Inhoudsopgave

Tekst

Nr.8

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 25 februari 1981

De leden van de fractie van het C.D.A. zijn er nog niet van overtuigd, dat geheel zou moeten worden afgezien van een overgangsregeling voor de z.g. «lopende gevallen». Naar hun overtuiging moet ook hier zorgvuldig met verworven rechten en verkregen aanspraken worden omgesprongen. Het gaat niet aan, zo vervolgen zij, een oneigenlijk element in een regeling op één lijn te stellen met oneigenlijk gebruik. Zeker niet als dit oneigenlijk element bewust in de wet is opgenomen. Voorts wijzen deze leden erop, dat studerende kinderen zich in het algemeen een betere startpositie op de arbeidsmarkt weten te verwerven. Ook wijzen zij er in dit verband op, dat in het verwachtingspatroon van betrokkenen en hun ouders met kinderbijslag rekening zal worden gehouden. Verder veronderstellen zij dat de partieel leerplichtigen relatief het sterkst vertegenwoordigd zijn in de laagste en lagere inkomensgroepen. Zij merken voorts op, dat de Regering bij de voorgenomen wijziging van de referte-eis in de WW en WWV ook een overgangsregeling heeft opgenomen. De hier aan het woord zijnde leden wijzen er verder nog op, dat zij de budgettaire consequenties van een overgangsregeling wel degelijk zwaar hebben laten wegen. Immers de Raad van State gaf in zijn advies in overweging een verder strekkende overgangsregeling op te nemen. Ten slotte merken zij op, dat nu er toch aanvullende ombuigingen noodzakelijk lijken zij niet inzien waarom juist bij deze regeling van een overgangsregeling moet worden afgezien. Naar aanleiding van deze beschouwing merk ik het volgende op. Het spijt mij dat ik de leden van de C.D.A.-fractie op dit punt nog niet heb kunnen overtuigen. Zoals ik in de memorie van antwoord reeds heb meegedeeld, meen ik dat in het lagemeen verworven rechten en verkregen aanspraken voor zoveel mogelijk gerespecteerd dienen te worden. Daar heb ik echter aan toegevoegd dat dit standpunt met name in de gevallen, waarin sprake is van oneigenlijk gebruik van dan wel een oneigenlijk element in een regeling, niet onverkort te handhaven is. Ik heb daarbij niet willen suggereren, dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van oneigenlijk gebruik. De regeling is inderdaad destijds bewust als oneigenlijk element in de kinderbijslagwetgeving opgenomen. Dit gebeurde echter in het perspectief van het binnen afzienbare tijd «eigenlijk» worden van de regeling. Nu dit perspectief niet is uitgekomen dient dit oneigenlijke element uit de wetgeving te worden verwijderd. Alleen al daarom kan van verworven rechten geen sprake zijn; het is nooit bedoeld om blijvend deel uit te maken van de kinderbijslagwetgeving.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16534, nr.8

Ook ik heb de indruk dat de startpositie op de arbeidsmarkt van de studerenden in het algemeen beter zal zijn dan van de partieel leerplichtigen. De veronderstelling dat deze laatste kinderen in de categorie lager betaalden meer dan evenredig vertegenwoordigd zijn, kan ik wel onderschrijven. Ik kan hier echter geen argumenten aan ontlenen om toch een overgangsregeling voor te stellen. Noch de startpositie op de arbeidsmarkt, noch de structurele financiële positie van de ouders zou hierdoor verbeterd worden. Zoals ik al in de memorie van antwoord heb meegedeeld, heb ik waardering voor de wijze waarop de leden van de C.D.A.-fractie een afweging hebben willen maken tussen enerzijds de noodzaak tot ombuigingen en anderzijds het honoreren van verworven rechten. Ook ik heb die afweging gemaakt; mijn conclusie is dan echter dat er voor een overgangsregeling geen plaats is. Het pakket ombuigingsmaatregelen voor 1981 is met de uiterste zorgvuldigheid samengesteld. Gezien de klemmende noodzaak tot beperking van de groei van de uitgaven zal het niet of niet ten volle realiseren van de voorgenomen ombuigingen voor 1981 tot compenserende ombuigingen op een ander terrein moeten leiden. De dan te treffen maatregelen kunnen wel eens pijnlijker uitvallen dan het afzien van een overgangsregeling voor de partieel leerplichtigen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16534, nr. 8

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.