Memorie van antwoord - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslag (houdende de wijziging van de financieringsstructuur AKW)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 18 november 1988

§ 1. Inleiding

Voor de voorgestelde wijziging van de financieringsstructuur van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) bestaat een breed draagvlak. Het is met genoegen dat ik tot deze vaststelling kom na kennis te hebben genomen van de inbreng van de leden van de verschillende fracties voor het voorlopig verslag op het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fractie van de P.v.d.A. nemen met instemming kennis van het voorliggende wetsvoorstel. De hoofdlijnen van de voorgestelde financieringsstructuur spreekt hun zeker aan. De achtergrond van deze positieve benadering is de uit dit wetsvoorstel voortvloeiende daling van de loonkosten en het daarmee optredende gunstige effect op de werkgelegenheid. Zoals in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel is aangegeven is ook het kabinet van mening dat de daling van de loonkosten welke een gevolg is van de wijziging van de financieringsstructuur van de AKW een gunstig effect zal hebben op de werkgelegenheid. De leden van de P.v.d.A. fractie hadden het op prijs gesteld indien de effecten op de werkgelegenheid voor het kabinet leidend beginsel was geweest bij de beleidsvoorstellen inzake de financiering van de volksverzekering. Ik merk daarover op dat de voorstellen zoals vastgelegd in wetsvoorstel 20625 (wetsvoorstel financiering volksverzekeringen) een codificatie betreffen van de bepalingen in de verschillende volksverzekeringen met betrekking tot de premieheffing. Aan de vraag naar mogelijke alternatieve financieringswijzen van de volksverzekeringen komt in dat kader geen betekenis toe. Overigens verwijs ik kortheidshalve naar de nota naar aanleiding van het eindverslag bij wetsvoorstel 20625 waarin op dit punt uitgebreid zal worden ingegaan. Deze nota zal uw Kamer een dezer dagen bereiken. De leden van de fractie van het C.D.A. wijzen op hun opstelling met betrekking tot de gehele WIR-operatie, waarvan de wijziging van de financieringsstructuur van de AKW deel uitmaakt. Daarbij is in principe ook deze AKW-wijziging aanvaard. De leden van de V.V.D. fractie gaan akkoord met dit wetsvoorstel. De leden van de D66-fractie kunnen op hoofdlijnen instemmen met het wetsvoorstel. Het lid van de fractie van de R.P.F, heeft kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. In zoverre het voorstel leidt tot vermindering

van de lasten van het bedrijfsleven, stelt dit lid vast dat het voorstel in brede kring niet omstreden is. Het lid van de G.P.V.-fractie heeft daarentegen met veel reserves kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Naar het oordeel van dit lid is de financiering van de kinderbijslag geen neutrale zaak die op pragmatische wijze aangepakt kan worden. Onder verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van de kinderbijslag stelt dit lid dat de kinderbijslag er voor zorgt dat de werknemer inkomen naar behoefte ontvangt zonder dat de positie op de arbeidsmarkt wordt geschaad door een groter behoefte-element dat wordt veroorzaakt door de kosten die samenhangen met de verzorging en opvoeding van kinderen. Daarom is het naar het oordeel van dit lid ook zeer te rechtvaardigen dat de premieplicht ligt bij de werkgever. Het spijt mij dat het lid van de fractie van het G.P.V. met veel reserves kennis heeft genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Ik ben het overigens met dit lid eens dat de kinderbijslag een instrument is en moet blijven voor horizontale inkomensverdeling. Door middel van de kinderbijslag wordt immers voorkomen dat te grote verschillen ontstaan in horizontale draagkracht tussen gezinnen met en gezinnen zonder kinderen. De AKW zal deze functie ook na de nu voorgestelde wijziging van de financieringsstructuur blijven behouden. Ik ben het echter niet eens met het lid van de G.P.V.-fractie, dat als er ergens een rechtvaardiging is voor een premieplicht voor werkgevers, dit dan wel hier het geval is. Naar mijn mening is de functie van de kinderbijslag geheel los te zien van de wijze van financiering ervan. Niet valt in te zien waarom juist de door werkgevers op te brengen premies de financieringsbron van de kinderbijslag behoren te zijn. Het spreekt voor zich dat ik verheugd ben vast te kunnen stellen dat de inhoud van het onderhavige wetsvoorstel in zo'n brede kring instemming vindt. Deze brede instemming kan er, naar ik hoop, mede toe leiden dat de parlementaire behandeling van dit voorstel van wet op een zodanig tijdstip kan worden afgerond, dat de wet nog voor 1 januari 1989 in het Staatsblad zal kunnen worden geplaatst. Deze memorie van antwoord is verder als volgt ingedeeld. In paragraaf 2 komt de nieuwe financieringsstructuur van de AKW aan de orde. In paragraaf 3 wordt ingegaan op het karakter van de AKW na de voorgenomen wijziging. De gevolgen voor de wetsvoorstellen strekkende tot uitvoering van de voorstellen van de commissie-Oort komen in paragraaf 4 aan de orde. In paragraaf 5 wordt ten slotte ingegaan op de financiële effecten van het wetsvoorstel.

