Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op de inkonv stenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964 alsmede van enkele andere wetten (samenvoeging van de bestaande kinderbijslagregelingen tot een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte kinderbijslagverzekering van het eerste kind af en afschaffing van de kinderaftrek van de loon-en inkomstenbelasting) (15683).

©

De Voorzitter: Mij is gevraagd, de beraadslaging te heropenen. Ik stel voor, aan dat verzoek te voldoen. Daartoe wordt besloten.

Dekkingsplan Kinderbijslagverzekering

©

C. (Stan)  PoppeDe heer Poppe (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb heropening van de beraadslaging over dit wetsontwerp gevraagd, mede naar aanleiding van een brief die wij vanmorgen onder onze aandacht kregen van de Vereniging van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, waarin aandacht wordt gevraagd voor de positie van mensen meteen bijstandsuitkering, met kinderen. Zij krijgen nu, meestal maandelijks maar soms misschien ook wekelijks, een kinderbijslag vervangende uitkering. Krachtens de nieuwe wetgeving krijgen zij ook recht op een driemaandelijkse uitkering. Voor hen is net als voor ambtenaren een overgangsregeling getroffen, die inhoudt dat de eerste driemaandelijkse kinderbijslag dan op 15 februari zal worden uitgekeerd. Hoewel dat in het algemeen naar onze smaak voor ambtenaren voldoende moet zijn, denken wij dat het gerechtvaardigd is een uitzondering te maken voor deze mensen, die op het mini-mumniveau leven en toch al in een bijzonder moeilijke positie verkeren doordat het nettominimuminkomen in zijn behoefteaspect is gericht op gezinnen zonder kinderen. Bovendien weten wij dat de kinderbijslag geen volledige vergoeding geeft voor de kosten die kinderen met zich brengen. Wij denken dat gedurende de periode tussen 1 januari en 15 februari deze wetswijziging in ieder geval een ernstige verzwaring betekent van de financiŽle moeilijkheden van deze groep, waarvoor wij in het algemeen ook al in motie nr. 23 de aandacht hebben gevraagd. Ik zou, om het mogelijk te maken dat deze mensen in hun positie wat verlicht worden, alsnog een motie willen indienen.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Poppe en Langedijk-de Jong wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging;

overwegende, dat met de derde fase van de herstructurering van de kinderbijslag voor onder andere bijstandtrekkers een overgang gepaard gaat van een maandelijkse kinderbijslagvervangende uitkering in het kader van de AI-gemene Bijstandswet naar een driemaandelijkse kinderbijslag;

van oordeel, dat het hier gaat om mensen die over geen andere inkomsten beschikken dan een uitkering op mini-mumniveau en daarom onvoldoende geholpen worden met de voor anderen getroffen overgangsregeling; nodigt de Regering uit, op basis van de ABW een uitkering ineens aan bijstandtrekkers met kinderen te verstrekken, die een tijdelijke achteruitgang in inkomen voor hen voorkomt, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 26(15683).

De heer Poppe (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik zou hier nog bij willen opmerken dat de motie neerkomt op een, zij het kleine en eenmalige, extra uitkering voor deze groep. Van de kant van de Regering zijn er wellicht bezwaren aan verbonden. Wij hebben ons afgevraagd of dat te voorkomen is en wij hebben overwogen voor te stellen van deze uitkering een voorschot te maken, zodat de mensen het later weer zouden moeten terugbetalen. Dat zou vrij ingewikkelde regelingen nodig maken, terwijl de charme van dit wetsontwerp is dat er juist een sterke vereenvoudiging plaatsvindt. Bovendien zou een dergelijke terugbetalingsverplichting voor de mensen die moeten leven van een minimumuitkering, gedurende die periode van ťťn a twee jaar een wat mindere inkomenspositie met zich meebrengen, terwijl wij juist tot het indienen van deze motie worden geprest omdat die mensen al in een bijzonder moeilijke financiŽle situatie verkeren. Ik hoop daarom dat onze motie de steun van de Kamer zal krijgen.

