Voorlopig verslag - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr.4

1 Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels (D'66), Hermsen (CDA), voorzitter, Van Dis (SGP), Van Dam (CDA), Keja (VVD), Van Zeil (CDA), Poppe (PvdA), ondervoorzitter, Hartmeijer (PvdA), Van der Doef (PvdA), Weijers (CD<M, Meijer (PvdA), Knol (PvdA), Beckers-de Brui]n (PPR), Nijpels (VVD), De Hamer (PvdA), Moor (PvdA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), Buikema (CDA) en Toussaint (PvdA).

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 29 januari 1981

De vaste Commissie voor Sociale Zaken heeft de eer als volgt verslag uit te brengen over haar voorlopige bevindingen aangaande dit wetsontwerp.

De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen of destijds bij de toekenning van het recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtigen ook niet één van de overwegingen daarvoor was geweest om juist voor deze moeilijk toegankelijke en nauwelijks te motiveren categorie de deelname aan partieel onderwijs te vergemakkelijken. Waarom is deze overweging thans niet meer van belang? De Regering voert als argument voor de afschaffing van de kinderbijslag voor partieel leerplichtigen aan dat de verwachte ontwikkeling ten aanzien van de partiële leerplicht zich niet heeft doorgezet. Moet daaruit worden begrepen dat de Regering ook voor de toekomst leerplichtverlenging tot het 17de en/of het 18de jaar volledig uitgesloten acht? Hoe denkt zij dat dan te kunnen rijmen met de uitspraak van de meerderheid van de Kamer, dat rond 1985 een beslissing dient te worden genomen over de aard en duur van geïntegreerd voortgezet onderwijs? De hier aan het woord zijnde leden vroegen voorts hoeveel partieel leerplichtigen er momenteel zijn en tot welke inkomenscategorieën deze groep behoort. Kan de Regering tevens mededelen welke gevolgen het voorliggende voorstel heeft voor de koopkracht van betrokkenen per inkomenscategorie? Kan de Regering eveneens een exact overzicht geven van de cumulatie van effecten van deze en andere maatregelen (zoals de verlaging van het minimumloon) voor de inkomens van deze groep jeugdige werknemers? Ook vroegen deze leden de Regering om een toelichting waarom ze kennelijk heeft afgezien van een overgangsregeling. Vervolgens vroegen deze leden of de Regering, in aansluiting op het rapport Profijt van de overheid, door het Sociaal-Cultureel Planbureau een vergelijking wil laten maken tussen: a. de overheidsuitgaven in verband met het onderwijs voor respectievelijk 16-jarige partieelleerplichtigen en overige 16-jarigen, onderscheiden naar de inkomenscategorieën van hun ouders; b. de overheidsuitgaven in verband met het onderwijs voor diegenen, die respectievelijk niet meer dan partieel onderwijs op basis van de partiële leerplicht hebben gevolgd, diegenen, die v.w.o. hebben gevolgd en diegenen, die h.b.o. en w.o. hebben gevolgd.

2 vel

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16534, nr.4

Ten slotte vroegen deze leden of de Regering niet vreest dat door het voorliggende voorstel de ontduiking van de partiële leerplicht zal worden gestimuleerd. Welke maatregelen denkt zij te nemen om dit te voorkomen?