§ 2. De nieuwe financieringsstructuur van de AKW De leden van de P.v.d.A.-fractie stellen, evenals de leden van de D66-fractie, vragen over de keuze de bestaande fondsconstructie te handhaven. Tevens wilden de leden van de P.v.d.A.-fractie weten of in feite een fondsstructuur zonder dat sprake is van een liquiditeitsreserve niet tot een vorm van een declaratiesysteem leidt. Deze leden vragen of er behalve de door hen genoemde constructies nog andere constructies mogelijk zijn. Los van de vraag of andere dan de genoemde mogelijkheden theoretisch denkbaar zijn constateer ik dat slechts de genoemde constructies op dit moment in de sociale zekerheid voorkomen. De keuze voor de huidige fondsconstructie is ingegeven door de wens de bestaande structuur waar mogelijk te handhaven. Niet te ontkennen valt dat de thans gekozen systematiek inderdaad zekere elementen van een declaratiesysteem in zich bergt. Door middel van de nadere regelgeving op grond van het voorgestelde nieuwe artikel 22, tweede lid, van de AKW, zal de bevoorschotting van

het AKF worden afgestemd op de door de SVB te ramen uitgaven op grond van de AKW. Afrekening van de lasten over een kwartaal zal plaatsvinden aan de hand van door de SVB in te dienen declaratie. Op deze manier wordt zeker gesteld dat voldoende middelen naar het AKF zullen vloeien. Het lid van de R.P.F.-fractie heeft hiernaar gevraagd. Wellicht ten overvloede wijs ik er op dat in het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 22 wordt vastgelegd dat het Rijk zal voorzien in de middelen tot dekking van de uitgaven van het AKF. Over de nadere regelgeving is op 14 november jl. commentaar gevraagd aan de SVr. Naar verwachting zal de SVr haar bevindingen in december aan mij doen toekomen. Zowel de leden van de P.v.d.A.-fractie als het lid van de R.P.F.-fractie hebben hiernaar gevraagd. Ik ben blij te kunnen vaststellen dat de leden van de CDA.fractie kunnen instemmen met de keuze de constructie van het AKF te handhaven, inclusief de daaraan verbonden rol van de SVB en de SVr. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen waarom is afgezien van een formulering, zoals door de SER voorgesteld, waarbij in feite de premie tot nul wordt gereduceerd als gevolg van een 100% rijksbijdrage. Ik ben van mening dat de formulering van de SER inhoudt dat in feite het begrip premiebetaling gehandhaafd dient te worden. Ik meen dat dit verwarrend zou kunnen werken daar niet daadwerkelijk sprake zou zijn van een bestemmingsheffing over het premie-inkomen. De leden van de P.v.d.A.-fractie menen dat de vraag of werkgevers en werknemers aan de financiering middels premiebetaling bijdragen niet doorslaggevend is voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoeringsorganisatie en het fondsbeheer. Zij zijn evenmin van opvatting dat de overheid geen verantwoordelijkheid zou kunnen dragen indien financiering van een regeling volledig plaatsvindt door middel van premieheffing. Ik kan mij volledig vinden in deze stellingname van de aan het woord zijnde leden. De leden van de P.v.d.A.-fractie zijn voorts van mening dat een fundamentele discussie over de kinderbijslag niet aan de hand van dit wetsvoorstel gevoerd hoeft te worden. Ook op dit punt ben ik het met deze leden eens. Ik ben van mening dat deze discussie eerst na ontvangst van het SER-advies over de structuur van de AKW moet plaatshebben. Dit SER-advies zal, het lid van de R.P.F.-fractie vraagt hier naar, naar verwachting in het voorjaar van 1989 ter beschikking komen.

