Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 2

NOTA

INHOUDSOPGAVE

Blz.

Inleiding

I

Historisch overzicht

II

Analyse van het wettelijke systeem

III

Onderzoek naar de mogelijkheden van een aantal denkbare oplossingen

29-Voetoverheveling

30-Tariegroepwisseling naar keuze

32-Integrale rolwisseling

33-Gelijke belastingvrije voet-Uitbreiding van de beperkte verzelfstan-

diging tot pensioenen

\40-Volkomen gescheiden heffing

43 -Splitting

46-Samenvatting

IV

Beknopt overzicht buitenlandse regelingen

V

De fiscale positie van de ongehuwde die met een ander samenleeft of samenwoont

VI

De opzet van een nieuw stelsel

  • A. Inleiding

69-B. Schets van een nieuw stelsel 71 I. Globaal overzicht van de opzet 71 II. Algemene toelichting van de opzet 73 III. Behandeling van samenwonenden

81 IV. Voetoverheveling

84 V. Buitenlandse belastingplichtigen

89 VI. Diversen

90 VII. Afstemming van de loonbelasting op de inkomstenbelasting

  • C. Premieheffing volksverzekeringen 94-D. Gefaseerde invoering van het nieuwe stelsel

94-E. Budgettaire aspecten

95-F. Slotopmerkingen

Overzicht van de bijlagen

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Inleiding

1 Aanschrijving 19 juni 1974, nr. B 74/13084, BNB 1974/196 (nader BNB 1978/221). 2 Zitting 1975-1976, 13943, nr. 11. 3 Handelingen Tweede Kamer, 24 oktober 1978, blz. 712. " Zitting 1975-1976, 13630, nr. 15. 5 Zitting 1976-1977, 14171, nr. 11.

«Op weg naar gelijke fiscale behandeling van de (werkende) gehuwde vrouw en haar man, en van deelgenoten aan vormen van samenleving en samenwonen». In dit statium -van het «op weg naar» -verschijnt deze nota waarin een concreet voorstel is opgenomen voor het op meer geëvolueerde wijze tot uitdrukking brengen van het gelijkheidsbeginsel in de heffing van de loon-en inkomstenbelasting. Met deze beleidsnota wordt beoogd te voldoen aan het verzoek door de Tweede Kamer gedaan bij de algemene politieke en financiële beschouwingen voor het begrotingsjaar 1975 en bij de behandeling van het Belastingplan 1975. Dat verzoek hield in een nota uitte brengen waarin verslag wordt gedaan van de praktijk van de belastingheffing van de werkende gehuwde vrouw die sinds 1973 zelfstandig wordt belast voor haar inkomsten uittegenwoordige arbeid en voor inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De nota is gevraagd met het oog op de problemen die deze beperkte fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw had opgeroepen (voornamelijk in het vlak van de zogenaamde rolwisseling) en in verband met hetgeen ter oplossing van die problemen met toepassing van de hardheidsclausule was voorzien aan tegemoetkomingen. De rolwisseling is ook ter sprake gekomen bij de behandeling van het Regeringsbeleid ten aanzien van de emancipatie van de vrouw. Een motie om zogenaamde integrale rolwisseling mogelijk te maken is in verband met de toegezegde nota aanvankelijk van de agenda van de Tweede Kamer afgevoerd en nadien ingetrokken. De Kamer heeft bij verschillende gelegenheden de omvang van de verzelfstandiging aan de orde gesteld, vooral voor wat betreft de inkomsten uit vroegere arbeid van de vrouw. Zo zijn in het kader van het Belastingplan 1976, door aanvaarding van een amendement, ook in de verzelfstandiging betrokken arbeidsongeschiktheidsuitkeringen welke wegens meer permanente arbeidsongeschiktheid worden genoten. Bij het Belastingplan 1977 is een amendement ingediend dat ertoe strekte ook pensioenen van de gehuwde vrouw bij haarzelf te belasten. Dit amendement is met het oog op de toegezegde nota niet aangenomen; daarbij was ook van belang dat het amendement slechts op een deel van de oudedagsvoorzieningen betrekking had. Gezien de motivering, aangereikt bij de in 1973 ingevoerde beperkte verzelfstandiging -te weten het voorde gezinsdraagkracht rekening houden met het wegvallen van een belangrijk deel van het kostenbesparende effect van de huishoudelijke arbeid van de vrouw indien zij buiten haar huishouden betaalde arbeid verricht -is voor een ruimere verzelfstandiging een principiële heroverweging van de fiscale positie van de gehuwde vrouw vereist. Daarbij komt ook de tariefstructuur aan de orde. Bij een ruimere fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw bij de heffing van loon-en inkomstenbelasting mag niet worden nagelaten de draagkrachtverhoudingen opnieuw in overweging te nemen. Dit geldt zowel voor de draagkrachtverhoudingen tussen gehuwden en ongehuwden als voor die tussen gehuwden onderling, namelijk die tussen echtparen van wie beide echtgenoten inkomen verwerven en echtparen waarbij het gezinsinkomen geheel opkomt van één der echtelieden. Bij de parlementaire behandeling van het Belastingplan 1977 is mijn ambtsvoorganger in overweging gegeven binnen het kader van deze studie niet voor elke moeilijkheid een oplossing te willen zoeken, omdat dit te tijdrovend zou zijn. In plaats daarvan zou naar de mening van enkele woordvoerders in de Tweede Kamer kunnen worden volstaan met een minder ver Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

gaande nota die zou kunnen eindigen met een aantal vraagpunten. Nu sedert de behandeling van het Belastingplan 1977 geruime tijd is verstreken, wordt naar mijn oordeel de meningsvorming over de problematiek in kwestie het beste gediend met een nota waarin een concreet voorstel wordt gedaan. Na deze inleiding volgt een historisch overzichtwan de ontwikkeling van de fiscale positie van de gehuwde vrouw; dat overzicht wordt afgesloten met een weergaven van het bestaande wettelijke systeem (hoofdstuk 1). In hoofdstuk II wordt een analyse van het bestaande wettelijke systeem gegeven. Vervolgens vindt een onderzoek plaats naar de mogelijkheden van een aantal denkbare oplossingen (hoofdstuk III). In hoofdstuk IV wordt een beknopt overzicht gegeven van een aantal buitenlandse regelingen op het punt van de behandeling van gehuwden voor de belastingheffing naar het inkomen. Daarna wordt in hoofdstuk V aandacht geschonken aan de positie van de ongehuwde belastingplichtige die met een ander samenleeft of samenwoont. Ten slotte volgt in hoofdstuk VI een uiteenzetting over de opzet van een nieuw stelsel waarin onder meer wordt tegemoet gekomen aan de voornaamste bedenkingen die tegen het huidige stelsel zijn geuit. Voetnoten zijn per hoofdstuk genummerd. Bijlagen zijn opgenomen na hoofdstuk VI. Het in hoofdstuk VI geschetste stelsel heeft als uitgangspunt de heffing van loon-en inkomstenbelasting van de individuele persoon; géén onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen en, voor wat het tarief betreft, evenmin een onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden die in vergelijkbare omstandigheden verkeren doordat zij met anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren. Globaal aangeduid houdt dit stelsel, vergeleken met het bestaande stelsel, het volgende in. Het pensioen van de gehuwde vrouw wordt bij haarzelf belast. Bij gehuwden zullen -behalve wanneer zij duurzaam gescheiden leven -de andere in-komensbestanddelen dan die uit eigen onderneming en arbeid worden toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste arbeidsinkomen; dit zijn de positieve èn de negatieve elementen, bij voorbeeld vermogensinkomsten, hypotheekrente en buitengewone lasten. Voor de tarieftoepassing zal iedere belastingplichtige in beginsel recht hebben op een gelijke belastingvrije som van f 6042. Bepaalde groepen belastingplichtigen zullen zijn gerechtigd tot een hogere belastingvrije som, te weten een van f 8056 (f 6042 + f 2014), welke zal gelden voor de alleenstaan-de oudere ongehuwde alsmede voor de alleenstaande jongere ongehuwde die gehuwd geweest is of die recht heeftop kinderbijslag; f 10070 (f6042 + f 4082), welke zal gelden voor de gehuwde en voor de ongehuwde die duurzaam met een ander een gemeenschappelijke huishouding voert, mits geheel of nagenoeg geheel wordt voorzien in het levensonderhoud van de partner. Om voor een hogere belastingvrije som dan f 6042 in aanmerking te komen zal de belastingplichtige ten minste zes maanden in het kalenderjaar moeten voldoen aan het criterium van alleenstaande ongehuwde of dat van alleenverdienende partner. De in het nu bestaande systeem geldende toeslagen op de belastingvrije som (van tariefgroep 3) voor de ongehuwde belastingplichtige, te weten de toeslag in verband met het recht op kinderbijslag en de zogenaamde aftrek onvolledig gezin, zullen blijven bestaan maar niet langer toekomen aan ongehuwden die met een ander samenleven of samenwonen. De gehuwde belastingplichtige en de ongehuwde belastingplichtige die duurzaam een gemeenschappelijke huishouding met een ander voert, zal voetoverheveling kunnen vragen indien de partner zijn/haar belastingvrije som niet geheel benut. Deze voetoverheveling zal niet meer dan f 4028 kunnen bedragen, dus ten hoogste het bedrag dat nodig is om de algemene belastingvrije som van f 6042 aan te vullen tot het niveau van de belastingvrije som voor de «alleenverdieners» (f 10070). Voorgesteld wordt om de wijziging in de belastingvrije sommen geleidelijk" dit wil zeggen verdeeld over drie jaren -in te voeren.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Schets van een stelsel van gelijke behandeling voor de loon en inkomstenbelasting Huidige stelsel (weten resoluties)

Voorgestelde stelsel

Verschillen van het voorgestelde stelsel met het huidige stelsel

A.

Inkomenstoerekening 1. Inkomsten uit tegenwoordige arbeid (zoals loon uit dienstbetrekking, winst uit een feitelijk uitgeoefende onderneming en een beloning wegens het meewerken in de onderneming van de echtgenoot), inclusief arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en WW-uitkeringen, van de gehuwde vrouw, worden bij haar in aanmerking genomen.

  • Alle andere inkomensbestanddelen van de gehuwde vrouw worden aan haar man toegerekend (zoals pensioen, positieve en negatieve vermogensinkomsten, persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en giften). 3. Speciale regeling voor het vaststellen van de beloning wegens het meewerken in de onderneming van de partner.

A.

Inkomenstoerekening 1. Alle inkomsten uit zowel tegenwoordige arbeid als vroegere arbeid worden in aanmerking genomen bij de gehuwde man of vrouw die deze arbeid heeft verricht. Dit geschiedt ook ten aanzien van de inkomsten die via de fictiebepalingen van de loonbelasting met arbeidsinkomsten worden gelijkgesteld (uitzondering: kostwinnersvergoedingen aan de echtgenoten van dienstplichtigen en particuliere lijfrenten). 2. Alle andere inkomensbestanddelen van de gehuwde man en vrouw worden toegerekend aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen.

  • Handhaving van de regeling voor het vaststellen van de beloning wegens het meewerken in de onderneming van de partner met optrekking van enkele grenzen.

A.

Inkomenstoerekening 1. Ook inkomsten uit vroegere arbeid (pensioen) van de gehuw-de vrouw worden bij haar in aanmerking genomen.

  • De toerekening van de andere inkomensbestanddelen van de gehuwde man en vrouw geschiedt niet meer aan de man, maar aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen.

De minimumbeloning wordt in alle gevallen f 4964 (thans f 2071); de maximumbeloning wegens in belangrijke mate meewerken wordt f 8274 (thans f 4968).

B. Toepassing van één-algemenetabel (schijventarief).

B. Toepassing van één (schijventarief).

algemenetabel

B. Geen verschil.

C. Tariefgroep indeling 1. Uitdrukking van de draagkrachtverschillen tussen diverse groepen belastingplichtigen in belastingvrije sommen: groep 1: groep 2:

groep 3: gehuwde vrouwen

f

2 017 jongere ongehuwde belastingplichtigen dieniet gehuwd zijn geweest engeen kinderaftrek genieten of geacht worden te genieten

f

5843

de niet in tariefgroep 2 gerangschikte ongehuwde belastingplichtigen

f

7855

groep 4: gehuwde mannen

f 10070

C.

Tariefgroepindeling 1. Uitdrukking van de draagkrachtverschillen tussen de diverse groepen belastingplichtigen in belastingvrije sommen: groep 1: vervalt. groep 2: algemene belastingvrije som

f

6 042-voor jongere ongehuwdenvoor oudere ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voerenvoor gehuwden groep 3: algemene belastingvrije som met f 2014 toeslag

f

8 056-voor alleenstaande oudere ongehuwdenvoor jongere alleenstaanden die gehuwd zijn geweestvoor jongere alleenstaande ongehuwden die recht op kinderbijslag hebben groep 4: algemene belastingvrije som met f 4028 toeslag

f 10070 C.

Tariefgroepindeling 1. Belastingvrije sommenin principe een gelijke belastingvrije som voor de gehuwde man en vrouw van f 6042 (voor ieder de helft van het totaal van de belastingvrije sommen van de huidige groepen 1 en 4);-optrekking van de belastingvrije som voor de huidige tariefgroep 2 (jongere ongehuwden) van f 5843 tot het algemene niveau van f 6042;-verhoging van de belastingvrije som voor de huidige tariefgroep 3 (oudere ongehuwden) van f 7855 tot f 8056;-invoering van de eis dat men voor indeling in tariefgroep 3 alleenstaand moet zijn (niet met een ander samenwonen of samenleven);-indeling in tariefgroep 4 slechts voor die gehuwden die geheel of nagenoeg geheel voorzien in het levensonderhoud van hun partner;-toekenning van dezelfde mogelijkheid aan een ongehuwde die duurzaam met een ander samenwoont of samenleeft en die ander geheel of nagenoeg geheel onderhoudt.

Toeslagen:

  • voor ongehuwden die kinderaftrek genieten of geacht worden te genieten (waardoor zij in belastingvrije som gelijk komen met tariefgroep 4)

f

2 215-aftrekonvollediggezin: voor een in tariefgroep 3 gerangschikte alleenstaande die buitenshuis werkt, kinderaftrek geniet of geacht wordt te genieten voor een kind dat jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, en die geen kinderaftrek geniet of geacht wordt te genieten voor een kind dat werkt (c.q. meewerkt) in zijn huishouden: 1/4 van de opbrengst van de arbeid buitenshuis, doch maximaal

f

3226

Extratoeslagen:

voor gehuwden en ongehuw den (die duurzaam met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren), die nagenoeg geheel voorzien in het levensonderhoud van hun partner voor alleenstaanden die recht op kinderbijslag hebben (optrekking tot groep 4)

f

2014

aftrekonvollediggezin: voor een in tariefgroep 3 gerangschikte alleenstaande die buitenshuis werkt, recht op kinderbijslag heeft voor een kind dat jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, en die geen recht op kinderbijslag heeft voor een kind dat werkt (c.q. meewerkt) in zijn huishouden: 1 /4 van de opbrengst van de arbeid buitenshuis, doch maximaal

f

3226

Extratoeslagen:

  • • 
    de toeslag voor ongehuwden die recht op kinderbijslag hebben en de aftrekonvollediggezin worden voortaan alleen verleend aan ongehuwden die niet met een ander samenwonen of samen leven.
  • Ho/wisseling Indien het inkomen van de man lager is dan zijn belastingvrije som, kunnen de belastingvrije sommen van man en vrouw op beider verzoek worden verwisseld.
  • Peildatum De indeling naar tariefgroep en de toekenning van de toeslagen geschiedt in het algemeen naar de situatie bij het einde van het kalenderjaar of bij het einde van de belastingplicht.
  • Voetoverheveling Ingeval een der partners de belastingvrije som niet volmaakt, kan het onbenutte deel van die belastingvrije som, op verzoek van de beide partners, worden overgeheveld naar de andere partner. Deze overheveling kan maximaal f 4028 bedragen. 3.

Referentieperiode De toeslag op de algemene belastingvrije som wegens in-deling in tariefgroep 3 of tariefgroep 4 zal onder meer afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de belastingplichtige ten minste de helft van het belastingjaar heeft voldaan aan het materiële criterium voor die toeslag. 2. Rolwisseling/voeto verhevel ing Door de gelijke belastingvrije voeten voor gehuwde mannen en vrouwen vervalt de rolwisseling. Thans komt de mogelijkheid van voetoverheveling, ook voor ongehuwd samenwonenden.

  • Peilda turn /re f er en tieperiode Vervanging van een peildatum door een referentieperiode voor wat betreft de kwalificatie voor tariefgroep 3 of tariefgroep 4.

D. Maritale verliescompensatie In de gevallen waarin het inkomen van één der echtgenoten negatief is, mag dat negatieve inkomenvoor zover mogelijkals verrekenbaar verlies in mindering worden gebracht op het inkomen van de andere echtgenoot in hetzelfde jaar.

D. Maritale verliescompensatie Ingeval de inkomensberekening van een gehuwde, niet duurzaam gescheiden, belastingplichtige leidt tot een negatief bedrag (verlies), wordt dit verlies, op verzoek van beide echtgenoten, voor zover mogelijk in mindering gebracht op het (positieve) inkomen van de andere echtgenoot in hetzelfde jaar.

D. Geen verschil

NB: Duurzaam gescheiden levende gehuwden worden als NB: Duurzaam gescheiden levende gehuwden worden als ongehuwd aangemerkt.

ongehuwd aangemerkt.