De leden van de C.D.A.-fractie zeiden met enigermate gemengde gevoelens van dit wetsontwerp te hebben kennis genomen. De fracties waaruit nadien de C.D.A.-fractie is voortgekomen hadden destijds immers bijzonder op de totstandkoming van de huidige regeling aangedrongen en zich op destijds goede gronden daarvoor ingezet. Wil echter geen situatie ontstaan waarin het onontkoombaar zou kunnen worden ons hoogwaardig stelsel van sociale zekerheid op voor zeer velen uiterst belangrijke punten te beperken, dan is het noodzakelijknaast omvangrijke maatregelen op andere terreinen -binnen het stelsel zelf een onderdeel als dit, hetwelk bezien in het grote geheel daarvan van relatief niet zulk een grote betekenis is, te herijken. Deze leden erkenden dat het recht op kinderbijslag voor partieelleerplichtigen destijds in de wet werd vastgelegd om de bij invoering van de partiële leerplicht voor twee dagen per week optredende inkomensachteruitgang van de betrokken kinderen en daarmee van de gezinnen waartoe zij behoorden te verzachten. Mede daardoor zou ook bevorderd worden dat, ook zonder een stringente controle op de naleving van die partiële leerplicht, van het met die plicht corresponderende recht ook algemeen gebruik zou worden gemaakt. Zulks gebeurde echter tevens in de toen stellig levende verwachting dat binnen zeer afzienbare tijd door uitbreiding van de partiële leerplicht tot drie dagen per week wel aan het voor het recht op kinderbijslag geldende onderwijscriterium zou worden voldaan. Nu de ontwikkeling van de leerplicht, door oorzaken en omstandigheden welke niet alle zonder meer als negatief moeten worden beoordeeld, zich niet in de toen gedachte richting verder heeft ontwikkeld, is een belangrijke reden om in de daardoor optredende inkomensderving middels toekenning van kinderbijslag te voorzien niet meer aanwezig. Ook valt niet te voorzien dat in die situatie thans binnen afzienbare tijd een ommekeer zal ontstaan. Overigens merkten deze leden op dat de betreffende regeling tot de totstandkoming van de huidige Algemene Kinderbijslagwet per 1 januari 1980 gebrekkig was, omdat zij o.a. niet van toepassing kon zijn op eerste en tweede kinderen uit gezinnen van kleine zelfstandigen met een inkomen waarbij men juist niet kon delen in de voordelen van de Kinderbijslagwet Kleine Zelfstandigen. Bovendien, zo meenden deze leden te weten -al is wellicht daarover geen exact materiaal verzameld -kon de bestaande regeling nogal eens leiden tot zekere vormen van oneigenlijk gebruik. Immers in het algemeen was in-schrijving als partieelleerplichtige aan een daarvoor als zodanig erkend on-derwijs-of vormingsinstituut op zich zelf voldoende voor het verkrijgen van het recht op kinderbijslag, zolang die inschrijving maar gehandhaafd bleef. Het niet of niet regelmatig daadwerkelijk nakomen van die onderwijs-of vormingsplicht had bij hun weten zelden of nooit geleid tot het vervallen van kinderbijslagaanspraken. In dat verband zouden zij gaarne vernemen hoeveel partieelleerplichtigen aan als zodanige erkende instituten zijn ingeschreven en waarvoorthans kinderbijslag wordt genoten. Zijn gegevens bekend waaruit zou kunnen worden afgeleid in hoeverre die leer-en vormingsplicht ook regelmatig daadwerkelijk wordt nageleefd en in hoeverre er sprake is van geoorloofd en ongeoorloofd verzuim? Moet niet verwacht worden dat de voorgenomen afschaffing van de kinderbijslag voor partieelleerplichtigen de deelname aan de leer-en vormingsplicht zal doen afnemen, respectievelijk de mate waarin ongeoorloofd verzuim zal plaatsvinden belangrijk zal doen toenemen? De hier aan het woord zijnde leden waren het met de Regering eens dat het niet verder ontwikkelen van de partiële leerplicht weliswaar niet aan deze kinderen en hun ouders/verzorgers kan worden verweten, maar dat zulks niet tot consequentie kan hebben dat vanuit deze stelling dit oneigenlijk element -oneigenlijk omdat hier niet geldt het in de wet vastgelegde onderwijscriterium -voor onbeperkte tijd moet blijven voortbestaan. Dit neemt Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16534, nr. 4

