De behandeling van het wetsontwerp Wijziging van de Wet Sociale Werkvoorziening - Handelingen Tweede Kamer 1980-1981 11 maart 1981 orde 3

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Wijziging van de Wet Sociale Werkvoorziening (16429) en van de motie-Knol over aanwending van de financiële opbrengsten voor werkgelegenheidsbevorderende maatregelen binnen de WSV (16527, nr. 11). De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

E.K. (Elida)  TuinstraMevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie heeft haar twijfels over dit wetsontwerp. Zij stemt weliswaar volledig in met de eerste doelstelling van dit wetsontwerp, namelijk vereenvoudiging van het financieringsstelsel van de sociale werkvoorziening, maar er komen anderezaken bij. Het thans geldende meerkanalige rijksvergoedingensysteem, waarin een groot aantal kostencategorieën worden onderscheiden, is inderdaad een ondoorzichtig en onevenwichtig geheel. Het geïntroduceerde stelsel waarbij slechts sprake is van twee componenten, namelijk een primaire vergoeding van 100% van de loonkosten en een aanvullende vergoeding tot 80% van daarvoor in aanmerking komende elementen van een resterend exploitatietekort is een verbetering. Het is eenvoudiger, beter hanteerbaar en geeft duidelijk aan hoe de financiële verhoudingen liggen. Ook het uitgangspunt dat de overgang naar het nieuwe stelsel van vergoedingen geen verzwaring van de financiële lasten voor het Rijk of de gemeenten met zich mag brengen, kunnen wij min of meer onderschrijven. In dat kader past de overgangsregeling van artikel III waardoor de gemeententot 1986 een aanvullende tegemoetkoming kunnen ontvangen wegens eventuele nadelige gevolgen van de voorgestelde regeling, een nadelig effect dat nog altijd landelijk f 1,5 miljoen op jaarbasis zal bedragen. De bewindsman noemt het waarschijnlijk dat dit effect eenmalig zal zijn en in vijf jaar wel zal zijn weggewerkt. Gezien de toenemende werkloosheid en het wegvallen van een aantal additionele werkobjecten zijn wij daar nog niet zo zeker van. Wij begrijpen nog steeds niet hoe gemeenten, die buiten hun toedoen te maken zullen krijgen met ongunstige factoren, zoals hoge vervoerskosten, hun tekorten zullen moeten aanvullen. Daarom vragen wij de bewindsman nog eens duidelijk uiteen te zetten, hoe hij denkt deze tekorten te kunnen opvangen en waarom hij geen structurele voorzieningen daarvoor wil treffen. Stemmen wij dus, op het laatste vraagpunt na, in met de vereenvoudiging van het financieringsstelsel, minder tevreden is mijn fractie over de uitwerking van de overige twee doelstellingen van dit wetsontwerp, namelijk vergroting van de mogelijkheden van kostenbeïnvloeding en het streven naar een eenduidig beleid inzake de aanwijzing van werkobjecten zonder geldelijke opbrengst (de zogenaamde additionele werkobjecten). Nu het Rijk het overgrote deel van de kosten op zich gaat nemen wil het ook meer beïnvloedingsmogelijkheden; dat is enerzijds begrijpelijk. Wie ergens een hoop geld in stopt, wil graag weten wat er mee gebeurt en dus een vinger aan de pols houden. De voorstellen gaan echter zo ver dat de vinger meer een ijzeren wurggreep wordt. De stringent geformuleerde artikelen in hoofdstuk VII, de nieuwe bevoogdende positie van de rijksconsulent en de strengere criteria waaraan een additioneel werkobject zal moeten voldoen, maken het gemeentebeleid minder flexibel, rigide van karakter met minder plaatsingsmogelijkheden voor gehandicapten. De eigen beleidsruimte van de gemeente-of schapsbe-Tweede Kamer 11 maart 1981

Pensioenwetgeving Sociale werkvoorziening

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66) sturen wordt dus flink beperkt. Dit staat op gespannen voet met zowel het huidige decentralisatiestreven van de Regering als met de oorspronkelijke opzet van deze wet. Immers, bij de totstandkoming van de huidige wet sociale werkvoorziening in 1967 is doelbewust gekozen voor een gedecentraliseerde wetsuitvoering. Artikel 7 legt gemeentebesturen een bevorderingplicht op om naar beste vermogen er zorg voor te dragen dat alle personen die voor aangepaste arbeid in het kader van de sociale werkvoorziening in aanmerking komen, ook de gelegenheid krijgen om overeenkomstig de bepalingen van deze wet te arbeiden. Zo richten de gemeentebesturen de werkverbanden op, stellen het personeel aan, dragen zorg voor voldoende, continue en gedifferentieerde werkvoorraad enz. Kortom, de concrete invulling van het beleid ligt bij de gemeenten en daarin worden zij door voorstellen in dit ontwerp aardig in de wielen gereden. Het zijn voorstellen, waarvan wij niet anders kunnen concluderen dan dat zij centralistische tendensen bevatten. Dit blijkt ook uit de reactie van de Staatssecretaris op blz. 8 van de memorie van antwoord op ons voorstel, te onderzoeken in hoeverre de sociale werkvoorzieningstaken naar het provinciale niveau kunnen worden gedecentraliseerd. Via de weg van de binnenprovinciale decentralisatie kan dan de uitvoering eerder naar de basis gebracht worden, bij voorbeeld door het instellen van provinciale of regionale bestuurscommissies, multifunctioneel van samenstelling, die dan tevens de werkverbanden kunnen beneren. Een voordeel hiervan is, dat hierdoor verschillende sectoren van het gehandicaptenbeleid beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Ook de rijksconsulent zou dan voortaan omder provinciaal bestuur vallen. Ik acht dit een voor de hand liggende mogelijkheid tot decentralisatie. De belangrijkste knelpunten van dit ontwerp zijn de grotere invloed van de reeds genoemde rijksconsulent en de strengere criteria ten aanzien van de additionele werkobjecten. Wat betreft de rijksconsulent bepaalt artikel 42b, lid 2, dat de gemeente voortaan ten aanzien van belangrijke uitgaven op het gebied van investeringen of van voorzieningen in staf en hoger personeel voorafgaand schriftelijk advies van de rijksconsulent moet inwinnen. Bij dit artikel doemen een aantal vragen op, waarover ook de schriftelijke voorbereiding weinig opheldering verschafte. Uit die schriftelijke voorbereiding bleek dat deze procedure al langer bestaat op aandrang van het departement. Hoe de gemeenten en werkobjecten hierover denken, is blijkbaar nog weinig getoetst. Wat belangrijke uitgaven zouden zijn, heeft de Staatssecretaris enigszins toegelicht in de memorie van antwoord. Het blijft echter een vaag begrip, wat moeilijk te toetsen valt.

Veel erger is echter de tot tweemaal toe herhaalde opmerking dat er financiële consequenties voor de gemeenten ontstaan wanneer de besluitvorming tot een van het advies van de consulent afwijkende beslissing heeft geleid. Met andere woorden: niet alleen is het inwinnen van het advies verplicht, het advies is in feite ook bindend. Dit lijkt ons een forse inbreuk op de eigen verantwoordelijkheid en eigen beleidsruimte van de gemeentebesturen bij de uitvoering van de WSW. Ten minste zou toch advies gevraagd moeten worden aan de bestaande adviesorganen op dit terrein, zoals het Provinciaal Orgaan Revalidatie en het Provinciaal Overleg Zwakzinnigen. Mijn fractie heeft hierover dan ook een amendement ingediend. Teleurgesteld is mijn fractie over het feit, dat de Regering de strengere criteria, waaraan een additioneel werkobject zal moeten voldoen, krachtens het nieuwe artikel 13, wil handhaven. Aangezien wij nu niet de hele discussie, die hierover in de schriftelijke voorbereiding valt te lezen, willen herhalen, zal ik kort zijn. Wij menen dat de criteria zó streng geformuleerd zijn, dat er weinig niet-batenopleverde objecten over zullen blijven. Met name artikel 13, lid 3, onder c, bepalend dat de werkzaamheden niet mogen behoren tot de taken die de onder b. behorende rechtspersonen in elk geval behoren te verrichten, lijkt ons moeilijk controleerbaar en hanteerbaar. Wie maakt dat uit en wat zijn de criteria? Dit is een trieste zaak voor mensen, die het in de maatschappij tóch al moeilijker hebben vanwege een handicap. Werk is voor hen zeer belangrijk. Het kan immers een verbetering van hun toestand opleveren en geeft hun de mogelijkheid, door te stromen naar het gewone bedrijfsleven. Bovendien gaat het hier in feite om een kleine groep mensen; + 20% ofte wel 15.000 mensen zouden volgens de memorie van antwoord werkzaam zijn in niet-baten opleverende objecten. Dit zal waarschijnlijk door het wegvallen van deze mensen niet meer verricht worden. Hun aantal neemt bovendien af. Daarnaast staat ook déze bepaling op gespannen voet met de bevorderingsplicht van gemeentebesturen krachtens artikel 7. Met name in de gebieden waar structurele werkloosheid heerst, zullen gemeentebesturen ernstig in de problemen komen. Daarom geeft mijn fractie de voorkeur aan het wijzigingsvoorstel inzake artikel 13, lid 3, van de VNG, dat wij in een amendement hebben verwoord. Wij geven toe dat ook dit voorstel niet perfect is. Het voorkomt echter wél het wegvallen

van een groot aantal werkobjecten, die met name in het noorden des lands aan een grote behoefte voldoen. Mijnheer de Voorzitter! Tot slot heeft mijn fractie er goede nota van genomen dat een departementale werkgroep bezit is, te onderzoeken op welke wijze en onder welke voorwaarden deeltijdarbeid in de WSW zou kunnen worden ingevoerd. Gaarne verneem ik van de bewindsman of bij dit onderzoek ook niet-ambtenaren betrokken worden, zoals vertegenwoordigers van de werkverbanden, en of dit onderzoek ook aan een tijdslimiet is gebonden. Eveneens teleurgesteld is mijn fractie over de reactie van de Staatssecretaris over het betuttelend karakter van het zonder machtiging inhouden van gelden in het kader van de AWBZ. Begrijpt de Regering dan niet dat dit volkomen uit de tijd is? Juist de eigen verantwoordelijkheid van de WSW-werknemer staat in deze tijd toch centraal. Het argument uit de memorie van antwoord dat dit voor geestelijk gehandicapten wellicht moeilijk is kunnen wij begrijpen, maar het is natuurlijk volkomen onjuist, een criterium dat je voor een bepaalde categorie geestelijk gehandicapten zou kunnen aanleggen voor alle groepen werknemers te doen gelden. Wij vinden deze zaak zo ernstig, dat wij hierover een motie willen indienen.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Wessel-Tuinstra wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat krachtens artikel 23a WSW het gemeentebestuur bevoegd is, bijdragen die een werknemer verschuldigd is voor bepaalde voorzieningen in het kader van de AWBZ in te houden op diens loon; overwegende, dat krachtens artikel 23a WSW deze inhouding zonder machtiging van de werknemer geschiedt; overwegende, dat een dergelijke bevoogdende bepaling niet meer past in een tijd van eigen verantwoordelijkheid van ieder individu;

verzoekt de Regering, te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is inhoudingen op het loon krachtens dit artikel voortaan met machtiging van de betrokkenen te doen geschieden, en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 13(16429).

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik concludeer. Mijn fractie heeft geprobeerd nog enkele verbeteringen in dit zwakke wetsontwerp aan te brengen. Wij blijven er echter zeer kritisch tegenover staan. Het centraliseert wel en democratiseert niet. Het bezuinigt, maar brengt geen herstructurering aan. Het dient de WSW-werknemer niet. Het zal mij dan ook moeite kosten, mijn fractie tot een positief oordeel over dit wetsontwerp te bewegen. Wij wachten het antwoord van de Regering af.

©

H. (Henk)  KnolDe heer Knol (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Het wetsontwerp Wijziging Wet Sociale Werkvoorziening dat wij thans bespreken is overal niet direct met instemming ontvangen, niet in het land, en niet in deze Kamer. Op zich zelf is dat niet zo verwonderlijk, omdat er nogal wat spanningsvelden in de WSW liggen opgesloten. Het voornaamste spannningsveld wordt beheerst door het Rijk en de gemeenten. De wijzigingsvoorstellen zijn voor namelijk van administratieve aard, doch kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor het functioneren van de WSW, waarmee ik bedoel te zeggen, dat de doelstelling van de WSW kan worden aangetast.

Deze vrees houdt in het land onder andere ook de VNG en de NOSW bezig. In een hoorzitting, welke de vaste Commissie voor Sociale Zaken heeft belegd kwam dit duidelijk naar voren. Tijdens de schriftelijke voorbereiding bleek, dat bij voorbeeld de fractie van het CDA nogal wat vraagtekens plaatste bij een aantal onderdelen van het wetsontwerp. Dit betrof voornamelijk de voorstellen met betrekking tot de niet-baten opleverende objecten en het voorafgaand schriftelijk advies van de rijksconsulent. Ook de andere regeringspartij, de VVD, toonde zich niet helemaal gerust over de eventuele gevolgen van de wetswijziging voor de werkgelegenheid binnen de WSW. Deze fractie wees er in het voorlopig verslag op, dat door een te verwachten risicomijdend beleid ten aanzien van de additionele objecten arbeidsplaatsen zouden wegvallen en dat ten aanzien van het kunnen aantrekken van baten opleverende objecten geen grote verwachtingen mogen bestaan. Mijn fractie, dat is bekend, heeft het wetsontwerp met gemengde gevoelens ontvangen. En ik moet zeggen, dat wij er nog zeer sceptisch tegenover staan. Uit het eindverslag bleek ons, dat de fractie van het CDA met voldoening kennis had genomen van het feit, dat de thans voorgestelde wetswijziging het karakter en de doelstelling van de WSW onverlet zal laten. Ook verklaarde zij, dat haar vrees voor een mogelijke aantasting van de eigen be-

leidsruimte van de gemeentebesturen in belangrijke mate was weggenomen. Ik begrijp niet hoe de fractie van het CDA zo stellig overtuigd is van het onverlet laten van de doelstelling van de WSW.

De heer Hermsen (CDA): Dat kan het resultaat zijn van het gemeen overleg tijdens de schriftelijke voorbereiding.