Het streven naar een gelijke behandeling van individuele belastingplichtigen (zowel gehuwden als ongehuwden die wegens het voeren van een gemeenschappelijke huishouding in vergelijkbare omstandigheden verkeren) zal in financieel opzicht geen wijziging brengen in de positie van gehuwden waarvan één van de partners betaalde arbeid verricht. Voor gehuwden en deelgenoten aan andere vormen van leefverband, waarvan beide partners werken, zal het streven naar gelijke behandeling in vele gevallen wel het onvermijdelijke gevolg van een zekere financiële achteruitgang hebben. Per saldo zal het stelsel van gelijke behandeling met bijkomende maatregelen een budgettaire bate opleveren van f 155 min. De mogelijkheid bestaat dat dit bedrag wordt aangewend zowel voor verlaging van de leeftijdsgrens van 35 tot bij voorbeeld 30 jaar voor indeling van alleenstaande oudere ongehuwden in tariefgroep 3, als voor enige verhoging van de belastingvrije som voor de «alleenverdiener». Een beknopt overzicht van de verschillen van het voorgestelde stelsel met het huidige stelsel wordt gegeven inde schets op blz. 6 en 7.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

  • Historisch overzicht

1 Zitting 1958-1959, 5380. 2 Te denken valt aan kosten van huishoudelijke hulp, kosten van opvang van de kinderen, enz. 3 Zitting 1961-1962, 6534. 4 In de memorie van toelichting werd ook gewezen op de wijziging in levenssfeer en daardoor in behoeftenpatroon als gevolg van de grotere zelfstandigheid van de gehuwde vrouw door haar arbeid, waardoor nieuwe of hogere uitgaven van, onder andere, huishoudelijke aard kunnen ontstaan.

Tot 1965 was de gehuwde vrouw niet belastingplichtig voor de inkomstenbelasting. Van haar loon werd wel loonbelasting ingehouden, maar voor de inkomstenbelasting werd haar inkomen beschouwd als een aangelegenheid van haar echtgenoot. De aanslag in de inkomstenbelasting werd dan ook voor het gezamenlijke inkomen van man en vrouw op naam van de man opgelegd. Aanvankelijk werd bij de heffing van inkomstenbelasting in het geheel geen rekening gehouden met kosten die verband hielden met het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw. Dit werd vrij algemeen als onbevredigend ervaren; herhaaldelijk werd aangedrongen op wetswijziging. Bij de voorbereiding van de algemene belastingherziening aan het eind van de vijftiger jaren werd een eerste systeemwijziging voorgesteld. Het in 1958 ingediende ontwerp van Wet op de inkomstenbelasting handhaafde de belastingheffing ten name van de man, maar voor de gehuwde vrouw die betaalde werkzaamheden verrichtte werd (alleen voor de toepassing van het tarief) een inkomensaftrek voorgesteld van f 3 voor elke dag waarop ten minste 4 uren werd gewerkt (met een maximum van f 624 per jaar). Daarmee werd beoogd -enigszins -rekening te houden met de extra uitgaven die zich in een gezin kunnen voordoen door het buitenshuis werken van de vrouwelijke partner. In de loop van 1960 werd bij nota van wijziging de aftrek verruimd tot f 4,50 voor elke dag waarop door de gehuwde vrouw ten minste 31/2 uur werd gewerkt (als maximumaftrek werd toen voorgesteld f 1000 per jaar). De vertraging in de behandeling van de algemene belastingherziening leid-de ertoe dat tussentijds over deze problematiek een afzonderlijk voorstel tot wijziging van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 werd ingediend. In afwijking van de aanvankelijke opzet van het nog steeds lopende wetsontwerp uit 1958 werd in 1961 in het afzonderlijke voorstel als maatstaf van aftrek niet gekozen de arbeidsduur van de gehuwde vrouw, maar de grootte van haar arbeidsinkomen. De aftrek werd gesteld op 1/3 van dat arbeidsinkomen, met een minimum van f 500 en een maximum van f 2000 per jaar. Ook bij het meewerken in de onderneming van haar echtgenoot zou voor de gehuwde vrouw deze regeling gaan gelden, zij het dat ( met de mogelijkheid van tegenbewijs) de beloning van de vrouw bij voorbaat werd vastgesteld op f 2250; dit betekende dus een inkomensaftrek van f 750 (VJ van f 2250). Als argumenten voor dit gewijzigde voorstel werden aangevoerd: -het buiten het gezin werken van de gehuwde vrouw kan direct extra uitgaven voor het gezin met zich meebrengen; -het verschil in financiële draagkracht tussen een echtpaar, waarvan de vrouw zich geheel aan de huishoudelijke taak kan wijden, en dat waar dat niet het geval is wegens het buiten het gezin werken van de vrouw (de besparende werking van de huishoudelijke arbeid van de vrouw)4. Vóór 1960 betaalde een ongehuwde ongeveerde helft van het belastingbedrag dat een echtpaar verschuldigd was bij een twee maal zo groot inkomen. Vanaf 1960 was echter -onder handhaving van het gehuwdentariefhettarief voor de ongehuwden verlaagd. Omdat -met ingang van 1960 -in het tarief meer consequent rekening werd gehouden met de besparende werking van het huwelijk, werd het in 1961 wenselijk geacht op het gehuwdentarief een correctie aan te brengen voor de gevallen waarin die besparende werking geheel of ten dele wegviel. De geschetste aftrek op het bij de man belaste gezamenlijke inkomen van man en vrouw -ter grootte van 1/3 van het arbeidsinkomen van de gehuwde vrouw met een minimum van f 500 en een maximum van f 2000 per jaaris Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

in werking getreden per 1 januari 1962. De regeling werd overgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hoewel de gehuwde vrouw toen zelfformeel -belastingplichtig werd, bleven al haar inkomensbestanddelen toch toegerekend aan haar man). Met ingang van 1970 zijn -ter correctie voor de verzwaring van de belastingdruk die was ontstaan als gevolg van de inflatie -de bedragen van f 500 (minimum) en f 2000 (maximum) vervangen door respectievelijk f 555 en f 2200. Het bedrag van de bij voorbaat bij wet vastgestelde beloning voor -wat werd genoemd -«de meewerkende vrouw» werd van f 2250 gebracht op f 2499, waardoor de 1/3-aftrek f 833 werd5. Over de aftrekregeling voor de werkende gehuwde vrouw heeft de commissie-Hofstra6-die in 1966 was ingesteld vooreen onderzoek naarwenselijke veranderingen die tevens tot vereenvoudiging zouden leiden -in de loop van 1968 rapport uitgebracht. Deze commissie concludeerde -nog in 1968-met de grootst mogelijke meerderheid: -dat samentelling van het inkomen van man en vrouw juist was; -dat het niet rechtvaardig zou zijn de inspanning van de vrouw voor het verwerven van (additioneel) gezinsinkomen fiscaal wèl te honoreren en dat niet te doen voor de extra inspanning van een man om additioneel gezinsinkomen te verwerven; -dat bij werken van de vrouw -buiten de gezinshuishouding -er wel reden was tot een correctie op het gehuwdentarief in verband met de daarin verwerkte besparingen.

De correctie zou -naar het oordeel van die commissie -echter niet moeten worden gerelateerd aan het arbeids/n/romen van de vrouw, maar aan de duur van haar werkzaamheden buiten de gezinshuishouding. Indien daarmee minder dan een halve dagtaak was gemoeid zag de commissie geen aanleiding tot correctie. Men vond datglobaal bezien -dan nog geen sprake was van een verlies aan voordelen (besparende werking) uit de gezinsarbeid van de vrouw. Deze commissie stelde de volgende aftrekken voor op het -nog steeds -ten name van de man belaste gezamenlijke inkomen van man en vrouw.

Bij een volledige dagtaak Bij een halve dagtaak buiten de gezinshuishoubuiten de gezinshuishouding

ding

Voor vrouw zonder kinderen

f 1200p.j. Bij 1-3 kinderen beneden 16 jaar f 1 600 p.j. Bij 4 of meer kinderen beneden 16jaar

f 2000p.j.

f

600 p.j.

f

800 p.j.

f 1000 p.j.

5 Zitting 1969-1970, 10308. 6 De adviescommissie voor de bestudering van een aantal fiscale vraagstukken stond onder voorzitterschap van prof. mr. H. J. Hofstra. (Aanvankelijk was mr. A. J. van Soest voorzitter.) Leden waren: prof. mr. K. V. Antal de Felsögeller, J. W. Brinkman, prof. dr. J. H. Christiaanse, prof. mr. J. G. Detiger, prof. J. E. A. M. van Dijck, A. Meering, D. J. Muller, A. Nooteboom, prof. mr. L. J. M. Nouwen, prof. dr. A. J. van den Tempel en J. J. Verseput. Secretaris was mr. M. R. Reuvers. 7 Het rapport «Aftrek voor de werkende gehuwde vrouw in de inkomsten-en loonbelasting», zitting 1968-1969, 10027. 6 Zitting 1969-1970,10515.

Tijdens de behandeling van hoofdstuk IX frvan de rijksbegroting voor het jaar 1969 in de Tweede Kamerin de maanden februari en maart 1969-bleek vrijwel niemand geporteerd voor een -in de door de commissie-Hofstra aanbevolen aftrekregeling besloten liggende "Verslechtering van hetfiscale klimaat voor de werkende gehuwde vrouw. De Regering kwam zelf op 22 februari 1970 met een nota over de fiscale positie van de werkende gehuwde vrouw, hierna aangeduid als de Nota-Grapperhaus, ten behoeve van verdere discussie en overleg ter voorbereiding van de besluitvorming. In de Nota-Grapperhaus werd het voorstel van de commissie-Hofstra niet overgenomen onder meer in verband met twijfel aan de juistheid van de aan het voorstel ten grondslag liggende analyse van het gehuwdentarief voor wat betreft de toerekening aan een drietal draagkrachtvermeerderende factoren, te weten: 1. een besparing op uitgaven door een gezamenlijke huishouding; 2. een besparend effect van de huishoudelijke arbeid van de vrouw; 3. een besparing op uitgaven voor immateriële behoeften.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Wel werd in de Nota-Grapperhaus overgenomen de in het advies van de commissie-Hofstra ontwikkelde gedachte dat de rechtvaardigheidsgrond voor een voorziening is gelegen in de omstandigheid dat de veronderstelde en in het tarief verwerkte extra draagkracht van het echtpaar ontbreekt of slechts ten dele aanwezig is indien de vrouw meeverdient. Volgens de Nota-Grapperhaus komen als alternatieve oplossingen niet in aanmerking: -Een splittingstelsel. In een dergelijk stelsel wordt eerst het gezinsinkomen (dus het gezamenlijke inkomen van man en vrouw) berekend, waarna dat bij helfte aan man en vrouw wordt toegerekend. De belasting, die nog steeds bij de man wordt geheven, wordt dan berekend alsof beiden worden belast naar hetzelfde tarief (veelal denkt men aan het tarief voor een ongehuwde, doch ook een eigen tarief voor gehuwden is mogelijk). In wezen heeft dit splittingstelsel voor wat betreft het tariefeffect tot 1960 ook in Nederland gegolden. De aanslag van een gehuwde man bedroeg het tweevoud van de aanslag van een ongehuwde over het halve inkomen van de gehuw-de man (dat toen het gehele inkomen van man en vrouw omvatte). In de Nota-Grapperhaus wordt gesteld dat een dergelijk stelsel niet aansluit bij de hier te lande heersende maatschappelijke toestand en leidt tot een (ongewenste) drukverschuiving naar ongehuwden, wanneer voor gehuwden een gelijk tarief geldt als voor ongehuwden. -Een individuele belastingheffing voor echtelieden. In dit stelsel worden man en vrouw ieder voor hun eigen inkomen belast (daaronder begrepen de vermogensinkomsten). Elk van de partners wordt ook in dit geval belast naar hetzelfde tarief. Dit tarief zal doorgaans gelijk zijn aan het tarief voor een ongehuwde. Dit stelsel past alleen bij een maatschappelijke situatie waarin een echtpaar niet als een eenheid van draagkracht wordt ervaren. -Een afzonderlijke belastingheffing van de vrouw voor wat betreft haar arbeidsinkomsten. Voor de overige inkomsten, zoals vermogensinkomsten en inkomsten uit vroegere arbeid blijft het systeem van samenvoeging van de inkomsten van man en vrouw in stand. Dit stelsel stuit af op praktische bezwaren en geeft bovendien een weinig bevredigend resultaat. -De loonbelasting als eindheffing voor de gehuwde vrouwen in loondienst. Deze looninkomsten worden dan niet bij de man in aanmerking genomen, maar volstaan wordt met het inhouden van loonbelasting over deze inkomsten. Het bezwaar is dat voor deze gevallen geen bevredigend eindheffingstarief is te vinden.

De Nota-Grapperhaus mondde uit in de conclusie dat een (arbitraire) aftrek bij de man tóch de meest geschikte oplossing was. Daarbij werd weer aan een stelsel van aftrek op basis van het arbeidsinkomen van de vrouw de voorkeur gegeven boven een stelsel van aftrek naar de arbeidsduur. De argumenten die daartoe werden gehanteerd waren: -De billijkheid tegenover andere groepen belastingplichtigen De regeling dient geen belangrijke onbillijkheden op te roepen ten aanzien van echtparen waarvan de vrouw niet meeverdient en ten opzichte van ongehuwden. In de nota wordt de gedachtengang ontwikkeld dat de besparen-de werking van de huishoudelijke arbeid van de vrouw -zij het niet onbeperkttoeneemt met de hoogte van het inkomen. Het verlies aan besparen-de werking, waaraan men tegemoet wil komen, is dan niet alleen evenredig aan de arbeidstijd, maar ook aan het gezamenlijke inkomen van man en vrouw. Volgens de nota was het -vooral om praktische redenen -aanvaardbaar die twee relaties tot uitdrukking te laten komen in de hoogte van het arbeidsinkomen van de vrouw.

-De billijkheid binnen de groep werkende gehuwde vrouwen Volgens de nota zullen de kosten in verband met het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw doorgaans hoger zijn naarmate het inkomen van de vrouw hoger is. Een aftrek die afhankelijk is van het arbeidsinkomen van de vrouw werkt daardoor billijker dan een aftrek gerelateerd aan de arbeids-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

duur. Bovendien zal zo'n aftrek over het algemeen genuanceerder uitvallen (hetgeen tot een betere lastenverdeling leidt). Een nuancering naar kindertal werd als een niet noodzakelijke complicatie beschouwd. Bovendien zou dit in wezen een aanvullende kinderaftrek zijn, die ook voor alleenstaande ouders zou moeten gelden.

-De doelmatigheid De regeling dient eenvoudig te begrijpen en gemakkelijk toe te passen te zijn. Een aftrek op basis van het arbeidsinkomen voldoet aan deze vereisten. Zo is er onder meer geen «tijdschrijverij» nodig, die bij een aftrek naar de arbeidsduur in vele gevallen wel zou moeten plaatsvinden.

-De continuïteit Een stelsel van aftrek op basis van het arbeidsinkomen leverde voor de meeste betrokkenen geen nadelen op ten opzichte van de toen bestaande regeling. Volgens de Nota-Grapperhaus werden aan de aftrek grenzen gesteld door de tariefstructuur. Als het beste passend bij de toen bestaande tariefstructuur werd, mede in aanmerking genomen een verhouding van mannenloon tot vrouwenloon van 60 : 409, geconcludeerd tot de volgende regeling: Van het arbeidsinkomen van de gehuwde vrouw zou de eerste f 1000 belastingvrij moeten blijven en 20% van het meerdere, met een absoluut maximum van f 4000. Daarbij werd erop gewezen dat het minimum van f 1000 aan de hoge kant was. Voor de in de onderneming van haar man «meewerkende» vrouw zou een bij voorbaat vastgestelde beloning worden afgeleid uit de gezamenlijk behaalde bedrijfswinst (partnergedachte in tegenstelling tot dienstbetrekkingsgedachte). Beschouwde men 25% van de totale winst als vergoeding voor het ondernemersrisico en voor het ondernemerskapitaal (een arbitraire -niet toegelichte -schatting), dan kon aan de vrouw worden toegerekend: 30% (nl. 40% van 75%) van de winst bij hele dagen meewerken en rond 20% (nl. 25% van 75%)10 van de winst bij halve dagen meewerken. De aftrek voor de meewerkende vrouw zou minimaal f 1000 moeten zijn, ook wanneer de vrouw minder dan halve dagen maartoch meer dan in onbetekenende mate «meewerkte».

9 Statistische gegevens waaruit deze verhouding met stelligheid kon worden ontleend waren niet voorhanden. Uit beschikbare -niet gepubliceerde -gegevens over 1964 heeft men de verhouding 60 : 40 afgeleid. 10 Sterk afgerond in het voordeel van de meewerkende echtgenote. 1' Zie evenwel de memorie van toelichting op het ontwerp van Wet tot wijziging van de structuur van het tarief van de inkomstenbelasting, zitting 1971-1972, 11879. '2 Zitting 1970-1971, 10790.

