in het belang van de bestrijding van de inflatie en werkloosheid, een wetsontwerp dat leidt tot een belastingverzwaring van 270 min. gulden, oplopend tot 415 min. gulden in 1980, een tegengesteld resultaat oplevert. Kan de Regering mededelen welke besparing deze operatie voor wie oplevert. Staat voor de Regering belastingverhoging gelijk aan besparing? De leden van de fractie van DS'70 brachten in herinnering dat het kabinet in september 1975 (Miljoenennota 1976) had uiteengezet dat de stijgende lijn van belastingen en sociale premies diende te worden omgebogen opdat de druk van deze beide soorten publiekrechtelijke heffingen te zamen in de komende jaren ten hoogste zou toenemen met 1 % van het nationale inkomen per jaar. Het kabinet had voorts betoogd dat afremming van de uitgaven vooral zou dienen te worden gezocht bij de overdrachtsuitgaven. Het kabinet doet thans het voorstel om de kinderaftrek (de belastingvrije som voor kinderen, in de loon-en inkomstenbelasting) af te schaffen (op een kleine groep kinderen na), deze over te hevelen naar de kinderbijslag (een overheidsuitgaaf) en vervolgens op de nieuwe kinderbijslag te snoeien. Een zodanige operatie is echter, volgens de leden van de fractie D.S.'70, geen besnoeiing op in 1975 aanwezige of voorgenomen overheidsuitgaven, maar een verzwaring van de belastingdruk. Hoe zou het kabinet oordelen indien de belastingvrije som voor volwassenen zou worden afgeschaft, een gelijk bedrag zou worden toegekend als ««basisinkomen aan volwassenen» (bij voorbeeld als uitgaafpost bij het Ministerie van Sociale Zaken) en vervolgens deze uitgaaf zou worden verlaagd? Zou het kabinet dat behandelen als een verlaging van overheidsuitgaven? Is de kinderaftrek ooit eerder als overheidsuitgaaf beschouwd? Op blz. 8 van de memorie van toelichting delen de bewindslieden mede: «Naar de mening van de Regering moet de in het wetsontwerp voorgestelde integratie van kinderbijslag en kinderaftrek als een reële besparing in het kader van de 1%-operatie worden aangemerkt». Kunnen de indieners de term «reëel» hier nader toelichten? Er is toch géén reële besparing in de volkshuishouding, slechts een verschuiving tussen gezinnen met kinderen en overheid? Wat wordt bedoeld met de woorden «in het kader van de 1 %-operatie»? Deze operatie had, zoals door het kabinet uiteengezet in september en oktober 1975, betrekking op de afremming van de stijging van collectieve lastenheffing. De belastingdruk gaat in het voorgestane stelsel omhoog als gevolg van de afschaffing van de belastingvrije sommen voor kinderen. Waar is ooit afschaffing van belastingvrije sommen gezien als een bijdrage tot de 1 %-operatie? Zijn er auteurs, buiten het kabinet, die in deze geest hebben geschreven? Zijn er statistische definities van belastingheffing die voor het woordgebruik van het kabinet enige basis geven?

De leden van de S.G.P.-fractie vonden dat zelfs in het kader van het van f 6 mld. tot f 4,5 mld. ingekrompen bedrag dat via het 1 %-beleid moet worden gevonden in de sector der overdrachtsuitgaven, de bijdrage die de kinderbijslagregelingen moet leveren, wel in schrille tegenstelling staat tot de omvang van de bedragen die met deze regelingen zijn gemoeid. Waarom hebben de bewindslieden aan dit wetsontwerp de voorkeur gegeven boven andere mogelijkheden? De toelichting spreekt van een «besparing op uitgaven». Dit hangt waarschijnlijk samen met de visie op de «belastinguitgaven», ontwikkeld door de socialistische prof. dr. Halberstadt en mr. de Kam. Welke Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

maatschappijbeschouwing gaat hierachter schuil? Die van de gemeenschapsgedachte, waarbij de belangen van de gemeenschap gaan boven die van de enkeling? In die denktrant behoort het door de Nederlanders verdien-de nationale inkomen aan de gemeenschap en vanuit de «volheid van haar macht en goedgunstigheid» zal de overheid als zetbaas van het volk wel uitmaken welk deel van de nationale koek ter vrije besteding zal komen van hetzij de ondernemingen, grote en kleine, van de zelfstandige beroepsbeoefenaren en uiteindelijk van de individuele burger. Ook het komende wetsontwerp op de investeringsrekening lijkt een stap in die richting te zijn. De vraag rijst waar we dan uiteindelijk terecht komen. Tegenover deze gedachtengang pleiten de aan het woord zijnde leden ervoor te blijven uitgaan van de vrijheid van de individuele burger -een vrijheid overigens die naar hun mening haar grens vindt in de hoogste gebondenheid namelijk aan Gods Woord en Wet -opdat deze in het kader van zijn rentmeesterschap (=verantwoordelijkheid tegenover zijn Schepper) en zijn plaats in de verschillende levensverbanden waar hij een plaats heeft ontvangen (= verantwoordelijkheid ten opzichte van de naaste) zijn roeping kan vervullen. Dat mede daarbij de overheid, èn als weerhoudende macht tegen de ongebondenheid der mensen èn als stimulerende macht ter ontplooiing van de in de schepping gelegde gaven en krachten een belangrijke rol behoort te hebben, vonden zij buiten kijf. Benadrukking van de persoonlijke verantwoordelijkheid en de vrije ondernemingsgewijze produktie en daarmede ook de geestelijke vrijheid waren huns inziens het beste gewaarborgd in een maatschappelijke orde waarin de overheid corrigerend, in plaats van dirigerend optreedt. De leden hier aan het woord zagen in het onderhavige wetsvoorstel vanuit die visie geen besparing doch wel een verzwaring van de belastingdruk. Zij vroegen zich voorts af of de uitdrukkingen op blz. 7 van de memorie van toelichting (derde alinea) alsmede het gestelde op blz. 8 (vierde alinea) omtrent reële besparingen, zich wel konden verdragen met de onder de grote meerderheid van ons volk levende rechtsopvattingen. Mogen de door een minderheid gehulde uitgangspunten wel basis zijn voor wetsontwerpen die aan genoemde rechtsopvattingen voorbijgaan? De leden hier aan het woord, meenden dat via de verhoging der bijslagen de collectieve lasten worden vergroot. Hoe kunnen de bewindslieden dat rijmen met de bekende matiging en zelfs met het «overhouden» van ongeveer f 270 min. ten behoeve van de dekking van het begrotingstekort? Dit is juist een reële belastingdrukstijging! Deze leden verwezen voorts nog naar het antwoord op vraag 155 gesteld over de éénpercentnota. Het kabinet was daar van oordeel dat niet meer zou zijn vast te stellen of èn in hoeverre de vermindering betrekking heeft op de oorspronkelijke kinderbijslag of op de oorspronkelijke kinderaftrek. Zij betwijfelden mede naar aanleiding van de telkenjare bij het dekkingsplan gegeven opbouw van de aanvullende kinderaftrek of deze stelling wel houdbaar was. Kunnen de bewindslieden hun stelling met concrete cijfers waarmaken? Op blz. 40 van het ter zake uitgebrachte SER-advies (in gestencilde vorm) worden onder de tabel een aantal beschouwingen ten beste gegeven die de verhoging van de bijslagen omtoveren tot belastinguitgaaf. De leden nu aan het woord vroegen of de bewindslieden niet met hen hierin tamelijk sofistische redeneringen zagen.

De leden van de G.P.V.-fractie waren van mening dat een van de beleidsdoeleinden van de Regering, namelijk de beperking van de stijging van de collectieve lasten, door de verheffing van het onderhavige ontwerp tot wet, niet wordt bevorderd. Immers, de gevolgen van dit wetsontwerp zullen zijn een stijging van de belastingdruk en een stijging van de premiedruk, waardoor het Rijk per saldo een vergroting van inkomsten tegemoet zal zien.

Andere één-procentsmaatregelen in de sociale sfeer Het in ons land opgebouwde systeem van sociale zekerheid, aldus de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U., vertoont globaal genomen Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

een evenwichtig beeld. Dit betekent geenszins dat er op dit brede terrein geen op zich zelf bezien gerechtvaardigde verlangens meer zouden zijn om onderdelen daarvan te verbeteren en/of verder uit te bouwen, dan wel te voorzien in de, onder meer onder invloed van voortdurende belangrijke maatschappelijke veranderingen aan de dag tredende lacunes. Ook voor een uit veranderende maatschappelijke inzichten volgende wens tot herijking van bestaande voorzieningen dient men in beginsel open te staan. Maar dat betekent wèl dat, indien zoals thans de noodzaak aanwezig is om voor de eerstkomende jaren de pas in te houden en tot een duidelijke beleidsombuiging te komen, ook hier van de aanvang af duidelijk moet zijn dat de gevraagde offers niet eenzijdig op een bepaalde groep drukken. Immers anders zou dit globaal genomen evenwichtig beeld verloren gaan en zou ook in die zin het adagium dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen niet langer in stand worden gehouden. Bij de eerder in dat verslag genoemde gedachtenwisseling met de Regering in juni jl. hadden de aan het woord zijnde leden er dan ook duidelijk blijk van gegeven dat zij het thans voorliggende voorstel niet zouden kunnen beoordelen zonder gelijktijdige afweging daarvan tegen voorstellen die voor wat de eerste fase betreft ten aanzien van de sociale verzekeringen door de Regering werden aangekondigd. Die voorstellen betroffen, zo merkten zij op, met name het corrigeren van het aanpassingsmechanisme van de uitkeringen; de verlaging van het maximum-bruto-uitkeringspercentage in de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en in het bijzonder ook de invoering van het kostwinnersbegrip in de werknemersverzekeringen. Deze leden toonden zich, nu zij hun voorlopige mening over het wetsontwerp kenbaar moesten maken, ernstig teleurgesteld dat de met betrekking tot deze punten aangekondigde maatregelen nog niet in de vorm van wetsontwerpen zijn in-gediend. Zij vroegen wat de oorzaken zijn dat duidelijke toezeggingen die door de Regering op dit stuk zijn gedaan, niet zijn of niet alsnog kunnen worden nagekomen. Hierdoor wordt naar hun mening de schijn gewekt dat in deze eerste fase van de totale operatie allereerst een offer wordt gevraagd van degenen die aanspraak hebben op kinderaftrek en kinderbijslag. Zij rekenden er dan ook op, dat de hier bedoelde wetsontwerpen ter tafel zullen liggen bij de verdere behandeling van dit wetsontwerp.

Naar de mening van de leden van de P.v.d.A.-fractie dient te worden gelet op de verwachtingen ten aanzien an de groei der besteedbare inkomens. Niet iedereen voorziet resp. wenst een zelfde ontwikkeling maar naar vrijwel ieders inzicht zijn de mogelijkheden zeer bescheiden, zelfs wanneer de Regering thans terecht meer ruimte aanwezig acht dan in september jl. Bovendien dient te worden gelet op eventuele plannen met andere sociale verzekeringen. Indien een reëel inkomensverlies van maximaal 1,5% uit hoofde van de nieuwe opzet van de kinderaftrek en -bijslag te veel moeten worden geacht voor gezinnen met kinderen, dan is een reductie van 5% voor rechthebbenden op een WAO-uitkering eerst recht verwerpelijk. Afzien van, resp. grote behoedzaamheid met dit laatste idee betekent dan wederom een naar verhouding hogere premie en dus minder loonruimte. Naarmate de economische middelen geringer zijn, is het bezwaarlijker ombuigingen in de groei van collectieve voorzieningen te laten drukken op de inkomens van een beperkte groep, zoals gezinnen met kinderen en (sterker nog) arbeidsongeschikten. De leden van de P.v.d.A. wensten hun standpunt te zijner tijd te bepalen aan de hand van de meest recente berekeningen. Een zo exact en volledig mogelijke informatie reeds in de memorie van antwoord zouden zij op prijs stellen.

De leden van de S.G.P.-fractie hadden zich kunnen voorstellen dat, terwille van de ook door hen voorgestane beleidsombuigingen die blijkens hun bijdrage aan het debat van juni jl. van verdergaande strekking hadden moeten Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

zijn om metterdaad èn de inflatie èn de werkloosheids nog beter te kunnen bestrijden de aanpak juist zou zijn begonnen met die soorten sociale voorzieningen die in de loop der jaren een buitensporige groei vertoonden. Zij dachten met name aan de WAO waarvan de stijging van lasten en uitgaven opzienbarend was. Waarom zijn de bewindslieden niet met aanpassingen van die wet begonnen? De leden hier aan het woord vroegen zich voorts in gemoede af hoe het verder zal gaan als 1977 voorbij is. Is het wel in overeenstemming met de realiteit dat de sociale voorzieningen ondergeschikt worden gemaakt aan de inkomenspolitieke doeleinden? Welke zijn de noodzakelijke doorslaggeven-de argumenten?

