Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: ē het wetsvoorstel Wijziging van de Organisatiewet sociale verzekering en enkele andere sociale verzekeringswetten tot invoering van een sociaal-fiscaal nummer, nadere regeling van het gegevensverkeer tussen verzekerde, werkgever en uitvoeringsorgaan en aanpassing van de geheimhoudingsbepalingen (invoering sociaal-fiscaal nummer) (20854) .

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

A.Ch. (Andrťe) van EsMevrouw Van Es (PSP): Voorzitter! Ik ga naadloos over op een volgend onderwerp, de invoering van een sociaal-fiscaal nummer. Er is ook een andere bewindsman. Het is natuurlijk bijzonder gemakkelijk om bij het werken met geautomatiseerde gegevensbestanden gebruik te kunnen maken van een persoonsnummer. Dat staat buiten kijf. Dit gemak is in de nota naar aanleiding van het eindverslag als volgt samengevat: "Wil men het geheel, de complexiteit van de regelgeving en het toenemend aantal mensen dat een socialezekerheidsuitkering ontvangt, beheersbaar houden, dan is automatisering noodzakelijk en het is een gegeven dat geautomatiseerde systemen gemakkelijker werken met nummers dan met andere herkenningstekens voor personen." "Het gemak dient de mens", nietwaar en dat zal de regering ook gedacht hebben. Vandaar de snelheid waarmee dat nieuwe nummer moet worden ingevoerd, per 1 januari 1989, en de razendsnelle schriftelijke en nog nadere mondelinge voorbereiding en aan de andere kant de slakkegang waarmee tot mijn grote ergernis de privacybescherming in dit land wordt geregeld. Het is dit gegeven dat mij buitengewoon wantrouwend maakt. Pas op voor een overheid die slechts lippendienst bewijst aan de privacybescherming en intussen toewerkt naar de invoering van ťťn persoonsnummer! Ik kan mij namelijk al een analoge redenering voorstellen als de bevolkingsadministratie volledig geautomatiseerd is. Het is een gegeven dat het gemakkelijker is om het administratienummer samen te laten vallen met het sociaal-fiscaal nummer of omgekeerd, zo zal de minister dan zeggen, de eventuele weerstanden hiertegen wegwuivend door te verwijzen naar het bestaan van het sociaal-fiscaal nummer. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt die mogelijkheid (het samenvallen van het administratienummer met het sociaal-fiscaal nummer) nog altijd opengehouden. De meningsvorming is nog niet afgerond, zo wordt daarin gesteld. Waarvan hangt dat nu eigenlijk af? Kan de staatssecretaris inzicht geven in de bedenkingen daartegen en de argumenten pro en contra zo'n samenvalling? Hoe ver is de besluitvorming daaromtrent? In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt op een vraag van mij ook vermeld dat een onderzoek naar de mogelijke invoering van een algemeen persoonsnummer niet gestart is. Houdt dat soms verband met het feit dat de meningsvorming over het samenvallen van het sociaal-fiscaal nummer en het administratienummer nog niet is afgerond? Of heeft het niets met elkaar te maken? Ik verzet mij tegen dit soort automatismen; ik verzet mij ook tegen de invoering van het sociaal-fiscaal nummer net zoals mijn fractie zich indertijd verzet heeft tegen de invoering van het fiscaal nummer. Toen is mijn fractie verweten, liever gezegd toegevoegd door de staatssecretaris van FinanciŽn, dat honderd jaar geleden het uiterst conservatieven waren die zich verzetten tegen de invoering van belastingen, vanwege elementen van bescherming van de persoonlijke levenssfeer, daarmee gepaard gaande. Maar goed, ik zal mij dit soort vergelijkingen laten welgevallen. De stand van zaken in de technologische ontwikkelingen geven mij echter alle aanleiding om huiverig te zijn. In dit verband haal ik ook minister Korthals Altes aan: de snelle ontwikkelingen van de techniek kunnen niet worden bijgebeend door de privacywetgeving. Dat zei hij in 1984. Daarmee moesten wij maar zien te leven. Ik stel daar tegenover dat er wel degelijk grenzen gesteld moeten worden aan de toepassing van de technische ontwikkelingen. Ik trek die grens daar waar de privacy van de burgers in het geding komt. Minister Korthals Altes heeft nu eenmaal een andere verantwoordelijkheid, zoals overigens ook dezer dagen bleek uit de richtlijnen die hij aan de Kamer stuurde inzake het vervolgingsbeleid en de hogere straffen betreffende fraude op het gebied van uitkeringen. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het kan niet vaak genoeg gezegd worden, bevat het belangrijke element van bescherming van individuele burgers tegen een overheid wier belangen lang niet altijd samenvallen met die van de burgers. Een gezond wantrouwen jegens de overheid is dan ook op zijn plaats. Misbruik door de overheid kan bestaan uit een door de overheid gewenste koppeling van bestanden of een getolereerde koppeling van bestanden waarvan individuele burgers geen weet hebben, die door hen afgekeurd worden of waarvan zij zich slachtoffer voelen. Ik wijs nog maar eens op het verzet in Zweden tegen het overmatig gebruik van het persoonsnummer door de overheid aldaar. Ik wijs ook op het rapport van de Algemene Rekenkamer over de computerbeveiliging, liever gezegd het gebrek aan die beveiliging bij de ministeries. In de nota naar aanleiding van het eindverslag relativeert de staatssecretaris dat gebrek aan beveiliging, door de Algemene Rekenkamer geconstateerd. Ik noem toch wat: er bestaat onvoldoende waarborg voor het afdekken van grote risico's met betrekking tot gegevens in geautomatiseerde systemen. Een andere conclusie is dat een afweging zowel in technisch en beleidsmatig als in politiek opzicht van de risico's die men al dan niet bereid is te nemen en de kosten die men zich wil getroosten om de risico's te verkleinen, nauwelijks wordt gemaakt. Dit kan worden gekoppeld aan het feit dat veelal bij de departementen een compleet beeld ontbreekt van alle mogelijke risico's die er bestaan ter zake van de geautomatiseerde informatievoorziening. De overheid wekt bij mij niet bepaald veel vertrouwen, als het om automatisering gaat. De paspoortaffaire, dezer dagen weer zo actueel, is daarvan een voorbeeld. Het is de hoogste tijd dat zo'n algemeen politiek debat wordt gehouden. Wij dachten namelijk dat dit het geval was bij de behandeling van de wet inzake persoonsregistraties. Dat blijkt toch weer erg mager uit te vallen. Over dit wetsontwerp heb ik nog een aantal concrete vragen. Ik verneem graag van de staatssecretaris waaruit de betere dienstverlening, ook een argument om het sofinummer in te voeren, bestaat. Worden cliŽnten soms vriendelijker behandeld of, wat mij waarschijnlijker lijkt, worden zij vooral bekeken als mogelijke fraudeurs, gelukkig snel op te sporen met het reuzegemakkelijke sofinummer? Wanneer voeren de sociale diensten het sofinummer in? Verder ben ik er benieuwd naar hoe de staatssecretaris een half miljard gulden denkt te bezuinigen door de invoering van het sofinummer. De schattingen van de vermindering van de fraude heeft hij in zijn nadere informatie aan de kamercommissie gegeven. Aan de administratieve kant zal er echter geld bij moeten wegens investeringskosten en dit lijkt mij voorlopig het hardste gegeven. Hiermee kom ik bij de bestrijding van fraude, het voornaamste doel van de uitwisseling van gegevens met behulp van het sofinummer; laten wij daar geen doekjes om winden. Ik stel nog maar eens dat de echte fraude op papier gepleegd wordt en niet door middel van arbeid. De Antillenroute, de Jerseypostbussen en de Maltaconstructies blijven gewoon bestaan. De onevenredig grote nadruk op de bestrijding van fraude neemt onsmakelijke vormen aan. Ik heb bij de aanstelling van 500 sociale rechercheurs over het gegluur, de anonieme tips, etcetera die hiervan het gevolg zijn, gesproken. In dit wetsvoorstel is in artikel 50d de bepaling opgenomen dat werknemers onregelmatigheden gepleegd door hun werkgever, verplicht bij de bedrijfsvereniging moeten melden. Het is niet de bedoeling dat werknemers werkgevers gaan controleren, zo meldt de memorie van toelichting op pagina 25, maar onrechtmatigheden dienen geconstateerd te worden. Mijn vraag is dan wat het verschil is. Bovendien geldt de verplichting ook, als de werknemers wist of had moeten weten dat zijn werkgever niet aan zijn verplichtingen voldoet. Hoe had de werknemer dit moeten weten? Moet hij toch zijn werkgever controleren? Wie controleert dit? Op welke gronden moet hij het weten? Het gaat niet aan, werknemers, die vaak afhankelijk van werkgevers zijn, tot deze controletaak te verplichten op straffe van een boete van ten hoogste 5000 gulden. De verplichting tot de juist verstrekking van gegevens behoort bij de werkgever te liggen, ten dienste van de bedrijfsvereniging en ten dienste van de werknemers. Op dit punt heb ik dan ook een amendement ingediend, waarin ik artikel 50d schrap. Het inzage-en correctierecht is in de Wet persoonsregistraties terecht als een recht geformuleerd. Ik vind eigenlijk dat de verplichting in dit wetsontwerp voor de werknemers het inzage-en correctierecht ten onrechte doorkruist. Dat de staatssecretaris niet wil wachten op de inwerkingtreding van de Wet persoonsregistraties, zegt mij iets over het belang dat hij aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer hecht en de waarde die hij aan die wet toekent. Van het feit dat het wetsontwerp dat wij nu bespreken, op onderdelen strenger is dan de Wet persoonsregistraties, ben ik mij heel wel bewust. Verder heeft de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het eindverslag gemeld dat er vooruitlopend op de invoering van de wet reglementen in voorbereiding zijn, die wel degelijk al kunnen werken. Ik vind toch dat hij het vrij achteloos meldt. Wat hij eigenlijk zegt, is dat de invoering van de wet niet nodig is, omdat de reglementen er toch wel komen. Dit doet nauwelijks recht aan de praktijk van de afgelopen jaren, waarin het ontbreken van een goede wettelijke regeling op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer grote hiaten op verschillende gebieden veroorzaakte. Ik vraag de staatssecretaris daarom of hij de Wet persoonsregistraties overbodig vindt. Welke mogelijkheden hebben burgers om de opslag en het gebruik van hun gegevens te controleren, zolang de Wet persoonsregistraties niet in werking is getreden? Dezelfde vraag geldt voor de Registratiekamer. In de nota naar aanleiding van het eindverslag noemt de staatssecretaris de Registratiekamer terecht als instantie die toezicht op het gebruik van gegevens moet houden. Juist door de achteloze wijze waarop het nog niet in werking treden van de Wet persoonsregistraties geen enkele belemmering voor het in werking treden van dit wetsontwerp wordt genoemd, vind ik het onaanvaardbaar zoals de staatssecretaris omgaat met de privacy, met de wetgeving en met de afspraken die hieromtrent tussen de regering en het parlement gemaakt zijn. De wet wordt achteloos terzijde geschoven, wat in tegenspraak is met allerlei toezeggingen vanaf de invoering van het fiscaal nummer tot en met de schriftelijke voorbereiding van het onderhavige wetsontwerp. Ik vind dat dit niet kan en om deze reden heb ik ook op dit punt een amendement ingediend. Dit strekt ertoe dat het Koninklijk besluit waarmee het wetsontwerp in werking zal treden, in elk geval niet wordt genomen, voordat de Wet persoonsregistraties in werking is getreden. Voorzitter! Het sofinummer moet, zeggen de voorstanders, ook al om de toenemende complexiteit in de sociale zekerheid het hoofd te kunnen bieden. Hoe ingewikkelder de regelgeving hoe meer gegevens nodig zijn voor de uitvoering. Ik wil hier vaststellen, dat het juist deze staatssecretaris is geweest, die de sociale regelgeving buitengewoon ingewikkeld heeft gemaakt, zij het met steun van de meerderheid van de Kamer. Het ware beter als de staatssecretaris een grote vereenvoudigingsoperatie zou starten, ten einde allerlei vormen van financiŽle en economische afhankelijkheid op te heffen. Dat zou pas een ware verlichting betekenen voor de administratieve praktijk en tevens genoegdoening verschaffen aan degenen die reeds jaren te lijden hebben gehad van de resultaten van het beleid van de staatssecretaris. Wat mij betreft, is er nog steeds geen enkele reden om het sofinummer in te voeren, juist in het licht van het ontbreken van een fatsoenlijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Wat mij betreft moet dat sofinummer dus niet.

