De behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschikt -heidsverzekering en de Ziektewet (in-voering gelijke uitkeringsrechten vo... - Handelingen Eerste Kamer 1979-1980 18 december 1979 orde 4


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschikt -heidsverzekering en de Ziektewet (in-voering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen) (15706).

De beraadslaging wordt geopend.

©

J.H. (Jo)  FranssenDe heer Franssen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Het nu aan de orde zijnde wetsontwerp 15706 betreffende nadere wijziging AAW en WAO om daarme-de aan mannen en vrouwen bij inkomensderving wegens langdurige arbeidsongeschiktheid onder dezelfde voorwaarden recht op uitkering toe te kennen waartoe ook enige wijzigingen in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziektewet nodig zijn, treedt mijn fractie met sympathie tegemoet. De behandeling in deze Kamer zit echter zodanig in de tijdsklem dat het minitieus lezen van alle stukken na de uitvoerige behandeling aan de overzijde, laat staan het en detail bestuderen, nauwelijks mogelijk was. Dit klemt te meer daar het hier ons inziens om een zeer gecompliceerd wetsontwerp gaat waarvan de nadere uitvoeringsbepalingen vooreen deel nog onbekend zijn en dat, naar wij vrezen, ook tot grote uitvoeringsproblemen zal leiden De uitvoeringsorganen welke de ontwikkeling van dag tot dag en van zin tot zin volgden, verwachten dan ook Eerste Kamer 18 december 1979