De heer Knol (PvdA): Dat blijkt niet duidelijk uit de antwoorden van de Staatssecretaris, maar ik kom hier nog wel op terug. Ik vind de houding van de VVD-fractie beter. Zij behield, evenals wij, haar twijfels. Naar onze mening loopt de doelstelling van de WSW wel degelijk gevaar. Deze doelstelling wordt in de considerans van de WSW goed weergegeven en vindt haar uitwerking in artikel 7, lid 1, van de wet. Mijnheer de Voorzitter! De gemeentebesturen kunnen artikel 7 van de wet alleen dan uitvoeren wanneer zij over de benodigde middelen beschikken. Zij verkeren in de positie dat zij geen invloed kunnen uitoefenen op de omvang van het bestand potentiële WSW-werknemers. Evenmin kunnen zij, althans in voldoende mate, hun eigen inkomsten bepalen. Ik kom hier nog nader over te spreken. Eerst wil ik nog eens even terugblikken in het verleden. Toen in 1969 de huidige WSW de tot dan bestaande regelingen, te weten de GSW en de SWH-regeling, verving, was dat een goede zaak. Het geheel van de sociale werkvoorziening werd wettelijk geregeld. Er kwam een aantal uitvoeringsbesluiten en de te verrichten werkzaamheden kregen een volwaardiger karakter. De rijksconsulenten waren druk doende de gemeentebesturen te adviseren bij de opzet van werkverbanden en de keuze van de objecten. Ingevolge artikel 17 van het Besluit Organisatie Sociale werkvoorziening moest een werkobject in een economische of maatschappelijke behoefte voorzien. Onderscheid kon worden gemaakt in baten opleverende en niet-baten opleverende objecten. Het verschil tussen deze twee soorten objecten in de zin van het subsidiabel zijn bedroeg 5%. Dit, en het vaak niet voorhanden zijn van baten opleverende objecten bracht met zich mee, dat met medeweten van en heel vaak ook op aandringen van de rijksconsulenten objecten, welke wellicht als baten opleverend zouden moeten worden beschouwd, het etiket van niet-baten opleverend kregen opgeplakt. Het beleid op dit punt was ook niet eenduidig en verschilde van provincie tot provincie; het was maar net hoe de rijksconsulent er tegen aankeek. De Staatssecretaris probeert nu in de wet een omschrijving te geven van de omstandigheden waaronder een werkobject als niet-baten opleverend mag worden aangemerkt. In feite gelden deze criteria thans ook; wettelijk vastgelegd zijn zij niet. Ik denk ook niet, dat wij de Staatssecretaris moeten verwijten, dat hij deze poging onderneemt, in tegendeel. Ech-ter, veel duidelijkheid verschaft hij niet. Onze vraag welke soort van werkobjecten niet meer als additioneel zullen worden aangemerkt, wordt door hem tot twee keer toe niet beantwoord. En dat is spijtig. Een werkobject moet, wil het als additioneel worden aangemerkt, werkzaamheden omvatten, welke zonder die aanwijzing niet tot uitvoering zouden komen en tevens mogen de werkzaamheden niet behoren tot de taken, die de betrokken rechtspersonen in elk geval behoort te verrichten. Hoe verhoudt zich dit met het in artikel 17 van het door mij zoeven genoemde Besluit Organisatie Sociale Werkvoorziening? Wil de Staatssecretaris aangeven wat precies het verschil is tussen het in genoemd artikel 17 gestelde en zijn voorstellen? Kan hij voorbeelden noemen van werkobjecten, welke volgens artikel 17 wel aanvaardbaar zijn als niet-baten opleverend en welke volgens zijn richtlijnen, wellicht straks in de wet neergelegd, een ander lot beschoren wordt? Laat ik eens een voorbeeld nemen van een functie, zoals die in de bijlage van de wet wordt omschreven, n.l, bewaker van een zonneweide van een zwembad. Kun je nou zeggen, dat deze functie zonder aanwijzing als niet baten opleverend object, niet zou worden vervuld? Antwoord kan, naar mijn mening, zijn ja of neen. Ja, indien de voor het beheer van het zwembad verantwoordelijke instantie niet over voldoende financiële middelen beschikt, neen, indien het laatste wel het geval is. Hoe beantwoordt de Staatssecretaris deze vraag? Aannemende, dat het een zwembad is, dat in het kader van de aanvullende werken tot stand is gekomen, en de exploitatielasten als een loden last op de begroting van een gemeente drukken, wordt met dit feit dan rekening gehouden of niet? Behoort nu de taak van het bewaken van die zonneweide tot de taken, welke de beheerder van het zwembad in ieder geval behoort te verrichten of niet? Ik kan me voorstellen, dat sommigen zeggen: wel neen, als er maar voor zorg gedragen wordt, dat er voldoende zuiver water in het bad aanwezig is, dan is het bewaken van de zonneweide een bijkomende niet noodzakelijke aangelegenheid. Anderen daarentegen kunnen met evenveel recht van spreken betogen dat deze taak wel degelijk tot de eigen taken behoort. Men ziet hoe verschillend men zou kunnen oordelen over deze functie. Toch is het van essentieel belang te weten hoe op dit punt over een dergelijke functie wordt geoordeeld. Als nu eens komt vast te staan dat de inhoud van deze functie wel degelijk tot het eigen takenpakket van de beheerder van het zwembad behoort, dan kan dit werkobject niet als additioneel bestempeld worden, hetgeen betekent dat voor de daar geplaatste WSW-werknemer andere werkzaamheden zullen moeten worden gezocht. Lukt dit niet dan dreigt ontslag. Er zit ook nog een andere kant aan deze voorwaarde van het wel of niet tot het eigen takenpakket behoren van de functie. Behoort de functie tot het eigen takenpakket, dan behoort de functie tot de formatieplaatsen van de beherende instantie en dan beïnvloedt de betrokken WSW-werknemer de werkgelegenheid van andere dan de in het werkverband werkzame personen. Voor de hand zou dan liggen dat de betrokken WSW-werknemer doorstroomt en door de beheerder van het zwembad in dienst zou worden genomen. In de gevallen waar dit voor de hand zou liggen, duiken echter weer twee problemen op. In de eerste plaats moet de betrokken WSW-er als het ware geruisloos doortstromen of moet hij in een open sollicitatieprocedure meedingen naar de formatieplaats. In de tweede plaats is er het probleem van de medische keuring van het ABP. De Staatssecretaris heeft herhaaldelijk toegezegd de drempel, die daarbij wordt opgeworpen, door het ABP samen met de Minister van Binnenlandse Zaken te zullen wegnemen. Tot op heden is dit echter nog steeds niet gerealiseerd. Hoe zit dat? Dit alles overziend doet mij de conclusie trekken dat aannemen van het wetsontwerp op dit punt de werkgelegenheid binnen de WSW behoorlijk op de tocht kan zetten. Nu hebben wij tijdens de schriftelijke voorbereiding gevraagd wat het kost als je geen onderscheid meer maakt tussen wel en niet baten opleverende objecten. Met andere woorden: zou het geenverschilmeeraanbrengen tussen beide soorten werkobjecten uiteindelijk niet een positief financieel resultaat opleveren?

Het creëren van vervangende werkzaamheden kost immers ook geld en WSW-werknemers terug verwijzen naar de sociale uitkeringen is ook geen goedkope aangelegenheid. Dit zelfde geldt uiteraard ook voor hen die aangewezen zijn op arbeid binnen de WSW en daar als gevolg van de voorwaarden van de Staatssecretaris niet kunnen worden geplaatst. De Staatssecretaris was het met onze gedachten op dit punt niet eens. Mijnheer de Voorzitter! Ik heb niet de wijsheid in pacht om te zeggen dat wij gelijk hebben en ik onderken ook wel de problemen welke kunnen ontstaan wanneer er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen wel en geen opbrengst opleverende objecten. Het gevaar dat gemeentebesturen een oneigenlijk gebruik van zo'n situatie zouden gaan maken is niet denkbeeldig maar dat gebeurt dan wel in uiterste nood en dat heeft dan ook weer direct te maken met ten eerste een veelal in het verleden met behulp van ook de rijksconsulenten, ontstane praktijk en in de tweede plaats met enerzijds de dure plicht van gemeentebesturen hun opgelegd via artikel 7 van de wet en anderzijds de vaak benarde financiële situatie waarin de gemeenten door de niets ontziende bezuinigingsdruk van de Regering zijn gebracht. Onze opstelling ten aanzien van de voorwaarden die de Staatssecretaris met betrekking tot het wel of niet toelaten van niet baten opleverende objecten zal zijn dat wij in beginsel de voorwaarden wel kunnen onderschrijven wanneer we onder normale omstandigheden verkeerden. Dat wil zeggen, wanneer gemeentebesturen in staat waren of voor een bepaald werkobject de nodige betalingen te verrichten dan wel in staat waren vervangende werkobjecten te creëren. Dat dit voor de meeste gemeentebesturen een onmogelijke opgave zal blijken te zijn, doet ons vrezen dat de doelstelling van de WSW in bijzonder groot gevaar komt. Dat is voor ons aanvaardbaar. De Staatssecretaris heeft in de nota naar aanleiding van het eindverslag medegedeeld dat hij in daarvoor in aanmerking komende gevallen geleidelijkheid in acht wil nemen bij het verlangen van een adequate geldelijke opbrengst. Dat voor het toegroeien naar een aanvaardbare geldelijke vergoeding voor daarvoor in aanmerking komende werkobjecten een periode van maximaal 5 jaar zou kunnen gelden, ontmoette bij hem geen gezwaar.

Hij was echter niet bereid, deze toezegging in formele regels vast te leggen. Waarom eigenlijk niet? Wanneer de Regering meent de eisen die aan werkobjecten kunnen worden gesteld en die in artikel 17 van het reeds eerder door mij aangehaalde besluit zijn neergelegd, verscherpt in de wet te moeten opnemen, dan vermag ik niet in te zien waarom in de wet geen uitzonderingsbepaling wordt opgenomen voor die gevallen waarin een gemeentebestuur absoluut niet in staat zal zijn, te voldoen aan het in artikel 7 vun de wet gestelde, als gevolg waar-van de doelstelling van de WSW wordt aangetast. Mijnheer de Voorzitter! Tijdens de OCV over de Wet sociale werkvoorziening, gehouden op 19 juni 1978, is uitvoerig de doelstelling van de WSW besproken. Naast de formeel in de wet vastgelegde omschrijving van de doelstelling werd ook de omschrijving die in de memorie van toelichting was neergelegd, aangehaald. Deze luidde als volgt: ' De WSW is erop gericht, voor de gehandicapte mens ruimere mogelijkheden te scheppen voor levensontplooiing, zijn maatschappelijke kansen te verbeteren en bij te dragen aan de voor hem noodzakelijke gezondheidsvoorwaarden'. Dit is essentieel, want het betekent niets meer en niets minder dat dat er voor gezorgd dient te worden dat de achterstand die de gehandicapte mens heeft, wordt ingehaald; pas dan wordt hij of zij geacht in staat te zijn, gelijk anderen, zich in de huidige maatschappij te handhaven en ook tegenslagen zoals het werkloos zijn te verwerken en bovendien gelijke kansen te hebben op de arbeidsmarkt. Worden dus om welke redenen dan ook WSW-werknemers ontslagen of kunnen potentiële WSW-werknemers niet geplaatst worden, dan heeft in feite de wet gefaald. Tijdens het vorige week gehouden debatje over het WW/WSW-wetsontwerp gaf de Staatssecretaris aan dat hij geen ontslagen binnen de WSW vreesde. Waarom niet? Ik zal dat hier in herinnering roepen. Hij betoogde dat er een jaarlijks verloop van ongeveer 15% bestond. De groei zou hij verder afremmen, dus werkgelegenheid binnen de WSW is gewaarborgd, aldus de Staatssecretaris. Aanneming van de door mij ingediende motie om de voordelen voor het Rijk die voortvloeien uit het WW/WSW-wetje, als additioneel op het budget voor de WSW te plaatsen, ten einde een reserve te hebben voor werkgelegenheidsbevorderende maatregelen binnen de WSW, werd door hem sterk ontraden. Beseft deze Staatssecretaris en met hem de Minister van Sociale Zaken wel dat zo'n opstelling allen maar uitgelegd kan worden als meer oog te hebben voor de Minister van Financiën dan voor de belangen van de medemensen die ingevolge wettelijke bepalingen recht hebben op het behartigen van hun belangen door deze bewindslieden Op deze manier bezuinigen op de WSW is geen echte bezuiniging, het lijkt alleen maar zo.

De heer De Voogd (VVD): Welke criteria denkt de heer Knol daarbij aan te leggen? Hij beschikt in zijn filosofie over een bepaalde pot, die verdeeld moet worden. Heeft hij voor ogen, hoe die verdeling tot stand zou moeten komen?

De heer Knol (PvdA): De heer De Voogd bedoelt waarschijnlijk de wijze van verdeling over de werkverbanden. Ik kan natuurlijk niet precies aangeven, in welke gevallen een werkverband in aanmerking zou komen, maar ik kan me wel voorstellen dat met name een werkverband met voornamelijk één-soortige werkzaamheden, waarvan de orderportefeuille sterk slinkt, uit deze pot wordt gesteund. Ik neem aan dat de heer De Voogd het ermee eens is, dat zo'n aanvullende bijdrage op een gegeven moment echt nodig kan zijn.

De heer De Voogd (VVD): We zijn er natuurlijk niet met de constatering dat zo'n bijdrage nodig zou kunnen zijn. Het probleem is dat de beperking van de hoogte van het beschikbare bedrag noopt tot het opstellen van criteria. Anders ontstaat een ongelijke verdeling tussen de objecten.