In het naar aanleiding van de Nota-Grapperhaus door de Tweede Kamer op 28 april 1970 uitgebrachte voorlopige verslag kwam veel waardering voor de in de nota vervatte analyse van de problematiek tot uiting. Er waren ook vele vragen. Op dit voorlopige verslag is geen memorie van antwoord gevolgd11; in plaats daarvan volgde een ontwerp van wet, de z.g. Lex Grapperhaus, waarin onder meer een voorstel tot verruiming van de aftrek voor de werkende gehuwde vrouw voorkwam. De voorgestelde wijziging, waaraan volgens de memorie van toelichting -gelet op de nog te verwachten discussie naar aanleiding van de Nota-Grapperhauseen «voorlopig karakter» mocht worden toegekend, kwam neer op de aftrekregeling die in de nota was omschreven als de best passende bij de tariefstructuur, te weten: de eerste f 1000 van de arbeidsinkomsten van de gehuwde vrouw vrij, verder 20% van het meerdere vrij, een en ander met een maximum van f 4000. Dit voorstel werd door de Staten-Generaal aanvaard.

Voor de in de onderneming van haar man meewerkende vrouw werden -omdat de Kamer blijkens het voorlopige verslag op de nota-Grapperhaus de regeling te beperkt vond -de arbeidsinkomsten nader bepaald op: 35% in plaats van 30% van de winst bij (nagenoeg) hele dagen meewerken en 221/2% in plaats van 20% van de winst bij ten minste halve dagen meewerken. Tijdens de behandeling werd het minimumbedrag aan arbeidsinkomsten voor de meewerkende vrouw gebracht van f 1000 op f 3000 voor alle geval-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

len, met dien verstande evenwel dat het fiscaal relevante minimum aan meewerken van «anders dan bijkomstig» werd gebracht op «in belangrijke mate» meewerken. Suggesties voor een beloning bestaande uit een vast bedrag verhoogd met een aandeel in de winst werden door de Regering van de hand gewezen. In zulk een mengvorm speelde namelijk de (minimum)loongedachte een rol, welke gedachte in de verhouding tussen echtelieden minder passend werd geoordeeld dan de partnergedachte.

De in 1971 ingevoerde regeling was gegrond op de navolgende overwegingen: -Redenerend vanuit de draagkrachtgedachte moet een echtpaar als een eenheid worden beschouwd. -In het tarief voor gehuwden, dat op dit gezamenlijke inkomen werd toegepast, was een aantal draagkrachtverhogende factoren (van gehuwden ten opzichte van ongehuwden) verwerkt, waaronder met name het kostenbesparende effect van de huishoudelijke arbeid van de vrouw. -Dit kostenbesparende effect valt geheel of ten dele weg indien de vrouw buiten haar huishouding gaat werken. Daardoor ontstaat er verschil in draagkracht tussen echtparen met een gelijk gezamenlijk inkomen, waarvan de vrouw wel respectievelijk niet buitenshuis werkt. -Door een inkomensaftrek te verlenen ingeval de vrouw inkomsten geniet uit arbeid buiten de gezinshuishouding kan met dit verschil in draagkracht rekening worden gehouden.

Deze, met ingang van 1971 ingevoerde, aftrekregeling -waarin de maximumaftrek van f 4000 arbitrair was -had vrijwel over de gehele lijn tot resultaat dat de inkomstenbelastingdruk bij een echtpaar waarvan de vrouw meeverdient, niet daalde beneden de inkomstenbelastingdruk op twee ongehuwden met ieder de helft van het inkomen van een echtpaar. Daardoor werd geacht de billijkheid tegenover ongehuwden voldoende in acht te zijn genomen. Bij de mondelinge behandeling werd beaamd dat vanuit deze aftrekregeling eerder kon worden gekomen tot een splittingstelsel. De bij de Lex-Grapperhaus ingevoerde aftrekregeling heeft gegolden gedurende de jaren 1971 en 1972, zij het dat voor het jaar 1971 bij wijze van overgang de minimale aftrek opf 850 in plaats van opf 1000 werd gesteld en de maximale aftrek f 2500 in plaats van f 4000 bedroeg. Voor het jaar 1972 zijn de bedragen van f 1000 en f 4000 met toepassing van de inflatiecorrectie verhoogd totf 1046 en f 4184; de minimumbeloning ad f 3000 van de «meewerkende» vrouw is om dezelfde reden verhoogd tot f 3138. Samenvattend kan worden gezegd dat tot en met 1972 voor de inkomstenbelasting het gehele inkomen van de gehuwde vrouw bij dat van haar echtgenoot werd geteld. De over het gezamenlijke inkomen van man en vrouw berekende aanslag werd opgelegd op naam van de man. Tot 1962 werden geen gevolgen verbonden aan het feit dat een gehuwde vrouw tegen beloning arbeid buiten haar gezinshuishouding verrichtte. Met ingang van 1962 is men daarmede wel rekening gaan houden en wel door op het, op naam van de man belaste, gezamenlijke inkomen van man en vrouw een aftrek toe te staan. De grootte van deze aftrek hing af van het arbeidsinkomen van de vrouw. Voor de aftrek gold een minimum en een maximum. Voor het jaar 1972 gold, zoals hiervoren is vermeld, een minimumaftrek van f 1046 (of het lagere bedrag van de inkomsten); van de arbeidsinkomsten boven de f 1046 was 20% aftrekbaar; de maximumaftrek bedroeg f 4184. Ingeval de vrouw meewerkte in de onderneming van haar echtgenoot, gold voor 1972 de regeling dat als haar arbeidsinkomsten werden aangemerkt: -35% van de winst uit onderneming (minimaal f 3138) bij geheel of nagenoeg geheel (ten minste 2000 uren) meewerken; -221/2% van de winst uit onderneming (minimaal f 3138) bij grotendeels meewerken (ten minste 1000 uren); -een vast bedrag van f 3138 in andere gevallen (waarbij van in belangrijke mate meewerken sprake moest zijn).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Met ingang van 1973 is het systeem verlaten waarbij het gezamenlijke in-komen van man en vrouw steeds bij de man werd belast en waarbij een aftrek op het belaste inkomen werd verleend ingeval de vrouw inkomsten genoot uit arbeid buiten het huishouden. Met ingang van dat jaar werd namelijk voor het eerst, op voorstel van minister Nelissen en staatssecretaris Scholten, een werkelijke -zij het beperkte "Verzelfstandiging van de gehuwde vrouw in het fiscale recht ingevoerd. De buitenshuis werkende gehuwde vrouw werd toen voor haar arbeidsinkomen zelfstandig in de belastingheffing betrokken naar het -eveneens met ingang van 1973 ingevoerde -voor alle belastingplichtigen geldende schijventarief met een eigen (voor de gehuwde vrouw lage) belastingvrije som. Deze systeemwijziging was bedoeld als definitieve beslissing in het vraagstuk van de belastingheffing van de werkende gehuwde vrouw. De memorie van toelichting op dit wetsontwerp was -zoals daarin nadrukkelijk werd gesteld -tevens bedoeld als antwoord op het voorlopige verslag inzake de Nota-Grapperhaus. De beperkte verzelfstandiging werd noodzakelijk geoordeeld omdat aan de aftrekregeling, zoals die tot dan toe had gegolden, de volgende bezwaren verbonden werden geacht: -de aftrekbedragen zouden zich steeds moeilijker laten verdedigen; -door het samentellen van de inkomsten van man en vrouw en door het progressieve tarief over dat totaal werd de belasting over het inkomen van de vrouw in belangrijke mate bepaald door de hoogte van het inkomen van de man; -door de samentelling kon de loonbelasting geen eindheffing zijn; de rompslomp ervan impliceerde extra werk voor belastingplichtigen en belastingdienst; -de lange periode van onzekerheid over de omvang van de achteraf nog komende aanslagen veroorzaakte onbehagen. Bovenstaande bezwaren weerhielden waarschijnlijk vrouwen van buitenshuis werken.

Een splittingstelsel leek voor de oplossing van deze problematiek niet de aangewezen weg, omdat: -zo'n stelsel de bezwaren maar ten dele zou opheffen (bij splitting dienen de inkomens van man en vrouw immers eerst te worden samengeteld); -daarin geen regeling voor werkende vrouwen zou passen (en dus een relatieve verslechtering zou betekenen vergeleken met de aftrekregeling); -zo'n stelsel tot een relatieve verzwaring van de belastingdruk op ongehuwden zou kunnen leiden.

Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen werd een fiscale verzelfstandiging van de vrouw, weliswaar beperkt tot het door haar zelf verdiende arbeidsinkomen, noodzakelijk geacht. Hoewel met de maatregel niet werd beoogd het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw te stimuleren, konden langs deze weg in ieder geval mogelijk daarvoor bestaande fiscale barrières worden weggenomen. De beperkte verzelfstandiging betekende bovendien een vereenvoudiging, zowel voor belanghebbenden als voor de fiscus; de loonbelasting zou in veel meer gevallen dan daarvoor eindheffing kunnen zijn. Bovendien leidde de regeling ertoe dat de belasting te heffen van het arbeidsinkomen van de gehuwde vrouw volledig onafhankelijk werd van de hoogte van het inkomen van de man. De zelfstandige heffing over het arbeidsinkomen van de werkende gehuw-de vrouw werd niet in strijd geacht met het karakter van het huwelijk. Voor de draagkrachtbepaling werd de huwelijks-en gezinsband niet terzijde geschoven. Ook met de verzelfstandiging werd beoogd rekening te houden met het wegvallen van een belangrijk deel van het kostenbesparende effect van de huishoudelijke arbeid van de vrouw, indien de vrouw buiten haar huishouden werkt. Het was echter wel duidelijk dat ten gevolge van de verzelfstandiging het draagkrachtaspect voortaan op wat minder verfijnde wijze werd verwerkt, zodat in zoverre aan het draagkrachtbegrip een wat meer 13 Zitting 1971-1972,11879.

globale inhoud werd gegeven.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Door de verschillen in hoogte van de belastingvrije sommen voor de gehuwde man, de gehuwde vrouw en de «jongere ongehuwden» werden gehuwde echtgenoten (ten minste indien beiden betaalde arbeid verrichten) te zamen ongeveer even zwaar belast als twee jongere ongehuwden met elk half zoveel inkomen als het echtpaar, zoals blijkt uit het volgende overzicht.

Belastingvrije sommen

Tarief 1973

Tarief 1979

Gehuwde man

f 6 250

f 10070 Gehuwde vrouw

f 1250

f

2017

Tezamen

f 7 500

f 21501-50% daarvan

f 3 750

f

6043

Jongere ongehuwden

f 3 625

f

5 843 Oudere ongehuwden

f 4 875

f

7855

De gehuwde man en vrouw hebben gezamenlijk een lagere belastingvrije som dan twee oudere ongehuwden, omdat hun gezamenlijke kosten van huisvesting en huishouden lager zijn dan de som van de overeenkomstige kostenbedragen van twee zelfstandig wonende oudere ongehuwden. De lagere belastingvrije som voor de werkende gehuwde vrouw houdt, zoals toen naar voren is gebracht, verband met haar grotere draagkracht ten opzichte van een alleenwonende. Voor de alleenwonende is sprake van basisinkomen, terwijl de gehuwde vrouw veelal mede kan terugvallen op het inkomen van haar man. Een hogere belastingvrije som («vrije voet») voor werkende gehuwde vrouwen zou de draagkrachtgedachte ter zijde schuiven, zulks met achterstelling van de overgrote meerderheid van de gezinnen waarvan de vrouw niet buitenshuis werkt. Verzelfstandiging zou er niet toe mogen leiden dat de niet buitenshuis werkende gehuwde vrouwen een vergeten groep worden. De regeling van de beperkte verzelfstandiging met een lagere belastingvrije som voor de buitenshuis werkende gehuwde vrouw werd bezwaarlijk geacht voor de gevallen waarin de vrouw een inkomen verdient dat aanzienlijk hoger is dan dat van haar echtgenoot. Onder de huidige omstandigheden komt het steeds vaker voor dat de traditionele rol van de man als de «geldverdiener» wordt beleefd als een «voorbij» verschijnsel en dat de echtgenoten een rol vervullen die niet meer bij de traditionele visie past. Deze ontwikkeling is ook aan het fiscale recht niet voorbijgegaan, zij het dat in dat recht nog wordt gesproken van de mogelijkheid tot «rolwisseling», welk woord op zichzelf een «rolbevestigende duiding» niet geheel kan worden ontzegd. Met «rolwisseling» wordt aangegeven dat op gezamenlijk verzoek van de echtgenoten een wisseling van tariefgroep wordt toegepast, maar wel onder de voorwaarde dat het onzuivere inkomen van de man minderbedraagt dan de voor hem geldende belastingvrije som. Ook deze mogelijkheid tot «rolwisseling» werd met ingang van 1973 ingevoerd. Deze rolwisseling brengt geen wijziging in de inkomstentoerekening, zodat ook in geval van rolwisseling de persoonlijke verplichtingen, de buitengewone lasten en de giften, alsmede de door hypotheekrente veroorzaakte negatieve opbrengst van de eigen woning, fiscaal aan de man toegerekend blijven. De in 1973 ingevoerde verzelfstandiging van de belastingheffing van de gehuwde vrouw is beperkt van opzet. Het inkomen uit actieve arbeid van de gehuwde vrouw wordt volledig bij haar zelf belast. Het inkomen van de man en het -anders dan uit tegenwoordige arbeid stammende -inkomen van de vrouw worden voor de heffing van de inkomstenbelasting samengeteld en belast bij de man. Als uitgangspunt voor het stelsel van 1973 heeft gegolden dat men het aspect van de gezamenlijke draagkracht van man en vrouw in stand wilde houden, terwijl men daarnaast rekening wilde houden met het wegvallen van de besparende werking van de huishoudelijke arbeid van de Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

vrouw, indien deze buiten de huishouding ging werken. (Een gescheiden belastingheffing die zich mede zou uitstrekken tot de inkomsten uit vroegere arbeid zou het beginsel van de draagkracht al te zeer aantasten.) Voorts gold als punt van overweging dat de maatschappelijke ontwikkelingen in een richting gingen die een beperkte fiscale verzelfstandiging van de in het arbeidsproces opgenomen gehuwde vrouw rechtvaardigde (men wilde die deelname in het arbeidsproces bevorderen noch bemoeilijken). Ten slotte gold nog als een belangrijk" praktisch -punt dat het stelsel tot aanzienlijke vereenvoudiging, zowel voor de belastingplichtigen als voor de belastingadministratie, leidde. Ineen aantal gevallen kon worden volstaan met de in-houding van loonbelasting en behoefde -voor wat de arbeidsinkomsten van de vrouw betreft -geen aanslag in de inkomstenbelasting meer te volgen.

De verzelfstandiging geldt in principe eveneens voor de met de man in zijn onderneming meewerkende vrouw, zij het dat de aanslag van de vrouw met het oog op de administratieve eenvoud wordt begrepen in de aanslag van de man. De richtlijnen gegeven voor de bepaling van de hoogte van het arbeidsinkomen van de samenwerkende vrouw berusten op de «partnergedachte». Deze gedachte houdt niet in dat de echtgenoten samen de onderneming drijven, doch wel dat zij samen bijdragen aan het resultaat van de onderneming. Daarom werd elke relatie met loon, en dus met minimumloon, achterwege gelaten en het winstaandeel van de vrouw gesteld op: -1/3 deel met een minimum en een maximum bij (nagenoeg) hele dagen werken; -1/5 deel met een minimum en een maximum bij ten minste halve dagen werken; -een vast bedrag bij in belangrijke mate meewerken.

Onderkend werd dat zich situaties kunnen voordoen waarin door toerekening van winst aan de meewerkende vrouw meer belasting verschuldigd zou kunnen zijn dan zonder zo'n toerekening. Bij voorbeeld in het geval waarin de winst van de man (inclusief het winstaandeel van de vrouw) door compensatie met negatieve inkomensbestanddelen beneden de voor hem geldende belastingvrije som blijft, en het aan de vrouw toe te rekenen winstaandeel haar belastingvrije som overtreft. Toch werd de toerekening niet facultatief gesteld; dat werd principieel onjuist geacht; een facultatieve regeling zou immers de grondslag doen ontvallen aan een regeling die ten principale de fiscale verzelfstandiging van de aan het arbeidsproces deelnemende gehuwde vrouw beoogt. Wel werd toegezegd de hardheidsclausule te zullen toepassen in schrijnende gevallen. In het kader van het Belastingplan 19741 4 is hieraan in zoverre tegemoet gekomen dat de kansen op een ongunstig gevolg van toerekening van een zeker deel van de winst aan de meewerkende vrouw werden verkleind door het minimum van de toerekening van f 3188 -zijnde het natoepassing van de inflatiecorrectie voor het jaar 1973 geldende minimum -te verlagen tot f 1500. Dit bedrag leidde namelijk voor de gehuwde vrouw in verband met haar belastingvrije som niet tot belastingheffing. Omdat dit nieuwe minimum niet kon gelden als vast bedrag voor de «in belangrijke mate» meewerkende vrouw, werd ook hier aan de partnergedachte wat meer gestalte gegeven en voor haar meewerken de factor 1/9 deel van de winst geïntroduceerd, eveneens met een zeker maximum. Dit maximum (toen f 3600) was wel wat hoger dan het tot dan geiden-de vaste bedrag (f 3188), maar bleef mede op grond van prioriteitenafwegingen ten achter bij een evenredige verhouding met de andere maxima (f 18000 voor 1/3 winst bij hele dagen meewsrken; f 10800 voor 1/5 winst bij halve dagen meewerken). Het in belangrijke mate meewerken werd aangevuld met een urennorm.

