Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op de inkorrv stenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964 alsmede van enkele andere wetten (samenvoeging van de bestaande kinderbijslagregelingen tot een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte kinder bijslagverzekering van het eerste kind af en afschaffing van de kinderaftrek van de loon en inkomstenbelasting) (15683).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

C. (Stan)  PoppeDe heer Poppe (PvdA): Het nu aan de orde gestelde regeringsvoorstel met betrekking tot de zogenaamde derde fase in het proces van combineren van kinderbijslag en kinderaftrek is een De Staatssecretaris van Sociale Zaken, de heer De Graaf Tweede Kamer 28 november 1979

Ingekomen stukken Kinderbijslagverzekering

grote teleurstelling geworden. Ook op dit terrein zorgt het kabinet-Van Agt, zorgen CDA en VVD gezamenlijk voor het afremmen van vernieuwingenn, zowel door het lage tempo van de beleidsvoorbereiding als door het opwerpen van barriŤres in deze tussengevoegde derde fase. Naar de vorm heeft het wetsontwerp nog aantrekkelijke kanten. Op zich zelf is het vervangen van een ingewikkeld complex van vijf verschillende regelingen ten aanzien van de kindervoorzieningen door ťťn nieuwe volksverzekering een belangrijke vereenvoudiging. Ik wil waardering uiten voor de staf van het departement, die ongetwijfeld veel werk heeft gehad aan het formuleren van de diverse bepalingen, aan het ontwarren van de ingewikkelde knoop. Ik zeg dit ůůk omdat onze fractie zich heeft verstout kritiek te uiten op enkele schoonheidsfoutjes ter zake van de vorm van het wetsontwerp. Juist vanwege de ingewikkeldheid moet duidelijkheid worden betracht. In de uiteindelijke besluitvorming van de Kamer vallen de kopjes weg, die steeds aangeven, uit welke wetten de te wijzigen artikelen afkomstig zijn. Het is in het algemeen verstandig aandacht te hebben voor de wetstechniek. Mijnheer de Voorzitter! Dat alles neemt niet weg dat de integratie een belangrijke vooruitgang is. In principe zou daar ook de flexibiliteit, de mogelijkheid voor toekomstige vernieuwingen mee gediend kunnen zijn. Maar door de verdere uitwerking is het wetsontwerp voor ons onverteerbaar geworden. Onze bezwaren kunnen als volgt worden samengevat. In de eerste plaats is het uiterst bezwaarlijk dat de Regering zich tot de huidige voorstellen heeft beperkt en dus niet tevens een keuze aan de orde is ten aanzien van de richting van die toekomstige vernieuwingen. Wij kunnen daardoor moeilijk de vraag beoordelen of datgene wat de Regering nu voorstelt past in een wenselijke ontwikkeling voor de toekomst. Wel staat voor ons vast dat sommige elementen uit dit wetsontwerp een belemmering vormen voor hetgeen ons voor de langere termijn voor ogen staat. In de tweede plaats neemt de Regering met dit wetsontwerp een aanloop naar het loslaten van de welvaartsvastheid van sociale uitkeringen. De overgang op de prijsindex voor de kinderbijslag zet de deur open voor verdergaande aanslagen op de sociale voorzieningen dan volgende week al op de agenda staan. In de derde plaats blijft men ůůk bij deze voorgestelde regeling de last van de bezuiniging leggen op de zwakste schouders. Ik doel daarbij op het vasthouden aan gelijke belastingvrije kinderbijslagbedragen ongeacht de inkomenshoogte, gecombineerd met het continueren van de halvering van de kinderbijslag voor jonge eerste kinderen en de voortgezette bevriezing van de kinderbijslag voor alle eerste kinderen. Ik ga op ieder van die drie punten nog wat nader in. In de eerste plaats de onzekerheid over verdere ontwikkelingen in de toekomst. Dat dit een groot gevaar is, wordt ook door de SER onderstreept. De SER betreurt in zijn advies dat de Regering de nu voorgestelde technische afzondering niet heeft afgestemd op het uiteindelijk te realiseren systeem. Ook vindt de SER dat de voorgenomen nieuwe regeling van de studiefinanciering in de overwegingen betrokken zou moeten worden. Wat dat laatste punt betreft is trouwens bij de zeer recente begrotingsbehandeling van Onderwijs van vele kanten weer op spoed aangedrongen. De meerderheid van de SER vindt om bei-de redenen -de toekomstige structuur van de kinderbijslag zelf en de onzekerheid omtrent de studiefinanciering -de nu voorgestelde technische afronding van de integratie kinderbijslagkinderaftrek ongewenst. Waar zit nu eigenlijk de vertraging in de voorbereiding van het wetsontwerp studiefinanciering? Welk departement wacht op welk departement? Wanneer kunnen wij dat wetsontwerp tegemoet zien? Hoe staat het met het gebruik van de extra middelen, die als compensatie van het wegvallen van de dubbele kinderbijslag voor 16-en 17-jarigen verleden jaar zijn uitgetrokken in het kader van de studiekostenvoorziening? Is het waar dat veel mensen daarvan door onbekendheid geen gebruik maken? De Regering is bij het uitblijven van een adviesaanvrage niet alleen in strijd met de opvatting van de SER, maar ůůk met een uitspraak van de Eerste Kamer. Tot mijn verbazing beweren de bewindslieden in de memorie van antwoord het tegendeel. Ze zullen toch echter moeten erkennen dat het nog steeds niet formuleren van een adviesaanvrage aan de SER over wat de motie-Van Tets noemde 'een verdergaande hervorming van het stelsel van kinderregelingen' in strijd is met het dictum van deze motie, waarin wordt gezegd dat 'daarmee niet gewacht behoort te worden tot of na de derde fase'. En nu deelt de Regering doodleuk mee dat nog niet eens gegarandeerd kan worden dat die adviesaanvrage er in de eerste maanden van 1980 zal zijn. Dat zou dan trouwens ook nog na het tot stand komen van die derde fase zijn, om maar niette spreken van de indieningsdatum van het hier en nu aan de orde zijnde wetsontwerp. Nu is anders handelen dan de SER voor ogen stond op zich nog geen doorslaggevend bezwaar en verder zou je kunnen zeggen, dat de Eerste Kamer maar voor zichzelf moet opkomen. Deze beperking echter van de derde fase tot het technisch afronden van de eerste fase zit ons bovendien zo hoog, omdat er nieuwe groepen in het bestaand kinderbijslagstelsel worden betrokken, met alle moeilijkheden over de te betalen premie en wegvallende kinderaftrek terwijl daardoor de weerstand tegen weer nieuwe veranderingen alleen maar kan worden vergroot. Dat bedoelde ik met het opwerpen van nieuwe belemmeringen op de weg naar een bevredigend stelsel van" kindervoorzieningen. En toch gaat ook de Regering uit van de wenselijkheid van zo'n vierde fase, ook al geeft ze daarvoor helaas geen richting aan. De Regering heeft als reactie op onze kritiek op het uitblijven van een richtinggevende SER-adviesaanvrage in de memorie van antwoord een uiteenzetting gegeven van de problemen die zich naar haar mening bij de verdere herstructurering voordoen. In de nota naar aanleiding van het eindverslag verwijt zij ons thans dat wij daar niet op zijn ingegaan. Zij zou die uiteenzetting hebben bedoeld als een 'voortzet' tot open discussie. Dat is de zaak op z'n kop zetten. Van een voorzet in de discussie is geen sprake. Vrijwel nergens betrekt de Regering een stelling. Zij volstaat met het noemen van een aantal wensen en opvattingen die in de samenleving worden gehoord (waarbij niet eens alle wensen en opvattingen de revue passeren die in het voorlopig verslag van deze Kamer zijn te vinden), en geeft vervolgens een aantal vrijblijvende bespiegelingen ten beste over de theoretische grondslagen van de kinderbijslag. Terecht stelt de CDA-fractie dat wij voor een principiŽle gedachtenwisseling in de Kamer eigenlijk de adviesaanvrage aan de SER en het daarop gegeven antwoord zouden moeten kennen. Wellicht zou het zin hebben gehad ook bij deze gelegenheid een discussie over de toekomstige plaats van de kinderbijslag in de inkomens-Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslagverzekering

politiek te voeren, als de Regering in haar wetsontwerp zelf een aanduiding had gegeven van haar opvattingen daarover. Daar hadden dan ook de maatschappelijke organisaties op kunnen reageren. Dat had ook een rol kunnen spelen in de discussies in de Kamer. Wat moeten we echter aan met dooddoeners als de stelling dat een nieuw stelsel uitvoerbaar moet zijn en dat de vraag belangrijk is in hoeverre ouders zelf financiŽle verantwoordelijkheid dragen voor het levensonderhoud van hun kinderen? Wij van onze kant willen wel stellen dat het er meer om gaat welke ouders die niette ontkennen financiŽle verantwoordelijkheid gezien hun inkomen geheel kunnen dragen. Vandaar onze voorkeur voor inkomensafhankelijkheid van de kinderbijslag en voor de differentiatie naar leeftijd in plaats van naar rangorde. Het niet betalen van kinderbijslag aan groepen die dat gezien hun bevoorrechte inkomenspositie niet nodig hebben, is naar onze mening ook de enig aanvaardbare methode om geld te sparen voor hogere prioriteiten, binnen en buiten de kinderbijslag. Ons tweede bezwaar betreft het koppelen van de kinderbijslag aan de prijsindex. Ik heb dat genoemd een aanloop naar het ontkoppelen van de ontwikkeling der sociale uitkeringen aan de welvaartsontwikkeling van de beroepsbevolking. De Regering ontkent de wenselijkheid om de kinderbijslag op dezelfde manierte behandelen als de overige sociale uitkeringen. Ze gebruikt daarbij het argument dat de verschillende elementen, waaruit de nieuwe kinderbijslag is opgebouwd, ook in het verleden niet alle aan de loonontwikkeling waren gekoppeld. Ze gaat daarbij naar onze mening voorbij aan het feit dat de omzetting van de (gedifferentieerde en denivellerende) kinderaftrek in een voor ieder gelijke kinderbijslag uiteraard als consequentie moet hebben dat de relatieve positie van die bijslag tegenover de andere inkomensbestanddelen ongewijzigd moet blijven. Als wij het normaal gaan vinden dat de inkomensontwikkeling van ouders en verzorgers van kinderen gaat achterblijven bij de welvaart van anderen, waarom zouden wij dan nog bezwaar moeten maken tegen het loskoppelen der sociale uitkeringen van de algemene loonontwikkeling? Voor ons zou alleen al deze breuk op de welvaartsvastheid van sociale uitkeringen een reden zijn om dit wetsontwerp af te wijzen.

