Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum) (15900).

©

De Voorzitter: Het woord is, naar ik begrijp in verband met de orde, aan de heer Van Kleef.

©

Th.A.M. (Dik) van KleefDe heer Van Kleef (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Een goede behandeling van dit wetsontwerp op deze dag in deze Kamer is volgens mijn fractie niet mogelijk. Gisteren ontvingen wij de stenografische verslagen van hetgeen zich de vorige week aan de overzijde heeft afgespeeld. Om de zaak compleet te maken, ontvingen wij nog een telefoontje met de mededeling, aan het onderhavige wetsontwerp prioriteit te verlenen door het als eerste te gaan behandelen. Mijn fractie is van mening dat van de Eerste Kamer niet verlangd kan worden, om in een tijdsinterval van minder dan 24 uur beslissingen te nemen, die zulke vťrstrekkende gevolgen hebben als in het onderhavige wetsontwerp worden voorgesteld. Mijnheer de Voorzitter. Ik zou u, die zozeer waakt over het gezag van deze Kamer willen vragen of u van mening bent dat openbare behandeling van wetsontwerp 15900 op dit moment in redelijkheid van ons gevraagd kan worden.

De Voorzitter: Naar mij blijkt, wordt het voorstel van orde van de heer Van Kleef voldoende ondersteund.

©

A.H. (Andrť)  KloosDe heer Kloos (PvdA): Ik kan mij de geprikkelde stemming van de heer Van Kleef en zijn fractiegenoten levendig voorstellen. Het is bij ons niet anders. Toch meen ik dat wij vandaag moeten proberen eruit te komen. De stenografische dienst en de dienst van deze Kamer hebben naar vermogen getracht ons te informeren; een dik pak stukken waar nauwlijks doorheen te komen is. Wij wisten natuurlijk wel ongeveer wat op ons af kwam. Wij hebben enige tijd van voorbereiding gehad. Het late arriveren van de stukken maakt een diepgaande discussie nauwelijks mogelijk. Vandaag mag deze Kamer geen aanspraak maken op de eretitel 'Kamer van bezinning'.

©

B. (Bas) de Gaay FortmanDe heer De Gaay Fortman (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Er is geen sprake van een voorstel van orde, doch een vraag van orde. Van u zouden wij een antwoord op die vraag willen hebben. Wat is er gebeurd? De Tweede Kamer heeft vanwege het complexe karakter van de materie besloten voor de behandeling een week langerte nemen. Wat is daarvan het gevolg? Onze woordvoerders kregen gistermiddag om drie uur een pakket papier van meer dan 7 cm dikte. De Tweede Kamer doet ernstig tekort aan de gedegenheid van de behandeling hier. Aan u, mijnheer de Voorzitter, die waakt over het gezag van deze Kamer, zouden wij een reactie op dit gebeuren willen vragen.

©

J.W. (Johan) van HulstDe heer Van Hulst (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb volledig begrip voor de argumenten, die hier zijn genoemd ter zake van uitstel van behandeling. Daar staat natuurlijk wel iets tegenover. Degenen, die iets langer dan enige weken lid van deze Kamer zijn, weten, dat wij elk jaar opnieuw voor precies dezelfde situatie staan. De leden van deze Kamer moeten er zich terdege op prepareren dat zulke situaties zich voordoen, in het bijzonder tegen het einde van het jaar. Wij hebben toch moeite met het volgen van het voorstel van de heer Van Kleef en de zijnen.

©

Th.A.M. (Dik) van KleefDe heer Van Kleef (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Het gaat niet om een voorstel, maar om een vraag aan de Voorzitter. Het gaat hierbij om twee pakketten, de belastingwetsontwerpen die wij goed hebben kunnen voorbereiden -in elk geval hebben wij de stukken meer dan een week geleden ontvangenmaarom wetsontwerp 15900. Het laatste is het cruciale punt. Mijnheer de Voorzitter! Als wetsontwerp 15900 vandaag wordt behandeld, kan mijn fractie niets anders doen dan het overnemen van de argumentatie van onze geestverwanten aan de overzijde van het Binnenhof en het stemmen tegen dit wetsontwerp.

©

G.O.J. (Govert) van TetsDe heer Van Tets (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn van mening, dat wij het wetsontwerp vandaag wel moeten behandelen. Ik heb daarvoor drie argumenten. In de eerste plaats moeten wij de situatie, waarom het in het wetsontwerp gaat, niet moeilijker maken dan zij al is. In de tweede plaats moeten wij voor alle betrokkenen bij deze materie niet langer een periode van onzekerheid laten bestaan over deze aangelegenheid. In de derde plaats meen ik dat wij -ik ben dit met de heer Van Kleef eens -onder moeilijke omstandigheden hebben moeten werken, maar ook dat degenen, die nooit onder moeilijke omstandigheden werken, geen knip voor de neus waard zijn. Ik ben van oordeel dat een vergelijking met de Tweede Kamer helemaal niet opgaat. De Tweede Kamer heeft het recht van amendement. Zij moet zich verdiepen in allerlei technische details. Het gaat om een heel ingewikkelde materie. De Eerste Kamer kan een wetsontwerp alleen maar aannemen of verwerpen. Wij zullen ons derhalve niet in de details behoeven te verdiepen en kunnen wel degelijk een politieke uitspraak over het wetsontwerp doen.

Naturalisaties Sociale verzekering (aanpassingsmechanismen)

De heer De Gaay Fortman (PPR): Juist omdat de Tweede Kamer kan amenderen, moeten wij in alle rust over het geamendeerde geheel kunnen oordelen.

