Bijlagen bij de memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

BIJLAGEN BIJ DE MEMORIE VAN TOELICHTING (De Bijlagen I en II liggen ter inzage op de bibliotheek, hieronder zijn de bijlagen III en

IVafgedrukt)

BIJLAGE III

SOCIALE VERZEKERINGSRAAD

's-Gravenhage, 18 mei 1979

Advies van de Sociale Verzekeringsraad aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken, betreffende de aanwijzing van de bevoegde bedrijfsvereniging voor de uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ten aanzien van de gehuwde vrouw.

  • Inleiding

Met bijgevoegde brief van 17 januari 1979, kenmerk nr. 56 657, Directie Soc. Verz., Afdeling WV, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken zich tot de Raad gewend met het verzoek hem van advies te dienen met betrekking tot de aanwijzing van de bevoegde bedrijfsvereniging voor de uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ten aanzien van de in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkende gehuwde vrouw. Na voorbereiding door zijn commissie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen heeft de Raad deze aangelegenheid in zijn vergadering van 19 april 1979 behandeld.

  • Toelichting

Ingevolge het bepaalde in artikel 61, lid 1, onder d, van de Algemene Ar-beidsongeschiktheidswet is de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen bevoegd tot toepassing van de genoemde wet ten aanzien van de gehuwde vrouw, die in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkt. Met zijn brief van 31 december 1975 heeft de ambtsvoorganger van de huidige bewindsman eveneens de vraag aan de Raad voorgelegd of met toepassing van artikel 61, derde lid van de wet een aanwijzing van een andere bedrijfsvereniging dan de genoemde voor de bedoelde categorie van verzekerden zou dienen plaats te vinden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

Na ampele bespreking in zijn vergaderingen van 16 september en 21 oktober 1976 heeft de Raad op 11 november 1976 het gevraagde advies uitgebracht. Daarin heeft de Raad als zijn standpunt te kennen gegeven dat op voorhand geen aanleiding leek te bestaan ten aanzien van de bedoelde groep van verzekerden een van de bestaande wettelijke bepalingen afwijkende regeling te treffen Genoemd standpunt was mede ingenomen onder overweging dat -voor zover het de Raad bekend was -door of namens de betrokken verzekerden nimmer om een dergelijke regeling was gevraagd. Naar aanleiding van een verzoek van de Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf aan de Raad om op het genoemde standpunt terug te komen en alsnog het uitgebrachte advies te herzien heeft de Raad zich in zijn vergaderingen van 17 maart en 26 mei 1977 nogmaals met deze kwestie beziggehouden. De Raad besloot niet op het verzoek in te gaan.

3 Hernieuwd verzoek

Met haar brief van 21 december 1978 heeft de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen zich tot de Minister van Sociale Zaken gewend en als opvatting van haar bestuur weergegeven dat ten aanzien van de in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkende gehuwde vrouw die bedrijfsvereniging bevoegd dient te zijn die ook bevoegd is ten aanzien van de echtgenoot. De bedrijfsvereniging voert daarbij de volgende argumenten aan: -de wijze waarop bij de invoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ten aanzien van deze categorie van verzekerden de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen de bevoegde bedrijfsvereniging is gebleven; de bedrijfsvereniging verwijst daarbij speciaal naar de hiervoor aangehaalde adviesaanvrage van de Staatssecretaris van Sociale Zaken d.d. 31 december 1975; -het feit dat de Regering het voornemen heeft het aandeel in het gezamenlijk inkomen een element ter bepaling van de hoogte van de toe te kennen uitkering te doen zijn, en het toepassen van korting op de uitkering van één der echtgenoten indien zij beiden recht op een uitkering ingevolge de AI-gemene Arbeidsongeschiktheidswet hebben.