Als de bewindslieden in de nota naar aanleiding van het eindverslag goede nota nemen van de opvatting van hun partijgenoten in de CDA-fractie dat er een uniform indexeringsmachanisme moet zijn voor alle sociale uitkeringen, met inbegrip van de kinderbijslag en als zij dan toch vasthouden aan de prijsindex, vragen wij ons af wanneer er een voorstel komt om dat op alle sociale uitkeringen toe te passen. Wij hebben daarom een amendement ingediend dat zich ten doel stelt de door het CDA gevraagde uniformiteit op het juiste niveau vast te leggen. Er is overigens wel reden om te vragen naar duidelijkheid over wat het CDA nu eigenlijk wil. Met enige verbazing hebben wij gisteravond uit de mond van de heer Hermsen gehoord, dat de CDA-fractie aan de bewindslieden vroeg mee te denken over een tussenoplossing, waarin de ene toeslag aan de prijs en de andere toeslag aan de loonindex zou worden gekoppeld. Wat is er eigenlijk gebeurd sinds eind oktober, toen de CDA-fractie een verklaring aflegde, waarin werd gezegd dat de opbrengst van de handhaving van de bevriezing van de kinderbijslag voor het eerste kind allereerst dient te worden aangewend om de kinderbijslagen te koppelen aan de index van de regelingslonen en dat voorts voor het oplossen van andere knelpunten, die verband houden met de nieuwe kinderbijslag, van die bezuiniging gebruik zou moeten worden gemaakt? Wat is er sinds die verklaring gebeurd? Is de CDA-fractie met het zoeken naar een of andere ingewikkelde oplossing niet bezig zich opnieuw schuldig te maken aan gelegenheidswetgeving? De heer Hermsen erkende gisteren in zijn eerste woorden dat, als het wetsontwerp op het ogenblik zo in-gewikkeld is, zijn eigen fractie daaraan, door inbreuken in bepaalde voorgestelde systematische regelingen, zelf mede schuldig is. Ons derde bezwaar is, dat de lasten op de zwakste schouders komen te liggen. Ik denk daarbij allereerst aan het besluit om toch weer terug te komen op het voornemen tot ontdooien van de kinderbijslag voor het eerste kind. Dat voornemen wordt ook door het CNV beschouwd als een belangrijk element in het arbeidsvoorwaardenbeleid voor 1980. Men ziet het als een belangrijke mogelijkheid om de koopkracht van de modale werknemer te handhaven. De Minister van FinanciŽn moet bedenken dat zuinigheid soms een slechte raadgever is. Mijn fractiegenoot Kombrink heeft er bij de behandeling van het dekkingsplan al op gewezen. Ons bezwaar is echter niet in de eerste plaats een zaak van arbeidsvoorwaardenbeleid. Het aanvankelijke regeringsvoornemen tot ontdooiing vloeide logisch voort uit de door de Regering in de memorie van toelichting terecht geconstateerde ontwikkeling dat het minimumloon in toenemende mate wordt beschouwd als een sociaal minimum voor gehuwden zonder kinderen. De consequentie daar-van is dat de kinderbijslag ook voor het eerste kind gelijke tred moet nouden met het minimumloon. Als de Regering bovendien in de memorie van antwoord suggereert dat het uitgangspunt voor het bepalen van de kinderbijslag zou moeten zijn de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, dan rijst ook nog de vraag of op den duur de bijslag voor het eerste kind niet ten minste gelijk zou moeten zijn aan die van de volgende kinderen. Zo rijst ook de vraag of het dan nog verantwoord is, de kinderbijslagbedragen per kind te laten oplopen met het kindertal. Juist het eerste kind zou wel eens tot de hoogste kosten kunnen leiden. Een omgekeerde ontwikkeling heeft zich echter sinds de indiening van het wetsontwerp voltrokken ten gevolge van het gedram van de VVD over verdere ombuigingen op het terrein van de kinderbijslag. De bewindslieden zijn akkoord gegaan met het in ieder geval tot 1982 bevroren houden, d.w.z. met het volgend jaar opnieuw achterblijven van de kinderbijslag voor het eerste kind met nog eens f 41 per jaar, althans wanneer wij uitgaan van de prijsindex. Wanneer wij uitgaan van de loonindex, dan is het verschil nog wat groter. Ook is er het perspectief dat die afstand volgend jaar nog verder zal groeien. Dat bedoelen wij met het ophogen van een barriŤre. In dit geval is het een budgettaire barriŤre voor het later inhalen van die achterstand. Daar komt dan nog bij dat voor kinderen beneden de drie jaar die bevroren kinderbijslag gehalveerd blijft. In beide gevallen omdat de regeringscoalitie weigert noodzakelijk geachte bezuinigingen op een sociaal meer verantwoorde wijze te realiseren. Ik denk daarbij niet alleen aan onze eigen voorkeur voor inkomensafhankelijkheid, maar ůůk aan de mogelijkheid om desnoods de progressie naar rangorde iets minder steil te laten verlopen. Als men dan wil ombuigen, zijn er toch ook andere mogelijkheden denkbaar.

Kinderbijslag verzekering

Nu komt het erop neer dat voor de toekomst wenselijke verschuivingen (het in verhouding tot de overige bijslagen verhogen van de bijslag voor het. eerste kind) extra moeilijk worden gemaakt en dat met name de lager betaalden, voor wie deze hogere kosten uiteraard het zwaarst drukken, het gelag weer betalen. Wij hebben dan ook op beide punten, zowel ten aanzien van de ontdooiing van de kinderbijslag als het ongedaan maken van de halvering voor jonge eerste kinderen, een amendement ingediend. Overigens verdienen deze amendementen de steun van de Kamer niet alleen omdat zij een betere lastenverdeling ten gevolge hebben. Alle partijen in deze Kamer hebben de wenselijkheid onderstreept van een meer eenvoudig en flexibel systeem. Welnu, ik zou erop willen wijzen dat juist de man, die nu al jaren belast is met het onderzoek naar de mogelijkheden tot vereenvoudiging van de sociale zekerheidsregelingen, oud-Minister Veldkamp, in een artikel in het Sociaal Maandblad Arbeid van september van dit jaar zowel het invoeren van de prijsindex als de bevriezing en halvering van kinderbijslagen voor het eerste kind als betreurenswaardige gelegenheidswetgeving aanduidt en klaagt over de moeizaamheid van vereenvoudigingsarbeid als er regelmatig onnodige complicaties worden aangebracht. Woorden van dezelfde autoriteit kunnen worden aangehaald als het gaat om de gedachte om voor kinderloze zelfstandigen de overgang naar een hogere premie te vergemakkelijken door haar over een langere perio-de te spreiden. Ook die suggestie is in dat artikel van de heer Veldkamp te vinden. Amendementen in die richting zullen wij dan ook steunen. De Regering heeft de overgangsmoeilijkheden van de kleine zelfstandigen verlicht door het verhogen van de uitkeringineens aan de mensen die op het ogenblik een KKZ-uitkering krijgen. Heeft de Regering ook plannen om voor het volgend jaar verzachting van die overgangsproblemen te realiseren? Een ander overgangsprobleem is dat van de ambtenaren die moeten overgaan van uitkering van de kindertoelage per maand naar kinderbijslag per drie maanden. Is er een oplossing gevonden voor de bezwaren die de ambtenarenbonden daartegen hebben geopperd? Mijnheer de Voorzitter! Uiteraard hebben wij ons ook afgevraagd, welke financiŽle dekking wij konden geven aan de door ons ingediende amendementen. Herhaalde malen hebben wij gewezen op de mogelijkheid van inkomensafhankelijkheid van de kinderbijslag. Hiermee zouden de gelden van het kinderbijslagfonds meer gericht kunnen worden besteed. Evenzeer bij herhaling hebben echter de bewindslieden bij de schriftelijke voorbereiding -en bij die gelegenheid niet voor het eerst -het argument gebruikt dat zo'n stelsel in strijd zou zijn met het draagkrachtbeginsel van de belastingwetgeving. Ik moet zeggen dat onze fractie die strijdigheid niet ervaart. Het wil er bij ons niet in dat het de draagkracht van mensen met hoge inkomens te boven zou gaan als zij voor de verzorging van hun kinderen niet meer terug konden vallen op een overheidsvoorziening. De vroegere kinderaftrek is dan wel in de nieuwe kinderbijslagregeling opgenomen, maar de vraag, of er uit een oogpunt van draagkracht reden is om ook bij hoge inkomens nog rekening te houden met het hebben van kinderen, is toch arbitrair en niet principieel? Die is toch niet los te zien van de vraag, welke andere bestedingsmogelijkheden iemand voor de verzorging van kinderen zou moeten opofferen als hij of zij die kinderbijslag niet kreeg?

De heer Hermsen (CDA): Ik heb er gisteravond terloops op gewezen, maar ik zou de heer Poppe nu toch echt willen adviseren, het college van Staatssecretaris Nooteboom in de Handelingen over de behandeling van de tweede fase van de kinderbijslag nog eens goed door te lezen, want de vertaling van het draagkrachtbeginsel die de heer Poppe nu geeft, lijkt mij toch wel bezijden de uitleg die daaraan van zeer deskundige zijde, niet alleen van de kant van de Staatssecretaris, wordt gegeven. Het gaat er niet alleen om, of men iets kan betalen, maar ook om het verschil in draagkracht tussen mensen met verschillende aantallen kinderen, ongeacht hun inkomen. Daar gaat de heer Poppe aan voorbij.

De heer Poppe (PvdA): Dat doe ik helemaal niet. De inhoud van mijn stelling is, dat het aantal kinderen van betekenis is voor de draagkracht op een bepaald inkomensniveau. Op een hoger niveau hebben de mensen veel meer mogelijkheden om die verantwoordelijkheid voor het hebben van veel kinderen waar te maken, door wellicht wat meer luxe, die anderen in de samenleving zich ook niet kunnen veroorloven, na te laten.

De heer Hermsen (CDA): Daarmee is dan het zoveelste kind, zodra men boven een bepaalde inkomensgrens zit, geiijk aan de tweede auto!

De heer Nijhof (DS'70): Mijnheer de Voorzitter! De stelling van de heer Poppe impliceert dat hij bij hogere in-komens de mensen die veel kinderen hebben, afstraft. Het gaat er niet om een onderscheid te maken tussen bij voorbeeld een leraarsgezin met en een onderwijzersgezin zonder kinderen. Het gaat erom niet het krijgen van kinderen als zodanig af te straffen op grond van de hoogte van het inkomen. Als u de hoge inkomens wilt aanpakken, kunt u dat bij voorbeeld door een hogere progressie doen. Nu straft u alleen het krijgen van kinderen af. Dat is onrechtvaardig.

De heer Poppe (PvdA): Het gaat helemaal niet om het straffen van het hebben van veel kinderen! Het gaat om de vraag of het hebben van veel kinderen een zaak is die dusdanig zware lasten met zich brengt, dat de gemeenschap de ouders daarbij te hulp moet komen, ja of nee.

De heer Nijhof (DS'70): U kunt een zelf-de redenering bij voorbeeld met betrekking tot de AOW ophangen. Er zijn veel mensen met een vrij hoog inkomen die in principe die AOW niet nodig hebben. U kunt dit verhaal bij iedere vorm van sociale verzekering ophangen.

De heer Poppe (PvdA): Nee, ik denk dat een AOW in ieder geval noodzakelijk is als wij naar een situatie van meer inkomensgelijkheid toe willen, omdat de mensen over een bodempensioen moeten beschikken. Overigens is het realiseren van de AOW voor alle inkomenstrekkers ook een zaak geweest van de onmogelijkheid te onderscheiden naar mensen tussen de hoge en lage inkomens.

De heer Nijhof (DS'70): Dat is toch onzin! Dat onderscheid is toch zeer wel te maken. Als het op het terrein van de kinderbijslag kan, kan het toch ook op het terrein van de AOW? Er is toch geen principieel verschil?

De heer Poppe (PvdA): De vraag is of het technisch niet tot veel hogere kosten zou moeten leiden als er onderscheid zou moeten worden gemaakt. Het is dan een kwestie van afwegen van kosten. Dat is de reden geweest waarom de AOW de vorm heeft gekregen die zij nu heeft. Zeker als het gaat om de kinderbijslag is het van betekenis om zich af te vragen of de extra kosten, die onge-Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslagverzekering

twijfeld uit het hebben van meer kinderen voortvloeien, ertoe leiden dat de mensen echt noodzakelijke uitgaven niet meer kunnen doen, dan wel dat zij in plaats van naar Mallorca naarTenerife moeten gaan. Dat is toch iets anders? Mijnheer de Voorzitter! Om dit soort redenen vind ik die draagkrachtredenering vals, even vals als de suggestie dat er rechtsgelijkheid zou zijn als werknemers Ťn zelfstandigen met overigens zeer verschillende inkomensposities, van de wetgever een gelijke aanspraak op kinderbijslag krijgen. Wij geven toe dat met deze wetswijziging meer formele gelijkheid wordt gerealiseerd, maar dat wil niet zeggen dat zij ons rechtsgevoel bevredigt. Wij zullen dan ook van harte een motie ondertekenen die later in dit debat zal worden ingediend, waarin de Regering wordt uitgenodigd bij de voorbereiding van de vierde fase als uitgangspunt te kiezen dat de definitieve kinderbijslagvoorziening inderdaad rekening zal houden met de draagkracht. Door ervoor te zorgen dat alleen maar kinderbijslag wordt uitbetaald aan mensen, voor zover ze dat ook inderdaad nodig hebben. Daardoor kan bovendien op termijn zoveel geld worden uitgespaard, dat het verantwoord is nu de veranderingen en de vereenvoudigingen in te voeren die in onze amendementen zijn neergelegd. Deze zijn erop gericht deze technische afronding inderdaad te laten uitmonden in een eenvoudig systeem zonder onlogische constructies, zoals een van de andere aanpassingsmechanismen afwijkende indexeringsmethode en een lagere uitkering voor de verzorging van het eerste kind, terwijl juist die bijdrage in het verleden een naar de huidige opvattingen niet te verdedigen achterstand heeft opgelopen.

©

R.E.F.M. (Ruud)  NijhofDe heer Nijhof (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Al in de eerste fase van de wijzigingsoperatie inzake kinderbijslag en aftrek wees ik op het ontbreken van een principiŽle beschouwing van regeringszijde over het systeem van kinderbijslag en achterliggende gedachten. Nu, bij de behandeling van de der-de fase, blijkt hierin nauwelijks verandering te zijn gekomen. Eerst in de loop van 1980 zal in de vorm van een adviesaanvrage aan de SER hier aandacht aan worden gegeven. De omgekeerde wereld: eerst vereenvoudiging en dan een studie over de grondslagen. Hierop is mijns inziens terecht kritiek gekomen van de SER en van werk-gevers-en werknemersorganisaties.

