Memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

, Stb. 753, is het recht op kinderbijslag geopend voor partieel leerplichtige kinderen. Deze kinderen voldeden echter niet aan het voor het recht op kinderbijslag geldende onderwijscriterium. Immers de voor werkzaamheden beschikbare tijd van die kinderen werd niet voor meer dan de helft in beslag genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding. Toch is destijds gekozen voor de kinderbijslag als instrument om een tegemoetkomingsregeling voor deze kinderen te realiseren. De reden voor de keuze van kinderbijslag als in-strument was gelegen in de destijds bestaande verwachting, dat te zijner tijd na uitbreiding van de partiële leerplicht tot drie dagen per week wel aan het onderwijscriterium zou worden voldaan. Bij de invoering van het recht op kinderbijslag voor deze kinderen was er in veel gevallen sprake van een directe achteruitgang in het gezinsinkomen. Immers het was toen voor partieel leerplichtige kinderen niet meer mogelijk om over vijf dagen per week loon te ontvangen. Gezien de plannen welke er destijds ten aanzien van de partiële leerplicht bestonden, werd gekozen voor een tijdelijke voorziening in het kader van de kinderbijslagwet. Nu deze verwachte ontwikkeling zich niet heeft doorgezet is er naar mijn mening geen reden om de regeling in het kader van de kinderbijslagwet voort te zetten. Rest de vraag of op andere wijze in de loonderving van partieel leerplichte kinderen over niet gewerkte dagen moet worden voorzien. Naar mijn mening dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. In tegenstelling tot destijds wordt nu niet over een minder aantal dagen loon ontvangen. Een partieel leerplichtige weet thans van tevoren, dat hij slecht over drie of vier dagen loon ontvangt. Van een doorbreken van dit verwachtingspatroon is nu geen sprake. Hierbij moge ik nog opmerken, dat in het kader van de voorgenomen herziening van de minimumjeugdlonen een overgangsregeling is voorgesteld op grond waarvan voor de betrokkenen geen directe achteruitgang in het loon zal optreden. Gesteld voor de dwingende noodzaak om in de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid beperkingen aan te brengen, heeft het Kabinet voor de hierbedoelde maatregel doen besluiten. Daarbij is mede een overweging geweest, dat de hierbedoelde kinderen in alle gevallen meer aan loon ontvangen dan voor studerende kinderen in dezelfde leeftijdscategorie aan kinderbijslag wordt genoten.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16534, nrs. 1-3

Voorts merk ik nog op, dat sinds de adviesaanvraag aan de SER van 31 maart 1980 over de structuur van de kinderbijslag de sociaal-economische omstandigheden danig verslechterd zijn. Hierdoor is de noodzaak tot beperking van de groei van de uitgaven voor de sociale zekerheid zodanig klenv mend geworden, dat de Regering van het in die adviesaanvraag neergeleg-de voornemen om de afschaffing van het recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtigen slechts voor nieuwe gevallen te doen gelden, heeft moeten afzien. Zoals reeds eerder in deze memorie is opgemerkt, is daarbij mede een overweging geweest dat ook zonder recht op kinderbijslag de financiële positie van deze kinderen aanmerkelijk beter is dan van studerende kinderen in dezelfde leeftijdscategorie.

  • In zijn advies van 21 november 1980 over de beperking van de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid heeft de Sociaal-Economische Raad (SER) ook over dit voornemen advies uitgebracht. Uit dit advies blijkt, dat een deel van de raad zich met dit voorstel kan verenigen. Een ander deel van de raad kan echter niet met dit voorstel instemmen. Dit deel van de raad erkent wel, dat het recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtige kinderen niet in overeenstemming is met het geldende onderwijscriterium. Naar het voordeel van dit deel van de raad mag niet uit het oog worden verloren, dat het recht op kinderbijslag is toegekend in de verwachting, dat de partiële leerplicht zou uitgroeien tot een volledige leerplicht. Dat deze uitgroei niet wordt geëffectueerd kan de partieel leerplichtigen niet worden verweten. Daarom is het naar het oordeel van dit deel van de raad niet rechtvaardig, dat (de ouders van) de partieel leerplichtigen hiervan de financiële gevolgen moeten dragen. Het spreekt vanzelf, dat het achterwege blijven van de verdere ontwikkeling van de partiële leerplicht noch aan deze kinderen noch aan hun ouders kan worden verweten. Dit mag echter naar mijn oordeel geen reden zijn om een oneigenlijk element in de AKW te laten voortbestaan. Vervolgens wijst dit deel van de raad nog op het cumulatief effect van de voorgenomen maatregelen voor de groep van jeugdige werknemers. Ook op dit punt ben ik van mening, dat cumulatie van effecten in de inkomenssfeer geen reden is om een oneigenlijk element in de kinderbijslag te handhaven. De opbrengst van de hier voorgestelde maatregel bedraagt ca. f 30 min. per jaar.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16534, nrs. 1-3

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.