De volgende suggesties zijn toen niet aanvaard: a. het facultatief stellen van de toerekening aan de vrouw van eigen arbeidsinkomen; b. overheveling naar de vrouw van een onbenut stuk vrije voet van de " Zitting 1973-1974,12601.

man.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Wel werd de toezegging herhaald dat de hardheidsclausule zou worden toegepast in schrijnende gevallen. In het kader van het Belastingplan 1976 (wat dit betreft wetsontwerp 13630) zijn de urennormen voor het meewerken van de gehuwde vrouw gesteld op: -1750 (in plaats van 2000) uren, gelijkstaande aan nagenoeg hele dagen meewerken; -875 (in plaats van 1000) uren, gelijkstaande aan meer dan halve dagen meewerken; -525 (in plaats van 600) uren, gelijkstaande aan in belangrijke mate meewerken. Het regeringsvoorstel om daar, waar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de vrouw werden belast bij haar echtgenoot, ook de arbeidsongeschiktheidsaftrek van de vrouw in aanmerking te nemen bij de man, leidde -na amendering en met instemming van de kleinst mogelijke kamermeerderheid -tot een uitbreiding van de verzelfstandiging tot het arbeidsvervangen-de inkomen van de gehuwde vrouw; alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, onverschillig dus of de ongeschiktheid een tijdelijk of een blijvend karakter heeft, werden voortaan aan de gehuwde vrouw toegerekend. Met deze schetsmatige uiteenzetting wordt beoogd een inzicht te geven in de historische lijnen waarlangs-en onder begeleiding van welke gedachtengangen -het systeem van heffing van inkomstenbelasting van gehuwden in ons land is gegaan, te weten: • vaneen volledige heffing over het gezamenlijke inkomen (tot 1962), • via een weliswaar in stand blijvende heffing over het gezamenlijke inkomen, maar met inachtneming van een inkomensaftrek afhankelijk van het arbeidsinkomen van de vrouw welke zowel naar beneden als naar boven was begrensd (1962 tot 1973), • naareen gedeeltelijk gescheiden heffing van inkomstenbelasting van de gehuwde man en vrouw in die zin dat het arbeidsinkomen van de vrouw geheel los van het overige inkomen van de echtgenoten wordt belast (van 1973 af).

Dezebeperkte -fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw is neergelegd in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; overeenkomstig de tekst van deze bepaling strekt de fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw zich uit tot: a. de winst uit een door de vrouw feitelijk gedreven onderneming en de aan deze winst toe te rekenen toevoeging aan en de afnemingen van haar oudedagsreserve; b. de zuivere inkomsten uit door de vrouw verrichte tegenwoordige arbeid, met uitzondering van die uit onderverhuring; daarbij worden inkomsten uit arbeid genoten wegens arbeidsongeschiktheid, alsmede inkomsten in de vorm van uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet gelijkgesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid; c. de winst uit een voor rekening van de man gedreven onderneming die aan de vrouw wordt toegerekend; d. de ter zake van de onder b bedoelde bestanddelen bij wijze van inhouding geheven premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet, alsmede verhaalde premies ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Algemene Kinderbijslagwet. De onder letter c bedoelde toerekening van een winstaandeel aan de gehuwde vrouw die «meewerkt» in de onderneming van haar man, is in het tweede lid van artikel 5 thans als volgt geregeld: «Ingeval de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot van degene voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven, arbeid verricht in die onderneming wordt te dier zake ten laste van de winst uit die onderne-'5 Zie hiervoor thans lid 4 van de aanschrijving van 19 juni 1974, nr. B 74/13084, BNB 1974/196 (nader BNB 1978/221), waarvan de tekst is opgenomen als bijlage 1 van deze nota. 16 De urennormen voor het nagenoeg hele dagen en het meer dan haive dagen meewerken waren met ingang van 1971 geïntroduceerd, die voor het in belangrijke mate meewerken met ingang van 1974.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

ming gebracht en als door die echtgenoot genoten winst uit onderneming aangemerkt: a. een derde van de winst -voor zover deze uitsluitend op de voet van de in artikel 53, eerste lid, opgenomen tabel belastbaar is -doch niet minder dan f 2071 en niet meer dan f 24823, indien gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd van die echtgenoot geheel of nagenoeg geheel, dan wel voor ten minste 1750 uren in beslag wordt genomen door die arbeid; b. een vijfde van de in letter a bedoelde winst, doch niet minder dan f 2071 en niet meer dan f 14896, indien gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd van die echtgenoot grotendeels, dan wel voor ten minste 875 uren in beslag wordt genomen door die arbeid; c. een negende van de in letter a bedoelde winst, doch niet minder dan f 2071 en niet meer dan f 4968, indien gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd van die echtgenoot in belangrijke mate, dan wel voor ten minste 525 uren in beslag wordt genomen door die arbeid.»

Voor de tarieftoepassing

wordt de gehuwde vrouw ingedeeld in tariefgroep 1; de gehuwde man in tariefgroep 4 (art. 55, eerste lid, Wet 1B). De bij deze tariefgroepen behorende belastingvrije sommen bedragen voor het jaar 1979 respectievelijk f 2017 en f 10070 (art. 53, derde lid). De gehuwde vrouw wier man een onzuiver inkomen geniet dat minder bedraagt dan de voor hem te berekenen belastingvrije som wordt op gezamenlijk, schriftelijk gedaan verzoek van de echtgenoten ingedeeld in tariefgroep 4; dan wordt haar man ingedeeld in tariefgroep 1 (de «rolwisseling»; art. 55, derde lid). Degene die wordt ingedeeld in tariefgroep 1 geniet, anders dan degene die wordt ingedeeld in tariefgroep 4, geen kinderaftrek en geen bejaardenaftrek (art. 56, tiende lid, en art. 53, vierde lid).

Tweede Kamer,zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

II. Analyse van het wettelijke

systeem

Omvang van de verzelfstandiging De omvang van de verzelfstandiging is van de aanvang af punt van discussie geweest, voornamelijk voor wat betreft het pensioen van de gehuwde vrouw. Sedert 1972 hebben vele brieven het departement bereikt, waarin wordt gepleit de verzelfstandiging ook te doen gelden voor pensioen. Verder stond de omvang van de verzelfstandiging centraal tijdens de parlementaire discussie over het -in het kader van het Belastingplan 1976 ingediende en door de Kamer aanvaarde -amendement om alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de gehuwde vrouw in de verzelfstandiging te betrekken. Die omvang kwam weer aan de orde bij het Belastingplan 1977. Een amendement, ingediend om de verzelfstandiging te doen gelden voor alle aan eigen arbeid van de vrouw ontleende pensioenen, is op 2 december 1976 door de Kamer verworpen. De omstandigheid dat de Kamer zich aan de hand van een nota over de gehele problematiek zou kunnen beraden, heeft daarbij een rol gespeeld.

Uitkomsten van de verzelfstandiging De invoering in 1973 van de afzonderlijke heffing over het actieve arbeidsinkomen van de gehuwde vrouw was in vergelijking met het «oude stelsel» van heffing van het gezamenlijke inkomen niet in alle gevallen voordelig voor belastingplichtigen. Dat is van het begin af onderkend. Vooral wanneer die hogere belastingdruk ontstond door het aan de vrouw toerekenen van een winstaandeel wegens meewerken in de onderneming van haar man, is deze ervaren als een knelpunt in het wettelijke systeem.

' Zitting 1975-1976, 13630, nr. 15. 2 Zitting 1976-1977, 14171, nr. 11. 3 Handelingen Tweede Kamer, zitting 1976-1977, blz 1771.

4 Ter illustratie een voorbeeld aan de hand van de tarieven voor 1973.

Afzonderlijke heffing

Oud stelsel

Inkomen man

Inkomen vrouw

Inkomen man

Winst af: beloning wegens volledig meewerken vrouw (1/3) doch minimaal

Diverse aftrekposten

Belastbaar inkomen Belastingvrije som

Belasting over Belasting

f 5812150 0

f 4312664 0'

nihil

f 3188

f 3188 1328'

1860 465

f 9000

1500

f 7500 6640

f

860 Zelfs zonder enige aftrek voor het meewerken van de vrouw is hier al minder belasting verichuldigd, te weten f 215 in plaats van f 465 bij gescheiden heffing.

' Rolwisseling levert hier geen voordeel op.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Een ander gesignaleerd knelpunt is dat in een aantal gevallen weinig of geen fiscaal soelaas wordt verkregen voor de -als regel door hypotheekrente veroorzaakte -negatieve opbrengst van de eigen woning en voor uitgaven als persoonlijke verplichtingen en buitengewone lasten. Die uitgaven worden immers verplicht aan de man toegerekend, óók wanneer de man overigens reeds een zeer laag inkomen of in het geheel geen inkomen heeft. Ter verzachting van genoemde knelpunten is -na de verlaging met in-gang van 1 januari 1974 van het wettelijke absolute minimum voor meewerkwinstvanf 3188 tot f 1500-bij aanschrijving van 19 juni 19745 met ingang van het belastingjaar 1973 de volgende regeling getroffen: 1. Beperking van het winstaandeel voor de meewerkende vrouw tot het nieuwe wettelijke absolute minimum voor de gevallen waarin winsttoerekening volgens de factor 1/3,1/5 dan wel 1/9, tot een hogere belastingdruk zou leiden. 2. Verruimde rolwisseling door de wisseling van tariefgroep niet pas te doen plaatsvinden indien het onzuivere inkomen van de man lager is dan de voor hem geldende belastingvrije som, maar reeds bij een inkomen (dus het onzuivere inkomen na aftrek van persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en giften) lager dan die belastingvrije som. 3. Verliescompensatie tussen echtgenoten (ook wel maritale verliescompensatie genoemd), waardoor negatief inkomen van de ene partner in een jaar wordt gecompenseerd met positief inkomen van de andere partner in dat jaar.

Over deze regeling zijn geen klachten ontvangen. Daaruit mag worden afgeleid dat de aanschrijving de meeste knelpunten van het wettelijke regime heeft weggenomen. De overgebleven knelpunten waren, wat betreft het aantal gevallen waarin zij zich voordoen, weinig talrijk. Zij betroffen situaties waarin bij de vrouw in de loop van een jaar meer loonbelasting wordt ingehouden dan uiteindelijk aan inkomstenbelasting is verschuldigd. Deze situaties, die aanleiding kunnen geven tot liquiditeitsproblemen, deden zich voor wanneer: -de vrouw «kostwinster» is met inkomsten die voor de heffing van de in-komstenbelasting aan de man worden toegerekend (deze situatie doet zich voornamelijk voor bij uitkeringen krachtens de Wet Werkloosheidsvoorziening of de Algemene Oudersomswet). Voor deze situatie is een oplossing gevonden door bij aanschrijving van 18 juni 19766 te voorzien in vermindering van de in het jaar in te houden loonbelasting. -de man negatief inkomen heeft, bij voorbeeld door de hem toegereken-de negatieve opbrengst eigen woning en de hem toegerekende gezinslasten, waarmee pas na afloop van het jaar -via maritale verliescompensatie -rekening kan worden gehouden bij de heffing van de inkomstenbelasting van de vrouw. Door de toevoeging van een achtste lid aan de aanschrijving van 19 juni 1974 -zie bijlage I -is ook voor deze situaties de mogelijkheid geschapen door middel van een vermindering van de bij de vrouw in te houden loonbelasting het liquiditeitsprobleem op te lossen.

5 Nr. B74/13084, BNB 1974/196 (nader BNB 1978/221). De tekst van de aanschrijving is opgenomen als bijlage 1 van deze nota. • Nr. 27-610521, BNB 1976/208. De tekst van deze aanschrijving is opgenomen als bijlage II van deze nota.

Voor zover beide situaties in de loop van het jaar via een vermindering van loonbelasting nog niet zouden zijn gladgestreken, worden zij toch na afloop van het jaar recht getrokken zodra de aanslag in de inkomstenbelasting zal zijn ontvangen; in die gevallen kunnen zich in de loop van het jaar echter nog liquiditeitsproblemen voordoen. Verder worden wel bezwaren tegen het huidige wettelijke regime ingebracht in de volgende situaties.

  • De verzelfstandiging levert in vergelijking tot de heffingswijze van vóór 1973 een minder voordelige uitkomst op. Dit kan zich voordoen inde volgende gevallen: a. De inkomens van zowel de man als de vrouw zijn lager dan de belastingvrije som voor de man doch hoger dan die voor de vrouw. De z.g. rolwis-

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

seling (tariefgroepwisseling) leidt in zulke gevallen alleen tot een lagere belastingheffing indien het inkomen van de vrouw hoger is dan dat van de man. Zowel in het geval dat rolwisseling niet als in het geval dat rolwisseling wèl tot een lagere belastingheffing leidt, blijft echter een hoger bedrag aan belasting verschuldigd dan wanneer, zoals vóór 1973, bij de man het gezamenlijke inkomen zou zijn belast.

Voorbeeld 1 Inkomen man

f

6600

Inkomen vrouw

f 4 400 Vrije som

10070

Vrije som

2017

Belasting over

f

Belasting over

f 2 383 Belasting

nihil

Belasting

f

476

Rolwisseling leidt niet tot een lagere belastingheffing. Bij samenvoeging van de beide inkomens zou van het totale inkomen ad f 11000, ook al zou daarop alleen de belastingvrije som voor de gehuwde man zijn toegepast, dus zonder extra-aftrek voor arbeidsinkomsten van de gehuwde vrouw, belasting verschuldigd zijn over f 930 (f 11000 minus f 10070) tot een bedrag van f 186.

Voorbeeld 2 Inkomen man

f

4400

Inkomen vrouw

f 6 600 Vrije som

10070

Vrije som

2017

Belasting over

f

Belasting over

f 4 583 Belasting

nihil

Belasting

f

916

Rolwisseling -de man de belastingvrije som van f 2017 en de vrouw die van f 10070 -leidt tot f 440 lagere belasting (f 476 belasting over het inkomen van de man in plaats van f 916 over dat van de vrouw). De heffingswijze van vóór 1973 zou door de samenvoeging van de beide inkomens tot één totaal inkomen ook in dit geval, zonder extra-aftrek voor arbeidsinkomsten van de gehuwde vrouw, hebben geleid tot een belastingbedrag van f 186. b. Indien door de toerekening van een negatieve opbrengst eigen woning (en van de gezinslasten) aan de man een zwaardere belastingdruk voor het echtpaar ontstaat dan wanneer deze posten ten laste van het gezamenlijke inkomen zouden kunnen worden gebracht. Dit verschijnsel doet zich voor in gevallen waarin de man over zijn overige (arbeids)inkomen geen of vrijwel geen Nederlandse belasting betaalt, omdat dit inkomen in het buitenland is verworven zodat daarvoor in Nederland -als regel volgens de evenredigheidsmethode -recht op reductie bestaat. Deze situatie kan als volgt worden geïllustreerd.

Voorbeeld 3 Arbeidsinkomen man (buitenlands inkomen) Eigen woning negatief

Inkomen man Vrije som

Belasting over Belasting in Nederland (in verband met reductie ter voorkoming van dubbele belasting)

Arbeidsinkomen vrouw

f 20000 f 40 000 10 000

f 30000

Inkomen vrouw

f 21501-10 070

Vrije som

2017

f 19930

Belasting over

f 17983

nihil

Belasting

f

4434

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Bij samenvoeging van de beide inkomens zou het totaal daarvan f 50 000 zijn, waarover, zonder extra-aftrek voor arbeidsinkomsten van de gehuwde vrouw, volgens tariefgroep 4 na aftrek van de reductie ter voorkoming van dubbele belasting -berekend naar de verhouding tussen het buitenlandse arbeidsinkomen en het totale inkomen (f 40 000 : f 50 000) -aan belasting f 2631 verschuldigd zou zijn geweest.

  • Het ontbreken van de mogelijkheid van rolwisseling (verwisseling van tariefgroep) in situaties waarin het inkomen van de man uitgaat boven zijn belastingvrije som doch waarin het toekennen van deze belastingvrije som aan de vrouw zou leiden tot een geringere belastingheffing voor het echtpaar. Dit betreft situaties waarin het inkomen van de vrouw niet onbeduidend hoger is dan dat van de man.

Voorbeeld 4 Inkomen man

f 15000

Inkomen vrouw

f 35000 Vrije som

10070

Vrije som

2017

Belasting over

f

4930

Belasting over

f 32983 Belasting

f

986

Belasting

f

9871

Door het echtpaar in totaal verschuldigde belasting f 10857. Zou in dit geval rolwisseling mogelijk zijn geweest, dan zou de verschuldigde belasting hebben bedragen voor de man f 2920 en voor de vrouw f 6657, dus in totaal f9577. 3. De toerekening van een negatieve opbrengst eigen woning (en van de gezinslasten) aan de man geeft een geringer fiscaal soelaas dan wanneer deze posten mede ten laste van het arbeidsinkomen van de vrouw zouden kunnen worden gebracht. Dit wordt door belanghebbenden als bezwaar gevoeld ondanks het feit dat de afzonderlijke heffing van man en vrouw een voordeliger uitkomst oplevert dan de gezamenlijke heffing naar het systeem van vóór 1973.

Voorbeeld 5 Arbeidsinkomen man

f 42 000

Arbeidsinkomen vrouw

f 42 000 Eigen woning negatief

14000

Inkomen man

f 28000

Inkomen vrouw

f 42 000 Vrije som

10070

Vrije som

2017

Belasting over

f 17930

Belasting over

f 39983 Belasting

f

4417

Belasting

f 13184

Door het echtpaar in totaal verschuldigde belasting f 17601.