De Voorzitter: De motie is van tevoren rondgedeeld, zo blijkt mij. Ik stel vast dat er bezwaar tegen wordt gemaakt, thans al over de motie te beslissen. Dan zal de motie volgende week in stemming worden gebracht.

De heer Poppe (PvdA): Ter verdediging van de gang van zaken wil ik nog opmerken dat de afspraak toch was, dat als de betrokken woordvoerders tijdig van de inhoud van een motie op de hoogte waren gebracht, geen bezwaar tegen stemming daarover direct na de indiening zou worden gemaakt.

De heer Hermsen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik sluit mij graag bij het verzoek van de heer Poppe aan, gezien de datum waarop een en ander ingaat en gezien het feit dat hier in elk geval duidelijkheid moet worden geschapen.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de VoorzitterlWat mij betreft mag de motie in stemming komen.

De Voorzitter: Er zijn leden die niet het woord hebben gevoerd en die geen kennis hebben genomen van de tekst van de motie. Ik vraag nogmaals of er ook maar ťťn lid is dat bezwaar heeft tegen stemming nu. Dat blijkt niet meer het geval te zijn, zodat de motie aanstonds in stemming kan worden gebracht.

©

B.J.M. (Ben)  HermsenDe heer Hermsen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Het door de heer Poppe aangesneden probleempje is tot nu toe in de discussies rondom dit wetsontwerp niet expliciet besproken. Het kwam zijdelings aan de orde toen het ging om de regeling voor het overheidspersoneel. Vorige week is hierover van verschillende kanten in de Kamer gezegd dat men met de voorgestelde regeling en met de ingang daar-van per 1 januari aanstaande wel kon instemmen. Daarbij is niet uitdrukkelijk stilgestaan bij de groep van bijstandsgerechtigden. Erkend moet worden dat het inderdaad om de laagste inkomensgroep gaat. Tevens moet erkend worden -de heer Poppe zal dit niet kunnen ontkennen -dat aan deze mensen op termijn bepaald niets tekort gedaan wordt. Ook zij krijgen hun volledige kinderbijslag, zij het dat zij deze later ontvangen dan tot nu toe het geval was. Zij ontvangen deze bijslag nu ook weer niet zo veel later, want het gaat grotendeels, zo al niet geheel, om maandbetalingen van de uitkeringen, die zij in de loop van januari, tussen 22 en 30 januari, zouden ontvangen, terwijl voorzien is dat zij half februari de kinderbijslag van het eerste kwartaal ontvangen. Dit kan aanleiding tot problemen geven. Ik voel niet zo veel voor een ex-tra uitkering aan de bijstandsgerechtigden, gelet op de consequenties daarvan voor de andere laagste inkomensgroepen. Naar mijn mening is er een eenvoudiger oplossing. Hoe denkt de Staatssecretaris over de mogelijkheid, dat in goed overleg met zijn ambtgenoot van CRM de sociale diensten erop wordt gewezen, dat zij ter voorkoming van problemen betrokkenen kunnen bevoorschotten met een bedrag, gelijk aan vermoedelijk te ontvangen kinderbijslag gedurende maximaal 6 weken? Een langdurige aflossingstermijn -voor mijn part kan die zich ook tot 1981 uitstrekken -zou de oplossing kunnen zijn. De heer Poppe kan dan wel zeggen, dat dit niet past in het systeem van de wet, die naar eenvoud en vereenvoudiging streeft. Ik wijs erop dat deze regeling los staat van de kinderbijslag-

wetgeving; zij houdt zuiver verband met de uitvoering van de Algemene Bijstandswet. Op grond van de Algemene Bijstandswet is de mogelijkheid aanwezig een dergeljke bevoorschotting te doen plaatsvinden. Hoe denkt de Staatssecretaris over die suggestie?