©

De Voorzitter: Wat de vraag aan de Voorzitter betreft, moet ik erop attenderen, dat de bevoegdheden van de Voorzitter zijn omschreven in het reglement van orde. Artikel 7a betreffende het uitvoeren van besluiten, door of namens de Kamer genomen, biedt ter zake houvast. De Voorzitter, gehoord het College van Senioren, heeft de Kamer voorgesteld de behandeling van het wetsontwerp 15900 vandaag te doen geschieden. Dat is door de Kamer aanvaard. Dat is gebeurd na langdurig overleg in het College van Senioren. Dit college onderkende de situatie zeer wel, maar begreep ook voor welke bijna onmogelijke alternatieven men werd gesteld. Als men een latere datum voor de behandeling zou kiezen en toch nog binnen dit kalenderjaar zijn taak zou willen voltooien, dan zou een beroep op de Kamer moeten worden gedaan om tussen Kerst en Nieuwjaar alsnog bijeen te komen. Alles overwegende heeft men er de voorkeur aan gegeven, toch voor vandaag te kiezen. Dat het zeer betreurenswaardig is, dat de noodhandelingen zo laat zijn gekomen, onderschrijf ik ten volle. Dat daarmee deze Kamer niet in staat is, de bezinning te realiseren waartoe zij in de eerste plaats is geroepen, onderschrijf ik ook. Het is echter een kwestie van afwegen van voor-en nadelen, van plichten en rechten. Een aantal malen is in het College van Senioren daarop gezegd: laat in godsnaam dan maar de behandeling op 18 en 19 december a.s. plaatsvinden. Dat is de stand van zaken. Ik stel voor, daaraan vast te houden.

De heer De Gaay Fortman (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Juist vanwege hetgeen u hebt gezegd, heeft mijn fractie met opzet geen voorstel willen doen om deze behandeling uit te stellen. Wij zouden het wel erg waarderen als u zich over datgene wat u betreurt, zoals u dat zoeven hebt weergegeven, zou willen verstaan met de Voorzitter van de Tweede Kamer.

De Voorzitter: Dat wil ik u graag toezeggen.

De beraadslaging wordt geopend.

©

A.H. (Andrť)  KloosDe heer Kloos (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Na dit ordedebatje kan ik het eerste gedeelte van mijn interventie, dat betrekking had op de onvoldoende voorbereiding waarmee alle fracties te kampen hebben gehad, weglaten. Ik merk hierover nog slechts op dat, als het wetsontwerp zou handelen over zaken die van ondergeschikt belang waren, de haast waarin wij gemanoeuvreerd zijn wellicht nog acceptabel zou zijn geweest. Wij praten vandaag echter over de inkomens van de zwaksten in de samenleving en ik vind dat wij aan onszelf maar ook aan hen verplicht zijn, het wetsontwerp diepgaand te bestuderen. De intensieve studie, die nodig zou zijn, ontbreekt en dit betekent toch dat onze 'Kamer van bezinning' niet aan bezinning toekomt. Wij plegen hier in feite slechts een marginale toetsing. Daarbij is het inderdaad onvermijdelijk dat wij ons in belangrijke mate oriŽnteren op de discussie, zoals die aan de overzijde is gevoerd. Het is spijtig, dat wij het laatste gedeelte van de handelingen van dat debat eerst zeer laat ontvingen. Gelukkig gold niet voor ons allen dat het hele pak handelingen pas op het laatste moment binnenkwam. Onder de nu geldende omstandigheden zal ik mij noodgedwongen tot hoofdlijnen moeten beperken. De PvdA-fractiezal in haar interventie naar vermogen proberen om detechnische aspecten buiten de discussie te laten. De interventie zal meer het karakter hebben van een uitgebreide stemverklaring dan van een volwaardige discussiebijdrage Wanneer men de op zich zelf logische opbouw van het wetsontwerp volgt, zou men zijn interventie moeten beginnen met het indexeringsmechanisme, dat aan de bepaling van het minimumloon ten grondslag ligt. Men verzeilt dan gauw in de technische kanten van aanpassingsmechanisme, de keuze tussen de index -van regelingslonen dan wel verdiende lonen -of nog andere denkbare vormen, die leiden tot een welvaartsvaste koppeling. Zelfs het koppelen van het minimumloon aan een pakket van minimaal te bevredigen behoeften is weer eens komen opduiken. Ook andere aspecten komen aan de orde, zoals de vraag of een verwerking van toeslagen in de indexering tot uitdrukking mag komen, of andere herstructureringen van ca.o.'s, al of niet doorwerken van eindejaarsuitkeringen en nog meer van deze technische vragen. Deze Kamer is minder geschikt voor de behandeling van deze technische aspecten. Veranderen en technisch verfijnen kunnen wij het wetsontwerp toch niet en per motie algemene maatregelen van bestuur beÔnvloeden, ligt al evenmin als eerste verantwoordelijkheid op de weg van de Eerste Kamer. Ik kies voor mijn interventie in plaats van de technisch inhoudelijke kanten van het indexeringsmechanisme liever als uitganspunt de doorwerking van dat mechanisme naar de sociale uitkeringsgerechtigden. Het indexeringsmechanisme van de minimumlonen bepaalt hoe de inkomensrelatie geregeld wordt van actieven en niet-actieven. Getalsmatig gaat het bij de sociale uitkeringtrekkers om veel hogere aantallen dan bij de minimumloontrekkers en ook daarom is die doorwerking als inkomensverdelingsprobleem veel belangrijker dan de directe invloed van de index op het inkomen van minimumloontrekkers. Ik vind het best interessant en zal daar direct ook een paar opmerkingen over maken. De discussie van vandaag maakt deel uit van de veel grotere problematiek van het beperken van de ontwikkeling van de sociale lasten. Ik verklap geen geheim, als ik stel dat onze fractie zich op het standpunt stelt, dat volumebeleid onze voorkeur heeft boven nominaal beleid. Dat is echter gemakkelijker uitgesproken dan gerealiseerd. Het terugbrengen van het aantal sociale uitkeringstrekkers vraagt een uiterst complexe aanpak. Niet iedere sociale regeling leent zich voor volumeaanpak; denk aan de AOW, en AWW. Bij andere wetten. Ziektewet, WW, WAO e.d., liggen er wŤl mogelijkheden, maar de aanpak ligt in de sfeer van economisch beleid; het scheppen van meer werkgelegenheid in de sfeer van sociaal-psychologische maatregelen. Er moet meer aandacht komen voor het arbeidsklimaat. Het volumebeleid is moeilijk te concretiseren en het behoeft dan ook niet te verwonderen dat een samenhangend volumebeleid maar moeizaam van de grond komt. Mijn fractie zou het op prijs stellen indien de bewindslieden bij de beantwoording hun visie op de mogelijkheden tot terugdringen van het aantal uitkeringstrekkers wilden geven. De complexiteit van het volume-beleid mag er overigens niet toe leiden, dat men ter wille van het terug dringen van het kostenniveau van de sociale zekerheid, al te gemakkelijk zijn toevlucht zoekt in nominale maatregelen. Zonder die op voorhand in alle gevallen te willen uitsluiten, wil ik namens onze fractie hier kenbaar maken, dat wij nominale aanpassingen pas na uiterst zorgvuldig afweging bereid zijn te accepteren. Terugdringen van het uitkeringsniveau alleen ter wille van de fi-Eerste Kamer 18 december 1979