Bij evenredige toerekening van de negatieve opbrengst eigen woning aan man én vrouw zou de opstelling luiden:

Arbeidsinkomen man

f 42 000

Arbeidsinkomen vrouw

f 42 000 Eigen woning negatief

7000

Eigen woning negatief

7000

Inkomen man

f 35000

Inkomen vrouw

f 35000 Vrije som

10070

Vrije som

2017

Belasting over

f 24930

Belasting over

f 32983 Belasting

f

6657

Belasting

f

9871

Door het echtpaar zou aldus in totaal aan belasting zijn verschuldigd f 16528.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Bij evenredige toerekening van de negatieve opbrengst eigen woning aan man en vrouw zou in dit geval het echtpaar derhalve f 1073 minder belasting verschuldigd zijn geweest dan nu bij volledige toerekening van die opbrengst aan de man het geval is (f 16528 in plaats van f 17602).

  • Ten slotte is er nog een aspect dat samenhangt met de premieheffing AOW/AWW. De op het loon van de vrouw ingehouden premies AOW/AWW worden voor de belastingheffing beschouwd als persoonlijke verplichting van haarzelf; deze premies verminderen dus haar (arbeids)inkomen en leiden bij haar tot belastingvermindering. Anders dan de belastingheffing kent de premieheffing geen verzelfstandiging van de werkende gehuwde vrouw. Een aanslag in de premieheffing wordt dan ook op basis van het gezamenlijke inkomen van man en vrouw opgelegd ten name van de man. In het algemeen doen zich hierbij geen problemen voor, vooral niet zolang het gezamenlijke inkomen van man en vrouw niet hoger is dan het maximale pre-mie-inkomen. Anders wordt dit als over het gezamenlijke inkomen minder premie is verschuldigd dan bij wijze van inhouding reeds is geheven van het loon van man en vrouw afzonderlijk. Het verschil tussen ingehouden en verschuldigde premie wordt dan wel teruggegeven, maar in zijn geheel aan de man (wegens het ontbreken van een verzelfstandigde premieheffing wordt de terug te geven premie dus niet naar evenredigheid aan de man en de vrouw betaald). Bij de man vormt de terugontvangen premie in het jaar van ontvangsteen post die in mindering komt op de door hem betaalde premie. Dat leidt weer tot een hoger fiscaal inkomen van de man; daartegen bestaat vooral bezwaar wanneer bij de man marginaal een hoger percentage van toepassing is dan bij de vrouw.

De huidige (beperkte) verzelfstandiging is, zoals ook blijkt uit de geschiedenis van haar totstandkoming, een poging om twee verschillende gedachten met elkaar te verzoenen, namelijk die van een zelfstandige fiscale positie van de werkende gehuwde vrouw met die van de gezinsdraagkracht. De wens tot fiscale verzelfstandiging hangt samen met de maatschappelijke ontwikkeling naar een grotere zelfstandigheid van de gehuwde vrouw. Het traditionele fiscale draagkrachtprincipe gaat ervan uit dat bij een bepaald in-komen de draagkracht van een gehuwde belastingplichtige een andere -geringere -is dan die van een alleenstaande belastingplichtige. Dit principe berust op het bekende -en ook thans nog overheersende -patroon dat in een huwelijk één van de echtgenoten -als regel is dat tot nu toe de man -het inkomen aanbrengt, van welk inkomen de beide echtgenoten moeten leven. Dit verschil in draagkracht tussen alleenstaande belastingplichtigen en «een echtpaar» betreft niet de gehuwde man alleen, waardoor de fiscale positie van één van de echtgenoten niet los van die van de andere partner kan worden beoordeeld. Vandaar de verschillen in tariefgroep -en daarmee samenhangend de verschillen in belastingvrije som -van de gehuwde man en die van de werkende gehuwde vrouw, en de toerekening aan de gehuwde man van praktisch alle andere inkomensbestanddelen dan die uit tegenwoordige arbeid van de gehuwde vrouw. Vervanging van deze beperkte verzelfstandiging door een volkomen fiscale zelfstandigheid van elk van de partners zou in beginsel moeten inhouden een fiscale neutraliteit ten aanzien van burgerlijke staat, geslacht en leeftijd; populair gezegd zou dat erop neerkomen dat elk van de echtgenoten zou worden beschouwd als een «alleenstaande» en dat de draagkracht van de één niet wordt beïnvloed door inkomsten van, dan wel uitgaven ten behoeve van de ander. De partner die geen inkomen aanbrengt zou fiscaal wel in tel kunnen blijven; met de bekostiging van het levensonderhoud uit het inkomen van de andere partner zou bij de belastingheffing van die andere partner rekening kunnen worden gehouden. Dat behoeft dan niet beperkt te blijven tot de gehuwde vrouw die haar dagtaak vindt in het verzorgen van de huishouding van het gezin en in het opvoeden van kinderen, of in andere vormen van onbetaalde arbeid, maar kan zich ook uitstrekken tot de gehuwde man die zijn dagtaak vindt in zulke activiteiten.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Bij de introductie van de beperkte verzelfstandiging is al gewezen op het aspect dat de thuiswerkende vrouwen, die van de gehuwde vrouwen een meerderheid vormen, geen «vergeten groep» mogen worden. Toch geraken zij als gevolg van de verzelfstandiging in zoverre op de achtergrond, dat het draagkrachtaccent is verschoven van het gezin naar de individuele partners. Zo is in de parlementaire discussie de vraag naar voren gekomen of het wel verantwoord is bij een gezamenlijk inkomen van man en vrouw van bij voorbeeld f 70 000, dat is opgebouwd uiteen «manneninkomen» van f 40 000 en een «vrouweninkomen» van f 30000, een ander belastingbedrag te heffen, hetzij hoger hetzij lager, dan bij een andere samenstelling van dat gezamenlijke inkomen, bij voorbeeld in de omgekeerde situatie waarin de man een inkomen heeft van f 30000 en de vrouw van f 40 000. Minder sterk leeft de op de traditionele draagkrachtbenadering stoelende vraag, hoe in een dergelijke situatie -een gezamenlijk inkomen van f 70 000 -het totale bedrag aan belasting zich verhoudt tot de belasting die is verschuldigd in-dien een zelfde inkomen uitsluitend afkomstig is van één van de huwelijkspartners, bij voorbeeld van de man wiens vrouw geen betaalde arbeid verricht. Het verschil in belastingdruk in deze situaties laat zich aan de hand van de volgende voorbeelden duidelijk maken.

Voorbeeld 6 Gezinsinkomen f 70 000 (echtpaar zonder kinderen) Inkomen man

f 70 000

40000

30000

-Inkomen vrouw

-

30000

40000

70 000 Belasting man

f 24014

8650

5 057 Belasting vrouw

f

-

7871

12184

24014'

Totale belasting

f 24014

16521

17241

24014 Belastingreductie voor gescheiden heffing

f

7493

6773

-

1 Rolwisseling (wisseling van tariefgroep).

Voorbeeld 7 Gezinsinkomen f 25000 (echtpaar zonder kinderen) Inkomen man

f 25000

14000

11000

_ Inkomen vrouw

-

11000

14000

25000 Belasting man

f

3457

786

186

  • Belasting vrouw

-

1880

2660

3 457'

Totale belasting

f

3457

2666

2846

3 457 Belastingreductie voor gescheiden heffing

f

-

791

611

-

1 Rolwisseling (wisseling van tariefgroep). In bijlage III van deze nota zijn voor een groter aantal situaties deze verschillen in belastingdruk tot uitdrukking gebracht. De verschillen in belastingdruk kunnen in feite nog groter zijn dan uit de beide hiervoor gegeven voorbeelden en uit die van bijlage III blijkt. Dat hangt samen met het «drempeleffect» van de aftrek wegens buitengewone lasten. Deze gezinsuitgaven worden, uit welk deel van het gezinsinkomen zij ook zijn betaald, voor de belastingheffing steeds toegerekend aan de man. De drempel waarboven deze uitgaven voor aftrek als buitengewone last in aanmerking komen, is dan ook uitsluitend gerelateerd aan zijn onzuivere inkomen. Naarmate het aandeel 7 Zitting 1971-1972,11879, nr. 3, biz. 13.

van de man in het gezinsinkomen geringer is, wordt de aan zijn onzuivere in-8 Handelingen Tweede Kamer, zitting komen gerelateerde drempel lager. Een lagere drempel kan leiden tot een af-1975-1976, openbare commissievergadering

.

. ..

... . .

. .

.

.

...

. ,, ,. „

, . 1Q-,C/1-

. . . .,,

trekpost die -bij re atering van de drempe aan het gezinsinkomen -niet, 35 dd. 6 september 1976 (Emancipatiebeleid),

r-

j

a

f

o

> biz. 1194 en zitting 1976-1977, biz. 3210-3211

dan wel tot een lager bedrag, zou zijn ontstaan. Dit gevolg wordt nog ver-(

15 februari 1977).

sterkt door de vermenigvuldigingsfactor van V/4, V/2 of 13/4 (artikel 46, eer-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

ste lid, letter b, en vierde lid, Wet IB). Het effect van een (hogere) aftrekpost -uiteraard niet uitgaande boven het werkelijke bedrag van de uitgaven -kan in bijlage III niet tot uitdrukking worden gebracht omdat daarin wordt uitgegaan van een, ondanks verschil in samenstelling, steeds gelijk blijvend gezinsinkomen. Daarom wordt hier een voorbeeld gegeven.

Voorbeeld 8

Inkomen man f 26000; ziektekosten en dergelijke f 3400. De drempel voor niet voor aftrek in aanmerking komende kosten is 10% van het onzuivere in-komen -eenvoudshalve eveneens gesteld op f 26000 -zodat van de ziektekosten een bedrag van f 800 (f 3400 verminderd met 10% van f 26000) blijft meetellen. Als een vermenigvuldigingsfactor van 1 Vt van toepassing zou zijn, beloopt de aftrekpost f 1000 (VMxf 800). Het effect op de aftrek wegens buitengewone lasten ingeval de vrouw f 11000 dan welf 14000 van datzelf-de gezinsinkomen zou verdienen, laat zich als volgt becijferen:

Inkomen man (na de aftrek van f 1000 wegens buitengewone lasten)

f 14000

f 11000 hogere buitengewone last wegens lagere drempel (1%-maal 10% van f 11000 en f 14000)

f

1375

f

1750

Inkomen man wordt Belasting man wordt Belasting vrouw blijft wordt Totale belasting wordt Belastingreductie door gescheiden heffing wordt Belastingreductie was (voorbeeld 7)

Extra belastingreductie wegens hogere buitengewone last

f

275

f

614

1 Rolwisseling (wisseling van tariefgroep). Bij een beoordeling van de verschillen in belastingdruk van de hiervoor en in bijlage III gegeven voorbeelden dient wel te worden bedacht dat het systeem van gescheiden heffing (met de uitschakeling van de progressie voor het cumulatieve gezinsinkomen en met een aparte belastingvrije som voor de werkende gehuwde vrouw) een meer globale manier is om de in het gehuwdentarief verdisconteerde «draagkrachtverhogende factor» min of meer te neutraliseren; daarbij wordt (langs een omweg), als het ware opforfaitaire wijze, rekening gehouden met de kosten die het buitenshuis werken kan oproepen, zoals kosten voor extra huishoudelijke hulp en kinderverzorging. Toch moet de vraag worden gesteld of de uit de gescheiden heffing voortvloeiende belastingreducties qua omvang wel een aanvaardbare weerspiegeling zijn van het verschil in draagkracht tussen echtparen met een gelijk totaal gezinsinkomen waarvan de vrouw wel of niet betaalde arbeid verricht. Daarbij komt dan nog, dat het onevenwichtig aandoet dat het verschil in belastingdruk bij een aandeel van de vrouw in het gezinsinkomen van meer dan de helft (als regel), behoudens in de gevallen van rolwisseling, geringer is dan bij een overeenkomstig aandeel van de man in een gezinsinkomen van dezelfde grootte.

f 12625

9 250 f

511

1 446 f 1 880

f

786

f 2 391

2232

f 1 066

1 225 f

791

f

611

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 9 Gezinsinkomen f 35000 (echtpaar zonder kinderen)

Inkomen

Inkomen

Belasting

Belasting

Belastingreductie man

vrouw

man

vrouw

door gescheiden heffing

f 35000

f

_

f 6 657

f

-

__ f 30000

f 5 000

f 5 057

f

596

1 004 f 25000

f 10000

f 3 457

f 1 620

1 580 f 20000

f 15000

f 2 127

f 2 920

1 610 f 15000

f 20000

f

986

f 4 434

1 237 f 10000

f 25000

f 1 620'

f 3 457'

1 580 f 5 000

f 30000

f

596'

f 5 057'

1004

' Rolwisseling.

Voorbeeld 10 Gezinsinkomen f 70 000 (echtpaar zonder kinderen)

Inkomen

Inkomen

Belasting

Belasting

Belastingreductie man

vrouw

man

vrouw

door gescheiden heffing

f 70 000

f

-

I 24014

-

f

  • f 65 000

f 5 000

I 21064

596

f 2 354 f 60 000

f 10000

18158

1620

f 4 236 f 55 000

f 15000

15658

12920

f 5 436 f 50 000

f 20000

13158

4434

f 6 422 f 40 000

f 30000

8650

7871

f 7 493 f 30000

f 40 000

5057

12184

f 6 773 f 20000

f 50 000

2127

17184

f 4 703 f 15000

f 55 000

f

986

19916

f 3 112 f 10000

f 60 000

f 1 620'

J 18158'

f 4 236

1 Rolwisseling.

Bij het op zich laten inwerken van de uitkomsten van de voorbeelden 9 en 10 moet voor ogen worden gehouden dat daarbij cijfers zijn verstrekt waarbij de belastingdruk is gemeten met het gezamenlijke gezinsinkomen als parameter. In een systeem van individuele heffing zal men tot een andere «opstelling» moeten komen. Wordt immers de gezamenlijke belastingdruk op twee personen vergeleken met de belastingdruk op één persoon met een even groot inkomen als van die andere twee te zamen, dan worden niet de fiscale resultanten van onderlinge -individuele -draagkrachtverschillen tot uitdrukking gebracht, maar (afgezien van het effect van een verschil in belastingvrije sommen) openbaart zich de progressie van het tarief. Erg duidelijk komt deze progressie naar voren indien bij dit soort vergelijkingen wordt gelet op de in omvang toenemende belastingreductie bij een gelijk blijvend in-komen van de vrouw, naar gelang het gezinsinkomen groter is.

Voorbeeld 11

Gezinsinkomen

Waarvan aandeel vrouw

Belastingreductie door gescheiden heffing

25000

11000 0

f

851 30000

10000

f 1 310 40 000

11000 0

f 1 973 50 000

10000

f 2 888 60 000

10000

f 3 380 70 000

10000

f 4 236100 000

10000

f 4 780 150 000

f 10000

f 5 380 200 000

f 10000

f 5 580 (maximum)

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

De uit de voorbeelden 9,10 en 11 blijkende belastingreducties zouden uiteraard van bescheidener omvang zijn als de thans bestaande progressiecurve minder steil zou zijn. Een discussie over de tarieflijn gaat het kader van deze nota te buiten. De in de voorbeelden 9 en 10 gegeven uitkomsten vloeien -onder de werking van het progressieve tarief -voort uit de ongelijkheid in de voor man en vrouw geldende belastingvrije sommen. Ongelijke uitkomsten voor spiegelbeeldige situaties zouden zich niet voordoen bij een onbeperkte mogelijkheid tot rolwisseling; zij zouden evenmin kunnen ontstaan indien de belastingvrije sommen voor man en vrouw even groot zouden zijn. In dit verband rijst de vraag in hoeverre het bestaande systeem van verzelfstandiging op gespannen voet staat met de grondwettelijke regel die is voorgesteld, namelijk het recht op gelijke behandeling in gelijke gevallen zonder onderscheid naar geslacht. Toetsing van het huidige heffingsstelsel aan deze regel doet voor wat betreft gehuwden de vraag rijzen of het volgende juist is: a. een verschil in belastingvrije som voor de gehuwde man (tariefgroep 4) en de gehuwde vrouw (tariefgroep 1); b. toerekening aan de man en niet aan de vrouw van praktisch alle andere inkomensbestanddelen dan die uit tegenwoordige arbeid van de vrouw, ongeacht de aanbrenger van die bestanddelen; c. het ontbreken van de mogelijkheid voor de gehuwde vrouw die in feite de kostwinnersrol vervult om, ook al zou een verschil als onder a is bedoeld worden aanvaard, die kostwinnersrol ook fiscaal te vervullen door bij voorbeeld de gezinslasten, welke zij heeft gefinancierd, toegerekend te krijgen. Bij dit laatste dient te worden bedacht dat een stelsel, hetwelk ervan uitgaat dat de kostwinnersrol door één van de echtgenoten wordt vervuld -zelfs al zou zulk een stelsel integrale rolwisseling kennen -geen plaats biedt voor een «gelijkwaardige» behandeling van man en vrouw als zij in feite samen als kostwinner optreden (roldeling in plaats van rolwisseling) Bij de verschillende aspecten van de verzelfstandiging moeten de praktische kanten goed in het oog worden gehouden. Nu gehuwden behalve een ideële gemeenschap in zeer vele gevallen een economische eenheid vormen, heeft een vaste toerekening van inkomensbestanddelen, zoals thans is neergelegd in de wet, onmiskenbaar voordelen. Weliswaar is het arbeidsinkomen van elk der echtgenoten zonder bezwaar persoonlijk toerekenbaar, de vermogensrechtelijke basis van de meeste huwelijken laat individualisering van de overige vruchten (en de lasten) van de gemeenschap niet of nauwelijks toe. Ook kan individuele toerekening aanzienlijke problemen meebrengen met betrekking tot fiscaal relevante gezinsuitgaven zoals bij voorbeeld een gezinspremie, welke als uitgaaf ter zake van ziekte tot de buitengewone lasten kan behoren. Door de in het huidige systeem vastgelegde toerekening aan de man doen zich op dit puntthans geen problemen voor. Die onweerlegbare toerekening voorkomt ook dat weer maatregelen zouden moeten worden getroffen om kunstmatige inkomensverschuivingen tussen echtelieden -die daarmee belasting zouden willen besparen -te beteugelen. De fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw onder het huidige systeem heeft tot een geringere werkbesparing geleid dan aanvankelijk is verondersteld. Als één van de voordelen van de verzelfstandiging werd namelijk gezien de mogelijkheid om in vele gevallen te kunnen volstaan met de heffing van loonbelasting als eindheffing. Die mogelijkheid is zowel voor de man als de vrouw aanwezig, wanneer men loontrekkende is en het (persoonlijke) inkomen blijft binnen de in de artikelen 64 en 65 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gestelde grenzen voor het achterwege blijven van een aanslag, te weten: -loon niet boven de aanslaggrens (thans f 45 200); » Artikel 1.1 van het ontwerp-Grondwet, zitting

-loon niet lan9er dan een maand uit meer dan één bron tegelijk; 1975-1976,13872.

