Memorie van toelichting - Vervanging van kinderaftrek van de loon- en inkomstenbelasting door verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden en de Algemene Kinderbijslagwet voor het jaar 1977

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

) is uiteengezet, dat een vermindering van kinderaftrektot reële besparingen leidt. De Regering heeft in het kader van het beleid ten aanzien van een matiging van de groei van de uitgaven in de sector van de collectieve voorzieningen dan ook besloten tot een mede op inkomenspolitieke gronden berusten-de geïntegreerde benadering van kinderbijslag en kinderaftrek. Uiteindelijk streeft de Regering er naar te komen tot een totale herstructurering van de te integreren kinderbijslagregelingen en de fiscale kinderaftrek. Dit zal moeten leiden tot een eenvoudig en flexibel systeem, dat past in het inkomensbeleid en dat mogelijkheden biedt tot een differentiatie naar in-komen, kindertal en leeftijd van de kinderen. In de opvatting van de regering moet deze totale herstructurering vanaf 1978 in fasen worden ingevoerd. De eerste fase -die per 1 januari 1977-bestaat hierin, dat de fiscale kinderaftrek, met uitzondering van de o.a. die voor eerste en tweede kinderen van zelfstandigen, wordt overgeheveld naar de bestaande kinderbijslagregelingen in de vorm van een opslag op de kinderbijslagbedragen. De opslag, die evenals de kinderbijslag zelf belastingvrij zal zijn, is gelijk aan het belas tingvoordeel dat de modale werknemer van de kinderaftrek zou hebben gehad. Voor inkomensgroepen onder resp. boven de modale werknemer brengt het voorstel daardoor voordelige resp. nadelige inkomenseffecten mee. In de bij deze memorie behorende bijlage zijn deze inkomenseffecten nader uitgewerkt. Deze inkomenseffecten sluiten, zoals ook in vorengenoemde nota al werd uiteengezet, aan bij het de regering voor ogen staande inkomensbeleid.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nrs. 1-4

De eerste fase van de herstructurering per 1 januari 1977 heeft drie belangrijke aspecten: -Vereenvoudiging van de bestaande stelsels Met name voorde werknemers worden reeds in 1977 de bestaande systemen van kinderbijslag en kinderaftrek vervangen door één stelsel. Dit past in het beleid van de Regering dat op een geïntegreerde aanpak van de kinderbijslag en kinderaftrek is gericht. Door deze geïntegreerde aanpak wordt een basis gelegd, die voorwaarde is voor een verdergaande herstructurering van de kinderbijslagregelingen.

-Besparingen in het kader van het beleid ten aanzien van een matiging van de groei van de uitgaven in de sector van de collectieve voorzieningen (dezgn. 1 %-operatie) Naar de mening van de Regering moet de in het wetsontwerp voorgestel-de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek als een reële besparing in het kader van de 1 %-operatie worden aangemerkt.

-Onderdeel van het door de Regering voorgestane inkomensbeleid De huidige kinderbijslagen zijn onafhankelijk van de hoogte van het inkomen. De kinderaftrek daarentegen is een fiscale regeling, die een inkomensaftrek geeft, afhankelijk van de gezinssamenstelling. Dit heeft tot gevolg, dat het effect van de kinderaftrek -in guldens gemeten -hoger wordt naarmate het inkomen groter is.

Zoals reeds in de z.g. 1 %-nota is gesteld, is ook los van de noodzakelijke kostenbeperking, het kritisch toetsen van de grondslagen en doelstellingen van de kinderbijslag en kinderaftrek gewenst. In hoofdzaak geeft het zich ontwikkelende inkomensbeleid en daarnaast de welvaartstoeneming zowel als de sterk verbeterde gemeenschapsvoorzieningen in de secundaire en tertiaire sfeer daartoe aanleiding. Met het oog daarop kan gesteld worden, dat de behoefte aan kinderbijslagvoorzieningen met name voor de hogere inkomensgroepen minder dringend is dan voorheen en herwaardering van de bestaande wetgeving ook op grond van deze ontwikkelingen gerechtvaardigd is. Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt, dat de modaliteiten van de herstructurering nog onderwerp van grondige studie moeten zijn. In dit wetsontwerp wordt als eerste fase voorgesteld -voor zoveel mogelijk -het huidige systeem van kinderbijslag en kinderaftrek te vervangen door één inkomensonafhankelijke kinderbijslag. Tegen de achtergrond van het door de Regering voorgestane inkomensbeleid is deze operatie zodanig opgezet, dat die voor een werknemer met een modaal inkomen neutraal verloopt. Uit het vorenstaande betoog blijkt, dat de Regering uit inkomenspolitieke overwegingen de voorkeur heeft gegeven aan de in het wetsontwerp neergelegde maatregelen ter effectuering van de beoogde besparingen in 1977 boven meer globale methoden, zoals een (relatieve) verlaging -wellicht door middel van een bevriezing -van kinderbijslagbedragen. Van een dergelijke maatregel zouden namelijk alle inkomenstrekkers met kinderen nadelige gevolgen ondervinden, terwijl in het voorliggende voorstel degenen met een modaal of lager inkomen geen nadeel doch veelal nog enig voordeel zullen ondervinden.