©

R.E.F.M. (Ruud)  NijhofDe heer Nijhof (DS'70): Mijnheer de Voorzitter! Gelet op het feit, dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken eerder in het debat zo royaal zijn in-stemming heeft betuigd met het principe van de inkomensonafhankelijke kinderbijslag -ook bij de verdere herstructurering van het kinderbijslagstelsel -acht ik het overbodig mijn motie op stuk nr. 20 nog in stemming te brengen. Mede namens de mede-indiener, de heer De Korte, deel ik daarom mede dat ik deze motie intrek.

De Voorzitter: Aangezien de motie-Nijhof (15683, nr. 20) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit. Daartoe wordt besloten.

©

L. (Louw) de GraafStaatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! De Algemene Bijstandswet regardeert niet in de eerste plaats ons departement. Ik heb er daarom wat moeite mee, thans een concrete uitspraak te doen. Ik wil wel een eerste reactie geven. Het lijkt mij toe, dat een uitkering ineens niet gemakkelijk is, omdat de situatie van elke bijstandstrekker verschilt. Het is mij bekend, dat sommige bijstandstrekkers de uitkeringen aan het einde van de maand krijgen. Gezien de overgangsregeling, is er nog slechts sprake van een te overbruggen periode van twee weken. Ter zake van de kinderbijslag geldt medio februari. Er kan sprake zijn van een overbrugging van 6 weken; in een aantal gevallen vindt de uitbetaling aan het begin van het kwartaal plaats, de eerste van de maand. Persoonlijk geef ik, als er iets geregeld moet worden, de voorkeur aan hetgeen de heer Hermsen heeft bepleit, namelijk bevoorschotting. Ik wil dit graag met mijn collega van CRM opnemen.

De heer Poppe (PvdA): Maar dat betekent toch, dat in de terugbetalingsperiode het inkomen zal teruglopen?

De heer Hermsen (CDA): De heer Poppe kan toch niet goed rekenen. De mensen krijgen kinderbijslag. Het voorschot, dat uitgaat boven de uitkering en de kinderbijslag, wordt geleidelijk aan terugbetaald. De heer Poppe vraagt een extra bedrag.

De heer Poppe (PvdA): Het extra bedrag, dat nodig is voor de feitelijke functionering van de kinderbijslag als een dringend noodzakelijke aanvulling op het inkomen van de betrokken gezinnen.

De heer Hermsen (CDA): Om die moeilijkheid op te lossen, is mijn oplossing bepaald eenvoudiger en billijker.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het amendement-Poppe c.s. (stuk nr. 14,1) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemming aangenomen.

©

De Voorzitter: Ik neem aan, dat als gevolg van de aanvaarding van dit amendement ook de overige op stuk nr. 14 voorkomende amendementen als aangenomen kunnen worden beschouwd.

De onderdelen A tot en met G van artikel I worden zonder stemming aangenomen. Het amendement-Poppe c.s. (stuk nr. 16,1) wordt bij zitten en opstaan verworpen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de PPR, de PSP en de CPN vůůr dit amendement hebben gestemd. Ik constateer, dat de fractie van de BP bij deze stemming niet meer aanwezig is. Ik neem aan, dat als gevolg van de verwerping van dit amendement, ook de overige op stuk nr. 16 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

Onderdeel H wordt zonder stemming aangenomen. Het amendement-Poppe c.s. (stuk nr. 15,1) wordt bij zitten en opstaan verworpen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de PPR, de PSP en de CPN vůůr dit amendement hebben gestemd. Ik neem aan, dat als gevolg van de verwerping van dit amendement ook de overige op stuk nr. 15 voorkomen-de amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd. Onderdeel I wordt zonder stemming aangenomen.

De Voorzitter: De aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de PPR, de PSP, de CPN en D'66 wordt aantekening verleend, dat zij geacht wensen te worden tegen dit onderdeel hebben gestemd. De onderdelen J tot en met T worden zonder stemming aangenomen. Artikel I, zoals dit is gewijzigd door de aanneming van het amendement -Poppe c.s. (stuk nr. 14,1), wordt zonder stemming aangenomen. De artikelen II tot en met XI, zoals deze zijn gewijzigd door de aanneming van de amendementen-Poppe c.s. (Stuk nrs. 14, II toten met 14, XI) worden zonder stemming aangenomen. De overige onderdelen worden zonder stemming aangenomen.