4 Overwegingen

Het argument betreffende de wijze waarop de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen als bevoegde bedrijfsvereniging is aangewezen gebleven spreekt de Raad niet aan. De betreffende beslissing is destijds genomen na inwinnen van een advies dat na ampele discussie en overweging was tot stand gekomen. De Raad ziet dan ook niet in om welke reden de wijze van totstandkoming van bedoelde beslissing zou kunnen worden aangegrepen om die beslissing thans te herroepen. Het tweede en het derde argument betrekking hebbende op de vaststelling van het aandeel in het gezamenlijk inkomen resp. de toepassing van een korting in verband met toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet aan beide echtgenoten, spreken de Raad echter wel aan. De voor een en ander benodigde gegevens dienen te worden verzameld tijdens het normale aan de eventuele toekenning van een AAW-uitkering voorafgaande onderzoek. De Raad meent dat de functionarissen van vakbedrijfsverenigingen in het algemeen voldoende op de hoogte zijn van de gang van zaken in de bedrijfstak waarvoor zij werkzaam zijn en dat zij van meet af aan het bestuur van die bedrijfsvereniging op adequate wijze kunnen adviseren, terwijl ook dat bestuur geacht kan worden de nodige kennis te hebben van de bedrijfstak waarvoor zijn bedrijfsvereniging de sociale verzekeringswetten uitvoert, waardoor de mogelijkheid van het nemen van beslissingen, waarbij vergissingen in het spel zijn en/of bepaalde feitelijkheden of omstandigheden niet onderkend zijn, tot een minimum is gereduceerd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

De Raad is voorts van mening dat het verzorgen van het totale verzekeringspakket ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ten aanzien van de in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkende gehuwde vrouw door een andere bedrijfsvereniging dan de vakbedrijfsvereniging zou indruisen tegen de tot nog toe gevolgde indelingssystematiek. Het verzekerd doen zijn van genoemde groep van verzekerden bij een andere bedrijfsvereniging dan de vakbedrijfsvereniging, uitsluitend op grond van het feit dat het gaat om gehuwde vrouwen die in het eigen bedrijf van de echtgenoot en niet in loondienst werkzaam zijn, zou leiden tot een ongewenste categorale indeling. Deze laatste overweging geldt overigens evenzeer voor de bepaling van de bedrijfsvereniging die bevoegd is tot toepassing van de Algemene Ar-beidsongeschiktheidswet ten aanzien van de gehuwde man die in het eigen bedrijf van zijn echtgenote werkzaam is. Met toepassing van artikel 61, lid 1, onder e van de wet is ten aanzien van die groep van verzekerden de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging bevoegd. Bij de vaststelling van het thans uit te brengen advies heeft de Raad ervan kennis genomen dat blijkens de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken de Nederlandse Christen-Vrouwenbond, de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen en de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen aan genoemde bewindsman hebben te kennen gegeven dat zij prijs stellen op handhaving van de tot nog toe bestaande toestand, hetgeen inhoudt dat de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen ten aanzien van de onderhavige groep van verzekerden als bevoegde bedrijfsvereniging blijft optreden. De Raad is evenwel van mening dat, nu het in de toekomst niet alleen gaat om het verstrekken van voorzieningen doch evenzeer om het toekennen van het recht op uitkering en het vaststellen van het bedrag van die -eventueel gereduceerde -uitkering, aan de wens van genoemde organisaties niet tegemoet kan worden gekomen. De Raad heeft daarbij uitgesproken dat de bevoegdheid van de eerdergenoemde bedrijfsvereniging zich niet verder uitstrekt dan het onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven dat haar in de ln-delingsbeschikking is toegewezen, alsmede over de huisvrouwen die niet op andere wijze ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet verzekerd zijn tegen inkomstenderving tengevolge van langdurige arbeidsongeschiktheid.

  • Advies

Hoewel de betrokken organisaties zich hebben uitgesproken voor verzekering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van de in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkende gehuwde vrouwen bij de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen meent de Raad op grond van vorenstaande overwegingen te moeten terugkomen op zijn eerder advies tot onverkorte handhaving van genoemde bedrijfsvereniging als bevoegde bedrijfsvereniging voor de uitvoering van de Algemene Ar-beidsongeschiktheidswet ten aanzien van de in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkende gehuwde vrouw, zoals in artikel 61, lid 1, onder d van die wet is bepaald. De Raad stelt zich voorts op het standpunt dat zijn beslissing tevens consequenties zou dienen te hebben voor de bepaling van de bedrijfsvereniging die bevoegd is tot toepassing van de onderhavige wet ten aanzien van de gehuwde man die in het eigen bedrijf van zijn echtgenote werkzaam is, welke bedrijfsvereniging thans krachtens artikel 61, lid 1, onder e van de wet de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is. De Raad heeft onderkend dat nu de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen gedurende een aantal jaren voor wat betreft de voorzieningen de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ten aanzien van de onderhavige groep gehuwde vrouwen heeft toegepast en voorts ten behoeve van die groep een groot aantal aanvragen in behandeling heeft, overgangsmaatregelen gewenst zijn ten einde een soepele overdracht van de werkzaamheden te bevorderen en tevens te voorkomen dat voor de verzekerden nadelige gevolgen zouden ontstaan.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