Kinderaftrek Tussen de kinderaftrek voor de loon-en inkomenbelasting -een fiscale regeling die op basis van de draagkrachtgedachte een inkomensaftrek geeft, afhankelijk van de gezinssamenstelling -en de kinderbijslag bestaat een duidelijke samenhang. Deze samenhang die onder meer tot uitdrukking komt in Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nrs. 1-4

de hierna in herinnering te brengen wijziging van het kinderaftreksysteem in 1972, heeft de Regering gebracht tot een geïntegreerde benadering van de kinderaftrek" en kinderbijslagregeling. Met die geïntegreerde benadering wordt beoogd te komen tot een herstructurering. In het daarbij te verkrijgen nieuwe stelsel moet net als in de huidige kinderaftrekregeling mede tot uitdrukking komen dat aan een deel van het inkomen van de voor het onderhoud en de opvoeding verantwoordelijke ouders geen capaciteit om belasting te betalen kan worden toegekend. In het voorstel komt dit tot uitdrukking in de belastingvrijstelling van de (nieuwe) kinderbijslag. Ook aan de hand van de met ingang van 1973 ingevoerde wijziging van het kinderaftreksysteem kan worden toegelicht dat in de belastingvrijstelling van de kinderbijslag tot uitdrukking komt dat een deel van het inkomen nodig is voor het levensonderhoud van kinderen en dat daarover geen belasting mag worden geheven. In herinnering zij gebracht dat bij de invoering ingaande 1973 in de loon-en inkomstenbelasting van het schijventarief, het materieel beoogde onderdeel van de belastingvrije som dat staat tegenover het onderhouden van kinderen, langs twee wegen werd gerealiseerd. In de eerste plaats werd de -tot 1973 belastewettelijke kinderbijslag belastingvrij gemaakt. Het materiële effect daarvan is voor de ontvanger van kinderbijslag volledig gelijk te stellen met een even groot bedrag aan belastingvrije som. Tegenover dit belastingvrij maken van de kinderbijslag stond echter dat de kinderaftrek -onderdeel van de belastingvrije som -dienovereenkomstig lager werd vastgesteld. De meeste bedragen die in de inkomenstenbelasting en de loonbelasting als kinderaftrek worden aangeduid, zijn dan ook «restantaftrekken»: de materiële inkomensaftrek ter zake van kinderen is het totaal van de belastingvrijdom van de kinderbijslag en de restantaftrek. het vorenbedoelde karakter van de belastingvrijdom van de kinderbijslag, t.w. onderdeel van de materieel beoogde belastingvrije som, blijkt duidelijk bij de zelfstandigen. Deze genieten in beginsel geen kinderbijslag voor een eerste of tweede kind. Ter zake van deze kinderen wordt derhalve een kinderaftrek verleend die gelijk is aan de restantkinderaftrek voor loontrekkenden, vermeerderd met een bedrag ter grootte van de belastingvrije kinderbijslag die een werknemer ontvangt. Voorts blijkt het functioneren van de belatingvrijdom van de kinderbijslag als onderdeel van de materieel beoogde belastingvrije som uit het feit dat de belastingvrijstelling en de restantkinderaftrek tezamen in aanmerking worden genomen bij de jaarlijkse inflatie-aanpassing van de bedragen aan restantkinderaftrek.