De heer Knol (PvdA): De heer De Voogd gaat er nu van uit, dat als er ex-tra maatregelen moeten worden genomen om de gemeenten in staat te stellen, aan hun verplichtingen te blijven voldoen, alleen dit potje aangesproken zou mogen worden. Als dat potje niet toereikend is, dan moeten extra middelen uit de normale begroting beschikbaar worden gesteld. De Staatssecretaris is uiteindelijk verantwoordelijk voor het goed functioneren van de WSW. De Staatssecretaris wil de instroom beperken; ik zei dat zoeven reeds. Hij geeft daarbij zelfs het percentage aan waarmee het WSW-bestand jaarlijks mag groeien. Zo'n eis is per definitie niet te stellen, tenzij je willens en wetens de doelstelling van de wet naast je neerlegt. De gemeentebesturen -ik herhaal dat -hebben de bevorderings-

plicht ten opzichte van al diegenen die aan de toelatingscriteria voldoen. De oorzaken die maken dat mensen aan de toelatingscriteria voldoen zijn gelegen buiten de WSW. De gemeentebesturen kunnen daar op geen enkele manier invloed op uitoefenen. In de eerste plaats komen een groot aantal personen via de WWV terecht in de WSW. In artikel 14, eerste lid, van de WWV wordt onder 'j' bepaald dat iemand die een uitkering geniet ingevolge de WWV, van deze uitkering wordt uitgesloten indien hij een voor hem gewenst dienstverband ingevolge een door Onze Minister aangevoer-de sociale werkvoorzieningsregeling afwijst. Wij hebben bij herhaling betoogd dat artikel 14 op dit punt gewijzigd dient te worden. Nu is de mogelijkheid aanwezig, op die manier mensen in de WSW te lozen op grond van hun werkloos zijn. Dit achten wij onjuist. In de tweede plaats is het zo dat de steeds toenemende ongewisheid welke mensen bezitten met betrekking tot het behoud van hun arbeidsplaats ertoe leidt dat zij via ziekteverzuim en WAO potentiële WSW-ers worden. Ook de arbeidsomstandigheden bij diverse bedrijven maken dat mensen gaan voldoen aan de toelatingscriteria van de WSW. Er is op de arbeidsmarkt een situatie ontstaan waardoor alleen de 'besten' een kans maken. Kort en goed, ik kan niet anders zien dan dat het aantal potentiële WSW-werknemers zal gaan toenemen. Er zijn met betrekking tot beperking van de instroom in de WSW een aantal mogelijkheden en wel de volgende: a. de toelatingscriteria worden aangescherpt; b. de toelatingscriteria worden stringenter toegepast; c. de oorzaken, buiten de WSW gelegen en door mij opgesomd, worden bestreden. Wij geven voorkeur aan een aanpak welke in eerste instantie de externe oorzaken aanpakt. Wij denken daarbij ook aan een spoedig in werking treden van een gewijzigde wet plaatsing minder validen. Indien de toelatingscriteria zouden kunnen worden aangescherpt in die zin dat zij, die ingevolge de strekking van de WSW op beschutte arbeid zijn aangewezen, daarvoor ook in aanmerking kunnen blijven komen, dan zal dat van oize kant niet op bezwaren stuiten. Dit geldt onder dezelfde voorwaarden ook voor een stringenter toepassen van de toelatingscriteria.

Samenvattend merk ik het volgende op. Wij hebben in Nederland te maken met een groeiend aantal mensen dat ingevolge bij hen gelegen factoren in aanmerking komt voor een dienstverband binnen de WSW. De Staatssecretaris is belast met de uitvoering van de wet. Zijn beleid dient erop gericht te zijn dat potentiële WSW-werknemers ook daadwerkelijk een dienstverband kan worden aangeboden. In geen geval kan hij eisen stellen ten aanzien van de procentuele groei van het WSW-bestand, iets wat hij wèl doet. Ik wil dan ook over het ter zake door de Staatssecretaris gevoerde beleid gaarne een uitspraak van de Kamer hebben en dien hierbij een daartoe strekkende motie in.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Knol wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende dat steeds meer mensen tengevolge van bij hen gelegen factoren op arbeid in WSW-verband zijn aangewezen; constaterende, dat gemeentebesturen bevorderen dat personen, die tot arbeid in staat zijn, doch voor wie, in belangrijke mate tengevolge van bij hen gelegen factoren, gelegenheid om onder normale omstandigheden arbeid te verrichten niet of voorshands niet aanwezig is, krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening in dienst worden genomen om onder aangepaste omstandigheden tegen loon arbeid te verrichten; overwegende, dat het beleid van de Staatssecretaris erop gericht dient te zijn zulks mogelijk te maken; constaterende, dat de Staatssecretaris de instroom in de WSW wil afremmen door een limiet aan het jaarlijkse groeipercentage van het WSW-bestand te stellen; van oordeel, dat het stellen van een limiet aan het jaarlijkse groeipercentage van het WSW-bestand strijdig geacht moet worden met artikel 7 van de WSW; verzoekt de Staatssecretaris, zijn beleid hiermee in overeenstemming te brengen, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 14(16429).

De heer Knol (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik maak nog even een opmerking over hetgeen ik heb gezegd over het meer oog hebben voor de Minister van Financiën. Het zal duidelijk zijn dat ik daarmee heb bedoeld dat de bewindslieden in de keuzebepaling tussen bezuinigen of het handhaven van de doelstelling van de WSW, kiezen voor het eerste. Ik betwijfel echter, of de door hen gemaakte keuze inderdaad tot bezuinigingen leidt. Ja, misschien binnen de begroting van Sociale Zaken, maar zeker niet in het licht van de totale rijksbegroting. Voordat ik een ander onderwerp aansnij, wil ik bij wijze van voorbeeld even weergeven wat de gevolgen kunnen zijn van het aannemen van het wetsontwerp, voor zover betrekking hebbende op de voorwaarde waaronder niet baten opleverende werkobjecten nog zouden kunnen voortbestaan, indien geen uitzonderingsbepaling in de wet wordt opgenomen. Ik neem als voorbeeld het werkvoorzieningsschap Wevebo, dat is opgericht door 9 Oostgroningse gemeenten. Ik citeer uit een brief welke het dagelijks bestuur van Wevebo op 4 november jl. verzond aan de Minister van Sociale Zaken: 'Indien werkzaamheden, die tot de normale taakverrichting van de gemeenten behoren, met ingang van 1-1-1981 als een baten opleverend object moeten worden uitgevoerd, dan zal dat betekenen dat: 1. Er bezuinigd zal moeten worden op al die factoren waaraan Wevebo zijn goede naam te danken heeft, met name waar het gaat om een stuk goe-de werkgelegenheid (imageverslechtering). 2. Deze werkgelegenheid voor een groot deel van de 640 werknemers in de buitenobjecten in gevaar wordt gebracht, omdat de gemeenten bepaalde werkzaamheden, zeker wanneer het gaat om de 'artikel 12 gemeenten', niet kunnen laten uitvoeren. Uitbreiding van het werk in de vrije sector is praktisch onmogelijk gezien het relatief kleine gebied; bovendien zou dit aanleiding kunnen geven tot het verstoren van de goede betrekkingen die Wevebo in de loop der jaren met de diverse patroonsbonden heeft opgebouwd. Al deze factoren leiden er toe dat a. Wevebo een plaatsingsstop zal moeten invoeren, waardoor de gemeenten niet kunnen voldoen aan hun bevorderingsplicht ingevolge artikel 7 van de Wet, voorzover die betrekking heeft op het opsporen en voordragen van kandidaten, terwijl het bestuur de indruk heeft dat in de toekomst steeds

meer mensen een beroep op de sociale werkvoorziening zullen doen, gezien het groot aantal WAO-en/of AAW-uitkeringsgerechtigden (15,9% van de beroepsbevolking) en het hoog werkloosheidspercentage in dit gebied. b. De ongeveer 70 vrijgekomen arbeidsplaatsen per jaar niet kunnen worden aangevuld, omdat met name voor de werknemers met een agrarisch arbeidsverleden geen essentieel werk aanwezig is. c. De overheadkosten per werknemer aanzienlijk zullen stijgen, omdat én de organisatie én de huisvesting zijn berekend op minimaal 600 werknemers. 3. Voor onze mensen het beter gekwalificeerd werk, waarvoor we jaren hebben geijverd en waardoor de image van de sociale werkvoorziening in zo'n gunstige zin is verbeterd, weer zal verdwijnen en we opnieuw zullen moeten terugvallen op onder andere bladharken en papierprikken, terwijl een eventueel ontslag niet ondenkbeeldig is. Het dagelijks bestuur van Wevebo ziet bedoelde maatregelen met ernstige verontrusting tegemoet, met name omdat men vreest dat de werkgelegenheid van een groot aantal van de ruim 600 werknemers in de buitenobjecten in gevaar zal komen'. Zoals gezegd, kwam dit voorbeeld uit Oost-Groningen. Er zijn zelfde voorbeelden uit andere delen van het land te geven, met name uit de probleemgebieden. Thans ben ik bij een punt aangekomen, waarop ik de Staatssecretaris redelijk positief tegemoet wil treden. Het punt betreft de voorgestelde nieuwe vergoedingsregeling. Dat van een meerkanalig vergoedingssysteem is afgestapt heeft onze instemming. Wij kunnen ons evenzeer vinden in de eisen welke de Staatssecretaris aan dit nieuwe vergoedingensysteem stelt: a. het stelsel moet eenvoudig en goed hanteerbaar zijn; b. de overgang naar een nieuw stelsel van vergoedingen als zodanig mag geen verzwaring van de financiële lasten voor het Rijk of gemeenten met zich meebrengen; c. de bovengenoemde overheveling dient gepaard te gaan met maatregelen die tot een betere beïnvloeding van de kosten zullen leiden. Over het laatste punt maak ik nog de opmerking dat betere beïnvloeding van de kosten ook gepaard dient te gaan met een sneller bereiken van de doelstelling en in geen geval het bereiken van de doelstelling mag belemmeren. Wij vinden het nogmaals plezierig dat in het vervolg de financiële afwikkeling via één ministerie loopt. Betekent dit nu ook dat mijn fractie zich met de inhoud van de voorgestel-de nieuwe vergoedingsregeling kan verenigen? Daarop moet ik ontkennend antwoorden. Het feit dat het Rijk de kosten van vervoer niet meer voor zijn rekening neemt, is voor ons onverteerbaar. Wij hebben op dat punt dan ook een amendement ingediend. De hoogte van de vervoerskosten wordt door een aantal factoren bepaald; ik noem er een paar, zonder volledig te willen zijn. In de eerste plaats noem ik de samenstelling van het werknemersbestand van een willekeurig werkverband. Het maakt groot verschil met welke categorie gehandicapten een werkverband voornamelijk te maken heeft; ook de leeftijd speelt een rol. In de tweede plaats noem ik de als gevolg van het door het departement bevorderde grootschaligheid wat met name in de landelijke gebieden een grote spreiding met zich meebracht. In de derde plaats noem ik het vaak ontbreken van openbaar vervoer; dat wil zeggen het totaal ontbreken van dat vervoer of het op zeer ongeregelde tijden gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, iets wat direct consequenties heeft voor het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van het Besluit Ar-beidsvoorwaarden sociale werkvoorziening. Alle door mij genoemde factoren zijn niet alleen niet beïnvloedbaar door een gemeentebestuur, zij kunnen ook van tijd tot tijd tot verschillende hoogte van de vervoerskosten leiden. Het argument van de Staatssecretaris, de kosten van vervoer geen deel meer uit te laten maken van de primaire rijksvergoeding omdat de invoering van het nieuwe vergoedingensysteem in samenhang met de beëindiging van de medefinanciering uit het gemeentefonds een verschuiving van enige betekenis teweeg zou brengen in de verdeling van kosten voor de sociale werkvoorziening tussen het Rijk en de gemeenten, spreekt mijn fractie niet aan; deels vanwege de hierboven door mij genoemde, onbeïnvloedbare factoren welke voor de hoogte van de vervoerskosten verantwoordelijk zijn maar ook vanwege het feit dat er geen enkel zicht bestaat op de hoogte van de financiële druk welke op gemeenten wordt gelegd als gevolg van de voorgestelde voorwaarden met betrekking tot de niet-baten opleverende objecten. De Staatssecretaris heeft ons in ieder geval dat zicht niet verschaft.

Ware het zo dat de Staatssecretaris geen enkele invloed op de hoogte van de vervoerskosten kon uitoefenen, dan zou ik het mij voorstellen dat hij vrees-de dat de vervoerskosten de pan uit rijzen. Dat is echter in genen dele het geval. Als dat in het verleden, of op dit moment, wel het geval zou zijn, dan is de Staatssecretaris daar zelf verantwoordelijk voor. Immers, in de artikelen 20 tot en met 23 van het Besluit sociale werkvoorziening is exact geregeld wanneer en onder welke omstandigheden welk soort van vervoer wordt vergoed. In het normale geval worden de kosten van het openbaar vervoer vergoed dan wel de kosten voor het gebruik van fiets en bromfiets, waarbij de kostenvergoeding voor de bromfiets hoger uitvalt dan de fietsvergoeding in-dien het gebruik van een bromfiets uit medisch oogpunt nodig is. Alle andere gevallen van vervoerskostenvergoeding kunnen alleen maar plaatsvinden met goedkeuring van de rijksconsulent, dus met goedkeuring van de Staatssecretaris. Mocht blijken, dat onder die 'andere gevallen' waarvoor goedkeuring vereist is gevallen zijn waarvan gezegd zou moeten worden: 'dit is een oneigenlijke toepassing van het in het Besluit sociale werkvoorziening gestelde', dan is dat, nogmaals, de eigen verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris. Een kritisch onderzoek naar eventueel oneigenlijk gebruik, waardoor de totale vervoerskosten omlaag kunnen worden gebracht, heeft uiteraard onze instemming. Het overzicht dat de Staatssecretaris op ons verzoek in de memorie van antwoord heeft gegeven van de effecten van de voorgenomen wijziging van het financieringsstelsel op basis van de uitkomsten over 1979 geeft mij aanlei ding, nog een enkele vraag te stellen of een opmerking te plaatsen. Mag worden aangenomen dat, verhoudingsgewijs, eenzelfde beeld zal ontstaan van de resultaten over 1980? In het overzicht valt het op dat de provincie Drenthe er, in tegenstelling tot alle andere provincies wat het financiële resultaat betreft, negatief afkomt. Ook blijkt het dat, kijkende naar het totaal overzicht van die werkvoorzieningsschappen welke nadelig scoren, het werkvoorzieningsschap 'Hoogeveen en omstreken', na respectievelijk het werkvoorzieningsschap 'Midden Gelderland' en de Dienst Sociale Werkvoorziening Dordrecht', op een derde plaats komt. Kan de Staatssecretaris daar een verklaring voor geven?

