Memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

ARTÏKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Onderdeel A

  • Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting is uiteengezet zal zowel voor mannen als voor vrouwen het recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering worden gebonden aan de voorwaarde dat in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs-en beroepsleven moet zijn verworven. Aangezien artikel 6 het recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering regelt, wordt voorgesteld bovenbedoelde voorwaarde op te nemen in het eerste lid, onder a, van dat artikel. Bedoelde voorwaarde dient niet gesteld te worden voor verzekerden die bij het bereiken van de 17-jarige leeftijd reeds arbeidsongeschikt zijn. Dit betreft de zogenaamde vroeggehandicapten die (nog) geen inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs-en beroepsleven hebben kunnen verwerven. Door het nieuw voorgestelde artikel 6, eerste lid, onder b, wordt dit bereikt. 2. Het nieuw voorgestelde tweede lid van artikel 6 strekt ertoe te voorkomen, dat reeds bij een minimaal inkomen aanspraken ontstaan en voert daartoe een drempelinkomen in ter grootte van 15% van de maximale grondslag voor gehuwden op jaarbasis, hetgeen voor 1979 op ongeveer f 3600 neerkomt. Bij een arbeidsinkomen in het refertejaar, voorafgaande aan het tijdstip van intreden van de arbeidsongeschiktheid, dat lager is dan dat bedrag, wordt behoudens nader te bespreken uitzonderingen, geen uitkering toegekend. Het nieuw voorgestelde derde lid opent de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verzekerden en groepen van verzekerden, die geen inkomen uit of in verband met arbeid hebben verworven dan wel een zodanig inkomen, dat minder bedraagt dan het in het tweede lid bedoelde minimuminkomen, zo nodig onder bepaalde voorwaarden, aan te wijzen als verzekerden, die wel aan deze voorwaarden voldoen. Gedacht wordt hierbij bij voorbeeld aan zelfstandigen, die ondanks een voor hun beroep normale arbeidsduur er niet in geslaagd zijn, het mini-mumarbeidsinkomen als bedoeld in het tweede lid te verwerven of zelfs verlies lijden, dan wel die ten gevolge van ziekte, ongeval of andere omstandigheden buiten hun schuld minder dan voor hun beroep normaal is, hebben gewerkt en dientengevolge het minimuminkomen niet hebben kunnen verwerven. Daarnaast moet deze weg worden geopend voor studerenden en bepaalde groepen werklozen, die geen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet of de Wet Werkloosheidsvoorziening ontvangen. Tevens kunnen op deze wijze andere groepen van verzekerden, voor wie het bij nader inzien een bijzondere hardheid zou blijken te zijn hun het recht op uitkering te ontzeggen, op deze wijze aan een uitkering worden geholpen. 3. Deze wijziging is noodzakelijk geworden door de invoeging van een nieuw tweede en een nieuw derde lid in artikel 6. 4. Krachtens het nieuwe tiende lid van artikel 6 zal de Minister van Sociale Zaken regelen stellen omtrent hetgeen verstaan moet worden onder inkomen uit of in verband met arbeid. Hierbij valt onder andere te denken aan de gelijkstelling met inkomen uit arbeid van ziekengeld, uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, uitkering ingevolge een particuliere ziekte-of ongevalsverzekering. Voorts zal hierbij kunnen worden bepaald, welke bestanddelen van het ondernemersinkomen als inkomen uit of in verband met arbeid kunnen worden aangemerkt.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Onderdeel B

Zie de toelichting op artikel I, onderdeel A, onder punt 3.

Onder deel C.

Nu wordt voorgesteld aan de gehuwde vrouw onder dezelfde voorwaarden uitkeringsrechten bij arbeidsongeschiktheid te verlenen als de overige verzekerden dient artikel 9 alleen nog van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te sluiten de vrouw die recht heeft op een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de AWW. De voorgestel-de wijziging van het eerste lid van dat artikel strekt daartoe. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt, dat het recht op AAW-uitkering voor de vrouw, die voorheen AWW-uitkering genoot, slechts kan ontstaan, indien zij in het jaar, voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, aan de entree-eis van inkomensverwering voldoet. Het nieuw voorgestelde tweede lid van dit artikel strekt ertoe de uitkeringineens die de weduwe ingevolge artikel 15 van de Algemene Weduwen-en Wezenwet bij hertrouwen ontvangt over een bepaald tijdvak gelijk te stellen met een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge die wet, ten einde cumulatie van de uitkeringineens met AAW-uitkering te voorkomen. Ingevolge de huidige wetstekst kan deze uitkeringineens buiten beschouwing blijven, omdat een weduwe bij hertrouwen gehuwde vrouw wordt en op die grond reeds niet voor AAW-uitkering in aanmerking komt. Nu aan de gehuwde vrouw bij dit wetsontwerp echter wel een recht op AAW-uitkering wordt toegekend, zou dit kunnen leiden tot cumulatie van eerder genoemde uitkeringineens met arbeidsongeschiktheidsuitkering. De uitkeringineens is in het algemeen gelijk aan het jaarbedrag van het laatstelijk genoten weduwenpensioen en wordt daarom in dat geval geacht betrekking te hebben op een periode van een jaar. Slechts in het geval de weduwe ouder dan 64 jaar is of de tijdelijke weduwenuitkering, zo zij niet was hertrouwd, zich nog slechts over een periode van minder dan een jaar zou hebben uitgestrekt, heeft de uitkeringineens bij hertrouwen betrekking op een kortere periode dan een jaar en wordt deze dus ook voor de toepassing van dit artikel geacht op die kortere periode dan een jaar betrekking te hebben. Na afloop van de periode, waarover de uitkeringineens geacht wordt te zijn verleend, kan een eventueel recht op AAW-uitkering ingaan. Een zelfde gelijkstelling van de uitkeringineens met een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de AAW diende plaats te vinden in het kader van de artikelen 37 en 38, waar de heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkering is geregeld.

Onderdeel D

In dit onderdeel wordt een nieuw artikel 10 voorgesteld, waarvan de verschillende leden, voor zover nodig, hieronder worden toegelicht.