§ 3. Karakter van de AKW na de voorgenomen wijzigingen De leden van alle fracties zijn in hun inbreng ingegaan op het karakter van de AKW na de voorgenomen wijziging in de financieringsstructuur. De leden van de fractie van het CDA. zijn het met het kabinet eens dat na deze wijziging in de AKW sprake is van een mengvorm waarin zowel elementen van een verzekering als elementen van een voorziening zijn te vinden. Zij kunnen zich evenwel geheel vinden in het standpunt van de SER dat de wijziging van de financiering het karakter van de AKW als volksverzekering niet verandert. De leden van de P.v.d.A.-fractie wijzen er op dat een onderscheid tussen enerzijds sociale zekerheid die de samenleving haar leden biedt bij bepaalde calamiteiten, en anderzijds sociale zekerheid ter compensatie van bepaalde uitgaven in de sociale voorzieningen kunstmatig is. De achterliggende gedachte dat het verschil in deze bepaald wordt door de wijze van financiering delen deze leden geenszins. Financiering uit de algemene middelen behoeft het karakter van een regeling op geen enkele wijze aan te tasten. De leden van de V.V.D. fractie vragen zich af of er niet een bezinning moet plaatsvinden op de vraag of de kinderbijslag nog wel een verzekering moet blijven, of dat de AKW als een voorziening

moet worden beschouwd. Deze leden zijn van oordeel dat, als er al sprake is van een mengvorm, het gewicht toch duidelijk doorslaat naar de voorzieningskenmerken. De leden van de fractie van D66 vragen zich af waarom nu wordt vastgehouden aan het verzekeringselement, zij het dat zij het verstandig vinden om waar het gaat om de kring van rechthebbenden aan te sluiten bij de overige volksverzekeringen. Het lid van de R.P.F, fractie acht het minder gelukkig dat het onderhavige wetsvoorstel op zijn minst niet zonder gevolgen is voor het karakter van de AKW en daarmee vooruitloopt op het komende regeringsstandpunt over het SER-advies inzake de structuur van de AKW dat in voorbereiding is. Ik wil met betrekking tot de gevolgen voor het karakter van de AKW het volgende opmerken. Zoals in de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel is aangegeven, doet het voorstel tot het afschaffen van de premiebetaling voor de AKW de vraag rijzen naar een mogelijke verandering van het karakter van de AKW. Ik ben het met de leden van de P.v.d.A.-fractie eens als zij stellen dat het karakter van een regeling niet bepaald wordt door de wijze van financiering. Wel ben ik van mening dat een wijziging van de wijze van financiering van een uitkeringsregeling op zijn minst de vraag doet rijzen naar een mogelijke verandering van het karakter van die regeling. De wijze van financiering is naar mijn mening, voor de beantwoording van deze vraag, een belangrijk gegeven. Premiebetaling wordt immers geassocieerd met een verzekering tegen bepaalde risico's. In aanmerking genomen de prestatiekant en de kring van rechthebbenden van de AKW komt het kabinet in de memorie van toelichting tot de opvatting dat in de AKW gesproken kan worden van een mengvorm tussen verzekering en voorziening. Over de vraag naar welke kant het gewicht daarbij doorslaat zou ik, alvorens een definitief standpunt in te nemen, het oordeel van de SER willen afwachten. Waar de SER in zijn advies met betrekking tot het voorstel tot wijziging van de financiering tot het voorlopige oordeel komt dat het karakter van de AKW geen wijziging ondergaat neemt de SER vooral in aanmerking het feit dat de bepalingen ten aanzien van de kring van rechthebbenden en het recht op kinderbijslag niet zullen worden gewijzigd. De constatering van de SER dat deze onderdelen van de AKW met dit voorstel geen wijziging ondergaan is overigens terecht. De leden van de fractie van de P.v.d.A. hebben de indruk dat het kabinet onrust heeft geïnduceerd met betrekking tot de vraag of de voorgestelde wijziging in de financiering van de AKW, veranderingen ten aanzien van de verstrekkingenkant in de AKW tot gevolg zou hebben. Zij verwijzen daarbij naar de voorstellen met betrekking tot de kinderbijslag voor kinderen die in het buitenland wonen en het rapport «Heroverweging positie niet-Nederlanders in Nederlandse stelsels van sociale en culturele voorzieningen». Met betrekking tot de voorstellen die het kabinet heeft gedaan over de mogelijkheid om te komen tot invoering van het woonlandbeginsel in de AKW wijs ik van de hand dat deze voorstellen verband zouden houden met de in dit wetsvoorstel neergelegde wijziging van de financieringsstructuur. Zoals deze leden bekend zal zijn heeft het kabinet eerder voorstellen met betrekking tot het woonlandbeginsel in de AKW gedaan, zonder dat sprake was van een wijziging in de financieringsstructuur. Ten aanzien van het door deze leden genoemde heroverwegingsrapport wijs ik er met nadruk op dat het hier een ambtelijk rapport betreft. Naar verwachting zal in april 1989 een regeringsstandpunt over de door de ambtelijke werkgroep gedane voorstellen kunnen worden afgerond. Dit rapport, noch de opdracht tot het opstellen ervan, staat in relatie met het onderhavige wetsvoorstel.