©

J.F. (Johan) de LeeuwDe heer De Leeuw (CDA): Mijnheer de voorzitter! De CDA-fractie onderkent het grote belang van de invoering van het sofinummer vanwege de noodzaak om de uitvoering van de sociale zekerheid zo efficiŽnt mogelijk te laten plaatsvinden en omdat er sprake is van een snelle groei en sterke onderlinge verwevenheid van de regelingen op het terrein van de sociale zekerheid. Er is betere en vooral ook meer informatie nodig uit een oogpunt van een goed beheer en het voeren van een goed beleid en tegelijkertijd ook om misbruik en oneigenlijk gebruik van collectieve voorzieningen en verzekeringen te bestrijden en te voorkomen. Ook is een betere gegevensuitwisseling tussen de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid en de fiscus van groot belang. Dit zijn allemaal redenen waarom de leden van de CDA-fractie met instemming kennis hebben genomen van het aan de orde zijnde wetsvoorstel. Het is in wezen de afronding van een al zeer lang durende discussie. Ik verwijs in dit verband naar het regeerakkoord. Ook al jaren voor het tot stand komen van dit regeerakkoord, is de discussie hierover gestart. Tegelijkertijd vormt het voorstel de wettelijke basis voor de invoering van het sofinummer en de daarmee verbonden zijnde invoering van de zo noodzakelijke verzekerdenadministratie. Wat ons betreft moet alles erop gericht zijn, per 1 januari 1989 de daadwerkelijke invoering van beide mogelijk te maken. Daarbij moet het sofinummer, dat in wezen een unieke persoonsidentificatie in de sociale zekerheid is, als een vereiste gezien worden voor het kunnen invoeren van die verzekerdenadministratie. De CDA-fractie is zich bewust van de spanning tussen de noodzaak van een efficiŽnte werkwijze van de uitvoeringsorganen enerzijds en de privacybescherming van de verzekerden en uitkeringsgerechtigden in de administratieve sfeer anderzijds. De wet en de memorie van toelichting besteden daaraan dan ook terecht uitvoerig aandacht en kiezen voor een model dat op zichzelf onze instemming kan hebben. De kenmerkende hoofdlijn daarbij is de overgang van een gevalsgerichte naar een persoonsgerichte administratieve benadering, gekoppeld aan een sluitende aanpak wat de afspraken over privacyaspecten, geheimhoudingsbepalingen en gegevensuitwisseling betreft. Voorzitter! Enigszins luchtig gaat de regering voorbij aan de stelling, dat bij de daadwerkelijk invoering van het sofinummer en de verzekerdenadministratie toch nog wel enige problemen te verwachten zouden zijn. Met name denk ik dan aan niet-geautomatiseerde, en dus in de meeste gevalle kleinere, bedrijven. Daarvoor vraag ik toch ook in dit debat aandacht. Wil de staatssecretaris op dit punt ingaan? Is het niet mogelijk een relatie te leggen met de komende, herziene notitie over het zogenaamde rapport-Grapperhaus? Die herziene notitie is al vaak van de zijde van de regering aangekondigd. Naar wij mogen hopen, zal ook dit jaar de Wet persoonsregistratie een feit zijn. Naar ik heb begrepen is het op zichzelf wel zeer gewenst, maar niet absoluut noodzakelijk, dat die wet een feit is alvorens het sofinummer wordt ingevoerd. De vraag die dan resteert is, of de regering er absoluut zeker van is, dat in die situatie toch voldoende rechtstitels op grond van de wet inzake het sofinummer aanwezig zijn om in de praktijk in voldoende mate juridisch afdwingbaar en met voldoende waarborgen omgeven, te werken aan een goede invulling van de verzekerdenadministratie. Het gaat hierbij dus niet zozeer om een inhoudelijk alswel om een formeel juridisch punt. Graag hoor ik wat hierop de visie van de staatssecretaris is. In dit verband hebben wij er behoefte aan met nadruk te zeggen dat de geschatte financiŽle effecten in het kader van de bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik uit de aard der zaak een sterk tentatief karakter hebben. Niet alleen de mogelijke feitelijke opbrengst telt, maar vooral ook het voorkomen van een verzwaring van financiŽle lasten als gevolg van een toenemend oneigenlijk gebruik en misbruik in de sociale zekerheid. Dat is de reden waarom de CDA-fractie de beleidslijn in dit wetsvoorstel steunt die erop gericht is om juist de betrouwbaarheid en de volledigheid van de bestanden bij de uitvoeringsorganisaties zo groot mogelijk te doen zijn. Sprekend over de bijdrage van het sofinummer aan de bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik bij de sociale zekerheid, heeft de CDA-fractie bij de schriftelijke voorbereiding de gedachte naar voren gebracht dat personen die geen sofinummer hebben, niet van rechtswege verzekerd kunnen zijn. Zo zou er in principe een sluitend systeem kunnen ontstaan tegen oneigenlijk gebruik en misbruik. De staatssecretaris zegt in de schriftelijke gedachtenwisseling dit een interessante gedachte te vinden, het ook wel overwogen te hebben, maar vraagtekens te zetten bij de koppeling tussen registratie en verzekering en er vooralsnog niet toe over te gaan. Ik interpreteer dit als volgt: de staatssecretaris staat in beginsel redelijk positief tegenover deze gedachte, maar hij heeft nog aarzelingen. Naar onze mening kan het principe van het van rechtswege verzekerd zijn best worden gehandhaafd, maar zou men het recht op het krijgen van een uitkering kunnen laten afhangen van het antwoord op de vraag of men als verzekerde ook geregistreerd is. Wij beseffen overigens best dat een dergelijke gedachtengang goed moet worden bekeken en doordacht, voordat tot invoering ervan kan worden overgegaan. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om de komende tijd daarover met behulp van de SVR zijn gedachten te laten gaan, voor's en tegen's op een rij te zetten, te analyseren en daarop gebaseerd, een standpunt te bepalen en in een notitie aan de Kamer voor te leggen. Waar gaan wij heen met de ontwikkeling van onze gegevensbestanden, het onderlinge verkeer van uitwisseling van gegevens en de daarbij aan de orde zijnde persoonsgegevensregistratie? In het circuit van de uitvoering van de sociale zekerheid krijgen wij nu de verplichte verzekerdenadministratie en het sofinummer. Dit wetsvoorstel regelt nadrukkelijk het onderlinge verkeer binnen het circuit van de sociale zekerheid en tussen dat circuit en de fiscus. Het schermt bij de aan de orde zijnde aspecten als geheimhoudingsbepalingen, privacybescherming en gegevensuitwisseling nadrukkelijk de toepassing naar derden, waaronder het bedrijfsleven, af. Deze lijn heeft in dit kader onze instemming. Toch resteren er nog enkele vragen. Wat is nu precies het perspectief van het nog steeds, zij het weliswaar op een laag pitje, voortdurende project van de centrale persoonsregistratie sociale verzekering? Graag krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris. Wat wordt in dat verband dan de rol van het sofinummer? Een andere vraag is: kunnen betrokkenen nu zelf, dus in aanvulling op de overzichten die men toch op basis van de wet krijgt toegestuurd, desgevraagd alle informatie krijgen die gekoppeld aan hun nummer in het desbetreffende bestand is opgeslagen? Zo ja, geldt dat dan voor alle situaties? Zonder op dit moment een discussie te willen voeren over de mogelijke uiteindelijke invoering van een algemeen persoonsnummer met bijbehorende identificatieplicht, moet naar mijn gevoel nadrukkelijk de relatie tussen het sofinummer en de gemeentelijke bevolkingsadministratie en het daarbij fungerende A-nummer worden gelegd. De in dat bestand decentraal opgeslagen persoonsgegevens moeten ook als basis worden gebruikt voor de verificatie van persoonsgegevens bij de fiscus en de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid. De CDA-fractie is daarvan een voorstander. Helaas zal de GBA niet voor 1994 operationeel zijn. Wel zijn wij van mening dat het sofinummer en het A-nummer van het GBA een en hetzelfde nummer moeten zijn. Daarover bestaan, gelet op de mondelinge en schriftelijke uitlatingen van bewindslieden, in het kabinet nog geen gelijkluidende opvattingen. Dat geldt zowel voor het zojuist geformuleerde principe als voor de momenten van eventuele realisering daarvan. Daarom lijkt mij enige duidelijkheid op dit punt gewenst. Voor de CDA-fractie is dit debat de juiste gelegenheid om die te verkrijgen. Tijdelijk maakt de regering als verificatiemogelijkheid voor de persoonsgegevens gebruik van het persoonsgegevensbestand bij de fiscus. Je zou kunnen zeggen: een noodverband en als zodanig voor de CDA-fractie acceptabel, indien er echter met een voldoende mate van betrouwbaarheid, met voldoende actuele gegevens en vooral met de vereiste snelheid kan worden gewerkt. Juist daarover bestaan vanuit het veld van de uitvoering van de sociale zekerheid nogal eens twijfels, maar wellicht kan de staatssecretaris die op dit punt wegnemen en ons nader informeren over dienaangaand overleg tussen betrokkenen, de Federatie van bedrijfsverenigingen, de fiscus en het ministerie. De CDA-fractie wil graag instemmen met de uitvoerige manier waarop aandacht is besteed aan de privacyproblematiek. Een goede bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet van het grootste belang worden geacht. Wat betreft de regeling van de gegevensuitwisseling binnen de sociale zekerheid stemmen wij in met het systeem dat altijd toetsing aan de persoonlijke levenssfeer nodig is, tenzij anders is bepaald. Dat geldt ook voor het feit, dat op deze onderdelen van de wet betrekking hebbende algemene maatregelen van bestuur eerst aan de Kamer ter beoordeling worden voorgelegd. Bij niet in de AMvB behandelde vormen van gegevensuitwisseling dient in elk geval een individuele privacytoets plaats te vinden. Intrigerend is voor de CDA-fractie nog steeds de vraag, of de bevoegdheid van de uitkeringsorganen tot het op eigen initiatief verstrekken van gegevens aan elkaar niet tot een uiteenlopende en van elkaar verschilllende praktijk zal gaan leiden, juist als gevolg van de inherente beoordelingsvrijheid en ondanks de fungerende privacyreglementen. Hoe moet dan toch enig streven naar gelijkheid in handelen en behandelen plaatsvinden? Dat is toch een punt waarvan het goed is in dit debat, naar aanleiding van de reactie van de staatssecretaris, met elkaar door te discussiŽren. Verheugd is de CDA-fractie evenzeer over de mogelijkheid om te kunnen spreken over het ontwerp-AMvB betreffende de verstrekking van gegevens ten behoeve van het wetenschappelijk onderzoek en de statistiek. Wij stemmen ook in met de geformuleerde geheimhoudingsbepalingen die strenger zijn dan die in de Algemene wet rijksbelastingen, omdat een algemene ministeriŽle ontheffingsbevoegdheid ontbreekt. Zij vormen in principe een gesloten systeem met alleen op vast omschreven wijze enkele uitzonderingen. Enigszins teleurgesteld is de CDA-fractie over het achterblijven van de zo noodzakelijke integratie van het berichtenverkeer, met name ten behoeve van de sociale zekerheid en de fiscus. Zelfs een uniformering van de werknemersverklaring van de loonbelasting en de opgave, de aanmelding voor de sociale verzekering kunnen nog niet eens worden gerealiseerd met de invoering van het sofinummer. Ik kan mij dat eigenlijk nauwelijks voorstellen. Enige lastenverzwaring voor werkgevers die er nu is, had dan wellicht verlicht, dan wel vermeden kunnen worden. In de schriftelijke voorbereiding wordt wel keurig een analyse van de verschillende soorten van integratie van het berichtenverkeer gegeven, maar men komt eigenlijk niet veel verder dan de mededeling dat de Stuurgroep verzekerdenadministratie enig resultaat heeft bereikt en de draad weer zal oppakken. De CDA-fractie acht het echter van groot belang, de noodzaak van een verdere integratie van het berichtenverkeer te onderstrepen en is dan ook van mening dat dit proces voortvarend moet worden aangepakt. De beveiliging van de geautomatiseerde bestanden vervult de CDA-fractie met enige zorg. Het fenomeen van de computerinbraken dwaalt ook hier, zij het gelukkig nog sporadisch, enigszins rond. Op zichzelf staat dat los van de invoering van het sofinummer, maar de vraag laat zich stellen, of dit probleem door de invoering van het sofinummer niet wordt verzwaard. Graag krijg ik met name op dat punt een reactie van de staatssecretaris. Het gaat dus zowel over het aspect van de beveiliging op zichzelf, als over de mogelijkheid van de verzwaring van het probleem door middel van het invoeren van het sofinummer. In meer algemene zin laat zich de vraag stellen, of op deze manier onrechtmatig verkregen informatie strafbaar gesteld zou moeten worden. Dit is overigens een vraag met een bredere strekking dan het sofinummer alleen, maar van voldoende gewicht naar het ons 'ijkt om door het kabinet onder ogen te worden gezien en de Kamer daarover te informeren. Graag een reactie en, kan het zijn, een toezegging van de staatssecretaris op dit punt. Voorzitter! Ik kom tot opmerkingen over enkele artikelen. Er zou naar het oordeel van de fractie van het CDA in artikel 23, lid 5 van de Organisatiewet sociale verzekering concreet moeten worden opgenomen het minimumvereiste, dat ten minste ťťn maal per jaar aan de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde een overzicht van de op hem of haar betrekking hebbende gegevens conform artikel 23, lid 1 wordt verstrekt. Daarover heb ik samen met collega Linschoten een amendement ingediend. De fractie van het CDA stelt zich evenzeer de redelijkheidsvraag bij de invoering van de verplichting voor de verzekerde, artikel 50d, lid 2 om, indien de verzekerde het bericht zoals bedoeld in artikel 23, lid 4 niet binnen de in dat lid genoemde periode heeft ontvangen, hiervan schriftelijk mededeling te doen aan de bedrijfsvereniging. Dit mede in het licht van de bij nalating op dit "misdrijf" van toepassing zijnde strafbepaling.

Op zichzelf onderschrijven wij het standpunt, dat het opleggen van een verplichting, zonder dat daar een sanctie tegenover staat, uit wetstechnisch oogpunt onlogisch is. Maar de vraag laat zich stellen, of van werknemers op straffe van een forse sanctie in redelijkheid verwacht mag worden dat men puur uit zichzelf in wezen een nalatigheid van de werkgever, zij het dat die zich openbaart via het in gebreke blijven van de bedrijfsvereniging, schriftelijk gaat corrigeren. Het zou misschien wel moeten, maar het is de vraag of het redelijkerwijs altijd verwacht mag worden. Sommige verplichtingen zijn nu eenmaal in de praktijk niet altijd even eenvoudig na te komen. Daar hoort naar onze overtuiging deze bepaling ook bij. Vanwege de noodzaak om met behulp van een sluitend systeem van verplichtingen voor de werkgever en voor de werknemer een zo betrouwbaar mogelijk gegevensbestand te krijgen, zijn wij dan ook bereid, deze bepaling in de wet op te nemen, maar dan moet er in dit artikelonderdeel of mogelijk in een ander artikel, waarin wordt gerefereerd aan de sanctie als zodanig, een redelijkheidselement worden opgenomen. Tegen die achtergrond hebben collega Linschoten en ik een amendement ingediend, waarin wordt ingegaan op een wijziging van artikel 50d, lid 2. Voorzitter! Artikel 50f geeft de mogelijkheid aan de minister om ten aanzien van de eerdergenoemde artikelen 50b tot en met 50d nadere regels te stellen. Het is de vraag of deze bepaling juridisch afdoende mogelijkheden biedt om in voorkomende gevallen wellicht zelfs een afwijking van de formele regels toe te passen om uiteindelijk hetzelfde doel, dat in de wet wordt beoogd, te bereiken in bedrijven of in bedrijfstakken met bepaalde arbeidspatronen. Dat geldt met name voor sectoren met onregelmatige arbeidspatronen: uitzendbureaus, seizoensgebonden arbeid en dergelijke. Graag krijg ik ook op dit punt een reactie van de staatssecretaris.

©

J.T. (Koos) van den BergDe heer Van den Berg (SGP): Mijnheer de voorzitter! Ik begin met het excuseren van de heer Van der Vlies, die wegens een dringende verplichting vanavond elders moest zijn. Hij hoopt wel aanwezig te zijn bij het vervolg van dit debat. Ongetwijfeld zullen maar weinig mensen onverdeeld gelukkig zijn met de invoering van het sociaal-fiscaal nummer. Ook onze fractie neemt met gemengde gevoelens deel aan dit debat. Het dilemma is duidelijk: enerzijds de noodzaak tot een efficiŽnte administratie van verzekerden; anderzijds de noodzaak van bescherming van de privacy. Wij leven in een maatschappij, waarin de automatisering niet meer is weg te denken. Die automatisering biedt vele mogelijkheden. Daar zijn wij ons terdege van bewust. Het kan niet zo zijn, dat de overheid op dit punt achterblijft bij andere maatschappelijke geledingen. De overheid mag in haar instrumentarium geen antiquiteit, geen overblijfsel uit vorige tijden worden met achterhaalde bedrijfsvoering. Wil de overheid haar functie adequaat vervullen, dan zal zij bij de tijd moeten zijn. In het kader van de sociale zekerheid, met zijn toenemende complexiteit, met een groeiend beroep ook op die zekerheid, is een efficiŽnte bedrijfsvoering dan ook een eerste vereiste. Ook de fraudegevoeligheid van het socialezekerheidssysteem en het feit dat helaas ook metterdaad wordt gefraudeerd en dat er oneigenlijk gebruik plaatsvindt, maken dit noodzakelijk. Vanuit deze invalshoek beoordelen wij de invoering van de verzekerdenadministraties en de invoering van het sofinummer op zichzelf wel positief. Maar, zo vragen wij en ook vele anderen zich af, betekent een stap vooruit op het gebied van efficiency niet tegelijk een stap achteruit op het gebied van de privacy? Immers, veel persoonlijke informatie wordt centraal geregistreerd. In hoeverre is die informatie veilig voor onbevoegden en wat kan de overheid met die informatie gaan doen? Hoe groot de risico's op het gebied van de privacy zullen zijn, valt tevoren moeilijk in te schatten. Wel is het van groot belang dat de nodige voorzorgsmaatregelen in de vorm van wettelijke waarborgen en voldoende beveiligingsmaatregelen worden genomen. Een toekomst, waarin van ieder mens alle gegevens over financiŽle positie, inkomenspositie, genenhuishouding, etcetera centraal liggen opgeslagen, is voor onze fractie verre van een wenkend perspectief. Zover mag het ten enenmale niet komen.