Gelet op de tijdsduur die gemoeid is met het overleg met de betrokken uitvoeringsorganen en het verzoek van de Staatssecretaris van Sociale Zaken om op korte termijn advies uit te brengen, heeft de Raad bij het opstellen van zijn advies -speciaal waar het betreft de ingangsdatum van eventuele wijzigingen en overgangsmaatregelen -nog geen rekening kunnen houden met de bij bedoelde uitvoeringsorganen ter zake levende gevoelens. Dit geldt evenzeer voor een eventuele regeling met betrekking tot de verzekering van de gehuwde mannen die in het eigen bedrijf van de echtgenote werkzaamheden verrichten. Tot het overleg over deze materie zijn inmiddels initiatieven genomen. De Raad adviseert de Staatssecretaris van Sociale Zaken te bevorderen dat de in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkende gehuwde vrouw voor de toepassing van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij ook haar echtgenoot is verzekerd. Hierbij laat de Raad in het midden of een en ander gerealiseerd dient te worden door middel van het stellen van nadere regelen met toepassing van artikel 61, lid 3 van die wet, dan wel door middel van wijziging van de thans in artikel 61, lid 1 opgenomen bepalingen. Bij de Raad is namelijk twijfel gerezen of het uit een oogpunt van wetssystematiek mogelijk en wenselijk is om met toepassing van artikel 61, lid 3 der wet de in artikel 61, lid 1 gegeven regelen te wijzigen op een zodanige wijze als waartoe hij thans adviseert. De Raad zal met betrekking tot de aangelegenheden waarover hij nog overleg pleegt, op zo kort mogelijke termijn advies uitbrengen.

  • Samenvatting

Voor de toepassing van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ten aanzien van de in het eigen bedrijf van haar echtgenoot meewerkende gehuwde vrouw is de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen bevoegd. De Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen heeft aan de Minister van Sociale Zaken verzocht, gelijktijdig met het wetsvoorstel, waarbij de aanspraken op uitkering ingevolge de AI-gemene Arbeidsongeschiktheidswet voor de gehuwde vrouw worden geregeld, te bepalen dat ten aanzien van de onderhavige categorie van gehuwde vrouwen dezelfde bedrijfsvereniging bevoegd is als die, welke bevoegd is ten aanzien van de echtgenoot, waardoor ook andere bedrijfsverenigingen dan de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen bevoegd kunnen zijn Dit verzoek was aanleiding voor de Staatssecretaris van Sociale Zaken om met brief van 17 januari 1979 aan de Sociale Verzekeringsraad te verzoeken hem over deze aangelegenheid van advies te dienen. De Raad heeft eerder (in 1976 en 1977) na ampele discussie zich uitgesproken voor handhaving van de in de wet opgenomen aanwijzing van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen als bevoeg-de bedrijfsvereniging ten aanzien van genoemde groep van vrouwen. De Raad acht thans echter, nu het niet alleen gaat om het verstrekken van voorzieningen doch evenzeer om het toekennen van uitkeringen, waarvan de hoogte mede afhankelijk kan zijn van het aandeel van de vrouw in het gezamenlijke inkomen en van een eventuele uitkering ingevolge genoemde wet welke de echtgenoot geniet, een dergelijke handhaving minder gewenst. Daarbij is van doorslaggevende betekenis geweest dat een doorbreking van het tot nog toe gevolgde indelingsbeleid van de Raad als gevolg van een categorale indeling van alle in het eigen bedrijf van haar echtgenoot meewerkende gehuwde vrouwen naar de mening van de Raad niet juist geacht moet worden. Als consequentie van deze opvatting meent de Raad dat ook ten aanzien van de gehuwde man die in het eigen bedrijf van de echtgenote meewerkt wellicht bepaald zou dienen te worden dat een vakbedrijfsvereniging bevoegd is tot toepassing van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Dit Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