Welke rol speelt de omstandigheid dat, de Provincie Drenthe, met uitzondering van de Provincie Zeeland veruit de hoogste vervoerskosten per WSW-werknemer heeft? Het wetsontwerp voorziet ook in de mogelijkheid dat het Rijk 80% van de exploitatiekosten van een werkverband voor zijn rekening neemt, met dien verstande dat een voordelig saldo wordt gekort op de wettelijke vergoedingen, zo het Rijk die aan de gemeentebesturen verstrekt. Wij gaan hier in beginsel mee akkoord. Toch maak ik een kanttekening hierbij. Mocht blijken dat de overgangsregeling welke in dit wetsontwerp wordt voorgesteld en die inhoudt dat over een periode van 5 jaar een extra vergoeding aan de gemeentebesturen wordt verstrekt niet toereikend is voor de gemeenten om aan de hen krachtens de Wet opgelegde verplichtingen te voldoen, dan moet het gedeelte van het exploitatievergoedingentekort dat het Rijk voor zijn rekening neemt worden verhoogd, hetzij structureel, hetzij door middel van extra vergoedingen. Wil de Staatssecretaris ons die toezegging doen? Dan ben ik aangeland bij een onderdeel van het wetsontwerp waarin bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelen worden gesteld inzake het al dan niet in aanmerking nemen van baten en lasten en waarin tevens wordt geregeld dat, eveneens bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld dat ten aanzien van belangrijke uitgaven en investeringen voorafgaand schriftelijk advies van de rijksconsulent moet zijn verkregen. Dit onderdeel van het wetsontwerp heeft in het land nogal wat kritiek ondervonden, met name van de zijde van de VNG. Alvorens verder op deze materie in te gaan, maak ik een algemene opmerking vooraf. Wij kunnen ons vinden in het voorstel van de Staatssecretaris om het Besluit verhoging van de rijksvergoeding sociale werkvoorziening in te trekken en bepalingen betreffende het al dan niet in aanmerking nemen van baten en lasten in de wet op te nemen. Laat daarover geen enkel misverstand bestaan. Wij achten het juist dat regelen woraen gesteld met betrekking tot datgene wat wel of niet tot de lasten van de exploitatierekening wordt gerekend. Het lijkt ons de enige manier geharrewar vooraf te vermijden en een vlotte uitwerking dat wil zeggen een vlotte uitbetaling van de aan de gemeente toekomende vergoeding van de ex-ploitatietekorten, te waarborgen. Een ander punt echter is: wat nu precies wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld, wat nu precies wordt wel of niet gerekend te behoren tot de exploitatielast? Het is mij bekend dat er reeds een ontwerp-besluit Vaststelling saldo ex-ploitatierekening werkverbanden sociale werkvoorzieningen voorhanden is. Dit besluit stelt nadere regels voor de uitvoering van de wet ter zake. Waarom heeft de Staatssecretaris ons het ontwerp-besluit niet doen toekomen? Het is mij bekend dat de VNG nogal wat bezwaren tegen het ontwerpbesluit aan de Staatssecretaris kenbaar heeft gemaakt. Zo stelt de VNG dat artikel 2, eerste lid, van voornoemd ontwerp-besluit een opsonv ming geeft van de lasten die niet op de exploitatierekening mogen worden opgevoerd. Sub h zou de lijst complementeren met de 'overige lasten, voor zover deze naar het oordeel van Onze Minister naar hun aard niet op de exploitatielast thuis horen, dan wel ex ploitatielasten die hadden kunnen worden vermeden'. Kijk, ik heb zojuist betoogd dat het goed is voor een gemeentebestuur om te weten waar men ten aanzien van deze kwestie aan toe is en daarom het stellen van regels toegejuicht. Wanneer echter zo'n subartikel in het besluit wordt opgenomen, moet ik constateren dat die duidelijkheid niet verschaft wordt en dat de Minister c.q. de Staatssecretaris wel een hele grote onzichtbare vinger in de pap heeft. Ik vraag mij dan ook af of dit nu wel juist is. Vervolgens maakt de VNG bezwaar tegen, zoals men zegt, een aantal lage afschrijvingspercentages dat volgens de VNG zou leiden tot geflatteerde ex-ploitatiebeelden, met als gevolg daar-van toekomstige moeilijkheden. Wil de Staatssecretaris daarover iets naders zeggen? Wat mij verder nog opviel onder de bezwaren van de VNG was, dat de nieuwe omschrijving van het begrip 'algemeen beheer' vergeleken met de huidige pratijk de rijksbegroting opschoontten nadele van die van de gemeenten. Ik zou graag van de Staatssecretaris vernemen, of dit waar is en, zo ja, of dit dan gebeurt puur uit bezuinigingsmotieven. Of heeft hij daar zakelijke argumenten voor aan te voeren? Ook zou ik van de Staatssecretaris willen vernemen in hoeverre de kosten van arbeidsrevalidatie opgevoerd kunnen worden, met name wanneer en voor zover betrokken afdelingen worden ingeschakeld ter observatie voordat een dienstbetrekking wordt aangegaan.

Tot nu toe is het gebruikelijk dat gemeente en/of schapsbesturen, wanneer zij van plan zijn belangrijke investeringen of uitgaven te doen, op verzoek van het departement advies vragen en verkrijgen van de rijksconsulent. De voorgestelde verplichting dat voorafgaand aan het plegen van een belangrijke uitgave of investering een schriftelijk advies van de rijksconsulent moet zijn verkregen, kan door ons niet anders worden uitgelegd dat de de Staatssecretaris een grotere greep wil verkrijgen op de uitgaven binnen de WSW. Over de wenselijkheid daarvan straks meer; nu wil ik echter doorfilosoferen over de beweegredenen van de Staatssecretaris. Ik kan mij voorstellen dat deze van mening is dat, als hij een grotere greep op de uitgave bezit, hij kan bezuinigen. Als die veronderstelling juist is, zijn ertwee mogelijkheden: óf hij denkt dat het tot nu toe gevoerde beleid door bepaalde ge-meente-of schapsbesturen een beleid is geweest waarbij te veel geld is uitgegeven óf hij is van plan, gebruik makende van zijn bevoegdheden, dom weg te bezuinigen om te bezuinigen. Dit laatste zou dan niet anders beteken dan dat dit ten koste zal gaan van een goede uitvoering van de WSW. De eerste mogelijkheid, dus het corrigeren van tot dusver gevoerd beleid door gemeente-of schapsbesturen, zal naar ik aanneem eerst door de Staatssecretaris worden geopperd, wanneer hij over aanwijzingen in die richting beschikt. In de schriftelijke voorbereiding hebben wij hem door gerichte vragen de gelegenheid geboden, daarop in te gaan. Wij hebben dat gedaan door de volgende vragen te stellen: a. Welke gemeentebesturen hebben om welke redenen de consulenten vooraf niet bij de beoordeling van plannen betrokken en hoe is daar van de zijde van het departement op gerageerd? b. Welke van deze gemeentebesturen hebben op welke wijze hoeveel financieel voor-of nadeel ondervonden van de onder hun verantwoordelijkheid plaatsvindende WSW-activiteiten? c. in hoeverre wijken het beleid en de daaruit voortvloeiende financiële gevolgen, zoals dat door de in de vorige vragen genoemde gemeentebesturen wordt gevoerd, af van het gevoer-de beleid van die gemeentebesturen welke wèl gehoor gaven aan het verzoek van het departement? Wij hebben deze vragen uiteraard gesteld om te kunnen vaststellen, of

een grotere greep van de zijde van het departement op het beleid van gemeentebesturen noodzakelijk zou zijn dan wel dat dit juist niet het geval behoorde te zijn. Immers, wanneer duidelijk zou zijn dat er een verschil in gevoerd beleid en de daaraan verbonden financiële gevolgen is tussen gemeentebesturen welke geen en die welke wel gehoor gaven aan het verzoek van het departement, dan zouden daar conclusies uit getrokken kunnen worden. De Staatssecretaris bevestigde slechts dat een verzoek om het vragen van advies aan alle gemeentebesturen was gericht. De hier herhaalde vragen laat hij onbeantwoord. Het enige wat hij zegt is: 'De daarop volgende vragen van de genoemde leden laten zich bezwaarlijk beantwoorden, gelet op de talloze investeringen en personeelsuitbreidingen welke zich in de afgelopen jaren hebben voorgedaan en het ontbreken van een specifieke registratie zoals die voor de beantwoording van de vragen vereist zou zijn.'. Mijnheer de Voorzitter! Ik geef toe: beantwoording van vraag b. zou niet zo gemakkelijk zijn geweest. Het achterwege laten van de beantwoording van de vragen a en c acht ik onbehoorlijk. Waarom zijn ze niet beantwoord? Indien het apparaat daartoe niet in staat was, vrees ik het ergste voor de gemeentebesturen wanneer onverhoopt het departement meer greep zou verkrijgen op het door hen gevoerdeWSW-beleid. En daarmee, mijnheer de Voorzitter, ben ik weer terug bij het voorstel van de Staatssecretaris zoals dat gestalte heeft gekregen in het wetsontwerp. Ik kan mij voorstellen dat de Staatssecretaris met name in een tijd, dat behoorlijk op de kleintjes gepast moet worden, bevreesd is dat gemeentebesturen te veel uitgeven en als gevolg daarvan de rijkskas te veel belasten. De Staatssecretaris toont echter geen bewijzen voor die vrees. Dat gemeentebesturen daarentegen vrezen dat een wetswijziging op dit punt hen belemmert om ten aanzien van de WSW een slagvaardig beleid te kunnen voeren, kan ik mij levendig voorstellen. En wat te denken van de positie van de rijksconsulent? Hij krijgt in feite drie taken, die van controleur, van adviseur en van financier. Drie taken, die door sommige gemeentebesturen wellicht samengevoegd worden onder de titel 'betuttelaar'. Mijnheer de Voorzitter! Ik ken een aantal van deze rijksconsulenten en ik moet u zeggen: stuk voor stuk zijn het sympathieke, hardwerkende mensen met hart voor de zaak. Ik gun hen die betiteling niét. Kort en goed, mijnheer de Voorzitter, wij vrezen, vooropgezet dat de Staatssecretaris vasthoudt aan zijn voorstel op de manier waarop hij dat tijdens de schriftelijke voorbereiding heeft uiteengezet, dat het wetsontwerp op dit punt a. de betrokken gemeenten verhindert een adequaat en creatief beleid te voeren; b. zal leiden tot bureaucratisering; c. de nodige motivatie bij de gemeentebesturen zal doen verminderen. Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn erop tegen dat gemeentebesturen volledig de vrije hand krijgen. Ik ben er van overtuigd dat zij dat zelf in het algemeen ook niet wensen. Aan de andere kant zijn wij wel van oordeel dat gemeentebesturen ook een eigen verantwoordelijkheid moeten en kunnen dragen voor de taak welke aan hen ingevolge de WSW is opgedragen en dat zij die taak ook met een zeker enthousiasme kunnen blijven vervullen. Wij vinden het dan ook noodzakelijk dat de Staatssecretaris, wanneer hij komt tot definitieve besluitvorming betreffende het besluit vaststelling saldo exploitatierekening werkverbanden sociale werkvoorziening, de verschillende criteria of richtlijnen zo heeft bijgesteld dat overeenstemming is bereikt met de uitvoerders van de WSW. Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben in de schriftelijke voorbereiding geen aandacht besteed aan het berip 'deeltijdarbeid'; dat betekent niet dat wij geen interesse tonen voor dit onderwerp. Integendeel, wij zullen met belangstelling de uitkomsten van het in-formele overleg met de vertegenwoordigers van de VNG en de bonden van overheidspersoneel tegemoet zien, aannemende dat de Staatssecretaris ons te zijner tijd ons het resultaat van het overleg doet toekomen dan wel zijn opvolger verzoekt zulks te doen. Mijnheer de Voorzitter! In de WSW staat een artikel dat bepaalt dat het gemeentebestuur, in overeenstemming met de commissie, de deelneming van jongere werknemers aan vakonderwijs en vormingswerk voor leerplichtvrije jeugd bevordert. Het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen heeft er tot nu toe aan meegewerkt ten behoeve van jonge WSW-werknemers bijzondere faciliteiten te verlenen in die zin dat betrokkenen gezamenlijk als groep aan het vormingsonderwijs konden deelnemen Naar verluidt wil de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen deze faciliteiten met ingang van 1 augustus a.s. niet meer verlenen. Wat is daarvan waar en wat betekent dat voor de voor vormingsonderwijs in aanmerking komende jonge WSW-werknemers? Mijnheer de Voorzitter! Tijdens de OCV over de WSW, gehouden op 19 juni 1978, is door ons, dat wil zeggen ondergetekende en collega Hartmeijer samen met collega Jansen van de PPR, een motie ingediend. Deze motie kreeg nummer 14800 XV, 32. Wil de Staatssecretaris mededelen hoe het met de uitvoering van deze motie is gesteld? Iets anders Mijnheer de Voorzitter! . De vorige maand is door een aantal adviesbureaus gezamenlijk een discussienota uitgebracht; namens de samenstellers zond drs. W. F. M. Runderkamp ons een exemplaar van de nota. De nota handelt over de knelpunten in de sociale werkvoorziening, gericht op nadere bezinning op het landelijk beleid. Het is niet mijn bedoeling, mijnheer de Voorzitter, deze nota hier in-houdelijkte bespreken; u zou het mij trouwens niet toestaan en ik beschik niet over de tijd daarvoor. Ik wil alleen naar voren brengen wat de samenstellers van deze nota bewogen heeft de nota uit te brengen. Zij zeggen dat verontrusting de basis van dit gezamenlijke initiatief is. Onze bezorgdheid, zo stellen zij, komt voort uit een tweetal redenen. Allereerst een professionele reden: we merken dat we steeds weer met dezelfde problematiek worden geconfronteerd, omdat een aantal achterliggende oorzaken van organisatorische problemen niet worden aangepakt, hetgeen impliceert dat met veel van onze aanbevelingen weinig wordt gedaan respectievelijk kan worden gedaan. Ten tweede een maatschappelijke reden: wij menen dat het onverantwoord is dat op het niveau van de afzonderlijke werkverbanden door alle betrokkenen zoveel tijd, geld en energie aan de oplossing van problemen wordt besteed als niet tegelijkertijd wordt gewerkt aan de meerfundamentele oorzaken, die gelegen zijn in de condities waaronder de Sociale Werkvoorziening moet werken. In de meeste gevallen, zo vervolgen zij, waarin wij -externe adviseurs -in contact kwamen met organisaties op het gebied van de sociale werkvoorziening, waren er impasses in de besluitvorming of conflicten die het gemeenschappelijke kenmerk hadden geëscaleerd te zijn en vastgelopen in blijkbaar onoverkomelijke belangentegenstellingen. Dit nu is in de meeste gevallen