Mijnheer de voorzitter! Het gebruik van het bestaande fiscale nummer als sofinummer vindt onze fractie een terechte keus. De verwevenheid tussen het belastingstelsel en het stelsel van sociale zekerheid is groot. Veel wordt van dezelfde gegevens gebruik gemaakt. Trouwens, op het gebied van de sociale zekerheid wordt in de praktijk al gebruik gemaakt van het fiscale nummer. Koppeling van sociaal nummer en fiscaal nummer is dan ook doelmatig, zonder dat het extra problemen geeft op het gebied van de privacy. Anders ligt het met de gemeentelijke bevolkingsadministratie. In deze administratie zullen andersoortige gegevens worden opgeslagen die ook voor een andersoortig doel gebruikt zullen en kunnen worden. In de memorie van toelichting stelde de minister, dat bij de invoering van het GBA-nummer bezien zal worden of dit nummer naast of in de plaats van het sofinummer zou worden gebruikt. In de memorie van antwoord werd duidelijk dat waarschijnlijk toch voor twee gescheiden systemen gekozen zal worden. Ook onze fractie geeft duidelijk de voorkeur aan een scheiding tussen de verzekerdenadministraties en de bevolkingsadministratie. Het is mogelijk dat dit misschien niet optimaal efficiŽnt is, maar voor de bescherming van de privacy mogen ook wel offers gebracht worden. Vormt een koppeling van sociaal-financiŽle gegevens en gegevens uit de bevolkingsadministratie niet een te groot risico voor de privacy? Uiteraard moeten persoonlijke gegevens in de verzekerdenadministraties wel getoetst kunnen worden aan gegevens in het GBA-systeem maar een koppeling tussen beide systemen lijkt onze fractie te riskant. Door de verzekerdenadministraties, mijnheer de voorzitter, zullen met de invoering van het sofinummer meer gegevens over de werknemers moeten worden verstrekt aan de uitkeringsorganen. Deze informatiestroom verloopt via de werkgever. Werknemers hebben echter de mogelijkheid om persoonlijke informatie direct door te geven aan de uitkeringsorganen, een mogelijkheid die nu binnen de sociale zekerheid nog niet bestaat, maar waar wij zeker achter staan. Hoewel de informatievoorziening voornamelijk via de werkgever zal verlopen, krijgen de werknemers ook een zekere controlerende taak. Artikel 50d lid 3 van de Organisatiewet sociale verzekeringen verplicht de verzekerde om, indien hij weet of redelijkerwijze behoort te weten dat de werkgever geen of onjuiste informatie doorgeeft, uit eigen beweging van dit feit mededeling te doen aan de bedrijfsvereniging. Onze fractie vraagt zich af of deze, in zekere zin controlerende, taak ten opzichte van de werkgever wel past binnen een arbeidsverhouding. Kan de verhouding werkgever/werknemer op deze wijze niet onder een te zware druk komen te staan? Ook vragen wij ons af of deze verplichting wel noodzakelijk is, gezien de verplichtingen voor verzekerden op grond van het eerste en tweede lid van artikel 50d. Wij twijfelen hieraan en wel om de volgende reden. De verzekerde krijgt op grond van artikel 23, lid 4, binnen twee maanden na aanvang van zijn werkzaamheden, of na aanvang van de periode waarover loon wordt genoten, een bericht dat hij is aangemeld bij de desbetreffen-de verzekerdenadministratie. Daarnaast krijgt hij op grond van artikel 23, lid 5, op geregelde tijdstippen -ook onze fractie pleit ervoor dat dit een keer per jaar zal zijn-van de bedrijfsvereniging een overzicht van de in de administratie opgenomen gegevens. Op grond van artikel 50d, lid 2, heeft de verzekerde de verplichting om, indien hij het bericht van de aanmelding niet ontvangt, dit te melden aan de bedrijfsvereniging. In het geval van zwartwerken zal de verzekerde niet aangemeld zijn bij de bedrijfsvereniging. Hij zal dan ook geen bericht van aanmelding ontvangen en heeft op grond van dit lid de verplichting om dat te melden. Op grond van artikel 50d, lid 1, heeft de verzekerde de verplichting om, wanneer het bericht van aanmelding of het overzicht van gegevens onvolledig of onjuist is, dit te melden aan de bedrijfsvereniging. Wij gaan ervan uit dat in het overzicht alle in dit kader relevante gegevens zijn vermeld. Wanneer een werkgever onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt aan de bedrijfsvereniging, zal dit terug te vinden zijn in het overzicht. De verzekerde heeft dan de verplichting om dit te melden aan de bedrijfsvereniging. Wij vinden het op zich een goede zaak wanneer aan de verzeker-de een zekere controlerende taak wordt gegeven. Het is tenslotte ook in zijn eigen belang dat verzekerdenadminstraties over de juiste gegevens beschikken. Een controle op de juistheid van de gegevens aan de hand van het te verstrekken overzicht beoordelen wij dan ook positief. Wij vragen ons echter wel af of de verplichting voor de werkne mer, gezien de gezagsrelatie met de werkgever, verder kan gaan dan deze indirecte controle op de werkgever. Wanneer daarnaast blijkt dat de verplichting van lid 3 van artikel 50d geen extra verplichting schept c.q. meerwaarde heeft boven de verplichting uit het eerste en tweede lid van dat artikel, kan dan het derde lid niet beter vervallen? Graag willen wij dus dat de staatssecretaris de noodzaak van artikel 50d, lid 3, in het licht van het vorenstaande nader toelicht. De privacybescherming is een belangrijk punt. Er kan daarbij onderscheid worden gemaakt tussen de manier waarop de desbetreffende organen met de geregistreerde gegevens omgaan en de beveiliging van de geautomatiseerde systemen. Ik begin met het laatste. Uit het pas verschenen rapport "Computerbeveiliging" van de Algemene Rekenkamer blijkt, dat in het algemeen de geautomatiseerde systemen van ministeries slecht beveiligd zijn. Er wordt te weinig en te weinig structureel aan beveiliging van systemen gedaan. Er is nauwelijks sprake van een technische, beleidsmatige en politieke afweging op het punt van risico's die aan geautomatiseerde systemen kleven. In de schriftelijke voorbereiding hebben we de nodige vragen op dit punt gesteld. Uit de beantwoording daarvan maken wij op dat in dit geval de beveiliging inderdaad voldoende is en dat de mogelijkheid van een computerkraak vrijwel uitgesloten is. Wij willen er evenwel voor pleiten dat de verzekerdenadministraties geregeld op hun veiligheid worden gecontroleerd. Eens veilig betekent immers niet altijd veilig. Wij vragen of dat uitdrukkelijk kan worden toegezegd en of de bevindingen, bij voorbeeld via een toelichting op de begroting, regelmatig worden gerapporteerd. Mijnheer de voorzitter! Onze fractie betreurt het dat de Wet persoonsregistraties niet in werking zal zijn wanneer het sofinummer zal worden ingevoerd. In de memorie van antwoord wordt althans gesteld dat de voor de verzekerdenadministraties relevante bepalingen van de Wet persoonsregistraties waarschijnlijk in het tweede kwartaal van 1 989 in werking zullen treden. Deze wet zal immers het algemene kader vormen voor de wijze waarop persoonsregistraties mogen worden aangelegd en op welke wijze die mogen worden gebruikt. Nu zijn in de Organisatiewet sociale verzekering zelf een aantal geheimhoudingsbepalingen opgenomen om de privacy te waarborgen. Ik denk daarbij met name aan artikel 50g en 50h. In artikel 50g, lid 1, wordt de algemene regel gegeven dat het verboden is om gegevens bekend te maken voor zover dat niet nodig is in het kader van de uitvoering van deze wet. In het tweede lid worden limitatief de uitzonderingen opgesomd. In lid 3 wordt ten slotte de mogelijkheid gegeven van ontheffing door de minister voor wetenschappelijk onderzoek of statistiek. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hierover nadere regels worden gesteld, aldus de laatste zin van dit artikel. Indien nodig kunnen bij algemene maatregel van bestuur voor deze vorm van gegevensverstrekking nadere regels worden gesteld, aldus de memorie van toelichting. Zijn deze passages niet veel te vrijblijvend? In het eindverslag hebben wij op dit punt vragen gesteld. Het antwoord kwam erop neer, dat eerst in de praktijk ervaring moest worden opgedaan, voordat duidelijk was of en welke nadere regels moesten worden gesteld. Voor onze fractie is het geen vraag of het nodig is dat er regels gesteld worden. Natuurlijk moet dat gebeuren. Er zal immers een afweging gemaakt moeten worden tussen het belang van het onderzoek en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daar zijn criteria en procedurele regels voor nodig. In het belang van de bescherming van de privacy is het noodzakelijk dat die regels gesteld zijn voordat met wetenschappelijk of statistisch onderzoek is begonnen. Mijnheer de voorzitter! Om die reden hebben wij, samen met de fractie van de PvdA, een amendement ingediend dat de laatste zin in artikel 50g, lid 3, wijzigt in: bij algemene maatregel van bestuur worden hierover nadere regels gesteld. Alleen een bevoegdheid van de minister op dit punt achten wij onvoldoende, een verplichting is op dit punt naar onze mening op zijn plaats. Mijnheer de voorzitter! Een van de redenen van de invoering van het sofinummer is, meer vat te krijgen op de fraudes met sociale verzekeringen. Doordat iedere verzekerde ťťn nummer krijgt, zal fraude gemakkelijker zijn op te sporen. Overigens blijven wel de verschillende verzekerdenadministraties van elkaar gescheiden. Het ene socialezekerheidsorgaan kan niet zonder meer gegevens krijgen van een andere administratie. Wat dat betreft, brengt automatisering niet automatisch fraude aan het licht. Wel zal het eenvoudiger worden om fraude op te sporen en zal in de toekomst waarschijnlijk ook fraude aan het licht komen. Maar in welke mate dat zal zijn, is nog niet duidelijk. De minister schat dat bedrag voor 1989 op 400 min. en voor de jaren daarna structureel 550 min. Ons komen die ramingen nogal optimistisch voor. Het zal niet de eerste keer zijn dat opbrengsten op dat terrein te positief worden ingeschat. We zullen afwachten of de regering gelijk krijgt. Ongetwijfeld zal door de invoering van het sofinummer ook fraude die wellicht in de achterliggende jaren gepleegd is aan het licht komen. De verjaringstermijnen bedragen, aldus de memorie van antwoord, twee tot vijf jaar. Heeft de regering ook wat dit betreft bedragen ingecalculeerd? Dat is uit de stukken niet gebleken. Hoe groot worden deze bedragen geschat? Wanneer de opbrengst door vermindering van fraude structureel op 550 min. per jaar geschat zou worden, dan kan de opbrengst van achterhaalde fraude ook wellicht honderden miljoenen bedragen. Hierop hoor ik graag een reactie. Uit de pers van vanmorgen blijkt dat het openbaar ministerie vanwege de hoge werkdruk de richtlijnen voor vervolging van frauderende uitkeringsgerechtigden versoepelt, vergeleken met de bestaande richtlijnen. Dit werpt de vraag op, welke mogelijkheden de rechterlijke macht heeft om een eventueel vergrote toestroom van fraudezaken te behandelen. Heeft de regering rekening gehouden met beperkte mogelijkheden van de rechterlijke macht, ook wat de berekening betreft van de opbrengsten van de grotere mogelijkheden tot fraudebestrijding? Wij vragen aandacht voor het belang van een goede voorlichting, zowel voor werkgevers als voor verzekerden. Beiden krijgen immers nieuwe taken en verplichtingen. De informatieverstrekking voor werkgevers aan bedrijfsverenigingen wordt groter. Werknemers krijgen meer formulieren thuisgestuurd: het bericht van aanmelding en het overzicht van opgenomen gegevens die op juistheid gecontroleerd moeten worden. Een goede voorlichting waarin rechten, verplichtingen en sancties duidelijk vermeld zijn, is een belangrijke voorwaarde voor het optimaal functioneren van de verzekerdenadministraties. De formulieren zullen ook overzichtelijk en niet onnodig ingewikkeld moeten zijn. Is het niet duidelijk geworden dat de belastingformulieren voor de gemiddelde Nederlander te ingewikkeld zijn? Uit de memorie van toelichting bleek dat een werknemer bij het aangaan van een dienstverband een informatiefolder krijgt. Zal deze folder ook beschikbaar zijn in de taal van de verschillende groepen etnische minderheden? Juist zij hebben het door taalproblemen extra moeilijk met het invullen en controleren van formulieren. Voor hen is extra aandacht dan ook op zijn plaats.

©

M.B.C. (Ria)  Beckers-de BruijnMevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Voorzitter! Op 30 maart 1987 bracht de voorlopige Raad voor de persoonsinformatie zijn advies uit over het voorontwerp van wet. De belangrijkste conclusie van de raad was, dat invoering van het sociaal-fiscaal nummer onontkoombaar was geworden, niet alleen vanwege het belang van verbetering van de gegevensuitwisseling tussen de sociale en fiscale sector, maar ook omdat het reeds op grote schaal gebruiken van het fiscaal nummer in de sociale sector regelgeving noodzakelijk maakt. Zo gaat dat. Zo worden wij steeds meer in de fuik van de regelgeving getrokken. Zo wordt de persoonsnummering een alibi voor steeds ingewikkelder wetgeving op sociaal en fiscaal gebied en voor beheersingwant wij zien in de praktijk dat dit het effect is van de regelgeving-van de zwakste groepen. Ik merk dat nu weer in de discussie. Kennelijk wordt gedacht dat nu eindelijk voorkomen kan worden dat mensen die niet verzekerd zijn ook geen uitkering krijgen. Hoe je er ook tegenaan kijkt, ontwikkelingen als sofi-en A-nummers zijn niet alleen een voortbrengsel van een verregelde samenleving, maar zij maken zo'n samenleving ook mogelijk. Aan dit laatste aspect is in de schriftelijke voorbereiding slechts terloops aandacht besteed. In de memorie van antwoord wordt bij voorbeeld gezegd dat de invoering van een sofinummer een hulpmiddel is bij de uitvoering van de socialeverzekeringswetten en dat het erom gaat, een betere gegevensuitwisseling tot stand te brengen tussen de verschillende uitvoeringsorganen. Het gaat ook om het mogelijk maken van een goede registratie van verzekerden en van het arbeidsverleden van werknemers. Dat zou dus beter zijn ten opzichte van de huidige situatie, waarbij nog gewerkt wordt met onderscheiden nummers. Beter? Beter voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Beter voor de controle door de uitvoeringsinstanties? Beter, omdat er minder fouten worden gemaakt? Beter, omdat het de weg vrijmaakt voor ťťn integraal persoonsnummer? Ik loop deze vragen even langs. Is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gebaat bij een sofinummer? Misschien wel, als door het gebruik van ťťn sociaal-fiscaal nummer in plaats van verschillende nummers, de kans op persoonsverwisseling kleiner wordt. De vraag is of dat de doorslag moet geven. Maar niet, als zo'n nummer een rechtvaardiging vormt voor ingewikkelde en diep in de persoonlijke levenssfeer ingrijpende regelgeving en niet, als de gegevensbestanden niet voor 100% veilig zijn. Ik herinner mij de discussie van ongeveer acht jaar geleden. Toen heb ik een motie ingediend, waar de gehele Kamer achter stond. Het ging over de privacy van mensen die in bestanden waren opgenomen en, zoals de staatssecretaris zal weten, over de fameuze aanwijzingen van de minister-president van 7 maart 1975. Maakt u zich maar niet ongerust, Kamer, de aanwijzingen van de minister-president worden opgevolgd als het gaat om registraties van departementen en om overheidsregistraties. Aan de opvolging daarvan in het bedrijfsleven kunnen wij op dit moment helaas weinig doen. Wat zegt op dit moment de Algemene Rekenkamer? Ik ben er erg van geschrokken. Is de invoering van een sociaal-fiscaal nummer beter voor de controle door de uitvoeringsinstanties? Ontegenzeglijk is dat naar mijn mening het geval. De koppeling tussen beide vormen van regelgeving in de sociale verzekeringssfeer en de fiscale sfeer maakt het makkelijker de uitvoering te controleren. Oneigenlijk gebruik of misbruik kan sneller worden achterhaald. Er zit aan die betere controle ook een groot gevaar. Het gevaar namelijk, dat de aandacht komt te liggen op de makkelijk te grijpen kleine overtredingen, op een jacht op wat voor het grijpen ligt. Heeft iedereen niet een beetje recht op zijn eigen kleine verzet? De cijfermanie stoort dat kleine verzet. Goed, daar kun je het mee eens zijn. Het gevaar is dat zij de veel moeilijker grijpbare fraude, de grote fraude, laat lopen. Worden door de invoering van ťťn sociaal-fiscaal nummer in plaats van meer nummers minder fouten gemaakt? Vast wel. Ik haal geregeld mijn giropasnummer en mijn bankpasnummer door elkaar. Ik vergeet hen regelmatig. Is dit argument van zo groot belang dat de nadelen dan maar geaccepteerd moeten worden? Ik betwijfel het. Ik heb liever twee rekeningen dan ťťn, dan is die afhankelijkheid minder. Bovendien heb ik nooit gemerkt dat op grond van het bestaan van twee nummers de vergissingen zoveel groter zouden zijn. Zoveel belang hoeven wij aan dit argument dus niet te geven. Is het sociaal-fiscaal nummer een voorbode van ťťn integraal persoonsnummer? Het wordt allerminst uitgesloten. Ik verwijs hierbij naarde memorie van toelichting, bladzijde 12. Het lijkt ook wel voor de hand te liggen, want met het A-nummer, waarvan het gebruik zal worden geregeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zijn er raakvlakken. Ik noem bij voorbeeld het al of niet gehuwd zijn, de samenstelling van het huishouden-en nu komen wij al wat verder-de straat en de buurt waarin men woont, en straks, de gezondheidsgegevens, de schoolonderzoeken, de bevolkingsonderzoeken en ga zo maar door. Met dezelfde argumenten, waarmee de invoering van het sociaal-fiscaal nummer nu wordt verdedigd, zal dat straks, na de totstandkoming van de Wet op de persoonsadministratie, gebeuren met de invoering van ťťn integraal persoonsnummer. En ik weet nu al, dat dit zal gebeuren. Ik heb begrepen dat het CDA daar zelfs geen probleem in ziet. Nu al niet. Vervolgens is er geen enkele belemmering om aan die gegevens een heleboel nieuwe gegevens toe te voegen. Een van de belangrijkste argumenten voor onze opstelling heeft betrekking op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ik moet zeggen dat in het wetsontwerp daaraan de nodige aandacht wordt besteed. Er is een limitatieve opsomming van overheidsinstanties die het nummer mogen gebruiken in een zogenaamd gesloten systeem. Er is zoveel mogelijk voorkomen dat het nummer ook in het maatschappelijk verkeer tussen particuliere en privaatrechtelijke organisaties een functie gaat vervullen. Uitgesloten kan het echter niet worden. De werknemer kan, als hij dat om privacyredenen wenst, de informatie rechtstreeks aan het uitkeringsorgaan geven. Voorts is er een sanctie op het overtreden van de geheimhouding; ik verwijs naar artikel 272 Wetboek van Strafrecht. Men heeft dus zijn best gedaan, maar waterdicht is het niet. Daarnaast heb ik grote twijfels over de meerwaarde van het sociaal-fiscaal nummer ten opzichte van de huidige situatie om een andere reden. Ik heb het dan niet over de al ingecalculeerde nettobesparing op termijn van 500 min. die al verwerkt is in de meerjarencijferseen cijfer dat terecht tentatief wordt genoemdmaar over het stapje voor stapje tot stand komen, mogelijk gemaakt door de computer, van een "nummersamenleving", waarin mensen steeds anoniemer worden en steeds afhankelijker van hun eigen gegevens die zijn opgeslagen in een computer en van degenen die over die gegevens kunnen beschikken. Een beroemde uitspraak van een radioverslaggever bij een voetbalwedstrijd was: namen, daar heb ik niks aan; rugnummers heb ik nodig. Maar iemand die nooit naar een voetbalwedstrijd zal kijken of luisteren, laat staat daarnaartoe gaan, heer Bommel, sprak ooit wijze woorden: een heer van stand is geen nummer. Een dame van stand dus ook niet. Laten wij het daar voorlopig maar op houden.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de voorzitter! Mijn bijdrage aan dit debat wil ik graag beginnen met een woord van waardering aan het adres van de regering. Het invoeren van zo iets als een sociaal-fiscaal nummer is een gevoelige materie. De regering heeft deze zaak ook zorgvuldig voorbereid. Daarom bleek in het voorlopig verslag al van brede steun voor het wetsvoorstel en kon de schriftelijke voorbereiding zich vooral toespitsen op vragen van min of meer technische aard en op vragen over een mogelijk vervolg op het sofinummer. Ook het advies van de commissie-Hirsch Ballin, toch bepaald geen college van kritiekloze lieden, velde een positief oordeel over het wetsvoorstel. De commissie beoordeelde het wetsvoorstel als evenwichtig, en meende, dat op optimale wijze het primaat van de wetgever tot uitdrukking is gebracht bij de noodzakelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De kleine correcties, die de commissie nog voorstelde, zijn dan ook gehonoreerd. De noodzaak tot invoering van het sofinummer staat voor mij wel vast. Niet alleen het aantal uitkeringsgerechtigden vraagt om een modern geoutilleerde administratie, maar vooral de registratie van het arbeidsverleden is niet mogelijk zonder een goed geautomatiseerd bestand. Daarnaast vormt een adequate bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van het socialezekerheidssysteem een afdoende mot vering voor de invoering van een geautomatiseerd bestand, dat met behulp van een eigen nummer voor iedere verzekerde goed toegankelijk is. De praktijk heeft uitgewezen, dat de invoering van een fiscaal nummer niet bezwaarlijk is. Ook dat is een reden, waarom de uitbreiding van dit fiscaal nummer tot een sofinummer op weinig weerstand behoeft te stuiten. Het zou uit een oogpunt van wetgevingssystematiek fraaier zijn, als de Wet op de persoonsregistratie ook per 1 januari aanstaande in het Staatsblad zou hebben gestaan, maar de bewindsman heeft mijns inziens in de schriftelijke voorbereiding voldoende duidelijk gemaakt, dat dit wetsvoorstel uit een oogpunt van privacybescherming zijn eigen verdienste heeft en dat een Wet op de persoonsregistratie daaraan eigenlijk niet zoveel zou toevoegen. Wel rees bij mij nog een vraag naar de relatie met de bepaling inzake privacybescherming in de Algemene wet rijksbelastingen. In de nota naar aanleiding van het eindverslag werd nog ingegaan op het feit, dat het onderhavige wetsvoorstel een strenger regime vormt dan de vergelijkbare bepalingen in de fiscale wetgeving. Uiteraard zou het te ver voeren om in het kader van dit wetsvoorstel de fiscale bepalingen ook aan te scherpen. Maar wat de praktische gevolgen van dit verschil zijn, is voor mij nog niet geheel duidelijk. Een ketting is immers zo sterk als de zwakste schakel. Wij kunnen in het kader van de sociale wetgeving wel strengere regels stellen, maar als er sprake is van vrij uitwisselbare gegevens en de bepalingen in de fiscale wetgeving zijn soepeler, dan vraag ik mij af, of de strengere bepalingen in de sociale wetgeving veel praktische betekenis hebben. Ik heb begrepen, dat het de bedoeling is, dat ook gemeentelijke sociale diensten in de toekomst het sofinummer gaan gebruiken. Wetgeving ter zake wordt voorbereid. Hoe is de planning dienaangaande? Wanneer gemeenten vooruitlopend daarop, het gebruik van het sofinummer al willen gaan invoeren zijn zij daartoe dan gerechtigd? Zijn er al gemeenten die met het fiscale nummer werken? Een ander element, dat ik nog aan de orde zou willen stellen, en dat vooral in het kader van de fraudebestrijding van belang zou kunnen zijn, betreft de relatie tussen de registratie en het uitkeringsrecht. De heer De Leeuw is daarop ingegaan. Uiteraard hangt de vraag of men verzekerd is of niet, niet af van de vraag, of men zich als zodanig heeft laten registreren. Maar het lijkt mij toch goed verdedigbaar, dat men aan een aantal administratieve vereisten voldoet om voor een uitkering in aanmerking te komen. De bewindsman vindt het bezwaarlijk, dat als gevolg van het niet-geregistreerd zijn, geen uitkering wordt verstrekt-en ik kan dat wel invoelenmaar de andere kant van de medaille is, dat de uitkeringsgerechtigden zelf ook belang krijgen bij een correcte registratie. Dat zou een natuurlijk wapen zijn in de strijd tegen fraude. Ik wil nog even terugkomen op de in artikel 50h aan de uitkeringsinstanties verleende bevoegdheid om andere organen in kennis te stellen van een misdrijf, waarvan kennis wordt genomen bij de uitvoering van de wet. Ik had gevraagd, of dat geen verplichting diende te zijn. In de memorie van antwoord wordt als bezwaar aangevoerd, dat de controle dan te veel ingericht wordt op het signaleren van een misdrijf, gepleegd ten nadele van een ander orgaan. Dat is uiteraard niet mijn bedoeling. De uitkeringsinstanties dienen geen onbezoldigde opsporingsinstanties te worden. Ik vind wel, dat degene die bij de uitvoering van de wetten kennis krijgt van een misdrijf, dat misdrijf ter kennis behoort te brengen van het betrokken overheidsorgaan. Zoals het er nu staat, is er in feite sprake van een vrije keuze. Men kan een gesignaleerd misdrijf ook niet ter kennis brengen van het overheidsorgaan dat het betreft. Ik kan die vrijblijvendheid niet zo goed begrijpen in het licht van het offensief, dat de regering inzet tegen misbruik en oneigenlijk gebruik. Het is mij ook niet duidelijk hoe deze vrije keuze zich verhoudt tot het recent gewijzigde artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering dat een aangifteplicht inhoudt voor openbare colleges en ambtenaren met betrekking tot misdrijven waardoor inbreuk wordt gedaan op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling. Als er al een aangifteplicht geldt in de richting van het openbaar ministerie, moet dit dan niet te meer gelden als het gaat om een uitvoeringsorgaan dat alleen administratiefrechtelijke maatregelen kan treffen? Ik zou graag zien dat de bewindsman hier nog eens op inging. Ik ben voorts nog niet overtuigd van de noodzaak van de ontheffingsbepaling van artikel 50g, derde lid. Naar mijn oordeel zou het wetenschappelijk onderzoek zich dienen te beperken tot de mensen die wŤl toestemming hebben gegeven voor het gebruik van hun persoonlijke gegevens. De staatssecretaris vindt dit ook de meest gewenste situatie maar wijst er in de memorie van antwoord op dat er gevallen denkbaar zijn, waarin dit niet mogelijk is, bij voorbeeld wanneer onderzoek zou worden gedaan naar zwart werk. Wil hij dat nog eens uitleggen? Als er sprake is van zwart werk, zal er veelal ook sprake zijn van onvolledige registratie of misschien van helemaal geen registratie. Dan vallen er ook niet veel gegevens te verschaffen. Misschien kan de bewindsman met overtuigender voorbeelden komen of anders aangeven aan welke gegevens ik moet denken bij "onderzoek naar zwart werk". Dan schort ik mijn oordeel ten aanzien van dit punt nog maar even op. Dat behoef ik niet te doen ten aanzien van het wetsvoorstel als zodanig. Ik zal daaraan graag mijn stem geven.