naar hun mening echter niet weg dat het nu abrupt afschaffen van dit recht door betrokkenen en hun ouders/verzorgers bepaald als pijnlijk zal worden ervaren, met name in die gevallen waarin regelmatig en trouw aan die partiële leerplicht wordt voldaan. Dit afwegend tegen de bittere noodzaak van beperking in de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid konden de leden van de C.D.A.-fractie nog wel instemmen met het doen vervallen van de kinderbijslagaanspraken voor z.g. nieuwe gevallen. Zij hadden echter -erkennend dat sinds op 31 maart 1980 over deze materie een SER-advies werd gevraagd de sociaal-economische situatie duidelijk verder verslechterde -toch moeite met aanvaarding van dit voorstel, daar waar het betreft de z.g. lopende gevallen waarin reeds thans kinderbijslag wordt toegekend. Indien dit voorstel tijdig het Staatsblad zou halen zal ook voor deze groep de aanspraak op kinderbijslag reeds per 1 april a.s. vervallen. Het geldt hier verkregen en reeds geldend gemaakte aanspraken, zo merkten zij op. Zij wezen er op dat toch ook in ons stelsel van sociale zekerheid en bij het aanbrengen van wijzigingen daarin -laatstelijk nog bij de totstandkoming van de Wet herziening aanpassingsmechanismen per 1 januari 1980 -steeds grote waarde is toegekend aan het begrip «verworven rechten». Rekening houdend met de sinds de adviesaanvrage gewijzigde sociaal-economische omstandigheden zouden zij weliswaar niet zover willen gaan als in het advies van de Raad van State wordt bepleit, te weten de afschaffing alleen te doen gelden voor nieuwe gevallen, maar zij hadden voorshands toch wel ernstig bezwaar er aan mee te werken het recht op kinderbijslag voor lopende gevallen nu zonder meer af te schaffen, midden in een nog lopend cursusjaar. Afwegend enerzijds de noodzaak uit toch hoofdzakelijk zo niet uitsluitend financiële gronden de bestaande regeling te beëindigen, anderzijds de wenselijkheid toch ook recht te doen aan de betekenis die het begrip «verworven recht» ook in het vlak van de sociale zekerheid steeds had, pleitten zij er voor om in die gevallen waarin tot nu toe op grond van partiële leerplicht kinderbijslag werd toegekend, de aanspraken daarop te laten voortbestaan tot het einde van het thans lopende cursusjaar en de daarop aansluitende vakantieperiode. Derhalve zoals thans bij studerenden het geval is die hun studie of schoolgaan aan het einde van het studie-of schooljaar beëindigen tot en met het derde kwartaal 1981. Wat zouden de budgettaire consequenties zijn van zulk een in het wetsontwerp aan te brengen modaliteit?

De leden van de V.V.D.-fractie konden zich met dit voorstel tot afschaffing van kinderbijslag voor partieelleerplichtigen verenigen. Zij hadden daarvoor een aantal redenen: 1. Het recht op kinderbijslag voor partieelleerplichtigen is niet in overeenstemming met het geldende onderwijscriterium. 2. De partiële leerplicht zal niet worden uitgebreid tot drie dagen per week, zodat ook in de nabije toekomst niet aan het onderwijscriterium zal worden voldaan. Deze leden wezen er op dat zij -gezien de magere ervaringen met de partiële leerplicht -van oordeel zijn dat de partiële leerplicht voor jonge werknemers spoedig moet worden vervangen door een wettelijk geregeld leerrecht. . 3. Ook zonder het recht op kinderbijslag is de financiële positie voor deze kinderen aanmerkelijk beter dan voor studerende kinderen in dezelfde leeftijdscategorieën. Daarom behoeft ook niet op andere wijze in de loonderving over de niet-gewerkte dagen van partieelleerplichtigen te worden voorzien. 4. Bovendien blijkt het veelvuldig voor te komen dat partieelleerplichtigen voor de dag(en), die zij op school of vormingsinstituut doorbrengen, krachtens hun ca.o. het loon volledig doorbetaald krijgen. Zij derven daarmee in het geheel geen loon, terwijl voor hen bovendien kinderbijslag wordt uitgekeerd. Deze leden vroegen of over de aantallen, waarvoor een dergelijke ca.o."bepaling geldt, iets meer te zeggen valt. 5. De kinderbijslag voor partieelleerplichtigen is vanaf de invoering in 1972, toen de economische omstandigheden en vooruitzichten nog rooskleurig waren, een tijdelijke voorziening geweest.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16534, nr. 4

  • De noodzaak tot beperking van de groei van de collectieve uitgaven in het licht van de sterk verslechterde economische omstandigheden vraagt om heroverweging van al die sociale uitgaven die in de loop van de jaren minder noodzakelijk geworden zijn. Deze leden wezen voorts op de twee aangenomen moties van de leden De Korte en Van lersel in het kader van de wijziging staffelingspercentage mini-mumjeugdloon (16400 XV, nrs. 33 en 34), waardoor voor geen van de jonge werknemers -ook niet bij verandering van baan -een directe achteruitgang in het minimumjeugdloon zal optreden en waardoor een gematigder staffeling, dan oorspronkelijk werd voorgenomen, voor 15-, 16-en 17-jarigen (de categorieën waarop de partiële leerplicht van toepassing is) is bereikt. Op grond van de (door één van deze twee moties nog verder uitgebreide) overgangsbepaling met betrekking tot de herziening van de minimumjeugdlonen waren deze leden het met de Regering eens dat van een beperking van de afschaffing van het recht op kinderbijslag tot nieuwe gevallen kan worden afgezien.