houdt in dat dan niet langer de krachtens het bepaalde in artikel 61, lid 1, onder e van die wet bevoegde Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging als verzekeraar voor die categorie van verzekerden zou optreden, doch de bedrijfsvereniging die ook bevoegd is ten aanzien van de echtgenote. Inmiddels zijn tot het overleg met de uitvoeringsorganen over deze materie initiatieven genomen. Aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken wordt geadviseerd de thans bestaande situatie waarin de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen krachtens het bepaalde in artikel 61, lid 1 onder d van de AI-gemene Arbeidsongeschiktheidswet bevoegd is tot uitvoering van die wet ten aanzien van de in het eigen bedrijf van de echtgenoot meewerkende gehuwde vrouw, te wijzigen. Dit advies houdt in dat aan de bewindsman wordt geadviseerd om te bevorderen dat wordt bepaald dat voor de uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ten aanzien van genoemde groep van vrouwen die bedrijfsvereniging bevoegd wordt verklaard die ook be voegd is ten aanzien van de echtgenoot.

  • W. 
    • J. 
      • E. 
        van den Bos, voorzitter G. J. Oosterhuis, algemeen secretaris Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

BIJLAGE IV

SOCIALE VERZEKERINGSRAAD

Aan de heer Staatssecretaris van Sociale Zaken

's-Gravenhage, 4 juli 1977

Onderwerp: toepassing artikel 40 WAO (herziening dagloon bij toeneming arbeidsongeschiktheid)

Excellentie, Onder verwijzing naar uw bovenvermelde brief waarin u het oordeel van de Raad vraagt over het in de bijlage van die brief door het voormalig Overlegorgaan van de drie vakcentrales gesignaleerde gevolg van toepassing van artikel 40 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, te weten het verloren gaan van oude WAO-uitkeringsrechten bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid en de daaruit voor de betrokkene voortvloeiende aanzienlijke achteruitgang in inkomen, delen wij u allereerst het volgende mede. Dat uw schrijven eerst thans wordt beantwoord is, afgezien van hetgeen aan werkzaamheden van de Raad voortkwam uit de inwerkingtreding van de AAW, waardoor andere werkzaamheden zijn vertraagd, gelegen in de omstandigheid dat het overleg waarbij is gezocht naar een passende maatregel ter betere regeling van de situatie als bedoeld in artikel 40 van de WAO langdurig is geweest.