De vraag van de leden van de V.V.D. fractie of het enige bezwaar tegen de kinderbijslag als voorziening de bestaande fondsconstructie is,

beantwoord ik ontkennend. In het kader van de Toeslagenwet die duidelijk een voorziening is, is een fondsconstructie gecreëerd die goed vergelijkbaar is met de nu in het kader van de AKW voorgestelde constructie. Zoals door de leden van de verschillende fracties is aangegeven zal de SER in het advies dat hij in voorbereiding heeft met betrekking tot de structuur van de AKW nog aandacht besteden aan het karakter van de AKW. Ik heb de SER op die mogelijkheid gewezen in de adviesaanvrage over het onderhavige voorstel tot wijziging van de financiering van de AKW. Ik ben het om die reden niet geheel eens met het lid van de R.P.F, fractie als hij stelt dat met deze wijziging van de AKW vooruitgelopen wordt op een regeringsstandpunt over een nog uit te brengen SER-advies. Het advies van de SER kan wellicht aanleiding vormen tot hernieuwde discussie op dit punt.

Het lid van de G.P.V.-fractie is zeer uitgesproken in zijn opvatting dat de wijziging van de financiering van de AKW gevolgen heeft voor het karakter van die regeling. Door deze wijziging vervalt, naar het oordeel van dit lid, het verzekeringskarakter van de kinderbijslag, en wordt er een sociale voorziening van gemaakt. Wijziging van de financieringsstructuur leidt er volgens dit lid verder toe dat de verantwoordelijkheid van de werkgevers wordt vervangen door een verantwoordelijkheid van de overheid. Ik kan het op dit punt helaas niet met het lid van de fractie van het G.P.V. eens zijn. Zoals aangegeven is in de AKW sprake van een mengvorm van verzekeringselementen en voorzieningselementen. De wijze van financiering van een uitkeringsregeling is slechts een van de kenmerken. Ten aanzien van de door dit lid gesignaleerde verschuiving van de verantwoordelijkheid richting overheid en de door dit lid daaraan verbonden vrees voor de gevolgen daarvan voor de inhoud van de kinderbijslagregeling merk ik het volgende op. In de afgelopen jaren is het terrein van de kinderbijslag volop in beweging geweest. Ik noem hier bij wijze van voorbeeld slechts de integratie van de kinderbijslag voor boven 18-jarige studerenden met de studiefinanciering, de voltooiing van de leeftijdsafhankelijkheid en de bijzondere verhoging van de kinderbijslag met gemiddeld 6% per 1 januari 1988. Ook voor het komende jaar stelt het kabinet voor de kinderbijslag bijzonder te verhogen. Uit de in de sfeer van de AKW getroffen maatregelen blijkt naar mijn mening dat de overheid de verantwoordelijkheid voor de beleidsontwikkeling met betrekking tot de kinderbijslag niet heeft gelaten aan degenen op wie de premieplicht rust. Ik meen dat een wijziging in de financieringsstructuur AKW niet leidt tot een verschuiving van de verantwoordelijkheden in deze. De vrees van het lid van de G.P.V.-fractie dat financiering uit de algemene middelen de kinderbijslag meer vatbaar maakt voor incidentele bezuinigingsoperaties deel ik dan ook niet. Met betrekking tot de vraag van dit lid welke garanties kunnen worden gegeven dat exogene ontwikkelingen geen argument kunnen opleveren voor bezuinigingen in de kinderbijslag merk ik dan ook op dat ook op dit punt, met de wijziging van de financiering, geen andere situatie ontstaat. Ook in premie gefinancierde regelingen kunnen in bepaalde omstandigheden, exogene ontwikkelingen noodzaken tot compenserende maatregelen. Ik ben het overigens met het lid van de G.P.V.-fractie eens dat financiering uit de algemene middelen er niet toe kan leiden dat willekeurige aanslagen op het kinderbijslagsysteem zouden kunnen worden uitgevoerd. Dergelijke aanslagen zijn uiteraard uiterst onwenselijk. Er is overigens volstrekt geen aanleiding om te verwachten dat dergelijke aanslagen worden beraamd of zullen worden beraamd.