Tweede lid

Zoals blijkt uit het algemeen deel van deze memorie gaat het voorliggende wetsontwerp uit van gelijke rechten voor alle uitkeringsgerechtigden. Dit brengt mee een gelijke grondslag voor iedereen. Deze hoofdregel is neergelegd in het tweede lid. Uiteraard is hierbij de -thans reeds bestaande -beperking opgenomen met betrekking tot 18-, 19-en 20-jarigen. De in het voorgestelde tweede lid opgenomen grondslagen zijn die, welke per 1 januari 1978 golden. Dit houdt verband met het in artikel IX van het wetsontwerp opgenomen voorstel om aan de wet terugwerkende kracht te verlenen tot 1 januari 1978. Overigens moge worden verwezen naar het voorgestelde artikel IV en de toelichting daarop.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Derde lid

In het algemeen deel van deze memorie is onder 3.3.2. sub e en 4.2.2. reeds uitvoerig ingegaan op de omstandigheid, dat de algemene grondslag in een groot aantal gevallen niet tot voldoende uitkering leidt. Daarbij zijn de categorieën genoemd, die in beginsel voor een hogere uitkering in aanmerking kunnen komen en de voorwaarden, waaronder zij deze hogere uitkering kunnen krijgen. Een en ander is geregeld in het derde lid en vierde lid van artikel 10 Het voorgestelde derde lid vermeldt de grondslag voor gehuwden en ongehuwden, die een kind te hunnen laste of te verzorgen hebben, indien het inkomen uit of in verband met arbeid van de uitkeringsgerechtigde zelf dan wel dat van de huwelijkspartner dan wel beide inkomens te zamen meer dan 15% doch niet meer dan 30% bedragen van de maximale grondslag die in het vierde lid is opgenomen. Op jaarbasis omgerekend komt het erop neer, dat deze grondslag van toepassing is, indien dit inkomen of deze inkomens (op basis 1979) te zamen meer dan ± f 3600 en niet meer dan ± f 7200 bedragen. Vierde lid Het voorgestelde vierde lid vermeldt de grondslag voor dezelfde categorieën van uitkeringsgerechtigden als het derde lid, indien het aldaar bedoel-de inkomen of de aldaar bedoelde inkomens te zamen niet meer dan 15% van de maximale grondslag bedragen, dus op jaarbasis een bedrag van t f 3600 niet overschrijden.

Vijfde lid

Onder 3.3.2. sub b en 4.2.2. van het algemeen deel van deze memorie zijn ook aan de orde geweest de uitkeringsgerechtigden, die mede als gevolg van de omstandigheid, dat zij in het refertejaar niet in de voor hun beroep normale arbeidsduur werkzaam waren, in dat jaar een inkomen uit of in verband met arbeid hebben verworven, dat lager ligt dan het bedrag van de algemene grondslag ingevolge het tweede lid, omgerekend op jaarbasis. In dat geval wordt voorgesteld de uitkering te baseren op dit lagere, feitelijk gederfde inkomen. Ook kan het voorkomen, dat uitkeringsgerechtigden, behorende tot de categorieen als bedoeld in het derde en vierde lid, als gevolg van het minder dan normaal werken wel een inkomen hebben genoten ter grootte van de op jaarbasis omgerekende algemene grondslag, doch minder dan de op jaarbasis omgerekende grondslag die ingevolge het derde of vierde lid voor hen zou gelden. In dat geval wordt de uitkering eveneens gebaseerd op het lagere, feitelijk gederfde inkomen. De Minister van Sociale Zaken zal regelen stellen met betrekking tot de vaststelling van het gemiddelde inkomen per dag.

Zesde lid

Het voorgestelde onder a strekt ertoe het begrip echtgenoot als bedoeld in dit artikel te definiëren, aangezien dit begrip hier afwijkt van het begrip echtgenoot, zoals dit in artikel 1, tweede en derde lid wordt omschreven. Het voorgestelde onder b strekt ertoe, dat onder gehuwd voor de toepassing van het derde en het vierde lid niet wordt begrepen het duurzaam gescheiden zijn van de echtgenoot. Dit geldt evenzeer voor het voorgestelde onder c. Een en ander valt namelijk niet onder de omschrijving van artikel 1, tweede en derde lid, van de AAW Het gestelde onder d is overgenomen uit het bestaande vierde lid van artikel 10.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

Zevende lid

Op grond van deze bepaling zal de Minister van Sociale Zaken, evenals in-gevolge artikel 6, tiende lid, regelen stellen omtrent hetgeen veistaan moet worden onder inkomen uit of in verband met arbeid.

Achtste lid

Gezien de omstandigheid, dat het begrip arbeid van normaal te achten duur blijkens het vijfde lid van belang is voor het vaststellen van de grondslag en dat dit begrip uiteraard nadere omschrijving behoeft, zijn er in dit opzicht nadere regelen nodig Dit lid strekt ertoe, de Minister van Sociale Zaken de bevoegdhe'd tot het stellen van de nadere regelen te geven.

Negende lid

Op grond van deze bepaling kan de Minister van Sociale Zaken ook met betrekking tot andere aangelegenheden dan bedoeld in het zevende en achtste lid nadere regelen stellen Wanneer zich in de praktijk gevallen voordoen, waarin de voorgaande leden van het artikel niet voorzien of tot ongewenste situaties leiden, opent dit lid verder (ie mogelijkheid eventueel afwijkende regelen te treffen.

Onderdeel E

Dit artikel strekt eitoe, de grondslag, zoals deze bij de toekenning is vastgesteld, te herzien, indien de omstandigheden waarop deze vaststelling berustte, zich wijzigen

Eerste lid

Dit lid is vrijwel gelijk aan het bestaande zesde lid van artikel 10. Alleen is de mogelijkheid geopend van het gestelde in dit lid af te wijken. Onder de werkingssfeer van dit lid valt bij voorbeeld de herziening van de grondslag, als een uitkeringsgerechtigde 19 of 20 jaar wordt, dan wel hij of zij niet langer gehuwd is.