Het gevolg van dit manco is een aantal onevenwichtigheden en denkfouten, waarop ik aanstonds zal ingaan. Vooropgesteld moet worden, dat DS'70 in principe voorstander is van vereenvoudiging. Sociale uitkeringsregelingen moeten begrijpelijk zijn voor het publiek en voor de diensten van de overheid zelf. Het voor ons liggende wetsontwerp draagt daartoe een voorstel aan, helaas, zonder dat in al zijn aspecten zorgvuldig te motiveren. De verschillende aan de orde zijnde aspecten kunnen vrijwel afzonderlijk worden besproken. Ik noem de relatie van de kinderbijslag met het beroep van de ouders, het inkomen van de ouders, de leeftijd van het kind, de rangorde van het kind, het indexeringsmechanisme en de prioriteit van fiscale aftrek (een belastingvrije som) ten opzichte van sociale verzekeringsbijslag. Over dit laatste punt heb ik overigens al uitvoerig gesproken bij de behandeling van de eerste fase. Bij inkomenspolitiek moet rekening worden gehouden met het draagkrachtbeginsel. Het aantal leden van de huishouding is daarop van invloed. Dit betekent niet automatisch, dat elk kind voor de kinderbijslag moet meetellen -ik kom daarop nog terug -zoals ook het constateren van de jaren gevolgde onredelijkheid van een relatie tussen kinderbijslag en ouderlijk beroep niet meebrengt, dat het huidige stelsel voor werknemerskinderen algemeen moet gaan gelden. Naar mijn mening moet de onafhankelijkheid van kinderbijslag ten opzichte van het inkomen van de ouders worden gehandhaafd, mede om het percentage inkomensafhankelijke heffingen en subsidies niet nog hogerte maken dan thans al het geval is. Kern van de kinderbijslag is, dat het gaat om de verhouding in besteedbaar inkomen tussen mensen met en mensen zonder in-komen. In het voorlopig verslag bepleitte de fractie van de Partij van de Arbeid het inkomensafhankelijk maken van de kinderbijslag, dat wil zeggen, differentiatie van het kinderbijslagsbedrag op grond van inkomenshoogte. Dit voorstel van de PvdA is onjuist om twee redenen. Daarbij verwijs ik nog even naar het interruptiedebatje dat ik met de heer Poppe daarover had. De eerste reden is de volgende: omdat het bij voorbeeld bij een leraar met kinderen gaat om de financiŽle positie ten opzichte van een leraar zonder kinderen en niet bij voorbeeld om de verhouding tot een onderwijzer met kinderen. Het verkrijgen van kinderen wordt in de PvdA-visie, naarmate het inkomen hoger is, zwaarder financieel belast.

Dat lijkt mij een sterk onlogische vorm van inkomenspolitiek. Geldt dit standpunt dan ook niet mutatis mutandis voor de AOW-uitkeringen of voor andere sociale verzekeringen, omdat aan al die gevallen een gelijksoortige redenering is op te hangen? Het tweede overwegende argument is dit. De PvdA kiest hierdoor voor het uitsluitend willen bezien van het kind vanuit de positie van de ouders. Het besluit tot het krijgen van een kind en de positie van een eenmaal geboren kind dienen echter niet met elkaar verward te worden. Kinderen behoren zelfstandige rechten te hebben en hebben dat ook ingevolge het Burgerlijk Wetboek. Die rechten dienen los gezien te worden van de financiŽle positie van de ouders, omdat zij recht hebben op de verzekering van enig redelijk inkomen. Het kind is een individu met eigen rechten, plichten en behoeften.

De heer Poppe (PvdA): Daarmee gaat de heer Nijhof volkomen voorbij aan het feit, dat de positie van kinderen in meer welvarende gezinnen op zich absoluut niet achter, maar daarentegen ver voor ligt, vergeleken bij die uit gezinnen van mensen die ook naar onze opvatting recht hebben op kinderbijslag. Hij kan toch niet zeggen, dat daarmee die kinderen onrecht wordt aangedaan? Integendeel! Door het gericht besteden van de kinderbijslagmogelijkheden, die de gemeenschap heeft, maken wij het mogelijk, dat er minder verschil gaat bestaan tussen de kinderen, ongeacht de inkomenshoogte van hun ouders.

De heer Nijhof (DS'70): Het gaat erom, op welke wijze u inkomenspolitiek wilt voeren. Wilt u dat doen via het kind als instrument? Dat gebeurt in feite in uw visie, omdat het krijgen van kinderen financieel zwaar wordt belast voor de hogere inkomens. Of wilt u dat doen door direct de hogere inkomens aan te pakken, bij voorbeeld via een hogere progressie van de belasting of langs andere wegen, zoals via de verhoudingen tussen bruto en netto inkomens? Dat lijkt mij veel zinvoller, omdat men via die vorm van inkomenspolitiek een meer redelijke verdeling van inkomens verkrijgt dan via de wijze waarop u dat wilt.

De heer Poppe (PvdA): Het gaat ons niet om de vraag, op welke manier er een meer zinvolle inkomenspolitiek kan worden bedreven, maar op welke manier er een zinvol gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden die de gemeenschap heeft om mensen kinderbijslag te bezorgen die dat nodig hebben.

Kinderbijslagverzekering

Interruptie van de heer Poppe (PvdA)

De heer Nijhof (DS'70): Jawel, maar dan gaat het erom langs welke weg u dat wilt doen. U gebruikt hierbij het kind als instrument. Dat lijkt mij een sterk achterhaalde visie, juist omdat in een meer moderne visie het kind in toenemende mate als onafhankelijk wordt beschouwd ten opzichte van de ouders, met eigen rechten en behoeften. Die visie doorkruist u met deze vorm van inkomenspolitiek.

De heer Poppe (PvdA): De heer Nijhof kan toch niet ontkennen, dat daarmee die redenering voor hem een mindere mogelijkheid betekent om de kinderen van lagere inkomenstrekkers te hulp te komen? Het betekent inderdaad het bevoorrechten van ouders met grote inkomens, die inderdaad in staat zijn hun kinderen behoorlijk op te voeden en te verzorgen. Het beperkt de mogelijkheden van de gemeenschap om de ouders met kinderen uit lage

De heer Nijhof (DS'70): Ik wil nogmaals terugkomen op hetgeen ik in eerdere instantie heb gezegd. Het is naar mijn mening principieel onjuist het kind als instrument van inkomens-politiek te gebruiken. Ik onderken uiteraard dat kinderen in meer welvaren-de milieus financieel meer mogelijkheden hebben dan in minder welvarende milieus. Daarom moet men dit probleem aanpakken bij de primaire inkomensverdeling en niet bij een vorm van inkomensafhankelijke kinderbijslag.

De heer Poppe (PvdA): U wilt wat men op het ene terrein van de inkomens-politiek zou moeten nastreven, weer ongedaan maken door een ongerechtvaardigde toekenning van kinderbijslagen aan ouders van kinderen die dit niet nodig hebben.

©

R.E.F.M. (Ruud)  NijhofDe heer Nijhof (DS'70): Dat is volstrekt onjuist. Het verbeteren van de positie van kinderen gebeurt niet alleen via de kinderbijslag. Het kan op een aantal andere manieren gebeuren. Het kan gebeuren via de primaire inkomensverdeling. Het kan ook gebeuren -het gebeurt in feite ook -via een zeer groot voorzieningenpatroon dat de overheid ouders met kinderen via andere departementen aanbiedt, bij voorbeeld in de sfeer van Onderwijs, CRM en Justitie. De argumentatie van de indieners voor het aan de orde zijnde wetsontwerp is de vereenvoudiging en uniformering die dankzij dit wetsontwerp onstaat in de variŽteit aan regelingen als de AKW, KWL, KTO, KKZ; letter-en regelingscombinaties om duizelig van te worden. Het is de vraag of het in dit wetgevend proces, dat streeft naar vereenvoudiging, ook niet wenselijk zou zijn de variŽteit in de kinderbijslagbedragen per kind, afhankelijk van de rangorde, onder de loep te nemen. Ik pleit voor een voor alle meetellende kinderen gelijke bijslag tot aan de leeftijd van 18 jaar, de toekomstige leeftijd voor meerderjarigheid. Er is thans sprake van een tamelijk willekeurige situatie. Er is een bevroren bijslag voor het eerste kind en verdere halvering van de kinderbijslag voor nul tot driejarigen, vermindering van de bijslag voor 16-tot 18-jarigen en een relatief voordeel voor de grote gezinnen. Bij de tweede fase is toen het amendement-Hermsen aangenomen. Dat bevroren kind werd in de memorie van toelichting ontdooid, om later weer bevroren te worden. Het werd toen 'het bevroren kindje van Rietkerk' genoemd. De argumentatie pro en contra -het kan vriezen, het kan dooien -blijkt het politieke weersklimaat goed te volgen. Als ik de heer Hermsen goed heb begrepen gisterenavond, wordt dit bevroren kindje nu een Pyrruskindje. Dit zal bij de stemmingen dan wel blijken. Ideaal zou naar mijn mening zijn een onderzoek naar de kosten van het kind afhankelijk van de leeftijdsfase waarin het verkeert, om daarop de kinderbijslag te baseren. Dat vergt echter de nodige tijd en zou meegenomen kunnen worden bij de studie over verdere herstructurering. Is de Staatssecretaris hiertoe bereid? Vereenvoudiging nu, door een gelijk bedrag voor ieder kind zou een alternatief kunnen zijn voor de huidige willekeurige ondoorzichtige situatie. Tot de leeftijd van 18 jaar respectievelijk het einde van de leerplichtige leeftijd zou geen zelfstandig recht op een bijstandsuitkering moeten bestaan, maar wel voor jonge werknemers recht op sociale verzekeringsuitkeringen bij voorbeeld bij onvrijwillige werkloosheid na te hebben gewerkt of bij ziekte. Het is ongewenst dat de overheid degenen die, boven de leeftijd van 18 jaar, voortgezet onderwijs volgen, gunstiger behandelt dan werkende jongeren. Dit staat uiteraard een vorm van studiefinanciering niet in de weg, naast een systeem van terugbetaling.