Sociale verzekering (aanpassingsmechanismen)

nanciŽle ontlasting, of alleen ter wille van een andere verhouding tussen in-komens van actieven en in-actieven wijzen wij af. Maatregelen van dien aard zullen wij overeenkomstig de stellingname van onze partijgenoot Van der Doef in de Tweede Kamer toetsen aan de hand van de volgende normen: 1. handhaven van solidariteit tussen actieven en niet-actieven; 2. handhaven van de netto/netto koppeling; 3. parallelle ontwikkeling van de in-komens van werkenden en niet-werkenden; 4. verwijdering van echte systeemfouten en andere niet aanvaardbare effecten. Wie deze toetsingsnormen op het voorliggende wetsontwerp toepast, komt tot een andere uitkomst dan het kabinet en de meerderheid in de Twee-de Kamer. De essentie van het meningsverschil tussen kabinet en regeringspartijen ter ener zijde en de oppositiepartijen -waaronder mijn partij -ter andere zijde is kort en duidelijk door Van der Doef verwoord in de replieken, waarbij hij als uitgangspunt koos de nu bereikte netto-inkomensniveaus van actieven en in-actieven, en dat van dat vertrekpunt die inkomens zich verder parallel zouden moeten ontwikkelen. De bewindslieden en de regeringspartijen kiezen wel voor parallelle ontwikkeling, maar op het vertrekpunt worden eerst correcties ingevolge -wat zij noemen -systeemfouten toegepast. Daarmede wordt teruggenomen wat in het verleden is gegroeid. Ik kies bewust de term gegroeid en niet scheefgegroeid, want terecht is aan de overzijde opgemerkt dat men bewust in het verleden voor een beperkte mate van discrepantie tussen loontrekkers en in-actieve inkomenstrekkers heeft gekozen. Wat toen aanvaardbaar beleid was, mag men nu niet als systeemfout karakteriseren, daarmee suggererend dat zich iets onvoorziens of ongewilds heeft ontwikkeld. De CDA-fractie aan de overzijde had moeite om er voor uit te komen, dat er wijziging van beleid plaatsvindt. Men wil de schijn ophouden voor even progressief door te gaan als de oppositie als het om de laagste inkomensgroepen gaat, maar dat is een te moeilijke opgave als men zich niet tevens van de coalitiegenoot, de VVD, wil distantiŽ-ren. De VVD was en is tevreden met het wetsontwerp en dat zou het CDA te denken moeten geven. De VVD-woordvoerders komer er duidelijk voor uit dat zij een grotere afstand willen tussen het sociale uitkeringsniveau en het niveau van de lonen. Maar dat standpunt is niet verenigbaar met de sociale schijn, die het CDA wil ophouden. Als een soort getuigen Ť dťcharge worden relatieve uitkeringsniveaus uit het buitenland aangehaald. In de sociale politiek is het vergelijken met het buitenland een niet onbekend gebruik. Er is in de veelheid van denkbare sociale vergelijkingen altijd wel een toepasselijk en bruikbaar voorbeeld te vinden, waarbij ons systeem gunstig afsteekt. Het spijt mijn fractie bijzonder, dat aan de andere kant van het Binnenhof over de niveaucorrectie geen overeenstemming kon worden bereikt. Er is in principe overeenstemming over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de volumeaanpak en ombuigingen in de toekomst. Het grote verschilpunt viel blijkbaar niet te overbruggen. Dat is daarom te betreuren, omdat het politieke draagvlak voor het uiterst gevoelige en complexe volume-beleid door die tegenstelling dreigt te worden versmald. Op enkele belangrijke onderdelen van de aan de orde zijnde problematiek wil ik nog enkele kritische kanttekeningen plaatsen. Zo is de vraag aan de orde gekomen welke loonindex als uitgangspunt voor correcties van mini-mumloonhoogte en dus van de daaraan gekoppelde uitkeringshoogte van de uitkeringstrekkers moet gelden. On-ze fractie is het eens met degenen die van oordeel zijn, dat de index van de verdiende lonen een betere reflectie is van hetgeen zich op het terrein van de materiŽle arbeidsvoorwaarden ontwikkelt in de maatschappij, dan de in-dex van de regelingslonen. De index van de verdiende lonen heeft de neiging iets sterker te stijgen dan de index van de regelingslonen. Om te voorkomen dat zich regelmatig de noodzaak van correctie op de index van de regelingslonen voordoet, waardoor schoksgewijze mutaties optreden alsmede een ongewenste na-ijling, zou de keuze voor de verdiende Ionenindex de voorkeur verdienen. Het moet natuurlijk mogelijk blijven dat ook op deze index van de verdien-de lonen correcties worden toegepast. Ongewenste elementen moeten kunnen worden geŽlimineerd; op dat punt zullen belanghebbenden hun inspraak moeten kunnen uitoefenen. Een tweede technisch punt waar ik een kanttekening bij wil plaatsen en een duidelijke uitspraak van de Minister over wens, is of hij inderdaad van oordeel en van plan is, aan specifieke groepen loontrekkenden toe te kennen inkomensverbeteringen op basis van beschikbare initiŽle ruimte, op de in-dexcijfers te willen corrigeren. Als dat inderdaad de bedoeling zou zijn, dan voorspel ik daarover grote problemen voor de bewindslieden in de relatie met de vakbeweging. Het is het goed recht van de contractpartners om binnen het totale bestand van werknemers in een onderneming of bedrijfstak te differentiŽren naar groepen. Het ontgaat mij te enenmale waarom een algemene toe te kennen loonstijging in een bedrijfstak wel in de index en dus in minumumloon en sociale uitkeringen mag doorwerken en een gedifferentieerde toewijzing niet. Ik kom tot de eindafweging van onze fractie ten aanzien van wetsontwerp 15900. Hoofdmoment in de afweging is dat teruggekomen wordt op bewust gewilde inkomensverhoudingen die in het verleden zijn gegroeid, weliswaar met een correctie voor oude gevallen, maar daar zitten op zich weer bezwaren aan vast omdat daarmede twee uitkeringsniveaus worden geschapen. Wij herinneren ons nog levendig de problemen die daaruit voortvloeien bij de invoering van vroegere wijzigingen op de sociale wetgeving. De fractie van de PvdA in de Eerste Kamer deelt het standpunt van dat van de Tweede Kamerfractie van de PvdA, dat voorzover er door nieuwe premielasten nieuwe discrepantie groeit tussen minimumloontrekkers en uitkeringsgerechtigden een correctie aanvaardbaar is. Tegenover de gekozen index -die van de regelingslonen -als bepalende factor voor de verhoging van het mini-mumloon plaatsen wij onze voorkeur voor de index van de verdiende lonen, die nauwer bij de maatschappelijke ontwikkeling aansluit, waarbij geen na-ijling optreedt en schoksgewijze aanpassing kan worden vermeden. De eliminering uit de loonindex van herstructureringen van ca.o.'s komt ons als onterecht voor. Uit deze interventie zal duidelijk zijn dat wij onze stem aan dit wetsontwerp niet zullen kunnen geven.