Fiscale aspecten; het draagkrachtbeginsel Een wezenlijk element van onze inkomstenbelasting -zo begonnen de leden van de fracties van de K.V.P., A.R.P. en C.H.U. dit deel van hun beschouwingen -wordt gevormd door het draagkrachtbeginsel. Bij het heffen van inkomstenbelasting wordt rekening gehouden met omstandigheden, die de draagkracht van belastingplichtigen beïnvloeden. Diedraagkrachtelementen brengen een deel van het inkomen buiten de belastingheffing. Dit kunnen algemeen genormeerde delen van het inkomen zijn, zoals de belastingvrije sommen in verband met de burgerlijke staat of aftrekken wegens kindertal, dan wel wegens arbeidsongeschiktheid of ouderdom. Het kunnen ook individuele aftrekken zijn, die bij voorbeeld in de regeling van de buitengewone lastenaftrek hun basis vinden zoals de aftrek van werkelijke uitgaven voor de kosten van levensonderhoud van kinderen waarvoor geen kinderaftrek geldt of voor (aanvullend-)levensonderhoud van, onder andere, ouders. Dergelijke individuele aftrekken vinden ook een basis in de sfeer van de aftrek wegens persoonlijke verplichtingen en de regeling voor de aftrekbaarheid van giften. De mogelijkheid van belasting betalen is derhalve alleen te vinden, wanneer die elementen van het inkomen buiten beschouwing zijn gelaten. Op het aldus in verband met de draagkracht aangepaste inkomen worden de tarieven toegepast, die in ons land zeer progressief zijn. Die tarieven zijn ontstaan en door het parlement aanvaard -dan wel door de inflatie voor zover niet gecorrigeerd, nog steiler geworden -vanuit de gedachte dat het aan die steile tarieven onderworpen belastbare inkomen is «gezuiverd» voor draagkrachtelementen. Ook andere belastingen zoals de vermogensbelasting en het successierecht kennen het draagkrachtbeginsel en daarbinnen het element van de kinderaftrek. Terzijde merkten deze leden daarbij op dat de Regering op blz. 11 van de memorie van toelichting ten onrechte ook duidt op een kinderaftrek in het schenkingsrecht. Vanuit de Kamer is regelmatig gepleit voor een verdergaand rekening houden met de draagkracht, zoals die ter zake van onvolledige gezinnen en de aftrek voor adoptie. Nog steeds -deze leden herinnerden daarbij aan de door de Kamer algemeen aanvaarde motie-Vermaat c.s. -verwacht de Kamer op dit stuk verbetering ter zake de positie van weduwnaars met jonge kinderen. Draagkrachtverschillen die optreden als gevolg van het hebben van kinderen kunnen fiscaal niet worden verwaarloosd zonder het fundament van ons belastingstelsel aan te tasten. Zulks zou zeker een ernstig precedent scheppen. De volgende fase omvat naar de mening van de Regering lagere kinderbijslag naarmate het inkomen stijgt. Bij aanvaarding van het voorstel van de Regering met inbegrip van die volgende fase vreesden de aan het woord zijnde leden dat vele andere elementen van draagkracht waarmee thans in de belastingwetten rekening wordt gehouden en waarvan enige hierboven genoemd zijn, in de toekomst op de tocht worden gezet. Zij vreesden zulks te meer, omdat zij als achtergrond van deze voorstellen meenden te zien de opvatting dat iedere fiscale belastingaftrek een gunst is die de overheid uit haar algemene middelen toestaat en die op één lijn te stellen zou zijn met subsi-Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

dies uit de staatskas: hetzij aan allen, hetzij aan bepaalde groepen te verlenen tegemoetkomingen. Deze leden deelden deze opvatting niet. De kinderaftrekregeling maakt deel uit van de belastingvrije sommen, die nodig zijn om dat deel van het inkomen te bepalen, waarover belasting verschuldigd is. Die sommen behoren tot de zogenaamde horizontale tariefstructuur, dat wil zeggen, zij beïnvloeden het belastingbedrag, ongeacht de hoogte van het belastbaar inkomen. De verticale tariefstructuur brengt dan de belastingdrukverschillen teweeg, waarbij een rol spelen het belastbaar bedrag en de geldende zeer progressieve tarieven. De kinderaftrek is een middel om de inkomstenbelasting van belastingplichtigen mèt kinderen ten opzichte van belastingplichtigen zónder kinderen, alsmede van belastingplichtigen met mèèr kinderen ten opzichte van belastingplichtigen met minder kinderen onderling redelijk te kunnen vaststellen. Deze leden hadden in de memorie van toelichting een indringende benadering van het draagkrachtbeginsel in onze belastingstructuur pijnlijk gemist. De verwijzing naar de wijziging met ingang van 1973 was voor hen daartoe onvoldoende. Het ging toen om de invoering van een schijventarief als technische wijziging. Ook deze leden zouden zich intussen een belastingstelsel kunnen voorstellen waarbij draagkrachtverschillen niet langs de weg van kinderaftrek zouden worden vereffend maar door middel van het hebben van een stelsel van belastingvrije gelijke kinderbijslagen. Dit is echter niet wat de Regering voor de toekomst voor ogen staat. Ware dit wel het geval dan zouden deze leden -ongeacht hun oordeel over een dergelijk voorstel ten principale -in ieder geval een gefaseerde uitvoering noodzakelijk achten. Zij zagen voorts -het zij nogmaals herhaald -dit wetsontwerp sterk in samenhang met de volgende fasen die de Regering beoogt. Men kan dan ook dit wetsontwerp voor de eerste fase niet op zich zelf beschouwen. De dan bestaande gelijke belastingvrije kinderbijslag blijft in die volgende fase immers volgens het voornemen van de Regering niet in stand. Eventuele aanvaarding van het wetsontwerp biedt geen rechtvaardiging voor het vervolgens in de tweede fase doen dalen van de kinderbijslag naarmate het inkomen stijgt, zonder herleving van het instituut van de kinderaftrek. Dat de kinderaftrek in de eerste fase is afgeschaft, is daarvoor geen argument gelet op de samenhang tussen belastingvrije kinderbijslag en kinderaftrek. In de eerste fase blijft de gelijke kinderaftrek materieel nog bestaan. Zij wordt immers overgeheveld naar een daarmee opgehoogde kinderbijslag. Daarmee zou aan het draagkrachtbeginsel voldaan kunnen zijn niet méér of minder dan thans het geval is. In de volgende fase is dat niet meer het geval. Een in de tweede fase uitkeren van lagere kinderbijslag naarmate het inkomen hoger is, betekent dat ook de fiscale vrijstelling van de kinderbijslag -een materië-le kinderaftrek tot het bedrag van de kinderbijslag -daalt naarmate het inkomen stijgt. Dit is in strijd met de erkenning van horizontale draagkrachtverschillen in de fiscaal rechtvaardige lastenverdeling.

Het gaat hier om de geringere draagkracht tot het betalen van inkomstenbelasting welke bij een gelijk inkomen gehuwden mèt kinderen hebben ten opzichte van gehuwden zónder kinderen en ongehuwden. Dit geldt bij een gelijk inkomen ongeacht op welk niveau dit inkomen ligt. Indien en voorzover de belastingvrije kinderbijslag in de tweede fase zou dalen, zou daartegenover in die fase een compenserende aanvullende kinderaftrek dienen te staan tot het bedrag van de gederfde kinderbijslag. In die fase zou in ieder geval de kinderaftrek hersteld moeten worden. Zó verstonden deze leden ook de betreffende passage in de meergenoemde 1 %-nota. (blz. 66, 3de alinea.) Deze leden verwezen in dit verband ook naar de hogere kinderaftrek voor zelfstandigen met 1 of 2 kinderen, die geen kinderbijslag genieten. Een dalende belastingvrije kinderbijslag -en dus dalende materiële kinderaftrek -naarmate het inkomen hoger is, komt naar hun mening óók in strijd met het via de inkomstenbelasting te voeren inkomensbeleid. Immers, dit leidt tot een verzwaring van de inkomstenbelasting uitsluitend voor ge-Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

huwden met kinderen, des te zwaarder naarmate het aantal kinderen groter en het inkomen hoger is. Een grotere draagkracht bij een hoger inkomen is terug te vinden in een hoger tarief maar dat is dan ook geldend voor iedereen: voor ongehuwden, voor gehuwden zónder, en voor gehuwden mèt kinderen. Het beleidsvoornemen van de Regering voor de tweede fase kan derhalve niet verdedigd worden op grond van het inkomensbeleid. In dit verband stelden deze leden de vraag of de Regering een overzicht kan geven van de kinderregelingen in een aantal landen, zowel wat betreft de kinderbijslag -al dan niet belast -als de kinderaftrek. Uit het antwoord op de bij de 1%-nota gestelde vraag nr. 153 bleek hen intussen reeds dat een dalende kinderbijslag, afhankelijk van het inkomen, voor zover bekend niet bestaat! Zijn voorts niet een aantal uitvoeringstechnische problemen verbonden aan een van het inkomen afhankelijke kinderbijslag? Zijn deze problemen niet zö talrijk en zö gecompliceerd dat het alleen al daarom twijfelachtig zal zijn of dat voornemen realiseerbaar is? Kan men nu inderdaad stellen, dat de draagkrachtverschillen ten gevolge van het tot zijn last hebben van kinderen, de laatste tijd in ons land op andere wijze worden vereffend, zodanig dat een de factokinderaftrek kan worden gemist, overigens de draagkrachtgedachte als fundamenteel element bij de belastingheffing intact latend? Daartoe zou naar de mening van de aan het woord zijnde leden dan toch moeten worden onderzocht aan wie de verschillen van het zich ontwikkelende inkomensbeleid, van de welvaartstoeneming, van de sterk verbeterde gemeenschapsvoorzieningen in de secundaire en tertiaire sfeer meer in het bijzonder ten goede zijn gekomen. Deze leden waren van oordeel dat bovenbedoelde vruchten juist mede door het gevoerde inkomensbeleid -overigens tot op grote hoogte niet zonder hun in-stemming gevoerd en zulks niet alleen door dit kabinet maar ook in voorgaande perioden -méér ten goede zijn gekomen aan diegenen waarvan het inkomen lager was. Als nu de Regering althans het draagkrachtbeginsel als fundament van ons belastingstelsel wenst te handhaven, was het deze leden niet duidelijk hoe de Regering juist «in de ontwikkeling in de secundaire en tertiaire sfeer» aanleiding ziet om, los van de noodzakelijke kostenbeperking, te vinden dat met name voor de hogere inkomensgroepen de behoefte aan kinderbijslagvoorzieningen minder dringend zou zijn dan voorheen. Vreest de Regering niet bovendien, dat bij het inbouwen van inkomensgrenzen ook in de kinderbijslag de cumulatieve extralasten bij overschrijding van een bepaald draaipunt te groot worden? De gegevens vermeld in de nota naar aanleiding van het eindverslag bij wetsontwerp 14171 tot wijziging van de inkomstenbelasting etc. geven toch wel een zekere indicatie in die richting. De hier aan het woord zijnde leden meenden uit dit alles niet anders te kunnen concluderen dan dat de Regering alleen bedoelt dat zij het gewenst acht om aan de vele vormen van nivellering die er al bestaan nog een nieuwe toe te voegen. Zulks betreft dan een nivellering die uitsluitend gaat ten koste van gezinnen met kinderen, waarbij binnen één en dezelfde inkomenscategorie het nadeel groter wordt naarmate men één dan wel twee of drie of meer kinderen te verzorgen heeft. Hun beschouwingen op dit onderdeel afsluitend achten zij de door de Regering tot nu toe aangedragen motieven niet overtuigend. Zij zagen daarom met te meer belangstelling de nadere uiteenzetting van de Regering tegemoet.

Na hun eerder in dit verslag genoemde bezwaren hadden de leden van de V.V.D.-fractie grote bezwaren tegen het afschaffen van de kinderaftrek. Zij achtten het in strijd met het draagkrachtbeginsel, dat meer in het bijzonder aan de loon-en inkomstenbelasting ten grondslag ligt, de gezinskosten hier voortaan buiten te houden. De in de memorie van toelichting gedane suggestie, dat de wijzigingen in 1973 reeds een begin hiervan ingeluid hebben, achtten zij misleidend, omdat toen op zuiver technische gronden verband Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

houdende met de invoering van het schijventarief tot wijziging is overgegaan, maar de fiscale voordelen voor de betreffende gezinnen in totaal niet zijn gewijzigd. De thans voorgestelde regeling doet zulks zoals uit de tabellen blijkt, op ingrijpende wijze.