Kinderbijslag verzekering

Ik merk hier op dat het sterk onbevredigend is dat wij dit wetsontwerp moeten behandelen zonder inzicht in de definitieve voornemens van de Regering ten aanzien van de studiefinanciering. Goed beschouwd is de keuze voor bijslag voor alle kinderen, dus ook voor het eerste en tweede kind nieuw. De oorspronkelijke opzet in 1939 dacht aan bijslag voor gezinnen met een bovengemiddeld kindertal. Het loon werd geacht voldoende te zijn voor een normaal aantal kinderen van twee. In 1946 werd tijdelijk hiervan afgeweken omdat deze gedachte in de magere naoorlogse jaren niet opging. Pas in het begin van de jaren '70 werd door bevriezing van een bijslag voor het eerste kind een voorzichtige stap gedaan in de richting van afschaffing van deze tijdelijke maatregel. Nu kiezen de indieners van het wetsontwerp dus voor bijslag vanaf het eerste kind. Als argument dient voorts de koppeling van de sociale minima aan het minimumloon, op zich een maatregel die een heroverweging moet ondergaan, nu allerlei aspecten van inkomensverdeling, de emancipatie van de vrouw de gelijkstelling van man en vrouw en het gehuwd of ongehuwd zijn in beweging zijn gebracht. Menen de indieners niet dat de hier gebezigde term 'sociale minima' slecht gekozen is? De werkelijke mini-ma moeten niet gezocht worden bij personen die het minimumloon of een even hoog bedrag sec ontvangen. Gezinnen met meer dan twee personen, met een gelijk of iets hoger inkomen komen uit op een inkomen per hoofd dat vaak beduidend lager ligt dan het mini-mumloon. Zoals gezegd, is de keuze van bijslag voor ieder kind nieuw; en dat in een tijd dat de inkomens hoger zijn dan ooit! Ik meen dat wij er in principe van uit kunnen gaan dat het loon voldoen-de behoort te zijn voor een gezin met ťťn kind. Sociale verzekeringen zijn bedoeld ter dekking van min of meer ernstige risico's. Het hebben van een kind kan daar niet toe worden gerekend. Op den duur zou de bijslag moeten beginnen bij het derde kind. Daarmee zou gekozen worden voor de oorspronkelijke opzet van de werknemersverzekering, dat loon of ander in-komen toereikend moet zijn voor een gezin met het normale aantal van twee kinderen. Voorbereiding van een dergelijke stap kan plaatsvinden door de huidige bijslag voor het tweede kind te bevriezen in de volksverzekering. Hoe denkt de Minister over de principiŽle stelling dat bijslag slechts gegeven kan worden bij grotere gezinnen en dan alleen voor die kinderen die het gezin ook werkelijk 'groot' maken? Dat betekent in mijn gedachtengang dus een bijslag vanaf het derde kind. Zijn de indieners bereid, bij de verdere herstructurering deze gedachtengang mee te nemen? Bevriezing van de bijslag voor het tweede kind leidt volgens de indieners van het wetsontwerp tot 'compensatie (en overcompensatie voor werknemers zonder kinderen) in de loonsfeer'. Hier wordt de term 'overcompensatie' gebruikt voor het al vůůr de oorlog gewenste verschijnsel dat het voor de bruto inkomens geen verschil zou maken of er nul, ťťn of twee kinderen zijn. Bovendien draagt de overheid zo zelf de argumenten aan die tot afwenteling leiden. Aangezien het bevorderen van afwenteling niet direct een doelstelling van het overheidsbeleid genoemd kan worden, is dit een opvallende argumentatie. Zouden de indieners hun gedachten op dit punt willen verduidelijken? Het streven naar eenvoud in het wetsontwerp komt weer in gevaar bij de voorgestelde prijsindexering. Een halfjaarlijkse herziening maakt de toepassing onnodig onoverzichtelijk. Ik zou willen pleiten voor een herziening bij voorbeeld om de ťťn of de twee jaar. Belangrijker is echter de prijsindexering, waarmee koopkracht van een inkomensbestanddeel onder alle omstandigheden wordt gewaarborgd; een onmogelijke en onhaalbare zaak, die geheel los staat van het handhaven van bepaalde verhoudingen tussen in-komens waarop de overheid een directe invloed kan uitoefenen, bij voorbeeld tussen alimentatie en het inkomen van de alimentatieplichtige, of tussen sociale uitkeringen en hoogte van lonen. Niet elke prijswijziging moet rechtstreeks en geheel worden doorberekend in de nominale inkomens. Gevolgen van misoogst, boycot, schaarste van grondstoffen en energie -ik denk aan prijsmaatregelen van de OPEC -en van tariefsverhoging door de overheid zelf moeten buiten beschouwing gelaten worden. Een vooral principieel van belang zijnde uitspraak van deze kamer is de motie-Engwirda inzake het verband tussen olieprijs en lonen. Hoe denken de indieners in beginsel over een mogelijke schoning? Mochten zij deze niet afwijzen, dan doet zich de volgende vraag voor: Hoe verwerken de indieners dit beginsel in het onderhavige wetsontwerp? Een vraagstuk dat zich in ieder geval in de toekomst kan manifesteren. Het zal uit het voorgaande duidelijk zijn geworden dat mijn voorkeur uitgaat naar welvaartsvastheid van de kinderbijslag inplaats van prijsindexering. Ik wil tot slot ingaan op de positie van degenen, die negatief beÔnvloed worden bij het van kracht worden van dit wetsontwerp; devooral kleinezelfstandigen. Hierbij doet zich een vreemd verschijnsel voor. Normaal is het zo dat wetgevende maatregelen op het terrein der sociale verzekeringen gerealiseerd worden omdat hieraan door de betrokkenen hoge prioriteit wordt toegekend. De lasten -premiebetaling -worden minder zwaar gewogen dan de lusten, uitkering en dergelijke. Wat het midden-en kleinbedrijf aangaat, zoals uit de maatschappelijke reactie blijkt, kan dit ten aanzien van het voor ons liggende wetsontwerp niet gezegd worden. Andere prioriteiten worden hoger gewaardeerd: de opname van de meewerken-de echtgenote in de AAW en opname van de ex-zelfstandige in de WWV. De vereenvoudiging en uniformering van het kinderbijslagsysteem brengt mee dat ook degenen iets krijgen, die daar niet primair om gevraagd hebben. Het is de vraag of hier niet vooralsnog -in afwachting van de definitieve herstructurering in de vier-de fase -zekere uitzonderingsmaatregelen moeten worden genomen. Ik denk dan aan de verlenging van de overgangsregeling van ťťn tot drie jaar in de vorm van een gefaseerde opbouw van de premiebetaling door zelfstandigen zonder kinderen. Zijn de in-dieners alsnog hiertoe bereid? Nu een stap in de richting van twee jaar is gezet, zouden verdere stappen denkbaar zijn. Verder denk ik aan de positie van de kleine zelfstandige die een KKZ-uitkering ontvangt, met name de groep die recht heeft op kinderbijslag voor twee kinderen en een inkomen heeft tussen f 19.613 en f 22.300. Ten aanzien van deze groep zou gepleit kunnen worden voor maatregelen, die resulteren in een inkomensontwikkeling die parallel loopt aan de inkomensontwikkeling van werknemers met een minimumloon. Wat aan werknemers met een minimumloon werd gegund in de eerste fase, zou aan deze kleine zelfstandigen gegund moeten worden in deze fase. Ik zou sterk hiervoor willen pleiten. Het blijft ten slotte de vraag, of het niet aanbeveling verdient, het eerste kind Łberhaupt -in ieder geval tot aan de verder gaande herstructurering in de vierde fase -buiten beschouwing Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslag verzekering

©

De heer De Korte (VVD) aan het woord Nijhof te laten, dat wil zeggen, de KWL, de KKZ, de KTO en de KA voor zelfstandigen te handhaven. Ik verneem graag het oordeel van de indieners hierover, hoewel ik mij realiseer, dat hiermee de eenvoud en de uniformering zeer ernstig in het gedrang komen. Mijnheer de Voorzitter! Duidelijkheid over de grondslagen van het kinderbijslagstelsel had vooraf behoren te gaan aan de vereenvoudiging. Het gaat hierbij in het bijzonder om de keuzen die de Regering hierbij uit de verschillende alternatieven wil maken. Kinderen dienen niet uitsluitend te worden bezien vanuit de ouders. Zij behoren ook zelfstandige rechten te hebben, die met het vorderen van de leeftijd zullen toenemen. Verder zullen hun zelfstandige behoeften moeten worden erkend. Dit betekent ook: rechten voor het kind, los van het inkomen van de ouders. De beslissing van ouders, een kind te krijgen, is niet hetzelfde als de positie van een eenmaal geboren kind. Dit houdt, zoals eerder gezegd, de onverenigbaarheid in met de koppeling van kinderbijslag aan het inkomen van de ouders.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Dit wetsontwerp bestrijkt de zogenaamde derde fase. Wij zijn geneigd, het te zien als een tussenfase, op weg naar een algehele herstructurering van het kinderaftrek" en kinderbijslagsysteem, een algemene herstructurering die wij -ik weet niet hoe de Staatssecretaris hier tegenover staat -de vierde fase zouden willen noemen. Ik verwijs hierbij naar de door de Eerste Kamer aanvaarde motie (14184, nr. 6) van mijn liberale collega Van Tets, waarin de Regering wordt uitgenodigd, zo spoedig mogelijk een studie ter hand te nemen naar een verdergaande hervorming van het stelsel van kinderregelingen dat kan worden toegepast op nog niet verwekte kinderen. Leeftijdseffect, rang-orde-effect, gezinswelvaarteffect en ook het draagkrachtbeginsel -zoeven nog weer toegelicht door de heren Hermsen en Nijhofzullen daarbij moeten worden meegewogen. Daarbijdit is zeker ook onze mening -zullen het kind en de kosten van het kind centraler moeten komen te staan. Vandaar dat wij vooral het leeftijdsaspect willen beklemtonen. De beschouwingen van de Regering in de memorie van antwoord wijzen op al deze aspecten, zonder overigens -de heer Poppe wees erop -een keuze te maken. De uiteindelijke herstructurering mag bovendien niet los staan van de Regeling tegemoetkoming studiekosten en van het nieuwe, in voorbereiding zijnde stelsel van studiefinanciering. Met de heer Poppe zou ik de bewindsman willen vragen, hoe het hiermee staat. Mijnheer de Voorzitter! Aan een fundamentele herziening van het kinderbijslagsysteem, dat volgend jaar f 7,5 miljard aan uitgaven vraagt, moet de grootst mogelijke prioriteit worden toegekend. Wij vinden dan ook, dat alles op alles moet worden gezet om een dergelijke herstructurering vůůr 1 januari 1982 te realiseren. Daarom verzoek ik het kabinet, ten spoedigste -niet later dan 1 april 1980 -een adviesaanvrage over deze materie aan de SER te richten. Ik stel mij voor, op dit punt in tweede instantie een motie in te dienen en om een uitspraak van de Kamer te vragen indien de bewindsman onvoldoende hieraan kan tegemoet komen. Mijnheer de Voorzitter! Als vertrekpunt werd gekozen, dat deze derde fase, inclusief overgangsmaatregelen, ten minste budgettair neutraal moet uitwerken. Gezien de financieringsproblematiek van het Rijk en de bitter noodzakelijke stabilisering van de druk van de collectieve lasten, vinden wij toch wel, dat van deze operatie een ex-tra ombuigingsimpuls van zo'n f 100 min. in 1980 zou moeten kunnen uitgaan.

Tegen de heer Poppe zeg ik dat het niet om gedram van de VVD gaat. Wij doen het ook niet voor onze lol maar omdat de geringe economische groei om bijstelling van de collectieve lasten vraagt. Deze gedachte leeft ook bij het CDA. Ik behoef slechts het betoog van de heer Van Rooijen in de openbaarheid in herinnering te roepen, die zelfs om nog veel meer ombuigingen heeft gevraagd dan de VVD tot nu toe. In dit verband heeft mijn fractievoorzitter er bij de algemene politieke en financiŽle beschouwingen over de begroting voor I980 voor gepleit de bevriezing van de kinderbijslag voor het eerste kind te handhaven. Daarop is toen door de Minister-President positief gereageerd. De betrokken bewindslieden hebben deze toezegging door middel van hun memorie van antwoord materieel gestand gedaan. Wij zijn hun daarvoor erkentelijk. Wij zijn het met beide bewindslieden volledig eens, dat zulks dient te gebeuren onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de koopkracht tot de gehuwde modale werknemer of uitkeringstrekker met twee kinderen daar niet onder mag lijden. Dat is per slot van rekening een hoeksteen van het kabinetsbeleid voor het komende jaar. De voortgezette bevriezing betekent dat elk gezin met kinderen, ongeacht het aantal, circa drieŽneenhalve gulden per maand minder meer ontvangt dan bij ontdooiing. Ook zijn wij met de bewindslieden van mening, dat het Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslag verzekering