Uitgangspunten De Raad is er bij het zoeken naar een oplossing van uitgegaan, dat: -een gewijzigd artikel 40 zich ook zal dienen uit te strekken tot gevallen waarin het met de restcapaciteit verdiende dagloon, lager is dan het dagloon, dat aan de WAO-uitkering reeds ten grondslag lag; -een hernieuwde dagloonvaststelling in ieder geval niet eerder plaatsvindt dan met ingang van de dag na de laatste dag waarover ter zake van de toegenomen arbeidsongeschiktheid over de maximale periode van 52 weken wettelijke ziekengelduitkering is genoten. De terugval in inkomen doet zich namelijk nooit eerder voor dan nadat de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken dan wel met onderbreking van minder dan een maand 52 weken heeft geduurd en het ter zake van de toegenomen arbeidsongeschiktheid toegekende ziekengeld wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn is beëindigd; -geen hernieuwde dagloonvaststelling plaatsvindt als de uitkomst daar-van een lager resultaat geeft dan het bedrag van de WAO-uitkering, welke is herberekend naar een hoger uitkeringspercentage van het oude WAO-dagloon; -voor de vaststelling van het WAO-dagloon in het kader van een nieuw artikel 40 WAO het op grondslag van de met de resterende arbeidscapaciteit verworven inkomsten en met toepassing van de Dagloonregelen WAO verkregen dagloongegevens wordt verhoogd met een percentage van het dagloon, hetwelk aan de lopende WAO-uitkering reeds ten grondslag lag. Op deze wijze wordt de lopende WAO-uitkering op basis van het oude dagloon ingebouwd in een WAO-uitkering op basis van het nieuwe dagloongegeven, te zamen de nieuwe WAO-uitkering vormend. De Raad is van oordeel, dat een wijziging van artikel 40 WAO zich dient te beperken tot gevallen van toeneming van arbeidsongeschiktheid tot 80-100%. Hieraan heeft de overweging ten grondslag gelegen dat voor de vaststelling van het loon dat met de afgenomen restcapaciteit kan worden verdiend uitgangspunt is het loon dat bij volledige validiteit kan worden verdiend. Er is dan geen plaats voor een maatregel, waarbij in geval van tot maximaal 65-80% toegenomen arbeidsongeschiktheid het dagloon van de lopende WAO-uitkering wordt verenigd met het dagloon ontleend aan de tijdens het genot van deze uitkering met de restcapaciteit verworven verdiensten.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Alsdan zou namelijk toepassing van het gewijzigde artikel 40 WAO ertoe leiden dat de oude WAO-uitkering en de WAO-uitkering naar rato van de door de toegenomen arbeidsongeschiktheid weggevallen verdiensten te zamen met de uit de restcapaciteit te verwerven verdiensten hoger zijn dan het inkomen uit WAO-uitkering en verdiensten vóór de toeneming van de arbeidsongeschiktheid. Rekening houdend met het vorenstaande zijn in samenwerking met de Federatie van Bedrijfsverenigingen concept-teksten van een gewijzigd artikel 40 WAO en een gewijzigd artikel 16 dagloonregelen WAO samengesteld die u als bijlage bij deze brief aantreft.

Door de Raad gekozen systeem

Gelet op de eerdergenoemde uitgangspunten van de Raad wordt ten aanzien van de totstandkoming van de in de bijlage weergegeven teksten nog het volgende opgemerkt Aanvankelijk werd voor de toepassing van een gewijzigd artikel 40 WAO een sommering van ziekengeld en oude WAO-uitkering als een oplossing van de problematiek van het wegvallen van oude rechten gezien. Bij nadere beschouwing heeft de Raad gemeend hiertoe niet te moeten adviseren. Im-mers door het laatstelijk genoten ziekengeld mede in aanmerking te nemen bij een hernieuwde vaststelling van het WAO-dagloon zal het op deze wijze verkregen dagloon geen zuiver WAO dagloon meer kunnen zijn. Gezien de onderling verschillende afwijkingen van het loonbegrip in de door de Raad vastgestelde dagloonregelen ZW en WAO kan het loon in de laatste met de restcapaciteit verrichte dienstbetrekking voor de dagloonberekening WAO een andere uitkomst geven dan voor de dagloonberekening ZW; enerzijds brengt men specifieke ZW-dagloonelementen (vakantietoeslag) in het WAO-dagloon en anderzijds houdt men specifieke WAO-dagloon elementen (gratificaties) daar buiten. Derhalve meent de Raad dat het juister is uitsluitend aan de hand van de dagloonregelen WAO -met als uitgangspunt het met de restcapaciteit verdiende loon -een nieuw WAO-dagloongegeven te bepalen; daarnaast moet er een maatregel komen, waarme-de wordt bereikt dat het bedrag van de op het tijdstip van de toeneming van arbeidsongeschiktheid reeds lopende WAO-uitkering niet verloren gaat maar behouden blijft. Daartoe dient de reeds lopende WAO-uitkering te worden herleid tot dagloon, hetwelk vervolgens bij het WAO-dagloongegeven, dat als basis het loon uit de restcapaciteit heeft, wordt gevoegd. Beide componenten samen vormen aldus het nieuwe WAO-dagloon. Op deze wijze blijft men geheel binnen het kader van de WAO als de alsdan uitsluitend van toepassing zijnde wet met daarin als een te aanvaarden gegeven zowel de dagloonregelen WAO als de schattingsmethodiek, ook al is deze laatste geglobaliseerd. Naar de mening van de Raad is het zo juist omschreven systeem, dat eerder in het vroegere artikel 17 van de dagloonregelen WAO is gehanteerd, de beste oplossing om de door het voormalig Overlegorgaan van de drie Vakcentrales aangevoerde bezwaren tegen de consequenties van de toepassing van het huidige artikel 40 WAO weg te nemen. In dit systeem wordt bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid op grond van de laatste verdiensten een nieuw WAO-dagloon berekend. Het bedrag van de reeds lopende WAO-uitkering blijft behouden voor de uitkeringsgerechtigde door het laatstbedoelde nieuwe WAO-dagloon te verhogen met een bepaalde toeslag. Deze toeslag wordt uitgedrukt in een percentage van he* dagloon, hetwelk ten grondslag ligt aan de WAO-uitkering zoals deze gold laatstelijk voor de toeneming van de arbeidsongeschiktheid.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Deze percentages worden op de volgende wijze gevonden:

Aanvankeli|ke mate

Aanvankeh|k

Toeslagperc. van oude van arbeidsongeschikt"

uitkennqs-

WAO-dagloon vóór toener heid

percentage

arbeidsongeschiktheid

15-25'

10/107x107/80

18 12' 25-35

20/107 x 107/80 = 2/8 25 35 45

30'107x107/80= 3/8 37': 45 55

40/107 x 107/80 -4/8 50 55-65'

50/107x107/80

5/8 62': 65-80

65/107 x 107/80 * 6,5/8 = 8V4

Met hantering van deze toeslagpercentages wordt in feite de aanvankelijke WAO uitkering in een nieuwe WAO-uitkering, waaraan de met de restcapaciteit verkregen verdiensten ten grondslag liggen, geïntegreerd. Hoewel door de grove indeling in arbeidsongeschiktheidsklassen ingevolge de WAO de uiteindelijke uitkomst zal kunnen afwijken van het inkomen, dat de uitkeringsgerechtigde laatstelijk uit ziekengeld en WAO-uitkering samen genoot merkt de Raad op dat deze grove indeling niet alleen geldt voor de WAO-uitkeringsgerechtigde ten aanzien van wie artikel 40 WAO toepassing vindt, doch voor iedere WAO-uitkeringsgerechtigde. Zoals u uit de bijgevoegde concepttekst van artikel 40 WAO zal blijken geeft het vierde lid de Minister van Sociale Zaken de bevoegdheid nadere regelen te stellen. Van deze bevoegdheid zal naar de mening van de Raad gebruik kunnen worden gemaakt tav personen die in WSW-verband werken en op wie artikel 46 WAO wordt toe lepast. In die situatie blijft het arbeidsongeschiktheidspercentage ges ft.'ld op 80-100, doch vindt korting op de WAO-uitkering plaats, zodat aan WSW-loon en WAO-uitkering te zamen 90% van het dag loon wordt verkregen Zoals bekend is in de praktijk het WSW-loon veelal hoger dan het bedrag van de WSW-loonschaal die voor betrokkene geldt, zodat een hoger totaalinkomen wordt verkregen dan 90 % van het WAO-dagloon. Moet de betrokkene wegens volledige arbeidsongeschiktheid voor zijn WSW arbeid, die arbeid staken dan valt hij terug op 80% van zijn (oude) WAO-dagloon. Artikel 40 WAO kan niet worden toegepast omdat betrokkene niet «méér arbeidsongeschikt» wordt. Op basis van het voorgestelde vierde lid van artikel 40 WAO zal bij uitvoeringsmaatregel kunnen worden bepaald, dat ook in die situatie de dagloonherziening plaatsvindt, zodat het dagloon kan worden berekend naar het werkelijk verdiende (hogere) WSW-loon. Op grond van het voorgestelde vierde lid kunnen bovendien desgewenst regelen worden gegeven m.b.t. de dagloonvaststelling bij herziening i.v.m. toeneming van arbeidsongeschiktheid voor degenen, die hun restcapaciteit in deelarbeid benutten.