©

J.H. (Jo)  FranssenDe heer Franssen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ook ik kan na het ordedebatje mijn opmerkingen ten aanzien van de tijdsklem verder laten voor wat zij zijn. Wij zijn de bewindslieden welwillend tegemoet gekomen in hun wens om de belangrijke wetten van vandaag niet pas de volgende week te behandelen, vooral met het oog op de grote in-spanningen welke alle medewerkers op de betrokken departementen en in het bijzonder op het Ministerie van Sociale Zaken hebben geleverd. Een vrije kerstweek is hun en uiteraard ook de Eerste Kamer 18 december 1979

Sociale verzekering (aanpassings mechanismen)

actieve bewindslieden van harte gegund. Overigens hebben wij en ons kamerpersoneel er ook profijt van. Erkentelijk zijn wij ook de collega's van FinanciŽn die met de bewindslieden hebben meegewerkt om de behandeling van de urgente sociale wetten op de voor hen gereserveerde dagen in te passen. Zo zijn dan vandaag en morgen de algemene financiŽle beschouwingen en een aantal belangrijke sociale verzekeringswetten onderwerp van bespreking. Misschien verduidelijken de beschouwingen over de financiŽle mogelijkheden en de sociale wenselijkheden het spanningsveld daartussen enigszins om zo een geobjectiveerd beeld te geven van wat men niet van alle publikaties en uitspraken over dit wetsontwerp kan zeggen. Wij hebben er behoefte aan, deze opmerking te maken, omdat ook onze fractie zeker nog onvervulde wensen heeft welke, gezien de budgettaire situatie, nu niet of niet meer kunnen worden vervuld. Zeker een regeringspartij ontkomt niet aan de noodzaak, de tering naar de nering te zetten. Het hoofddoel van dit wetsontwerp is overigens de aanpassingen zo te wijzigen dat de ontwikkelingen van minimumloon en sociale uitkeringen zo nauwkeurig mogelijk aansluiten bij de inkomensontwikkeling van vergelijkbare inkomens in de particuliere sector en dat zij ook onderling een evenwichtig verloop hebben. Daarin zijn de bewindslieden geslaagd, ook al zijn er enige overgangsmaatregelen nodig die een en ander voor de trekkenden niet inzichtelijker maken. In dat verband hoor ik in tweede termijn naar aanleiding van de opmerking van de heer Kloos over groei graag of hij geheel voorbijgaat aan de zeer duidelijk vast te stellen scheefgroei tussen actieven en niet-actieven. Ons zijn gevallen bekend waarin de een, niet actief geworden zijnde en de ander, in functie blijvend, op volkomen gelijk niveau staan en na enkele jaren de niet-actieve procenten meer inkomen in handen krijgt dan degene die nog werkt. Dit lijkt ook ons een klein beetje te veel van het goede. Er dient onzes inziens een billijke verhouding tussen actieven en niet-actieven in het oog te worden gehouden, zeker nu steeds minder werkenden mede de lasten voor steeds meer niet-werkenden, die hierop overigens recht hebben, moeten dragen. Ook de zorg voor de instandhouding van essentiŽle sociale zekerheden in een niet rooskleurige toekomst weegt voor ons daarbij zwaar. Daarnaast achten wij het afremmen van de stijgende collectieve lastendruk met zijn steeds verder uit elkaar lopende brutonetto verhoudingen van belang, ook al moeten de werkenden bedenken dat sociale verzekeringspremies ook voor hun 'verzekering tegen calamiteiten' betekenen, waarvan zij slechts kunnen hopen, ze niet nodig te zullen hebben. Dat de ontwikkelingen ongunstig zijn en dat er maatregelen moeten worden genomen, is geen strijdpunt tussen Regering en oppositie. Er is immers een 1 %-nota aan Bestek '81 vooraf gegaan. De verschillen in in-zicht zijn echter groter geworden sinds de medeauteurs van de 1 %-nota van regeringszijde naar oppositiezijde verhuisden. Duidelijk is dat maatregelen, met welke men ook komt, zullen nooit in dank voor de direct betrokkenen worden aanvaard. Iedereen voelt zijn eigen pijn kennelijk als de zwaarste en tot nu toe lijkt er weinig bereidheid, echt te matigen. Te gemakkelijk verwijst men naar een etage hoger in het loongebouw dan waar men zelf 'woont'. De groepen boven modaal mogen echter onzes inziens niet steeds opnieuw aangesproken worden, ten eerste omdat het totale pakket van lasten daar al zeer hoog is en ten tweede omdat het aantal inkomenstrekkers daar te gering is om de extra lasten geheel op te vangen. Een jaarinkomen van f 50.000 bruto is geen hoog inkomen meer, zeker niet wanneer men een of meer studerende kinderen heeft. De Regering heeft dan ook het nodige optimisme en moed om in de huidige omstandigheden van ons land de koopkracht tot modaal te garanderen. Wij vrezen dat er toch wel wat meer geofferd zal moeten worden om de werkgelegenheid te verbeteren en de sociale voorzieningen in stand te houden. Dat is vooral van belang voor de in-dustriŽle marktsector waarvan naar onze mening -wij herhalen het nog maar eens -de concurrentiepositie verbeterd moet worden. De maatregelen die nu aan de orde zijn, zijn zeker voor een deel immers mede gericht op verbetering van de werkgelegenheid ofschoon men, gezien de ontwikkelingen nadat Bestek '81 geschreven is, al blij is wanneer er geen verdergaande verslechtering optreedt. Het doet ons genoegen dat volgens krantenberichten ook de heer Den Uyl het industriŽle ondernemen positief heeft benaderd en voor een anti-klimaat heeft gewaarschuwd. De industrie van haar kant zal er alles aan moeten doen om te voorkomen dat wij via een prijsspiraal in een loonspiraal en nieuwe inflatiegolf terecht komen.