I Knol een kenmerk van 'ongezonde' organisaties en inderdaad is het dan ook onze mening, aldus nog steeds de samenstellers, dat de Sociale Werkvoorziening zeer kwetsbaar is voor conflicten gezien het relatief grote aantal 'partijen'-belangentegenstellingen en conflictbronnen en de geringe mogelijkheid vanuit de eigen organisatie iets aan die conflicten te doen. Dit stemt tot bezorgdheid en als or-ganisatie-adviseurs van verschillende bureaus en richtingen hebben we besloten anderen deelgenoot te maken van onze bezorgdheid. We hopen met deze discussienota een aanzette kunnen geven tot een bezinning op het landelijke beleid ten aanzien van de Sociale Werkvoorziening. Mijnheer de Voorzitter! Tot zover de samenstellers van de nota. Het komt mij voor, dat de nota belangrijk genoeg is om daar nadere aandacht aan te besteden. In dat verband zou ik de Staatssecretaris dan ook willen verzoeken ons -hiermee bedoel ik de Kamerzo spoedig mogelijk zijn oordeel over deze nota schriftelijk te willen mededelen. Mijnheer de Voorzitter! In de schriftelijke voorbereiding van het aan de orde zijnde wetsontwerp is gevraagd zo uitvoerig mogelijk te worden ingelicht over het werkaanbod zoals dat binnen de diverse werkverbanden aanwezig is. De Staatssecretaris heeft ons geantwoord dat er inderdaad een aantal WSW-bedrijven zijn welke met moeilijkheden te kampen hebben op gebied van de werkvoorraad maar dat er andere WSW-bedrijven zijn, die geen bijzondere problemen op dat gebied kennen en dat sommige WSW-bedrijven beschikken over meer werkopdrachten dan ze kunnen uitvoeren. De Staatssecretaris zegt verder dat op korte termijn bezien kan worden gesteld dat de richting waarin orderontvangst, produktie en voorraden zich bewegen, duidt op een afnemend werkaanbod. Ik acht het, zo vervolgt hij, prematuur verwachtingen uit te spreken met betrekking tot de ontwikkeling in de naaste toekomst. Hij verwacht en verlangt dat de uitvoeringsorganen van de WSW door onderlinge samenwerking in bilateraal, federatief en brancheverband ernaar zullen streven aan voorkomende problemen zoveel mogelijk het hoofd te bieden. Hieruit spreekt naar onze mening een te passieve houding. In de nota naar aanleiding van het eindverslag valt de Staatssecretaris mijn fractie bij in de door mijn fractie gemaakte opmerking dat de in de WSW ingebouw-de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken niet veronachtzaamd mag worden. Neen, natuurlijk mag dat niet; reden dat ik nu de Staatssecretaris in zijn kwaliteit van gedelegeerd verantwoordelijke voor de WSW daarop aanspreek. Naar mijn mening moet hij niet alleen verwachten en verlangen dat de uitvoeringsorganen in onderlinge samenwerking op diverse terreinen aan voorkomende problemen zoveel mogelijk het hoofd zullen bieden. Neen, mijnheer de Voorzitter, laat de Staatssecretaris initiatieven ontplooi-en, laat hem stimuleren dat verschillende zaken meer op elkaar worden afgesteld. Eventuele daarvoor benodig-de middelen kan hij verkrijgen als hij de door mij vorige week ingediende motie overneemt. Daarover nog een korte opmerking. Mijnheer de Voorzitter! Vorige week gaf u mij geen gelegenheid die opmerking te plaatsen. De Staatssecretaris ontraadde ten sterkste aanneming van mijn motie. Daartoe heeft de Staatssecretaris uiteraard het volste recht. Echter, een argument dat hij daarbij hanteerde wil ik thans betwisten. Hij beweerde dat de maatregelen waarop ik in mijn motie doelde gefinancierd zouden kunnen worden uit de voor de WSW ter beschikking staande middelen. Dat, mijnheer de Voorzitter, zal wel juist zijn maar dat houdt tevens in dat hij de dan aangewende gelden niet kan gebruiken voor het oorspronkelijk begrote doel. Of wil de Staatssecretaris beweren dat hij teruglopende werkgelegenheid binnen de WSW had voorzien en extra middelen voor werkgelegenheid bevorderende maatregelen binnen de WSW heeft gereserveerd? Mijnheer de Voorzitter! Samenvattend wil ik tot slot opmerken dat wij vrezen dat deze Regering, zo bezeten door bezuinigingsdrang, eraan meewerkt dat wijziging van de WSW op de manier zo die thans voorligt zal leiden tot veronachtzaming van de doelstelling van de WSW. Wij behouden ons het eindoordeel over het wetsontwerp dan ook voor. Veel zal afhangen van de reactie op de door ons gemaakte opmerkingen.

©

J.D. (Jan) de VoogdDe heer De Voogd (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De fractie van de VVD, heeft bij de schriftelijke voorbereiding ten behoeve van de behandeling van dit wetsontwerp duidelijk te kennen gegeven op een aantal onderdelen kritiek te hebben, kritiek die zich toespitst op de volgende belangrijke punten:

de grotere invloed van de rijksoverheid op de uitbreiding van de Wet Sociale Werkvoorziening; de aan de aanwijzing van additionele werkobjecten te verbinden voorwaarden. Vragen die bij de beoordeling van dit wetsontwerp aan de orde komen zijn dan ook: Strookt de uitwerking in de richting van een grotere invloed van de rijksoverheid op de uitvoering van de WSW met het algemene regeringsvoornemen, dat juist via een decentralisatie van rijkstaken de doelmatigheid van het overheidsapparaat wil vergroten? Zullen de aan de aanwijzing van de additionele werkobjecten te verbinden voorwaarden er niet toe leiden, dat een groot aantal mensen niet aan passend werk geholpen zal kunnen worden en aangewezen zal zijn op een andere maatschappelijke kas? Het weldoortimmerde gebouw van de sociale voorzieningen in Nederland wankelt. Het vertoont lekken en scheuren, het is aan renovatie toe. Wij hebben het onderhoud van het gebouw verwaarloosd. De situatie dreigt te ontstaan, dat wij de noodzaak tot renoveren wel constateren, maar dat wij in goede bedoelingen om daar iets aan te doen blijven steken. Stormachtig was de ontwikkeling binnen de WSW van 42.70C te werk gestelde personen in 1970 naar 75.300 eind 1980. Niet alleen kwantitatief heeft de WSW aan belang gewonnen, moeilijker meetbaar en cijfermatig uit te drukken is de arbeidsvreugde die aan velen is verschaft. Vorige week is de continuïteit van de werkgelegenheid in de WSW al aan de orde geweest. Zonder dat wij nu hieromtrent een al te groot pessimisme willen demonstreren, kunnen wij, moeten wij vaststellen, dat grote voorzichtigheid en een daarop afgestemd beleid noodzakelijk is. Wij verkeren in het spanningsveld tussen enerzijds het in stand houden van de doelstellingen van de WSW, hetgeen betekent dat de mensen die aangewezen zijn op werk in WSW-verband een plaatsje zouden moeten kunnen krijgen, en anderzijds de noodzaak om tot een betere beheersing van de kosten voor deze sociale voorziening te geraken. In dit licht wil ik namens de fractie van de VVD aan de orde zijnde wetsontwerp aan een nadere beschouwing onderwerpen. Zoals wij al eerder hebben laten weten, spreken de motieven voor de voorgestelde wetswijziging ons aan; dat zijn vereenvoudiging van het financieringsstelsel, vergroting van de doelmatigheid en van mogelijkheden van kostenbeïnvloeding en een meer

eenduidig beleid inzake de aanwijzing van werkobjecten zonder geldelijke opbrengst. De voorgestelde financieringswijze, die een sterke vereenvoudiging ten opzichte van het huidige stelsel betekent heeft onze instemming, zeker nu een door de Raad voor de gemeentefinanciën aanvaarde overgangs-en aanpassingsperiode van vijf jaar wordt geïntroduceerd. Vergroting van de doelmatigheid en van de mogelijkheden van kostenbeïnvloeding; in onze schriftelijke inbreng hebben wij de vraag opgeworpen, of de uitwerking in de richting van een grotere invloed van de rijksoverheid op de uitvoering van de WSW nu wel strookt met het algemene regeringsvoormenen om via een decentralisatie van rijkstaken de doelmatigheid van het overheidsapparaat te vergroten. Ook hierbij is dus duidelijk sprake van een spanningsveld. De fractie van de VVD is en blijft voorstander van de decentralisatiegedachte. De bewindsman heeft uitvoerig uiteengezet hoe hij het in medebewind uitvoeren van de WSW door de gemeente respectievelijk schapsbesturen ziet. Conclusie onzerzijds: de gemeentebesturen krijgen op hf

Meneer de Voorzitter, omdat ook wij enerzijds overtuigd zijn van de noodzaak tot een strikte kostenbeheersing door de centrale overheid als de belangrijkste financier maar anderzijds evenzeer overtuigd zijn van de grote verantwoordelijkheid, waarmee gemeen-te-en schapsbesturen tot nu toe tot belangrijke investeringen besluiten, zullen wij met terughoudendheid in-stemmen met het voornemen om de verplichte advisering vooraf door de rijksconsulent in de wet op te nemen. Een niet onbelangrijke factor hierbij is voor ons óók het bezwaar tegen het regeren per circulaire, dat onder andere tot verschil in interpretatie kan leiden. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot de beoordeling van het voornemen om te komen tot een meer eenduidig beleid inzake de aanwijzing van werkobjecten zonder geldelijke opbrengst, de zogenaamde additionele objecten. Wij onderschrijven de gedachte, dat primair getracht moet worden, de voor plaatsing in aanmerking komende personen in te zetten voor werkzaamheden, waarvoor het werkverband een passende geldelijke betaling ontvangt. Maar het is al eerder gezegd we moeten rekening houden met teruglopen-de kansen op het verkrijgen van zulke objecten. De aanwijzing van de additionele werkobjecten blijft tot de verantwoordelijkheid van de gemeenten behoren. Dat is geen geringe verantwoordelijkheid! De aanwijzing wordt gebonden aan een aantal wettelijk vastgelegde voorwaarden, ten einde aan de sterke divergentie in lokaal beleid op dit punt een einde te maken om onverantwoor-de situaties met betrekking tot concurrentievervalsing -een punt dat mijn fractie erg aanspreekt -en onverantwoorde besteding van collectieve middelen te vermijden. Op zich is het wenselijk, dat de wet op dit punt duidelijke taal spreekt. Wij hebben er echter al eerder op gewezen, dat het voeren van een esnduidig beleid op praktische gronden met name door uiteenlopende plaatselijke en regionale omstandigheden niet zo gemakkelijk te verwezenlijke zal zijn en dat verschillen in bevolkingskenmerken altijd de oorzaak van en de noodzaak voor het voeren van een soepel gedifferentieerd beleid zullen zijn. Met het reguleren en uniformeren van het aanwijzingsbeleid gaan wij accoord, mits de continuïteit van het in-strument additionele werkobjecten niet al te zeer in het gedrang komt. Is onze vrees, dat de gemeenten, door het voeren van een risicomijdend beleid ten aanzien van de additionele objecten, een groot aantal mensen niet zullen kunnen plaatsen, waardoor deze aangewezen zullen blijven op een andere maatschappelijke kas, ongegrond? De in artikel 13 vermelde criteria voor het aanwijzen van additionele objecten willen wij graag aan een nadere beschouwing onderwerpen. Het is vanzelfsprekend, dat moet vaststaan dat voor de betrokken werknemers of voor de personen, die voor een dienstbetrekking in aanmerking komen, geen andere mogelijkheid tot passen-de arbeid aanwezig is. Kan toepassing van deze voorwaarde echter niet al te gemakkelijk leiden tot verschillen van mening over de vraag, of er voldoende gezocht is naar ander passend werk, waarvan de mensen dan de dupe worden? Het tweede criterium, dat eveneens een bron voor verschil van mening kan zijn, is de vraag of het werkobject niet tot uitvoering zou komen zonder de aanwijzing tot additioneel object. Blijft de gemeente hiervoor een bepaalde beleidsruimte houden of leidt dit weilicht tot een zodanige onduidelijkheid over de plaatselijke beleidsvrijheid dat ook hiervan de te plaatsen personen nadelen ondervinden? Ten aanzien van het derde criterium -dat de werkzaamheden niet tot de taken behoren die de in het wetsontwerp genoemde rechtspersonen in elk geval zelf behoren te verrichten -merken wij op, dat voor de sociale werkvoorziening bestemde overheidsmiddelen vanzelfsprekend niet bestemd mogen worden voor de reguliere taken die die rechtspersonen hebben. Wij realiseren ons terdege, dat deze voorwaarde voor menig gemeentebestuur en niet-winstbeogende instelling grote problemen zal kunnen meebrengen, maar dat wettigt nog niet het weglaten of soepele toepassing. Het heeft wel onze instemming om de reeds aangewezen werkobjecten die niet aan die voorwaarde voldoen te handhaven voor de werknemers die reeds bij het werkobject zijn geplaatst. Brengt overigens de dreigende beëindiging van het object de doorstromingskans niet in gevaar? Overigens merken wij op dat een deel van deze objecten toch kans loopt te worden beëindigd in het geval zij niet blijken te voldoen aan de criteria 3a en 3b van artikel 13. Ten einde het gemeentebestuur gedurende een periode van meximaal een jaar in de gelegenheid te stellen de betrokkenen op een ander object te plaatsen en om te voorkomen dat deze mensen met onmiddellijk ont-

slag worden bedreigd stellen wij per reeds ingediend amendement een aanvulling van artikel 13 met lid 4b voor. Ook daarover vernemen wij graag de mening van de Staatssecretaris.