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D66): Mijnheer de voorzitter! Er zijn nogal wat mensen in het land die allergisch reageren als het gaat om het invoeren van nummers waarachter mensen schuilgaan. Mijn fractie heeft daarom zeer kritisch gekeken naar dit wetsvoorstel. Waren wij in 1984 beducht voor "Big Brother", nu zouden wij bang kunnen zijn voor "Big Sister Sofi". De fractie van D66 is echter tot de conclusie gekomen dat dit wetsvoorstel, in combinatie met de Wet persoonsregistratie, voldoende waarborgen biedt die aantasting van de privacydaar is die angst op gerichtvoorkomen. Misschien is het goed als de staatssecretaris nog eens in korte bewoordingen aangeeft wat dit wetsvoorstel in concreto voor burgers betekent. De microfoons staan open en de mensen die luisteren kunnen alvast voorlichting tot zich nemen. Dit wetsvoorstel komt neer op de uitvoering van de motie-Engwirda/Buikema van 1983 en de wijze waarop dit gebeurt, vinden wij bevredigend. Inderdaad is ons socialezekerheidssysteem dermate ingewikkeld en brengt het zoveel administratieve rompslomp met zich dat een stroomlijning van de verschillende gegevens op haar plaats is. Ook is betere informatie nodig voor beheersdoeleinden en ten slotte dient een goed afgestemd gegevensbestand om misbruik en oneigenlijk gebruik van collectieve voorzieningen te voorkomen. Eigenlijk zou het hoofddoel moeten zijn: de verbetering van de dienstverlening aan de gebruikers van de sociale verzekeringen. Het is met name op dit punt dat ik benieuwd ben naar de voorlichtende woorden van de staatssecretaris. Allerlei overigens veel te ingewikkelde regelgeving is er ten dienste van de burger, die gebruik maakt van die regels. Welk profijt mag zij of hij verwachten van de invoering van het sofinummer? De fractie van D66 heeft in de stukken de vrees geuit dat invoering van het sofinummer de prikkel zou wegnemen om het stelsel van sociale zekerheid te vereenvoudigen. De regering antwoordt hierop dat het sociaal-fiscaal nummer niet wordt gebruikt om een nog gedetailleerder en dus nog ingewikkelder en meer op bijzondere gevallen toepasbaar stelsel uitvoerbaar te maken. Het nummer is geen doel op zichzelf en het is hoe dan ook nodig, ongeacht de complexiteit van het systeem. Mijn fractie kan die opvatting wel delen maar constateert ook dat er een toenemende tendens bestaat, bij voorbeeld bij de uitvoering van de Toeslagenwet, om verschillende samenlevingsvormen in kaart te brengen om daarop eventuele uitkeringen te baseren. Dat betekent toch, hoe dan ook, registratie van die vormen van persoonlijke gegevens. Mijn fractie heeft er daarom voor gepleit, die gegevens rechtstreeks door de werknemer te laten sturen aan de uitvoeringsorganen opdat de werkgever geen weet heeft van dergelijke gegevens. Wij hebben begrip voor de argumentatie van de regering op dit punt en het is juist dat de wet de mogelijkheid biedt van omzeiling van de werkgever. In de praktijk blijkt ook dat slechts bij uitzondering bij opgave van gegevens voor de loonadministratie gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid dat men rechtstreeks, dus niet via de werkgever, gegevens verstrekt over de tariefgroepindeling. Overigens kan het geringe aantal werknemers dat zo opereert ook worden verklaard uit het feit dat werknemers niet op de hoogte zijn van deze mogelijkheid en dus denken dat de werkgever wel betrokken moet worden bij het opgeven van de door hen gewenste tariefgroep. Voorlichting zou dan nuttig zijn en dat geldt dus ook in het kader van het onderhavige wetsvoorstel. Wij weten immers allemaal dat het een fictie is dat burgers de wet kennen. Ik vermoed dat burgers best privacygevoelig zijn, maar ook dat zij niet weten hoe zij hun eigen privacy veilig kunnen stellen. Wat kunnen werknemers overigens doen als zij merken dat hun werkgever misbruik maakt van persoonlijke gegevens? In de stukken is er wel wat over gezegd, maar een werknemer moet duidelijk weten op wie hij een beroep kan doen. Invoering van het sofinummer betekent een vereenvoudiging aan de uitvoeringskant van het systeem. Een stokpaardje van mij en mijn fractie is vereenvoudiging en inzichtelijkheid aan de gebruikerskant. Ook de gebruiker van verschillende collectieve voorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid, maar ook op dat van bij voorbeeld de individuele huursubsidie of de studiefinanciering zou inzicht moeten hebben in de onderlinge verwevenheid van de verschillende op hem van toepassing zijnde regelgeving. Ik heb bij de stelselherziening sociale zekerheid, maar ook bij andere gelegenheden gepleit voor toepassing van computertechnologie om burgers inzicht te verschaffen in de gevolgen van wijziging in hun woon-, werk-of leefsituatie op hun rechten en plichten. Inmiddels is er enige tijd verstreken en ik zou willen vragen of die gedachte van mij nog ergens leeft op het departement van deze staatssecretaris. Dit was even een uitstapje-inderdaad een stokpaardje-en nu even terug naar het wetsvoorstel. Mijn fractie is van mening dat het niet goed is als er een apart sociaal-verzekeringsnummer zou bestaan naast een fiscaal nummer. Gegevensuitwisseling vindt ook nu al plaats en bij aparte nummers zou de foutenmarge groter zijn. In die zin doet "Sofi's choice" zich voor ons dus niet voor. Bij de afstemming op de Wet persoonsregistratie heb ik de volgende vraag. Gezien het feit dat in combinatie met de per 1 januari te voeren en te vullen verzekerdenadministratie dit wetsvoorstel voor 1 januari moet zijn afgehandeld, maar de wet persoonsregistratie pas iets later effectief zal kunnen worden, valt er in zekere zin dus een gat. Uit de stukken heb ik begrepen dat dit niet vreselijk is, maar toch wil ik graag weten of er punten zijn die de WPR wŤl regelt en dit wetsvoorstel niet. Betreft dat bij voorbeeld het inzage-en correctierecht of voorzien de reglementen, zoals die door de uitvoeringsorganen gereed zijn gemaakt, daarin? Wat de gemeentelijke basisadministratie betreft, wil ik namens de fractie van D66 nog eens benadrukken dat het sofinummer in geen geval, ook niet in de toekomst, de functie van de GBA als decentraal opgezet persoonsbestand mag gaan overnemen. Verzamelaars van fiscale gegevens, de fikant van het sofinummer, moeten zich dus ook tot de GBA wenden en niet rechtstreeks voor persoonsgegevens tot het socialezekerheidsbestand. Als dat laatste wŤl zou gebeuren, ontstaat immers het risico dat anderen dan de GBA persoonsgegevens gaan registreren voor derden. Het fideel mag dus voor basisgegevens niet gekoppeld worden aan het sodeel, aangezien het sodeel dan een soort centraal persoonsbestand gaat vormen. Dit strookt niet met de gedachte achter de GBA die uitdrukkelijk decentraal van opzet is. Ik vermoed wel wat het antwoord van de staatssecretaris zal zijn, nl. dat er niet vooruit wordt gelopen op de GBA, maar ik wil ons standpunt toch nog maar eens benadrukken. Voorzitter! Andere fracties, met name die van het CDA, hebben een punt gemaakt van de verplichting van de werknemer om te melden aan de bedrijfsvereniging als hij geen registratieformulier heeft ontvangen van de werkgever. Deze verplichting rust op hem op grond van artikel 23, lid 4. In zekere zin krijgt de werknemer hier de plicht, de werkgever te controleren. De werkgever dient, zodra iemand in dienst treedt, de gegevens te verstrekken over de werknemer aan de bedrijfsvereniging. Die gegevens moeten voor opneming in de verzekerdenadministratie juist en volledig zijn. De werkgever moet dus terugkoppelen naar de verzekerde. Daartoe dient het registratiebericht. Dat begrijp ik. Als er fouten zitten in het registratiebericht, heeft de verzekerde belang bij correctie. Iets anders is het als de werknemer in het geheel geen registratieformulier ontvangt. Hoe moet hij weten dat hij verplicht is, het niet ontvangen van het formulier te melden aan de bedrijfsvereniging? Hoe moet hij weten dat de bedrijfsvereniging wil weten of zijn werkgever wel premie afdraagt? Hoe moet hij weten dat hij zelfs strafbaar is als hij niet meldt dat hij geen formulier heeft gekregen? Ja, zegt de regering dan, de verzekerde moet voorgelicht worden. In de eerste plaats gaat het als de werkgever geen premies wil afdragen, een malafide werkgever dus, niet om een verzekerde, maar om een onverzekerde werknemer. In de tweede plaats hoort de werknemer bij indiensttreding een informatieve folder te krijgen waarin hij op zijn plichten wordt gewezen. Die folder zal dan toch door diezelfde malafide werkgever moeten worden verstrekt en die kan dat dus toch ook nalaten? Ik vind het allemaal wat rammelend en te veel gebaseerd op de veronderstelling dat werknemers weten wat hun plichten zijn. Kan er geen standaard mededeling op loonstrookjes worden gedrukt, bij voorbeeld "werknemer, denk eraan dat u de werkgever om een registratieformulier vraagt dan wel aan de bedrijfsvereniging doorgeeft dat u dat niet ontvangen heeft"? Het amendement op stuk nr. 13 van collega's De Leeuw en Linschoten is prima, maar ik geef een invulling aan de manier waarop werknemers redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van hun verplichtingen. Naar mijn gevoel moet je dat beter regelen. Bij het ziekenfonds hebben werknemers een meer manifest belang. Onverzekerd voor ziekte rondlopen, vinden de meeste werknemers vervelend en griezelig, maar niet iedereen staat erbij stil dat er premies voor je moeten worden afgedragen om voor een uitkering in aanmerking te komen.! D66 heeft in de stukken gevraagd naar het verschil tussen de geheimhoudingsbepalingen van artikel 67, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de geheimhoudingsbepalingen in het onderhavige voorstel. Het sofivoorstel is strenger en dat is mooi. Wijziging van de AWR op het punt van de geheimhouding zou mogelijk moeten zijn, zoals de commissie-Hirsch Ballin in haar advies opmerkt. Ik lees in de stukken dat het voornemen bestaat om onderzoek te doen naar de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sociale zekerheid. Wij pleiten ervoorik denk met de leden van de PvdA-frac-tie-ook onderzoek te doen naar privacyproblemen met betrekking tot het fiscaal nummer, ook al zijn die tot nu toe niet gebleken. In het algemeen is mijn fractie van mening dat bij gebruik van welk nummer dan ook, ook al zijn er privacywaarborgen in de wet neergelegd, de burger uitdrukkelijk moet weten wat er wel en wat er niet mag gebeuren met zijn gegevens. Met andere woorden: hij moet weten wat zijn rechten zijn, wanneer hij kan protesteren en bij wie hij moet zijn als hij misbruik constateert of vermoedt. De algemene maatregelen van bestuur inzake de privacytoets wil mijn fractie dan ook graag, als ze er zijn, nader bestuderen. In die algemene maatregelen van bestuur wordt nadrukkelijk vastgelegd welke gegevens automatisch door de uitvoeringsorganen sociale verzekeringen worden verstrekt aan de in deze wet exclusief genoemde organen. Het is mooi, als de regering zegt dat bij het vaststellen van de algemene maatregelen van bestuur de privacytoets vooraf plaatsvindt. Procedures die in acht genomen moeten worden, worden dan vastgelegd. Nogmaals, ook de burger moet daarvan in grote lijnen kennis kunnen nemen. In de memorie van antwoord lees ik dat voor de niet bij algemene maatregel van bestuur geregelde gegevensverstrekking bij ieder verzoek om gegevens een belangenafweging ten opzichte van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer plaatsvindt. Het komt mij voor dat die niet bij algemene maatregel van bestuur geregelde privacytoets tot willekeur zou kunnen leiden. Mijn fractie wil de privacytoets zo nauwkeurig mogelijk en in zoveel mogelijk gevallen nader regelen om zodoende maximale garanties in te bouwen dat zorgvuldig wordt omgegaan met persoonsgegevens. Namens mijn fractie benadruk ik nogmaals dat het sofinummer geen gecodeerde, inhoudelijke informatie mag bevatten over personen. Wij zouden dat eigenlijk wettelijk willen uitsluiten. De regering heeft op onze vragen op dit punt gezegd dat dit wetsvoorstel uitsluitend het gebruik van het fiscaal nummer in de sociale verzekeringen regelt en dat om te voorkmoen dat het sociaal-fiscaal nummer inhoudelijke gegevens over personen bevat, de regelgeving voor het fiscaal nummer aangepast zou moeten worden. Hoe ingrijpend is dat dan?