wezen van dit wetsontwerp wordt aangetast wanneer de handhaving van de bevriezing niet op geÔntegreerde bijslag voor het eerste kind zou slaan. De extra ombuigingsimpuls van de totale maatregel in 1980,1981 en 1982 zou bij volledige uitvoering respectievelijk f 90 min. f 215 min. en f 245 min. bedragen. Hij is dus van niet onaanzienlijke omvang. Het besparingsbedrag in 1980 kan tot f 124 min. groeien wanneer daar bovendien het verschil tussen de beschikbare overgangsmiddelen en geplande overgangsmaatregelen voor 1980 ad f 34 min. wordt bijgeteld. Zoals ik al zei heeft de bevriezingsmaatregel een dringende reden, namelijk de noodzaak de collectieve lasten te stabiliseren en de arbeidsinkomensquote in 1980 althans niet verder te laten oplopen. Volgend jaar staat de overheid volgens de plannen op een pluslijn, staan de inkomens op een zeer krappe nullijn en de bedrijven en hun rendementen op een minlijn. Daarmee zou het niet juist zijn de extra ombuigingsimpuls als gevolg van de handhaving van de bevriezing geheel en al te bestemmen voor aanwending elders in de kinderbijslagsfeer. Dan zou het bevriezingsvoorstel evengoed achterwege kunnen blijven, al was het maar omdat wij hier bezig zijn met een vereenvoudigingsoperatie. Uitgangspunt tot nu toe was onzes inziens, dat het loon voldoende moest zijn voor de behoeften van een gezin met twee kinderen. De heer Nijhof heeft er ook nog op gewezen. Gezien de bijzondere omstandigheden werd in 1946 besloten tot het verlenen van kinderbijslag voor het eerste en twee-de kind van werknemers. De sedert 1973 van kracht zijnde bevriezing van bijslag voor het eerste kind en de sinds kort geldende halvering van de bijslag voor eerstgeborenen van 0-3 jaar wijzen weer enigszins in de richting van het genoemde uitgangspunt. Dat de nettonettokoppeling van de sociale uitkeringen aan het minimumloon eerder wijst op een vervagen van dit uitgangspunt, omdat daarbij wordt uitgegaan van het netto minimumloon van een gehuwde werknemer van 23 jaar en ouder zonder kinderen, lijkt ons een voorbarige conclusie. Door het zo te stellen zou het minimumloon, wat het behoefteaspect betreft, gericht worden op een gezinssituatie zonder kinderen. Aangezien de kinderbijslagen een belangrijk deel, maar altijd slechts een deel van de kosten van het kind dekken, zou dit vervolgens betekenen dat een werknemer op het mini-mumloonniveau met kinderen beneden het bestaansminimum zit. In het voorlopig verslag gingen wij deze discussie aan om een heroverweging van het ontdooiingsbesluit te verkrijgen, en tenminste aan de hand van een daartoe strekkend SER-advies. Dit lijkt me tevens van groot belang, bij de vormgeving van de vůůr 1 januari 1982 te realiseren vierde fase van de herstructurering. Daarover verneem ik graag het oordeel van de bewindslieden. Voorop staat in deze derde fase het vereenvoudigingsmotief. Dat is in het licht van het steeds complexer wordende stelsel van sociale zekerheid een lofwaardig streven. Daarbij voert het kabinet het argument van rechtsgel ijkheid voor zelfstandigen met een of twee kinderen, die anders dan werknemers tot nu toe geen aanspraken hadden op kinderbijslag. Om het daarvoor nodige solidariteitsoffer van zelfstandigen zonder kinderen wat minder zwaar te maken vroegen de zelfstandigenorganisaties en de Raad van het Midden-en Kleinbedrijf om uitbreiding van de nieuwe volksverzekering tot alleen het tweede kind. Inmiddels hebben de bewindslieden, mede onder onze aandrang, besloten tot handhaving van de bevriezing van de bijslag voor het eerste kind tot 1 januari 1982, wanneer een meer permanente herstructurering in het uitzicht is. Voor ongehuwde en gehuwde zelfstandigen zonder kinderen heeft het kabinet, bij wijze van overgangsmaatregel, voorgesteld de nieuwe AKW-premie op 1,3% in plaats van 2,2%, dat wil zeggen, op iets meer dan het gehalveerde niveau, vast te stellen. Hiermee worden de negatieve inkomenseffecten in het overgangsjaar 1980 teruggebracht van ca. 1 % tot ca. 0,5%. De zelfstandigenorganisaties vinden deze overgangsregeling in 1980 te beperkt en bepleiten ook voor 1981 nog extra compensatie, overigens niet voor 1982. Wat is daarover het eindoordeel van het kabinet? Bestaat daarvoor, naast de gevraagde extra ombuigingsimpuls, in 1980 en 1981 nog ruimte? Het Economisch Instituut voor het midden-en kleinbedrijf berekent overigens dat het reŽel beschikbaar inkomen van zelfstandigen zonder kinderen in 1980 met gemiddeld 1 a 1,5% zal toenemen, rekening houdend met de in 1980 te betalen hogere AKW-premies. Is de voorgestelde overgangsmaatregel daar wel of niet inbegrepen? Vanuit dat oogpunt lijkt de noodzaak voor extra compensatie minder dwingend.

zelfstandigenorganisaties hebben er ook op gewezen dat zelfstandigen zonder kinderen in de detailhandel en in de horeca met een inkomensontwikkeling van respectievelijk -1,5 a 2 en -1 a -1,5 genoegen lijken te moeten nemen. Dat is nogal wat. Welke oplossingen zijn hier nog denkbaar? Een moeilijk probleem vormen de negatieve inkomensconsequenties van deze technische vereenvoudigingsoperatie voor de kleine zelfstandigen beneden de zgn. KKZ-grens. De uitbreiding van de overgangsregeling voor deze groep door de uitkeringineens te verhogen van respectievelijk f 100, bij 1 kind en f 200 bij 2 kinderen tot respectievelijk f 150 en f 300 vinden wij een welkome verbetering voor deze in moeilijke omstandigheden verkerende groep zelfstandigen. Wij zouden hier graag ook iets structureels willen doen via bijstelling van de premievrijstellings-en reductieregeling. In het voorlopig verslag hebben wij daarop aangedrongen. Tegelijkertijd beseffen we dat, bezien de door ons zo noodzakelijk geachte extra ombuigingsimpuls, daar nauwelijks ruimte voor aanwezig is. Zoekend naar mogelijkheden vragen wij ons echter nog steeds af of een mindere begunstiging van de verzorgende ouders van partieel leerplichtige kinderen hier geen structurele compensatie kan bieden? Reeds tijdens de schriftelijke behandeling van dit wetsontwerp wezen wij op de relatieve bevoordeling van deze ouders doordat zij in de toekomst een gehele bijslag inclusief opslag ontvangen, terwijl tot nu toe geen aftrek werd genoten. Daarenboven is in de tweede fase de bijslag voor schoolgaande 16-en 17-jarigen gehalveerd. Er isondanks wat de bewindslieden daarover hebben gezegd -zeker reden om voor deze categorie ook tot een halve bijslag over te gaan. In verband met de geÔntegreerde opslag zou dat materieel zelfs tot minder dan halvering leiden. De doorbreking van de uniformiteit van het systeem kan moeilijk een argument zijn, omdat voor eerstgeborenen van 0-3 jaar reeds een halve bijslag geldt. Bij de nu voorgestelde overgangsmaatregel voor de KKZ-zelfstandigen daalt de negatieve inkomensmutatie voor deze groep als gevolg van dit wetsontwerp tot 34 gulden bij 1 kind en 61 gulden bij 2 kinderen. Hoe wordt deze inkomensmutatie in 1980 (en later) wanneer de 8 miljoen opbrengst van een halvering van de bijslag voor partieel leerplichten structureel wordt aangewend voor een bijstelling van de premievrijstellings-en reductieregeling voor de KKZ-zelfstandigen?

Kinderbijslagverzekering

Ik kom thans te spreken over de in-dexering. Graag breng ik nog eens in herinnering dat het in 1971 mede door politieke geestverwanten gesloten regeerakkoord de aanzet gaf tot de bevriezing van de kinderbijslag voor het eerste kind. Dat gebeurde in het kader van de toen reeds noodzakelijk geachte herwaardering binnen de sociale zekerheid. Vervolgens kwamen in 1972 de organisaties van werknemers en werkgevers overeen dat de bevriezing beperkt kon worden tot die voor het eerste kind. Daarbij werd voorgesteld om de aldus vrijkomende middelen te gebruiken ten behoeve van een aanvullende pensioenreservering, welk besparingseffect in 1976 werd omgezet in verlaagde werkgevers-en werknemerspremies voor respectievelijk KWL en WAO. Ik denk dat de argumenten van toen om tot bevriezing te komen inmiddels bij een meer dan gehalveerde economische groei nog heel wat zwaarder zijn komen te liggen. Ontdooiing en in-dexatie bij toenemende inflatie maken het bovendien des te moeilijker om -zoals in 1971 bedoeld -de weg te vervolgen van een zeer geleidelijke afname van het belang van de bijslag voor het eerste kind. Sedert 1973 kennen we de bevroren bijslag van het eerste kind. Sedert 1979 is er sprake van gemengde in-dexering van de bijslagen voor de overige kinderen. De kinderaftrek, die nu in bijslag wordt omgezet, heeft tot op heden nooit de regelingsloonindex gevolgd. De aanpassingsmethode voor de kinderbijslagen is derhalve een wezenlijk andere geweest dan die voor de andere sociale verzekeringen. De welvaartsvaste aanpassing heeft voor de gecumuleerde bijslag de laatste jaren niet bestaan. Met de SER-meerderheid vinden wij het kabinetsvoorstel niet onredelijk om de bijslagen -met uitzondering van de bevroren bijslag voor het eerste kind -overeenkomstig de 'geschoonde' prijsindex van de gezinsconsumptie aan te passen. De 'schoning' van de invloed van indirecte belastingen en subisidies en de verlaag-de weging voor medische verzorging voorkomen dat deze elementen tot afwenteling leiden. Bij deze vooral op vereenvoudiging gerichte derde fase stond voorop dat ze tenminste budgettair neutraal dient te verlopen. Tijdens de schriftelijke behandeling vroegen wij naar de achtergrond van de toeneming van het beschikbaar inkomen van de totale groep van zelfstandigen met per saldo 70

min. gulden door deze operatie. Deze toeneming -die wij deze groep gezien hun inkomensontwikkeling van de laatste jaren met name onder het kabinet-Den Uyl overigens van harte gunnen -blijkt voornamelijk het gevolg van de extra belastingderving voor de fiscus met 80 min. als gevolg van de fiscale aftrekbaarheid van de hogere AKW-premie. Vanwege de gebruikelijke methodiek met betrekking tot de toetsing van de begrotingsruimte is dit bedrag niet in de macrofinanciŽle balansstaat van plus-en mineffecten van dit wetsontwerp verwerkt. Desalniettemin gaat het om een feitelijk verminderde belastingopbrengst, die een feitelijke vermeerdering met dit bedrag van het totale financieringstekort van het rijk inhoudt. Slechts een deel van de gederfde 70 min. komt via verhoogde bestedingen en dus extra indirecte belastingen weer terug. Zoals de f 300 min. aan extra belastingmiddelen voor het rijk vanwege de eerste fase als een positieve ombuiging van f 300 min. werd aangemerkt kan ikdezelfde redenering aanhoudend -de gederfde f 70 min. niet anders dan als een negatieve ombuiging zien. Ik wil graag nog eens de argumenten van de Regering horen. Het is mij in ieder geval niet duidelijk hoe een operatie voor de gemeenschap -overheid en sociale fondsen -budgettair neutraal kan verlopen als ťťn particuliere groep er f 70 min. in besteedbaar inkomen op vooruit gaat ten laste van een met dat zelfde bedrag vergroot financieringstekort voor het rijk. Bij het budgettair neutraal zijn van deze operatie -zonder handhaving van de bevroren bijslag voor het eerste kind -mag mijns inziens nog om een andere reden een vraagteken gezet worden. De prijsindexering van de bijslagen ten opzichte van ongewijzigd beleid betekent een negatieve ombuiging in 1980, 1981 en 1983 van respectievelijk f 8 min., 19 min. en 52 min. bij de gunstige veronderstellingen van de sociale meerjarenramingen. Het berekende overschot van 1 min. op de diverse onderdelen van de derde fase in 1980 zou daardoor omslaan in een tekort van 30 min. in 1983. Op termijn zou de derde fase -zonder bevriezing ētoenemende tekorten veroorzaken. Op termijn zou deze operatie dus niet budgettair neutraal zijn, afgezien nog van mijn zoeven gegeven reden. Tot slot heb ik op dit punt nog als vraag wat er met het niet naar het rijk 'teruggesluisde' blijvende financiŽle voordeel van 15 min -als gevolg van het financieringsplan voor het nieuwe AKW-fondsvoor provinciale overheden en nutsgedrijven gaat gebeuren. Dit is bij de schriftelijke behandeling niet voldoende uit de verf gekomen. Waarom is dit bedrag niet terug te sluizen? Zou deze 15 min. bij voorbeeld geen welkome structurele bijdrage aan een bijstelling van de premievrij-stellings-en reductieregeling voor de groep kleine zelfstandigen met kinderen kunnen leveren? In de oorspronkelijke opzet zouden de alimentatieplichtige ouders, wier alimentatieplicht vůůr 22 september 1978 per rechtelijke uitspraak geregeld werd, als gevolg van het vervallen van de kinderaftrek ernstig gedupeerd worden. Daar hebben wij bij de schriftelijke behandeling zeer stellige bezwaren tegen in gebracht, wij zijn dan ook verheugd dat de bewindslieden de inschakeling van de Raden voor de Kinderbescherming als oplossing hebben verlaten. Deze Raden zouden veel tijd en kosten vragende procedures hebben moeten beginnen tot vermindering van de onderhoudsbijdrage voor het kind in de gevallen van vůůr 22 september 1978 geregelde alimentatieplicht. Het voorstel om de onderhoudsbijdrage ťťnmalig van rechtswege bij te stellen komt aan onze bezwaren in overwegende mate tegemoet. Wat ik niet begrijp is dat desondanks de personeelsvoorziening bij de Raden voor de Kinderbescherming in 1980 uitgebreid moet worden ten bedrage van 3,5 min. gulden. In het eerdere voorstel kan ik dat begrijpen. In het tweede voorstel eigenlijk niet meer. Dat kan toch niet beargumenteerd worden met de extra tijd die een ex-lege aanpassing van de administraties van de betrokken Raden vraagt? Ik verzoek de bewindslieden deze onnodig geworden personeelsuitbreiding daadwerkelijk te voorkomen. Ik eindig dan ook met de volgende woorden (die op elkaar rijmen, omdat het volgende week Sinterklaas is): Wie de kleine ombuigingen niet tevens eert, zit met z'n grote ombuigingsfilosofie verkeerd!