Tweede, derde en vierde lid

In het algemeen deel van deze memorie is onder 4.2.4. ingegaan op de mogelijkheid van herbeoordeling van de gezinssituatie en de inkomensverhoudingen binnen het gezin na de toekenning. Hiernaar moge worden verwezen. De betreffende regeling is neergelegd in het tweede, derde en vierde lid van artikel 10a. Blijkens het vierde lid gaat een eventuele herziening van de grondslag in met ingang van de dag na afloop van een nader door de Minister van Sociale Zaken te bepalen periode na de toekenning of de vorige herbeoordeling. Voor de duur van deze periode wordt gedacht aan twee of drie jaar. Tussentijds kan ook tot verhoging van de grondslag worden overgegaan, indien de uitkeringsgerechtigde mededeelt, dat het inkomen uit of in verband met arbeid zodanig is gedaald dat dit bij een periodieke herbeoordeling tot verhoging van de grondslag zou hebben geleid. Hetzelfde kan geschieden indien dit de bedrijfsvereniging bij voorbeeld bij een onderzoek om andere reden blijkt. Voorts wordt, gezien de omstandigheid, dat ook voor de toepassing van artikel 10a een inkomen dient te worden bepaald, voorgesteld, artikel 10, zevende lid, dat ertoe strekt aan de Minister van Sociale Zaken de bevoegdheid te geven regelen te stellen met betrekking tot de bepaling van het inkomen, van overeenkomstige toepassing te verklaren. Ten slotte is ten aanzien van de tussentijdse verhoging van de grondslag ingevolge de tweede volzin van het vierde lid voorgesteld artikel 25, tweede lid van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hiermede wordt bereikt dat een verhoging van de grondslag niet eerder kan ingaan dan een jaar voor het tijdstip, waarop de verhoging is aangevraagd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Vijfde lid

Het bepaalde onder a is noodzakelijk, omdat in artikel 10, der,ie en vierde lid, uitsluitend sprake is van de dag, waarop het recht op arbeidsongesct"*' heirisuitkering ontstaat. Voor de toelichting op het bepaalde onder b tot en met e van dit lid moge worden verwezen naar de toelichting op artikel 10, zesde lid, ondei a tot en met d.

Onderdeel F

De betreffende wijziging van artikel 11 is een gevolg van de nieuwe opzet van artikel 10.

Onderdeel G

Artikel 12a

De invoeging van het nieuwe artikel 1 2a is een uitvloeisel van het beginsel, dat per gezin in totaal niet meer dan de in de volksverzekeringen geiden-de uitkeringsnorm voor gehuwden dient te worden verleend. Voorts moge nog worden verwezen naar 4.2.2 van het algemeen deel van deze memorie. Het tweede lid heeft ten doel de situatie te regelen, indien één van de echtgenoten als bedoeld in het eerste lid komt te overlijden.

Artikel 12b Het systeem van de AAW is zodanig opgezet, dat het overheidspersoneel, dwz degenen, die in geval van arbeidsongeschiktheid recht hebben op pensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Algemene militaire pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, slechts aanspraak op AAW-uitkering kan maken, wanneer de AAW-uitkering het bedrag van het eventueel met een aanvulling verhoogde invaliditeitspensioen of de uitkeringen, waarop dit personeel uit hoofde van zijn rechtspositie aanspraak heeft, overtreft. Het overheidspersoneel is echter niet uitgezonderd van de verzekeringsplicht ingevolge de AAW. In verband daarmee is de overheid als werkgeefster dezelfde premie verschuldigd als de andere werkgevers. Hoewel het overheidspersoneel door de gekozen systematiek geen aanspraak heeft op uitkering of slechts aanspraak heeft op een gedeeltelijke uitkering krachtens de AAW wordt de aan de betrokkene niet verschuldigde of niet uitbetaalde uitkering op grond van het bepaalde in artikel 8, derde lid, van de AAW en de ingevolge dat artikel getroffen beschikking van 15 oktober 1976 (Stcrt. 1976, 208) door het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds overgemaakt aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds en het Ministerie van Defensie. De invoering van de evenredige vermindering van de gezamenlijke AAW-uitkeringen, indien beide echtgenoten daarop aanspraak hebben, leidt tot consequenties ten aanzien van bovenbedoelde overheidsgepensioneerden. Zonder nadere voorziening immers zou, wanneer van beide echtgenoten de een ter zake van arbeidsongeschiktheid aanspraak maakt op invaliditeitspensioen op grond van de hierbedoelde overheidspensioenregeling of op een uitkering uit hoofde van de rechtspositie en de ander recht heeft op AAW uitkering een discrepantie ontstaan met de situatie, waarin van een echtpaar man en vrouw beiden een AAW-uitkering ontvangen. Om deze onevenwichtigheid weg te nemen is in artikel 12b, eerste lid, bepaald, dat de hierbedoelde overheidsgepensioneerde of daarmee gelijkgestelde voor de toepassing van de evenredige korting op de uitkering van zijn (haar) echtgeno(o)t(e) op grond van het bepaalde bij artikel 12a geacht wordt een AAW-uittkering te zijn toegekend of een volledige AAW-uikering te zijn uitbetaald.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

Aangezien op het moment, dat dit wetsontwerp tot wet zal zijn verheven, de over het jaar 1979 aan de man toegekende AAW uitkering reeds is uitbetaald, is de bepaling zodanig geredigeerd, dat de evenredige vermindering van de uitkering voor deze gevallen eerst met ingang van 1980 kan plaatsvinden. Nu in de AAW een evenredige vermindering van de uitkering gaat plaatsvinden, indien beide echtgenoten aanspraak op uitkering hebben, waardoor derhalve de AAW-aanspraken worden beperkt, zal deze beperking ook dienen te gelden voor de uitkering die op grond van artikel 8, derde lid, door het Arbeidsongeschiktheidsfonds aan de pensioenfondsen wordt gedaan. Het tweede lid van artikel 12b stiekt daartoe.