De heer De Leeuw (CDA): Misschien is er sprake van een misverstand. Als ik het wel heb, is er geen enkele codificering, ook niet in het finummer. Of hebt u de indruk dat dit wel het geval is? Dan zou het eruit gehaald moeten worden. Naar mijn gevoel is dat echter volstrekt niet aan de orde.

Mevrouw Groenman (D66): Nee, maar ik zou het echt willen uitsluiten. Als het er nu niet in zit, zou het er wel in kunnen zitten. Nogmaals, dat wil ik uitsluiten. Dat wil ik zeker, als ik de antwoorden van de regering beluister. Het zit wel in het fiscaal nummer; immers, dat is in de stukken niet uitgesloten. De regering zegt namelijk: om dat helemaal te voorkomen, moet ik de regeling voor het fiscaal nummer aanpassen. Dan vraag ik: hoe ingewikkeld is dat? Dit is nu weliswaar niet strikt genomen aan de orde, maar als wij het fiscaal nummer koppelen aan het sociaal nummer, zullen de manco's die in het fiscaal nummer aanwezig zouden kunnen zijn, kunnen worden meegenomen in het sociaal-fiscaal nummer. Vandaar mijn vraag: kijk waar het nog bij het fiscaal nummer rammelt en ga na hoe je een en ander kunt voorkomen. Ik vraag dit alleen maar, omdat men mij in de stukken erop gewezen heeft dat het noodzakelijk zou zijn het fiscaal nummer op enigerlei wijze te herzien. Over de financiŽle kant van de zaak, met name de verwachte opbrengst in het kader van de fraudebestrijding, merk ik nog het volgende op. Bij premiefraude in de werknemersverzekeringen gaat het om 2,5% van de in totaal 33 mld. aan premies, zijnde 800 min. De fraude bij de volksverzekeringen betreft 1250 min., zijnde 2,5% van 50 mld. In totaal gaat het dus om 2 mld. aan fraude bij de werknemers en de volksverzekeringen, los van de fraude in de sfeer van de uitkeringen. De invoering van het sofinummer lost maar 20% van deze premiefrau-de op, zodat de opbrengst van dit wetsvoorstel slechts 400 min. is. De eerste vraag hierover, die misschien in een ander verband aan de orde is geweest, bij voorbeeld in het kader van de commissie-ISMO, is waarom het maar om 20% kan gaan en waardoor de resterende 80% fraude nog steeds mogelijk is. Wij doen nu alle moeite om een goed wetsvoorstel voor een sociaal-fiscaal nummer te maken en dan haalt het maar 20% van de fraude boven water. Misschien is hier in ander verband al eerder over gediscussi-eerd. Het is echter ook voor het grote publiek interessant, te weten wat de cijfers over de fraude zijn en hoe wij deze zaken willen regelen. Wilde de staatssecretaris iets zeggen?

Staatssecretaris De Graaf: Ik hoop dat het 100% wordt.

Mevrouw Groenman (D66): Ja, dat hopen wij ook. U doet echter maar 20% en dan blijft 80% over. Als het 80% zou zijn en 20% overbleef, was het ook vervelend en waren andere maatregelen ook nodig. Nu is het echter 20% en wij moeten ons maar afvragen of dit gerealiseerd wordt. De resterende 80% is kennelijk zeer hardnekkig en zeer zwart.

Staatssecretaris De Graaf: Hieruit blijkt hoe voorzichtig wij zijn en dat wij echt niet optimistisch zijn.

Mevrouw Groenman (D66): Ik ben zeker niet optimistisch, maar krijg graag enige helderheid van u. Van de 2 mld. haalt u met het sociaal-fiscaal nummer maar 400 min. boven water. Ik vind dat enige helderheid hierover ook voor het publiek op haar plaats is. De tweede vraag is wat het sofinummer bij benadering aan besparing bij de uitvoeringsorganen oplevert door de snelle uitwisseling van gegevens, dus de puur administratieve besparing. In de stukken kon of wilde de staatssecretaris hierover geen opheldering geven. Misschien is een tentatief getal niet slecht. De fractie van D66 wacht het antwoord van de regering graag af, maar kan vooralsnog leven met "big sister Sofi".

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de voorzitter! Invoering van het sofinummer is onder stringente voorwaarden aanvaardbaar ter bestrijding van belastingfraude en sociale fraude. Koppeling met andere bestanden van persoonsgegevens moet worden voorkomen. Zo staat het in het verkiezingsprogramma van de RPF. Ik onderstreep de woorden "ter bestrijding van belastingfraude en sociale fraude". Anders gezegd, het sofinummer is voor de RPF alleen aanvaardbaar, als het echt nodig is wegens de op dit moment nog niet of nauwelijks afdoende aan te pakken fraudepraktijken. Wij moeten dan tussen twee kwaden kiezen. Het sofinummer kan een kwaad worden, als het een stap is op weg naar een situatie waarin de burger tot een nummer in een computerbestand vervalt. Nu is het mij bij het lezen van de memorie van toelichting opgevallen dat de staatssecretaris de invoering van een sofinummer in de eerste plaats bepleit met administratieve motieven. Het aspect van fraude lijkt van bijkomstige aard, als ik lees dat een goede administratie tevens de belangen van de sociale zekerheid in ruimere zin zoals beheersing van de uitgaven en van de uitvoeringsprocessen, en het tegengaan van oneigenlijk gebruik en misbruik dient. Ook op bladzijde 5 van de memorie van toelichting wordt dit aspect als laatste genoemd. Ik stel het op prijs, als de staatssecretaris duidelijk maakt dat de invoering van het sofinummer inderdaad niet in de eerste en voornaamste plaats bedoeld is om de schandelijke fraudepraktijken aan de pakken. De fractie van de RPF acht het invoeren van een sofinummer louter om motieven van administratie en automatisering niet noodzakelijk. Stel dat fraude en misbruik zich niet meer voordoen. Zou de staatssecretaris het wetsvoorstel dan ook hebben ingediend en vandaag hebben verdedigd? Onze van lieverlee gegroeide bezwaren tegen het sofinummer bestaan eruit dat wij hiermee een eerste, of eigenlijk een tweede stap op weg naar een algemeen persoonsnummer zetten, waarvan het gebruik nauwelijks te controleren is. De regering stelt mij op dit punt in de gedachtenwisseling nauwelijks gerust. Steeds meer gegevens worden opgeslagen in steeds eenvormigere en gemakkelijk te koppelen administraties. De lijn van sofinummer en verzekerdenadministratie, via de invoering van de centrale persoonsadminstratie sociale verzekering, naar koppeling met het A-nummer is nu al gelegd. Het is alleszins te begrijpen dat velen zich daar zorgen om maken of misschien moeten maken. Wanneer zoveel informatie via een nummer bekend is, zal het heel moeilijk zijn de privacy op een verantwoorde manier en daarmee daadwerkelijk te beschermen. Er komt nog iets bij. Onze grote aarzelingen ten opzichte van het doorvoeren van registratienummers groeien als we letten op de mogelijkheid van misbruik, niet alleen ten aanzien van de privacyaspecten, maar ook ten aanzien van misbruik van de steeds grotere macht die administratieorganen, via de computer, over de burger krijgen. Het maatschappelijk handelen van mensen zou zelfs onmogelijk kunnen worden gemaakt als beheerders van systemen dat zouden willen bereiken. Denk daarbij ook aan het voortschrijden van het electronisch betalingsverkeer. Een blokkade van bepaalde nummers zou dan denkbaar zijn. Daarop verder doordenkend doemen contouren op van het beeld dat in de Bijbel wordt geschetst aangaande ontwikkelingen die zich in de eindtijd voordoen. In het laatste bijbelboek Openbaringen wordt bericht, dat er een tijd komt, waarin alleen zij kunnen kopen of verkopen die het merkteken, de naam van het beest of het getal van zijn naam heeft. Met het beest wordt dan de antichrist bedoeld. In een ver doorgevoerde computermaatschappij en in een totalitaire staat, zou een dergelijke situatie geen science fiction meer kunnen zijn. Zover is het natuurlijk absoluut niet. Wij zouden wel een stap in die richting kunnen zetten en daarom heb ik reserves. Heeft de staatssecretaris daar enig begrip voor? Beseft hij dat wij bij het doorvoeren en vooral ook bij het combineren van registratienummers, gelet op de door mij geschetste toekomst, behoedzaam moeten zijn? Een gewaarschuwd man geldt voor twee. Mijnheer de voorzitter! Het voornemen tot invoering van een sociaal-fiscaal nummer is niet van vandaag of gisteren. Reeds geruime tijd was bekend, dat het de bedoeling was het sofinummer per 1 januari 1989 in te voeren. De verlate indiening van het wetsvoorstel bij het parlement heeft ertoe bijgedragen, dat het onderhavige voorstel toch onder enige tijdsdruk moet worden behandeld. Of dat nu de kwaliteit van de voorbereiding ten goede komt, betwijfel ik. Mocht deze Kamer het wetsvoorstel aanvaardenmorgen zal moeten blijken of dit onder de tijdsdruk moet gebeurendan moet ook nog de Eerste Kamer zich over deze zaak buigen. Ik vraag mij af of de datum van 1 januari wel in rede haalbaar is. Ik verzoek de staatssecretaris dan ook, aan te geven of, en zo ja, onder welke omstandigheden, uitstel van invoering niet een betere weg zou zijn. Uitstel behoeft voor de invoering van de verzekerdenaciminstratie wellicht geen bezwaar te zijn, omdat dat systeem pas vanaf 1990 echt operationeel is. Alvorens ik wat dieper op het wetsvoorstel zelf zal ingaan, wil nog een andere kwestie ter discussie stellen. Dat betreft de mate waarin het geoorloofd dan wel gewenst is de burgers in te schakelen als verlengstukken van de administratie van de uitvoeringsorganen. In de eerste plaats zet ik vraagtekens bij de noodzaak tot het extern gebruik van registratienummers. Ik heb ernstige bezwaren tegen een overwaardering van dit soort nummers als zou het onmogelijk zijn zonder gebruikmaking daarvan een efficiŽnte administratie te voeren. Communicatie met uitvoeringsorganen moet mijns inziens ook zonder dat het sofinummer genoemd wordt, mogelijk blijven. De bewindsman verklaart dat het niet de bedoeling is, dat de persoon nog slechts aan het nummer herkenbaar zal zijn of alleen via het nummer zal kunnen worden teruggevonden. Met andere woorden: het sofinummer is niet een absoluut vereiste. Om welke reden kan de verzekerde dan niet volstaan met het noemen van naam en geboortedatum? Die combinatie is vrijwel uniek. Kan de bewindsmanik vraag het nog eens met nadruk-de vrees wegnemen dat dit wetsvoorstel een nieuwe stap inhoudt op de weg naar de reductie van de burger tot een nummer in de samenleving? Mijnheer de voorzitter! Het wetsvoorstel wordt verdedigd met de trefwoorden misbruik-en fraudebestrijding, terwijl daarnaast een aanzienlijke efficiencyverbetering en daarmee gepaard gaand een betere dienstverlening aan de burger in het vooruitzicht wordt gesteld. Toch zien wij, dat de kosten van de exploitatie van de administratie vrijwel verdubbeien. Diverse andere elementen dragen evenzeer aan de kostenstijging bij, zoals de vervijfvoudiging van de omvang van de administratie bij de uitvoeringsorganen dankzij de invoering van de verzekerdenadministratie. Aan de andere kant is de opbrengst van het voorstel zeer onzeker. Houden wij elkaar niet een beetje voor de gek? Hoe groot is de kans dat het uiteindelijke resultaat negatief is? Welke consequenties trekt de staatssecretaris daar te zijner tijd dan uit? Wat de kwalitatieve verbetering van de dienstverlening aangaat, ben ik van mening, dat wij de zaak in de juiste proporties moeten zien. Die is vooral afhankelijk van de interne organisatie en de werkwijze. Invoering van het sofinummer kan daaraan hooguit een secundaire bijdrage leveren. Is er enige garantie, dat bij voorbeeld de gevalsbehandeling en de uitbetaling daadwerkelijk sneller kan plaatsvinden? De invoering van het sofinummer houdt nauw verband met de verzekerdenadministratie die eveneens per 1 januari 1989 van start zal moeten gaan. Die verzekerdenadministratie betekent een aanzienlijke uitbreiding van het takenpakket van de uitvoeringsorganisatie. Nog belangrijker is dat een en ander in meerdere opzichten zijn weerslag heeft op de relatie tussen de uitvoeringsorganen, werkgevers en werknemers en tussen werknemers en werkgevers onderling. De wet bevat uitvoerige verplichtingen voor werkgevers en werknemers om allerlei gegevens betreffende henzelf en anderen door te geven. Artikel 50a is in dit opzicht vergaand. Het komt mij voor dat met name artikel 50d, derde lid, in dit opzicht wel de kroon spant. De verzekerde moet als het ware zijn werkgever aangeven. Doet hij dat niet, dan is hij strafbaar. Ook andere bepalingen hebben een dergelijke strekking. Ik meen dat dit niet in rede verlangd mag worden. Zijn er vergelijkbare bepalingen in het Nederlandse recht? Hoe staat het overigens met de handhaafbaarheid van een dergelijke bepaling? Is het niet heel moeilijk om dergelijke overtredingen hard te maken? Mijnheer de voorzitter! Van veel kanten is de verhouding tussen de GBA en het sofinummer belicht. De vrees voor overvleugeling van de GBA door het sofinummer is bepaald niet ongegrond, vooral ook omdat het GBA-nummer veel later van de grond zal komen. Door de staatssecretaris wordt die vrees weggewimpeld. Naar mijn gevoel in tegenspraak daarmee zegt hij even later dat er naderhand toch wel ťťn identificatienummer komt. Is dat dan het sofinummer of het A-nummer? Vervolgens kom ik op de bescher ming van de burger. Kan de staatssecretaris eens duidelijk aangeven, wat precies het verschil is in gebruiksregels tussen de nummers? Is het juist dat het gebruik van het A-nummer aan strengere regels is gebonden dan het gebruik van het sofinummer? In ieder geval staat voor mij nog niet vast dat integratie van deze twee bestanden gewenst dan wel geboden is. Dan kom ik nu toe aan de gegevensverstrekking en -uitwisseling, alsmede aan de geheimhoudingsbepalingen. Voor de fractie van de RPF weegt het zwaar dat de Wet persoonsregistratie van kracht is alvorens de onderhavige wet in werking zal treden. Graag wil ik op deze plaats van de bewindsman de garantie daartoe verkrijgen, zo dat mogelijk is. De WPR is de kaderwet. Het is onjuist om een wet die voor een groot deel uitgaat van bepalingen die in de WPR zijn geregeld, vooraf te laten gaan aan die kaderwet zelf, zelfs als materieel gesproken de bescherming van de privacy geen gevaar loopt. De onderlinge gegevensuitwisseling tussen de uitvoeringsorganen krijgt een belangrijke impuls. Het sofi nummer is het gezamenlijke referentiepunt. Overigens is een gemeenschappelijke referentie niet voor alle sociale uitkeringen even noodzakelijk. Waarom zou het kinderbijslagbestand niet zelfstandig kunnen functioneren? Gebruik buiten de sfeer van de sociale zekerheid is in beginsel niet toegestaan. Of hiermede in afdoende mate een dam is opgeworpen tegen gebruik van het sofinummer in het maatschappelijk verkeer, is nog de vraag. Hoe denkt de staatssecretaris in dit verband bij voorbeeld over een functioneren van het nummer in de bedrijfsadministraties? Uitvoeringsorganen kunnen bepaalde gegevens uit eigen beweging aan elkaar verstrekken. Weliswaar geldt voor dergelijke gevallen de privacytoets, maar voor de verzekerden blijft het moeilijk om na te gaan of hun privacy is geschonden, tenzij het doorgeven wordt gemeld. De kern van het voorstel ligt echter in de verplicht door te geven gegevens. Om wat voor soort gegevens kan het daarnaast nog gaan? Zijn deze aanvullende gegevens ook noodzakelijk? Kan niet worden volstaan met de nu voorziene verplichte gegevens? Voor het overgrote deel betreft de gegevensuitwisseling overigens de reguliere berichtenstroom tussen de organen. Ligt het in de bedoeling dat te zijner tijd een permanente gegevensuitwisseling langs elektronische weg wordt opgebouwd? De geheimhoudingsbepalingen zijn in het licht van de privacybescherming natuurlijk essentieel. Het gesloten systeem wordt enigszins ontkracht door het feit dat de uitzonderingen op artikel 50g, eerste lid (het algemene verbod), ruim kunnen worden geÔnterpreteerd. EssentiŽle bepalingen worden bij algemene maatregel van bestuur geregeld. Algemene richtlijnen zijn er ter zake van artikel 50g, lid 3, nog niet. Op welke wijze zal de Kamer tot die tijd worden geÔnformeerd over de werking en de toepassing van deze bepaling in de praktijk? Bezwaren tegen gegevensverstrekking kunnen, wat mij betreft, steeds slechts van tijdelijke aard zijn. Kan de staatssecretaris dat toezeggen? Mijnheer de voorzitter! Ik rond af. Het zal duidelijk zijn dat het onderhavige wetsvoorstel, wat mij betreft, vooralsnog de nodige vraagtekens oproept. Ik ben dan ook voorlopig geen fervent voorstander van invoering van het sofinummer. Ik wacht echter eerst het antwoord van de staatssecretaris af, voordat ik tot een eindconclusie kom.