-andere bestanddelen niet boven f 600.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

I

De loonbelasting is minder vaak eindheffing geworden dan destijd werd verwacht. Zoals in het kader van het wetsontwerp tot verhoging van de grenzen voor teruggaaf op verzoek, van voorheffingen van de inkomstenbelasting en van de premieheffing volksverzekeringen is te kennen gegeven, kon de toename van het aantal t-biljetten sinds 1972 voor een niet onaanzienlijk deel worden toegeschreven aan de fiscale verzelfstandiging van de vrouw. Te denken valt bij voorbeeld aan gehuwde vrouwen die niet het gehele jaar in loondienst werken. De optimale werking van het achterwege kunnen blijven van een aangifte voor de inkomstenbelasting en het niet opleggen van een aanslag, wordt bovendien nog enigszins verkleind door het premieheffingsregime. Dit regime brengt mee dat in gevallen waarin geen aangiftebiljet voor de in-komstenbelasting behoeft te worden ingediend doch waarin van man en vrouw samen meer dan de maximale premie AOW/AWW bij wijze van in-houding is geheven, het meerdere kan worden teruggevraagd via een speciaal aangiftebiljet (het z.g. ph-biljet). Hierin schuilt tevens een minder aan de rechtvaardigheid beantwoordend bijverschijnsel van de huidige verzelfstandiging voor de loon-en inkomstenbelasting, namelijk dat in bedoelde gevallen deze premieteruggaven «belastingvrij» blijven doordat ze bij gebreke van een aanslag inkomstenbelasting ten name van de man niet in aftrek op betaalde premie worden gebracht. Dit is destijds onderkend. Hiervoor is gepoogd aan te geven dat het huidige systeem positieve en negatieve kanten heeft en dat er beslist nog vragen zijn. In het volgende hoofdstuk zullen de mogelijkheden van een aantal denkbare oplossingen worden onderzocht. Daarna zal in hoofdstuk IV een beknopt overzicht worden gegeven van in het buitenland bestaande regelingen. In hoofdstuk V zal de fiscale positie van de ongehuwde die met een ander samenleeft of samenwoont, aan een beschouwing worden onderworpen. In het daarna volgende hoofdstuk zal worden uiteengezet welke oplossing ik voorsta.

,0 Zitting 1977-1978,14832.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

III. Onderzoek naar de mogelijkheden van een aantal denkbare oplossingen Om tegemoet te komen aan een aantal van de aan het huidige heffingsstelsel minder gewenst geachte aspecten, zoals deze zijn aangegeven in het vorige hoofdstuk, zijn verschillende mogelijkheden denkbaar. Achtereenvolgens worden behandeld: -varianten binnen het bestaande systeem: • voetoverheveling • tariefgroepwisseling naar keuze • integrale rolwisseling • gelijke belastingvrije voet -uitbreiding van de verzelfstandiging: • uitbreiding tot pensioen • volkomen gescheiden heffing -splitsing.

Vooraf wordt echter nog een korte beschouwing gewijd aan het heffingssysteem, dat de inkomenspositie van het echtpaar als eenheid tot uitgangspunt neemt, de kwantitatieve effecten uiteraard beperkter zijn dan die van de werkende gehuwde vrouw. In theorie is een terugkeer mogelijk tot het systeem van heffing naar het gezamenlijke inkomen van man en vrouw met een zekere aftrek voor het arbeidsinkomen van de vrouw, eventueel met als variant een aftrek van extra kosten voor huishoudelijke hulp of gezinsverzorging. Uit het historische overzicht blijken de bezwaren welke aan zo'n systeem kleven; die bezwaren vormden de reden dat systeem te verlaten. Het zou onrealistisch zijn om -tegen de maatschappelijke ontwikkeling in -te denken aan een terugkeer naar het welbewust verlaten systeem van vóór 1973. Daarbij komt dat dit heffingsstelsel, vergeleken met de uitkomsten van de huidige beperkte verzelfstandiging, slechts in een klein aantal gevallen voor belastingplichtigen gunstiger is. Dat doet zich alleen dan voor indien de inkomens van de man en de vrouw elk lager zijn dan de belastingvrije som van de man maar hoger dan die van de vrouw (zie de voorbeelden 1 en 2 in hoofdstuk II). Ook in het tamelijk uitzonderlijke geval waarin toerekening aan de man van een negatieve opbrengst eigen woning (en van de gezinslasten) een zwaardere belastingdruk voor het echtpaar doet ontstaan dan wanneer deze posten zouden kunnen worden gebracht ten laste van het gezamenlijke inkomen (zie voorbeeld 3). In de overgrote meerderheid van de gevallen levert de huidige beperkte verzelfstandiging voor de echtgenoten gezamenlijk een gunstiger uitkomst op dan het heffingssysteem van vóór 1973. Het stelsel van gezamenlijke heffing met een aftrekregeling naar rato van het arbeidsinkomen van de vrouw zou met inachtneming van de tariefaanpassingen welke sedert 1972 hebben plaatsgevonden, voor het jaar 1979 neerkomen op een vrijstelling van belasting voor het arbeidsinkomen van de vrouw voor de eerste f 1687 plus 20% van het meerdere, meteen maximum van f 6748 (1972: f 1046 plus 20% van het meerdere, met een maximum van f4184). Door het maximum van f 6748 zou de aftrekregeling haar uiterste grens bereiken bij een vrouweninkomen van f 26992; uitgedrukt in een belastingbedrag zou de aftrekregeling nooit meer kunnen belopen dan 72% van f 6748 is f 4859. Hierbij kan worden opgemerkt, dat van een dergelijk systeem, dat de inkomenspositie van het echtpaar als eenheid tot uitgangs punt neemt, de kwantitatieve effecten uiteraard beperkter zijn dan die van een systeem van gescheiden heffing dat is gebaseerd op de fiscale zelfstandigheid van de echtgenoten.

Tweede Kamer,zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Eveneens is het in theorie denkbaar, dat de verzelfstandiging zou worden beperkt tot een bepaalde hoogte van het vrouweninkomen. Dit systeem komt erop neer dat de werkende gehuwde vrouw zelfstandig in de belastingheffing wordt betrokken maar dat haar inkomen, indien en voor zover dit een zeker maximum te boven gaat, wordt overgeheveld naar dat van haar man. Een verzelfstandiging tot bij voorbeeld f 20000 arbeidsinkomen van de vrouw zou bij een gezinsinkomen van f 70 000, waarvan f 30000 afkomstig is van de vrouw, tot het volgende resultaat leiden:

Voorbeeld 12 Inkomen man

f 40 000

Arbeidsinkomen vrouw

f 30000 Aan man toegerekend

Hiervan toe te re kenen arbeidsinkomen vrouw

10000

aan de man

Inkomen

10000

Inkomen

f 50 000

f 20000 Vrije som

10070

Vrije som

Belasting over

2017

Belasting over

f 39930

f 17983 Belasting

f 13158

Belasting

f

4434

De door de partners gezamenlijk verschuldigde belasting zou f 17592 bedragen; nu is dat f 16521 (te weten man f 8650 en vrouw f 7871; zie voorbeeld 6).

De toerekening aan de man van een deel van het arbeidsinkomen van de vrouw leidt ertoe dat negatieve inkomenselementen -een negatieve opbrengst van de eigen woning, persoonlijke verplichtigen, buitengewone lasten en aftrekbare giften -in een aantal gevallen waarin dit thans niet mogelijk is, voor het gehele bedrag daarvan in mindering kunnen worden gebracht op het inkomen van de man. In deze gevallen zal daardoor geen behoefte meer bestaan aan de mogelijkheid tot rolwisseling en maritale verliescompensatie. Aan een systeem van verzelfstandiging tot een zekere hoogte van het vrouweninkomen is ook eigen dat het kwantitatieve effect van de gescheiden heffing binnen zekere grenzen wordt gehouden. De reductie ten gevolge van de gescheiden heffing gaat niet verder dan tot het bedrag dat correspondeert met het voor de verzelfstandiging van het vrouweninkomen gekozen maximum. In bijlage III zouden dan alle posities die zijn gebaseerd op een aandeel van de vrouw in het gezinsinkomen dat het gestelde maximum overschrijdt, niet voorkomen. Een systeem van verzelfstandiging tot een zekere hoogte van het vrouweninkomen zou de reeds bestaande ongelijkheid in fiscale behandeling van mannen en vrouwen vergroten. Verder zou het -naar valt aan te nemen tegen de maatschappelijke ontwikkeling in -een terugkeer op de weg van verzelfstandiging betekenen. Daarom is dit stelsel in de hierna te bespreken mogelijkheden tot systeemwijziging niet opgenomen.

Voetoverheveling Voor de situatie waarin beide echtgenoten inkomen genieten maar het belastbare inkomen van de (eventueel na rolwisseling) in tariefgroep 4 ingedeelde echtgenoot lager is dan diens belastingvrije som, is meer dan eens de suggestie gedaan om tot een zogenaamde voetoverheveling te komen. Indien namelijk de belastingvrije som van tariefgroep 4, dus die voor het gezin, niet volledig kan worden benut bij de in die tariefgroep ingedeelde echtgenoot, bestaat het gevoel dat aan de gezinsdraagkracht tekort wordt gedaan voor zover tegenover het niet benutte deel nog te belasten inkomen van de andere echtgenoot staat.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 13 Inkomen man

f

8800

Inkomen vrouw Vrije som (groep 4)

10070

Vrije som (groep 1)

f 3 200 2017

f f 1 183 236

Belasting over

f

Belasting over Belasting

nihil

Belasting

Bij overheveling van het onbenutte deel ad f 1270 van de belastingvrije som voor de man zou de belasting van de vrouw in dit geval ook nihil bedragen, te berekenen als volgt:

Inkomen vrouw

f 3 200 Vrije som f 2017 + f 1 270 =

3287

Belasting over

f

  • Belasting

nihil

Met zulk een regeling wordt tot op zekere hoogte teruggevallen op het systeem van het gezamenlijk in de heffing betrekken van man en vrouw. Overheveling van het onbenutte deel van de vrije som van tariefgroep 4 naar de echtgenoot die wordt ingedeeld in tariefgroep 1 staat immers globaal genomen gelijk aan toerekening van een even groot gedeelte van het inkomen van de in tariefgroep 1 ingedeelde echtgenoot aan de andere echtgenoot. Aangezien de gescheiden heffing verder intact blijft, wordt een bij consequente samentelling van de inkomens mogelijk nadeel ontgaan (zoals in de situatie van voorbeeld 13 bij gezamenlijke heffing het geval zou zijn, zie nierna). In andere gevallen wordt het nadelige effect van de gescheiden heffing niet slechts teruggebracht tot het bedrag dat het resultaat zou zijn geweest bij gezamenlijke heffing, maar tot een resultaat van gezamenlijke heffing met als vrije som die van de tariefgroepen 4 en 1 tezamen. Dit blijkt uit de volgende cijferopstelling:

Gezamenlijk inkomen In voorbeeld 13

f 12000 In voorbeelden 1 en 2 Belasting in totaal bij gescheiden heffing volgens het huidige regime f Belasting bij gezamenlijke heffing (met de vrije som ad f 10070 van groep 4) f Belasting in totaal bij gescheiden heffing met voetoverheveling (een totaal aan vrije sommen van f 12087 maximaal, nl. van groep 4 en groep 1)

nihil

nihil

Bij de hier geschetste situaties moet wel worden bedacht, dat inkomensverhoudingen waarbij de inkomens van beide echtgenoten lager zijn dan de belastingvrije som van tariefgroep 4 en hoger dan de belastingvrije som van tariefgroep 1 zelden voorkomen. Als die inkomensverhoudingen wel aanwezig zijn is dit veelal een gebeuren van voorbijgaande aard. Voetoverheveling zou daarom maar in een zeer beperkt aantal gevallen soelaas bieden. Andere knelpunten en bezwaren van het huidige regime worden er niet door opgelost. Een aanpassing van het bestaande regime van verzelfstandiging van de belastingheffing van de werkende gehuwde vrouw zó, dat overheveling van het onbenutte deel van de belastingvrije som van tariefgroep 4 is toegestaan, zou de uitvoering niet ernstig verzwaren. Hierbij is dan alleen gedacht aan een inbouw van een overheveling op verzoek voor de inkomstenbelasting. Voor de loonbelasting is het uitgesloten dat een onbenut deel van de belastingvrije som voor de in tariefgroep 4 ingedeelde echtgenoot zou kunnen worden overgeheveld naar de andere echtgenoot. De aan een dergelijk

f 11000

f

476

f

186

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

systeem van gedeeltelijke voetoverheveling verbonden budgettaire gevolgen kunnen, mede omdat de overheveling zich als regel zal afspelen binnen het bereik van de laagst belaste tariefschijf (20 %), op-PM worden gesteld.

Tariefgroepwisseling naar keuze Nu is rolwisseling (tariefgroepwisseling) mogelijk in het geval dat de man een inkomen heeft dat lager is dan de voor hem geldende belastingvrije som. Tariefgroepwisseling naar keuze houdt echter in dat wisseling van de tariefgroepen 4 en 1 tussen man en vrouw steeds mogelijk is indien daardoor in totaal minder belasting wordt verschuldigd dan nu het geval is. Zo'n uitbreiding van de mogelijkheid tot rolwisseling zou tegemoet komen aan het in hoofdstuk II aan de hand van voorbeeld 4 geïllustreerde bezwaar van verschillen in belastingdruk voor spiegelbeeldige situaties van inkomensaanbreng door de beide echtgenoten. Door namelijk tariefgroep 4 (met de hoge belastingvrije som) te kiezen voor de echtgenoot met het hoogste inkomen zal het in uitkomst geen verschil meer opleveren of een gezamenlijk in-komen van man en vrouw van bij voorbeeld f 50 000 is opgebouwd uit een «manneninkomen» van f 15000 en een «vrouweninkomen» van f 35000 of omgekeerd uit f 35000 inkomen van de man en f 15000 inkomen van de vrouw.