©

M.B.C. (Ria)  Beckers-de BruijnMevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! De Regering houdt niet op te herhalen dat de nu voorliggende herstructurering van de Kinderbijslagwet 3e fase een logisch gevolg is van de aanvaarding in de Tweede Kamer van de herziening van de Kinderbijslagwet 1 e fase. De herziening van het Kinderbijslagstelsel 4e fase dient voor 1 januari 1982 zijn beslag Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslagverzekering

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR) aan het woord te hebben gekregen. Het onderhavige wetsontwerp loopt daar niet op vooruit, aldus de Regering, en maakt het mogelijk dat de 4e en definitieve fase in welke vorm dan ook kan worden gegoten. Aan het eind van mijn bijdrage zal ik voor die definitieve vorm een concrete suggestie doen. Deze 3e fase is overigens geen technische aangelegenheid, noodzakelijk gemaakt door aanvaarding van de 1e fase herstructurering. Er zijn heel duidelijk politieke besluiten genomen. In de uitvoerige schriftelijke voorbereiding van dit wetsontwerp wordt daar, althans van de kant van de Regering, weinig aandacht aan gegeven. Ik wil het belang van die politieke keuzen nog eens onderstrepen door de verschillende elementen die in de 3e fase zijn opgesloten, op een rijtje te zetten. Ten eerste is daar de bevordering van de eenvoud en doorzichtigheid van het gehele stelsel, voor de uitvoeringsorganen, voor de Regering en parlement Ťn voor de uitkeringsgerechtigden. Dit element kan technisch genoemd worden. De politieke keuzen zijn de volgende: Er wordt een algemeen rechtop kinderbijslag tot stand gebracht. Dit heeft tot gevolg dat de eerste twee kinderen van de zelfstandigen nu eveneens onder het regime van de Kinderbijslagwet komen. De kinderbijslag voor het eerste kind zou worden ontdooid, althans zo was het tot dat de memorie van antwoord verscheen.

derde fase van de herstructurering van het kinderbijslagsysteem dient financieel neutraal te verlopen, zowel wat betreft de premiedruk, als wat de budgettaire problematiek betreft. En wat vergt, aldus de Regering, dat er af wordt gestapt van de koppeling van het kinderbijslagstelsel aan de loonindex en dat wordt overgegaan naar een koppeling aan de prijsindex. De kinderaftrek vindt alleen nog plaats in de vorm van belastingvrijdom van de kinderbijslag. De bijzondere regelingen vervallen, aangezien alle ingezetenen een algemeen recht op kinderbijslag krijgen. Dit rijtje liegt er niet om en het veronderstelde technische karakter is daarmee van tafel. Daarnaast kan men zich afvragen of dit wetsontwerp de ontwikkelingen met betrekking tot de 4e fase herstructurering niet al in belangrijke mate vastlegt. Laat ik hierbij een ding concreet noemen, en wel in de financiering van het stelsel door middel van de solidariteitsgedachte. Eťn van de consequenties is dat er in-komensherverdeling plaatsvindt van gezinnen met gťťn en met weinig kinderen, naar gezinnen met meer kinderen. Het kinderbijslagstelsel krijgt steeds meer een volksverzekeringskarakter. Deze ontwikkeling doortrekkend is het niet ondenkbaar dat de premieplicht straks ook op de werknemers komt te rusten. Hoe ziet de Regering deze ontwikkelingen en heeft zij plannen in dit kader met het oog op de 4e fase? Ook het koppelen van de kinderbijslag aan de prijsindex is een gevaarlijk precedent. Het is te hopen dat de Regering deze lijn niet door gaat trekken naar het terrein van de volksverzekeringen. Ik kom daar zo op terug. Ik kom nu tot drie specifieke onderdelen van het voorliggende wetsontwerp. In de eerste plaats kom ik dan tot het minimumloon. In de memorie van toelichting (blz. 5), wordt gesteld dat het minumumloon, wat betreft het behoefteaspect, gericht is op een gezinssituatie zonder kinderen. Reeds bij schriftelijke behandeling zijn wij hier uitvoerig op ingegaan. De vraag die hierbij voor de hand ligt is de volgende: welke consequenties trekt de Regering uit haar opvatting dat het minimumloon, wat de behoeften betreft, gericht is op een gezin zonder kinderen; hetgeen dus betekent dat een gezin met twee kinderen onder het aanvaardbare inkomensniveau komt te verkeren? Kinderbijslag is immers niet bedoeld als volledige compensering van de kosten van de opvoeder van een kind. De eigen verantwoordelijkheid van de ouders staat voorop. Eťn of enkele kinderen zijn bovendien duurder dan meer kinderen. Dit punt is van groot belang in het kader van de herstructurering 4e fase. Ik verneem graag hoe de Staatssecretaris hierover denkt. Het tweede punt is de koppeling van de kinderbijslag aan de prijsindex in plaats van aan de loonindex. In de schriftelijke voorbereiding zijn wij hierover reeds duidelijk geweest. Het hanteren van de prijsindex brengt voor trekkers van sociale uitkeringen -met name voor de bovenminimale uitkeringen -extra risico's met zich mee. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat het verschil tussen de loonindexering en de prijsindexering toch niet zo groot is. Wat let de Regering dan om de risico's voor de sociale uitkeringen tot het minimum terug te brengen door vast te houden aan de loonindexering? In de memorie van antwoord wordt daarover nog eens gesteld dat de inkomensmutaties als gevolg van de omschakeling van de loonindex naar de prijsindex, gering zijn (blz. 22). Toch besluit r' 3 Regering dat het welvaartsvaste karakter dat aan de kinderbijslag was verbonden, nu wordt gewijzigd in waardevastheid. Naar onze mening heeft zij onvoldoende argumenten gegeven om deze belangrijke stap te rechtvaardigen. Ten slotte is er het belastbaar maken van de kinderbijslag. Deze suggestie hebben wij reeds in een eerdere fase Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslagverzekering

gedaan. De Regering heeft daarop het een en ander voor ons doorgerekend, zoals is weergegeven in de bijlagen bij de nota naar aanleiding van het eindverslag. Voor ons is met name bijlage 1b interessant. De kritiek van de Regering op deze suggestie is verwoord in de memorie van antwoord. De vier aldaar genoemde kritiekpunten kunnen naar mijn mening, stuk voor stuk op goede gronden worden bestreden. Zeker als we het draaipunt voor gezinnen met een of twee kinderen bij f 35.000 leggen en bij een hoger kindertal naarmate het inkomen hoger is. (Bijlage 1b.) Omdat de Regering in hoofdstuk 10 van de memorie van antwoord een schets heeft gegeven van de verdere herstructurering, zonder daarbij definitieve keuzen te doen met betrekking tot de uitganspunten voor het nieuwe stelsel in het kader van de 4de fase, achten wij het gewenst om nu reeds de richting waarin wij de verdere herstructurering vorm willen geven, vastgelegd te zien. Ook hieromtrent bied ik u, mijnheer de Voorzitter, een motie aan.

Motie

Voorzitter: Door de leden Beckers-de Bruijn en Poppe wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging;

van oordeel, dat het onder de inkomstenbelasting brengen van de kinderbijslagen uitgangspunt dient te zijn voor de verdere herstructurering van het kinderbijslagstelsel;

van oordeel, dat bij het modale inkomen de nettohoogte van de kinderbijslagen vanaf het eerste of tweede kind moet zijn gegarandeerd en dat deze garantie, naarmate het inkomen hoger ligt, bij een hoger kindertal moet liggen;

verzoekt de Regering de herstructurering van het kinderbijslagstelsel in de vierde fase in deze zin uit te werken, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 18(15683).

heer Verbrugh (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Over de vorm van een kinderbijslagstelsel is gedurende de afgelopen twee jaar reeds veel gezegd in deze Kamer. Zowel bij de eerste als bij de tweede fase zijn de uitgangspunten van dit stelsel uitvoerig aan de orde geweest. Ook bij dit debat zullen wij er niet helemaal aan ontkomen, iets te zeggen over de principes waarop een kinderbijslagstelsel moet worden gefundeerd. In de nota naar aanleiding van het eindverslag hebben beide Staatssecretarissen de Kamer daar ook met zoveel woorden toe uitgenodigd, met het oog op de te verwachten vierde fase. Ik zou in de eerste plaats willen opmerken dat er bij een vierde fase in ieder geval duidelijkheid moet komen over de mate waarin men de kinderbijslagbedragen wil laten variŽren. Op dit moment is het systeem verre van consequent. De bijslag voor het eerste kind is bevroren en de bijslagen voor de 0-tot 3-jarigen zijn gehalveerd. Terecht schrijft de Regering dat de bevriezing van de bijslag voor het eerste kind niet past bij een systeem dat ervan uitgaat dat er voor ieder kind een recht op kinderbijslag bestaat. Nu is het de vraag of dit uitgangspunt, een recht op bijslag voor alle kinderen, wel helemaal terecht is. Im-mers, de oorspronkelijke gedachte bij de kinderbijslag was dat het loon dat een werknemer verdiende, voldoende moest zijn om een gezin met twee kinderen te onderhouden. Dat was in 1936. Tien jaar later is vanwege de bijzondere naoorlogse omstandigheden van dit principe afgeweken en heeft men aan werknemers ook voor de eerste twee kinderen bijslag toegekend. In 1971 volgde de bevriezing van het eerste kind als eerste stap op weg naar het afschaffen van de bijslag voor dit kind. Mijns inziens was dit niet ten onrechte, want met het inmiddels bereikte loonpeil had men in 1936 wel 10 kinderen kunnen onderhouden in plaats van twee. Bij het uitzetten van de lijnen naar 1982 geloof ik daarom dat het bevroren houden van de bijslag voor het eerste kind een goede keus zou zijn. Een uitgangspunt van de Regering bij deze derde fase was dat de rechten van zelfstandigen en werknemers gelijk getrokken zouden moeten worden. Gekozen werd het verlenen van kinderbijslagen, ook voor de eerste twee kinderen van zelfstandigen. Het omgekeerde, namelijk het afschaffen van de bijslagen voor de eerste twee kinderen van werknemers, werd niet voorgesteld omdat dan een verworven sociaal recht zou worden aangetast. Mijn fractie is van mening dat dit in-derdaad geen verstandige politiek zou zijn omdat je daarmee aan goodwill verliest, wat je aan ombuigingen binnenhaalt. Bovendien moet de ombuigingsoperatie op het terrein van de kinderbijslag nu zo onderdehand haar einde wel eens bereiken. Als er met hetzelfde gemak omgebogen zou worden in de sociale uitkeringen als nu gebeurd is in het kinderbijslagsysteem, dan hadden de bewindslieden van FinanciŽn misschien wel even kunnen lachen, maar niet lang, want hun ambtgenoten van Sociale Zaken zouden waarschijnlijk onder de druk die zij dan ondervonden, wel bezweken zijn. Dit punt afsluitend, denk ik dat wij er het beste aan doen, beide uitersten te vermijden en op de ingeslagen weg van bevriezing van het eerste kind door te gaan. Dan komen wij uiteindelijk bij een systeem uit, waarbij er een algemeen recht op kinderbijslag bestaat vanaf het tweede kind, een soort compromis. Uit de tabellen bij de memorie van toelichting is wel duidelijk geworden dat een keuze van het bevroren nouden van de bijslag voor het eerste kind ertoe leidt dat ten aanzien van het in-dexeringsmechanisme het volgen van een loonindex gekozen moet worden. Met name als de financiŽle positie van de wat grotere gezinnen ons ter harte gaat, is die keuze onontkoombaar. Maar er zijn ook verschillende andere argumenten aan te voeren voor de keuze van een al dan niet geschoonde loonindex. Zo is de kinderbijslag in de praktijk een deel van het inkomen en inkomens moet je met inkomens vergelijken. Een andere indexering bergt al gauw een element van willekeur in zich. De Regering wil het kinderbijslagsysteem zien als een soort volksverzekering. Op dit begrip van volksverzekering hoop ik straks nog terug te komen, maar wie het kinderbijslagstelsel als zodanig karakteriseert, zal er niet aan kunnen ontkomen, ťťn lijn te trekken met alle andere volksverzekeringen, die ook de loonindex volgen. De Regering wijst er in de memorie van antwoord op dat het huidige systeem van indexering zo chaotisch en gecompliceerd is, dat welk indexeringsmechanisme ook gekozen zou worden' dit altijd zou afwijken van het bestaan-de systeem. Nu valt dit niet te ontkennen, maar dan moet wel met overtuigende argumenten worden toegelicht waarom voor een bepaald systeem is gekozen. Kiest men hier nu voor een prijsindexering, dan zijn argumenten ontleend aan de financiŽle situatie van het rijk, mijns inziens niet overtuigend. Is de Regering niet van mening dat een systeem van loonindexering, dus Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslagverzekering

Verbrugh praktisch van indexering op het nationale inkomen per caput het meest aansluit bij de oorspronkelijke kinderbijslagregeling, voordat de hele ombuigingsoperatie begon? Pasteen loonindex ook niet veel beter bij de bedoelingen van het thans geldende systeem, omdat die uitgaat van de gezinswelvaarttheorie? In de memorie van antwoord geeft de Regering dit toe, maar toch houdt zij vast aan de prijsindex. Onder welke omstandigheden wordt een welvaartsvaste index dan wel acceptabel geacht? Als wij in een tijd van grote schaarste leven waarin de prijzen zo snel stijgen dat de lonen achterblijven? Mijnheer de Voorzitter! Ik heb een voorkeur uitgesproken voor een algemeen kinderbijslagsysteem voor alle tweede en volgende kinderen. Als men hierbij de bijslag voor het eerste kind bevroren houdt, is dat niet alleen om budgettaire redenen een wenselijk systeem, maar zullen ook overwegingen van vrijheid van gezinsvorming zich hiertegen niet behoeven te verzetten. Immers, bij het eerste kind denken de meeste gehuwden nog niet zo aan de financiŽle consequenties. Later wordt dit anders. Al zou ik wars zijn van het Oostduitse systeem van abkindern, ik neem aan dat de bewindsman dit kent....