Met betrekking tot de opmerkingen van de leden van de D66-fractie over de opportuniteit van handhaving van een extra faciliteit voor gemoedsbezwaarden meen ik dat wellicht sprake is van een misverstand. In het geval een inhoudingsplichtige gemoedsbezwaard is in het kader van de volksverzekeringen, wordt in plaats van premie een premievervangende belasting geheven. Nu de premie AKW komt te vervallen zal deze premievervangende belasting voor zover het de AKW-premie betreft uiteraard kunnen vervallen. Verzekerden die gemoedsbezwaard zijn en om die reden het recht op kinderbijslag niet te gelde maken kunnen, evenals in de huidige situatie, in aanmerking komen voor de bestaande fiscale tegemoetkoming op het terrein van de buitengewone lasten. Een relatie tussen de premievervangende belasting en de fiscale faciliteit in de sfeer van de buitengewone lasten als door deze leden gelegd is er niet, gezien het feit dat de AKW een werkgeverspremie is.

De leden van de P.v.d.A.-fractie willen weten hoe de bestaande fiscale tegemoetkoming voor gemoedsbezwaarden die wel recht hebben op kinderbijslag maar op grond van gemoedsbezwaren geen kinderbijslag ontvangen uitwerkt naar hoogte. Voor de gemoedsbezwaarden bestaat de mogelijkheid een bedrag aan buitengewone lasten in aftrek te brengen. Deze aftrek is beperkt tot door de Minister van Financiën vastgestelde bedragen (art. 46, tweede lid, wet IB 1964, jo art. 36 Uitvoeringsbeschikking IB 1964). Met ingang van 1 januari 1988 bedraagt de aftrek f 420 per kwartaal voor kinderen jonger dan 6 jaar; f 600 per kwartaal voor kinderen van 6 tot 12 jaar en f 780 per kwartaal voor kinderen van 12 tot 18 jaar. Voor kinderen van 18 tot 27 jaar geldt een forfaitaire aftrek van f 600 per kwartaal indien de kinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Indien de belastingplichtige kinderen van 18 tot 27 jaar grotendeels dan wel geheel of nagenoeg geheel onderhoudt geldt een aftrek van f 1200 respectievelijk f 1800 per kwartaal. In het laatste geval is bovendien de eis van toepassing dat de kinderen niet tot het huishouden van de belastingplichtige mogen behoren. De fiscale tegemoetkoming voor gemoedsbezwaarden ondergaat in de voorstellen tot herziening van de belastingwetgeving naar aanleiding van de voorstellen van de commissie-Oort geen verandering.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. hadden ten slotte een concrete vraag met betrekking tot het recht op kinderbijslag voor een in het buitenland wonende werkloze jongere van 16 of 17 jaar die is ingeschreven bij een arbeidsbureau in het buitenland. Zoals hierboven reeds is aangegeven ondergaat de kring van rechthebbenden in de AKW met de nu voorgestelde wijziging geen verandering. De door deze leden gestelde vraag staat in die zin niet in verband met dit wetsvoorstel. Onder verwijzing naar de antwoorden op de vragen in deze kwestie die ik uw Kamer op 3 augustus 1988 heb doen toekomen, deel ik deze leden mede dat over een identieke zaak in de Bondsrepubliek Duitsland door het Beierse Landessozialgericht aan het EG-Hof prejudiciële vragen zijn gesteld. Gezien het feit dat de onderhavige kwestie nu onder de rechter is, verdient het de voorkeur in deze de uitspraak van het Hof van Justitie af te wachten.