Voorbeeld 14 Bij tariefgroepwisseling naar keuze zouden de voorbeelden 9 en 10 het volgende beeld opleveren:

Gezinsinkomen f 35000 (echtpaar zonder kinderen) ,

Inkomen man

Inkomen vrouw

Belasting man

Belasting vrouw

Totale belasting

f 35000

f

-

f 6 657

f

-

f 6 657 f 30000

f

5000

f 5 057

f

596

f 5 653 f 25000

f 10000

f 3 457

f 1 620

f 5 077 f 20000

f 15000

f 2 127

f 2 920

f 5 047 f 15000

f 20000

f 2 920'

f 2 127'

f f 5 047 in plaats van 5 420 f 10000

f 25000

f 1 620'

f 3 457'

f 5 077 f

5000

f 30000

f

596'

f 5 057'

f 5 653

1 Tariefgroepwisseling.

Gezinsinkomen f 70 000 (echtpaar zonder kinderen)

Inkomen

In komen

Belasting

Belasting

Totale belasting man

vrouw

man

vrouw

f 70 000

f

f 24014

f

24014 f 65 000

f

5000

f 21064

f

596

12166 0 f 60 000

f 10000

f 18158

f

1620

11977 8 f 55 000

f 15000

f 15658

f

2920

11857 8 f 50 000

f 20000

f 13158

f

4434

17592 f 40 000

f 30000

f

8650

f

7871

16521 f 30000

f 40 000

f

7 871'

f

8 650'

21501-17 241 in plaats van

f 20000

f 50 000

f 4 434'

f 13158'

17592 I93II in plaats van

f 15000

f 55 000

f

2 920'

f 15658'

f 21501-20 902 in plaats van

f 10000

f 60 000

f

1 620'

f 18158'

19778

Tariefgroepwisseling.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Het systeem van tariefgroepwisseling naar keuze doet meer recht wedervaren aan de kostwinnersgedachte, zij het dat een tariefgroepwisseling naar keuze, welke in de praktijk als regel afhankelijk zal zijn van de hoogte van de inkomens (c.q. belastbare inkomens) van de echtgenoten, voor betrokkenen ook van betekenis kan zijn los van de feitelijke vervulling van de kostwinnersrol. Te denken valt aan situaties als zijn geschetst in de voorbeelden 3 en 5. Uitvoeringstechnisch zijn van een uitbreiding van de mogelijkheid van tariefgroepwisseling naar keuze geen extra moeilijkheden te duchten, noch bij de inkomstenbelasting, noch bij de loonbelasting. Een systeem van tariefgroepwisseling naar keuze bewerkstelligt in vergelijking tot het huidige systeem van rolwisseling maar voor een kleine groep personen een financieel voordeel, namelijk in het algemeen voor echtparen bij wie het vrouweninkomen hoger is dan het manneninkomen. Dat systeem lost echter geen andere bezwaren van het huidige regime op. Zo geeft tariefgroepwisseling naar keuze geen oplossing voor het geval de ene echtgenoot -aan wie volgens de gedane keuze de lage belastingvrije som toevalt -een negatief arbeidsinkomen (verlies uit onderneming) of negatief inkomen uit anderen hoofde heeft. Voor een situatie als deze zal er behoefte blijven aan een regeling als die van de maritale verliescompensatie. Evenmin zal de regeling kunnen vervallen waarbij het winstaandeel van de meewerkende echtgenoot desgewenst wordt beperkt tot het wettelijke mini-mum. Tariefgroepwisseling naar keuze geeft evenmin een oplossing voor de in hoofdstuk II met het oog op het gelijkheidsbeginsel geformuleerde vragen over non-discriminatie. Doordat het aantal personen dat, in vergelijking tot het huidige systeem van rolwisseling, baat zou vinden bij een systeem van tariefgroepwisseling naar keuze betrekkelijk gering is, zullen de budgettaire gevolgen van zulk een systeemwijziging naar alle waarschijnlijkheid de f 10 min. niette boven gaan.

Integrale rolwisseling

Integrale rolwisseling gaat uit van het huidige systeem van inkomstenbelasting, doch breidt de daarin opgenomen wisseling van tariefgroep uit tot een wezenlijke rolwisseling, waarbij fiscaal bezien de vrouw volledig de plaats van de man inneemt en omgekeerd de man de plaats van de vrouw. Onder integrale rolwisseling wordt verstaan hetmet toepassing van de tariefgroep voor de gehuwde man -aan de gehuwde vrouw toerekenen van alle inkomensbestanddelen van het gezin, met uitzondering van de arbeidsinkomsten van haar man, terwiji de man -met toepassing van de tariefgroep voor de gehuwde vrouw -dan wordt belast voor diens eigen arbeidsinkomsten. Uit theretische oogpunt bezien is integrale rolwisseling zuiverder dan de bestaande beperkte mogelijkheid van tariefgroepwisseling, omdat met integrale rolwisseling -binnen een wettelijk systeem dat in wezen uitgaat van een kostwinnersrol en een niet-kostwinnersrol -de mogelijkheid wordt geopend de fiscale roltoedeling beter te laten aansluiten bij de realiteit. Dit is het geval in sitaties waarin de vrouw wèl, doch de man geen of nagenoeg geen arbeidsinkomen heeft -met andere woorden in situaties waarin de vrouw de kostwinnersrol vervult -en de betaling van hypotheekrente, persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en giften in feite uit het arbeidsinkomen van de vrouw geschiedt. In de huidige regeling kunnen deze posten, na te zijn toegerekend aan de man, via de maritale verliescompensatie ook wel in mindering op het arbeidsinkomen van de vrouw komen, maar alleen voor zover zij de arbeidsinkomsten en het eventuele andere inkomen van de man (waaronder de aan hem toegerekende inkomensbestanddelen van de vrouw) te boven gaan.

1 Aanschrijving van 13 juni 1974, opgenomen in bijlage 1.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 15 Arbeidsinkomen man Eigen woning negatief Inkomen man negatief Overheveling van dit inkomen naar de vrouw via maritale verliescompensatie

f

5 000 14000

f

9000

9000

Arbeidsinkomen vrouw

f 42 000

Inkomen vrouw

Belastbaar inkomen Vrije som na rolwissehng

Belasting over Belasting

f 42 000

9000

f 33000

10070

f 22930 f

6017

Zou hier integrale rolwisseling mogelijk zijn, dan wordt de opstelling:

Arbeidsinkomen man

f 5 000

Arbeidsinkomen Eigen woning

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over Belasting

vrouw

f 42 000 14 000

Inkomen man Vrije som

f

5 000 2017

f 21501-10 070

Belasting over Belasting

f f

2 983 596

f f 17930 4 417

Door het echtpaar zou aldus in totaal aan belasting zijn verschuldigd f 5013tegenf 6017thans.

Een -bij integrale rolwisseling -rechtstreekse toerekening van ziektekosten en dergelijke en van giften aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen levert, ook bezien vanuit het draagkrachtbeginsel, een minder onzuiver fiscaal resultaat op dan bij het huidige heffingssysteem. De toerekening van deze uitgaven aan het hoogste arbeidsinkomen kan een hogere drempel (en voor de giftenaftrek een hoger plafond) betekenen, zodat integrale rolwisseling wat de buitengewone lasten betreft, kan leiden tot een lagere aftrekpost, maar wat de giften betreft zowel tot een lagere (in verband met de drempel van 1 %) als tot een hogere aftrekpost (in verband met de limitering van de aftrek tot 10% van het onzuivere inkomen). Voorts komt integrale rolwisseling, evenals tariefgroepwisseling naar keuze, tegemoet aan situaties waarin het arbeidsinkomen van de vrouw hoger is dan dat van de man, doch waarin volgens het thans bestaande heffingssysteem rolwisseling niet mogelijk is (voorbeeld 4). Integrale rolwisseling ter vrije keuze van de echtgenoten zou tot gevolg kunnen hebben, dat niet de onderlinge verhouding tussen de arbeidsinkomsten van man en vrouw, doch louter de aanwezigheid van vermogensinkomsten de doorslag geeft voor de te maken keuze, namelijk indien het voordelig is de «mannenrol» met de daaraan toe te rekenen vermogensinkomsten te kiezen voor de partner met het laagste arbeidsinkomen.

Voorbeeld 16 Arbeidsinkomen Vermogensinkon man isten

f 21501-20 000

Arbeidsinkomen vrouw

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over Belasting

f 20000

Inkomen man Vrije som

f 50 000 10 070

f 20000 20I7

Belasting over Belasting

f f 21501-13 158

f f 17983 4 434

Door het echtpaar in totaal verschuldigde belasting f 17592.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Zou hier integrale rolwisseling mogelijk zijn, dan wordt de opstelling:

Arbeidsinkomen man

f 30000

Arbeidsinkomen vrouw

f 20000 Vermogensinkomsten

20000

Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 40 000 Vrije som

2017

Vrije som

10070

Belasting over

f 27983

Belasting over

f 29930 Belasting

f

7871

Belasting

f

8650

Door het echtpaar alsdan in totaal verschuldigde belasting f 16521.

Integrale rolwisseling zou dan ook afhankelijk moeten worden gesteld van de onderlinge verhouding van beider arbeidsinkomen en wel in deze zin dat de kostwinnersrol met tariefgroep 4 alleen aan de vrouw wordt toebedeeld indien haar man geen of een lager arbeidsinkomen heeft. Aan deze systematische eis inzake roltoedeling kan echter in de praktijk van de loonbelasting -welke belasting tot aan de «aanslaggrens» eindheffing kan zijn -niet worden voldaan. Daarom zou integrale rolwisseling afhankelijk moeten worden gesteld van een verzoek van de beide echtgenoten. De praktische betekenis van integrale rolwisseling zal daardoor veelal -namelijk in alle gevallen waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend sprake is van arbeidsinkomsten -gelijk zijn aan het huidige regime van gescheiden heffing indien daarin tarietgroepwisseling naar keuze zou worden opgenomen. Wel houdt integrale rolwisseling in, dit in tegenstelling tot uitsluitend tariefgroepwisseling, dat alle andere inkomenselementen dan het persoonlijke arbeidsinkomen worden toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste arbeidsinkomen, hetgeen tot een grotere «neutraliteit» in uitkomst leidt. Vervanging van de huidige rolwisseling door integrale rolwisseling kan voor betrokkenen ook minder voordelig uitvallen. Dit zal zich voordoen in-dien positieve inkomensbestanddelen, niet zijnde arbeidsinkomsten van de man, worden toegerekend aan de vrouw. Het volgende voorbeeld verduidelijkt dit. Daarin wordt -evenals in voorbeeld 18 zal worden gedaan -de als persoonlijke verplichting afgetrokken premie AOW/AWW ter wille van de onderlinge vergelijking steeds in aanmerking genomen voor het bedrag dat op de arbeidsinkomsten van de vrouw aan premie AOW/AWW is ingehouden.

Voorbeeld 17 Arbeidsinkomen man

f

Arbeidsinkomen vrouw

f 25000 Vermogensinkomsten

4000

Premie AOW/AWW

3000

Inkomen man

f 4 000

Inkomen vrouw

f 22000 Vrije som (rolw.)

2017

Vrije som (rolw.)

10070

Belasting over

f 1983

Belasting over

f 11930 Belasting

f

396

Belasting

f

2647

Door het echtpaar in totaal verschuldigde belasting f 3043. Met integrale rolwisseling zou de opstelling worden: Arbeidsinkomen Vermogensinkomsten

f 25000 4 000

Onzuiver inkomen Premie AOW/AWW

f 29000 3 000

Inkomen Vrije som

f 21501-10 070

Belasting over Belasting

f f 15930 3 777

Integrale rolwisseling is in deze situatie dus f 3777 -f 3043 = f 734 minder voordelig dan de in het bestaande regime alleen opgenomen tariefgroepwisseling (rolwisseling).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Een minder voordelig resultaat kan ook ontstaan door het effect van een geringere aftrek aan buitengewone lasten en giften als gevolg van hogere drempels door de relatering aan een hoger inkomen.

Voorbeeld 18 Arbeidsinkomen man Vermogensinkomsten

Arbeidsinkomen vrouw

f 25000 4 000

Onzuiver inkomen man Ziektekosten

f 2 600 Drempel 10%

400 Bg. last 1 % x

f 2 200 i Giften

f 600 Drempel min. f 120 f

max 4 000

2600

400

Onzuivere inkomen vrouw Premie AOW/AWW Inkomen vrouw Vrije som (rolw.)

Belasting over Bekisting

f 25000 3 000

Aftrekbaar max 10%

Inkomen man Vrije som (rolw.)

f 1 000 2017

f 21501-10 070

Belasting over Belasting

f nihil

f f 11930 2 647

Bij integrale rolwisseling zou de opstelling worden:

Arbeidsinkomen Vermogensinkomsten

f 25000 4 000

Onzuiver inkomen Premie AOW/AWW Ziektekosten

f 2 600 Drempel 10%

f 2 900 f

f

f 29000 3 000

Bg. last Giften Drempel 1%

f f 600 290

-

Aftrekbaar

310

Inkomen Vrije som

f 21501-10 070

Belasting over Belasting

f 15620 f

3678

In deze situatie is integrale rolwisseling dus f 3678-f 2647 der voordelig dan enkel tariefgroepwisseling.

f 1031 min-

Opgemerkt wordt dat een systeem van integrale rolwisseling waarin de uitgaven voor hypotheekrente, buitengewone lasten en dergelijke worden toegerekend aan het hoogste (arbeids)inkomen, evenmin volledig bij de realiteit aansluit. De realiteit zal immers vaak zijn dat bij aanwezigheid van inkomen van zowel man als vrouw zulke uitgaven worden bestreden uit het gezamenlijke inkomen. Het systeem van integrale rolwisseling neemt echter wel weg het in het bestaande wettelijke systeem onevenwichtig aandoende verschijnsel van ongelijke belastingdruk bij een zelfde gezinsinkomen al naar gelang de ene dan wel de andere echtgenoot een in omvang gelijk aandeel in het gezinsinkomen levert (zie de voorbeelden 9 en 10). Als instrument binnen een systeem van heffing waaraan een bepaald rollenpatroon ten grondslag ligt, te weten een kostwinnersrol en een niet-kostwinnersrol, kan integrale rolwisseling uiteraard ook niet het antwoord zijn op alle in hoofdstuk II gestelde vragen welke uit een oogpunt van gelijke behandeling rijzen bij zulk een heffingssysteem. Immers het verschil in belastingvrije som voor de huwelijkspartners blijft bestaan en ook de toerekening van alle andere in-komensbestanddelen dan die uit arbeid aan één van de beide partners. De integrale rolwisseling biedt geen oplossing voor het geval de echtgenoot die Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

fiscaal voor de «vrouwenrol» opteert een negatief (arbeids)inkomen (verlies uit onderneming) heeft. Voor deze situatie zal er behoefte blijven aan maritale verliescompensatie. Ook zal niet kunnen worden gemist de regeling waarbij het winstaandeel van de in de onderneming van haar man meewerkende vrouw desgewenst wordt beperkt tot het wettelijke minimum. Integrale rolwisseling geeft geen oplossing voor gevallen waarin (c.q. ook na toepassing van die rolwisseling) het inkomen van elk van de echtgenoten tussen de hoge en lage belastingvrije som ligt (zie de voorbeelden 1 en 2). Zoals hiervoor reeds is vermeld, zal uit een oogpunt van uitvoering integrale rolwisseling, afhankelijk van de hoogte van beider arbeidsinkomen, ter keuze van de echtgenoten moeten worden gesteld en wel in de vorm van een (gezamenlijk) verzoek. De keuze voor integrale rolwisseling kan echter in de praktijk voor de betrokkenen minder gemakkelijk zijn dan men op het eerste gezicht zou menen. Dit houdt verband met het progressie-effect dat bij overheveling van positieve inkomensbestanddelen, andere dan die uit arbeid, kan optreden. Bovendien kunnen, net als in voorbeeld 18, in geval van overheveling van ziektekosten en giften, in omvang verschillende aftrekposten ontstaan. Een en ander brengt mede dat de echtgenoten in voorkomen-de gevallen hun keuze slechts kunnen doen na vooraf een aantal berekeningen te hebben gemaakt. Een systeem van integrale rolwisseling heeft ook gevolgen voor de opzet van de aangiftebiljetten. Thans kan aan ieder afzonderlijk een op de wettelijk voorgeschreven toerekening van inkomensbestanddelen afgestemd biljet worden uitgereikt. Indien bij de roltoedeling een keuze van belanghebbenden zou kunnen plaatsvinden, zou het bestaande (eenvoudige) aangiftebiljet voor de gehuwde vrouw niet kunnen worden gehandhaafd. Immers zowel aan de man als aan de vrouw zal dan een biljet moeten worden verstrekt dat het mogelijk maakt aangifte te doen volgens de te kiezen rol. Een latere herziening van -of het door de inspecteur bij de aanslagregeling aanbrengen van correcties op-de aangiften voor wat betreft de arbeidsinkomens van de echtgenoten (te denken valt in het bijzonder aan gevallen waarin winst uit onderneming wordt genoten) kan leiden tot heroverweging van de bij die aangiften gedane keuze van roltoedeling. Verhoging of verlaging van het arbeidsinkomen van de één tot boven of beneden het niveau van dat van de ander zal gepaard moeten gaan met overheveling van alle overige inkomensbestanddelen terwijl tevens de tariefgroepwisseling komt te vervallen. Indien na de aanslagregeling waarbij integrale rolwisseling zou zijn toegepast een lagere vaststelling van het arbeidsinkomen van een van de echtgenoten plaatsvindt, kan -reeds door het verschil in belastingvrije sommen -het ongedaan maken van de rolwisseling resulteren in een (door middel van navordering) bij te betalen bedrag voor degene wiens arbeidsinkomen lager moet worden vastgesteld. De andere echtgenoot, wiens arbeidsinkomen geen wijziging ondergaat, zou dan belasting terug ontvangen. Ook kan zich het omgekeerde voordoen: een nadere hogere vaststelling van het arbeidsinkomen van een van de echtgenoten kan resulteren in een verlaging van diens belasting, terwijl van de andere echtgenoot -wiens arbeidsinkomen geen wijziging ondergaat -belasting zou moeten worden nagevorderd. Aan zulke gevolgen -al zullen deze zich waarschijnlijk in weinig gevallen voordoen -valt bij dit systeem niet te ontkomen.

De aan een systeem van integrale rolwisseling verbonden budgettaire gevolgen zullen niet omvangrijker zijn dan die van de eerder behandelde tariefgroepwisseling naar keuze; derhalve naar alle waarschijnlijkheid niet meer danf 10 min.

Gelijke belastingvrije voet

Om tegemoet te komen aan de verlangens inzake een gelijke behandeling ongeacht geslacht en mede ter vermijding van de problemen die door de bestaande rolwisseling worden opgeroepen, zou kunnen worden gedacht aan een systeem van gescheiden heffing waarin voor man en vrouw een gelijke Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

belastingvrije som geldt. Een gelijke behandeling van echtgenoten op dit punt zou hierop neerkomen, dat de belastingvrije som voor echtgenoten die afzonderlijk in de belastingheffing worden betrokken, wordt gesteld op f 6043 (te weten de helft van de voor 1979 voor de tariefgroepen 4 en 1 geldende belastingvrije sommen van f 10070 en f 2017).