De leden van de D'66-fractie zeiden hun oordeel over dit wetsontwerp te willen opschorten totdat de Regering op hun vragen zal hebben geantwoord. Zij onderschreven de noodzaak tot rechtvaardige bezuinigingen, ook in de sfeer van de sociale zekerheid, maar plaatsten wel vraagtekens bij enkele van de door de Regering voor het onderhavige voorstel gehanteerde argumenten. Door de Staatssecretaris wordt aangevoerd dat in het kader van de herziening van de minimumjeugdlonen een overgangsregeling is vastgesteld, in die zin dat men de gevolgen daarvan in een langzamertempo merkt. Deze leden merkten op dat de gevolgen dan wel uitgesmeerd zijn over 2 jaar, maar dat de inkomensachteruitgang geleidelijk aan toch wel aanzienlijk is. Wat zijn de cumulatieve gevolgen van de maatregel met betrekking tot de minimumjeugdlonen en het onderhavige voorstel nu en over 2 jaar? Een ander argument van de Staatssecretaris is dat er nu, anders dan bij de invoering van de partiële leerplicht, geen sprake zou zijn van het doorbreken van een inkomensverwachtingspatroon. Deze leden waren echter van mening dat daarvan ook nu sprake is. Weliswaar weten de betrokkenen nu dat hun kinderen niet voor 5 dagen per week loon ontvangen, zij weten echter evenzeer dat het recht op kinderbijslag tijdens het 16e en 17e jaar wegens de partiële leerplicht blijft bestaan. Van belang voor het oordeel van deze leden over het wetsontwerp is voorts het antwoord op de vraag om hoeveel jongeren het gaat, en uit welke inkomensgroepen zij afkomstig zijn. Kan de Staatssecretaris daarover nadere mededelingen doen? Vervolgens merkten deze leden op dat het bij aanneming van dit wetsontwerp relatief aantrekkelijker zal worden om langer in het volledig dagonderwijste studeren, maartevens om van de vormingsscholen te verzuimen, ten einde toch over 5 dagen loon te beschikken. Zij hadden voorts de indruk dat het verzuim van de vormingsscholen aanzienlijk is. Bestaan hierover verdere gegevens? Kan de Regering voorts meedelen of zij van mening is of en in welke mate de hier genoemde gevolgen zich zullen voordoen? Ten slotte zouden deze leden graag een antwoord hebben op de vraag waarom is gekozen voor afschaffing van het recht op kinderbijslag en niet voor beperking van dat recht. Het was denkbaar geweest, dat gekozen was voor een gedeeltelijke afschaffing, evenredig met het aantal leerplichtdagen. Een overweging hierbij zou kunnen zijn dat het om leerp//chf gaat. Het onderwijscriterium geldt immers voor hen die ouder dan 16 jaar zijn en gebruik maken van het volledig dagonderwijs, waarbij dan het 20 uren-criterium geldt. De leden van de S.G.P.-fractie konden in het licht van de noodzaak van beperking van de groei van de uitgaven voor de sociale zekerheid instemmen met de afschaffing van het recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16534, nr. 4

kinderen. Ook de overweging dat het recht op kinderbijslag voor partieelleerplichtige kinderen niet in overeenstemming is met het geldende onderwijscriterium pleit hiervoor. Toch hadden deze leden nog wel een enkele vraag. Kan nader worden aangegeven om welke bedragen het zou gaan als gekozen zou worden voor één of andere vorm van gefaseerde afbouw van de bestaande uitkeringen? Moet niet worden gevreesd dat door de onderhavige afschaffing het niet nakomen van de onderwijs-of vormingsplicht nog verder zal toenemen? Verdient het ten slotte geen overweging het recht op kinderbijslag pas aan het eind van het lopende cursusjaar af te schaffen, ten einde een abrupte breuk in de financiële tegemoetkoming te vermijden? Als men voor deze vorm van afbouw zou kiezen, welk bedrag zou dan hiermee gemoeid zijn?