Sinds 1973 is door het verschil in indexering van de kinderbijslag en van de belastingvrije som de restantkinderaftrek voor tweede en volgende kinderen al geleidelijk aan kleiner geworden: ook zonder dit wetsvoorstel zou in 1977 de additionele kinderaftrek voor het vierde en volgende kind vrijwel uitsluitend door de belastingvrijdom van de wettelijke kinderbijslag worden gerealiseerd. Voor de eerste kinderen daarentegen is de restantkinderaftrek sinds 1973 juist gegroeid, zulks als het gevolg van het bevroren zijn van de kinderbijslag voor die kinderen. Voor belastingplichtigen met kinderen voor wie in het geheel geen wettelijke kinderbijslag wordt genoten zijn in de huidige kinderaftrekregeling voorzieningen opgenomen die ertoe strekken dat in plaats van de -gemiste -belastingvrijstelling een daarmede overeenkomende (formele) belastingvrije som wordt genoten. Dit komt bij voorbeeld tot uiting in de hiervoren reeds ter sprake gekomen «hoge» kinderaftrek voor zelfstandigen en in de aanvullende kinderaftrek voor gemoedsbezwaarden en andere belastingplichtigen die hun recht op kinderbijslag niet geldend maken c.q. dat recht zonder meer niet hebben. Bij de hier bedoelde maatregel voor 1977 kan in deze gevallen de kinderaftrek uiteraard niet worden vervagen door belastingvrije kinderbijslag: in zoverre er geen kinderbijslag wordt genoten kan er immers geen belastingvrijstelling van kinderbijslag worden gegeven. De kinderaftrek voor eerste en twee-de kinderen van zelfstandigen en gemoedsbezwaaren zal daarom in 1977 -behoudens de jaarlijkse bijstelling van het tarief -dezelfde omvang hebben Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nrs. 1-4

als in 1976. Voor gemoedsbezwaarden en anderen die geen AKW genieten, blijft voor derde en volgende kinderen de aanvullende kinderaftrek van een vast bedrag per kind gehandhaafd. Met betrekking tot de voorgestelde wetswijzigingen voor 1977 zij opgemerkt dat de kinderaftrekregeling als zodanig in 1977 nog niet kan worden gemist. Alleen de verhoging van de belastingvrije som wegens het genieten van kinderaftrek voor werknemers verdwijnt alsmede die voor derde en volgende kinderen van zelfstandigen. De zelfstandigen blijven immers voor hun eerste twee kinderen kinderaftrek genieten, en recht houden op de daaraan verbonden verhoging van hun belastingvrije som. Zoals gezegd kan er in eerste fase van de integratie niet voldoende aanleiding worden gevonden om in de kinderaftrekregeling als zodanig (artikel 56 van de Wet op de inkomenstenbelating 1964 en artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964) veranderingen aan te brengen. Zolang -zij het op veel beperkter terrein dan thans het geval is -de kinderaftrek blijft gehandhaafd is een omschrijving nodig van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan wil er recht op kinderaftrek bestaan. Wel dient uiteraard de verhoging van de belastingvrije som voor de onderscheidene categorieën belastingplichtigen aan de integratie-opzet te worden aangepast: in zoverre verhoging van de kinderbijslag wordt genoten, dient de verhoging van de belastingvrije som achterwege te blijven. Het al of niet genieten van kinderaftrek is niet alleen van belang voor de vraag of de belastingvrije som moet worden verhoogd wegens het genieten van kinderaftrek maar is ook van belang voor tal van andere bepalingen. Deze bepalingen, voor zover voorkomende in wetten, zijn in het hierna volgen-de overzicht opgesomd. 1. De buitengewone lastenregeling. Het -verplicht -genieten van kinderaftrek staat aftrek van de kosten van levensonderhoud van een kind in de wet. Voorts wordt de vermenigvuldigingsfactor bij aftrek wegens ziektekosten van 1V* verhoogd tot 1 Va indien men kinderaftrek geniet voor vier of meer kinderen. 2. Indeling in tariefgroep 3 en kinderaftrek. Kinderaftrek genieten in samenhang met indeling in tariefgroep geeft recht op een extra verhoging van de belastingvrije som (optelsom is gelijk aan tariefgroep 4). 3. Aftrek onvolledig gezin. Het -verplicht -genieten van kinderaftrek voor een kind dat het huishouden verzorgt of medeverzorgt staat de aftrek onvolledig gezin in de weg. Voor deze aftrek onvolledig gezin is anderzijds voorwaarde dat men kinderaftrek geniet voor een kind dat jonger is dan 16 jaar. 4. Diplomatieke vertegenwoordigers e.d. De in artikel 2 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en in een aantal gelijkluidende bepalingen voorkomende fictie dat diplomatieke vertegenwoordigers e.d. worden geacht binnen het Rijk te wonen geldt ook voor de kinderen voor wie deze belastingplichtigen kinderaftrek genieten. 5. Vrijstellings-en reductieregeling.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de vrijstellings-en reductieregeling premieheffing volksverzekering maakt met betrekking tot de vrijstellingsgrenzen onderscheid tussen verzekerden die worden ingedeeld in tariefgroep 3 met en zonder kinderaftrek. 6. Schoolgeld. Ook voor de schoolgeldplicht alsmede voor de berekening van het schoolgeld is het in aanmerking komen voor kinderaftrek van belang. Voor het jaar 1977 -net als in de kinderaftrekregeling zelf -geen principië-le wijzigingen in de hierboven opgesomde bepalingen aangebracht. Wel wodt voorgesteld om de kinderaftrekregeling in de hierboven opgesomde wettelijke bepalingen aan te passen aan de nieuwe situatie door voortaan te spreken over «kinderaftrek genieten of geacht worden te genieten». Dit «geacht worden te genieten» verwijst naar de vervanging van het voordeel uit hoofde van restantkinderaftrek door een verhoging van de (belastingvrije) kinderbijslag: voor zover deze verhoging wordt genoten moeten daaraan dezelfde gevolgen zijn verbonden als thans voortvloeit uit de kinderaftrek.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nrs. 1-4