©

J. (Jeltje) van NieuwenhovenMevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik heb het wetsvoorstel op een aantal punten getoetst aan onze opvattingen. Het resultaat ervan is, dat wij niet zonder meer akkoord kunnen gaan met het wetsvoorstel. Ik zal beginnen, aan te geven wat wij als positief zien in het wetsvoorstel. Daarna kom ik op onze kritiekpunten. Vanuit de positie van de werknemer, de verzekerde, kan dit wetsvoorstel, waar het de voorwaarde is voor de verzekerdenadministratie, het voordeel hebben dat de uitkeringen sneller kunnen worden toegekend. In het geval van grensoverschrijdend verkeer verbetert de informatie-uitwisseling en in het geval van de noodzaak, het arbeidsverleden aan te tonen, is het feit dat men verzekerd is geweest, geregistreerd. Ook voor de uitvoeringsorganisatie is het een goede zaak wanneer de verzekerdenadministratie goed is geregeld. Toch past hier al een eerste kritische kanttekening. In de memorie van toelichting wordt erop gewezen, dat de wetgeving steeds ingewikkelder en fijnmaziger is geworden en dat als gevolg van de technologische ontwikkeling steeds meer geregistreerd kan worden. Dat is waar en terecht wordt geconstateerd, dat er ook gevaren aan zijn verbonden. Mijn kritische kanttekening is deze. Voorkomen moet worden dat de wetgeving steeds fijnmaziger wordt, omdat de registratie van steeds ingewikkelder regelgeving nu eenmaal bijgehouden kan worden. Ingewikkelde wetgeving is ongunstig voor de gebruiker. De stelselherziening sociale zekerheid heeft helaas niet geleid tot een eenvoudiger stelsel. Wat heet, eerder tot het tegendeel. Het is zelfs zo ingewikkeld, dat de staatssecretaris heeft moeten constateren geen floppy disks te kunnen maken, waarmee de consument zijn eigen uitkeringsrechten zou kunnen nagaan. Voorkomen moet worden dat de mogelijkheden die de automatisering van de administratie kan bieden, leiden tot het wegvallen van de rem op steeds ingewikkelder regelgeving. Het zou ons een lief ding waard zijn wanneer met de voorgenomen technische wijzigingen van onder meer de Nieuwe werkloosheidswetwannneer komt dat wetsvoorstel overigens?-ook nog eens wordt gekeken naar de mogelijkheid om de regelgeving nog iets te vereenvoudigen. Zo, dit moest mij eerst even van het hart. Nu terug naar het wetsvoorstel als zodanig. Ik kom eerst te spreken over de uitbreiding van het finummer naar de socialezekerheidsadministratie. Door de Sociale verzekeringsraad is vanaf het begin steeds gesteld, dat de opbouw van een goede verzekerdenadministratie vereist, dat het wetsvoorstel sofinummer voor 1 januari het Staatsblad zou bereiken, dat ook de Wet persoonsregistratie op dat moment tot wet zou zijn verheven en dat de verificatie van de gegevens, voor zo lang de gemeentelijke bevolkingsadministratie nog niet van kracht is, op adequate wijze kan geschieden door de belastingdienst. Wij hechten eraan, wat heet, wij staan erop, dat het sofinummer blijft gekoppeld aan de WPR. De mogelijkheden van een geautomatiseerde persoonsadministratie vereist een absolute waarborg met betrekking tot de veiligheid en geheimhouding van de gegevens. De Wet persoonsregistratie is door de Tweede Kamer aanvaard. De Eerste Kamer moet deze wet nog in behandeling nemen. In de WPR worden, zoals ook terecht in de stukken door de staatssecretaris wordt aangegeven, al die zaken met betrekking tot de geheimhouding van gegevens geregeld die niet apart in dit wetsvoorstel zijn geregeld. Zo wordt bij voorbeeld, wanneer het gaat om de wijze van omgaan met medische gegevens, uitdrukkelijk gewezen op de noodzaak om in de AMvB op grond van artikel 7 van de WPR rekening te houden met deze zeer privacygevoelige gegevens die de GMD zou moeten opslaan. Werd er in de eerste stukken nog terecht van uitgegaan, dat de WPR van kracht zou zijn, zelfs al in werking zou zijn getreden voordat het sofinummer het Staatsblad zou bereiken, hoe dichter januari nadert, hoe aarzelender de opmerkingen van de staatssecretaris worden en hoe meer hij de indruk tracht te wekken dat de WPR toch helemaal niet zo belangrijk is. Ik begrijp het wel. De keukenkalender was weer eens onvindbaar. In de keuken van het ministerie van Justitie was de datum voor de WPR niet aangekruist. Daardoor komt deze staatssecretaris nu in de problemen en met hem de medewetgevende Kamers. Dat probleem hoeven wij hier echter niet op te lossen. Dat vecht de staatssecretaris maar uit met de overkant. Ik stel alleen, dat wij het onoirbaar en onacceptabel vinden als de verzekerdenadministratie zou worden gestart voordat de WPR in het Staatsblad staat. Overigens zien wij helemaal niet in wat nu de grote problemen zouden zijn met bij voorbeeld het van start gaan per 1 april. Natuurlijk, op 31 december weet de uitvoeringsorganisatie aan de hand van de staten van de werkgevers welke mensen nu precies waar in dienst zijn en om hoeveel uur het gaat etc. Het kan zijn, dat er in die drie maanden enige mutaties optreden, maar die kunnen toch ook door de werkgever op 1 april worden doorgegeven over de periode tussen 1 januari 1989 en 1 april 1989? Als ik goed ben geÔnformeerd, heeft de Eerste Kamer gisteren besloten, het wetsvoorstel WPR niet te behandelen voor 1 januari. Is dat de staatssecretaris ook ter ore gekomen en kan hij daarop reageren? Mijnheer de voorzitter! Worden hier geen problemen gecreŽerd die niet behoeven te bestaan? Het is toch absurd om door te late wetgeving nu een geautomatiseerde persoonsregistratie op te zetten, zonder dat de wetgeving, waarmee de bescherming van de privacy van de burger is geregeld, zelfs maar van kracht is. Zo wordt de in de Troonre-de nog hoog geprezen zorgvuldigheid met voeten getreden. Zo kan een overheid niet met de burgers omgaan. Ik ga ervan uit, dat de staatssecretaris inziet dat, mocht de Eerste Kamer in haar wijsheid besluiten de WPR niet voor 1 januari 1989 af te handelen, de verzekerdenadministratie op een later tijdstip zal moeten aanvangen. Ik ga ervan uit, dat hij alsdan daarvoor de nodige maatregelen door de uitvoeringsorganisaties zal laten nemen. Ik krijg graag een paar toezeggingen van hem op dit punt. Ik kom nu op de privacybescherming voorzover dat binnen het wetsvoorstel is geregeld. Ook daarover heb ik mijn twijfels. Maar, constructief als ik ben, heb ik getracht deze door middel van amendering op te lossen. In het wetsvoorstel zijn op een aantal punten, aanvullend op de WPR, bepalingen opgenomen met betrekking tot de geheimhouding. Op een aantal punten vinden wij de bescherming van de privacy niet voldoende geregeld. In de eerste plaats betreft dit de bepalingen in artikel 50g. De geheimhouding kan worden opgeheven, aldus dit artikel, in de eerste plaats wanneer dat op grond van andere wetten vereist is. Daar kunnen wij mee akkoord gaan, zij het dat ik graag wil weten in welke wetten dit thans het geval zou zijn naast de in deze wet geregelde situaties. In de tweede plaats geldt een bepaling wanneer de betrokkene zelf schriftelijk te kennen gegeven heeft ertegen geen bezwaar te hebben. Die bepaling acht ik te ruim. Niet alleen is het mogelijk dat betrokkenen onvoldoende de reikwijdte van een dergelijke verklaring inzien; zij zouden zelfs onder druk gezet kunnen worden om een dergelijke verklaring af te geven. Maar vooral is nergens bepaald hoe de reikwijdte van een dergelijke verklaring zou worden ingeperkt. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt wel de suggestie gewekt, dat deze verklaring van beperkte duur zou zijn. In de wet is dat niet geregeld. De AMvB in artikel 50g, lid 3 is bovendien niet alleen niet verplicht; deze AMvB kan worden ingesteldik kom daar straks nog op terugen, erger nog, de AMvB is ook niet van toepassing op de bepalingen in het tweede lid van artikel 50g. In de derde plaats is het mogelijk, . de geheimhoudingsplicht op te heffen indien de gegevens niet herleidbaar zijn tot de natuurlijke personen. Voor deze geheimhouding wil ik een stringentere regelgeving. Dat betekent het volgende. Er zal een AMvB moeten worden opgesteld, waarbij het gaat om het opheffen van een geheimhoudingsbepaling in het eerste lid ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek. Dat is geen maatregel die afhankelijk van ervaringen wellicht zou kunnen. Een amendement daartoe van de heer Van der Vlies heb ik mede ondertekend. Een AMvB moet ook regels stellen voor hetgeen is geregeld in artikel 50g, lid 2. Vervolgens acht ik het noodzakelijk, dat in de wet wordt vastgelegd dat deze AMvB door de Kamer kan worden beoordeeld. Een bepaling met betrekking tot een lichte voorhangprocedure, de zogenoemde 30-dagenregeling, heb ik daarom ook door middel van een amendement toegevoegd. Een soortgelijke voorhangprocedure acht ik ook noodzakelijk voor de AMvB op grond van artikel 50n. Met betrekking tot de geheimhouding kom ik tot het probleem dat ook door de commissie-Hirsch Ballin is opgemerkt, namelijk het feit dat het ministerie van FinanciŽn een ruimhartiger opstelling kan kiezen voor het opheffen van de geheimhoudingsbepaling als het gaat om het finummer dan de bewindsman van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan kiezen als het gaat om het sogedeelte. Destijds bij de behandeling van de AWR heb ik reeds voorgesteld, de bevoegdheid van de minister van FinanciŽn in die zin in te perken, dat het alleen geoorloofd was op grond van een AMvB. Ik acht het, met de commissie-Hirsch Ballin, ongewenst dat de flexibiliteit ten aanzien van de AWR aanzienlijk ruimer is dan de mogelijkheden binnen het sogedeelte van het nummer. Ik doe daarom opnieuw het voorstel om de bevoegdheid van de minister van FinanciŽn ten aanzien van de gegevensuitwisseling in te perken. Ook daartoe heb ik een amendement ingediend op de wetgeving inzake het sofinummer, in dit geval op het figedeelte. In verband hiermee wil ik nog de volgende vragen stellen aan de staatssecretaris. Voor zover ik weet is voor het figedeelte door de staatssecretaris van FinanciŽn ontheffing gevraagd aan de Kamer en verkregen voor uitwisseling en gebruik van het finummer voor individuele huursubsidie en studiefinanciering. Welke gevolgen heeft dit voor de sokant van het nummer? Betekent het automatisch dat deze ook gekoppeld wordt aan de IHS en de studiefinanciering of is alsnog in een procedure voor het finummer en de koppeling in de wetgeving voorzien? Graag ontvang ik hierop een reactie van de staatsecretaris. Ik wil vervolgens kort ingaan op de inhoud van de verzekerdenadministratie die zal plaatsvinden op basis van deze wet. Gezien het feit dat ook medische gegevens in de verzekerdenadministratie zullen worden opgenomen, acht ik het, zoals gezegd, vanzelfsprekend dat in de AMvB op grond van artikel 7 van de WPR daarmee uitdrukkelijk rekening wordt gehouden. Moet de burgerlijke staat worden opgenomen in de verzekerdenadministratie? Mij dunkt van niet. De administratie heeft slechts ten doel het verzekerd zijn van betrokkene en andere zaken direct te maken hebbend met de verzekerde, te administreren. Zeker is het dat de leefvorm niet in de verzekerdenadministratie moet worden opgenomen. Niet alleen is dat een te fluctuerende situatie, maar vooral is het van belang om vast te stellen dat zulks volstrekt overbodig moet worden geacht. In een situatie waarbij betrokkene in aanmerking komt voor een uitkering, met al dan niet een uitkering op grond van de Toeslagenwet, zal toch van geval tot geval moeten worden bezien of het inkomen van de partner van die laagte is dat een dergelijke toeslag moet worden gegeven. Dat dus ook op dat moment pas de partner om de hoek behoeft te komen kijken, is evident. Registratie van een partner is dus overbodig en vanuit privacyoogpunt ongewenst. Ik kom dan op de vraag die in de schriftelijke voorbereiding niet voldoende is beantwoord. Gesuggereerd wordt dat ook in de ABW, de IOAW en de IOAZ gebruik zal worden gemaakt van het sofinummer en de verzekerdenadministratie. Deze wetten zouden, aldus de memorie van antwoord, daartoe worden aangepast. Ik ga ervan uit dat wij dan die discussie uitgebreid zullen kunnen hebben, maar ik wijs er thans reeds op dat ik niet begrijp hoe dit kan uitwerken, aangezien personen die niet werkzaam zijn in een dienstbetrekking met verzekeringsplicht, niet in de verzekerdenadministratie zijn opgenomen. Ik kom, naar aanleiding van die discussie, nog tot een korte opmerking. Waarom zou voor de bepaling van het arbeidsverleden, om voor de verlengde WW-uitkering in aanmerking te komen, alleen sprake kunnen zijn van een arbeidsverleden gebaseerd op een dienstverband van ten minste 8 uur per week, waaraan verzekeringsplicht is verbonden? In de WW staat deze specificatie nergens vermeld. Evenmin is er sprake van een bepaling dat men gedurende 3 uit 5 jaar verzekerd moet zijn geweest. Het lijkt mij dat in de beantwoording van deze vraag sprake is geweest van een gewenste interpretatie van de wet. Het geeft mij trouwens wel een reden extra om nog eens op te merken dat alfahulpen normaal onder de werknemersverzekeringen moeten worden gebracht. Mijnheer de Voorzitter! Nu wil ik overgaan tot de verplichtingen van de werknemer, de werkgever en de uitvoeringsorganisatie ten aanzien van het sofinummer. De werkgever dient informatie aan de uitvoeringsinstantie door te spelen. De werknemer is gehouden, hetzij de werkgever te informeren, hetzij de bedrijfsvereniging direct te informeren, wanneer de informatie vanuit zijn invalshoek vertrouwelijk geacht wordt te zijn. Mijn eerste vraag is, hoe de voorlichting hierover aan werknemers wordt gegeven. Zeker nu de wet een soort haastwerk lijkt te worden enals aan de overige voorwaarden is voldaanop 1 januari al in werking zou moeten treden. Kunnen werknemers wel tijdig genoeg geÔnformeerd worden over hun rechten en plichten ten aanzien van de verzekerdenadministratie en het sofinummer? Enerzijds kan die informatie toch niet worden verzonden, voordat de Eerste Kamer de wet heeft afgehandeld. Anderzijds is het toch onmogelijk, tussen dat moment en 1 januari de voorlichting op een juiste wijze te doen geschieden. Ik ben benieuwd naar de werkwijze ter zake. Werknemers die onjuiste informatie verstrekken, zijn volgens artikel 52 van deze wet in overtreding. Ik kan mij situaties voorstellen waarin dat terecht zou kunnen zijn. Maar ik ben erg huiverig voor een dergelijke bepaling. Mijnheer de voorzitter! Denkt u zich eens in. Ingewikkelde papieren-de invulling van papieren is al gauw ingewikkeldmoeten worden ingevuld en bij fouten daarin loop je de kans op boete of hechtenis. Gesteld dat je de Nederlandse taal niet goed machtig bent. Daardoor loopt de informatie niet volledig goed. Je wordt gestraft voor de overtreding. Daarvoor staat ten hoogste vier weken hechtenis, maar je krijgt een week. Je wordt door de werkgever ontslagen. Je bent dan verwijtbaar werkloos. Ben je een buitenlandse werknemer, dan loop je de kans door staatssecretaris Korte-van Hemel op die grond het land uitgezet te worden. Het klinkt misschien overdreven, maar we hebben op dit terrein al vreemde gevallen meegemaakt. Onzes inziens is een overtredingsbepaling ten aanzien van een werknemer eigenlijk niet verantwoord, tenzij er duidelijk sprake is van fraude. Maar zou ik hier "opzet" in willen opnemen, dan verandert de overtreding in een misdrijf. Ik vraag de staatssecretaris of hiervoor geen andere oplossingen denkbaar zijn. Het volledig schrappen van een sanctiebepaling gaat ons ook weer te ver. Het moet in specifieke gevallen mogelijk zijn, een werknemer op het niet verstrekken van de juiste informatie aan te spreken. Er een misdrijf van maken door de woorden "als dit opzettelijk gebeurt" toe te voegen, gaat ten aanzien van de verplichtingen aan de kant van de werknemers echt veel te ver. Welke tussenvorm acht de staatssecretaris op dit punt denkbaar? Mijnheer de voorzitter! Ik zit met de vraag, op welke wijze kan en zal worden voorkomen dat de werkgever het sofinummer zou gaan gebruiken buiten de sfeer waarvoor het bedoeld is. Hoe kan worden voorkomen dat het sofinummer in de personeelsadministratie als personeelsnummer gaat verschijnen? Is dat strafbaar als misdrijf? Is dat een overtreding? Het is vanzelfsprekend, ook voor een dergelijk misbruik, dat het noodzakelijk is dat de WPR eerst tot wet is verheven. Klachten over dergelijk oneigenlijk gebruik kunnen, naar ik aanneem, op grond van de WPR worden aangekaart bij de Registratiekamer. Is dat juist? De voorlichting die gepaard zal gaan met de invoering van de WPR is hierbij dan ook van groot belang. Wellicht ziet de staatssecretaris nog meer mogelijkheden om dergelijk misbruik tegen te gaan. Mijnheer de voorzitter! De Commissie toezicht uitvoeringsorganen heeft, zoals in het SVR-advies van 11 oktober 1988 is gesteld, geadviseerd en ik citeer: alles overziend adviseert de CTU de Raad de weg vrij te geven voor de invoering van de verzekerdenadministratie per 1 januari 1989 mits-en dat kan niet genoeg worden benadrukt -de WPR en de sofiwet uiterlijk per die datum worden ingevoerd en mits tijdig een aanvaardbare verificatieprocedure via de Rijksbelastingdienst is ontwikkeld als tussenoplossing totdat de GBA-procedure operationeel is. Ik kom nu op de verificatie. In augustus gaf de Federatie van bedrijfsverenigingen aan hieromtrent grote zorgen te hebben. Het zal, zo stelde de federatie, voor de belastingdienst een grote extra inspanning vergen om naast het finummer ook de persoonsgegevens te verifiŽren. Op 26 oktober 1988 stelde de voorzitter van de FVB, en ik citeer: De FVB vindt het overigens jammer dat het kabinet er niet in is geslaagd om tijdig te zorgen voor een optimale verificatie van de op te nemen persoonsgegevens. De Federatie van bedrijfsverenigingen stelt verder, dat zo goed en kwaad als het gaat, nu voorlopig in de leemte van het ontbreken van de GBA zal worden voorzien, maar dat betekent wel dat er gewerkt moet worden met minder actuele gegevens en met nogal wat inefficiŽnt handmatig uitzoekwerk. Zijn de afspraken met de belastingdienst thans in een dusdanig stadium, dat inderdaad de verificatie voorlopig via de RBD kan geschieden? Is de geautomatiseerde administratie van de belastingdienst daarop ingesteld? Kan de staatssecretaris met de hand op het hart verklaren dat dit goed en afdoende is geregeld? Volgens de FVB staat vast, dat een optimale verificatie vereist dat op de kortst mogelijke termijn het netwerk van de gemeentelijke basisadministratie, de GBA, tot stand moet komen. Dit brengt mij op enkele opmerkingen over de relatie tussen het sofinummer en het GBA. Ik stel het op prijs dat de staatssecretaris van Sociale Zaken meent dat ten onrechte het idee bestaat dat het sofinummer de plaats van het GBA-nummer zal innemen. Maar daarmee ben ik er nog niet helemaal gerust over. Uit de schriftelijke gedachtenwisseling is ons niet duidelijk geworden, in hoeverre overleg heeft plaatsgevonden met de ministervan Binnenlandse Zaken. Deze laatste is immers de coŲrdinerende bewindsman van de geautomatiseerde persoonsregisters. Tijdens het mondeling overleg van 17 november 1 988 met de minister van Binnenlandse Zaken over de voortgang van het GBA stelde minister Van Dijk dat binnen het kabinet is afgesproken dat voor de gehele rijksoverheiddus ook voor de sociale zekerheid, neem ik aanhet GBA de basisadministratie zal zijn. Inzicht in de bronnen waaruit deze afspraken blijken, moet nog door minister Van Dijk aan de Kamer worden gegeven, zo luidt de afspraak. Ik verzoek de staatssecretaris van Sociale Zaken, alvast een tip van deze sluier op te lichten. Gesteld wordt verder, dat het verwijs-en identificatiebestand onvoldoende geschoond zou zijn om gebruikt te kunnen worden voor het sofinummer. Uit het mondeling overleg van 17 november blijkt verder dat de minister van Binnenlandse Zaken niet overtuigd is door deze argumentatie. Wellicht kan de staatssecretaris mij nog eens uitleggen waarom de FIB niet benut kan worden. Ik vraag dit, omdat ik met deze informatie de zekerheid zou kunnen krijgen dat het sofinummer niet sluipenderwijs de plaats van het GBA zal innemen, zoals in een artikel in Binnenlands Bestuur van 21 oktober 1988 naar voren komt. Mijnheer de voorzitter! Mijn angst voor misbruik van het sofinummer is niet ongegrond. De staatssecretaris heeft het sofinummer naar mijn smaak te veel aangekondigd als een middel tegen fraude en oneigenlijk gebruik. Natuurlijk is het voorkomen van premiefraude een mooie bijkomstigheid, maar naar mijn opvatting behoort het sofinummer in de eerste plaats gezien te worden en ook te kunnen wordenvandaar mijn amendementen en kritische kanttekeningenvanuit het belang van de burger. Mijn angst is de laatste weken eerder groter dan kleiner geworden. Hij wordt gevoed door een opmerking van niet de eerste de beste. Neen, het gaat om een opmerking van de minister van WVC. Onlangs stelde minister Brinkman het volgende. Ik citeer uit de rede die hij uitsprak in Leiden onder de intrigerende titel "Genoeg van de Staat". Hij stelde: "Willen wij van allerlei voorzieningen vooral de zwaksten laten profiteren, dan vereist dit naar mijn mening een scherpere controle op gebruik, verwijzingen en registratie, bij voorbeeld via het sofinummer". Ik zie het voor me: sofinummer bij de retributieregeling gezinsverzorging bij de kinderopvang. Kan ik duidelijk van de staatssecretaris vernemen ten eerste dat het sofinummer daarvoor niet bedoeld is en ten tweede dat hij de bewindsman van WVC nog eens duidelijk hierop zal wijzen? Als het sofinummer niet in het belang zou zijn van de burger-de werknemer, de consument van de sociale zekerheidmaar neer zou komen op de "grote broer met loerend oog", dan zal het duidelijk zijn dat mijn fractie niet akkoord kan gaan. Als onder meer door aanvaarding van mijn amendementen en door de toezegging van een goede procedureblijkend uit de wijze waarop de relatie tussen WPR en sofinummer serieus wordt genomenonze opvatting dat het sofinummer vanuit het belang van de werknemer wordt ingevoerd, door de staatssecretaris wordt ondersteund, dan kan het wetsvoorstel rekenen op de steun van mijn fractie.