§ 4. Gevolgen voor wetsvoorstellen strekkende tot uitvoering van de voorstellen van de Commissie-Oort De leden van de C.D.A. fractie hadden kennis genomen van de mededeling dat bij nota van wijzigingen de noodzakelijke wijzigingen in de Oortwetsvoorstellen zullen worden aangebracht.

De leden van de P.v.d.A.-fractie wilden weten op welk moment de noodzakelijke wijzigingen in de Oortwetsvoorstellen zullen worden aangebracht. De nota van wijzigingen op het wetsvoorstel aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Kamerstukken II, 20855)is inmiddels ingediend. De nota van wijzigingen op het wetsvoorstel overhevelingstoeslag opslagpremies (Kamerstukken II, 20657) en de nota van wijzigingen op het wetsvoorstel Financiering Volksverzekeringen (Kamerstukken II, 20625) zullen beide tegelijk met de nota's naar aanleiding van het eindverslag bij de desbetreffende wetsvoorstellen worden ingediend.

De leden van de C.D.A.-fractie hebben kennis genomen van het feit dat als gevolg van het vervallen van de premiebetaling de vrijstelling van AKW-premie voor ongehuwde vrouwen die ouder zijn dan 45 jaar, geen recht op kinderbijslag hebben en de premie bij wijze van aanslag betalen, nu automatisch komt te vervallen.

De leden van de P.v.d.A.-fractie stellen vragen over de inkomenseffecten van dit wetsvoorstel voor ongehuwde vrouwelijke zelfstandigen. Voor ongehuwde vrouwelijke zelfstandigen ouder dan 45 jaar, die geen recht hebben op kinderbijslag, treden geen inkomenseffecten op als gevolg van het wegvallen van de AKW-premie. Ongehuwde vrouwelijke zelfstandigen die jonger zijn dan 45 jaar ondergaan in 1989 een koopkrachtverbetering.

Koopkrachteffecten als gevolg van het wegvallen van de AKW-premie voor alleenstaande zelfstandigen jonger dan 45 jaar en ouder dan 27 jaar" (in %).

minimum

+ 2,1 minimum +

+ 1,9 modaal

+ 1,8 2 x modaal

+ 1,8

" In verband met geldende leeftijdsgrens voor fiscale tariefgroepenindeling.