Sociale verzekering (aanpassings mechanismen) Sociale verzekeringen

onvermijdelijke aanloopfouten. Wij hebben daar begrip voor en vragen aan de bewindsman hoe hij deze problemen taxeert en hoe hij denkt deze tot een minimum te beperken. Ook wij hadden liever gezien dat de bindende voorwaarde om in aanmerking te komen voor uitkeringen, nl. dat men actief geweest moet zijn in be-drijfs-en beroepsleven, niet noodzakelijk was geweest. Opnieuw blijkt daaruit dat wij er nog steeds niet in geslaagd zijn de ons inziens juiste waardering ook in materiële zin, voor werken in het eigen huishouden gestalte te geven. Nog steeds wordt werk in dat huishouden, overwegend door vrouwen en moeders verricht, niet als beroep gezien ondanks het feit dat voor de gemeenschap zeer belangrijk werk met een zeer brede inhoud wordt verricht. In dat beroep, of is het een roeping, wordt bovendien een belangrijk deel van ons nationaal inkomen besteed. Wij hebben begrip voor de moeilijkheden en ingrijpende maatschappelijke gevolgen, welke een materiële herwaardering met zich zal brengen. Budgettaire mogelijkheden, of beter gezegd: onmogelijkheden, leggen beperkingen op. Toch menen wij bij de behandeling van dit 'gelijke rechten'-wetsontwerp op een kennelijke onbillijkheid ten opzichte van de huisvrouwechtgenote te moeten wijzen, ondanks dat dit onderdeel niet direct als uitvloeisel van dit wetsontwerp is aan te merken. De onbillijkheid, althans naar ons inzicht, vloeit nl. voort uit de bestaande AAW en de daarbij gegeven uitvoeringsbepalingen. Nu de bewindsman toch een groot aantal uitvoeringsbepalingen moet gaan geven, vragen wij zijn bijzondere aandacht voor de nu volgende kritiek met betrekking tot de kring der verzekerden. Krachtens de uitvoeringsbepalingen is de ingezetene die buiten het rijk arbeid verricht en op grond van zijn dienstverhouding elders bepaalde in de wet genoemde verzekeringen heeft, niet verzekerd in de zin van de AAW en de overige genoemde uitkeringen, een en ander conform artikel 2, sub 1.a. Vervolgens wordt in hetzelfde artikel 2 onder 1.1, ookzijn echtgenote uitgesloten. Deze regel treft overwegend pendelaars en heeft als zodanig vooral betekenis voor bewoners langs onze grens. Los van de vraag of het in de emancipatiegedachte past een vrouw van volksvoorzieningen uitte sluiten omdat haar man een bepaalde status heeftnaar onze mening moet die vraag ontkennend worden beantwoord -doen zich nu onder meer de volgende problemen voor. De echtgenote van een pendelaar is in Nederland in loondienst, wordt daar langdurig arbeidsongeschikt, maar komt op grond van de uitvoeringsbepalingen niet in aanmerking voor AAW-uitkering, c.q. voorzieningen waaronder ook voorzieningen ten bate van herstel van de arbeidsongeschiktheid. Gaan wij nu naar de huisvrouwechtgenote van de pendelaar waar geen directe inkomensderving aan de orde is, dan komt deze vrouw niet in aanmerking voor voorzieningen in verband met eventuele ernstige gebreken. Wij achten deze uitsluiting een onbillijkheid. Op zijn minst merkwaardig is ons inziens ook dat men de kinderen van de betrokkene niet uitsluit. Wij zijn het daar uiteraard mee eens, maar het stelt de echtgenote wel in een voor ons onverklaarbare nadelige positie. Zoals gezegd, achten wij deze positie in strijd met de aan dit wetsontwerp ten grondslag liggende gedachte van verzelfstandiging van de rechten van de vrouw. Overigens leert de praktijk dat ook de pendelaar zelf, en hij ontlast als regel niet voor zijn plezier de Nederlandse arbeidsmarkt c.q. sociale voorzieningsfondsen, bij het effectueren van zijn rechten met name in Duitsland vaak lange tijd, jaren, benodigd. Wij doen een dringend beroep op de bewindslieden de genoemde uitvoeringsbepalingen te wijzigen, zeker wat de positie van de echtgenote van de pendelaars betreft en stappen te ondernemen in bilateraal overleg met Duitsland om de aanspraken van de pendelaar sneller tot hun recht te doen komen. Wij wachten het antwoord van de Staatssecretaris met grote belangstelling af en zullen, zo dit onverhoopt onbevredigend zou blijken te zijn, een uitspraak van de Kamer vragen. Uitputtende behandeling van het wetsontwerp en detail is, gezien de beschikbare tijd, onmogelijk gebleken en na de uitputtende behandeling aan de overzijde na zo'n korte tussentijd ook minder urgent. Maatschappelijke reacties hebben wij nog nauwelijks gekregen en zullen bovendien afhankelijk zijn van de vele uitvoeringsbepalingen welke nog moeten volgen. Toch hadden wij ook hier gaarne een nadere toelichting met betrekking tot artikel 36, lid 2, wat betreft de anti-cumulatiebepaling van de verzelfstandigde AAW en de AOW-rechten. Het komt ook op ons wat onverklaarbaar over, dat de gehuwde werkende vrouw, jonger dan 65 jaar, bij langdurige arbeidsongeschiktheid geen inkomensdervingsrechten kan doen gelden, wanneer haar echtgenoot 65 jaar of ouder en in het genot van een AOW-uitkering is. Hieruit kan niette voorziene aanzienlijke inkomensachteruitgang voortvloeien met, naar het lijkt, onbillijke aantasting van de gezinsdraagkracht waarop het leefpatroon is gebouwd. Uit de uitvoerige discussie aan de overzijde, vooral gevoerd met mevrouw Salomons, hebben wij begrepen dat de Staatssecretaris verwijst naar de AAW als bodemvoorziening. Is dat wel zo in overeenstemming met de beleden verzelfstandiging? Is dat geen uitnodiging om de oplossing in een ander samenlevingsverband te zoeken dat velen van ons als ideaal voor ogen hebben? Mijnheer de Voorzitter! Artikel 61, leden 1 .a., en 1 .d., legt de uitvoering zoveel mogelijk bij een bedrijfsvereniging, welke de WAO uitvoert, een en ander ten behoeve van eventuele coördinatie van uitkeringen. Voor de als zelfstandige werkende gehuwde vrouw is dat de BV van haar echtgenoot in loondienst. Wanneer echter de gehuwde vrouw een deeltijd in het bedrijf van haar echtgenoot en een andere deeltijd in loondienst elders werkzaam is, wordt ons inziens juist het tegendeel van de beoogde 'eenhanduitvoering' bereikt. Zien wij dat juist en, zo ja, ziet de Staatssecretaris dat als een bezwaar dat oplosbaar is? Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot afsluiting van mijn beknopt gehouden inbreng. Mijn fractie stemt in met de verzelfstandiging van de uitkeringsrechten van deze volksverzekering op weg naar meer gelijkberechtiging tussen man en vrouw. Zij juicht toe dat wij daarmede weer een stap of stapje dichter bij de EG-richtlijnen zijn gekomen. Het vervangen van het zeer arbitraire urencriterium door een percentage van de gehuwdegrondslag achten wij een verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke plannen. De Staatssecretaris heeft aan de overzijde het wetsontwerp niet alleen bekwaam verdedigd, maar opnieuw de nodige souplesse getoond met betrekking tot het overnemen van billijke en betaalbare wensen van de Kamer, gericht op de nadere regelen. Dat zijn er vele, welke de uitvoeringsorganen met grote belangstelling tegemoet zien, omdat zij de zo moeilijk lijkende uitvoerbaarheid beïnvloeden. De praktijk van de komende jaren zal leren in hoeverre die regelen in de geest van de toezeggingen zullen zijn. Mijn fractie zal voor het wetsontwerp stemmen.