Artikel 12c

Degene, aan wie bij de inwerkingtreding van de AAW reeds een uitkering ingevolge de WAO was toegekend verkreeg op grond van het bepaalde bij artikel 90, eerste lid, onder a van de AAW slechts recht op AAW-uitkering in-dien de AAW-uitkering de WAO-uitkering overtrof. In verband hiermee is bij de inwerkingtreding van de AAW voor het overgrote deel van de gevallen geen AAW-uitkering toegekend. Een soortgelijke situatie doet zich voor ten aanzien van gehuwde vrouwen, die vóór 1 oktober 1975 arbeidsongeschikt zijn geworden, en die op grond van het voorliggende wetsontwerp geen aanspraak kunnen maken op een AAW-uitkering. Aan hen kan echter indertijd in verband met arbeidsongeschiktheid, ingetreden tijdens een verzekeringsperiode ingevolge de WAO, een WAO-uitkering zijn toegekend. Deze op zich geheel verschillende groepen WAO-gerechtigden geven echter aanleiding tot een gelijksoortig probleem Wanneer namelijk aan de huwelijkspartner een AAW-uitkering wordt toegekend kan zonder nadere voorziening geen evenredige vermindering van de uitkering van de partner plaatsvinden, aangezien de betrokkene immers niet voor een AAW-uitkering in aanmerking komt. Dit zou dit echtpaar in een gunstiger positie plaatsen, dan het echtpaar, waarvan beiden aanspraak op AAW-uitkering hebben. Ten einde deze onbillijkheid te vermijden is in het voorgestelde artikel 12c om een evenredige vermindering van de aan de partner verleen-de AAW-uitkering mogelijk te maken de fictie opgenomen, dat aan de ander een AAW-uitkering is toegekend. Aangezien op het moment, dat dit wetsontwerp tot wet zal zijn verheven, de over het jaar 1979 aan de man toegekende AAW-uitkering reeds is uitbetaald, is de bepaling zodanig geredigeerd, dat de evenredige vermindering van de uitkering voor deze gevallen eerst met ingang van 1980 kan plaatsvinden. Voor de gevallen, waarin op grond van deze artikelen een evenredige korting op de per 1 januari 1979 of in de loop van dat jaar aan de vrouw toe te kennen AAW-uitkering wordt toegepast is in het vijfde lid van artikel III een speciale overgangsregeling getroffen, op grond waarvan de korting die bij de man zou moeten plaatsvinden op de uitkering van de vrouw geschiedt. Opgemerkt zij, dat ingevolge het bepaalde bij het derde lid van dit artikel en het tiende lid van het voorgestelde artikel III regelen kunnen worden gesteld, op grond waarvan de evenredige vermindering van de aan de man toegekende uitkering geheel of ten dele ongedaan kan worden gemaakt, indien deze tot een ongewenste daling van het gezinsinkomen zou leiden. De op grond van het derde lid van artikel 12c te stellen regelen bieden ook de mogelijkheid om andere onvoorziene onbillijkheden, die bij de toepassi ng van deze kortingsbepalingen zouden kunnen ontstaan, op te vangen.

OnderdeelH De bij dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 21 houdt verband met de verandering van het karakter van de AAW, die uit dit wetsontwerp voortvloeit en waarop in het algemeen deel van deze memorie van toelichting uitvoerig wordt ingegaan.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

De huidige tekst van het eerste lid verleent de bedrijfsvereniging de bevoegdheid aanspraken ingevolge de AAW buiten aanmerking te '^ten, in dien algehele arbeidsongeschiktheid reeds bestond bij aanvang vdii de ver zekering of indien arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na de aanvang van de verzekering kennelijk was te verwachten. Aangezien alle ingezetenen beneden de 65 jaar verzekerd zi|n ingevolge de AAW, kan dit artikel in zijn huidige vorm slechts worden toegepast ten aanzien van degene, die zich hier te lande gaat vestigen en al volledig arbeidsongeschikt is of oen zodanige gezondheid heeft, dat valt te verwachten, dat hij binnen een half jaar arbeidsongeschikt wordt. De verandering van het karakter van de AAW, die in de nieuwe opzet, behalve voor de jeugdgehandicapten, het adagium van de veronderstelde inkomensderving bij arbeidsongeschiktheid zal verlaten en zich, weliswaar met de nodige uitzonderingen, zal gaan baseren op de reële inkomensderving, die tengevolge van de arbeidsongeschiktheid zal ontstaan, maakt het nodig deze bepaling te herzien. Het zal, met name om misbruik te voorkomen van belang zijn, de mogelijkheden van de bedrijfsvereniging om uitkering te weigeren, uit te breiden met die gevallen, waarin de verzekerde zich een inkomen uit arbeid gaat verwerven, terwijl hij in feite voor de aanvang van deze werkzaamheden reeds arbeidsongeschikt is of zijn gezondheidstoestand het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten. Volledigheidshalve zij opgemerkt, dat het uiteraard niet de bedoeling is, dat de bedrijfsvereniging van deze bevoegdheid gebruik maakt ingeval een jeugdgehandicaptn > ■ i mis l e inging tot het verrichten van arbeid heeft gedaan. De in het eerste lid i invoegde nieuwe onderdelen b en d strekken ertoe deze wijziging aan te I rengen. De invoeging van een nieuw tweede lid, houdt verband met het feit, dat aan verzekerden op grond van het bepaalde in artikel 6 een fictief inkomen kan worden toebedeeld. Voor die gevallen moet als peildatum voor de beoordeling van de reeds bestaande arbeidsongeschiktheid of als datum, waarna de periode van een halfjaar waarin de arbeidsongeschiktheid intreedt, gaat lopen, worden aangemerkt de dag, waarop het fictieve inkomen wordt geacht voor het eerst te zijn genoten.