§ 5. Financiële effecten

5.1 Macrofinanciële

effecten

De leden van de C.D.A.-fractie wensten graag enige nadere toelichting over de afbouw van de reserves in het AKF. In de toelichting bij het reeds eerder genoemde concept-financieringsbesluit is aangegeven dat het in de bedoeling ligt bij de eerste betaling in 1989 f400 min. op deze reserve in te teren en het restant van de reserve, thans geraamd op f440 min., te verrekenen met de eerste betaling in 1990. De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen aan te geven hoe de f 5,8 mld, benodigd voor de financiering van de kinderbijslaguitgaven, precies is gecompenseerd. Het Rijk als werkgever en uitkeringsinstantie realiseert door de financieringsverschuiving een premievoordeel van f 1,4 mld. Voorts worden extra belastinginkomsten inzake de vennootschapsbelasting en de loon-en inkomstenbelasting ontvangen in verband met het vervallen van de fiscale faciliëring van AKW-premies ten bedrage van f 1,2 mld. Per saldo bedraagt de extra last voor de overheid f 3,2 mld. hetgeen betekent dat de terugsluizing van WIR-gelden naar het bedrijfsleven ad f4,2 mld. grotendeels plaatsvindt via de financieringsverschuiving van de AKW-uitgaven. De leden van de fracties van D66 en P.v.d.A. hebben gevraagd naar de effecten als gevolg van de wijziging van de financieringsstructuur van de AKW voor het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenwetfonds, het lnvaliditeits-en Ouderdomsfonds en het Ouderdomsfonds B. In de struc-

turele situatie kunnen de genoemde fondsen geen beroep meer doen op de reserves van het AKF. De financieringsdekking van het Ouderdomsfonds en het Weduwen-en Wezenfonds dient daarom hoger te worden vastgesteld. Ultimo 1988 is daarmee f 188 min. gemoeid hetgeen in 1989 met betrekking tot de AOW-/AWW-premie een éénmalig verhogend effect heeft van minder dan 0,1-procentpunt.

In de premiepercentages zoals die gepresenteerd zijn bij het wetsvoorstel financiering volksverzekeringen (Kamerstukken II, 20625, nr. 6), de leden van de fractie van de P.v.d.A. vragen hiernaar, is met de gewijzigde financieringsstructuur van de AKW reeds rekening gehouden.

De leden van de P.v.d.A. fractie vragen naar de effecten voor het bedrijfsleven, op micro niveau en naar sectoren, van het totale pakket aan lastenverschuivingen, waarvan de wijziging van de financieringsstructuur van de AKW deel uitmaakt. Op macro niveau zijn de lastenverschuivingen zodanig gekozen dat budgettaire neutraliteit wordt gerealiseerd. De uitwerking op micro niveau is echter sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden waarin de desbetreffende onderneming verkeert. Factoren als de relatieve hoogte van de winst-en investeringsquote spelen daarbij een rol. Ten aanzien van deze factoren zijn op korte termijn geen gegevens te genereren.

5.2 Inkomensgevolgen

De leden van de P.v.d.A.-fractie vragen naar een meer nauwkeurig inzicht in de positieve inkomenseffecten voor zelfstandigen als gevolg van het wegvallen van de AKW-premie. Deze effecten zijn als volgt weer te geven.

Koopkrachteffect als gevolg van het wegvallen van de AKW-premie voor alleenverdienende zelfstandigen (in %)

minimum

+ 2,0 minimum +

+ 2,0 modaal

+ 1,9 2 x modaal

+ 1,7

De zinsnede dat deze operatie in eerste instantie geen koopkrachtgevolgen heeft voor werknemers en uitkeringsgerechtigden heeft betrekking op het wegvallen van de AKW-premie als zodanig. Door het wegvallen van de AKW-premie kunnen de lasten van enkele sociale fondsen dalen waardoor de desbetreffende premiepercentages lager kunnen worden vastgesteld. Voor zover hierbij werknemerspremies in het geding zijn, leidt dit tot positieve koopkrachteffecten voor werknemers en uitkeringsgerechtigden. De lasten van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds nemen, door het wegvallen van de AKW-premie, af met f 240 min. hetgeen een premie-effect heeft vn 0,1 procentpunt. De lasten van het Arbeidsongeschiktheidsfonds nemen met f 160 min. af (marginaal premie-effect 0,25 procentpunt) en de kosten van het Algemeen Werkloosheidsfonds dalen met f 90 min. (premie-effect -0,05 procentpunt). Overigens is het zo dat de per saldo optredende extra lasten voor de Rijksbegroting volledig worden gecompenseerd door de vrijgevallen WIR-middelen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.