Door middel van deze fictie wort bijvoorbeeld voorkomen dat er twijfel kan ontstaan over de vraag of een werknemer, nu hij in feite geen kinderaftrek meer geniet, voortaan buitengewone lastenaftrek kan vragen voor de kosten van levensonderhoud van een kind. Voorts komt het de duidelijkheid ten goede als uit de vraagstellingen in de werknemersverklaringen, het aangiftebiljet e.d. aanstonds blijkt dat de kinderaftrek -in de zin van verhoging van de belastingvrije som -door werknemers niet meer wordt genoten. Deze vraagstellingen kunnen immers niet worden gemist in verband met eerder opgesomde andere bepalingen. Voor zelfstandigen die op grond van hun lage inkomen voor het eerste en het tweede kind -eveneens belastingvrije -kinderbijslag ingevolge de DDZ ontvangen, wordt deze kinderbijslag ingaande 1977 niet zoals voor loontrekkenden verhoogd met het op de modale werknemer afgestemde belastingeffect van de kinderaftrek. De regeling van de KKZ blijft ongewijzigd in afwachting van de studie inzake een integrale volksverzekering die kinderbijslag voor de eerste en tweede kinderen van alle zelfstandigen zou inhouden. In deze eerste fase van de integratie ligt het daarom voor de hand ook geen materiële wijzigingen in de kinderaftrek voor de kleine zelfstandigen aan te brengen. Dit houdt in dat ook na invoering van de eerste integratiefase de kinderaftrekbedragen voor eerste en tweede kinderen van zelfstandigen niet worden beïnvloed door het genieten van kinderbijslag ingevolge de KKZ. De gevallen waarin de loonbelasting thans nog voorziet in een verhoging van de belastingvrije som wegens het genieten van kinderaftrek worden in het voorstel op dezelfde wijze geregeld als geschiedt voor de inkomstenbelasting. Daarbij dient te worden bedacht dat het ook in de loonbelasting nodig kan zijn dat «zelfstandigen»-kinderaftrek wordt verleend. Dit is het geval wanneer er geen recht op kinderbijslag ingevolgde de KWL bestaat (genieters van lijfrenten, bedrijfspensioenen e.d.). Aangezien dit uitzonderingsgevallen zijn, zal de kinderaftrek niet in de loonbelastingtabellen worden verwerkt, maar voor zoveel nodig worden geëffectueerd door middel van een bij beschikking te verlenen «handaftrek». Ten aanzien van de gemoedsbezwaarden, die het recht op kinderbijslag niet geldend maken, zal de bestaande regeling in de Uitvoeringsbeschikkingen van de loon-en inkomstenbelasting -zoals hiervoor uiteengezet" materieel worden gecontinueerd. De loonbelasting" en premietabellen zullen, zoals hiervoren reeds werd aangeduid, ingaande 1977 geen afzonderlijke kolommen meer bevatten voor kinderaftrek. Een hiervoren aangeduide beschikking tot vermindering van in te houden loonbelasting en premie wegens kinderaftrek voor degene die geen recht op KWL heeft of dat recht als gemoedsbezwaarde niet geldend maakt, heeft daarom voortaan betrekking op de volle «zelfstandigen»-kinderaftrek in plaats van, zoals nu op het verschil tussen de hoge en de -in de tabel verwerkte -lage kinderaftrek. Voor de loon-en inkomstenbelasting brengt dat geen materiële wijziging teweeg. Voor de premieheffing levert dit voor de desbetreffende verzekerden, die overigens gering in aantal zijn, een extra inkomensaftrek op ter grootte van de huidige lage kinderaftrek voor het eerste of het tweede kind. Ten slotte wordt erop gewezen dat de voorgestelde integratie alleen betrekking kan hebben op de kinderaftrek van de loon-en inkomstenbelasting omdat alleen deze kinderaftrek is gecoördineerd met de kinderbijslag. De kinderaftrek van de vermogensbelasting, het successie-en schenkingsrecht en de personele belasting blijft in dezen dus buiten beschouwing.