Wij geloven niet dat de werkloosheid in ruime zin, en daarmede de collectievelastendruk, structureel verlaagd kan worden door ongebreidelde uitbreiding van de niet-marktsector. Ook de overheid zal de tering naar de nering moeten zetten en dat betekent dat de werknemers die deze overheid als werkgever hebben moeten beseffen dat dit niet geheel aan hen voorbij kan gaan, althans niet wanneer men de aantallen werknemers wil handhaven of zelfs uitbreiden. Werknemers in de industrie ervaren dat bijna dagelijks. Kort en goed gezegd: Wij zouden het een geweldige prestatie van dit kabinet vinden wanneer men onder de huidige sociaal-economische omstandigheden erin zou slagen de werkloosheid niet te laten toenemen, liefst te doen afnemen en daarnaast de koopkracht van inkomens tot modaal zou kunnen handhaven en de correcties op de sociale voorzieningen tot de nu aan de orde zijnde zou kunnen beperken. Wij hebben daar onze twijfels over in die zin dat wij vrezen dat bredere lagen van onze bevolking wat meer offers zullen moeten brengen in het belang van de vele werkzoekenden. Maatregelen als die welke vandaag aan de orde zijn, mogen dan wel impopulair zijn, maar daarom niet minder noodzakelijk. Wanneer ik thans na deze algemene opmerkingen enige aandacht aan het wetsontwerp in concreto mag schenken, willen wij primair stellen dat wij de prioriteit gegeven aan de wettelijke basis voor de nettonettokoppeling, van harte toejuichen. Om dit binnen de beschikbare tijd nu in deze Kamer te hebben is zeker een krachttoer van velen geweest, waarvoor wij grote bewondering hebben. De Regering is er in goed overleg in geslaagd een aantal door de meerderheid der Staten-Generaal en naar wij dachten ook door de meerderheid van de Nederlandse bevolking ongewen ste ontwikkelingen te corrigeren met behoud van de koopkracht van mini-mum tot modaal. De zuivering van de aanpassingsmechanismen ter correctie en ter voorkoming van verdere, ook door ons ongewenst geachte verschuivingen in het netto inkomen tussen actieven en niet-actieven, heeft onze volledige in-stemming. Met alle waardering welke ook wij voor solidariteit hebben, achten wij het niet langer verdedigbaar dat de koopkracht van de niet werken-de sneller steeg dan die van zijn werkende collega van het gelijke niveau in het bijzonder voor de hoge bovenmi-Eerste Kamer 18 december 1979

Sociale verzekering (aanpassingsmechanismen)

nima-uitkeringen. Naarmate men deze ontwikkeling langer liet voortbestaan, zou de correctie onzes inziens moeilijker en het spanningsveld tussen de betrokkenen groter worden. Wanneer dan bezuinigingen op grond van de economische ontwikkelingen noodzakelijk zijn (en dat behoeft niet verzwegen te worden), ligt het voor de hand en in de rede die primair te zoeken waar scheefgroei aantoonbaar is. Wanneer men de solidariteit tussen groeperingen als een belangrijk goed beoordeelt, moet er ook voor gewaakt worden ze niet zo te overtrekken dat bij grote groepen van de bevolking weerstanden worden opgeroepen. Tegenwoordig gaan er weer meer stemmen op die het recht op inkomen relatief wat meer belichten dan het recht op arbeid. Zij dienen echter wel te bedenken dat dat recht op inkomen alleen te realiseren blijft wanneer er voldoende mogelijkheden en bereidheid tot arbeid blijven. Degenen die die arbeid verrichten mogen, naar onze mening, wat meer dan de niet-actieven te verteren krijgen naarmate het niveau verder boven het minimumniveau ligt. In dit verband vragen wij ons af opwel ke manier de Minister de uitkeringen gaat aanpassen aan de ontwikkelingen in de vergelijkbare niveaus in de regelingslonen. Wij vinden dit uitgangspunt beter dan het tot nu toe gevolgde, maar betekent dit dat er een soort gemiddelde overdrachtsinkomenslijn wordt vastgesteld? Gaarne willen wij ook onze instemming met het overnemen door de bewindslieden van de ideeŽn van onze politieke vriend Weijers aan de overkant betuigen. De wijze waarop thans het plus van de oude gevallen in combinatie met de temporisering van de optrekking van de vakantietoeslag gebeurt, spreekt ons aan en vertoont veel overeenstemming met de gedragslijn in het bedrijfsleven bij herwaardering van functies in het kader van herstructurering van salarisschalen. Mijnheer de Voorzitter! De Minister heeft de omstreden keuze voor de regelingslonen als indexeringspunt knap verdedigd. Wij maken dat betoog tot het onze maar zouden nog gaarne op een zeker heden ten dage actueel aspect van zijn redenering willen ingaan. Het betreft de bezwarende werkomstandigheden, welke op grond van de arbeidsmarktontwikkelingen (de Troonrede had er zelfs een passage over) om hogere beloning vragen. De Minister elimineerde onzes inziens terecht deze looncomponent uit de index. Wat echter te zeggen van die functieclassificatiesystemen die ook deze bezwarende werkomstandigheden in de waardering meenemen en daarmede in de regelingslonen brengen. Is het niet aan te bevelen betrokkenen te verzoeken dit zeker in de toekomst achterwege te laten? Doet men dit niet, dan zal op den duur het bewust bedoelde voordeel voor de werkers in die bezwarende werkomstandigheden verwateren. Gaarne vernemen wij de mening van de Minister. Mijnheer de Voorzitter! Met betrekking tot het al of niet doorberekenen van toeslagen bouw-en uitzendc.a.o. hebben wij bij de behandeling van het 1-julipakket reeds onze mening gegeven. Deze kwam erop neer dat wij het niet redelijk vinden om reeds vele jaren bestaande variabele inkomensdelen die in die tijd ongetwijfeld in de onderlinge inkomensverhoudingen zijn meegenomen na inbouw nŁ naar andere door te berekenen met als gevolg dat er velen op vooruit gaan behalve de bouw-en uitzendmedewerkers zelf. Daarenboven zou het budgettair niet te verantwoorden gevolgen hebben. Mijnheer de Voorzitter! Afsluitend kan onzes inziens worden gesteld dat de aanpassing of zuivering van de in-dexeringsmechanismen logisch en billijk is. Het tot stand komen van de nettonettokoppeling in deze wet is een stevig fundament voor onze sociale zekerheden. Desondanks was de kritiek op dit moedige wetsontwerp niet mals. Zowel van de werkgeversals van de werknemerszijde werd fors met de botte bijl gezwaaid. De ene zij-de ging het lang niet ver genoeg, de andere veel te ver. Misschien is dit een indicatie dat de bewindslieden een gulden middenweg in een zeer geconv pliceerde en emotionele materie hebben gevonden. ledere volgende regering kan er blij om zijn dat het kabinet-Van Agt dit ontwerp door het parlement heeft geloodst, niet omdat 'snoeien', 'ombuigen' of 'minder meer' laten groeien zo'n prettige bezigheid is, maar omdat het met het oog op de toekomst van onze sociale zekerheden nodig was. Mijn fractie zal dan ook vůůr het ontwerp stemmen.