©

C.N. (Cor) van DisDe heer Van Dis (SGP): Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie heeft reeds tijdens de schriftelijke voorbereiding te kennen gegeven begrip te hebben voor de ter zake aangevoerde motieven om te komen tot een wijziging van de Wet Sociale Werkvoorziening. Als motieven werden immers aangevoerd de vereenvoudiging van het financieringsstelsel, de bevordering van de doelmatigheid, het scheppen van meer mogelijkheden voor kostenbeïnvloeding en een meer eenduidig beleid inzake de aanwijzing van werkobjecten zonder geldelijke opbrengst, kortom even zovele zaken die ook mij ter harte gaan. De Wet Sociale Werkvoorziening, die op 1 januari 1969 in werking is getreden, biedt een goed onderkomen aan: 'personen voor wie -hoewel zij tot arbeid in staat zijn -in belangrijke mate ten gevolge van bij hen gelegen factoren werkgelegenheid onder normale omstandigheden niet beschikbaar is.' Aldus de considerans van de wet. Ik was dan ook bijzonder gelukkig met de verzekering dat in geen geval de doelstellingen van de WSW zullen worden aangetast en dat het de bedoeling blijft dat het bij de uitvoering van de WSW moet gaan om het zoeken naar werk dat voor de werknemers als het meest passend moet worden gezien. Nu heeft echter mede onder de invloed van de teruglopende werkgelegenheid en de daardoor afnemende doorstromingsmogelijkheden naar het 'vrije bedrijfsleven', de sterke toeneming van het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en de stijging van het aantal werklozen, dat ten gevolge van bij hen gelegen factoren geen werk kan vinden, het aantal werknemers in de sociale werkvoorziening in de afgelopen jaren een sterke groei vertoond. Dat noopt tot bijstelling van het beleid. Aan de andere kant moet echter worden opgemerkt dat de uitgaven van de sociale werkvoorziening voor een deel worden gecompenseerd door besparingen bij andere sociale voorzieningen. Kan ook worden aangegeven hoe groot dit deel eigenlijk is? Gezien de huidige slechte werkgelegenheidssituatie en de nog somberder vooruitzichten mag er niet op worden vertrouwd, dat eventuele maatregelen tot bevordering van de doorstroming van WSW-werknemers naar een werkkring elders op korte termijn tot de gewenst geachte vermindering van de stijging van de uitgaven voor de sociale werkvoorziening zullen leiden. Daarom is het noodzakelijk dat er maatregelen worden getroffen die leiden tot een beperking van de instroom van WSW-werknemers. Kan ook nader uit de doeken worden gedaan op welke maatregelen hier precies wordt gedoeld? Jaarlijks verlaat 10 a 15% van het totale aantal werknemers de sociale werkvoorziening. Wordt de beperking aangebracht door dit percentage verlaters niet te vervangen, met andere woorden door de toelating te beperken tot dat deel? Die verlaters doen dat om uiteenlopende redenen. Moeten bij dit percentage ook worden gerekend diegenen die doorstromen naar een werkkring elders? Zo ja, hoe groot is dan in procenten uitgedrukt deze groep? Als wordt geconstateerd dat maatregelen tot bevordering van de doorstroming op korte termijn niet tot de gewenst geachte vermindering van de stijging van de uitgaven voor de sociale werkvoorziening zullen leiden, dan houdt dat toch hopelijk niet in dat ze dan maar achterwege moeten blijven? Op welke wijze zal een verdere intensivering van het op arbeidsrevalidatie binnen de WSW-bedrijven gerichte beleid gestalte krijgen? Hoe verloopt de bevordering van externe WSW-plaatsingen? Welke ervaringen zijn inmiddels opgedaan met een verdere inschakeling van het bedrijfsleven bij de uitvoering van de WSW? Met betrekking tot de kostenbeheersing wil ik nog het volgende opmerken. Is het inderdaad juist dat de kosten voor de sociale werkvoorziening van een arbeidsplaats bij niet-batenopleverende objecten lager zijn dan in de batenopleverende sfeer, zodat een geforceerde ombuiging van de in-stroom naar de batenopleverende sfeer, zoals die thans is gestructureerd, uit een oogpunt van kostenbeheersing averechts zal gaan uitpakken? Kan in dit verband nader worden verduidelijkt aan de hand van praktijkvoorbeelden in welke gevallen de tweedeling in geldelijke opbrengst opleverende en niet-geldelijke opbrengst opleverende werkobjecten niet samenvalt met het onderscheid industriële werkobjecten versus buitenobjecten? Alhoewel het niet wordt beoogd, zal door de voorgestelde wijziging van artikel 13 een versnelde vervanging van de zogenaamde buitenobjecten door werkzaamheden in de industriële sfeer niet in de rede liggen. Hoe ligt de verhouding bij de buitenobjecten tussen de geldelijke en de niet-geldelijke opbrengst opleverende werkzaanv heden? Kunnen echt de overheadkosten in verband met huisvesting, gereedschappen, machines en toezicht tegen elkaar in beide gevallen worden weggestreept? Inzake de ontwikkeling van de groei van het werknemersbestand in de sociale werkvoorziening en het karakter van de in artikel 7 van de WSW vervatte bevorderingsplicht wil ik de Staatssecretaris nog het volgende onder de aandacht brengen. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt gezegd dat onder de huidige omstandigheden een voorzichtig en selectief beleid met betrekking tot de indienstneming van nieuwe werknemers geboden lijkt. Moet uit deze voorzichtige bewoordingen worden afgeleid dat het streven om voor een eventuele restcapaciteit van WAO-uitkeringsgerechtigden op basis van vrijwilligheid een emplooi te zoeken in de sociale werkvoorziening niet zal worden gedwarsboomd? Het alternatief van de VNG met betrekking tot een ander financieringsstelsel, te weten een overheveling van de gelden, welke nu via artikel 14 van het Financieel Verhoudingsbesluit 1960 naar de gemeenten vloeien, naar de algemene uitkering van het Gemeentefonds, wordt onder andere afgedaan met de tegenwerping dat in dit alternatief sprake blijft van een meerkanalig systeem, waardoor de beoog-de eenvoud en doorzichtigheid van het stelsel, welke met name voor de bestuurders en directies van de werkverbanden grote waarde hebben, niet zou worden bereikt. Maar is dat wel helemaal juist? Is er ook bij het voorstel van de Staatssecretaris niet sprake van een meerkanalig systeem, namelijk een financiering via de begroting van Sociale Zaken en via de algemene middelen van de gemeenten? Doorslaggevender lijkt mij het argument dat kenmerkend voor de algemene uitkering uit het Gemeentefonds is dat verdeling plaatsvindt op grond van algemeen geldende maatstaven. Maar deze zijn nauwelijks te vinden, omdat de lasten van de gemeenten afhankelijk zijn van de nadelige saldi van de werkverbanden, welke sterk kunnen fluctueren. Dat het gewijzigde financieringsstelsel per 1 januari 1982 zal ingaan kan rekenen op de steun van mijn fractie,

echter met betrekking tot de datum van invoering van de voorgestelde wijzigingen betreffende de niet-geldelijke opbrengst opleverende objecten zou ik gaarne willen vernemen in hoeverre de voorbereiding" en uitvoeringsbesluiten reeds zijn gevorderd, opdat na aanneming van de wetswijziging, zo spoedig mogelijk tot effectuering zou kunnen worden overgegaan? De vrees voor een mogelijke aantasting van de eigen beleidsruimte van de gemeentebesturen en voor een bevoogdend optreden van de Rijksconsulenten is inderdaad in belangrijke mate weggenomen. Mij rest in dit verband toch nog een vraag. Gezegd wordt dat een gemeente-of schapsbestuur dat zich ook bij nadere overweging niet naar het advies van de consulent wenst te richten, doch met het oog op mogelijke financiële consequenties zich ervan wil vergewissen of het oordeel van de consulent door de Minister wordt gedeeld, daartoe vanzelfsprekend de mogelijkheid heeft. Maar wat zal dan werkelijk de doorslag geven? Het lijkt mij wel gewenst dat in dit stadium hierover de nodige opheldering wordt verschaft. Heeft de schriftelijke bereidheid tot nader beraad omtrent de advisering van de Rijksconsulent ten aanzien van de voorziening in leidinggevende functionarissen in de lijnorganisatie te beperken reeds een vruchtbaar resultaat opgeleverd? Na doorvoering van de onderhavige wetswijziging zal een aanwijzing als werkobject zonder geldelijke opbrengst niet meer mogelijk zijn indien en voorzover zulks werkzaamheden ten behoeve van een overheidslichaam of een non-profit instelling betreft, welke vereist zijn voor de noodzakelijke voortgang van de uitvoering van taken die door het betrokken overheidslichaam of de instelling uit hoofde van hun verantwoordelijkheid en/of doelstelling in elk geval verricht dienen te worden, behoudens gevallen waarin het gaat om een korte 'proefperiode', voorafgaande aan een beslissing omtrent indienstneming door de betrokken rechtspersoon. Wat moet eigenlijk worden begrepen onder een korte 'proefperiode'? Welke begrenzing in de tijd zal door deze proef worden gedekt? De Staatssecretaris schrijft dat de vraag wat het zou kosten als geen onderscheid zou worden gemaakt tussen (geldelijke) baten en niet (geldelijke) baten opleverende werkobjecten bezwaarlijk exact valt te beantwoorden.

Maar op welke gronden is dan niet aan twijfel onderhevig dat een 'dergelijk beleid tot een aanzienlijke en ondoorzichtige verdere stijging van de overheidsuitgaven voor sociale werkvoorziening zou leiden welke uit een oogpunt van verantwoorde besteding van overheidsmiddelen onverantwoord zou zijn? Afsluitend zou ik willen opmerken dat de voorgestelde wijzigingen van de Wet Sociale Werkvoorziening niet direct stuit op bezwaren onzerzijds. Ook mijn fractie vindt dat in deze sector met zuinigheid en vlijt dient te worden omgegaan met overheidsgelden, temeer als we letten op de steeds verder inkrimpende prognoses als het gaat om de afkalving van de werkgelegenheid in relatie tot de zorg van de sociale zekerheid. Maareen uiteindelijk oordeel zou ik willen voorbehouden na beantwoording van de vragen die ik thans in mijn bijdrage heb gesteld. Met name gezien de doelstelling van de WSW om mogelijkheden te scheppen voor mensen, die op een andere wijze niet of niet meer in het arbeidsproces kunnen worden opgenomen, om toch een zinvolle en verantwoorde arbeid te laten verrichten, aangepast aan de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van betrokkene, vinden wij dat instituut van de WSW een zeer belangrijke plaats vervult, ook vanuit de Bijbelse visie op de mens en zijn arbeid. Arbeid is niet alleen een vloek. Die slaat op de omstandigheden, waaronder de arbeid moet worden verricht. Arbeid is met name ook een zegen. Vandaar dat onze fractie de WSW-regeling altijd al een van de beste regelingen heeft gevonden.

©

A.W. (Walter)  PaulisDe heer Paulis (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Eind 1980 bereikte ons een ontwerp van wet tot wijziging van de Wet sociale werkvoorziening. Het is wellicht goed, er even bij stil te staan, dat dit de derde wijziging van deze wet is sinds de invoering van de wet in 1969. Alleen al hieruit moge blijken dat destijds een goede wet tot stand gekomen is, in het belang van de gehandicapte mens, voor zover hij op arbeid in loondienst is aangewezen en niet of niet meer in het vrije bedrijf terecht kan. In het kader van het nu aan de orde zijnde wetsontwerp zullen wij thans niet ingaan op het voornemen van de Staatssecretaris om de mogelijkheden van tewerkstelling van gehandicapten in het vrije bedrijf en bij de overheid wezenlijk te verruimen in het kader

van de '5%-regeling'. Hoe staat het overigens met het hierop betrekking hebbende wetsontwerp? We hadden dit toch al lang in ons bezit moeten hebben om het nog vóór de verkiezingen te kunnen afhandelen. In feite is dat al niet meer mogelijk. Wij zien dit toch als een gemiste kans. Overigens hechten wij zoveel waarde aan deze zaak, die voor de gehandicapten van groot belang is, dat de CDA-fractie in beginsel bereid is, deze aangelegenheid ook met een demissionair kabinet te behandelen. In het Internationale jaar van de gehandicapten, maar ook het jaar van verslechterende economische omstandigheden op alle terreinen, ligt een wijzigingsvoorstel voor ons waar-van de bewindsman stelt, dat het het karakter en de doelstelling van de WSW onverlet zal laten. Wij zouden ook onze medewerking hieraan niet verlenen als ten aanzien daarvan ook maar enige onduidelijkheid bestond. De hoofdkenmerken van het wijzigingsvoorstel zijn vereenvoudiging van het financieringsstelsel, vergroting van de doelmatigheid en van de mogelijkheden tot kostenbeïnvloeding en het streven om te komen tot een eenduidig beleid ter zake van het aanwijzen van werkobjecten zonder geldelijke opbrengst. Op elk van deze kenmerken zal ik nader ingaan. Ik begin met de vereenvoudiging van het financieringsstelsel. Hoewel het uit de historie verklaarbaar is, rijst de vraag, of er inderdaad voldoende steekhoudende argumenten zijn om het meerkanalig vergoedingensysteem -gedeeltelijk via Sociale Zaken en ten dele via het Gemeentefonds -nog langer te handhaven. Met anderen hebben wij vastgesteld, dat het huidige systeem ingewikkeld en weinig doorzichtig is. Dit geldt zowel voor de vergoedingen via het ministerie van Sociale Zaken als voor die via het Gemeentefonds. Het voorgestelde systeem van 100% vergoeding van de lonen, sociale lasten en andere financiële aanspraken van WSW-werknemers -de primaire vergoeding -en de vergoeding van 80% van de daarvoor in aanmerking komende resterende exploitatietekorten, achten wij een wezenlijke vereenvoudiging, voor beide kanalen. Dat het voorstel ondanks de duidelijke vereenvoudiging toch nogal wat reacties zou oproepen, lag voor de hand. Met name de VNG heeft getracht, de Staatssecretaris een ander systeem van financiering te laten kiezen. Hierbij zou nog steeds van een meerkanalig systeem sprake zijn.