De leden van de P.P.R.-fractie meenden dat de Regering met nogal gezochte argumenten tot de hier aan de orde zijnde maatregel heeft besloten. Hierbij doelden zij er niet op dat beperkingen in de groei van de sociale uitkeringen moeten worden aangebracht, wel op het argument dat partieelleerplichtigen thans van te voren weten dat zij slechts over drie of vier dagen loon ontvangen. Door nu de kinderbijslag af te schaffen, wordt dit verwachtingspatroon volgens de Regering niet doorbroken. Met deze redenatie zijn de meest absurde maatregelen te verdedigen, doch daarmee is de maatregel als zodanig nog niette rechtvaardigen. Voor jongeren in het algemeen en partieelleerplichtigen in het bijzonder, is het razend moeilijk geworden werk, laat staan kwalitatief goed werk, te vinden. Als er één verwachtingspatroon is doorbroken, is dat wel de verwachting op het vinden van werk. Desalniettemin baseert de Regering haar voorstel op deze verwachting, die vervolgens als een absolute waarheid wordt gepresenteerd: de partieel leerplichtige weet dat hij over drie of vier dagen loon ontvangt. De partieel leerplichtige weet dat echter juist niet meer, aldus deze leden. De hier aan het woord zijnde leden ondersteunden de opmerking van de Raad van State over de wenselijkheid van een overgangsregeling. Het betreft hier een achteruitgang van het gezinsinkomen. Een plotsklapse beperking van bestaande uitkeringen behoort gelukkig niet tot het normale beleid van de overheid ten opzichte van de uitkeringsontvanger. Het argument dat de partieelleerplichtige weet waar hij aan toe is, gaat hier in ieder geval niet op. Hij kon dat niet weten. Deze leden meenden dat hier hetzelfde argument wordt gebruikt op twee geheel verschillende situaties. Zij vonden het ten slotte opvallend dat -terecht -voor alle andere inkomenspolitieke maatregelen overgangsbepalingen -de een ruimer dan de ander -worden opgezet. Doorbreking van dit uitgangspunt bij meer machtige inkomensgroepen of uitkeringsgenieters had niet plaats kunnen vinden, zonder een massaal protest daartegen. Omdat het hier om een relatief kleine ongeorganiseerde groep gaat, behoeft blijkbaar met hun belangen minder rekening te worden gehouden. Deze leden verzetten zich daartegen.

De intrekking van het recht op kinderbijslag voor partieelleerplichtige kinderen kwam de leden van de C.P.N.-fractie als bijzonder onrechtvaardig voor. Na de andere maatregelen die met betrekking tot de inkomens van jonge mensen zijn genomen -met name de verlaging van het minimumjeugdloonwordt hiermee opnieuw een belangrijke aanslag gepleegd op de koopkracht van jonge mensen en hun ouders. Bij de invoering van het recht op kinderbijslag voor de partieelleerplichtige kinderen ontstond de situatie, aldus de memorie van toelichting, dat deze kinderen niet meer over vijf dagen per week loon ontvingen. Deze leden vroegen zich af in hoeverre de compensatie hiervoor in de sfeer van de kinderbijslag zoals die daarna plaatsvond aan de loonderving tegemoet kwam. Afschaffing van de kinderbijslag nu kan naar hun mening alleen maar tot gevolg hebben dat op een andere wijze in de loonderving wordt voorzien. Deze leden drongen hier sterk op aan. Welke mogelijkheden zijn er om op een andere manier hierin te voorzien?

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16534, nr. 4

Vervolgens vroegen deze leden op welke uitkering de hierbij betrokken jongeren in geval van werkloosheid recht hebben. Hoe hoog is het percentage werkloze 16-en 17-jarigen? Ten slotte concludeerden deze leden dat voor de voorgenomen maatregel onvoldoende motieven bestaan en voerden zij aan dat een verdere aantasting van de koopkracht zal leiden tot een nog grotere werkloosheid, met name voor deze bevolkingsgroep, die al extra zwaar door de werkloosheid is getroffen.

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie. Eikerbout Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16534, nr. 4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.