©

G.O.J. (Govert) van TetsDe heer Van Tets (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De wetgeving waarover wij nu gaan spreken vloeit voort uit de constatering dat inkomens bij de bepaling waarvan de overheid onoverwegende invloed heeft uitgeoefend een grotere stijging hebben vertoond dan de inkomens van andere werknemers, te weten die in de particuliere sector. Dit betreft: a. de niet-actieven; b. de minimumloners; c. ambtenaren en trendvolgers. Als ik even een zijstapje mag maken: uit de stukken blijkt dat een minimumloner bij de overheid f 175 per maand beter af is dan een minimumloner in de metaalnijverheid. Dat is bijna 15%. U hoort mij goed: 15%. Dat is nog eens heel wat anders dan de fracties van procenten waarover de discussies in deze materie meestal gaan. Ik breng dit punt nog eens onder de aandacht van de bewindslieden omdat het in de stukken, zoals gezegd, wel is genoemd, maar verder in de technieken en systemen waar het over gaat weer is ondergesneeuwd. Het maakt ook geen onderdeel uit van de onderhavige voorstellen. Maar ik zou er toch opnieuw de aandacht van de bewindslieden die nog wel eens compensaties te zoeken hebben, op willen vestigen, te meer omdat hier sprake is van een direct effect op de overheidsuitgaven. Terugkerend tot de algemene constatering dat bepaalde groepen -zeker netto -meer stijging hebben gekend, volgt daarop de constatering dat bij sterk verlaagde groei van het bruto nationaal produkt een dergelijke sterkere groei in de collectieve sector extra gevaarlijk wordt, zeker nu de verhouding niet-actieven/actieven 6: 10 is geworden. Mijnheer de Voorzitter! Met wat voor wetsontwerp hebben wij te dezer zake nu te maken? Met een wetsontwerp dat zich erop richt systeemfouten te corrigeren of met een wetsontwerp dat tot doel heeft ombuigingen tot stand te brengen? Ik denk dat het een mengeling is geworden doordat het niet laten doorwerken van de bouwc.a.o. en de uitzendc.a.o. in hetzelfde ontwerp zijn terechtgekomen, maar dat overigens het corrigeren van systeemfouten/onevenwichtigheden en scheefgroei vooropstaat, waarbij men de hoop koestert dat de ombuigingen die daaruit voortvloeien voldoende zullen zijn om het aandeel dat deze sector in het totaal der ombuigingen moet leveren vol te maken. Ik zou willen constateren dat het kabinet deze materie zeer zorgvuldig heeft benaderd, hetgeen ook terecht is omdat het gaat over de inkomens van mensen van wie de meesten toch al moeilijk zitten. Het resultaat is dan ook dat de ombuigingen slechts 50% zijn van def 1200 min. die de heer Duisenberg in zijn 1%-nota destijds voor 1980

Sociale verzekering (aanpassings-18 december 1979

mechanismen)