Na afweging van alle factoren, ook de tendens tot centralisering, die toch enigszins in het voorstel lijkt opgesloten, hebben wij gemeend, in te moeten stemmen met het voorstel van de Staatssecretaris, te meer omdat de effecten van de voorgenomen wijzigingen van het financieringsstelsel als geheel, dus ook rekening houdend met de vervoerskosten, overwegend positief zijn. Er zijn bepaald nog wel marges in de vervoerskosten. Bovendien is onze fractie ervan uitgegaan, dat het meer een technische -zij het niet onbelangrijke -dan een fundamentele wijziging is. De vraag rijst overigens, of er geen aanleiding is om te komen tot een meer fundamentele beschouwing van de sociale werkvoorziening. Wij doelen op het door de Regering in gang gezette proces van decentralisatie van rijkstaken, neergelegd in de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 1980. In de lijst van onderwerpen waarbij het kabinet eventueel decentralisatiemogelijkheden gaan onderzoeken, wordt onder het hoofd 'sociale zaken' de mogelijke toekomstige positievan de rijksconsulenten aangeduid. Wij vragen ons af, of het geen aanbeveling verdient, te onderzoeken, of de WSW zich als zodanig niet voor meer decentralisatie, dus niet alleen wat de uitvoering betreft, leent. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier tegenaan? Wij verwijzen in dit kader ook nog naar de recent door een aantal organi-satie-adviseurs uitgebrachte discussienota over knelpunten in de sociale werkvoorziening, gericht op nadere bezinning op het landelijk beleid. Het is hier niet de plaats om nu daarop uitvoerig in te gaan. Wij volstaan met te constateren, dat daarin nogal wat aan de orde wordt gesteld. De conclusies en aanbevelingen zijn bepaald niet van marginale aard. Men zal begrijpen, dat het ons zeker niet verbaasd heeft, dat ook de decentralisatie in deze discussienota aan de orde komt. Een decentralisatie moet, aldus de opstellers, leiden tot een andersoortige en vaak minder gedetailleerde bemoeienis van de rijksoverheid. Die opvatting leeft duidelijk ook bij de VNG en bij mijn vriend Wagtmans van de sociale werkvoorziening in het Westbrabantse. Wij stellen het op prijs, als de Staatssecretaris ten aanzien van deze nota een eerste reactie wil geven. Ik kom te spreken over vergroting van de doelmatigheid en van de mogelijkheden tot kostenbeïnvloeding.

Dat bij de rijksoverheid, die in hoofdzaak de financiële lasten van een sociale werkvoorziening draagt, de behoefte bestaat om reële beïnvloedingsmogelijkheden te hebben wat de doelmatigheid betreft, begrijpen wij zeer wel. Dit geldt evenzeer voor de beïnvloedingsmogelijkheid van de kostenontwikkeling. Met de erkenning hiervan raken wij natuurlijk wel een uiterst belangrijk punt aan inzake de uitvoering van de wet. Deze is namelijk niet in handen gelegd van de rijksoverheid, maar in die van de gemeente, zulks in het kader van de gedecentraliseerde wetsuitvoering. Hierbij komt weer het spanningsveld tussen centralisatie en decentralisatie om de hoek kijken. In het voorlopig verslag hebben wij van onze ongerustheid doen blijken wat de noodzaak betreft tot behoud van voldoende eigen beleidsruimte voor de gemeentebesturen. De memorie van antwoord heeft veel van onze zorgen op dit punt weggenomen. Weilicht ten overvloede wijzen wij er nog eens op: houdt de gemeenten niette strak aan de teugel! Bij de uitvoering van de wet zullen zij slagvaardig en flexibel moeten kunnen opereren. De opvatting van de Staatssecretaris, dat de lagere overheid voldoen-de armslag behoort te houden om de wetsuitvoering naar aard en omvang op plaatselijke en regionale behoeften af te stemmen, maken wij gaarne tot de onze. Hiervan uitgaande, zullen wij ons ook niet verzetten tegen het in een aantal met name genoemde situaties voorafgaande, vereiste schriftelijk advies van de rijksconsulent. Wij verwijzen ten aanzien hiervan eveneens naar de nadere toelichting in de memorie van antwoord. Wij blijven ons verzetten tegen het vereiste schriftelijk advies vooraf bij het aantrekken van stafpersoneel, ongeacht het niveau. Uitgaande van de verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid van de gemeentebesturen bij het aantrekken van personeel in het algemeen, vermogen wij niet in te zien dat hen bij het aantrekken van stafpersoneel niet dezelfde ruimte en vrijheid kan worden gelaten als de Staatssecretaris wel bereid is te doen ten aanzien van hoger leidinggevend personeel. Wij vragen de Staatssecretaris nogmaals met aandrang om ons op dit punt tegemoet te komen; de gemeenten zullen een positieve opstelling als een blijk van wederzijds vertrouwen zien. Nu wij toch ook even over het ambtelijk personeel gesproken hebben, willen wij de Staatssecretaris vragen hoe het staat met het onderzoek om tot aanpassing van de toetsingsnormen voor het leidinggevend personeel. Hiermee is men toch reeds zeer geruime tijd bezig? Kan hiervan geen afronding binnen afzienbare tijd tegemoet worden gezien? Afhankelijk van het antwoord van de Staatssecretaris zullen wij in tweede termijn hierover een uitspraak aan de Kamervragen. Op het punt van de doelmatigheid en de mogelijkheden tot kostenbeïnvloeding verzoeken wij de Staatssecretaris om over twee a drie jaar de opgedane ervaringen in het kader van artikel 42b te evalueren. In dit artikel is met name de verplichting van de gemeentebesturen tot de voorafgaande schriftelijke advisering van de rijksconsulent vastgelegd. Wij hechten bepaald aan deze evaluatie. Ik wil nog iets zeggen over het streven om te komen tot een meer eenduidig beleid inzake de aanwijzing van werkobjecten zonder geldelijke opbrengst. In het voor ons liggende ontwerp is dit ongetwijfeld het meest gevoelige punt. Ik gebruik het woord 'ongetwijfeld', omdat hierbij de mens, de gehandicapte mens, direct op de voorgrond treedt. In de loop van de jaren zijn bij gebrek aan baten opleverende objecten op tal van plaatsen werkobjecten zonder geldelijke opbrengst tot stand gebracht, vooral in de zwakke regio's. In de praktijk blijkt dat zich bij sommige gemeenten ten aanzien van de uitvoering van werkobjecten zonder geldelijke opbrengst, nogal aanmerkelijke beleidsverschillen hebben voorgedaan. Die brengen de Staatssecretaris er thans toe, in artikel 13 de puntjes op de i te zetten. Voor een aantal gemeenten was bij een gering werkaanbod in de betalende sfeer en een hoog werknemersaanbod echter geen andere mogelijkheid aanwezig dan tewerkstelling in de niet baten opleverende sfeer, ook al betrof het wellicht objecten die bij een nauwere toetsing baten opleverend hadden moeten zijn. Wij doelen daarbij in het bijzonder op het laten uitvoeren van objecten met een meer structureel karakter, die na realisering bij de sociale werkvoorziening in onderhoud werden gegeven. Dat gemeenten in de zwakkere regio's -met een zeer geringe financiële armslag -soms naar dit soort oplossingen hebben moeten grijpen, is de Staatssecretaris overigens bekend, want ook in die gevallen was hij hierbij door middel van de rijksconsulent betrokken. Onze opmerking is dan ook niet bedoeld als een verwijt, doch als een feitelijke constatering. Wij moeten hier-

mee nu wel rekening houden. De laatstgenoemde gemeenten mogen niet in de situatie terechtkomen dat zij objecten moeten afstoten en mensen moeten ontslaan. Helaas heeft de Staatssecretaris ons pleidooi om alle thans bestaande niet baten opleveren-de objecten zonder restricties te handhaven, in de memorie van antwoord van de hand gewezen. De CDA-fractie kan zich hiermee enigszins verzoenen, daar de Staatssecretaris in de memorie van antwoord ook stelt dat hij -verwijzende naarde voorgestelde wijzigingen -tezelfdertijd oog heeft voor de problemen welke als gevolg daarvan voor bepaalde gemeentebesturen of andere overheidslichamen c.q. "instellingen vanuit historisch gegroeide situaties rijzen. Met instemming hebben wij er kennis van genomen dat de Staatssecretaris bereid is, voor het groeien naar een aanvaardbare geldelijke vergoeding voor daarvoor in aanmerking komende werkobjecten een periode van maximaal vijfjaar aanvaardbaar te achten. Uit hetgeen wij gezegd hebben met betrekking tot werkobjecten zonder geldelijke steun is duidelijk dat wij in-stemmen met de wijzigingen van artikel 13, zij het dat wij nogmaals pleiten voor behoedzaamheid bij de uitvoering daarvan. Naar onze mening is het erg belangrijk, aan de werknemers duidelijk te maken dat door deze wijziging niemand zijn arbeidsplaats zal behoeven te verliezen. Op dit punt heeft collega De Voogd een amendement in-gediend. Wij spreken ons daarover nu niet definitief uit, maar de strekking lijkt ons sympathiek. Tijdens de schriftelijke voorbereiding van de wetsontwerp zijn verschillende punten aan de orde gesteld die geen rechtstreeks verband houden met, maar toch van wezenlijk belang zijn voor de gehele sociale werkvoorziening. Wij denken daarbij onder andere aan de bevorderingsplicht en het fenomeen deeltijdarbeid. Ik maak overigens ook een opmerking met betrekking tot hetgeen de heer Knol heeft gezegd over vakonderwijs en vorming van jongeren in de WSW. Ook wij zijn hiernaar erg benieuwd. Het punt heeft onze duidelijke belangstelling. Wij hopen dat de informatie van de heer Knol niet juist is. Ik maak voorts een opmerking in het kader van de niet baten opleverende objecten naar aanleiding van berichten die ons uit Groningen bereikten, namelijk dat daar bepaalde kosten die ten laste van de gemeentebesturen komen -10% -niet meer worden aangemerkt als kosten van sociale zorg. Wanneer dat waar is, dan zien wij graag dat dit -vooruitlopend op deze wetswijziging -niet wordt gerealiseerd. Er is naar ons oordeel geen aanleiding, het bestaande beleid op dit moment reeds te veranderen. Diverse collega's hebben al gesproken over de bevorderingsplicht en de deeltijdarbeid. Daaruit kan men afleiden hoe belangrijk dit punt ook voor de sociale werkvoorziening is. De CDA-fractie ziet deeltijdarbeid niet als het wondermiddel voor de gehele werkgelegenheidsproblematiek. Wij zien het echter wèl als een instrument dat een wezenlijke bijdrage kan leveren aan de verkleining van de werkgelegenheidsproblemen, en dat niet alleen bij het vrije bedrijf of de overheid in engere zin, maar ook in de sociale werkvoorziening. De sociale werkvoorziening verstaan wij dan in totale zin, dus zowel betrekking hebbend op de werknemers die een dienstverband hebben ingevolge de sociale werkvoorziening, als betrekking hebbend op het ambtelijk personeel. Wij hebben dan ook met instemming kennis genomen van de studies die op dit punt met het oog op de sociale werkvoorziening worden verricht. Wij dringen er bij de Staatssecretaris op aan, zo veel mogelijk te bevorderen dat de vakbeweging, de VNG en de departementale werkgroep hun adviezen op korte termijn uitbrengen, zodat het hem mogelijk is, richtlijnen met betrekking tot deeltijdarbeid aan het veld te verstrekken. Sprekend over de bevorderingsplicht, raken wij een wezenlijk punt van de sociale werkvoorziening. Vanuit deze plicht is het oorspronkelijk bescheiden gebouw van de sociale werkvoorziening uitgegroeid tot een onderkomen voor in totaal meer dan 80.000 mensen: 75.000 werknemers krachtens de Wet sociale werkvoorziening en ruim 7000 ambtenaren. De sociale werkvoorziening is niet alleen een groot huis, maar ook een zeer kostbaar huis geworden. Gelet op de geweldige problemen waarmee de Regering te maken heeft, achten wij het begrijpelijk dat zij aan de ontwikkeling van de sociale werkvoorziening die wij in de afgelopen jaren hebben gezien, beperkingen moet opleggen. Dit is gebeurd door het terugbrengen van het groeipercentage tot 3 en later tot 2, terwijl wij op dit moment zelfs met een streven naar een nulgroei worden geconfronteerd.

Dit alles achten wij begrijpelijk en niet onaanvaardbaar, gelet op de omstandigheden. Wij zeggen echter nogmaals dat dit slechts geldt onder de voorwaarde van het handhaven van het karakter en de doelstelling van de wet. De effectuering van hetgeen wij over de bevorderingsplicht en het hiermee verband houdende volumebeleid hebben gezegd, stelt vooral de gemeentebesturen voor moeilijke beslissingen. De aandrang, meer mensen in de sociale werkvoorziening te plaatsen, zal eerder toedan afnemen, gelet op de langdurige werkloosheid van velen. Toch zal men zich hiertegen, zij het met pijn in het hart, moeten verzetten. Willen wij de sociale werkvoorziening overeind kunnen houden voor de mensen, waarvoor zij is bedoeld, dan kan het niet anders. Wij realiseren ons intussen dat stringenter toelatingsbeleid kan leiden tot wachtlijsten. De Staatssecretaris heeft verleden week aangegeven dat op dit moment effectief 3300 mensen op de wachtlijsten staan. Dit is geen gering aantal. Wij pleiten ervoor, bij toelating niet alleen de chronologische volgorde van aanmelding in aanmerking te nemen, maar meer nog de noodzaak tot plaatsing te toetsen aan de individuele omstandigheden van de kandidaat-werknemers. De ene mens is de andere niet. Afhankelijk van de omstandigheden waarin iemand zich bevindt, kan het noodzakelijk zijn dat de een voor de ander gaat. Wij zijn ons er van bewust dat elementen van subjectiviteit hierbij een rol kunnen spelen en dat deze benadering het voor de plaatsen-de instanties niet gemakkelijker maakt. Ervan uitgaande dat de Staatssecretaris onze opvattingen deelt, vragen wij hem, deze zienswijze aan de gemeentebesturen ter kennis te brengen. Overigens verwijst de Staatssecretaris niet geheel ten onrechte naar de jaarlijkse uitstroom van 10% a 1 5%, waardoor het zeker mogelijk blijft, hen die hieraan het meeste behoefte hebben, tot de sociale werkvoorziening toe te laten. De heer Van Dis krijgt op zijn vraag over de doorstroming ongetwijfeld antwoord van de Staatssecretaris. De doorstroming is zeer gering; zij bedraagt per jaar 1% a 2%. Ditachten wij veel te weinig. Vanmorgen lazen wij in de krant dat de Staatssecretaris voornemens is, de regeling voor vervroegd uittreden permanentte maken. Wij zijn hierover verheugd en hopen dat een en ander snel zijn beslag krijgt.