De leden van de fractie van DS'70 waren verbaasd over de naam van het ontwerp. De bestemde aftrek wordt immers niet toegepast op de belasting maar op het inkomen. In dat verband vestigden deze leden de aandacht op artikel 16 van het Europees Sociaal Handvest over het «recht van het gezin op sociale, wettelijke en economische bescherming». Hier verbinden de overeenkomst sluitende partijen zich «de economische, wettelijke en sociale bescherming van het gezinsleven te bevorderen, onder andere door het treffen van fiscale regelingen». In de memorie van toelichting op wetsontwerp 8608 -Goedkeuring van het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvestwerd hierover onder meer opgemerkt « zijn de ondergetekenden van mening, dat in ons land aan de volgende vereisten wordt voldaan: kinderaftrek ». Aan dit element zou niet meer voldaan worden als het huidige kabinet zijn ontwerp nr. 14184 inzake afschaff ing van de kinderaftrek tot wet verheven zou zien. Gaarne ontvingen deze leden toelichting op dit aspect van bescherming van gezin in het algemeen en van kinderen in het bijzonder. Midden op blz. 8 van de handeling wordt gesteld dat het critisch toetsen van de grondslagen en doelstellingen van de kinderbijslag en kinderaftrek gewenst is. De eerder aangehaalde leden vroegen wat de «doelstelling van de kinderaftrek» is? Deze aftrek heeft toch evenmin een «doelstelling» als grondslag als de belastingvrije sommen voor volwassenen? Het is gewoon een element dat behoort bij draagkrachtbepaling, los van doelstellingen van de overheid. Deze leden brachten in herinnering dat het voornemen van het kabinet om de kinderaftrek af te schaffen aan de Tweede Kamer werd medegedeeld in de in juni jl. aangeboden nota nr. 13951. De Tweede Kamer had zich toen uitgesproken over de kinderaftrek als element dat behoort bij een inkomstenbelasting naar draagkracht. Waarom zijn de indieners van dit wetsontwerp in hun memorie van toelichting niet ingegaan op de door de Kamer aangenomen motie? Willen zij dit thans doen? Het was deze leden opgevallen dat de Ministers en Staatssecretarissen in hun memorie van toelichting nauwelijks de moeite namen om hun ingrijpende voorstellen toe te lichten. De bewindslieden verwijzen naar eerdere mededelingen («heeft de Regering bij herhaling betoogd dat én uit inkomenspolitieke overwegingen en uit overwegingen van kostenbesparing de kinderbijslagregelingen herziening behoeven» en dergelijke) zonder de bereidheid te tonen tot een toelichting die ook ingaat op de argumenten welke van de zijde van de volksvertegenwoordiging zijn aangevoerd bij voorbeeld tegen passages uit de Interimnota Inkomenspolitiek of tegen de 1 %-nota van juni. Zo is bij het begrip «inkomenspolitiek» essentieel om aan te geven aan welke eenheid men denkt, aan het inkomen per kostwinner, dan wel het in-komen per huishouding, dan wel het inkomen per lid van een huishouding of aan een andere maatstaf. Aan welk begrip «inkomen» denken de bewindslieden? Bij de kinderaftrek zowel als bij de kinderbijslag is het van belang hoe men een kind ziet: als een individu met eigen rechten, dan wel als een soort «bestedingsobject» van zijn ouders (zoals dr. ir. T. de Vries en mr. C. A. de Kam doen in het Weekblad voor Fiscaal Recht van 11 maart 1976) of als een individu met rechten die echter samenhangen met zijn positie in de huishouding van zijn ouders? De Vries en De Kam beschreven in het weekblad voor Fiscaal Recht van 11 maart 1976 het huidige stelsel van bijslag en kinderaftrek als «financiële bijstand ten last van de algemene middelen» en stellen vervolgens de vraag «of het bezit van kinderen op zich zelf voldoende grond vormt voor algemene gezinssubsidies ten laste van de publieke fondsen. De Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

ontwikkeling van de medische wetenschap heeft er onder meer toe geleid, dat het krijgen van kinderen momenteel veel meer dan tot voor kort het karakter heeft van een vrijwillige bestedingsbeslissing, die in feite op één lijn staat met de aanschaf van een automobiel of chroomstalen Amerikaanse keuken. Is er onder deze omstandigheden nog reden kinderbezit fiscaal en via directe inkomenssubsidies te faciliëren, indien het gezinsinkomen overigens voldoende armslag biedt? En in geval men de financiële overheidssteun ten gunste van gezinnen met kinderen niet geleidelijk geheel wil afbouwen met het stijgen van het inkomen, ligt het toch in ieder geval voor de hand een stelsel te overwegen dat -anders dan de huidige KBA-regeling -in procenten en guldens de meeste baten oplevert voor lagere inkomens. Hoe denken de bewindslieden over dit betoog? De gedachte dat het individu en niet het gezin uitgangspunt van de sociale wetgeving moet worden is bij voorbeeld neergelegd in hoofdstuk I onder A-3 van het concept-verkiezingsprogram van de Partij van de Arbeid. Kunnen de bewindslieden dat uitgangspunt onderschrijven? De leden die deze vraag stelden meenden dat in beginsel twee richtingen denkbaar zijn voor een beleid inzake redelijke inkomensverdeling, namelijk ofwel een beleid dat uitgaat van rechten van het individu ofwel een beleid dat uitgaat van de gezinshuishouding en rekening houdt met het aantal leden van het gezin. Bij de eerste zienswijze past een eigen financiële aanspraak van het kind dat in-gezetene is van Nederland en niet over voldoende eigen inkomsten kan beschikken. Dit laatste is van belang, bij voorbeeld voor kinderen vanaf 18 jaar, die in het algemeen desgewenst in hun eigen onderhoud zouden kunnen voorzien. Bij de tweede zienswijze past een beleid dat rekening houdt met het behoefte-element van het gezin, welk element uiteraard toeneemt met het aantal leden van dat gezin. Uit deze tweede benadering volgen aanspraken van de ouders op aftrek in verband met de draagkrachtgedachte bij loon-en inkomstenbelasting.

De aan het woord zijnde leden hadden destijds uit de Interimnota lnkomensbeleid van het kabinet begrepen dat het kabinetten aanzien van de brutobeloningen wil streven naar redelijker verhoudingen door wel verschillen te aanvaarden die bij voorbeeld berusten op verschil in inspanning maar niet verschillen die berusten op traditie of macht. Voorts hebben zij begrepen dat het kabinetten aanzien van de netto-inkomensverschillen bij de inkomstenbelasting rekening wil houden met draagkracht en bij sociale voorzieningen met de behoefte. Een dergelijk beleid brengt mede dat voor een huishouding bestaande uit één lid bij hetzelfde inkomen een wat hogere belasting redelijker wordt geacht dan voor een huishouding van twee personen. Dit is thans verwezenlijkt door het stelsel van belastingvrije sommen met gelijke tarieven voor het belaste inkomen. Belastingvrije sommen behoren bij een stelsel van belastingheffing naar draagkracht. Kunnen de bewindslieden mededelen of er landen zijn, dan wel plaatsen zijn geweest in Nederland, waarin de heffing van belasting naar inkomen geen rekening houdt of hield met het aantal leden van de huishouding aan welke belasting wordt opgelegd? Kunnen zij meedelen wat ongeveer de hoogte van de tarieven was bij een dergelijke belastingheffing? Sociale uitkeringen op grotere schaal zijn van later datum dan de inkonv stenbelasting. Het is onlogisch om de belastingheffing te verzwaren door afschaffing van kinderaftrek en dan te komen tot hogere kinderbijslag. Voorop dient te staan, bij de heffing van belasting over volwassenen én kinderen, dat aan hen een redelijke belastingvrije som wordt toegekend. In het Weekblad voor Fiscaal Recht van 29 juli 1976 publiceerden prof. drs. V. Halberstadt en mr. C. A. de Kam een artikel «Over belastinguitgaven» waarin zij die tegemoetkomingen in de belastingwetgeving behandelen «die inbreuken maken op het inkomens(winst)begrip of een afwijking vormen van de normale structuur van de belastingwet, welke in de wet zijn opgenomen om een beleidsdoelstelling te realiseren die de overheid ook via directe uitgaven kan nastreven» (blz. 641 en 642). Op blz. 645 delen de auteurs mede dat zij de belastingvrije sommen van artikel 53, derde lid, van de wet op de Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

inkomstenbelasting beschouwen «als behorend tot de normale structuur van het belastingstelsel». Andere inkomensaftrekken, bij voorbeeld de kinderaftrek en bejaardenaftrek, «zijn als belastinguitgaaf aangemerkt». De auteurs kiezen «deze benadering omdat de gemeenschap aan ouders metfinancieel afhankelijke kinderen op een aantal manieren (geldelijke) steun verleent, onder andere in de vorm van een inkomensaftrek». De nu aan het woord zijnde leden meenden dat een dergelijke benadering onjuist is om drie redenen: ten eerste is er geen principieel verschil tussen een belastingvrije som voor een volwassene en voor een kind. Beide hebben behoeften. Een inkomstenbelasting naar draagkracht dient daarmede rekening te houden. In de tweede plaats is het onjuist om de kinderaftrek te definiëren als een «geldelijke steun door de gemeenschap». Dit suggereert dat al het bruto inkomen aan de gemeenschap toebehoort en dat daarna door de gemeenschap iets wordt teruggegeven aan de kinderen of hun ouders. De belastingwetgeving in Nederland is echter aldus dat het inkomen toebehoort aan de ontvanger (rechthebbende) op dat inkomen en dat deze daar-van een deel -rekening houdende met zijn (haar) draagkracht c.q. die van zijn (haar) gezin -behoort af te dragen. Ten slotte doet het feit dat de overheid op andere wijze steun verleent niet af aan het karakter van belastingvrije sommen. Volwassenen hebben aanspraak op belastingvrije sommen, ook al wordt aan sommige groepen volwassenen, bij voorbeeld via de algemene bijstand of via sociale verzekeringen, een uitkering verstrekt.

Gaarne zouden deze leden de mening van de bewindslieden over het betoog van de heren Halberstadt en De Kam vernemen. Op blz. 8 van de memorie van toelichting stellen de bewindslieden «De kinderaftrek geeft een inkomensaftrek, afhankelijk van de gezinssamenstelling. Dit heeft tot gevolg dat het effect van de kinderaftrek" in guldens gemeten -hoger wordt naarmate het inkomen groter is». Welk «inkomen» wordt hier bedoeld, zo vroegen de leden van de fractie van D.S/70, het inkomen nadat rekening is gehouden met belastingvrije sommen, het inkomenpergezinslid, of een ander inkomensbegrip? Wat wordt bedoeld met de woorden «het effect van de kinderaftrek hoger wordt»? Dit suggereert dat de kinderaftrek als verdwenen kan worden beschouwd, dat als het ware heffing over het totale bruto inkomen van een kostwinner of van een huishouding normaal zou kunnen zijn. Dit is het echter geenzins, het is normaal in de inkomstenbelasting dat aan de leden van een huishouding een belastingvrije voet wordt toegekend. Even onjuist zou het zijn, te stellen dat de aftrek van beroepsmatige noodzakelijke kosten «een hoger» voordeel oplevert voor mensen met een hoger bruto inkomen. Kern van de belastingheffing is juist dat eerst rekening wordt gehouden met dergelijke onkosten, evenals bij bepaling van de draagkracht rekening wordt gehouden met de gezinssamenstelling. Het argument van de bewindslieden zou evenzeer de belastingvrije sommen van gehuwden treffen.

Hoe zien de bewindslieden -zo werd van S.G.P. zijde gevraagd -het karakter van de kinderaftrek die materieel nog steeds in loon-, inkomsten-en vennootschapsbelasting is verwerkt? Is de aftrek niet een integrerend onderdeel van de belastingheffing naar draagkracht en daarom principieel te onderscheiden van de bijslag sociale voorziening? Hoe kunnen beide dan verwisselbaar zijn? De leden die deze vraag stelden benadrukken dat zij voorstander waren van een rechtvaardige verspreiding van de op te brengen belastingen over de burgers naar de mate van hun inkomen en naar de mate van het aantal personen dat van hen afhankelijk is. In dat verband zouden zij eerder akkoord kunnen gaan met de regeling zoals die vóór de défiscalisering der kinderbijslag bestond. Kunnen de bewindslieden voor de in de bijlage der memorie van toelichting gegeven inkomensgroepen aangeven hoe alsdan de uitkomsten zouden zijn?