Onderdeel I

De huidige tekst van artikel 27 is inhoudelijk volkomen gelijk aan de tekst van artikel 37 van de WAO. Deze artikelen stellen in de eerste plaats een wachttijd van 52 weken met betrekking tot het ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid herzien van een uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%. Bij een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van minder dan 45% zal er voor de betrokkenen in het algemeen voldoende mogelijkheid zijn om het resterende arbeidsvermogen produktief te maken. In de onderhavige gevallen zal derhalve in het algemeen naast de arbeidsongeschiktheidsuitkering aanspraak op arbeidsinkomen bestaan. De betrokken WAO-verzekerden hebben voorts ter zake van loonderving wegens kortdurende ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid, welke zij hebben aangevat, als regel aanspraak op uitkering krachtens de Ziektewet. Deze reden alsme-de de overweging, dat het in deze gevallen gaat om een herziening vanuit een relatief geringe arbeidsongeschiktheid, hebben ertoe geleid om bij toename van de arbeidsongeschiktheid alvorens tot verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering over te gaan, eenzelfde wachttijd van 52 weken te stellen als in de artikelen 19 van de WAO en 6 van de AAW is geschied. Voorts regelen deze artikelen gevallen, waarin toegenomen arbeidsongeschiktheid niet tot herziening van de toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering leidt. Herziening ter zake van toegenomen arbeidsongeschiktheid blijft achterwege, indien de belanghebbende bij het intreden van die toeneming niet verzekerd is en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die, waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Het verzekerdenbestand en de strekking van de WAO enerzijds en die van de AAW anderzijds zijn echter in de huidige situatie geheel verschillend. De WAO omvat een bepei kter kring van verzekerden, terwijl de WAO-aanspraken anders dan bij de AAW zijn gebaseerd op een reéle terugval in inkomen wegens arbeidsongeschiktheid. Door het invoeren van een entree-eis in de AAW zal voor die wet een vergelijkbare situatie ontstaan met de WAO. In dit licht bezien is het een logische consequentie dat bij toename van de arbeidsongeschiktheid vanuit een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 45 en voortkomend uit een andere oorzaak, op grond van de AAW slechts recht op verhoging van de uitkering zal bestaan indien de betrokkene naast de omstandigheid, dat hij als verzekerde kan worden aangemerkt aan de voorwaarde moet voldoen, dat hij in de periode, die aan de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid vooraf ging, zich uit arbeid een in-komen had verworven.

Onderdeel J

Ingevolge artikel 40 van de WAO kan bij herziening van de uitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid een hoger dagloon aan de uitkering ten grondslag worden gelegd dan voor de herziening het geval was. Dit vloeide voort uit de overweging dat de betrokkene na de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van functie kan zijn veranderd. Met name, indien hij vóór de toekenning der uitkering in een onvolledige dienstbetrekking werkzaam was, bij voorbeeld op slechts één of enkele dagen per week, doch ten tijde van het intreden van de toeneming der arbeidsongeschiktheid -zij het als gedeeltelijk arbeidsongeschikte -regelmatig elke dag in loondienst werkt, zal het loon uit de laatstvervulde dienstbetrekking veelal hoger zijn dan uit de vroegere onvolledige dienstbetrekking. Bij de totstandkoming van de AAW bestond geen reden tot opneming van een soortgelijke bepaling in die wet, aangezien die wet immers uitging van vaste grondslagen. Nu door de voorgestelde wijziging van artikel 10 in het vijfde lid daarvan, variabele grondslagen worden ingevoerd welke lager zijn dan de algemeen voor de betrokkene geldende grondslagen, dient ook in de AAW een bepaling te worden opgenomen volgens welke deze lage grondslag kan worden verhoogd, indien de betrokkene later meer arbeidsongeschikt wordt en zich intussen -niettegenstaande zijn gedeeltelijke arbeidsongschiktheid -een hoger inkomen is gaan verwerven. Het bepaalde ingevolge artikel 29a strekt daartoe. In dit verband moge erop worden gewezen, dat de Sociale Verzekeringsraad op 4 juli 1977 mijn ambtsvoorganger heeft geadviseerd het bepaalde in artikel 40 van de WAO te wijzigen, aangezien de huidige tekst tot onbevredigende uitkomsten kan leiden. Hierbij moge overigens ook worden verwezen naar de over dit onderwerp dd. 10 april 1979 door de leden van de Tweede Kamer de heren Hermsen en Van Zeil gestelde vragen en de daarop mijnerzijds gegeven antwoorden (Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, Zitting 1978-1979, blz. 2281). In dit advies van de SVR heb ik aanleiding gevonden de tekst van artikel 29a van de AAW in overeenstemming te brengen met de door de SVR voorgestelde wi|ziging van artikel 40 van de WAO en voorts in artikel II van dit wetsontwerp de door de SVR voorgestelde wijziging van artikel 40 van de WAO op te nemen. Bij de toelichting van dat betreffende onderdeel zal nog nader op het betreffende SVR-advies en de ratio van die wijziging worden in-gegaan.

Onderdeel K

Aangezien de gehuwde vrouw op grond van dit voorstel niet meer van uitkering wordt uitgesloten, dienen de onderdelen b en c, betrekking hebbende op intrekking bij huwelijk en bij niet meer duurzaam gescheiden leven, te vervallen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Onderdeel i

Voor de toelichting op dit onderdeel moge worden verwezen naar 4.2.2 van het algemeen deel van deze memorie.

Onderdeel M onder 1

Deze wijziging houdt verband met de wijziging van artikel 6.

Onderdeel M onder 2 N onder 7, 2 en 3

Deze wijzigingen zijn een gevolg van de omstandigheid, dat de gehuwde vrouw volgens dat voorstel niet meer van uitkering is uitgesloten.

Onderdeel N onder 4

Deze wijziging houdt verband met de wijziging van artikel 6.

Onderdeel 0

De voorgestelde aanvulling van artikel 44 houdt verband met het in artikel I, onder G, opgenomen nieuwe artikel 12a.

Onderdeel P onder 1

De voorgestelde invoeging van een nieuw derde lid in artikel 48 is een gevolg van de invoeging van het in artikel I, onder G, opgenomen nieuwe artikel 1 2a Indien achteraf aan de echtgenoot of echtgenote van de uitkeringsgerechtigde eveneens een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, zal op basis van artikel 1 2a in veel gevallen aan de uitkeringsgerechtig-de te veel uitkering zijn verleend. Het nieuwe derde lid strekt ertoe in die gevallen een overeenkomstige regeling te treffen als thans reeds in het bestaande derde en vierde lid is opgenomen.