©

R.L.O. (Robin)  LinschotenDe heer Linschoten (VVD): Mijnheer de voorzitter! Ik begin mijn bijdrage met een woord van waardering aan het adres van de staatssecretaris, omdat de fractie van de VVD van mening is dat dit gevoelige onderwerp door hem op een zeer zorgvuldige en snelle wijze is voorbereid, naar aanleiding van de discussies die wij eerder hebben gehad. De zorgvuldigheid blijkt uit de wijze waarop de staatssecretaris is omgegaan met de adviezen die hij heeft gekregen en ook uit datgene wat de commissie-Hirsch Ballin naar voren heeft gebracht. Voorzitter! De fractie van de VVD is voorstander van invoering van het sofinummer. Dat is niets nieuws. Ook tijdens de discussies in 1983 en 1984 over de aanbevelingen van de interdepartementale Stuurgroep misbruik en oneigenlijk gebruik en tijdens de discussies over de wijziging van het socialezekerheidsstelsel, hebben wij dit standpunt bij meerdere gelegenheden verwoord. Mijn fractie is van mening dat ontwikkelingen in de sfeer van de sociale zekerheid en tal van maatschappelijke ontwikkelingen het inderdaad duidelijk maken dat een bezinning noodzakelijk is op de vraag hoe in de toekomst om wordt gegaan met de administratieve organisatie van de uitvoeringsorganen, hoe zij met elkaar omgaan, hoe zij gegevens uitwisselen en hoe zij met de overheid omgaan. Ik heb al gezegd dat de ontwikkelingen in de sfeer van de sociale zekerheid en maatschappelijke ontwikkelingen daartoe nopen. Ik noem bij voorbeeld de grote toename van het aantal verzekerden, de uitbreiding en verfijning van regelingendeze is niet altijd gewenst, maar soms niet te voorkomeneen toename van de onderlinge verwevenheid van de regelingen en last but not least: de fraudebestrijding die in de UCV over de ISMO aan de orde is geweest en de bestrijding van oneigenlijk gebruik van de sociale verzekering.

Praten over het sociaal-fiscaal nummer en over de manier waarop je dat handen en voeten geeft, betekent in de politieke discussie -en dat is tot nu toe in dit debat ook geblekenbalanceren binnen een bepaald spanningsveld. Het is een spanningsveld tussen efficiŽntieverbetering aan de ene kant en privacybescherming aan de andere kant. Door wetgeving op het terrein van de sociale zekerheid dienen waarborgen te worden geschapen voor het voeren van een goede administratie en het kunnen plaatsvinden van een efficiŽnte uitwisseling van gegevens tussen instanties die de wettelijke regelingen van de sociale zekerheid uitvoeren en andere instanties die daaraan een bijdrage leveren. Voorkomen moet worden dat gegevens voor andere doelen worden gebruikt dan waarvoor zij dienen, namelijk een goede uitvoering van die wettelijke regelingen. Met andere woorden: een goede administratie is van grote betekenis. Het is niet alleen van grote betekenis bij het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik, maar ook bij beheersing van uitvoeringsprocessen en beheersing van uitgaven in deze sfeer. Voorts is het van betekenis omdat wijzigingen in de wetgevingik wijs op de stelselwijziging sociale zekerheidrefereren aan bij voorbeeld een arbeidsverleden en gegevens met betrekking tot de verzekeringshistorie van iemand. Als dat onderdeel wordt van wetgeving, is het des te noodzakelijker dat wij over een goede administratie beschikken, een administratie die niet alleen maar betrekking heeft op uitkeringsgerechtigden, maar ook op de verzekerden die geen uitkering ontvangen. Ik kom te spreken over het wetsvoorstel zelf. Dit wetsontwerp bevat met name wijzigingen van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Die wijzigingen hebben betrekking op de adminstratie, de verstrekking en de uitwisseling van gegevens, de daarbij behorende geheimhoudingsbepaling en de invoering van het sociaal-fiscaal nummer. Bij al deze onderwerpen speelt voor de fractie van de VVD bescherming van de persoonlijke levenssfeer een belangrijke rol. Wie mag of wie moet gegevens vastleggen? Van wie mag verwacht worden dat input wordt geleverd voor die gegevens? En met wie mogen c.q. moeten deze gegevens worden uitgewisseld? Dat zijn in feite de kernvragen binnen het spanningsveld tussen efficiŽntieverbetering aan de ene kant en privacybescherming aan de andere kant. In deze wet wordt expliciet vastgesteld dat de bedrijfsverenigingen en de GMD verplicht zijn gegevensadministratie te voeren of te doen voeren. Daarnaast is dat voor de bedrijfsverenigingen, die ook de verplichting hebben tot het hebben van een verzekerdenadminstratie, in de wet geregeld. De Sociale Verzekeringsraad heeft bovendien de verplichtingdit was tot voor kort een bevoegdheid; meer vrijblijvend dustot het geven van voorschriften, zodat een betere onderlinge afstemming plaatsvindt. Met dit wetsontwerp wordt ook het sociaal-fiscaal nummer gerealiseerd. Om te voorkomen dat de werkingssfeer van het sociaal-fiscaal nummer zich verder uitstrekt dan het terrein van de sociale verzekering en de belastingen wordt in de wet uitdrukkelijk geregeld aan wie en in welke gevallen informatie met betrekking tot het sociaal-fiscaal nummer mag worden uitgewisseld. Zowel voor de administratie als voor de gegevensuitwisseling wordt bepaald dat het uitsluitend gegevens mag betreffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verschillende sociale verzekeringswetten. Geregeld wordt wie verplicht is welke informatie te verstrekken. Het veel voorkomende verstrekken van gegevens van de werknemer via de werkgever aan de uitvoeringsorganisaties wordt nu expliciet in de wet vastgelegd, met name de wijze waarop dat dient te gebeuren. Daarnaast wordt geregeld dat, indien de werknemer bij voorbeeld om privacyredenen die informatie liever niet via zijn werkgever ter beschikking stelt, hij in de gelegenheid is om dat zelf te doen. De in het wetsvoorstel neergeleg-de geheimhoudingsverplichting is zo objectief mogelijk geformuleerd en sluit aan bij de in de Wet op de persoonregistraties opgenomen regelingen. Er is gekozen voor een zogenaamd gesloten systeem. Dat wil zeggen dat de gevallen, waarin het verbod niet geldt, limitatief zijn. Deze aanpak en deze waarborgen zijn voor de fractie van de VVD van betekenis. Die waarborgen betekenen ook, dat de fractie van de VVD op hoofdlijnen kan instemmen met dit wetsontwerp. Waarborgen geven natuurlijk nooit 100% garanties, zeker niet als wij kijken naar alle ontwikkelingen in de sfeer van de automatisering en de informatica. Als wij kijken naar dat spanningsveld, waarbinnen deze discussie zich afspeelt, dan geloven wij, dat ter zake van de keuze tussen de efficiencyverbetering en privacybescherming de regering is gekomen met een verantwoorde keuze. Zij geeft een goede middenweg in dat spanningsveld aan. Ik wil nog een negental punten aan de orde stellen. Het eerste punt betreft de betekenis van artikel 50d, lid 2, een bepaling, die erop neerkomt, dat de verzekerde verplicht is om indien hij het bericht, zoals bedoeld in artikel 23, vierde lid niet binnen de in dat lid genoemde periode heeft ontvangen, hij hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling moet doen aan de bedrijfsvereniging. Als dat niet gebeurt, is er sprake van een misdrijf. Iedereen behoort de wet te kennen. Dat is meer dan een fictie, zoals mevrouw Groenman heeft aangegeven. Dat is een zeer belangrijk gegeven in ons rechtsbestel. Dat betekent, dat de wetgever bij het formuleren van regelgeving rekening moet houden met de vraag, of in redelijkheid mag worden verwacht, dat de burgers aan een dergelijke verplichting tegemoet kunnen komen, gegeven de situatie, die wij in de praktijk aantreffen. Ik geloof dan ook, dat het artikel, zoals het in het voorstel van de staatssecretaris staat, wel buitengewoon absoluut is geformuleerd. Dat is ook de reden, waarom ik het amendement-De Leeuw mede heb ondertekend. Dat amendement komt erop neer, dat er in ieder geval sprake is van een redelijkheidstoets, zoals die in lid drie van datzelfde artikel aan de orde is. Dat neemt niet weg, dat ik nog een nadere vraag aan de staatssecretaris zou willen stellen. Is dit lid, al dan niet geamendeerd, inderdaad nodig om een sluitend systeem te krijgen? Wanneer ik kijk naar lid 3 van hetzelfde artikel, dan rijst bij mij de vraag, of dit niet voldoende is. Is het niet voldoende, dat er een mogelijkheid is om in te grijpen, indien betrokkene redelijker wijs behoort te weten, dat de werkgever niet aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan?