noodzakelijk achtte. Ik hoop dat deze opknapbeurt van het stelsel inderdaad voldoende zal zijn. De Staatssecretaris heeft terecht in de Tweede Kamer gezegd er gelukkig mee te zijn dat de nominale aanpassingen zich tot dit wegnemen van structuurfouten kan beperken. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Het is jammer dat hij toch veel weerstand heeft moeten overwinnen om zover te komen. Bovendien doet het wetsontwerp meer dan beperken. De welvaartsvaste koppeling is gehandhaafd en geŽxpliciteerd en het restpostje in de AOW/ AWW-bijtrekking is verwezenlijkt. De netto percentages blijven zeer hoog, hoger, zo is bij herhaling vastgesteld, dan elders in de wereld. Dat is fijn -als het kan -en nogmaals, ik hoop dat de bewindslieden daarin gelijk hebben. Maar het zou niet goed zijn als deze wetgeving zou betekenen dat hiermee de zaak definitief is vastgespijkerd. Als prof. Nieuwenburg gelijk heeft -en ik ben nog lang niet zover dat ik denk dat hij gelijk heeft, maar het zou daarom nog best kunnen -dan zouden wij ons door deze zaken vast te spijkeren goed in de moeilijkheden steken. Een vriend van mij die goed in sociaal-economische zaken thuis is en die ambassadeur in Montevideo is geweest, schreef mij dezer dagen op zijn kerstkaart: ' Ik moet bekennen dat de sociaal-economische situatie in Nederland me steeds meer aan Uruquay doet denken. Tegen de realiteit vastklampen aan 'verkregen rechten' met als gevolg dat de hele economie, met die 'rechten zinkt'. Te gemakkelijk worden inderdaad verwachtingen als verkregen rechten afgeschilderd. Ook een tijdelijke belastingverhoging roept de verwachting op dat naar het oude tarief zal worden teruggekeerd, maar de ervaring heeft wel geleerd dat dat beslist niet leidt tot een recht dat belet dat die tijdelijke verhoging permanent wordt gemaakt. Terecht hebben de bewindslieden dan ook weerstand geboden tegen de aandrang ter zake van de bijzondere bruto aanpassingen nog meer automatismen in te voeren, en hebben zij vastgehouden aan het laten van ruimte voor overleg ad hoc. Terecht ook hebben zij eraan vastgehouden sectorgebonden verhogingen, zelfopstuwen-de effecten, dubbeltellingen en overcompensaties te elimineren. Het verband met het arbeidsvoorwaardenbeleid, dat zeer sterk aanwezig is, laat ik ter wille van de tijd terzijde. Ik wil er slechts van zeggen dat ik hoop dat een looningreep niet nodig zal zijn. De verbetering van de beloningsstructuur in die zin dat vuil, zwaar en onaangenaam werk beter beloond zou moeten worden, is een gedachte die in onze kring het eerst verbreid en gepropageerd is. Het is verheugend dat die gedachte nu ook elders weerklank heeft gevonden. Bedenkelijk is evenwel dat nu meteen al weer, zelfs voordat nog veel op dit gebied is verwezenlijkt, gepraat wordt over het algemeen worden van dergelijke toeslagen ook in de stukken. Bedoeld is immers juist een terechte loondifferentiatie tot stand te brengen. Economisch valt dit punt in het hoofdstuk knelpunten op de arbeidsmarkt; sociaal onder positieve, d.w.z. levensvreugde verhogende, inkomenspolitiek. Bij de voorschotpakketten per 1 januari en 1 juli jl. is een hoop heisa gemaakt. Gebleken is nu wel hoe overdreven dat geweest is, hoe voorzichtig de benadering is geweest die de Minister heeft toegepast. Degenen die toen zo luid hebben geroepen dat die pakketten niet aanvaardbaar waren en dat op structurele maatregelen moest worden gewacht, zijn slecht geplaatst om, nu op toch nog korte termijn die voorstellen zijn voorgelegd met een inhoud die de helft is van wat zij zelf destijds als noodzakelijk hebben aangeduid, daartegen opnieuw breeduit bezwaren te ontwikkelen. Ik wil mijnerzijds de bewindslieden en met name ook hun ambtenaren complimenteren met de manier waarop zij omzichtig en toch snel deze ingewikkelde en gedetailleerde materie met nog allerlei tussentijdse wijzigingen daarop hebben weten voor te leggen. Want bedenkelijk ingewikkeld is het allemaal wel geworden. Ik kom tot de nettoaspecten, een probleem dat is ontstaan doordat men deze ontwikkelingen in de afgelopen jaren maar een beetje heeft laten lopen, door de uitkeringsgerechtigden telkens weer maar weer het voordeel van de twijfel te gunnen. Ik zeg dit niet als verwijt. Ook wij hebben eraan meegedaan. Het is menselijk zelf te prijzen en zeker te begrijpen dat men geen kleine verschillen ten bate van een grote anonieme pot wil verhalen op individuen die het toch al moeilijk hebben. Maar door jarenlange cumulatie daarvan en het ontstaan en laten passeren van in-sluipsels is een situatie ontstaan van verwringingen waarin correctie nodig was. Hard cases make bad law. Dat is jammer, maar het is wel waar. In dit kader zou ik ook van mijn kant nog eens willen aandringen op het ter hand nemen van onderzoek -de Minister had daar niet veel puf in -naar het noodzakelijk minimumbudget. Ook ons minimumloon met de vele afleidingen daarvan is -dat is wel gebleken -een beetje met het losse handje tot stand gekomen. Maar het feit dat het hoogste ter wereld is, vraagt toch wel om enige bezinning. Het is fijn om een hoog minimuminkomen te hebben en we moeten zien dat te handhaven. Maar we moeten wel weten wat we doen en wat onze grenzen zijn; ik ben blij dat in de discussie in de Twee-de Kamer gebleken is dat de Minister ook kijkt naar wat elders gebeurt. Ik hoop dat de schoning voor pensi-oen-en VUT-premiecompensaties, waarover vandaag aan de overzijde wordt gestemd, alsnog zal worden doorgevoerd. Heb ik goed begrepen dat de Staatssecretaris dit voorstel me-de ter compensatie van elders gevallen gaten overneemt? Mag ik erop aandringen dat hetzelf-de gebeurt met de motie-De Korte/Nypels inzake de trendvolgers, die nogal eens voortrekkers zijn gebleken -als dit woord voor deze bevolkingsgroep niet te Zuidafrikaans aandoet -en daardoor een opkrikkende werking op het geheel hebben uitgeoefend. Over de koopkrachtgarantie zal ik nu niet spreken, aangezien ik van plan ben daar vanmiddag bij de algemene financiŽle beschouwingen wat over te zeggen. Wel wil ik tenslotte nog opmerken dat ik het jammer vind dat de CDA-fractie in de Tweede Kamer de wijzigingen ter zake van de vakantietoeslagen en de bevriezing van bepaalde tussentijdse toeslagen heeft doorgezet. De Regering heeft hier nauwelijks argumenten voor kunnen aanvoeren en is voor commune pressie gezwicht. Het als bij de voorindexering per 1 oktober die per exces de scrupules is toegegeven, maar waarvan inmiddels is gebleken dat zij wel degelijk onnodig was. Ook zo'n voorbeeld dat men door een te bangelijk beleid het leven later onnodig moeilijker maakt. Het is daarom erg jammer dat ook nu weer beperkingen zijn aangebracht die niet erg consequent zijn en die het leven later ook weer moeilijker zullen maken. Als ik het goed begrepen heb 365 min. moeilijker. Maar we zijn hier gewend zaken te slikken waar ook wel een paar vlekjes aan zitten. In hun totaliteit hebben we hier een nuttig, ja noodzakelijk pakket van maatregelen voor ons, dat wij daarom zullen steunen.