Onderdeel P onder 2 en 3

De wijzigingen zijn een gevolg van de wijziging van artikel 9 en van de in-voeging van een nieuw tweede lid in artikel 36.

Onderdeel P onder 4

De wijziging vloeit voort uit de wijziging, opgenomen in onderdeel Ponder 1.

Onderdeel Q

Voor de berekening van de vakantie-uitkering ingevolge de AAW dient te worden uitgegaan van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat tot uitbetaling komt. De evenredige vermindering bij samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering van beide echtgenoten, zoals voorgesteld in artikel 12a, zal dan ook door moeten werken in de vakantie-uitkering. De in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 53 strekt daartoe.

Onderdeel R onder 7

In de huidige situatie zijn alle gehuwde vrouwen, die geen aanspraak hebben op een WAO-uitkering en geen aanspraak of uitzicht op overheidspensioen hebben, op grond van het eerste lid van artikel 61 voor de toepassing van de AAW verzekerd bij de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nrs. 3-4

Aangezien deze gehuwde vrouwen in de huidige situatie geen aanspraak kunnen maken op arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wel in aanmerking kunnen worden gebracht voor voorzieningen, is bij de invoering van de AAW besloten deze groep verzekerden onder te brengen bij éen bednjfsvereniging en wel bij de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen Nu door het voorliggende wetsontwerp het in de toekomst niet meer alleen zal gaan om het verstrekken van voorzieningen, doch evenzeer om het recht op toekenning van uitkering en het vaststellen van het bedrag van die -eventueel gereduceerde -uitkering, is de vraag vaar voren gekomen of de huidige situatie gehandhaafd dient te blijven. Dit met name ten aanzien van de in het bedrijf van de echtgenoot meewerkende vrouw. In verband daarmee heb ik op 17 januari 1979 het advies gevraagd van de SVR Dit advies is op 18 mei 1979 uitgebracht. Blijkens dat advies, hetwelk als bijlage III bij deze memorie is gevoegd, stelt de SVR dat, nu het niet slechts gaat om het verstrekken van voorzieningen doch evenzeer om het toekennen van uitkering, waarvan de hoogte me-de afhankelijk kan zijn van het aandeel van de vrouw in het gezamenlijke in-komen en van een eventuele uitkering ingevolge de AAW welke de echtgenoot geniet, een handhaving van de huidige situatie minder gewenst is. Daarbij is van doorslaggevende betekenis geweest dat een doorbreking van het tot nog toe gevolgde indelingsbeleid vandeRaadals gevolg van een categorale indeling van alfe in het eigen bedrijf van haar echtgenoot meewerkende gehuwde vrouwen naar de mening van de Raad niet juist geacht moet worden. De SVR tekent hierbij nog aan, dat naast de situatie van de in het bedrijf van de man werkzame vrouw zich gevallen kunnen voordoen, waarbij de man medewerkt in het bedrijf van de vrouw. Voor beide situaties zal een identieke oplossing dienen te worden gevonden. Op genoemde gronden is de SVR van mening, dat de in het bedrijf meewerkende echtgeno(o)t(e) in het algemeen verzekerd dient te zijn bij de betreffende vakbedrijfsvereniging. Met het advies van de SVR kan worden ingestemd. De voorgestelde wijziging van artikel 61, eerste lid, strekt ertoe de in het bedrijf meewerkende echtgenolo)t(e) verzekerd te doen zijn bij de betreffende vakbedrijfsvereniging. Volledigheidshalve moge hierbij nog worden opgemerkt dat gehuwde vrouwen, die reeds sinds een eerder tijdstip door de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen in aanmerking zijn gebracht voor een voorziening ingevolge artikel 57, van de AAW, op grond van het bepaal-de in artikel 63 verzekerd blijven bij die bedrijfsvereniging.

Onderdeel R onder 2

De toevoeging van dit vierde lid is nodig om duidelijk te maken, dat de medewerkende echtgenoot zowel een man als een vrouw kan zijn.

Onderdeel S onder 7

Deze wijziging houdt verband met de wijziging van artikel 6.

Onderdeel S onder 2

Door de introductie van de entree-eis in artikel 6 dient in artikei 64, tweede lid, te worden bepaald, dat het advies van de GMD geen betrekking moet hebben op deze voorwaarde. Deze wijziging strekt daartoe.

Onderdelen T, V, W, X, Y, AA onder 7 en BB In de huidige tekst van de AAW wordt op verschillende plaatsen de datum van inwerkingtreding omschreven met de woorden: de dag, waarop artikel 6 in werking treedt of is getreden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

Nu voorgesteld wordt artikel 6 ingrijpend te wijzigen met ingang van 1 januari !9/8 dienen deze omschrijvingen exact te worden aangeduid met «1 oktober 19 /6.>, hetgeen weer tot gevolg had, dat de bepalingen in de verleden tijd moesten worden gesteld Voorts zijn in deze onderdelen de noodzakelijke verwijzingen naar de verschillende leden van artikel 6 gewijzigd in verband met de vernummering van een aantal leden van het artikel. Met betrekking tot onderdeel V, onder 3, zij nog vermeld, dat terugwerking van de voorgestelde regeling zal plaatsvinden tot 1 januari 1978. Om te voorkomen, dat de gehuwde vrouw, die vóór 1 januari 1978 arbeidsongeschikt is geworden, aan artikel 89 rechten kan ontlenen, is artikel 9, eerste lid, zoals dit lul kudde voor 1 januari 1978, van overeenkomstige toepassing verklaard.

Onderdeel U

Aangezien het inkomen van de ene echtgenoot van belang is voor de vast stelling van de uitkering van de andere echtgenoot is het nodig ook aan eerstgenoemde (ie in artikel 78 omschreven inlichtingsverplichtingen op te leggen. De toevoeging van een nieuwe volzin aan het eerste lid is nodig om duidelijk te maken, dat onder echtgenoot zowel een man als een vrouw kan worden verstaan.

Onderdeel AA onder 2

De betreffende wijziging van artikel 97, tweede lid, is een gevolg van de nieuwe opzet van artikel 10.