De Voorzitter: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf.

©

C.N. (Cor) van DisDe heer Van Dis (SGP): Mijnheer de Voorzitter! Bij ons oordeel over dit wetsontwerp hebben de volgende aspecten een rol gespeeld. In de eerste plaats leven bij ons principiŽle bezwaren, waardoor wij ons verzetten tegen verzekeringsdwang. Ook dit wetsontwerp getuigt daarvan. Daarbij willen wij wel betrekken het feit dat slechts een uitbreiding is voorgesteld. Het principe van de kinderbijslagverzekering is immers reeds bij de invoering van de AKW aanvaard, uiteraard met de tegenstem van onze fractie destijds. In de tweede plaats betrekt het wetsontwerp de draagkracht, die voor de eerste twee kinderen nog in de belastingwet via de kinderaftrek is geregeld thans geheel in de kinderbijslag via de belastingvrijdom. De kinderbijslag krijgt daardoor een tweeslachtig karakter. Ten derde vinden wij dat lastenverhoging voor de zelfstandigen zonder kinderen, hoewel tijdelijk gemitigeerd, bezwaarlijk is voor deze groep, gezien het feit dat de lasten van de sociale voorzieningen voor de zelfstandigen mede daardoor de laatste jaren met ongeveer 5% zijn gestegen. Ten vierde: het wetsontwerp regelt een voorziening die in wezen geen verzekering is. Er zijn geen risico's. Onze fractie heeft voorheen bepleit, te spreken over kindervoorzieningen. Wij hopen dat bij de komende herstructurering de ook door de Regering ondersteunde vervanging van dat woord wordt doorgevoerd. Ten slotte is de regeling voor gemoedsbezwaarden ter vervanging van de vervallen kinderaftrek zodanig, dat

de ingevoerde bijzondere aftrek voor buitengewone lasten voor alle kinderen recht doet aan de draagkracht. De positieve en negatieve aspecten tegen elkaar afwegend, ziet onze fractie te weinig doorslaggevende argumenten om tegen dit wetsontwerp te stemmen.

©

C. (Stan)  PoppeDe heer Poppe (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Er leven bij onze fractie zeer gemengde gevoelens over dit wetsontwerp. Er zijn grote bezwaren, omdat op termijn toch voor ťťn van de sociale uitkeringen de prijsindex wordt ingevoerd. Er zijn ook grote bezwaren omdat toch weer wordt overgegaan tot bevriezing van de kinderbijslag voor het eerste kind. Een derde van de materiŽle opbrengst daarvan wordt in de eerste plaats gebruikt om het overgaan op de prijsindex in termijn te verschuiven en in de tweede plaats om een tijdelijke tegemoetkoming te verstrekken aan zelfstandigen zonder kinderen. Twee derden worden echter gebruikt voor een extra bezuiniging, terwijl zij ook gebruikt hadden kunnen worden om de uitermate onbillijke halvering van de kinderbijslag voor jonge eerste kinderen teniet te doen. Bij de beoordeling van het wetsontwerp heeft voor ons uiteindelijk de doorslag gegeven in de eerste plaats dat ermee gekomen wordt tot een gelijke behandeling van werknemers en zelfstandigen en in de tweede plaats dat een sterke vereenvoudiging plaatsvindt. Er worden gelijke bedragen toegekend aan ouders met dezelfde soort kinderen. Wij blijven echter wel bezwaar houden tegen een uitkering van de kinderbijslag ongeacht het inkomen. Alles bijeen vinden wij dat het wetsontwerp zoveel aantrekkelijke kanten heeft dat wij er moeilijk tegen kunnen zijn. Wij zullen onze stem ervoor uitbrengen. Het wetsontwerp wordt zonder stemming aangenomen.

De Voorzitter: De aanwezige leden van de fracties van de CPN en de PSP wordt aantekening verleend, dat zij geacht wensen te worden, tegen het wetsontwerp te hebben gestemd.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.