Eindverslag - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr.6

1 Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels (D'66), Hermsen (CDA), voorzitter, Van Dis (SGP), Van Dam (CDA), Keja (VVD), Van Zeil (CDA), Poppe (PvdA), ondervoorzitter, Hartmeijer (PvdA), Van der Doef (PvdA), Weijers (CDA), Meijer (PvdA), Knol (PvdA), Beckers-de Bruijn (PPR), Nijpels (VVD), De Hamer (PvdA), Moor (PvdA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), Buikema (CDA),Toussaint (PvdA).

EINDVERSLAG Vastgesteld 18 februari 1981

Binnen de vaste Commissie voor Sociale Zaken bleek na kennisgeving van de memorie van antwoord bij de leden van de C.D.A.-fractie nog de behoefte te bestaan enkele opmerkingen aan de Regering voor te leggen. De commissie acht de plenaire behandeling van dit wetsontwerp voldoen-de voorbereid als de Regering daarop zal hebben geantwoord.

De leden van de C.D.A.-fractie waren er nog niet van overtuigd dat geheel zou moeten worden afgezien van een overgangsregeling voor de gevallen waarin thans nog kinderbijslag op grond van partiële leerplicht wordt uitgekeerd. Met verworven rechten en verkregen aanspraken dient naar hun overtuiging ook hier zorgvuldig te worden omgesprongen. Het gaat niet aan, zo merkten zij op, een oneigenlijk element in een regeling op één lijn te stellen met oneigenlijk gebruik. Zeker niet als -zoals destijds geschiedde toen de bestaande regeling werd getroffen -dat oneigenlijk element zeer bewust en weloverwogen als zodanig in de kinderbijslagwetgeving is opgenomen. Als de Staatssecretaris voorts aanvoert dat de financiële positie van partieel leerplichtigen beter is dan die van hun studerende leeftijdgenoten zou daaraan naar de mening van deze leden onmiddellijk dienen te worden toegevoegd dat voor die studerende leeftijdgenoten dan ook in het algemeen een veel beter startpunt op de arbeidsmarkt en een daarmee overeenkomend betere financiële positie te verwachten is. En weliswaar is kinderbijslag als additioneel inkomen te beschouwen, het mag toch ook als genoegzaam bekend worden verondersteld dat in het verwachtingspatroon van betrokkenen en hun ouders/verzorgers daarmee zeker rekening wordt gehouden als men, zoals in zeer veel gevallen toch gebeurt, een zekere planning maakt voor de naaste toekomst met betrekking tot veelal noodzakelijke ietwat duurzame in de gezinshuishouding aan te schaffen of aan vernieuwing toe zijnde gebruiksartikelen, kleding etc. Ofschoon daaromtrent geen gegevens bekend zijn waaruit kan blijken uit welke inkomensgroepen de partieel leerplichtigen afkomstig zijn, zijn er naar hun mening toch wel aanwijzingen die er op lijken te duiden dat daarin relatief de laagste en lagere inkomensgroepen sterker vertegenwoordigd zijn dan midden-en hogere inkomensgroepen waar men, ook als het gaat om kinderen die slechts laagbegaafd zijn, mede omdat in die categorieën het primaire gezinsinkomen een wat steviger financiële basis vormt, zich dikwijls meer lijkt in te spannen om de kinderen langer volledig dagonderwijs te doen genieten.

Tweede Kamer,zitting 1980-1981,16534, nr.6

Zelfs, vervolgden deze leden, in het thans bij de Kamer aanhangige wetsontwerptot wijziging van de referte-eis in de WW en WWV (16542) heeft de Regering kennelijk geen moment -terecht! -op enigerlei wijze overwogen, voor te stellen om rechten aan te tasten die, zoals bij invoering in de praktijk stellig zal blijken, tot grotere aanspraken op WW/WWV zullen leiden omdat deze of gene straks één dag voor de mogelijke inwerkingtreding daarvan werkloos is geworden of nog juist op die datum moet «doorstromen» naar de WWV. In hun suggestie tot opname van een beperkte overgangsregeling hadden deze leden de moeilijke financiële situatie en de budgettaire consequenties die zulk een overgangsmaatregel zal hebben reeds zwaar laten wegen, als men bedenkt dat niet minder dan de Raad van State vanuit de waar-de die men aan verworven rechten dient toe te kennen adviseerde tot een overgangsregeling die van veel verdergaande -ook in financieel opzicht -strekking zou zijn. Het kwam hun zeer onwaarschijnlijk voor dat, bijaldien naar zij aannemen toch nog enige compenserende ombuigingen op een ander terrein noodzakelijk lijken omdat ook andere onderdelen van het pakket maatregelen met betrekking tot de sociale zekerheid niet per 1 januari jl. konden worden ingevoerd, nu juist bij dit wetsontwerp het spreekwoord moet gaan gelden «Waar menning is, noch penning is, daar zwijgen alle fluiten».

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie, Eikerbout Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16534, nr. 6

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.