De opslagen op de kinderbijslag Zoals uit het voorgaande blijkt, dienen de kinderbijslagbedragen te worden verhoogd met het inkomensvoordeel uit hoofde van de fiscale kinderaftrek van de modale werknemer, dat deze in 1977 zou hebben gehad als de kinderaftrekregeling van kracht zou zijn gebleven. De verhoogde kinderbijslagen vormen dan de nieuwe geïntegreerde kinderbijslagen.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nrs. 1-4

' Ten einde deze bedragen voor de kinderbijslagwetten hanteerbaar te maken, hebben zoda nige afrondingen plaatsgevonden dat de kwartaalbedragen door 78 deelbaar zijn.

Het eerste lid van de artikelen X en XI strekt hiertoe. De in deze leden genoemde bedragen zijn als volgt verkregen. De kinderaftrekbedragen voor loontrekkenden luiden op grond van detariefaanpassing voor 1977 -afgezien van de in dit wetsontwerp voorgestelde vervanging van kinderaftrek voor 1977 -als volgt: indien kinderaftrek wordt genoten voor: 1 kind

f 965; 2 kinderen

f 1 481; 3 of meer kinderen

f1995. De te vervangen kinderaftrek bedraagt daardoor voor het eerste kind f 965, voor het tweede kind f 516 en voor het derde kind f 514. Voor vierde en volgende kinderen behoeft uiteraard geen kinderaftrek te worden vervangen. Het belastingvoordeel voor de modale werknemer van de kinderaftrekregeling kan aan de hand van de vorengenoemde bedragen worden bepaald op: f 296,40 per jaar voor een eerste kind1 f 132,60 per jaar voor een tweede kind, en1 f 132,60 per jaar voor een derde kind. In het tweede lid van de artikelen 10 en 11 wordt voorgesteld de opslag op de kinderbijslag niet te verlenen aan partieel leerplichtige kinderen. Aangezien voor deze kinderen thans geen recht op kinderaftrek bestaat, ligt het naar de mening van de ondergetekenden voor de hand, dat voor deze kinderen de normale kinderbijslagbedragen gehandhaafd blijven. Aangezien de kinderaftrekbedragen éénmaal per jaar worden vastgesteld is in het derde lid van de artikelen X en XI een bepaling opgenomen, dat de hierbedoelde extra verhoging van de kinderbijslagen voor de toepassing van de welvaartsvastheidsbepalingen buiten beschouwing wordt gelaten. Dit ten einde te voorkomen, dat de extra verhoging per 1 juli 1977 aan de loonontwikkeling zou moeten worden aangepast. In het vierde lid van de artikelen X en XI is bepaald, dat de extra verhoging voor rekening van het Rijk komt. Indien per 1 januari 1977 de kinderaftrek wordt vervangen door opslagen op de kinderbijslag dan heeft dat geen invloed op het beschikbaar inkomen van de modale werknemer op jaarbasis. Ook in de tijd gezien treden in het algemeen geen nadelige verschillen op voor degenen die maandelijks hun kinderbijslag ontvangen (ambtenaren bijvoorbeeld) en degenen die het inkomensvoordeel van de kinderaftrek nu realiseren door middel van een (voorlopige) aanslag in de inkomstenbelasting (zelfstandigen bijvoorbeeld). Een grote categorie die in de tijd gezien ernstig nadeel ondervindt van de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek, is die van de werknemers, die hun kinderbijslag eens per kwartaal ontvangen. Zij zien hun netto-inkomens in januari, februari en maart 1977 (relatief) verminderen als gevolg van het afschaffen van de kinderaftrek en krijgen hiervoor eerst compensatie in de vorm van een opslag op de kinderbijslag in de periode begin april 1977/half mei 1977, (gemiddeld 22/4/'76). Dit is te meer bezwaarlijk, omdat in het geval CAO's niet op 1 januari expireren er sprake kan zijn van een absolute nominale netto inkomensdaling. Ten einde dit nadeel zoveel mogelijk te ondervangen, zal de opslag voor een jaar worden verdeeld over vijf kwartalen en zal het recht op opslagen niet op 1 januari 1977, doch reeds op 1 oktober 1976 ingaan. Bij een opslag van globaal f 300 voor het eerste kind betekent dit dat de betrokkenen gemiddeld op 22/1/77, 22/4/'77, 22/7/'77, 22/10/'77 en 22/1/'78f 60 untvangen, in plaats van, te beginnen met 22/4/'77, viermaal f 75. Het systeem sluit voor degenen wier kinderaantal niet verandert in de periode 1 oktober 1976-1 oktober 1977. Voor degene die per 1 oktober 1976 een kind tot zijn last had en op 1 januari 1977 en daarna niet meer ontstaat door deze spreiding een inkomensvoordeel van totaal f 60. Omgekeerd ontstaan voor degenen die op 1 oktober 1976 geen kinderen tot hun last hebben maar wel later een kind tot hun last krijgen inkomensnadelen die variëren van totaal f 15 tot f 60