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

De bewindslieden besteden veel aandacht aan het feit dat als gevolg van de défiscalisering van de kinderbijslag, die welvaartsvast is, vanaf 1977 reeds volstaan kan worden met beperking van de aanvullende kinderaftrek tot die voor drie of meer kinderen. Juist vanwege de daaraan verbonden verdoezeling van het draagkrachtbeginsel hadden de hier aan het woord zijnde leden aantekening verkregen tegen dat onderdeel van wetsontwerp 14171 te hebben gestemd. Zij zouden wel willen vernemen wat de gevolgen zouden zijn in geldsbedragen, wanneer de inflatiecorrectie op dezelfde wijze (dus voor 100%!) was toegepast als de aanpassing van de kinderbijslagbedragen. Zij hadden de indruk dat in dat geval de oorspronkelijke aftrek van 7 of meer kinderen nog gehandhaafd had moeten worden. Kan de Regering een tabel geven waarin die gevolgen zijn verwerkt? Ook deze leden vonden overigens de verwijzing naar de défiscalisering van de kinderbijslag vanaf 1973 maar een heel zwak argument. Immers, uit de wetsgeschiedenis van de structurele wijziging van de inkomstenbelasting (de invoering van het z.g. schijventarief) blijkt duidelijk dat de Kamer zich uitsluitend op technische gronden neerlegde bij deze maatregel, doch daarbij tevens uitsprak dat het fiscale inkomensbegrip wel degelijk rekening behoort te houden met de draagkracht. Daarbij werd weliswaar een grotere differentiatie van de kinderaftrek bepleit, doch hieruit kunnen geen vermoedens worden gedistilleerd, dat met de invoering van dat stelsel de kinderaftrekbedragen zouden worden aangetast. Op welke gronden kan het kabinet de nu voorgestelde regeling dan wel verdedigen?

De fundamenteel verkeerde visie op de plaats van de overheid komt volgens de leden van de fractie van het Gereformeerd Politiek Verbond in het thans ingediende ontwerp het meest opmerkelijk tot uiting. Zij vroegen of de achterliggende gedachte van dit wetsontwerp is, dat de belastingaftrek een negatief inkomen van de overheid voorstelt. Betekent dit in feite dat het uitgangspunt is dat de staat de uiteindelijke eigenaar is van het totale nationale inkomen? Deze leden hechtten eraan op te merken dat in hun visie kinderbijslag en kinderaftrek als twee totaal verschillende grootheden moeten worden beschouwd. Kinderaftrek is voor hen een uitvloeisel van de toepassing van het door hen als juist aanvaarde draagkrachtbeginsel bij de belastingheffing. In dit verband wezen deze leden erop dat zij in deze gevallen geenszins een uitzonderlijk standpunt innemen (blijkens de aanneming door de Kamer van de motie-Drees/Staneke op 22 juni 1976, nota 13951, nr. 12). Zij vroegen of de bewindslieden deze visie van de overgrote meerderheid van de Kamer hebben verdisconteerd in hun voorstellen zoals die thans aan de Kamer worden aangeboden. Deze leden waren van mening dat kritiek op de denivellerende werking van het totaal van kinderbijslag en kinderaftrek terecht kan zijn, maar dat de werkelijke oorzaak van die denivellerende werking dient te worden weggenomen. Waarom is niet gekozen voor een opheffing van de sinds 1 januari 1973 geldende belastingvrijdom van de kinderbijslag? Is een met het inkomen en het kindertal variabel bedrag van kinderaftrek nog een punt van overweging geweest?

Van de zijde van de fractie P.S.P. wees men op een inconsequentie in de toelichting, waar gesteld wordt dat de belastingvrijdom van kinderbijslag berust op het feit dat «een deel van het inkomen nodig is voor het levensonderhoud van kinderen». Naar de mening van deze leden geldt een dergelijk -juist -uitgangspunt eveneens voor de kosten van levensonderhoud van die grotere kinderen, die soms ten onrechte volwassenen worden genoemd. Een beleid daarop gericht betekent een goede stap in de richting van een basisinkomen voor ieder.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

De socialezekerheidsaspecten

De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. wensten, op dit punt gekomen, ook nog eens opnieuw te wijzen op de dieper liggende betekenis van de kinderbijslag in ons systeem van sociale zekerheid. Zeer velen beschouwen de kinderbijslag als een wezenlijke component van het rechtvaardig loon, respectievelijk het rechtvaardig inkomen. Bij de behandeling van de nota collectieve voorzieningen in juni jl. had ook de woordvoerder van de aan het woord zijnde leden op dit onderdeel er reeds op gewezen dat de kinderbijslagwetten in de vorm van een oneigenlijke sociale verzekering altijd zijn beschouwd als instrument van inkomensverdeling, met name van horizontale inkomensverdeling ten behoeve van gezinnen met kinderen. Het gaat hierbij om de herverdeling van een gedeelte van het inkomen. Via het systeem van de kinderbijslag wordt ervoor gezorgd, dat het gezin met getalsmatig meer dan het gemiddelde aantal kinderen alleen op grond van dit feit niet in een maatschappelijk ongunstiger positie wordt geplaatst. Vanuit die achtergrond dienden naar de mening van deze leden de navolgende overwegingen in de beschouwingen te worden betrokken: 1. De kinderbijslag is slechts een bijdrage in de werkelijke kosten van de verzorging en opvoeding van kinderen. 2. De kinderbijslag is ook voor midden-en hogere inkomens tot dusverre een component geweest in het inkomen en werd als zodanig niet als een onrechtvaardige zaak gezien. 3. Het huidige stelsel van kinderbijslagwetten werkt toch wel onrechtvaardig in zijn uitwerking met name door het niet differentiëren van de kinderbijslag naar leeftijd, de progressie in de bedragen, alsmede de aanwezige mogelijkheid van twee of drievoudige bijslag, waarvan met name in hogere inkomensgroepen gemakkelijker gebruik kan worden gemaakt. 4. De zelfstandigen zijn op dit terrein altijd achtergesteld bij de loontrekkenden. 5. De herstructurering moet ook passen in de noodzakelijke harmonisatie binnen de EEG. Deze leden stipuleerden nog eens dat de kinderbijslag niet meer dan een deel van de kosten van elk kind dekt, slechts een teruggang in de materiële positie van het gezin of degene die kinderen te verzorgen heeft voorkomt, maar die positie niet geheel onaangetast laat. Bij elk kind méér is het verschil tussen kinderbijslag en werkelijke kosten van het gezin groter. Het is daarmee niet uitsluitend een zaak die speelt bij wat het «rechtvaardig inkomen» genoemd mag worden voor lagere inkomensgroepen, het geldt evenzeer in-komens die daarboven liggen. Een inkomensgrens is hier niet juist. Daarbij is niet in het geding of en in hoeverre de bestaande verticale verschillen in de primaire inkomens op dit moment al of niet gerechtvaardigd zijn, evenmin of zij dat voorheen waren dan wel of zij dat over enige jaren zullen zijn. Het betrekken van de kinderbijslag in op andere gronden gewenst geachte structurele veranderingen in de verticale inkomensverdeling tast de materië-le positie aan van gezinnen met kinderen ten opzichte van gezinnen met minder kinderen of zonder kinderen in dezelfde inkomenslagen. Ook de voor dit wetsontwerp eerstverantwoordelijke bewindsman had bij het debat in juni gesteld in het algemeen geen moeite te hebben met de vijf zojuist genoemde uitgangspunten. Juist vanuit deze achtergronden en de hieruit volgende samenhang tussen de eerste en tweede fase hadden de aan het woord zijnde leden ook gepleit voor het doen uitgaan van een open adviesaanvrage aan de SER in dien zin, dat de verschillende alternatieven, rekening houdend met de genoemde overwegingen, tegen elkaar zouden kunnen worden afgewogen. De juistheid van dat verzoek is overigens intussen ook door het thans verschenen SER-advies voor de eerste fase wel bewezen. Het vertrouwen dat aan dat door hen alleszins redelijk geachte verzoek zou worden voldaan, had de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. er in dat debat in juni toe gebracht zich in eerste termijn met de operatie voor 1977 akkoord te verklaren al hadden sommigen ook toen reeds hun twijfels Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

over de juistheid van de vorm waarin die eerste fase zou worden gegoten. Uit dat debat bleek verder duidelijk dat het in ieder geval niet hun bedoeling was dat in de tweede fase niet op de afschaffing van de kinderaftrek zou kunnen worden teruggekomen.

Hoewel de leden van de P.P.R.-fractie het eens waren met de inhoud van het wetsontwerp, plaatsten zij wel enige vraagtekens bij het kader, waarbinnen dit wetsontwerp en ook de toekomstige herstructurering van de kinderbijslagregelingen worden geplaatst. De Regering spreekt over een flexibel systeem dat past binnen het inkomensbeleid en dat mogelijkheden biedt tot een differentiatie naar inkomen. De aan het woord zijnde leden wachtten deze maatregelen met belangstelling af, maar vroegen zich toch af of in het kader van een effectief inkomensbeleid gedacht wordt aan het inkomen van de ouder of aan dat van het kind. Als uitgegaan wordt van het inkomen van de ouder wordt dan niet bereikt, dat de afhankelijkheid van de kinderen evenredig is aan het inkomen van de ouder? Daarnaast wezen deze leden op talrijke factoren, die het begrip inkomen zodanig vertroebelen (met als resultaat bij gelijk brutoinkomen verschillende aftrekmogelijkheden), dat zij niet verwachten -waar de Regering nog zo weinig voortgang maakt met de concretisering van een inkomensbeleid -dat reeds per 1 januari 1978 duidelijkheid over deze materie te verwachten is. Of bestaan reeds voornemens om bij de toepassing van de kinderbijslagwetten in de toekomst een specifieke inkomensbeheersing in te bouwen? Het gaat naar de mening van de aan het woord zijnde leden om de vraag of gewerkt zal worden aan een regeling, die principiëel als uitgangspunt heeft het recht op een basisinkomen voor ieder met een differentiatie naar leeftijd tot bij voorbeeld 18 jaar. Tot een bepaalde leeftijd, bij voorbeeld 16 jaar, zou dit basisinkomen voor kinderen uitgekeerd kunnen worden aan de verzorgers van het kind. Genoemde leden vroegen zich af of in een dergelijk beleid het differentiëren naar inkomen van derden (ouders) wel past.

Op blz. 7 van de memorie van toelichting wordt medegedeeld dat het wetsontwerp inhoudt een overheveling van kinderaftrek naar kinderbijslag «in de vorm van een opslag op de kinderbijslagbedragen», welke opslag «gelijk is aan het belastingvoordeel dat de modale werknemer van de kinderaftrek zou hebben gehad. Voor inkomensgroepen onder resp. boven de modale werknemer brengt het voorstel daardoor voordelige resp. nadelige inkomenseffecten mee... Deze inkomenseffecten sluiten... aan bij het de Regering voor ogen staande inkomensbeleid». De leden van de fractie van DS'70 vonden de term «inkomenseffecten» ongelukkig gekozen. Sommige lezers zullen denken aan aandelen of obligaties die inkomen opleveren. Waarom is niet een eenvoudiger, meer Nederlandse, term gekozen bij voorbeeld «gevolgen voor de inkomensverdeling»? Het was deze leden voorts niet duidelijk waarom de zo tot stand te brengen veranderingen in de inkomensverdeling aansluiten «bij het door de regering voor ogen staande inkomensbeleid». Het verlagen van de kinderbijslag voor kinderen behorende tot de huishouding van een bovenmodale werknemer is immers in strijd met het behoefte-element van die huishouding, vergeleken met een kinderloos gezin van een bovenmodale werknemer. Kenmerkend voor de problematiek van kinderbijslag en kinderaftrek is dat men huishoudingen vergelijkt met dezelfde sociale positie van de kostwinner(s) maar met een verschillend aantal kinderen. De memorie van toelichting en de bijlage geven géén inzicht in de verhouding tussen mensen met dezelfde sociale positie (zelfde inkomen van de kostwinner) en huishoudens van verschillen-de grootte. De bijlage bevat slechts gegevens over een gezin van één bepaalde omvang bij verschillende inkomens.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