Mevrouw Groenman (D66): Wat verstaat de heer Linschoten onder "rederlijkerwijs"? Een werknemer moet redelijkerwijs weten, dat de werkgever in gebreke is gebleven. Wat is dat dan?

De heer Linschoten (VVD): Wij hebben bij alle artikelen, die hier aan de orde zijn, het begrip "redelijkerwijs" opgenomen. De rechter, die een oordeel heeft uit te spreken over de vraag, of er sprake is van een misdrijf en welke sanctie moet worden toegepast, dient de redelijkheidstoets te hanteren. Het viel mij op, dat bij dit lid 2 van artikel 50d die redelijkheidstoets niet was opgenomen. Dat is op zich zelf al voldoende reden om ze wel op te nemen. Ik ga er daarbij vanuit, dat het om dezelfde redelijkheidstoets gaat, zoals die in lid 3 aan de orde is. Bij de uitleg van dit wetsvoorstel is dit nadrukkelijk aan de orde geweest. Ik zou liever wat verder willen gaan. Ik geloof, dat in die gevallen redelijkerwijs van iemand mag worden aangenomen dat hij weet, dat er gerommeld wordt door de werkgever, indien men hem via een aantal maatregelen in de gelegenheid stelt om dat ook vast te stellen. Wij hebben nog niet zo lang geleden hier de wet inzake het verplichte loonstrookje behandeld. De werknemers zijn iedere maand in de gelegenheid om te bekijken, of al dan niet sociale premies worden afgedragen. M.jn tweede punt had te maken met het statenoverzicht, dat ook in de schriftelijke voorbereiding aan de orde is geweest. De praktijk is op dit moment al, dat ook de werknemers op de hoogte worden gesteld door de werkgevers van wat in dat statenoverzicht staat. Het zou een goede zaak zijn, indien in de wet wordt vastgelegd, dat de werknemer ten minste eenmaal per jaar dat overzicht krijgt. Dat is dan ook de reden waarom mijn handtekening staat onder het tweede amendement van de heer De Leeuw. Belangrijk is, dat de werknemers kunnen kijken naar de werkgevers. In een groot aantal gevallen weten ook werknemers duvels goed dat er sprake is van fraude. Men denke maar aan de koppelbazen. Het is zeker niet zo dat men dergelijke controleverplichtingen niet aan werknemers zou mogen opleggen. Het gaat erom dat men redelijkerwijze mag verwachten dat die werknemers ervan op de hoogte zijn dat er sprake is van onregelmatigheden. Als een werkgever Ťn geen loonstrookje verstrekt Ťn op het punt van de verzamelstaat niet de nodige gegevens overlegt, mag men inderdaad van de werknemer in redelijkheid verwachten dat hij ten minste denkt dat er sprake is van onregelmatigheden. Men mag dan ook verwachten dat er door de werknemer enige actie wordt ondernomen.

Mevrouw Groenman (D66): Ik ga even uit van een bonafide werknemer die bij een malafide werkgever werkt. Ik weet dan niet hoe hij redelijkerwijs kan weten dat hij iets van die werkgever moet verwachten. U spreekt over het verplichte loonstrookje. Daar hoort standaard bij dat hij van de werkgever ook nog een registratieformulier moet krijgen. Daarmee wordt de bonafide werknemer een mogelijkheid gegeven. Als de malafide werknemer een en ander vervolgens niet wenst te lezen, hebben wij daar niets aan.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Ik denk dat wij ernaar toe moeten-de wetgeving maar ook de gang van zaken rond het loonstrookje geven dat aandat er bij een werknemer een lampje gaat branden als hij door zijn werkgever hiervan niet op de hoogte wordt gesteld. De wijze, waarop op dit punt door het departement voorlichting wordt gegeven, is bepalend voor het antwoord op de vraag, in hoeverre men van de werknemer in redelijkheid mag verwachten dat dit lampje inderdaad gaat branden. Belangrijk is dat zoveel mogelijk de waarborgen worden geschapen dat werknemers de juiste informatie krijgen op basis waarvan zij tot conclusies kunnen komen en dat wij de redelijkheidstoets ook in het tweede lid vastleggen. Mijn derde opmerking heeft betrekking op artikel 50f, het begrip "nadere regels" en de mogelijkheid voor minister of staatssecretaris om die nadere regels te stellen. Zou de staatssecretaris bij zijn beantwoording nog eens willen ingaan op de betekenis van dit begrip? Mag hieronder ook worden verstaan dat er eventueel sprake is van afwijkende regels? Ik kan mij voorstellen dat men in bepaalde bedrijfstakken en sectoren met bedrijfsspecifieke problemen wordt geconfronteerd zodat men bij voorbeeld niet goed met termijnen uit de voeten kan. Dan kunnen er door de bewindslieden nadere regels worden gesteld, de minister van FinanciŽn en de SVR gehoord. Mogen die regels afwijken van de voorwaarden die in deze wet zijn neergelegd? Het vierde punt heeft te maken met een vraag, die zeker op termijn van belang is. Wat is de positie van mensen die niet over een sofinummer beschikken? Wij kennen in Nederland voor een belangrijk gedeelte van de sociale wetten het beginsel van het "van rechtswege verzekerd zijn". Hoe moeten wij tegen dit beginsel aankijken tegen de achtergrond van het sofinummer? Kan de staatssecretaris hierop ingaan? Mogelijk is het een zaak die zich leent voor nadere studie, mede omdat er complicaties kunnen optreden in relatie met de ontwikkeling van het sociaal zekerheidsrecht binnen de EG en tal van internationaalrechtelijke verplichtingen die in verdragen zijn neergelegd. Het vijfde punt betreft de integratie van het berichtenverkeer. Naar het oordeel van mijn fractie is dit een belangrijk punt omdat men daarmee een belangrijke vereenvoudiging kan bereiken, vooral voor degenen die informatie beschikbaar moeten stellen, de werkgevers. Deze verlichting in de sfeer van de administratieve lasten zou de verzwaring die voor een gedeelte uit dit wetsvoorstel voortkomt, kunnen compenseren. Op dit moment dient men bij het aannemen van een nieuwe werknemer een werknemersverklaring in te vullen en men dient een en ander te melden bij de fiscus, de bedrijfsvereniging, eventueel bij het ziekenfonds enz. Dat zijn allemaal verschillende formulieren, administratieve procedures, postadressen en telefoonnummers. Is nu niet juist het sofinummer de aangewezen sleutel om te komen tot ťťn meldingspunt, ťťn formulier, ťťn postbus en ťťn telefoonnummer? Juist met deze sleutel wordt het mogelijk om voor betrokkenen een extra dienstverlening te realiseren. Naar het oordeel van mijn fractie zal dit op een zo kort mogelijke termijn moeten gebeuren. Ik overweeg op dit punt eventueel in tweede termijn een uitspraak van de Kamer te vragen. Het zesde punt betreft de gemeentelijke bevolkingsadministratie, het GBA-nummer dat ook door verschillende collega's aan de orde is gesteld. Ook mijn fractie is voorstandster van een integratie. Indien het GBA-nummer zo meteen als verificatiebestand gaat dienen voor het sofinummerdat ligt toch voor de handdan is het, zelfs als dat pas in 1994 gaat gebeuren, verstandig om bij de voorbereiding van dat geheel rekening te houden met het feit dat wij inmiddels zo'n sociaal-fiscaal nummer hebben en om dan ook maar gebruik te maken van alle mogelijkheden die er zijn om de efficiency optimaal te maken. Punt zeven betreft de relatie met de persoonsregistratie. Het zou-ik ben dat met enkele collega's eensbuitengewoon fraai zijn indien de WPR gelijktijdig met dit wetsontwerp in het Staatsblad zou kunnen verschijnen en van kracht zou kunnen worden. Inmiddels is duidelijk dat de Eerste Kamer heeft besloten om die wet pas in januari af te handelen. Per 1 januari zou die fraaie situatie dus niet kunnen ontstaan. Het is een belangrijk punt, omdat ook de SVR geadviseerd heeft te wachten op invoering van de WPR. De VVD-fractie heeft de indruk dat het niet absoluut noodzakelijk is om te wachten op invoering van de WPR, alhoewel het zeker fraaier zou zijn. In dit wetsontwerp zijn belangrijke waarborgen opgenomen juist op het punt van de privacybescherming; wie mag welke gegevens gebruiken en hoe vindt die uitwisseling plaats? Sterker nog, in dit wetsontwerp wordt op een aantal juist voor die privacybescherming zo belangrijke elementen verdergegaan dan in de WPR en vandaar dat mijn fractie van mening is dat het niet noodzakelijk is om per se op die wet te wachten. Wat ons betreft zouden al kunnen beginnen per 1 januari aanstaande en dat is belangrijk in het kader van het opbouwen van verzekerdenadministraties.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Voorzitter! Heeft de heer Linschoten ook een oplossing voor het door mij geschetste probleem, namelijk dat de vulling van de GMD-administatie niet zal kunnen, omdat daarvoor de AMvB van artikel 7 van de WPR noodzakelijk is? Die geheimhouding is namelijk niet geregeld in dit wetsontwerp, maar in de WPR.

De heer Linschoten (VVD): Dat is een zo ingewikkelde vraag dat ik er eerst eens rustig naar zou willen kijken.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Vandaar dat wij vinden dat eerst die WPR in werking zou moeten zijn getreden. De vulling van die

Uitschoten

verzekerdenbestanden kun je volgens ons niet doen plaatsvinden als de WPR er niet is.

De heer Linschoten (VVD): Ik vind het daarom zo vreselijk ingewikkeld, omdat wij er naar mijn idee op basis van de tekst van deze wet, van de schriftelijke voorbereiding tot nu toe en de interpretatie die de staatssecretaris gegeven is, van uit mogen gaan dat ook daar waar GMD-bestanden worden opgebouwd de gegevens die in die bestanden voorkomen uitsluitend gebruikt mogen worden voor de zaken waarvoor ze verzameld zijn. Dat is een belangrijke waarborg. Als u denkt dat die waarborgen onvoldoen-de zijn en dat...

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Er staat uitdrukkelijk in de wet dat zover het om de medische gegevens gaat het in de WPR is geregeld. Dat is niet zo ingewikkeld, het staat er gewoon.

De heer Linschoten (VVD): Ja, maar de vraag is, of de regeling in deze wet onvoldoende is. Bij die gegevens gaat het inderdaad om medische gegevens en u hebt de staatssecretaris gevraagd om daarop in zijn beantwoording in te gaan. Ik zal dat afwachten, maar zelf heb ik de indruk dat het in deze wet al duidelijk is dat ook die gegevens van medische aard uitsluitend gebruikt mogen worden voor het doel waarvoor ze bijeen zijn gebracht. Wat mij betreft volgt dat klip en klaar uit de interpretatie van deze wet. Ik denk dus dat het door u gesignaleerde probleem zich in de praktijk niet voor zal doen. Ik hoop niet dat ik daar ongelijk in heb, maar dat moet dan blijken uit de nog resterende plenaire behandeling. Voorzitter! Ik kom op punt acht. De staatssecretaris is een optimistisch mens, maar zijn optimisme komt wel heel pregnant naar voren iedere keer als hij de financiŽle consequenties van fraudebestrijding probeert in te schatten. De kosten kunnen heel duidelijk en helder worden aangegeven, maar als het gaat om de opbrengsten komt er een heel wat wateriger verhaal. Het gaat om enkele honderden miljoenen. Het enige dat wij met elkaar kunnen vaststellenik ben dat met mevrouw Groenman eensis dat het om zo ongeveer 20% van de fraude gaat. Wij kunnen ook iedere keer vaststellen dat de echte realisaties ex post er wat anders, er wat minder gunstig uitzien dan de prognoses van de staatssecretaris ex ante. Ik hoop dat hij in dit geval wel gelijk gaat krijgen, maar mijn fractie heeft op dit punt toch wel enkele duidelijke bedenkingen.

Staatssecretaris De Graaf: Waarom vindt u die 20% van dat bewuste bedrag van 2 mld. dan kennelijk zo optimistisch, terwijl ik toch van de andere kant gehoord heb dat er toch wel wat meer voor mag worden ingevuld? Ik dacht dat het een vrij redelijk midden was.

De heer Linschoten (VVD): Als u schat dat het u 400 min. oplevert en het blijkt zo'n 25% minder te zijn, bij voorbeeld 300 min., dan is die schatting betrekkelijk optimistisch geweest. Daar doelde ik op.

Staatssecretaris De Graaf: Het probleem is alleen dat u dit ex post nooit kunt narekenen.

De heer Linschoten (VVD): Nee, maar je zou enige lering kunnen trekken uit het feit dat je bij dit soort schattingen iedere keer aan de hoge kant zit. Als wij op dit punt de politieke historie van deze staatssecretaris eens de revue laten passeren, zal blijken dat er sprake is van een zekere mate van wetmatigheid in dit soort inschattingen. Het is mij nog niet opgevallen dat hij een keer aan de lage kant heeft gezeten bij dit soort inschattingen.

Staatssecretaris De Graaf: Daarvoor hebt u geen enkel bewijs. Ik wijs op de ISMO-rapportage zelf. Daarin vindt u heel wat hogere bedragen. Sommigen die dat rapport hebben uitgebracht, schatten dat, als het echt goed is, je nog veel meer kunt binnenhalen.

De heer Linschoten (VVD): Dat ben ik met u eens.

Staatssecretaris De Graaf: Als ik volledig zou hebben ingevuld wat de ISMO rapporteert, zou ik mij kunnen voorstellen dat u zou zeggen: dat is echt wat aan de optimistische kant. Dat heb ik nu net niet gedaan.

De heer Linschoten (VVD): Laat ik u maar gewoon wijzen op wat wij dit jaar geconstateerd hebben. In termen van taakstelling hebt u ook dit jaar wat voor uw verantwoording genomen. Wij hebben in ieder geval voor de zomer moeten vaststellen dat de realisaties wat zijn achtergebleven bij de prognoses die u ons hebt voorgehouden. Dit betekent dat de prognoses aan de optimistische kant zijn geweest.

Staatssecretaris De Graaf: Dat is een andere zaak.

De heer Linschoten (VVD): Nee, dat is precies wat ik bedoel.

Staatssecretaris De Graaf: Dat is een vertraging die optreedt. Dat is een heel andere oorzaak dan de ramingen en de schattingen van die twee kanten, de premiekant en de uitkeringskant.

De heer Linschoten (VVD): Ik heb het helemaal over de oorzaken gehad van het achterblijven van de realisaties bij de prognoses. Het enige wat ik heb gezegd, is dat in de gevallen waarin u prognotiseert, wij er tot nu toe mee geconfronteerd zijn dat de opbrengsten wat minder zijn geweest. Of dat nu komt door verkeerde inschattingen van het instrument en de effectiviteit daarvan of dat het te maken heeft met vertragingen, in ieder geval gaat het om een wat mindere realisatie dan geprognotiseerd is. Vandaar mijn opvatting dat u op dit punt optimistisch bent. Ik hoop dat ik hierin ongelijk krijg. Volgend jaar verwachten wij ook een voortgangsrapportage van de staatssecretaris. Ik zal hem dan nog eens moeten herinneren aan dit debat. Ik zal hem vragen of de prognoses die hij ons dan voorhoudt wellicht aan de optimistische kant zijn. Wij weten dan precies wat wij aan elkaar hebben. Het volgende punt heeft ook hiermee te maken. De prognoses die wij van de staatssecretaris hebben ontvangen, een paar honderd min., zijn gemaakt voor de versoepeling van de vervolgingsregels waarvan wij deze week op de hoogte gesteld zijn. Die zijn ook gemaakt voordat wij van een van de officieren van Justitie in dit land het signaal kregen dat hij vanwege capaciteitsproblemen niet in staat was om daar waar fraude werd geconstateerd daadwerkelijk tot vervolging over te gaan. Instrumenten om fraude en oneigenlijk gebruik op te sporen, zijn weliswaar buitengewoon nuttig, maar je realiseert er alleen maar een effectief middel mee als er ook daadwerkelijk sprake is van vervolging. Als er wat dat betreft een kink in de kabel komt, moeten wij nog pessimistischer aankijken tegen de inschattingen van de staatssecretaris op dit punt. Ik heb over de capaciteit en de vervolging intussen schriftelijke vragen gesteld, maar daarop heb ik nog geen antwoord gekregen. De enige vraag die ik hierover in dit debat stel, is: moet gegeven de versoepeling van de regels, die inmiddels is aangekondigd, en gegeven de signalen die wij van officieren van Justitie krijgen, die 400 min. enigszins worden bijgesteld in het eerste jaar en iets meer in de daarop volgende jaren?

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter: De staatssecretaris zal morgenochtend antwoorden.

Sluiting 22.33 uur.

 
 

Meer informatie

 
 

Minidossiers

Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.