©

Th.A.M. (Dik) van KleefDe heer Van Kleef (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb bij mijn vraag aan het begin van deze vergadering reeds Eerste Kamer 18 december 1979

Sociale verzekering (aanpassingsmechanismen)

gezegd, dat wij de argumentatie van onze partijgenoten aan de overkant van het Binnenhof zullen volgen. Op dit punt stellen wij dus geen vragen aan de Regering.

©

J.E. (Joop)  VogtDe heer Vogt (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Alleen al omdat de manier waarop de nu aan de orde zijnde wetsontwerpen aan de orde komen zover ligt van alles wat zou lijken op wat de 'chambre de rťflexion' wordt genoemd, zouden wij eigenlijk moeten weigeren het voor ons liggende wetsontwerp goed te keuren. Misschien moeten wij er ook een nieuw bewijs in zien dat de Eerste Kamer in ons staatkundig bestel kan worden gemist voor het overgrote deel van haar taak. Dat blijkt nu. Omdat wij nu niet bezig zijn met de algemene beschouwingen lijkt het mij weinig zinvol daarop verder door te gaan. Het vervolg zal dus moeten gaan over het wetsontwerp. Dit wetsontwerp is echter niet los te maken van de overvloed aan zaken die vandaag op ons is afgekomen; allemaal op deze ene dag. Indien ťťn man ook maar bij benadering deze wetsontwerpen alle goed zou willen bestuderen, zou hij daar enige weken fulltime mee bezig zijn. U zult begrijpen, mijnheer de Voorzitter, dat ik mij daaraan niet schuldig heb kunnen of willen maken. Het is dus hooguit mogelijk geweest aan allerlei toelichtingen voor de ontwerpen even te ruiken, een vluchtige blik te slaan in hetgeen aan de overzijde is ingebracht en daarna een beslissing te nemen. Het opmaken van een schriftelijk verslag moest nog deze morgen door de commissie worden gedaan. Een woord van lof moet mij ook nog van het hart: lof voor degenen die met enorme toewijding, mogelijk een betere zaak waardig, ervoor hebben gezorgd dat wij keurig allerlei noodhandelingen van de Tweede Kamer kregen toegestuurd. Als wij even terugkijken zien wij dat dit kabinet al twee keer eerder een onverwachte overval heeft gedaan op de door hemzelf gegarandeerde koopkracht. Dat gebeurde een jaar geleden, toen tussen kerstmis en nieuwjaar een stuk wetgeving door deze Kamer moest worden gepompt -de Minister van Sociale Zaken moest daarvoor van zijn vakantie terugkomen -en bij het zogenaamde 1-julipakket dat door de Kamer werd geperst. De enige vraag die ik aan de bewindsman wil stellen is deze: is het de vooropgezette bedoeling van de Regering en mogelijk van de meerderheid van de Tweede Kamer om de behandeling van deze ontwerpen op de vooromschreven manier te doen plaatshebben ten einde minder kans te hebben op onrust onder de bevolking voordat de buit is binnengehaald. Ik zal niet alleen tegen 15900 stemmen maar ook, geheel of gedeeltelijk om dezelfde reden, tegen 15696 en 15683.

©

W. (Wim)  KremerDe heer Kremer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! Zoals bekend zijn een aantal belangrijke wetsontwerpen pas de afgelopen week in de Tweede Kamer behandeld en vastgesteld. De laatste niet onbelangrijke Handelingen, dat wil zeggen de stenogrammen, kwamen bij mij zaterdagavond per expres aan. Je vraagt je af of na de uitvoerige behandeling nog nieuwe gezichtspunten naar voren zijn te brengen die je kunnen helpen bij het bepalen van je stem. Uiteraard kunnen wij ons volledig vinden in hetgeen onze politieke vrienden aan de overkant hebben gezegd. Gezien het belang van wetsontwerp 15900 willen wij ook hier nog eensuitdrukkelijk onze mening geven. Met dit wetsontwerp wordt de afbraakpolitiek voortgezet. Wat in jaren is opgebouwd en verworven wordt successievelijk door dit kabinet onder de vlag van Bestek ' 81 stap voor stap ontkracht, al schijnen er ook bewindslieden te zijn die het doen voorkomen alsof de sociale verworvenheden het werk zijn van dit kabinet. Men kan stellen wat men wil maar de betrokkenen gaan erop achteruit. Vooral de wijze van berekening van het minimumloon zit ons dwars. De Regering zegt dat het om systeemfouten gaat, maar wij denken daar anders over. Als er systeemfouten zouden zijn, dan is een van de grootste -nadelig voor loontrekkers -dat allerlei toeslagen niet in de directe ca.o.-lonen zijn verwerkt. Ik doel met name op die in de bouw. Voor de mensen is het inkomen bepalend. De wijze van samenstelling is een ander punt. Dat totale inkomen moet uitgangspunt zijn. Immers, als dat inkomen daalt, ontstaan er problemen. Hoe kan men dan voor de vaststelling van de mini-mumlonen een ander uitgangspunt gaan nemen? Dat kan men alleen doen, als men erop uit is de zwaksten van de zwakkeren aan te pakken, in feite te gaan uitkleden. Dat gebeurt door de nieuwe indexeringsmethoden. Onze conclusie is dat door een reeks van belasting-en accijnsverhogingen alsmede door de verhoging van de aardgasprijs de koopkracht achteruit zal gaan voor hen die vooral zijn aangewezen op het minimumloon of op uitkeringen van die hoogte. Ten slotte wil ik niet onvermeld laten het zeer te betreuren dat de Regering ten aanzien van verzetsmensen, vervolgden en oorlogsslachtoffers niet bereid bleek te zijn hen vanuit een ander gezichtsveld te benaderen. Met andere woorden: ook deze categorie ontkomt niet aan het matigingsbeleid, een beleid dat vooral de sociaal zwakkeren treft en nog meer zal treffen als de Regering met een looningreep zou komen. Daarmee wordt dan tegelijk bewezen dat werkenden en niet-werkenden die van een uitkering moeten leven, dezelfde sociaal-maatschappelijke belangen hebben. Onze conclusie is dat onze fractie haar stem niet aan dit wetsontwerp zal kunnen geven. De beraadslaging wordt geschorst.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.