Gezinnen zonder kinderen -essentieel voor de vergelijking en voor de toetsing van het behoefte-element behoefte-element -komen in de bijlage niet voor. De cijfers in de bijlage belichten daarom niet de problematiek waar het bij de kinderaftrek (of bij de kinderbijslag, of bij het feit dat de belastingvrije som voor een echtpaar hoger is dan voor een alleenstaande) om gaat. De kern is de vergelijking tussen twee huishoudens, met hetzelfde verdiende bruto inkomen, maar verschillend aantal leden van die huishouding. Men kan zich twee hoofdrichtingen van benadering denken. De ene is deze dat voor een afhankelijk lid van de huishouding (echtgenote zonder eigen in-komen, afhankelijk kind) een aftrek of bijslag bestaat welke min of meer proportioneel is aan het inkomen van de kostwinner. In dit geval wordt het inko-menpergezinslid weinig beïnvloed door het aantal leden van de huishouding. Bij een dergelijke opzet neemt aftrek of bijslag toe met het inkomen van de kostwinner. Dergelijke stelsels «in procenten» zijn in het verleden wel verdedigd en zijn ook wel in de aanvankelijke opzet van de kinderbijslagwetgeving neergelegd, evenals in de opzet van ambtelijke kindertoelagen. In de andere mogelijke benadering geldt voor andere leden van de huishouding dan de kostwinner een belastingvrije som (of een bijslag) die in «guldens» is bepaald, los van het inkomen van de kostwinner. Dit is het stelsel dat Nederland in hoofdzaak kent. De belastingvrije sommen zijn afhankelijk van burgerlijke staat, leeftijd, rangnummer van kind e.d., echter niet van het inkomen van de kostwinner. De kinderbijslag in de sociale verzekering is afhankelijk van het rangnummer van het kind. Een dergelijk stelsel leidt ertoe dat het inkomenpergezinslid daalt naarmate het huishouden talrijker is. Dit heeft tot gevolg dat de nivellering tussen grote gezinnen met een verschillend inkomen van de kostwinner groter is dan tussen vrijgezellen of gehuwden zonder kinderen. Het kabinet stelt thans een derde stelsel voor, namelijk één waarbij de belastingvrije bijslag afneemt naarmate het inkomen van de kostwinner toeneemt. Zo'n stelsel heeft bestaan bij de invoering van de Algemene Kinderbijslagwet. Kunnen de indieners vertellen hoe het negatiefgekoppelde stelsel toen was op gezet en waarom dit werd herzien zodat gelijke bedragen «in guldens» werden toegekend. Negatieve koppeling aan het inkomen van de kostwinner is in strijd met het behoefte element. Kinderen van bij voorbeeld een leraar vormen in die huishouding evenzeer een kosten(behoefte)factor (behoefte) factor als kinderen van bij voorbeeld een onderwijzer. De kosten per kind nemen geenszins af als gevolg van het feit dat de kinderen behoren tot een leraarsgezin. Kunnen de indieners toelichten wat de principiële motivering is voor de voorgestelde negatieve tieve koppeling tussen bijslag en inkomen van de huishouding? Kunnen zij de gevolgen ervan toelichten in tabellen, die bij voorbeeld weergeven de onderlinge verhoudingen voor: a. minimumloners; I. een alleenstaande; II. een echtpaar zonder kinderen; III. een echtpaar met twee kinderen IV. een echtpaar met vijf kinderen, b. modale werknemers -(zelfde vier huishoudingen) en c. werknemers met twee maal het modale inkomen -(zelfde vier huishoudingen) waarbij dan de huidige situatie wordt vergeleken met het voorstel van dit wetsontwerp (steeds een vergelijking tussen I, II, III en IV)? Kunnen de indieners in tabelvorm of anderszins aangeven hoe de verhouding is tussen netto inkomenpergezinslid enerzijds bij de huidige situatie en anderzijds na aanvaarding van het wetsontwerp, tussen minimumloner, modale werknemer en twee maal het modale inkomen genietende werknemer en wel afzonderlijk voor de vier genoemde gezinssituaties (dus steeds een vergelijking tussen a., b. en c.)? De leden die om deze cijfers vroegen hadden de indruk dat thans de gelijkheid in netto-inkomenpergezinslid veel groter was tussen de grotere huishoudingen onderling dan tussen echtparen zonder kinderen of tussen alleenstaanden, een verschijnsel dat door dit wetsontwerp zou worden bevorderd zonder dat de redelijkheid ervan is aangetoond. Deze leden wezen er op dat bij de vaststelling van bruto-inkomens in toenemende mate rekening wordt gehouden met verschillen in inspanning e.d., dus met verschillen die volgens kabinet en vakbeweging behoren te leiden tot verschil in verdiend Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

inkomen. Het aantal werknemers neemt toe, het aantal ambtenaren en mensen werkende bij gesubsidieerde instellingen neemt nog sneller toe. Een gevolg hiervan is toenemende invloed van vakbeweging en overheid op de vaststelling van bruto-inkomens (mede door de daling van het aandeel in het nationale inkomen van huur, pacht, rente, dividend, e.d.). Dit neemt niet weg dat het redelijk is, om bij de belastingheffing naar inkomen te werken met progressieve tarieven, al zijn de huidige tarieven voor inkomensverschillen berustend op inspanning naar de mening van de aan het woord zijn-de leden excessief. Als gevolg van de heffing van de inkomstenbelasting blijven verschillen in netto-inkomen over, bij voorbeeld tussen een ongehuwde onderwijzer en een ongehuwde leraar, of tussen een ongehuwde portier en een ongehuwde procuratiehouder. Op deze wijze is rekening gehouden met de grotere draagkracht van de leraar ten opzichte van de onderwijzer of van de procuratiehouder ten opzichte van de portier of van de man die overwerkt of spaart ten opzichte van de man die niet overwerkt en niet spaart. Er is dan echter géén argument meer te bedenken, om het draagkrachtelement opnieuw ten tonele te voeren als de leraar of procuratiehouder trouwt, door aan hem een lagere belastingvrije som voor echtparen toe te kennen dan aan een gehuw-de onderwijzer of een gehuwde portier. Dit gebeurt ook niet. Wel wil het kabinet een lagere belastingvrije som (of toelage) toekennen voor kinderen van de leraar of de procuratiehouder. Dit is onjuist, nu het draagkrachtelement zijn rol heeft gespeeld bij de bepaling van de inkomstenbelasting van de ongehuwde.

De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen hoe de bewindslieden kunnen rechtvaardigen dat gezinnen mét kinderen en met inkomens boven die van de modale werknemers in feite zwaarder worden belast dan dezelfde gezinnen zonder kinderen? Hebben zij ook kennis genomen van een ingekomen brief waarin de noden van de grote gezinnen met cijfers en al zijn uiteengezet? Hoe kunnen de bewindslieden de door hen voorgestane regeling dan verdedigen?

De leden van de fractie van de P.S.P. onderschreven geheel de uitgangspunten van de leden van de fractie van de P.P.R., waar wordt gesproken over het richten van basisinkomensstromen naar individuen, ongeacht hun leeftijd, hetgeen in dit geval zou moeten betekenen dat de verhoogde kinderbijslag direct ten goede zou moeten komen aan de kinderen, voor zover die, om maar een streefgetal te noemen, ouder zijn dan 14 jaar. Onder die leeftijd kan uitkering aan verzorger(s)/ster(s) plaatsvinden, terwijl sterk verbeterde voorzieningen vereist blijven. De aan het woord zijnde leden denken ten deze bij voorbeeld aan crèches, opvangmogelijkheden, schoolkantines, enz., enz. Hoe denken de bewindslieden over de gedachte, in het kader van het slechts mogen aanbrengen van verschuivingen binnen een begrotingshoofdstuk, dat de optredende «bezuinigingen» dienen te worden aangewend in voorzieningen ten behoeve van kinderen en ouders met kinderen binnen het departement van Sociale Zaken? Naar de mening van de leden nu aan het woord is slechts de bezuinigingsoperatie, zoals die zo eufemistisch wordt betiteld in de één procentsnota, de vader van de gedachte dat de «welvaartstoeneming zowel als de sterk verbeterde gemeenschapsvoorzieningen in de secundaire en tertiaire sfeer» aanleiding kan geven tot «kritische toetsing» (lees bekorting) van kinderbijslag en -aftrek. Deze leden herinnerden aan hun mening omtrent kinderaftrek en de wenselijkheid van een kritische benadering daarvan, doch zij deelden allerminst de mening dat deze opgeroepen zou kunnen worden door verbe-1 Deze brief is ter kennisneming aan de Regeterde gemeenschapsvoorzieningen. Behalve een aantal verbeteringen zijn ring toegezonden.

daar ten slotte eveneens een aantal achteruitgangen te bespeuren. Worden Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

onder verbeteringen in de secundaire en tertiaire sfeer ook de «verbeteringen» ter zake van bij voorbeeld kindercentra, e.d. verstaan of menen de bewindslieden dat daar geen verbeteringen zijn opgetreden? Zo nee, zijn die voorzieningen dan sinds mensenheugenis op een juist en aanvaardbaar niveau? De leden van de G.P.V.-fractie merkten op dat de kinderbijslag zijn ontstaan primair dankt aan een regeling van werkgever en werknemer, bedoeld als een garantie dat de kostwinner voor een gezin met weinig kinderen niet bevoordeeld zal worden bij het aannemen van personeel boven een kostwinner van een gezin met veel kinderen. De bewindslieden wekken de in-druk het stelsel van kinderbijslag te behandelen als een door de overheid gestuurde inkomenscorrectie. De leden nu aan het woord vroegen of het inkomenspolitiek argument dat ten grondslag ligt aan het huidige voorstel hier niet een zeer oneigenlijk karakter bezit, aangezien de kinderbijslag is bedoeld als een instrument voor horizontale inkomensverdeling (tussen gezinnen met veel en weinig kinderen) en niet als een instrument voor een verticale inkomensverdeling (tussen gezinnen met een hoog of een laag inkomen). Ligt in het verlengde van deze regeling niet, dat ook andere, c.q. de echte sociale voorzieningen en verzekeringen worden gebruikt voor inkomenspolitieke doeleinden, door bij voorbeeld de premieheffing eveneens progressief te gaan maken? En bestaat er, eenmaal een eerste stap op deze weg van willekeur gezet hebbend, nog wel een principieel argument tegen om ook de aan particulieren berekende tarieven over overheidsdiensten, zoals paspoortleges, postbankdiensten (in de toekomst), enz. met het belastbaar inkomen te laten toenemen?

De beoogde nivellering

Geheel los van hun beschouwingen over het draagkrachtbeginsel hadden de leden Van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. nog op een andere wijze grote moeite met het aanvaarden van dit wetsontwerp. Het voorstel wordt gedaan op een moment, dat bij velen en langs veler wegen het gevoel opkomt, dat de nivellering de laatste jaren zo snel is gegaan, met name tussen het minimumloon en de middeninkomens, dat de grootste voorzichtigheid geboden is met verdere stappen. Ook vanuit de kringen van de werknemersvakbeweging is daarvan intussen blijk gegeven. Wanneer men nu de effecten van dit wetsontwerp cumulatief beziet, tezamen met de effecten van de loom en inkomstenbelasting, sociale verzekeringen, huursubsidies, studietoelagefaciliteiten, daarnaast ook denkt aan de gevolgen van een franchise in de premieheffing WAO en aan nog andere zaken die in het geding kunnen worden gebracht, hadden deze leden het gevoel dat er meer en meer gevallen gaan ontstaan, waarin een brufoloon verbetering gaat uitmonden in een nettoachteruitgang. Deze ontwikkeling kan bedenkelijke gevolgen hebben voor onze samenleving, omdat de band tussen inspanning en beloning in een aantal gevallen komt te ontbreken en in sommige gevallen zelfs tegengesteld gaat verlopen. Hierdoor zou naar hun overtuiging bij doorvoering van het wetsontwerp in zijn huidige vorm de spanning tussen minimumloon en modaal loon nog worden versterkt. In dit verband zouden de hier aan het woord zijnde leden gaarne een berekening ontvangen waaruit blijkt hoe groot de inkomensachteruitgang is -zowel in nominale zin als in percentage van het netto inkomen bij verschillende inkomensniveaus boven het modale inkomen bij één, twee, vier, zes en acht kinderen. Zulks als gevolg van de voorstellen van de eerste fase en de door de Regering gedachte voorstellen van de tweede fase tezamen. Zij nodigden de Regering uit rekenvoorbeelden te geven waarbij voor wat betreft het begin en het einde van de afbouwstrook wordt aangesloten bij verschillende schijven, zoals wij die kennen sinds 1973 in de loon-en inkomstenbelasting, hierbij gegeven dat de kinderbijslag zou dalen tot de helft van de bijslag voor de lagere inkomens.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

In de V.V.D.-fractie had men ernstig bezwaar tegen de extra nivellering die van dit voorstel voor met name de middeninkomens het gevolg zal zijn, naast de vele vormen van nivellering die dit kabinet in de afgelopen jaren reeds heeft doorgevoerd. Dit klemt te meer nu deze nivellering zal toenemen naarmate het gezin groter is en de lasten die niet door additionele kinderbijslagen worden gedekt, zwaarder zijn.