Garantieregeling

OW

Ten aanzien van de door het voormalig overlegorgaan gemaakte opmerkingen over het bij toepassing van artikel 40 WAO verloren gaan van gegarandeerde OW-uitkeringen wordt het volgende opgemerkt. Bij toepassing van de garantieregeling OW gaat het om gevallen waarin aan de WAO zelf geen of lagere uitkeringsrechten dan het OW-uitkeringsbedrag kunnen worden ontleend; slechts dank zij de bijzondere regeling in het overgangsrecht WAO blijft de OW-uitkering en wel op het niveau van 30 juni 1967 behouden. De Raad meent daarom ten aanzien van deze categorie, waarvan de omvang niet alleen door natuurlijke oorzaak maar ook door de indexverhoging van de eventuele WAO uitkering afneemt geen maatregel ter verbetering van hun uitkeringspositie te moeten aanbevelen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

De Raad adviseert u een wijziging van artikel 40 van de WAO te bevorderen conform de bijgevoegde concept tekst. Tevens gaat hierbij een reeds door de Raad aanvaarde tekst tot vaststelling van een wijzigingsbesluit van zijn Dagloonregelen WAO. Na totstandkoming van de geadviseerde wijziging van artikel 40 van de WAO zal een conform deze tekst vastgesteld besluit aan u ter goedkeuring worden voorgelegd.

Hoogachtend.

De Sociale Verzekeringsraad,

  • W. 
    • J. 
      • E. 
        van den Bos, voorzitter G. J. Oosterhuis, algemeen secretaris

Concepttekst artikel 40 WAO

  • Indien ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid tot 80% of meer herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering alsmede toekenning van ziekengeld krachtens de Ziektewet heeft plaatsgevonden, vindt met ingang van de dag na de beëindiging van het ziekengeld op grond van het bepaalde in artikel 29, leden 2 en 5, van de Ziektewet, hernieuwde vaststelling van een dagloon plaats overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14. 2. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt in artikel 14, eerste lid, in plaats van de woorden «ware hij niet arbeidsongeschikt» gelezen «ware zijn arbeidsongeschiktheid niet toegenomen» en voorts in plaats van de woorden «gerekend naar het loonpeil op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering» gelezen «gerekend naar het loonpeil op de dag, met ingang waarvan op grond van het bepaalde in artikel 40, eerste lid, hernieuwde vaststelling van een dagloon plaatsvindt». 3. De in het eerste lid bedoelde hernieuwde vaststelling van een dagloon blijft achterwege, indien dat leidt tot een lager dagloon dan het dagloon, dat laatstelijk aan de uitkering ten grondslag werd gelegd. 4. Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen.

Wijziging Dagloonregelen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Nr. De Sociale Verzekeringsraad, Gelet op het bepaalde in artikel 14 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; Besluit:

Artikel I

De dagloonregelen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid van die wet, vastgesteld bij zijn besluit van 20 april 1967, nr. 61 524 (Stcrt. 1967/126), zoals deze sindsdien zijn gewijzigd, worden nader als volgt gewijzigd:

Artikel 16 wordt gewijzigd als volgt:

A Voor de tekst wordt het cijfer 1 geplaatst;

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

4b

  • B. 
    Het bepaalde onder sub d. wordt gewijzigd als volgt: in artikel 4, vierde lid, in de artikelen 5 en 8 en in artikel 11, eerste, tweede en derde lid, in plaats van de woorden «de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering» wordt gelezen «de dag met ingang waarvan op grond van het bepaalde in artikel 40 hernieuwde vaststelling van een dagloon plaatsvindt»;
  • C. 
    Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:
  • Bij hernieuwde vaststelling van een dagloon, als bedoeld in het vorige lid wordt het overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid berekende bedrag verhoogd met het percentage van het onmiddellijk aan de hernieuwde vaststelling voorafgaande geldende dagloon, dat in de navolgende tabel is vermeld bij de mate van arbeidsongeschiktheid, waarnaar de uitkering vóór de hernieuwde vaststelling was berekend.

"'..... v,m ui beidsonge

Percentage van het dagloon schiktheid

15 2b

'2' 25-35

25 35 45

37' 45-55

50 55 65'

62' 65-80

81'

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de (dag van ingang van wijziging van artikel 40 WAO).

's-Gravenhage,

De Sociale Verzekeringsraad,

  • W. 
    • J. 
      • E. 
        van den Bos, voorzitter G. J Oosterhuis, algemeen secretaris Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4
 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.