Artikel II

Onderdeel A Zoals reeds bij de toelichting op artikel 1, onderdeel J is vermeld, is van de gelegenheid gebruik gemaakt om tegelijkertijd met de invoeging van een nieuw artikel 29a in de AAW, artikel 40 van de WAO, waarop het eerder genoemde artikel 29a, van de AAW is gebaseerd, te herzien. Deze wijziging komt tot stand overeenkomstig een op 4 juli 1977 door de Sociale Verzekeringsraad uitgebracht advies, hetwelk als bijlage IV bij deze memorie is ge voegd Indertijd was het toenmalig Overlegorgaan van de vakcentrales in een schrijven dd. 14 mei 1973 aan (ie toenmalige Minister van Sociale Zaken tot de conclusie gekomen, dat in bepaalde gevallen de toepassing van artikel 40 tot onbillijkheden kan leiden met name doordat de betrokkene, vóór de toename van zijn arbeidsongeschiktheid en gedurende de periode na de toename, waarover hij nog ziekengeld ontving, aan WAO-uitkering en loon c.q. ziekengeld te zamen aanmerkelijk meer ontving, dan na toekenning van de herziene WAO uitkering. Door mijn ambtsvoorganger is deze problematiek onder de aandacht van de SVR gebracht. Met de SVR ben ik van mening, dat het wenselijk is artikel 40 zodanig te wijzigen, dat alleen bij toename van de arbeidsongeschiktheid tot 80% of meer, herziening van het dagloon plaatsvindt en de toepassing van dat artikel zodanig te verruimen, dat bij de vaststelling van het nieuwe dagloon zowel rekening wordt gehouden met de voor de toeneming van de arbeidsongeschiktheid genoten WAO uitkering als het in de laatstelijk uitgeoefende functie genoten loon. Behoudens een redactionele wijziging is de tekst van het voorgestelde artikel 40 gelijk aan die, welke door de SVR is opgesteld. Volledigheidshalve zij opgemerkt, dat in het voorgestelde derde lid de mogelijkheid is opgenomen om nadere regelen te stellen Met name kan dit nodig zijn voor personen, werkzaam in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Deze personen kunnen in WSW-verband wegens verworven bekwaamheden een hoger loon zijn gaan verdienen Voordat zij in WSW-verband gingen Tweede Kamerzitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

werken kwamen zij mogelijk reeds in aanmerking voor een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 of meer. De op grond van het derde lid te treffen regelen kunnen ertoe strekken deze personen wier arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO niet meer kan toenemen, wanneer zij hun WSW-werkzaamheden om medische redenen moeten verminderen of beëindigen, voor een hogere WAO-uitkering in aanmerking te brengen. In dit verband moge nog worden verwezen naar het antwoord op de vragen van de leden der Tweede Kamer, de heren Hermsen en Van Zeil (Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, Zitting 1978-1979, blz. 2281).

Onderdeel B

De voorgestelde wijziging van artikel 46a van de WAO houdt verband met de invoeging van de artikelen 10a, 12a en 29a in de AAW zoals voorgesteld in artikel I, onderdelen E, G en J.

Artikel III

Eerste lid

Voor de toelichting op het eerste lid moge worden verwezen naar hoofdstuk 6 van het algemeen deel van de memorie.

Tweede lid

Het eerste lid regelt de situatie voor hen, die vóór 1 januari 1978 arbeidsongeschikt zijn geworden. Het is uiteraard echter redelijk op gelijke wijze te handelen ten aanzien van de uitkeringsgerechtigden, die op of na genoemde datum arbeidsongeschikt zijn geworden en die voor het recht op en de hoogte van hun uitkering zijn getoetst aan de oude bepalingen, omdat de nieuwe nog geen kracht van wet hadden verkregen.

Derde lid

Een uitzondering op het eerste en tweede lid wordt evenwel gemaakt voor hen, die op 1 januari 1979 gehuwde vrouw zijn of dit na 1 januari 1979 worden, zodat deze categorie vanaf het tijdstip, dat zij gehuwde vrouw zijn, wel onder de nieuwe bepalingen vallen.

Vierde lid

Wanneer op een gehuwde man, die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, op grond van het eerste en tweede lid van artikel III de thans vigerende bepalingen van kracht blijven en zijn echtgenote op of na 1 januari 1979 eveneens aanspraak op een uitkering zou krijgen, zou zonder nadere voorziening geen korting op zijn uitkering kunnen worden toegepast. Het is echter de bedoeling, dat beide echtgenoten te zamen niet meer aan uitkering verkrijgen dan die berekend naar de hoge grondslag. Dit is geregeld in het nieuw voorgestelde artikel 12a van de AAW. Door deze bepaling ook op de lopende uitkering van toepassing te verklaren, wordt bereikt, dat eveneens in die gevallen een evenredige korting wordt toegepast. Het nieuw voorgestelde derde lid van artikel 48 en het gewijzigde tweede lid van artikel 53 houden rechtstreeks verband met de in-voeging van artikel 12a, zodat ook deze bepalingen hier van toepassing dienden te worden verklaard.

Vijfde lid

Op het tijdstip, dat het voorliggende ontwerp kracht van wet verkrijgt is de over het jaar 1979 op grond van de huidige bepalingen van de AAW toegekende uitkering in vrijwel alle gevallen reeds uitbetaald. Hierbij zijn ook ge-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

vallen, waarin een gehuwde man recht heeft op AAW-uitkering en zijn echtgenote dit recht op grond van de nieuwe bepalingen verkrijgt. Aangezien zonder nadere voorziening de evenredige korting op de uitkering van man en vrouw op grond van het nieuwe artikel 12a toepassing vindt zou de te veel uitgekeerde uitkering aan de man van hem moeten worden teruggevorderd. In verband hiermee is in het vijfde lid een regeling getroffen, ingevolge welke de over het jaar 1979 te veel uitgekeerde uitkering aan de man op die van de vrouw in mindering wordt gebracht. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de artikelen 12b, eerste lid, en 12c, eerste lid, wordt bereikt, dat ook de in die artikelen bedoelde overheidspensioenen of overeenkomstige uitkeringen en WAO-uitkeringen in 1979 voor wat de man betreft met AAW-uitkering worden gelijkgesteld.