De leden van de P.P.R.-fractie ontvingen graag enig inzicht in het cumulatief effect van alle genomen en te nemen maatregelen, waarbij inkomensherverdelende factoren meespelen: retributieregelingen, wijzigingen op het gebied van de indexering, loonmaatregel e.d. Kan de Regering dit verstrekken? De genoemde leden hechten veel belang aan dit overzicht, omdat de vrees gewettigd is, dat -hoewel de Regering een wettelijke regeling voor in-komensherverdeling niet gepresenteerd heeft -langs andere wegen in-komenspolitiek gerealiseerd wordt, waaraan politiek vastgestelde criteria ontbreken. Kunnen de bewindslieden meedelen hoe het totaal aan marginale publiekrechtelijke heffingen naar inkomen (inkomstenbelasting, sociale premies, daling van kinderaftrek, -bijslag en -opslag) is voor iemand met een modaal inkomen die ongehuwd is, dan wel gehuwd zonder kinderen, dan wel gehuwd met twee kinderen, dan wel gehuwd met vijf kinderen, bij een stijging van zijn inkomen bij voorbeeld door overwerk met bij voorbeeld 20%? Naar de leden van de fractie van D.S/70 veronderstelden ligt dit marginale heffingspercentage in het voorgestelde stelsel voor gehuwden met kinderen hoger dan voor anderen. Geldt dit omgekeerd ook, zodat iemand die bij voorbeeld een rentedragende schuld aangaat ter aanschaffing van een boot of terfinanciering van zijn vacantie, of ter belegging in antiek, daardoor méér kinderbijslag (opslag) gaat ontvangen. Ziet anderzijds een echtpaar dat gaat sparen zijn rente extra wegbelast door de negatieve koppeling van kinderbijslag (opslag) aan inkomen van de ouders?

HetD'66 Beleidsplan uit 1970 achtte het wenselijk dat de kinderbijslag (gezinssubsidie) in het nieuwe geïntegreerde systeem lager zou worden naarmate het inkomen van de ouders hoger is. Gezien de verschillende sociaal-economische ontwikkelingen van de laatste jaren die een inkomensnivellering tot gevolg hadden en gezien het toenemende inzicht in de nadelige effecten van subsidies die afhankelijk zijn van de individuele inkomens, is bij de fractie van D'66 echter twijfel ontstaan of het inderdaad wel wenselijk is de gezinssubsidie af te laten nemen bij een toenemend inkomen van de ouders. Wellicht is het beter de tariefstructuur van dit wetsontwerp, waarin de verhoogde kinderbijslagen (inclusief de opslagen) onafhankelijk zijn van de inkomens, ook bij de volledige herstructurering te handhaven Daarnaast achtten de leden van de genoemde fractie he: wenselijk dat voor alle kinderen, ongeacht het rangnummer in het gezin, uiteindelijk net zeltde bedrag aan kinderbijslag zal worden uitgekeerd, zodat de tot nu toe bestaan-de progressie naar kindertal zal verdwijnen. Dit neemt niet weg dat volgens de huidige opvattingen van deze leden voor de verdere fases van de herstructurering eveneens overwogen moet worden de kinderbijslagen op grond van behoeftenonderzoek afhankelijk te maken van de leeftijd van de kinderen. De leden van de fractie van de S.G.P. hadden moeite met de stelling dat de inkomensaftrek ten voordele van de hogere en hoogste inkomens zouden werken. Moet hier niet onderscheid worden gemaakt tussen het nominaal bedrag -dat de schijn van veel hogere inkomens wekt-en het overblijven-Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

de bedrag na aftrek dus van het juist voor deze groepen sterk progressieve tarief? Kunnen de bewindslieden een staatje overleggen waarin bij voorbeeld vanaf f 50 000 opklimmend met f 10000 tot f 150 000 inkomen, het nominale verschil en het reële verschil in bovengenoemde zin zijn verwerkt? Deze leden zagen de wetsontwerp als een stukje salamitaktiek. Immers een totaalinzicht in de nivelleringseffecten in de drie sectoren (primair, secundair en tertiair) ontbreekt nog steeds. Werken de veranderingen in de secundaire en de tertiaire sector niet veelal in dezelfde richting? Is het daarom niet nodig dat deze gegevens worden verstrekt, alvorens een gefundeerd oordeel te kunnen uitspreken? Wanneer zijn de resultaten van een inmiddels bij het Departement van Financiën aangevangen studie te verwachten?

Ondanks het feit dat leden van de P.S.P-fractie de vereenvoudiging die optreedt bij de vaststelling van een uniforme compensatie voor alle inkomensgroepen, positief beoordeelden, vroegen zij zich af in hoeverre een verdere nivellering zou kunnen worden bereikt door een degressieve compensatie toe te passen naarmate het belastbaar inkomen stijgt. Hoe denken de bewindslieden in dat verband over de nivellering welke het gevolg is van de grotere aftrekmogelijkheden voor hogere inkomens en de invloed die zulks heeft op de reële én de door deze aftrekken mogelijk geworden «verborgen» bestedingsmogelijkheden? Menen de bewindslieden niet dat de mutaties in besteedbaar inkomen, zoals die blijken uit de bijlage een te rooskleurig beeld geven?

Alternatieve mogelijkheden tot besparingen bij de kinderregelingen Geplaatst voor de noodzaak van beleidsombuigingen en er verre de voorkeur aan gevend die uitsluitend te zoeken in de sfeer van de kinderbijslagen en dus niet in die van de kinderaftrek, zouden de leden van de fracties van de K.V.P., de A.R.P. en de C.H.U. daartoe verschillende alternatieven willen noemen. Zich op dat punt aansluitend bij de meerderheid van de Sociaal-Economische Raad in haar advies over de eerste fase, zouden zij geneigd zijn zich positief op te stellen tegenover een handhaven voor onbepaalde tijd van het nominale bedrag van de kinderbijslag voor het tweede kind, zoals dat bedrag volgens de thans geldende bepalingen per 1 januari a.s. zal worden vastgesteld. Ook een geleidelijke getemporiseerde afschaffing van de kinderbijslag voor het eerste kind zouden zij niet geheel willen uitsluiten. Zij sloten daarbij aan op binnen hun partijen reeds eerder ontvouwde ideeën. De situatie is sedertdien niet zo drastisch gewijzigd dat van de overweging van deze voorstellen zou moeten worden afgezien. In dat verband vroegen zij welke besparingen hiermee zouden worden bereikt. Zij wezen er daarbij op dat de oorspronkelijke argumentatie van de kinderbijslag voor het eerste en twee-de kind duidelijk anders gericht was dan voor die van derde en volgende kinderen. De kinderbijslag voor het eerste en tweede kind bedoelde te zijn een loonpolitieke maatregel met een tijdelijk karakter. Vanzelfsprekend hadden deze leden daarbij ook gedacht aan de positie van de laagste inkomensgroepen. Door gebrek aan feitelijke gegevens viel het hen moeilijk om op dat punt tot een volledige oordeelsvorming te komen. Dat de genoemde maatregel het zwaarst zou drukken op gezinnen met de laagste inkomens kwam hen in sommige opzichten te ongenuanceerd voor. Ook het totale kindertal en de mogelijkheden om van andere voorzieningen gebruik te maken dienen daarbij in de beoordeling te worden betrokken. Een dergelijke maatregel zou -bij wijze van spreken -aldus beoordeeld, wel eens het zwaarst kunnen treffen de gezinnen met inkomens juist boven de ziekenfondsgrens, zonder huursubsidie en dan nog met kinderen in de «duurste» leeftijdsgroep. Kan de Regering de effecten van deze maatregel, al of niet gefaseerd ingevoerd, nog eens duidelijk belichten? Acht zij bij beduchtheid voor loonaanspraken een waardevast maken van de uitkering voor de laagste inkomensgroepen een denkbare variant? Kan Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

bij benadering worden aangegeven tot welke financiële besparing deze variantzou voeren? Hiermee zou dan echter een element van verticale inkomensherverdeling binnen de kinderbijslagwetten worden geïntroduceerd. De invoering van een inkomensgrens daarin wordt door velen, het is hierboven al reeds aangeduid, in strijd geacht met het systeem en de doelstelling van de kinderbijslagwetten. Het zojuist aangevoerde bezwaar tegen een waardevast maken van de uitkeringen kinderbijslag tweede (en eventueel eerste) kind voor de laagste inkomensgroepen is echter hier toch minder doorslaggevend. Dat bezwaar geldt wel onverkort indien het zou gaan om het introduceren van inkomensgrenzen in de kinderbijslagregelingen voor derde en volgende kinderen. Het relativeren van dit bezwaar tegen een waardevast maken van de hier bedoelde kinderbijslaguitkeringen voor de laagste inkomensgroepen betekent echter vanzelfsprekend niet dat zulks ook van invloed zou kunnen zijn bij de beoordeling van de fiscale kinderaftrek. Dit relativeren betekent wel, dat indien en voor zover de kinderbijslag voor het tweede en eventueel het eerste kind vanaf een bepaald inkomen lager wordt, daarmee een kinderaftrek moet worden gegeven, gelijk aan het verschil tussen de kinderbijslag laagste inkomens en de werkelijke kinderbijslag. Wanneer als tweede mogelijkheid van besparing de afschaffing van de kinderbijslag voor het eerste kind, mogelijk ook voor het tweede kind wordt genoemd, dan zou dit sterk getemporiseerd dienen te geschieden, waarbij nog verschillende modaliteiten denkbaar zouden zijn. Uiteraard onderkenden de aan het woord zijnde leden hierbij de mogelijkheid dat er bij toepassing van deze maatregel méér sprake kan zijn van een lastenverzwaring dan van een besparing in de macro-economische sfeer omdat deze maatregel gemakkelijker zou kunnen leiden tot een opwaartse druk op de lonen, zeker voor de laagste inkomensgroepen. Op vragen over de studies naar deze mogelijkheden en de effecten daarvan, gesteld tijdens het 1 %-debat, hadden zij echter geen antwoord ontvangen. Is het mogelijk, zo vroegen zij thans, diepgaand op deze mogelijkheid en op de financiële uitkomsten daarvan in te gaan? Als een variant op dit alternatief wordt, zo merkten deze leden op, wel genoemd de afschaffing van de kinderbijslag voor het eerste kind, bij voorbeeld voor inkomens die uitgaan boven de ziekenfondsgrens. Voor wat het element van verticale inkomensherverdeling betreft, wat in deze variant besloten ligt, verwezen zij naar hun zojuist daarover gegeven nadere beschouwing. In 1964 sprak de SER uit dat de kinderbijslag gerelateerd diende te zijn aan de additionele kosten per kind. Dit leek ook deze leden een betere maatstaf. Niettemin zouden zij het op prijs stellen wanneer de Regering over deze gedachte eveneens haar mening zou geven. In het licht van eerdergenoemde SER-uitspraak, die naar de mening van deze leden ook gemeengoed is geworden, rijst metterdaad de vraag of zelfs de huidige uitkeringen nog wel voldoende zijn aangepast aan de additionele kosten per kind. Zij zouden daarover gaarne de mening van de Regering vernemen. Zou een gedeeltelijke oplossing van de problematiek mogelijk ook kunnen worden gevonden in het invoeren van leeftijdscategorieën binnen de kinderbijslagwetten, waarbij dan voor de jongste categorie tot een verlaging van het huidige niveau zou worden overgegaan? Zijn voorstellen in die richting reeds overwogen en zijn daarbij passende berekeningen gemaakt? Als vierde alternatief hadden de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. ook een besparing overwogen via de afschaffing -al dan niet getemporiseerd -van de bij meer kinderen oplopende bedragen. Deze progressie is weliswaar destijds bewust gekozen en moet als zodanig worden gezien als een correctie: het relatieve tekort wordt immers groter naarmate het kindertal toeneemt. Of met andere woorden: de welstand neemt dan noodgedwongen af. Dit kan ook niet los worden gezien van hetgeen de laatste jaren in de sfeer van de kinderaftrek is gebeurd. De belastingplichtige krijgt immers bij méér dan 4 kinderen toch niet meer aftrek. Bij het besparen op kin-Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