Sociale verzekeringen

©

Th.A.M. (Dik) van KleefDe heer Van Kleef (PPR): Mijnheer de Voorzitter! De populaire titel van dit wetsontwerp -invoering van gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen -is een tikkeltje misleidend. De Regering doet een stap in de richting van gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen, maar sluit de grootste groep vrouwen, namelijk zij die haar diensten voor de gemeenschap thuis in het gezin verrichten, daarvan uit. De Regering stelt zich in grote lijnen achter variant B van het SER-rapportvan 20 april 1979. Behalve de reeds genoemde groep zijn er vele andere groepen die buiten dit wetsontwerp vallen. Ter wille van de kortheid verwijs ik naar de opsomming, die mijn partijgenoot Jansen aan de overzijde van het Binnenhof heeft vermeld (blz. 1343, rechterkolom van de Handelingen van de Tweede Kamer). De SER heeft zich over de aangevoerde suggesties positief uitgelaten, maar de Regering heeft in het kader van prioriteitenafweging afgezien van deze verdergaande keuze. Graag verneem ik van de Regering welke overwegingen hebben gegolden om nier-van af te zien. Het zou volgens mijn fractie heel wel mogelijk zijn geweest, in het kader van het dekkingsplan voor 1980 tot een andere keuze te geraken. Ik weet wel dat wij dat dekkingsplan vanmiddag behandelen, doch het zou van een grote sociale bewogenheid getuigd hebben als deze bewindslieden deze prioriteit zeer hoog op hun lijstje hadden geplaatst. De kwintessens van dit wetsontwerp zal ongetwijfeld tot gevolg hebben dat velen op de een of andere wijze proberen, aan de in dit wetsontwerp gestel-de normen te voldoen. Is de Regering daarmee zo gelukkig? Het neemt niet weg dat in dit wetsontwerp een eerste aanzet wordt gegeven om tot gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen te komen. Het zal voor onze fractie van wezenlijke betekenis zijn, van de bewindslieden te vernemen waarom zij juist voor de in dit wetsontwerp genoemde punten hebben gekozen. Met belangstelling zien wij het antwoord van de Regering tegemoet. De beraadslaging wordt geschorst.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.