Zesde lid

Dit lid regelt dat voor de berekening van de vakantie-uitkering ingevolge de AAW dient te worden uitgegaan van het bedrag na toepassing van de korting als in het vijfde lid bedoeld.

Zevende lid

Volgens de thans geldende bepalingen van de AAW en de AOW is samenloop mogelijk van een AAW-uitkering van de gehuwde man en een zogenaamd kostwinsterspensioen ingevolge de AOW van zijn echtgenote. Aangezien ingevolge het eerste lid, onder a, en het tweede lid, op de gehuwde man, die op 31 december 1979 in het genot is van AAW-uitkering, de thans vigerende bepalingen van kracht blijven, zou dit inhouden, dat, indien . zijn echtgenote na die datum 65 jaar wordt en aanspraak op eerdergenoemd kostwinsterspensioen ingevolge de AOW zou verkrijgen, geen anticumulatie van beide uitkeringen zou kunnen plaatsvinden. Dit wordt ongewenst geacht op dezelfde gronden als waarop een evenredige korting ingevolge het vier-de lid wordt toegepast. Dit lid strekt ertoe in dit geval beide uitkeringen te anticumuleren.

Achtste lid

Ingevolge het eerste lid, onder a, en het tweede lid, blijven op de gehuwde man met AAW-uitkering op 31 december 1979 de thans vigerende bepalingen van kracht. Indien er op die datum reeds sprake was van samenloop van zijn AAW-uitkering met een AOW-pensioen van zijn echtgenote, ontstaat er bij overlijden van één van de echtgenoten gedurende korte tijd (maximaal 5 maanden na de maand van overlijden) een samenloop van uitkering bij de langstlevende der echtgenoten. Het ligt voor de hand, die (aflopende) situatie te handhaven en geen anticumulatie toe te passen. Het achtste lid strekt hiertoe.

Negende lid

In het nieuw voorgestelde artikel 36, tweede lid, tweede volzin, is de anti-cumulatie geregeld van de AAW-uitkering met een doorbetaling na overlijden van AOW-pensioen ex artikel 15 van de AOW alsmede van de overlijdensuitkering op grond van artikel 44 van de AAW met een op grond van artikel 14, vierde lid, van de AOW niet-herzien AOW-gehuwdenpensioen. Het ligt in de rede om in die gevallen, waarin deze samenloop op 31 december 1979 plaatsvindt, deze anticumulatie niet toe te passen. Het negende lid strekt hiertoe.

Tiende lid

Dit lid biedt de Minister van Sociale Zaken de mogelijkheid om, wanneer de toepassing van dit artikel tot onevenwichtigheden en onbillijkheden zou Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

leiden, nadere en mogelijk afwijkende regelen te geven. Met name kan dit het geval zijn, wanneer door de werking van de anticumulatiebepalingen het gezinsinkomen zou dalen.

Elfde lid

Dit lid beoogt voor de toepassing van de overgangsbepalingen aan de begrippen: gehuwde man, gehuwde vrouw, echtgenoot, echtgenote en ongehuwde dezelfde inhoud te geven als deze thans ingevolge het bepaalde in de artikelen 1, tweede en derde lid, en 10, vierde lid, onder a, van de AAW voor de toepassing van die wet hebben.

Artikel IV

Zoals reeds in de toelichting op het nieuw voorgestelde artikel 10 van de AAW is opgemerkt, zijn de in dat artikel genoemde grondslagen de bedragen zoals die per 1 januari 1978 golden of voor wat het bedrag genoemd in het derde lid van dat artikel betreft, het bedrag, dat op die datum zou hebben gegolden. Dit in verband met het voornemen aan de wijzigingswet terugwerkende kracht te verlenen tot 1 januari 1978. Zoals bekend zijn de grondslagen -behoudens die, bedoeld in artikel 10, derde lid -op grond van de artikelen 11 en 97 van de AAW reeds per 1 juli 1978, per 1 januari 1979 en per 1 juli 1979 herzien. Artikel IV strekt ertoe, te voorkomen dat de in artikel 10 opgenomen, op 1 januari 1978 geldende grondslagbedragen alsnog per 1 juli 1978, 1 januari 1979 en 1 juli 1979 zouden moeten worden gewijzigd. De bedragen zoals die op grond van het tweede lid per 1 juli 1978, op grond van het derde lid per 1 januari 1979 en op grond van het vierde lid per 1 juli 1979 worden vastgesteld, zijn uiteraard dezelfde als die, welke thans reeds per die data gelden of zullen gelden. Slechts de in het tweede, derde en vierde lid, onder b, genoemde bedragen zijn nieuw. Die zijn vastgesteld op het gemiddelde van de eerste grondslagen genoemd onder a en de grondslagen genoemd onder c. De percentages, genoemd in het vijfde lid, zijn de procentuele verhoging voor de variabele grondslagen, zoals bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de AAW.

Artikelen V en VI

Voor de toelichting op deze artikelen moge worden verwezen naar hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting. Voor wat de uitbetaling van de uitkeringen betreft is van belang nog te vermelden, dat ook van de uitkeringen die met ingang van 1 januari 1979 worden toegekend, doch eerst na 1979 worden uitbetaald, loonbelasting wordt ingehouden volgens de tijdvaktabel. De nieuwe uitkeringsgerechtigden, voor wie de loonbelasting vrijwel steeds eindheffing zal zijn, ondervinden daardoor geen progressienadeel van het vertraagd uitbetalen. In die gevallen waarin aan een uitkeringsgerechtigde wel een aanslag inkomstenbeting wordt opgelegd, kan een beroep worden gedaan op de middelingsregeling van de inkomstenbelasting.

Artikel VII

Het bepaalde in artikel 21 van de AAW houdt in dat uitkeringen in het algemeen niet eerder ingaan dan een jaar voor de aanvraag. Het feit, dat voor gehuwde vrouwen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1979 aanspraak op uitkering ontstaat, maakt het nodig deze termijn voor deze groepte verruimen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15706, nrs. 3-4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.