derbijslagen voor kinderen met een hoger rangnummer dient dat zeker te worden bedacht. Zonder grondige analyse van de gezinsbudgetten van diverse inkomenscategorieën kan hier toch moeilijk van een rechtvaardige wijziging worden gesproken. Beschikt de Regering in dit verband over studiemateriaal, waarmede ook de kamerleden hun winst kunnen doen? Intussen was het deze leden wel duidelijk dat hier eerder een probleem ligt bij het toekennen van dubbele en drievoudige kinderbijslag waarvan -zoals in de praktijk wel is aangetoond -in de hogere inkomensklassen eerder gebruik kan worden gemaakt dan in de inkomens te rekenen tot de middengroepen en lager. Is het -zo vroegen deze leden -nog de bedoeling aan deze problematiek op korte termijn het nodige te doen? Is daarmee reeds rekening gehouden in het op basis van de desbetreffende rapporten van de Sociale Verzekeringsraad aangekondigde wetsontwerp ter beteugeling van vormen van oneigenlijk gebruik in diverse sociale verzekeringswetten? Als vijfde alternatief is voorts door de woordvoerder van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. in het 1%-debat nog genoemd dat voor de kinderbijslag als oneigenlijke sociale verzekering een indexering met de prijsindex of met de gemengde index zou kunnen worden overwogen. De hier aan het woord zijnde leden zouden -zulks is naar hun mening toen in dat debat onvoldoende uitgediept -gaarne ook omtrent deze suggestie worden ingelicht wat betreft de effecten daarvan nominaal voor de eerstkomende jaren. Welke opvatting leeft daarover bij de Regering? Ten slotte zouden zij zich ook nog kunnen voorstellen dat zou worden overwogen het passeren van de op grond van de huidige wettelijke bepalingen voorgeschreven aanpassingen van de kinderbijslagen op een of twee van de halfjaarlijkse terugkerende data waarop zulks dient te geschieden. Ook zou -hetgeen in dit geval verkieslijker lijkt -ter bereiking van het zelfde resultaat, die wettelijke aanpassing gedurende enkele jaren enigermate kunnen achterblijven bij de mate waarin zij thans automatisch moeten worden verhoogd. Een inhaalmanoeuvre na afloop zou dan achterwege moeten blijven en nader zou moeten worden bezien welk effect zulks zou hebben op de ontwikkeling van de kinderaftrek. Deze leden ontveinsden zich niet dat hierdoor wellicht gezinnen met meerdere kinderen een groter offer zouden moeten brengen dan gezinnen met minder kinderen, maar een dergelijke maatregel geldt alle gezinnen ongeacht het primaire inkomen en brengt geen wijziging in de verticale inkomensverhoudingen. Zij zou, bezien tegen de achtergrond van de door andere groepen te brengen offers, mogelijk wat minder onaanvaardbaar kunnen worden geacht door alle betrokkenen. Wil de Regering ook over deze mogelijkheid haar mening kenbaar maken? Uit de mate waarin de hier aan het woord zijnde leden alternatieven hebben aangedragen en aan een voorlopige beschouwing hebben onderworpen zal het de Regering duidelijk zijn, dat deze leden ondanks alle bij hen levende bezwaren tegen de wijze waarop de Regering in dit wetsontwerp de eerste fase van dit deel van de 1 %-operatie heeft ingericht, toch hun toezegging gestand willen doen met betrekking tot de nominale omvang daarvan in zijn doorwerking tot 1980.

De leden van de V.V.D.-fractie waren van oordeel dat in het kader van een noodzakelijke herwaardering van de collectieve voorzieningen aan de kinderbijslagen niet voorbij kan worden gegaan. Zij geven echter verre de voorkeur aan een geleidelijke vermindering van deze uitkering door middel van bevriezing van de bedragen te beginnen bij het tweede kind met compenserende maatregelen voor de laagste inkomens.

Indien er van wordt uitgegaan dat de hoge inkomens relatief te veel profiteren van de kinderaftrek, vroegen de leden van de C.P.N.-fractie zich af waarom niet is gekozen voor een aftrek, die kleiner wordt naarmate het inko-Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nr. 6

men groter wordt en bij voorbeeld nul is bij een inkomen van f 50 000. Wat zou een dergelijk systeem budgettair opleveren?

De leden van de fractie van D'66 meenden dat in samenhang met de totstandkoming van een aantal goedkope of gratis voorzieningen rechtstreeks ten behoeve van het kind (kleuteronderwijs, sportbeoefening, e.d.) de basissubsidie in de vorm van kinderbijslag gemiddeld teruggebracht kan worden tot het gemiddelde netto effect van kinderbijslag en kinderaftrek voor het tweede kind bij het wettelijk minimumloon thans. Dit in tegenstelling tot het huidige wetsontwerp waarin als basis wordt uitgegaan van het huidige net-to-effect van kinderbijslag en kinderaftrek voor de kinderen van een modale werknemer. Uitgaande van deze opvatting zou uiteindelijk een veel groter bedrag in deze sfeer bespaard kunnen worden dan in de regeringsvoorstellen met betrekking tot de eerste fase. Toch konden deze leden akkoord gaan met de regeringsvoorstellen voor de eerste fase van herstructurering in 1977. Voor de jaren na 1977 wordt evenwel een verdere beperking van de lasten in de kinderbijslagsfeer nodig gevonden bij voorbeeld door bevriezing van alle kinderbijslagen, dus ook voor tweede en volgende kinderen uit een gezin. Zijn de bewindslieden daartoe bereid?

Van Staatkundig-Gereformeerde zijde kwam de vraag wat de bewindslieden denken van een bevriezing van de bijslag voor het tweede kind, dan wel van het waardevast maken in plaats van het welvaartsvast maken der uitkeringen. Welke besparingen zouden deze maatregelen kunnen opleveren? Hierbij herinnerden deze leden met name aan de omstandigheden waaronder de bijslag voor de eerste twee kinderen destijds in het leven was geroepen. De leden van de fractie van de P.S.P. vroegen zich af waarom de kinderaftrek bij de vermogensbelasting, het successie-en schenkingsrecht en de personele belasting buiten beschouwing is gelaten. Hoewel hier ook naar de mening van deze leden van een ingewikkelde zaak sprake is, kan het niet erbij betrekken toch niet worden afgedaan met de simpele argumentatie als in de memorie van toelichting te vinden is. Juist hier blijven de hogere inkomensgroepen zonder enige argumentatie buiten beschouwing en buiten schot. Ligt juist hier niet een uiterst aantrekkelijke mogelijkheid ter zake van een op verdere nivellering gericht inkomensbeleid? Wat zouden de meeropbrengsten zijn van gehele of gedeeltelijke afschaffing van de kinderaftrekken bij deze belastingen?

Het budgettair effect; de keuze van het ((draaipunt» De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. constateerden uit de op pagina 13 van de memorie van toelichting gegeven berekeningen omtrent de besparingen die bij eventuele aanvaarding van het voorliggende wetsontwerp worden verkregen dat deze oplopend tot 1980 dan een niveau bereiken van f 415 min. Zij herinnerden er aan dat de Regering blijkens de 1%-nota (stuk 13951, nr. 1, blz. 66) ervan uitgaat dat in 1980 in de sfeer van de kinderbijslag en de fiscale kinderaftrek een besparing van ca. 1 mld. zal moeten worden bereikt. De thans becijferde mééropbrengst ten gevolge van dit wetsontwerp voor de eerste fase kan naar de overtuiging van deze leden niet anders dan in mindering worden gebracht op de omvang van dit onderdeel van de 1 %-operatie, voor wat de volgende fase betreft, indien dit wetsontwerp zou worden aangenomen. Deze mééropbrengst mag derhalve in generlei vorm worden «verrekend» met een mindere opbrengst van andere maatregelen.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

Naar hun overtuiging mag dit ook niet inhouden dat nu een andere maatregel op enig ander terrein wel achterwege zou kunnen worden gelaten, dan wel gemitigeerd. Zij vroegen de Regering zich daarover uitdrukkelijk uit te spreken. Kwantitatief is met deze operatie reeds in het eerste jaar f 270 min. voor de schatkist te verdienen, gegeven het uitgangspunt dat alle gezinnen met een belastbaar inkomen van meer dan f 23000 een veer zouden mogen laten. De hieruit resulterende achteruitgang in besteedbaar inkomen kan blijkens de bijlage oplopen tot 1,5%. De leden van de P.v.d.A.-fractie zouden een dergelijke verschuiving zeker niet altijd als onoverkomelijk willen beschouwen. De invoering van de Algemene Ouderdomswet had heel wat ingrijpender gevolgen. Hetzelfde valt te verwachten van de komende algemene volksverzekering tegen ziektekosten. Niet onoverkomelijk is echter niet hetzelfde als beslist noodzakelijk. Het zou denkbaar zijn de onderhavige fase van de herstructurering op haar beurt te faseren door de bijslagen aanvankelijk op een hoger niveau vast te stellen. De algemene sociaal-economische omstandigheden zijn daarbij van groot belang. Vooreerst is de bijlage te pessimistisch. De gevolgen voor belasting-en/of premiedruk, voortvloeiend uit een besparing van f 270 min. zijn daarin immers niet verwerkt. Hoe zouden de tabellen moeten worden bijgesteld, wanneer dit budgettaire voordeel zou worden vertaald in een algemene verlaging van de AWW-premie?

Het onderhavige wetsontwerp voorziet -aldus constateerde men in de fractie van de C.P.N. -in een afschaffing van de kinderaftrek, die alleen voor de inkomens tot f 22855 volledig wordt gecompenseerd. Zijn de bewindslieden niet van mening, dat deze inkomensgrens, waar de uitkomst nul is, bijzonder laag is? Welke zullen de financiële consequenties zijn indien die grens wordt verhoogd tot de loongrens van de Ziekenfondswet in 1977, te weten f 33650? En welke indien het draaipunt wordt verlegd naar f 50 000? Welke zijn de mogelijkheden om die consequenties op te vangen door een verhoging van de premielast bij de ondernemers? Welke gevolgen zouden die beide alternatieve draaipunten hebben voor de hoogte van die premielast? Leden van de fractie van de P.P.R. vroegen de Regering de motieven nader uiteen te zetten, die ertoe hebben geleid de compensatie kinderbijslag te stellen op het inkomensverlies, dat een modale werknemer bij afschaffing kinderaftrek zou lijden. Wil zij in dit verband nader aangeven waarom het modale inkomen als nulpunt wordt gehanteerd en niet het gemiddeld besteedbare inkomen?

Even voorbij het midden op blz. 8 van de toelichting wordt gesproken over «de sterk verbeterde gemeenschapsvoorzieningen in de secundaire en tertiaire sfeer» als argument voor terugdringen van de kinderaftrek. Dit argument zou echter volgens de leden van de fractie van DS'70, in het kader van de 1%-operatie, dan eerder die gemeenschapsvoorzieningen dienen te betreffen. Op welke gemeenschapsvoorzieningen wordt gedoeld? Op welke verbeteringen? Het betoog van de Regering gaat dan door/net «kan gesteld worden, dat de behoefte aan kinderbijslagvoorzieningen met name voor de hogere inkomensgroepen minder dringend is dan voorheen». Kan worden aangegeven welke gemeenschapsvoorzieningen voor hogere inkomensgroepen zijn verbeterd? Welk inkomensbegrip is gebruikt bij de definitie van hogere inkomensgroepen: inkomen per huishouding of per gezinslid? Kan de stelling Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

nader worden toegelicht aan de hand van een beschouwing over hogere «inkomens»-groepen zonder kinderen vergeleken met die met kinderen?

Hoewel de leden van de S.G.P.-fractie de kinderaftrek principieel het juiste uitgangspunt vonden, zouden zij willen vragen of het draaipunt inkomen van f 25000 af 26000 wel verantwoord is. Zullen de middengroepen dan niet het grootste gelag moeten betalen? Zou aansluiting aan bij voorbeeld de f 50 000 vloer die de vakbonden hebben voorgesteld bij de loononderhandelingen niet billijker zijn? Welke financiële gevolgen zou dat met zich brengen? De leden nu aan het woord hadden bij de behandeling van het zg. belastingplan 1977, met name bij wetsontwerp 14171 gevraagd om bepaal-de gegevens inzake werknemersgezinnen met twee kinderen. In de nota naar aanleiding van het eindverslag werden deze gegevens verstrekt. De leden hier aan het woord vroegen of de bewindslieden die gegevens thans zouden willen verstrekken met inachtneming van de tarieven voor 1977 en de nieuwe kinderbijslagregeling indien deze onverhoopt zou worden aanvaard. Willen zij dezelfde gegevens overleggen met betrekking tot zelfstandigen met twee kinderen in overigens dezelfde omstandigheden? Zouden zij daarin èn voor werknemers èn voor zelfstandigen tevens willen verwerken de op stapel staande nieuwe studiefinancieringsregeling uitgaande van de daarin thans voorgestelde bijdragen? Deze leden zouden het voorts op prijs stellen precieze gegevens te ontvangen (uitgewerkt in geldbedragen volgens de inkomensverdeling genoemd in de bijlage) ter beantwoording van de vraag wie «(welke inkomensgroepen) » nu precies de f 270 min. zullen gaan opleveren. Zijn dat bij voorbeeld de hoogste inkomens? Bestaat er een verdeling naar inkomensgrootte en gezzinsgrootte? Bezitten de bewindslieden een kwantitatieve onderbouwing van hun stelling inzake «de verbetering van sociale zekerheid, onderwijs, geestelijke en maatschappelijke gezondheidszorg»? Wat betreft de «besparing» van f 270 min. vroegen deze leden zich overigens af of in plaats van de aanwending daarvan ten behoeve van de algemene middelen -uitgaande van de visie van het kabinet -niet eerder zou moeten worden gedacht aan vermindering van de premie voor de KWL en de AKW. Welke totale premiebesparing in procenten zou dat betekenen?