Staatssecretaris De Graaf: Nee.

De heer Verbrugh (GPV): Het is dan wellicht nuttig dat nu te vertellen. Een gezin krijgt bij het huwelijk een krediet van 12.000 Mark. Bij het eerste kind gaat er 2000 IIark af, bij het tweede kind gaat er 4000 IIark af en bij het derde kind wordt er 6000 IIark kwijtgescholden. Dat is een heel ander systeem. Ik ben er niet voor. Het is wel direct gericht.

heer Nijhof (DS'70): Dat is nog eens progressief! Het is een afhankelijke kinderbijslag.

De heer Van der Doef (PvdA): Wat hebben ze in Zuid-Afrika?

©

A.J. (Bart)  VerbrughDe heer Verbrugh (GPV): Dat is mij niet bekend. Ik begrijp trouwens niet wat het ermee te maken heeft. Toch geef ik toe dat bij een tweede en volgend kind de draagkracht van het gemiddelde echtpaar toch weer wordt verzwakt. Mede met het oog op de wenselijke, toekomstige bevolkingsopbouw dient er daarom in elk geval een einde te komen aan de ombuigingen in de sfeer van de kinderbijslag.

Wij mogen niet vergeten dat het kinderbijslagstelsel oorspronkelijk was bedoeld als een omslagregeling voor werkgevers. Werknemers met veel kinderen mochten niet duurder zijn dan werknemers met weinig kinderen. Wat is nu de rechtvaardiging van het feit dat ook zelfstandigen meedoen in het kinderbijslagstelsel? De Regering verdedigt het volledig meedelen van de zelfstandigen in het kinderbijslagstelsel met een beroep op de solidariteit. Maar solidariteit is een begrip dat voor loontrekkenden en ambtenaren begrijpelijker is dan voor zelfstandigen. Ik zei gisteren al in een interruptie tegen de heer Hermsen dat dit mijns inziens niet voldoende is. Er is wel eens gezegd dat men van een zelfstandige zonder kinderen niet zo maar kan verlangen dat hij solidair is met zijn kinderrijke concurrent op de andere hoek van de straat, maar men kan wel van hem verlangen, mee te betalen aan de premies voor de kinderbijslag als men hem maar duidelijk maakt dat de kinderen van zijn concurrent straks leven en werken om zijn eigen reŽle pensioenvoorziening mogelijkte maken. Zo is kinderbijslag in de kern een omslagstelsel tussen ouders en niet-ouders. Helaas heb ik alles wat ook maar lijkt op deze overweging gemist, zodat dit onderdeel van het wetsvoorstel nu voornamelijk wordt gebaseerd op het begrip 'solidariteit'. Dat is mijns inziens alleen in een samenleving met een zeer sterk geestelijk leven of met een sterk nationaal leven weer begrijpelijk. Geen van beide is echter bij ons aanwezig. Daarom geloof ik, dat wij toch naar een goede zakelijke grond moeten zoeken van de kinderbijslagregeling, die ook de zelfstandigen omvat. Werknemers en zelfstandigen hebben dus andere verantwoordelijkheden. Als beide groeperingen onder ťťn noemer moeten worden gebracht, dienen daar zwaarwegende redenen voor aanwezig te zijn. Die redenen zijn er, maar de Regering heeft ze niet genoemd. Op grond van deze overwegingen vind ik het dan -dit is ook al door anderen gezegd -niet terecht om te spreken van een 'kinderbijslagverzekering', alsof het verkrijgen van kinderen zo'n nationale ramp is voor ons volk, dat wij daarvoor een volksverzekering nodig hebben. Mijns inziens wordt door deze benaming een geheel verkeerde indruk gewekt. Ik zou daarom ook liever spreken van een 'Algemeen Kinderbijslagstelsel', niet omdat ik principiŽle bezwaren heb tegen verzekeringen; integendeel -maar enkel en alleen omdat deze benaming de inhoud van de regeling beter dekt. In de memorie van toelichting worden enige verhelderende cijfers gegeven over de ontwikkeling van de premies en de rijksbijdragen voor het Fonds. Daarbij zet ik toch een vraagteken. In acht jaar tijd lopen de rijksbijdragen, uitgedrukt in een percentage van de premie, op van 18% tot 112%. Dit toont toch wel aan dat wij niet op de goede weg zitten, al geef ik toe dat deze snelle verhoging deels het gevolg van de afschaffing van de kinderaftrek is. Maar de samenhang tussen premie-en bijslagbedragen raakt nu toch steeds meer zoek. De kinderbijslagbedragen zijn op dit moment inkomensonafhankelijk en zelfs belastingvrij. In dit opzicht kijken zij op een soort gelegaliseerde spaarbiljetten aan toonder. Nu passen bij inkomensonafhankelijke kinderbijslagbedragen in ieder geval ook inkomensonafhankelijke premiepercentages. Als de inkomsten voor de bijslagbedragen echter steeds meer via de belastingheffing binnenkomen, betaalt men formeel nog wel geen progressieve premietarieven, maar wel progressieve belastingtarieven, die materieel voor de premies in de plaats komen. Mevrouw Beckers gaat juist in deze richting verder; zij wil de betalingen helemaal bij de inkomstenbelasting onderbrengen. Ik geloof dat dit niet beantwoordt aan de opzet van een kinderbijslagregeling. Dat men in deze richting gaat denken, toont overigens wel aan in welk een impasse van rommelwetgeving wij eigenlijk zijn beland, nu er zo'n grote rijksbijdrage aan de kinderbijslagfondsen moet worden uitgekeerd. De overzichtelijkste oplossing zou mijns inziens zijn een zodanige verhoging van de premie dat geen rijksbijdrage nodig is onder gelijktijdige verlaging van de belasting. Ook als men de kinderbijslag opnieuw wilde belasten, zou dat bij onze fractie niet op grote bezwaren stuiten. Nu spreken wij over een ver gaande vereenvoudiging van het kinderbijslagstelsel. Het wetsontwerp brengt die, maar onvoldoende. Ik denk namelijkdat zij die over 20 jaar terugkijken op de uitkomsten van ons gepuzzel van het eind van de jaren zeventig zullen constateren dat wij er een zeer in-gewikkelde warboel van hebben gemaakt. Met ingang van 1982 zou de vierde fase haar beslag moeten krijgen. Ik zou de Regering eerst willen vragen, hoe zij dit tijdschema gerealiseerd denkt te Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslag verzekering

krijgen. In de loop van 1980 zal een adviesaanvraag bij de SER worden ingediend. Als dit advies eind 1980 op zijn vroegst zal worden ontvangen, zal het kabinet begin 1981 misschien het wetsontwerp rond kunnen hebben, als het kabinet dan tenminste niet demissionair is. Als de Kamer echter in de zomer van 1981 deze wetgeving zal behandelen, is het kabinet zeker demissionair. Ik acht die datum van 1 januari 1982 op dit moment daarom ook weinig geloofwaardig. Afsluitend maak ik nu enkele inhoudelijke opmerkingen over de vierde fase. De vierde fase dient in ieder geval budgettair neutraal te verlopen. Tevens zou die fase kunnen inhouden een definitieve afschaffing van de bijslag voor het eerste kind. Misschien zullen wij moeten afstappen van de gezinswelvaartstheorie en overgaan op de kostenperkindtheorie. In beide gevallen echter is een loonindex de aangewezen maatstaf voor aanpassing. Mocht dit tot budgettaire moeilijkheden aanleiding geven, dan prefereer ik altijd nog een eenmalige verlaging van de bedragen met koppeling aan de loonindex boven een prijsindexering. Aangezien ik de kinderbijslag beschouw als een omslagstelsel tussen ouders en niet-ouders, acht ik inkomensafhankelijke kinderbijslagbedragen niet terecht, omdat de kinderbijslag dan ten onrechte zou worden gebruikt als een inkomenspolitiek instrument. Ik hoop dat wij te zijner tijd iets van deze richtlijnen terug kunnen vinden in het kinderbijslagstelsel van het tweede kabinet-Van Agt.

©

E. (Erwin)  NypelsDe heer Nypels (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Toegegeven, wij hadden ons veel meer voorgesteld van de der-de fase van de herstructurering van het kinderbijslagsysteem in ons land. Zoals bekend uit voorgaande debatten is D'66 voorstander van de invoering van ťťn gezinssubsidieregeling, die gelijke rechten toekent aan loontrekkende ambtenaren en zelfstandigen vanaf het eerste kind. In deze regeling zal het bestaande systeem van uitkeringen zodanig herzien worden, dat de progressie naar kindertal geheel vervalt en wordt vervangen door leeftijdsafhankeliike bijslagen waarbij een relatie wordt gelegd met de feitelijke kostenontwikkelingen in een gezin. Daarnaast zal integratie van de premies van de volksverzekeringen, waaronder die voor deze gezinssubsidieregeling, in de inkomstenbelasting en de bedrijfsbelastingen plaatsvinden.

Wat het laatste betreft hebben wij reeds in het verleden, in navolging van prof. Douben, een integratie in de bedrijfsbelastingen bepleit, waardoor een drukverschuiving ontstaat van arbeidsintensieve bedrijven naar kapitaalintensieve bedrijven. Deze wijzigingen in de opzet van het stelsel van gezinssubsidies zijn onzes inziens reeds op billijkheidsgronden te verdedigen. De bedoelde wijziging in de financieringsmethode en -grondslag zou bovendien de problemen bij de premiebetaling van zelfstandigen geheel of grotendeels kunnen oplossen. Ten slotte zou nog overwogen kunnen worden een structurele verlaging van het gemiddeld peil van uitkeringen, gecombineerd met invoering van bepaalde kosteloze voorzieningen, waar kinderen veelvuldig gebruik van maken, bij voorbeeld crŤches en peuterklasjes. Nu deze structurele wijzigingen niet in het wetsontwerp zijn opgenomen, is naar het oordeel van de fractie van D'66 de voorbereiding van een volgendefase voor een verdere herstructurering vereist. Evenals de SER betreuren wij dat al deze veranderingen niet in een kleiner aantal fasen tot stand kunnen komen, omdat de huidige gang van zaken langdurige onrust en onzekerheid bij de betrokkenen geeft, namelijk bij de uitkeringsgerechtigden, premiebetalers en uitvoeringsorganen. Dit geldt des te sterker nu ook de aanneming in de Eerste Kamer van een motie-Van Tets een extra aansporing tot het ontwerpen van een nieuwe opzet voor het kinderbijslagsysteem heeft gegeven. Dit neemt niet weg dat wij het wetsontwerp op zich als technisch nuttig en principieel belangrijk beschouwen. Het is technisch nuttig wegens de vereenvoudiging die wordt bereikt door samenvoeging van de AI-gemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, de Kinderbijslagwet voor kleine zelfstandigen, de Kindertoelageregeling overheidspersoneel en de Kinderaftrekregeling voor de loon-en inkomstenbelasting. Het is principieel belangrijk wegens de gelijke berechtiging van de zelfstandigen ten opzichte van de loon trekkenden. Bij nota van wijziging wordt voorgesteld de bevriezing van de kinderbijslagen voor eerste kinderen voort te zetten tot in 1982. Dat levert in de volgen-de drie jaren een uitgavenbeperking op van respectievelijk 90, 215 en 245 miljoen gulden. Een nadeel hiervan is onder meer dat hierdoor de progressie naar kindertal in de uitkeringen toeneemt.

