Advies van de raad van state - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

Bij Kabinetsmissive van 3 december 1980, no. 7, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een wetsontwerp met memorie van toelichting tot nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen).

  • Het ontwerp strekt tot afschaffing van het recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen. In dat recht is indertijd voorzien ten einde tegemoet te komen in de vermindering van het gezinsinkomen welke optreedt als een kind door het voldoen aan de partiële leerplicht over twee dagen geen loon ontvangt. Voor het instrument van de kinderbijslag is toen gekozen in de verwachting van een verdere uitbreiding van de partiële leerplicht tot drie dagen per week, waardoor deze kinderen zouden gaan voldoen aan het onderwijscriterium dat in de Algemene Kinderbijslagwet wordt gesteld om voor kinderbijslag in aanmerking te komen. Nu aan de plannen tot uitbreiding van de partiële leerplicht geen uitvoering zal worden gegeven, aldus de toelichting, zou het recht op kinderbijslag voor de betrokken kinderen moeten worden afgeschaft.

Aan de Koningin

's-Gravenhage, 5 december 1980

De aangevoerde reden raakt evenwel alleen de houdbaarheid van het in-dertijd gekozen instrument, doch niet het doel van de onderhavige voorziening. Gelet op andere voorgenomen maatregelen -met name op de verlaging van het minimumloon voor jeugdigen -verkrijgt dat doel thans zelfs nog meer accent. De motivering van het voorstel komt de Raad dan ook onvoldoende voor. De toelichting geeft bovendien slechts aandacht aan het financiële aspect van het voorstel en gaat ten onrechte voorbij aan de vraag naar de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de gevolgen. In de toelichting dient daarom naderte worden uiteengezet waarom in het kader van de nagestreefde beperking van de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid juist deze voorziening moet worden afgeschaft. Daarbij ware ook in te gaan op de mogelijkheid van een aanpassing van het recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen aan de inmiddels gewijzigde situatie met betrekking tot de omvang van de partiële leerplicht en wel door toekenning van een recht op een gedeeltelijke kinderbijslag, bij voorbeeld naar rato van het gedeelte van de werkweek dat aan het volgen van verplicht onderwijs wordt besteed.

Met deze mogelijkheid zou bovendien in zekere mate tegemoet gekomen kunnen worden aan het bezwaar van cumulatie met nadelige gevolgen van andere nog te nemen maatregelen.

  • Het ontwerp bevat geen overgangsregeling voor de bestaande uitkeringen. Die uitkeringen zullen derhalve met ingang van de datum van in-werkingtreding van de wet komen te vervallen. De Raad wijst erop dat daarmee gebroken wordt met het tot nu toe gehanteerde uitgangspunt dat wijzigingen in de uitkeringen in neerwaartse zin bestaande aanspraken onverlet dienen te laten. Overeenkomstig dat uitgangspunt is bij voorbeeld nog onlangs gehandeld bij gelegenheid van de halvering van de kinderbijslag voor 1-3-jarigen. Eerbiediging van bestaande aanspraken lag ook met betrekking tot het onderhavige voorstel aanvankelijk in het voornemen van de Regering, zoals blijkt uit de adviesaanvrage aan de SER van 31 maart 1980 over de structuur van de kinderbijslag. De Raad betreurt het dat aan dit voornemen geen uitvoering is gegeven. Hij is van oordeel dat voor die partieel leerplichtige kinderen voor wie reeds recht op kinderbijslag bestaat dat recht voor de verdere duur van hun leerplichtigheid behouden behoort te blijven opdat een onvoorziene terugval

Tweede Kamerzitting 1980-1981, 16534, A-C

van het gezinsinkomen wordt voorkomen. Mocht het achterwege laten van een dergelijke overgangsregeling met betrekking tot de bestaande uitkeringen een onontkoombare beleidsdoelstelling zijn waarbij het financiële aspect prevaleert, dan ware zulks in de toelichting gemotiveerd te vermelden. De Raad geeft voor dat geval in overweging om, voor zover mogelijk, althans te voorzien in een gefaseerde afbouw van de bestaande uitkeringen.

De Raad van State geeft U in overweging het wetsontwerp te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State, W. Scholten Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16534, A-C

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.