De leden van de G.P.V.-fractie waren verwonderd over de stelling dat de welvaartstoeneming en de verbeterde gemeenschapsvoorzieningen in de secundaire en de tertiaire sfeer met name voor hogere inkomensgroepen zodanig is geweest dat deze groepen minder behoefte zouden hebben aan kinderbijslagvoorzieningen. Kan deze stelling nader toegelicht en wel cijfermatig verduidelijkt worden?

De leden van de P.S.P.-fractie konden de ratio niet ontdekken van het hanteren van het inkomen van de modale werknemer als breukpunt voor de compensatie kinderbijslag. Zij meenden dat op dit moment het hanteren van bij voorbeeld een f 30000 grens te verkiezen zou zijn. Kan een overzicht worden gegeven van de bedragen die hiermede gemoeid zijn en van de effecten die zulks zou hebben op de mutaties in vrij besteedbaar inkomen?

Bijzondere groepen

Alimentatieplichtigen;

onvolledige

gezinnen

De leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. vroegen de Regering om in de memorie van antwoord ook in te gaan op de problematiek van de Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

categorie belastingplichtigen van wie het huwelijk door echtscheiding werd ontbonden en aan wie bij rechterlijke uitspraak de verplichting werd opgelegd de kinderbijslag af te staan aan de ex-echtgenote/genoot die met de opvoeding en verzorging van het kind/de kinderen werd belast. Daarbij ware ook te bedenken dat veelal de uitkeringsorganen de kinderbijslag direct uitkeren aan de verzorgende ouder. In de nu voorliggende voorstellen -die in de optie van de Regering nog pas een eerste fase bestrijken -zal bij het terugbrengen van de kinderaftrek tot nihil, dan wel het afschaffen van die aftrek de aan het rechterlijke vonnis ten grondslag liggende constellatie van factoren -waaronder die welke de draagkracht van de beide ouders zelfstandig bepalen -wijziging ondergaan. Zulks geldt ook los van de verhoging van de kinderbijslag die de andere ouder ten goede komt. In het algemeen zou dit de mogelijkheid van een andere rechterlijke uitspraak moeten kunnen inhouden, ook al zal niet in alle gevallen die wijziging van zulk een belang zijn dat andere toedeling gewettigd is. Deze leden gingen er van uit, dat de Regering niet beoogt via een veelheid van rechterlijke uitspraken -met alle tijdverlies en moeilijke procedures daarvan -te komen tot een nieuw evenwicht. Wil de Regering aangeven hoe zij zich voorstelt, ter zake een redelijke weg naar een oplossing te vinden? Deze leden zagen overigens hierbij een volgend probleem zodra de kinderbijslag eventueel verband zou gaan houden met het inkomen, zoals de Regering voor een latere fase voor ogen heeft. Het zou ook hier dienstig zijn als de Regering tijdig naar oplossingen zou streven.

De meest verontruste groep is naar de mening van de leden van de fractie van de Partij van de Arbeid, die van de alimentatieplichtigen, die kinderaftrek gaan ontberen doch geen recht hebben op bijslag. Deze leden zouden het voorgestelde wettelijke stelsel niet te hunner behoeve willen aantasten, maar vrezen een run op de rechter ter vermindering van onderhoudsverplichtingen. Kan de Regering ter zake in algemene zin regelend optreden?

Ook de leden van de V.V.D. fractie zouden willen vernemen of de Regering zich gerealiseerd heeft dat dit wetsvoorstel grote problemen zal doen ontstaan voor alimentatieregelingen, waarbij de kinderbijslag aan een der partijen wordt toegekend. Overheveling zonder meer van de kinderaftrek naar de bijslag zou deze regelingen ernstig verstoren en tot vele ongewenste procedures leiden. Zij konden zich niet voorstellen dat dit de bedoeling zou zijn. Stemden de leden van de P.P.R.-fractie in het algemeen in met de afschaffing van kinderaftrek, ten aanzien van de onvollediga gezinnen leven nog enige vragen. In het onvolledige gezin is een ouder volledig verantwoordelijk voor de opvoeding en dagelijkse verzorging van de kinderen. In de praktijk zal deze ouder al dan niet regelmatig een beroep moeten doen op betaal-de hulp van derden, waar in volledige gezinnen de tweede ouder kan in-springen. Ziet de Regering in het wetsontwerp geen aanleiding om voor onvolledige gezinnen analoog aan bij voorbeeld de zelfstandigenaftrek de belastingvrijesom te verhogen met een basisbedrag gedurende bij voorbeeld de periode, dat kinderen de leeftijd van 12 jaar nog niet bereikt hebben? Ook deze leden zouden graag een overzicht ontvangen van de effecten, die de afschaffing kinderaftrek veroorzaakt op het inkomen van de gescheiden ouder, die thans wel kinderaftrek doch geen kinderbijslag geniet. Overweegt de Regering de inkomenscompensatie voor deze ouder op een andere wijze te realiseren zonder dat onrechtvaardigheden ten opzichte van derden ontstaat?

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

Studenten en scholieren

De toekomstige herstructurering van de kinderbijslag zal naar de verwactv ting van de leden van de P.P.R.-fractie tegelijkertijd met nieuwe maatregelen op het gebied van de studiefinanciering moeten geschieden. Juist waar de Regering zo nadrukkelijk in de memorie van toelichting spreekt over de overwegingen van kostenbeheersing, die leiden tot de kinderbijslagherziening, dient het vraagstuk van de studiefinanciering, dat nauw samenhangt met de ruimte, die door de kinderbijslagherziening verkregen wordt, in de beoordeling betrokken te worden.

Ook de leden van de C.P.N.-fractie informeerden naar de samenhang van het onderhavige wetsontwerp met het voorgenomen systeem van studiefinanciering. De leden van de fractie van DS'70 wilden nog wijzen op aspecten die in de memorie van toelichting buiten beschouwing zijn gebleven zoals de kinderaftrek of kinderbijslag (soms tweevoudig of drievoudig) voor studerende kinderen. Deze elementen stuiten bij sommigen op bezwaar op de volgende gronden. Ook als een kind eigen inkomsten heeft (uit vermogen of uit nevenarbeid) kan kinderaftrek of kinderbijslag worden verkregen zolang de eigen inkomsten maar niet voor levensonderhoud worden gebruikt. De keuze voor voortgezet onderwijs is vrijwillig, is een soort investering. Andere investeringen (bij voorbeeld door kinderen van 20 jaar, die een bedrijf beginnen) worden niet automatisch gesubsidieerd. Hoe denken de bewindslieden over deze beide argumenten?

De leden van de P.S.P.-fractie wezen op de sterke afhankelijkheid van het stelsel van studiefinanciering van de huidige kinderbijslag en aftrek regelingen. Ondanks hun zeer critische benadering van het fungerend studiefinancieringsstelsel, dient het toch als verwerpelijk te worden beschouwd indien wijziging van de kinderbijslag en aftrekregelingen een verder verminderen-de invloed zou hebben op het inkomen van studerenden. Welke garanties kunnen de bewindslieden terzake geven? Welke invloed heeft of kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen op deze mogelijke gevolgen uitoefenen?

Partieel leerplichtigen en parttimers Uit de fractie van de P.vd.A. kwam het verzoek aan de Regering om haar oordeel te geven over de positie van de parttimers. Deze hebben met een volledige kinderbijslag maar geen onverkorte bijslag.

De leden van de P.P.R.-fractie vroegen zich af waarom voor partieel leerplichtigen geen opslag wordt toegekend. Hebben de bewindslieden inzicht verkregen in hoeverre deze maatregel voor de raden van arbeid praktische moeilijkheden zal opleveren? Heeft de bewindsman ter zake contact gehad met de Sociale Verzekeringsbank en de raden van arbeid? Is met name onderkend dat het verschil in bedrag aan kinderbijslag voor kinderen van gelijke rangorde in de gezinnen problemen bij de uitvoering zou kunnen geven met alle gevolgen van dien, zoals vertragingen in de uitkering?

De leden van de fractie van de P.S.P. meenden dat het voorgestelde beleid ten aanzien van partieel leerplichtigen in feite een dubbele aantasting bete-Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

kent van hun toch al kwetsbare positie. Is de huidige kinderbijslag een noodzakelijke aanvulling op hun schamele jeugdloon, het ontbreken van e mogelijkheid tot het verkrijgen van een kinderaftrek kan toch geen argumentatie zijn voor het hun onthouden van de opslag. Gezien het feit dat deze uitzondering, het tweede lid van de artikelen 10 en 11, toch nauwelijks een besparing van grotere omvang dan een krent kan opleveren, meenden deze leden dat een dergelijke achterstelling achterwege dient te blijven.

Zelfstandigen In de fractie van D'66 stond men op het standpunt dat de nieuwe gezinssubsidieregeling uiteindelijk gelijke rechten moet kennen voor loontrekkenden, ambtenaren en zelfstandigen. Ook de technische verwerking en de uitvoering dient voor deze groepen gelijk te worden. Dat vraagt met name een nadere herziening van de regeling voor zelfstandigen. Achten de bewindslieden het niet mogelijk dit reeds in de eerste fase van de herstructurering te realiseren? Zo nee, waarom niet?

Grensarbeiders Grensarbeiders genieten veelal -zo werd vanuit de fractie van de P.v.d.A. uiteengezet -kindergeld krachtens een buitenlandse wet. Wil de Regering hun tegenwoordige en toekomstige omstandigheden uitvoerig schetsen en met cijfers toelichten?

Ambtenaren Gaarne zouden de leden van de fractie van D.S/70 vernemen hoe de regeling thans wordt voor kinderbijslag en -toelage voor ambtenaren.

Verandering van inkomsten

De leden van de fractie van D.S.'70 vroegen de beide Ministers en de beide Staatssecretarissen om toe te lichten hoe de administratieve verwerking zou zijn bij aanvaarding van dit wetsontwerp indien ouders in de loop van een jaar meer of minder inkomsten gaan verkrijgen bij voorbeeld door overwerk, verhuur van een kamer, verwerven van een prijs uit een loterij, bevordering, gratificatie, rente op besparingen, of erven. Heeft negatieve koppeling van kinderbijslag aan inkomen van ouders in het begin van de jaren zestig niet tot grote technische problemen geleid?

Gemoedsbezwaarden De leden van de fractie van de S.G.P. hadden meerdere malen hun bezwaren tegen verzekeringen naar voren gebracht, hoewel ten aanzien van de kinderbijslag terzake verschillend wordt gedacht. Is het niet gewenst de bedragen van de extra kinderaftrek voor gemoedsbezwaarden zodanig te kiezen dat er rekening wordt gehouden met het verschil in rangorde van eerste, tweede, derde kind etc? Deze leden vroegen zich dan ook af of het vervangen van de kinderbijslag door -uiteraard navenant hogere -kinderaftrekken niet een betere weg zou betekenen dan de voorgestelde. Kunnen de bewindslieden aangeven op welke wijze daaraan het beste gestalte zou kunnen worden gegeven? Overigens hadden zij niets anders verwacht dan dat voor degenen die wegens gemoedsbezwaren geen kinderbijslag genieten, vanaf het derde kind vaste bedragen per kind in aftrek zullen worden gebracht.

De tekst van de wet

De leden behorende tot de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. vroegen zich nog af of de onderaan op blz. 10 van de memorie van toelichting ge-Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

schetste constructie, met als kern: «kinderaftrek genieten of geacht worden te genieten» niet met zoveel woorden in de wetstekst -naar zij vooralsnog aannamen de AKW/KWL -moet worden vermeld.

De leden van der S.G.P. fractie wezen op de ingewikkeldheid der gebruikte formulering. De Regering moet ficties invoeren om de verbanden met bij voorbeeld de aftrekregeling voor buitengewone lasten -en zo waren er meer gevallen te noemen waar de fiscale kinderaftrek een rol speelt -te kunnen handhaven. Wijst ook dit verschijnsel niet op overijling bij voorbereiding en indiening van het wetsontwerp?

De ingangsdatum

De leden van de fracties van de Katholieke Volks Partij, de Antirevolutionisch Partij en de Christelijke Historische Unie informeerden of de bij te verwachten nota van wijziging -zie brief van de eerste ondertekenaar aan de Kamer dd. 16 november 1976 -nader gekozen ingangsdatum van 1 april 1977, in het bedrijfsleven geen moeilijkheden met de inhouding van loonbelasting en de inrichting van de loonadministratie geeft. Ontstaan er geen moeilijkheden met de uitbetaling en de hoogte van de kinderbijslagen?

De voorzitter van de commissie, Dolman De griffier van de commissie, De Beaufort Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nr. 6

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.