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14184, nrs. 1-4

(De inkomensnadelen worden kleiner, naarmate zij het kind later tot hun last krijgen). Nu in de nieuwe regeling de fiscale kinderaftrek wordt vertaald in kinderbijslag, houdt dit tevens in dat de opslag is onderworpen aan de bepalingen die gelden voor het recht op kinderbijslag. Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van de peildata. Het recht op kinderbijslag over een kwartaal wordt bepaald door de situatie op de eerste dag van dat kwartaal. Voor het recht op kinderaftrek over het gehele jaar was men vrij de peildatum zelf te bepalen. Het kan dus voorkomen dat men gedurende het gehele jaar recht op kinderaftrek zou hebben, terwijl men volgens de nieuwe regeling slechts één kwartaal recht op de opslag heeft. Thans doen zich gevallen voor waarbij de gescheiden man en vrouw, beiden kinderaftrek genieten voor dezelfde kinderen, terwijl slechts één van beiden recht op kinderbijslag heeft. In zo'n geval zal de opslag op de kinderbijslag alleen worden uitgekeerd aan degene, die kinderbijslag ontvangt.

Besparingen In de «Nota over het te voeren beleid terzake van de collectieve voorzieningen en werkgelegenheid» zijn de besparingen van de eerste fase van de herstructurering van de kinderbijslag en -aftrek begroot op 225 min. in 1977. Nadien zijn de berekeningen verfijnd, waarbij er onder andere rekening mee is gehouden, dat voor meer (eerste, tweede en derde) kinderen meer kinderaftrek wordt genoten dan kinderbijslag en voorts dat parttimers voor de eerste twee kinderen in beginsel alleen kinderbijslag ontvangen over de dagen waarop zij hebben gewerkt. De verfijnde berekeningen geven het volgende resultaat.

Besparingen 1e fase herstructurering kinderbijslag en kinderaftrek (in min. guldens en in lopende prijzen)

1977

1978

1979

1980

Begrotingsbasis: Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek Opslagen kinderbijslag

910640

1190 825

21501-50

1445 1030

Besparingen

270

365

370

415

1977

1978

1979

1980

Transactiebasis: Meeropbrengst belastingen door wegvallende kinderaftrek

1090

1215

1340

1465 Opslagen kinderbijslag

800

890

970

1050

Besparingen

290

325

370

415

De Minister van Sociale Zaken, J. Boersma De Minister van Financiën, W. F. Duisenberg De Staatssecretaris van Sociale Zaken, P. J. J. Mertens De Staatssecretaris van Financiën, M. J. van Rooijen Tweede Kamer, zitting 1976-1977,14184, nrs. 1-4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.