Toch valt dit regeringsvoorstel te billijken. In de sfeer van de sociale voorzieningen zijn er verschillende aanwendingsmogelijkheden van deze bedragen, die een grotere urgentie bezitten, bij voorbeeld om een verlaging van het niveau van de sociale uitkeringen voor de niet-actieven te voorkomen. Daarbij komt dat door een voortzetting van de reeds jaren bestaande bevriezing geen belangrijke breuk in de inkomenspositie van de betrokkene ontstaat, zodat de nadelen hiervan beperkt blijven. In het voorlopig verslag hebben wij aangegeven dat uiteindelijk naar ons oordeel voor alle sociale verzekeringen ťťn indexeringsmethode zou moeten ontstaan met een koppeling van de ontwikkeling van de reŽle net-to-uitkeringen aan de ontwikkeling van de reŽle nettoarbeidsvoorwaarden voor de actieve beroepsbevolking, dat wil zeggen: een echte, rŽele welvaartskoppeling. Dat behoort ook voor de aanpassingsmethode voor de gezinssubsidies het geval te zijn. Om dit resultaat zo goed mogelijk te benaderen, zo merkten wij in het voorlopig verslag op, kan wellicht voorlopig de loonindex worden gebruikt, met een correctie in verband met de fiscale vrijstelling van de kinderbijslagen. In de memorie van antwoord wijzen de bewindslieden erop dat het in deze gedachtengang logisch is, op de loonindex ook een correctie voor de sociale premies toe te passen. Dat is juist. Wij hadden deze correctie inderdaad, zoals de bewindslieden veronderstelden, vergeten te noemen. Volgens de memorie van antwoord liggen de resultaten van de door de Regering voorgestelde aanpassingsmethode volgens de prijsindex in de eerstkomende periode waarschijnlijk dicht bij de door ons bedoelde aanpassingsberekening. Op die grond zullen wij de aanpassingsregeling uit het wetsontwerp voorlopig, voor een overgangsperiode, aanvaarden en hierover definitief een standpunt innemen bij de uiteindelijke herstructurering van het gezinssubsidiestelsel. In het voorlopig verslag hebben wij ons afgevraagd of de voorstellen uit het wetsontwerp ten aanzien van de alimentatieplichtigen geen te grote nadelige inkomenseffecten zullen opleveren, nu de resultaten van een studie naar de mogelijkheid van het recht op kinderbijslag, te leggen bij de verzorgende ouder, nog niet zijn verwerkt. De bewindslieden antwoorden in de memorie van antwoord dat het verlenen van het recht op kinderbijslag primair aan de verzorgende ouder het probleem niet zal oplossen.

Kinderbijslag verzekering

De enige juiste oplossing voor de f inanciŽle problemen van de alimentatieplichtigen is naar hun mening het herzien van de rechterlijke uitspraken en overeenkomsten betreffende levensonderhoud. De aangekondigde algemene maatregel, waardoor de onderhoudsbijdragen eenmalig van rechtswege zullen worden hersteld, zal huns inziens daartoe bijdragen. Wij zullen de ontwikkeling op dit gebied in de praktijk volgen om na te gaan of op deze wijze het probleem ook daadwerkelijk zal worden opgelost en, indien dat niet het geval is, nader contact met de bewindslieden opnemen om na te gaan welke maatregelen ter zake nog zijn vereist. De Kindertoeslagregeling Overheidspersoneel zal, volgens de bedoeling van de Regering, geheel opgaan in de nieuwe kinderbijslagregeling, zodat een einde zal komen aan de afwijken-de kindertoeslagregeling voor het overheidspersoneel. Dit houdt in dat voor de ambtenaren een einde zal komen aan de aparte kindertoeslagen voor de eerste twee kinderen, aan het 'super zelfdoenerschap' van de overheidsadministratie wat de uitvoering van de huidige AKW voor derde en volgende kinderen betreft, en tevens, als gevolg hiervan, aan de maandelijkse uitbetalingen in plaats van de normale kwartaalbetalingen. In hetgeorganiseerde overleg in ambtenarenzaken hebben de ambtenarencentrales bezwaren gemaakt -uiteindelijk "tegen de uniforme toepassing van de nieuwe kinderbijslagregelingen bij het overheidspersoneel, in het bijzonder tegen de omschakeling van maandin kwartaalbetalingen. Wij kunnen ons voorstellen dat een beperkte overgangsregeling wordt gehanteerd om een al te abrupte overgang naar het nieuwe systeem voor ambtenaren te voorkomen maar wie onze opvattingen kent, zal begrijpen dat wij het streven van de Regering naar een gelijke kinderbijslagregeling met een gelijke administratieve uitvoering vooralle bevolkingsgroepen -en dus ook voor de ambtenaren -met kracht ondersteunen. Kortom, wij aanvaarden dit wetsontwerp zoals het er nu ligt, als een bescheiden poging orde op zaken te stellen in het verbrokkelde kinderbijslagstelsel dat wij momenteel kennen, vooruitlopend op een meerfundamentele herziening van het gezinssubsidiesysteem in ons land.

heer Van der Spek (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Eindelijk is het zo ver: na 40 jaar van rommelige, moeizame, gecompliceerde en versnipperde kinderbijslagwetgeving komt er, als de Regering haar zin krijgt, ťťn algemene kinderbijslagwet die voor iedereen geldt. Er wordt schoon schip gemaakt en er blijft in feite niets over van de vijf bestaande regelingen, de Kinderbijslagwet loontrekkenden, de Algemene kinderbijslagwet, de Kindertoeslagenregeling overheidspersoneel, de Kinderbijslagwet kleine zelfstandigen en de kinderaftrek bij de loon-en inkomstenbelasting. Er komt een volksverzekering waardoor iedereen het recht krijgt op kinderbijslag vanaf het eerste kind. Door iedereen moet hieraan, in de vorm van premies, worden meebetaald. Het is wellicht goed -ik heb het, meen ik, bij een vorige gelegenheid al eens gezegd -op te merken dat volgens het standpunt van mijn partij de kinderbijslag eigenlijk geheel zou moeten verdwijnen, onder andere in het kader van de individualisering die tegenwoordig steeds meer als een na te streven doel wordt erkend. Dit dient echter niet zo te gebeuren, dat allerlei mensen er het slachtoffer van worden. Het moet zo zijn, dat voor iedereen in Nederland, door een sterke uitbreiding van diverse collectieve voorzieningen, een groot aantal basisvoorwaarden wordt geschapen. In plaats van de kinderbijslagen die er op dit moment zijn, maar die niet rechtstreeks ten goede komen aan degenen voor wie zij zijn bedoeld. De uitkeringen vinden nu plaats, via de vijf regelingen en binnenkort via de nieuwe regeling, aan iemand anders, die ervoor moet zorgen dat zij ten goede komen aan het kind voor wie het geld is bedoeld. Hoewel de mogelijkheid aan die andere opzet verre van theoretisch is, moet ik toegeven dat deze niet in de nabije toekomst kan worden gerealiseerd. Ik meen dan ook, gegeven de huidige situatie, dat men nog niet van de kinderbijslag af kan. Daarom is het goed, het bestaande systeem in belangrijke mate te vereenvoudigen, want het historisch gegroeide systeem is een lappendeken van allerlei verschillende, naast elkaar bestaande regelingen voor bepaalde groepen, waarop niemand veel zicht heeft, behalve de ingewijden. Het is een vrij chaotisch geheel, dat uiterst verwarrend en versluierend moet zijn voor de consument. Ik juich een stroomlijning dus toe, maar toch heb ik grote bezwaren tegen het wetsontwerp zoals het nu ter tafel ligt. Voor een aantal groeperingen heeft het voorstel van de Regering naar mijn mening onaanvaardbare gevolgen. De kleine zelfstandige die nu premievrij bijslag vanaf het eerste kind ontvangt, moet straks veel premie voor kinderbijslag betalen. De zelfstandige met een bruto inkomen van rond f 22.000 -ongeveer gelijk aan het minimumloon -en met twee kinderen, ťťn kind of geen, gaatop jaarbasis -f 184 tot f 361 erop achteruit. De zelfstandige met een nog lager inkomen heeft minder nadeel van de nieuwe regeling: ongeveer f 100 per jaar als men ťťn kind of geen kind heeft, maar het blijft een nadeel, en dat bij een gering inkomen. Het is duidelijk, dat hoe dan ook sprake zal zijn van een netto financieel nadeel voor zelfstandigen zonder kinderen. Voor deze groepen stelt de Regering overgangsmaatregelen voor die de pijn van de inkomensachteruitgang moeten verzachten, maar dit zal slechts tijdelijk zijn. Mijnheer de Voorzitter! Fundamenteler is het bezwaar, dat mijn partij heeft tegen het koste wat het kost doordrammen van het wetsontwerp op dit ogenblik. De Staatssecretaris noemt als belangrijste reden hiervoor, dat er per 1 januari 1980 een nieuwe regeling moet zijn omdat de nu bestaande wetgeving op deze datum afloopt. Als wij de derde fase van de herstructurering van de kinderbijslag niet voor deze datum realiseren, wordt de oude situatie -die van voor 1 oktober 1978-hersteld, de datum waarop de eerste fase in werking trad. Er zou dus noodwetgeving moeten komen, hetgeen de Staatssecretaris liever niet wil. Daarom wil hij de wet laten ingaan op 1 januari 1980. Mijnheer de Voorzitter! Ik vraag mij af, of het de bedoeling van de regering is, weer allerlei maatregelen ad hoc te nemen, zoals gebeurd is bij de tweede fase. Ik denk aan de afschaffing van de tweevoudige -en soms drievoudige -kinderbijslag voor 16-en 17-jarigen, een operatie welke uitsluitend is uitgevoerd om geld beschikbaar te krijgen; hieraan lag geen enkele principiŽle overweging ten grondslag. Ik noem verder de halvering van de kinderbijslag voor eerstgeboren kinderen van 0 tot 3 jaar, hetgeen nota bene ter plekke werd verzonnen. Het lijkt erop dat het weer een groot aantal adhocmaatregelen moet worden. De schijn daarvan wordt bevestigd door de merkwaardige constructie dat ondanks het duidelijk negatieve SER-advies op dit punt eerst een aantal nieuwe regelingen Tweede Kamer 28 november 1979

Kinderbijslag verzekering

Van der Spek wordt gemaakt, die voor sommige groepen uit de bevolking ingrijpend zijn, en dat daarna de grondslagen waarop die nieuwe regelingen berusten zullen worden overdacht. Dat lijkt op eerst doen en dan denken; de visie komt achteraf. De Staatssecretaris van Sociale Zaken constateert ook, dat er een fundamentele herbezinning op de uitgangspunten van het stelsel zal moeten plaatsvinden. Daarover wordt volgend jaar een adviesaanvraag bij de SER in-gediend. Dan rijst de vraag of dit niet tot de consequentie kan leiden dat de nu voorgestelde en eventueel genomen maatregelen weer moeten worden teruggedraaid en helemaal niemand meer weet waaraan hij toe is, dat wil zeggen als er een min of meer eenstemmig advies van de SER uit de bus komt en de Staatssecretaris het accepteert en het niet, zoals nu, naast zich neerlegt. De derde fase van de herstructurering van de kinderbijslag is budgettair neutraal, dat wil zeggen dat de bezuinigingen al zijn doorgevoerd in de twee voorgaande fasen. De derde fase moet uitsluitend een afronding zijn om het stelsel begrijpelijker, administratief minder bewerkelijk te maken, en om de verschillen tussen loontrekkenden en zelfstandigen in dit opzicht recht te trekken. Als wij de doelstellingen doorlichten zien wij in de eerste plaats dat ten gevolge van de voorgestelde regeling voor bepaalde groepen kleine zelfstandigen, met name degenen zonder kinderen, een netto inkomensachteruitgang zal resulteren en in de tweede plaats dat het stelsel nog steeds een chaos is, met weer een aantal overgangsmaatregelen om het leed voor bepaalde categorieŽn tijdelijk te verzachten. Daarom is mijn conclusie dat de herbezinning op en de herdefiniŽ-ring van ons stelsel van kinderbijslagen eerst maar eens op gang moeten komen en moeten worden afgerond voordat een nieuwe regeling wordt gemaakt. Wij moeten ons dus niet laten meeslepen door een in haast gemaakte, snel door te voeren en dus ook weer krikkemikkige regeling, die de onduidelijkheid en de onbillijkheden op dit terrein alleen maar kan vergroten.

algemene beraadslaging wordt geschorst. De vergadering wordt van 11.55 uur tot 13.00 uur geschorst.

©

De Voorzitter: Ik bepaal, dat de openbare vergadering van de vaste Commissies voor Onderwijs en Wetenschappen en voor Volksgezondheid over de brief van de Ministers van On-derwijs en Wetenschappen en van Volksgezondheid en MilieuhygiŽne over de academische ziekenhuizen (15800 VIII-XVII, nr. 47) zal worden gehouden op maandag 10 maart 1980 van 11.15 tot uiterlijk 23.00 uur.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.