Als wij over de uitstroom spreken, dringt zich de gedachte aan de overheid zelf, de ambtelijke status, op. Het is bekend dat de eisen die het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en het ambtenaarschap in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet een hoge drempel vormen. Bij herhaling heeft het CDA voor een verlaging er-van gepleit. Wij verwijzen naar de op dit punt betrekking hebbende motie-Weijers. In de uitgebreide commissievergadering over overheidspersoneelsbeleid van 3 november 1980 is ook hiernaar verwezen. Hoe staat het hiermee? Kan de Staatssecretaris ons iets meer hoop geven op een oplossing van het vraagstuk op niet al lange termijn? De slechting van deze barriè-re kan een bescheiden bijdrage leveren tot het overeind houden van de sociale werkvoorziening. Overigens leven de opvattingen die ik heb uitgesproken, ook bij andere fracties. Collega Knol heeft hierover ook gesproken. Het overreind houden van de sociale werkvoorziening vereist niet alleen in-spanning van de overheid. Ook het Nederlandse bedrijfsleven heeft een grote verantwoordelijkheid in dezen, juist nu bedrijven vaak zelf op de tocht staan. Uitgaande van dezelfde spelregels die voor het bedrijfsleven gelden -wij denken aan de concurrentie -heeft de sociale werkvoorziening en hebben de tienduizenden gehandicapten hierin recht op een redelijk aandeel van de kleiner wordende economische koek. Het bedrijfsleven heeft een te lange, veelal profijtelijke relatie in goede tijden met de sociale werkvoorziening gehad dan dat het nu om haar heen zou kunnen fietsen. Gaarne zouden wij de opvattingen van de Staatssecretaris vernemen over hetgeen wij hier hebben gesteld. Met de kritische kanttekeningen die ik op enkele punten heb gemaakt, stemt de CDA-fractie in met het voorliggende voorstel tot wetswijziging. Met belangstelling wachten wij de reactie van de Staatssecretaris af. De sociale werkvoorziening kan, binnen de beperkter wordende mogelijkheden, op krachtiger steun van de CDA-fractie blijven rekenen.

©

M. (Marcus)  BakkerDe heer Bakker (CPN): Mijnheer de Voorzitter! Het is altijd een voorrecht, te mogen spreken na iemand die voor het eerst in het openbaar in de Kamer het woord heeft gevoerd. Dat geldt ook voor de heer Paulis, die overigens, met name bij enkele stemmingen van de afgelopen tijd, bij mijn weten al nadrukkelijk van zijn aanwezigheid heeft doen blijken. Het is trouwens extra boeiend omdat de heer Paulis in zijn eerste redevoering meteen een belangwekkend punt heeft geïntroduceerd. Hij heeft dit onderwerp verruimd door in de aanvang van zijn betoog ook te spreken over de wet inzake de 5%-regeling, en door namens zijn fractie mee te delen dat het CDA eventueel bereid is, die wet onder een demissionair kabinet te behandelen. Ik wijs erop dat dit natuurlijk van de inhoud van dat wetsontwerp zal afhangen; van de vraag of dat wetsontwerp al dan niet controversieel zal zijn. Laten wij hopen dat dat niet het geval zal zijn. De behandeling van het onderhavige wetsontwerp is wel erg snel gegaan. De schriftelijke gedachtenwisseling is echter zeer uitvoerig geweest. Daarin zijn, ook door de Staatssecretaris, veel cijfermatige gegevens over tafel geschoven. Met de cijfers in de memorie van toelichting en in de memorie van antwoord heeft de Staatssecretaris zijn betoog onderbouwd dat in de nieuwe regeling, globaal gesproken, geen sprake zal zijn van een verandering in de financiële bijdragen van het Rijk en van de gemeenten. In deze regeling zal alleen in zoverre iets veranderen dat bij het Rijk sprake zal zijn van een uitkering uit één kas, namelijk die van het departement van Sociale Zaken, terwijl bij de gemeenten in het uiteindelijk effect, volgens de cijfers van de Staatssecretaris, slechts enkele onderlinge verschuivingen zullen plaatsvinden die -alweer volgens die cijfers -betrekkelijk beperkt zouden zijn. Ik wil daarover meteen een vraag stellen, omdat ik met de cijfers die de Staatssecretaris in de memorie van toelichting en in de memorie van antwoord heeft gegeven enkele moeilijkheden heb. In de memorie van toelichting op blz. 14 komt een staatje voor daarin wordt berekend dat het nieuwe systeem in 52 gevallen voor gemeenten nadelig zal uitpakken, terwijl het in 64 gevallen voordelig zal uitpakken. Daarbij hebben cijfers van 1978 als vergelijkingsbasis gediend. In de memorie van antwoord staat een compleet, zeer uitvoerig overzicht per werkplaats, op de bladzijden 11 en 13. Daaruit blijkt dat het nieuwe systeem in 39 gevallen nadelig zou zijn en in 79 gevallen voordelig. In totaal zijn het er 2 meer, maar dat kan komen doordat het voor gemeenten gelijk blijft of doordat er via een gemeente of een schap een werkplaats bijgekomen is.

Ik ben benieuwd hoe dit merkwaardige verschil -er wordt uitgegaan van anderssoortige benaderingen, maar het slaat op hetzelfde aantal werkplaatsen -te verklaren is. Is de verklaring wellicht dat er in 1979 ten opzichte van 1978 al een belangrijke ontwikkeling ten nadele van de gemeenten heeft plaatsgevonden? ledere keer als je dan verder gaat met je berekening, zal het aantal gemeenten dat uiteindelijk voordeel zal hebben groter worden. Als je nameljk al een nadeel in het oude systeem hebt ingebouwd, kom je daar uiteindelijk wel. Is dit de uitwerking van de circulaire van 1978? De cijfers doen het dus voorkomen alsof de nieuwe regeling voor het overgrote deel van de instellingen voordelig zal zijn. Juist in dat licht vraag ik mij af waarom de Staatssecretaris op zo'n ontzaglijke haast heeft aangedrongen en waarom hij zo sterk staat op de terugwerkende kracht van de regeling. Opmerkelijk is, zoals ik al gezegd heb, dat een en ander volgens de laatste berekeningen voor het totaal van de gemeenten als men het rentevoordeel meeneemt -en dat mag men zonder enige twijfel -voordeliger uitkomt. Dat is een interessant punt, omdat in de memorie van toelichting met zoveel nadruk wordt gesproken over de kostenbeheersing. Die staat zeer hoog genoteerd in de totale opzet van het wetsontwerp. Als wij deze cijfers zien, zou eigenlijk de hele kostenbeheersing in de vorm van beperking geen enkele rol spelen. Zou dat misschien over vijf jaar, na het aflopen van een aantal regelingen, materieel beginnen te worden? Ik zie dus een tegenstelling tussen de geweldige nadruk dit de Staatssecretaris op de kostenbeheersing legt en zijn uiteenzetting dat het eigenlijk voor het overgrote deel van de gemeenten beter zal worden. Ik denk dat de vergelijkingsbasis verkeerd is en dat wij niet moeten kijken naar de huidige cijfers, die gebaseerd zijn op wat er bestaat aan WSW-werken, maar naar een andere werkelijkheid, namelijk de middelen die de Staatssecretaris in de hand krijgt om én via de consulenten én via de centrale financiering het totaal van de uitgaven in de komende periode te drukken. Waarschijnlijk is de opzet aanwezig om in het algemeen de diensten goedkoper te maken en daardoor op langere termijn minder geld hiervoor uit te geven.

De heer De Voogd (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De heer Bakker trekt een vergelijking tussen het aantal gemeen-

ten dat erop vooruit gaat en het aantal dat erop achteruit gaat. Hoe is het echter in guldens uitgedrukt? Komt hij dan tot dezelfde conclusie?

De heer Bakker (CPN): De cijfers, die staan in de memorie van toelichting en de cijfers, die staan in de memorie van antwoord geven, zij het op verschillen-de manieren gegroepeerd, aan dat de totaaluitkomst voor de gemeenten in het nieuwe systeem beter zou zijn dan deze op het ogenblik is.

De heer De Voogd (VVD): In guldens uitgedrukt, bedoelt u?

De heer Bakker (CPN): In guldens uitgedrukt, ja. Dat mag je ook bij een vergelijking tussen de cijfers van 1978 of 1979 en die van nu wel doen, want er zijn geen geweldige inflatieverschillen. Mijnheer de Voorzitter! Wat is het kostenbeheersende motief? Is het niet de bedoeling, een instrumentarium in handen te krijgen, waarmee je een en ander op langere termijn belangrijk naar beneden kan drukken? Ik denk in het bijzonder aan het geval, waarin een toename van de werkloosheid via allerlei kanalen zou leiden tot een grotere drang om mensen in de WSW op te nemen. Over dit punt heeft ook de heer Van Dis gesproken. Ik denk dat een werkelijke vergelijking pas mogelijk is als zo'n vijf jaarna 1978 of 1979 de nieuwe cijfers beschikbaar zijn en dat dan wel eens een heel ander beeld zou kunnen ontstaan. Dan gaan in hun totaliteit de factoren werken van een verminderde kans op industriële opdrachten of op opdrachten van anderen van dezelfde aard (opbrengende projecten) en van het verminderen van mogelijkheden tot niet opleverende objecten, onder meer via de beperking die artikel 13.3.C aanbrengt, waarbij ook de rol van de consulenten naar voren komt. Wat hierbij bovendien dreigt te gaan werken in de komende tijd is een plafond in de begrotingsbedragen. Daartoe krijgt de Staatssecretaris nu het middel. Een van de voornaamste onderdelen van de operatie is immers -van alle kanten is stroomlijning van het systeem toegejuicht -dat definancieringsbron, die met enige rek kon worden aangewend tot nu toe omdat deze passief functioneerde -het Gemeentefonds -uitgeschakeld wordt. Daarom vrees ik dat wat nu 'beheersing' heet, op tamelijk korte termijn dreigt te worden: beperking. Daarbij zullen zulke factoren als het niet vergoeden van vervoer en van primaire kosten van lijnfunctionarissen een rol spelen.

Het komt ons voor,dat een van de grootste veranderingen zal plaatsvinden via het al genoemde artikel 13.3.C Van nu af aan wordt het verboden om in de WSW taken uitte voeren die met name de gemeente in elk geval zou moeten uitvoeren. Dan kom je op het punt dat in een reeks gemeenten of schappen -ik denk aan Oost-Groningen en Drenthe -dit een zeer grote rol zal spelen. Het gaat om gemeenten die al gedurende lange tijd een hoog werkloosheidspercentage hebben en zeer grote moeilijkheden hebben bij het plaatsen van mensen. Wat is daar nu precies in de afgelopen jaren gebeurd? Vaak zijn in het kader van de WSW verhoudingsgewijs ruime sport-en recreatieterreinen en ruime plantsoenen aangelegd, omdat daar een mogelijkheid lag aan de grote toestroom naar de WSW ruimte te geven. Als men in Oost-Groningen komt, ziet men precies, welke objecten daar tot stand zijn gekomen. Die objecten zijn buitengewoon arbeidsintensief en zij zijn aan alle kanten nuttig geweest, nuttig voor de tewerkstelling van de gehandicapten, nuttig ook voor de bevolking. Als men ooit spreekt over een vorm van integratie, dan is dit in wezen een buitengewoon belangrijke vorm van integratie van gehandicapten geweest. Het gevolg van dit soort aanleg is natuurlijk ook -de heer Knol had het hierover in verband met een persoon in een zwembad -dat er een relatief uitgebreid onderhoud nodig is. Daarbij spelen plantsoenen en onderhoud daarvan een grote rol. Gemeenten hebben vaak mensen uit de categorie, die de aanleg hebben verzorgd ook betrokken bij dat onderhoud. Dat is op zich zelf logisch, want het is één kringloop. Nu dreigt, dat dit soort activiteiten straks in strijd komt met de wet, dat het een oneigenlijk gebruik wordt -ik gebruik nu een voor de Staatssecretaris bekende term -van de WSW en dat de gemeenten voor de plicht worden gesteld om hiervoor gemeenteambtenaren aan te stellen, te betalen uit hun gemeentelijke, afgeronde budget. De vraag rijst, welke weg dan zal worden ingeslagen. Als men daarvoor ambtenaren -mensen van de plantsoenendienst of mensen in de recreatiedienst, of hoe die diensten ook mogen heten -aanstelt, dan komt men eenvoudig met de gemeentelijke begroting in de knel, omdat deze begroting daardoor niet groter wordt. Het enige middel dat zich straks dan zal voordoen, is dat men WSW-ers die tot nog toe in die categorie te werk zijn gesteld gaat afstoten. Zij komen dan terecht in de WW, waarvoor wij vorige week het bedje hebben zien spreiden. Een ander risico is dat het zal leiden tot verwaarlozing van de desbetreffen-de objecten, omdat de verzorging daarvan nergens meer past en omdat de gemeenten geen geld hebben om datgene, wat zij niet via de WSW kunnen doen via de normale gemeentelijke begroting te verzorgen. Er zal dan niet alleen een drastische beperking van nieuwe objecten komen, maar er zal ook bij de gemeenten een zeer grote aarzeling ontstaan om wat voor object ook te beginnen, als zij weten dat zij straks voor een onmogelijke taak komen wat het onderhoud en het op niveau houden betreft. De Staatssecretaris heeft in zijn stukken zeer omzichtig gesproken over de mogelijkheden in de komende jaren voor de opleverende objecten. Kan hij hieromtrent iets meer in bijzonderheden treden. Wat is de tendens? De heer Paulis heeft al gewezen op de rol, die de industrie in dit verband kan spelen. Ik zou van de Staatssecretaris wat meer precieze aanwijzingen willen vernemen. Ik denk dat er wat dit betreft reden is voor zeer grote zorg. Mijnheer de Voorzitter! Wij vrezen dat op korte termijn, bij een groei van de werkloosheid en van de druk op de WSW, deze wet een belangrijke dam zal vormen zodat de wet eerder zal leiden tot een beperking van het gebruik van de WSW dan tot de groei van een mogelijkheid om gehandicapten op te vangen. De algemene beraadslaging wordt geschorst. De vergadering wordt van 12.36 uur tot 13.15 uur geschorst.

©

De Voorzitter: De ingekomen stukken staan op een lijst, die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik ook voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het ein-de van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd. Het Presidium heeft met eenparigheid van stemmen besloten te stellen in handen van: a. de vaste Commissie voor Justitie: wetsontwerp Wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering inzake het dagvaarden en horen van getuigen en deskundigen ter terechtzitting (16652); b. de vaste Commissie voor Verkeer en Waterstaat: wetsontwerp houden-de een Voorziening inzake de bevoegdheid tot geslotenverklaring van wegen voor motorrijtuigen (16667).

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.