Voorbeeld 19 Inkomen man Vrije som

Belasting over Belasting

f 15000 f

6043

f

8 957 f

1874

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over Belasting

f 35000 f

6043

f 28957 f

8261

Door het echtpaar zou dan in totaal aan belasting zijn verschuldigd f 10135 tegen thans f 10857 (man f 986, vrouw f 9871; zie voorbeeld 4). Het is duidelijk dat een gelijke belastingvrije som voor de echtgenoten bewerkstelligt, dat in de (omgekeerde) situatie waarin de man f 35000 en de vrouw f 15000 inkomen geniet, het aan belasting verschuldigde bedrag ook f 10135 zou bedragen (maar onder de huidige wet in totaal f 9577, te weten man f 6657 en vrouw f 2920). De in het bestaande systeem van gescheiden heffing voorkomende (en met de voorbeelden 6 en 7 duidelijk gemaakte) verschillen in belastingdruk voor spiegelbeeldige situaties van inkomensaanbreng door de beide echtgenoten doen zich dus niet voor bij een gescheiden heffing met gelijke voetverdeling. Daarmee zou ook het onevenwichtig aandoende verloop van belastingdruk bij het huidige systeem van heffing tot het verleden behoren.

Voorbeeld 20. Gezinsinkomen f 70 000 (echtpaar zonder kinderen)

Inkomen man

Inkomen vrouw

Belasting man

Belasting vrouw

Totale belastingdruk

bij gelijke

in bestaand vrije sommen

systeem (zie voorbeeld 10)

f 23440'

f 21660 f 21281

f 19778 f 19545

f 18578 f 18345

f 17592 f 16607

f 16521 f 16607

f 17241 f 18345

f 19311 f 19545

f 20902 f 21281

f 19778

65 000 60 000 55 000 50 000 40 000 30 000 21501-15000 I0000

f

5 000 f 10000 f 15000 f 20000 f 30000 f 40 000 f 50 000 f 55 000 f 60 000

f 23440 f 20490 f 17671 f 15171 f 10261 f

6 346 f

3 174 f

1 874 f

791

f

791 f

1 874 f

3 174 f

6 346 f 10261 f 15171 f 17671 f 20490

1 Doordat het inkomen van één van de partners minder bedraagt dan diens belastingvrije som ad f 6043, is de omvang van dit belastingbedrag groter dan wanneer het totaal van de belastingvrije sommen had kunnen worden benut.

Het systeem van gescheiden heffing met voor elk van de partners een gelijke belastingvrije voet brengt wèl mee dat in situaties waarin het vrouweninkomen minder bedraagt dan de helft van het gezinsinkomen -de in de praktijk meest voorkomende situatie -de belastingreductie als regel geringer is dan in het bestaande systeem van gescheiden heffing met ongelijke belastingvrije voeten. Duidelijk blijkt dit ook bij vergelijking van de omvang van de belastingreducties, vermeld op bijlage IV (gelijke vrije sommen), met die op bijlage III (huidig systeem met ongelijke vrije sommen). Dit is een gevolg van de omstandigheid dat door de progressie van het tarief de door de vrouw minder verschuldigde belasting -als gevolg van de verhoging van haar belastingvrije som van f 2017 tot f 6043 -niet opweegt tegen de door de man meer verschuldigde belasting bij verlaging van zijn belastingvrije som van f 10070 tot f 6043. Met andere woorden, het systeem van gelijke belastingvrije sommen zou globaal genomen voor echtparen alleen voorde-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

lig zijn, ingeval het inkomen van de vrouw dat van de man te boven gaat (zie de voorbeelden 19 en 20). Bij gescheiden heffing met gelijke voetverdeling vertoont de toeneming van de omvang van de belastingreductie bij een gelijkblijvend inkomen van de vrouw naar gelang het gezinsinkomen groter is, bovendien een wat minder sterke stijging dan in het bestaande systeem van gescheiden heffing. Voorbeeld 21

Gezinsinkorren

Waarvan aandeel

Belastingreductie d' Dor vrouw

gescheiden heffi ng

bij gelijke

in bestaand vn je sommen

systeem (zie voorbeeld 11)

f

25000

f 10000

f

792

f

851 f

30000

f 10000

f 1 092

f 1 310 f

40 C00

f 10000

f 1 513

f 1 973 f

50000

f 10000

f 2 106

f 2 888 f

60300

f 10000

f 2 196

f 3 380 f

70000

f 10000

f 2 733

f 4 236 f 100 000

f 10000

f 3 032

f 4 780 f 1 50 000

f 10000

f 3 390

f 5 380 f 200 000

f 10000

f 3 509 (max. ) f 5 580 (max.)

Een systeem van gelijke belastingvrije voeten zal echter vooral op bezwaren stuiten in de situaties waarin de voor de man bij gelijke voetverdeling optredende verlaging van de (in het huidige systeem voor hem geldende) belastingvrije som niet door de vrouw ten volle in mindering kan worden gebracht op haar inkomen, voor zover dit de thans voor haar geldende belastingvrije som te boven gaat.

Voorbeeld 22 Inkomen man

f 8 800

Inkomen vrouw

f 3 200 Vrije som

f 6 043

Vrije som

f 6 043

Belasting over

f 2757

Belasting oycr

f Belasting

f

551

Belasting

Nihil

Volgens het huidige systeem van gescheiden heffing bedraagt de belasting in totaal f 236 (man nihil, vrouw f 236; zie voorbeeld 13). In het systeem van gelijke vrije sommen zou in deze situatie de belastingdruk met f315 toenemen. Het verschijnsel dat één van de huwelijkspartners zijn belastingvrije som niet ten volle kan benutten, kan zich bij een systeem van gelijke belastingvrije sommen voordoen bij elk inkomensniveau van de meestverdienende partner. Dit kan niet alleen betekenen dat de echtgenoten te zamen een geringer bedrag aan belastingvrije som geldend kunnen maken dan het totaal van f 12087 in het huidige systeem; het zou zelfs kunnen betekenen dat het totaal van de te benutten bedragen aan belastingvrije sommen lager zou zijn dan de in het bestaande systeem voor de gehuwde man geldende vrije som van f 10070. Het is evident, dat bij een overgang van het huidige systeem (met ongelijke belastingvrije sommen) naar een systeem met gelijke belastingvrije sommen voor situaties waarin beide echtgenoten werken, het noodzakelijk zal zijn een regeling te treffen, waardoor zoveel mogelijk het totaal van de voor de tariefgroepen 4 en 1 in 1979 geldende belastingvrije sommen van f 10070 en f 2017 tot zijn recht zal kunnen komen (behalve voor dat gedeelte van de belastingvrije som ad f2017, hetwelk uitgaat boven het arbeidsinkomen van de echtgenoot en daardoor ook bij het bestaande systeem van heffing onbenut blijft). In de sfeer van de loonbelasting -waar alleen kan worden gewerkt met vermoedens omtrent de inkomensverhou-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

?9

dingen over het gehele lopende jaar -zou een wat grovere regeling moeten worden uitgewerkt; dit zal meebrengen, dat in de hier bedoelde situaties in de loop van een jaar een bedrag aan loonbelasting zal worden ingehouden dat niet zuiver kan zijn afgestemd op hetgeen uiteindelijk aan inkomstenbelasting zal zijn verschuldigd. Het behoeft geen betoog dat, uit een oogpunt van draagkrachtverhoudingen, een systeem van gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen niet van toepassing kan zijn op de overgrote meerderheid van de gehuwde belastingplichtigen waarvan één van de echtgenoten geen betaalde arbeid verricht. De gehuwde man wiens echtgenote geen arbeidsinkomsten geniet, alsook de gehuwde vrouw wier man geen arbeidsinkomsten geniet, zal op dezelfde wijze als thans, dat wil zeggen met de belastingvrije som van f 10070 van tariefgroep 4, in de belastingheffing betrokken dienen te blijven. Een verschil in de belastingvrije som van de gehuwde man -f 6043 of f 10070 -al naar gelang zijn echtgenote wel of niet betaalde arbeid verricht, zal uiteraard ook moeten doorwerken voor de heffing van de loonbelasting. De werknemer zal op de bij de inhoudingsplichtige in te leveren werknemersverklaring tot uitdrukking moeten brengen, of zijn echtgenoot arbeidsinkomen heeft. De werknemer die op grond van zo'n verklaring voor de heffing van de loonbelasting gedurende het gehele jaar of een gedeelte daar-van als «alleenverdiener» de hoge belastingvrije som heeft genoten, zal na afloop van het jaar in de inkomstenbelasting moeten worden betrokken in-dien diens echtgenoot toch arbeidsinkomen blijkt te hebben genoten (een uitzondering hierop zou kunnen worden gemaakt indien het gaat om een bedrag van te verwaarlozen omvang). Zo'n nakomende afrekening is in de hier besproken variant niet te vermijden; dat betekent echter, in vergelijking tot het bestaande systeem, voor de uitvoering een aanwijsbare verzwaring. De met een inkomenstoerekening samenhangende problemen bij de huidige wijze van gescheiden heffing zouden bij een systeem van gescheiden heffing met gelijke voetverdeling niet automatisch tot oplossing worden gebracht. De behoefte aan het instituut van de maritale verliescompensatie zal blijven bestaan. Voorts worden de volgende in hoofdstuk II besproken aspecten nog in herinnering gebracht: -met een negatieve opbrengst eigen woning wordt slechts bij een van de echtgenoten rekening gehouden (zie de voorbeelden 3 en 5); -als drempel voor de buitengewonelastenregeling geldt uitsluitend het onzuivere inkomen van de man (zie voorbeeld 8); -de restitutie van op de lonen van man én vrouw te veel ingehouden premies AOW/AWW ontvangt de man (al of niet gevolg hebbend voor zijn belastingheffing). Wijziging van het bestaande systeem van gescheiden heffing in een systeem van gescheiden heffing met gelijke voetverdeling zou, door het grote aantal gevallen waarin het vrouweninkomen minder bedraagt dan de helft van het gezinsinkomen, leiden tot een budgettaire bate in de orde van grootte van f 300 min.

Uitbreiding van de beperkte verzelfstandiging tot pensioenen De beperking van de fiscale verzelfstandiging van de vrouw tot haar inkomen uit tegenwoordige arbeid is enerzijds verdedigd met een beroep op de gezinsdraagkracht en anderzijds gerechtvaardigd met de wenselijkheid een (globale) correctie aan te brengen op het gehuwdentarief bij arbeid van de vrouw buitenshuis in verband met het wegvallen van een belangrijk deel van de besparende werking van het huwelijk. De met ingang van 1973 ingevoerde verzelfstandiging gold niet voor inkomsten uit vroeger verrichte arbeid van de vrouw. Ook het aftreksysteem van vóór 1973 had alleen betrekking op inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Zodra -anders dan voortijdelijk -de vrouw niet meer buitenshuis werkt is er, zowel in geval van arbeidsongeschiktheid als in geval van pensionering, uit een oogpunt van gezins-2 Afgezien van een tweetal meer technische dan principiële uitzonderingen, te weten uitkeringen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid en uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet, met welke uitkeringen in het algemeen slechts (betrekkelijk) korte perioden van niet werken worden overbrugd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

3 Art. 11, tweede lid, van het Uïtvoeringsbesluit loonbelasting 1965 ' Nr. 277-17898, BNB 1977/296, opgenomen als bijlage V van deze nota. 5 Handelingen Eerste Kamer, zitting 1975-1976, blz. 337 linkerkolom (16 december 1975). 6 Zitting 1976-1977,14171, nr. 11.

draagkracht geen reden een inbreuk toe te staan op het beginsel van de samentelling van inkomens met toepassing van het gehuwdentarief zonder enigerlei correctie. Vanuit dat oogpunt gezien is er evenmin reden om een echtpaar in de tariefsfeer een tegemoetkoming te verlenen in die zin dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de vrouw afzonderlijk worden belast ingeval de vrouw, die wegens arbeidsongeschiktheid niet meer buitenshuis kan werken, evenmin de gezinshuishouding kan verzorgen. In zulk een situatie verschillen de persoonlijke omstandigheden niet van die van het gezin waarvan de vrouw, zonder ooit elders te hebben gewerkt, althans zonder dat dit arbeidsongeschiktheidsuitkeringen opleverde, eveneens wegens arbeidsongeschiktheid haar huishouden niet (meer) kan verzorgen. Voor zulke situaties is er de mogelijkheid om voor de kosten van extra huishoudelijke hulp wegens invaliditeit een aftrek te verkrijgen in de sfeer van de buitengewone lasten. Wel zijn, zoals in hoofdstuk I reeds is vermeld, met ingang van 1976 door aanvaarding van een daartoe strekkend amendement alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen -ook die welke een blijvend karakter dragen -in de verzelfstandiging betrokken. De heer Dolman, de eerste ondertekenaar van het amendement, heeft als toelichting daarop naar voren gebracht dat hij door deze uitbreiding van de verzelfstandiging wenste uit te schakelen «de fiscale kwadratering van de terugval in het primaire inkomen». Hij doelde met deze uitdrukking op het tegelijkertijd optreden van een daling van het gezinsinkomen èn een stijging van de belastingdruk als gevolg van de toerekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan de man in plaats van het belasten daarvan als eigen inkomen van de vrouw.

De uitbreiding van de verzelfstandiging tot alle door de vrouw wegens arbeidsongeschiktheid genoten inkomsten uit arbeid heeft als consequentie dat ook de door wetsduiding als «loon uit vroegere dienstbetrekking» aangemerkte periodieke uitkeringen, welke met arbeid niets uitstaande behoeven te hebben, sinds 1976 in de verzelfstandiging kunnen delen. Voorbeeld hiervan kunnen zijn de aan gehuwde vrouwen toegekende uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1972, 669). De samenloop van een daling van gezinsinkomen en stijging van belastingdruk kan zich ook voordoen bij pensionering van de vrouw, namelijk in-dien de pensionering direct aansluit op de actieve arbeidsperiode. Het huidige verschil tussen de fiscale behandeling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en die van (ouderdoms)pensioenen is vanuit die optiek moeilijk te rechtvaardigen. Dit geldt des te meer omdat het onderscheid tussen arbeidsongeschiktheidsuitkering en (ouderdoms)pensioen in bepaalde gevallen in formele zin ontbreekt. Anders dan een recht op WAO-uitkeringen, dat afloopt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, loopt een door de overheid toegekend invaliditeitspensioen ook na het bereiken van de 65-jarige leeftijd door als gevolg van de formele opzet van de overheidspensioenwetgeving. Het vorenstaande is uiteengezet in de aanschrijving van 7 november 1977". Het illustreert de thans optredende ongelijkheid, een ongelijkheid welke volgens prof. Christiaanse thans «troef» is5. Ernstig dient dan ook te worden overwogen deze ongelijkheid op te heffen door hetzij de met ingang van 1976 tot stand gekomen uitbreiding van de verzelfstandiging alsnog voor de toekomst terug te nemen -waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de gehuwde vrouw weer aan de man zouden worden toegerekend -dan wel aan de verzelfstandiging verdere uitbreiding te geven. Zo zou een uitbreiding van de verzelfstandiging denkbaar zijn tot alle inkomsten uit door de vrouw verrichte arbeid. Met deze laatste formulering, die is gebezigd in een door de heer Drees bij het Belastingplan 1977 ingediend amendement, zou worden bereikt dat de gehuwde vrouw zelfstandig wordt belast voor alle inkomsten zowel uit tegenwoordige als uit vroegere arbeid die door haar persoonlijk is verricht. Onder deze inkomsten uit persoonlijk verrichte arbeid valt dan bij voorbeeld niet een weduwenpensioen voor zover dat na hertrouwen in stand blijft en evenmin AOW-pensioen dat een gehuw-de vrouw zelfstandig geniet als zij na het bereiken van de 65-jarige leeftijd Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

trouwt. Hetzelfde geldt voor andere door wetsduiding als «loon uit vroegere dienstbetrekking» aangemerkte periodieke uitkeringen welke niet voortvloeien uit persoonlijke arbeid van de vrouw. Het toch aan de man blijven toerekenen van sterk op de persoon van de vrouw gerichte inkomsten alleen wegens het ontbreken van een band met (vroeger) persoonlijk door haar verrichte arbeid zal naar wordt vermoed in maatschappelijk opzicht niet als bevredigend worden ervaren. Zo'n toerekening kan in situaties waarin een koppeling wordt gelegd tussen inkomsten welke niet en welke wel betrekking hebben op vroeger persoonlijk verrichte arbeid bovendien onpraktisch zijn. Dit is bij voorbeeld het geval indien een AOW-uitkering wordt «ingebouwd» in het eigen pensioen. De vraag blijft dan of het niet beter zou zijn om tot een uitbreiding van de verzelfstandiging te komen waarin al het loon uit vroegere dienstbetrekking wordt betrokken, dus ook de fiscaal als zodanig aangemerkte periodieke uitkeringen. Maar dan zou in tweeërlei opzicht een voorbehoud op zijn plaats zijn. Het eerste voorbehoud betreft uitkeringen die wel aan de vrouw worden toegekend maar dienen tot aanvulling van een tekort aan inkomsten van de man, zoals de aan een gehuwde vrouw toegekende kostwinnersvergoedingen bedoeld in artikel 34 van de Dienstplichtwet. Het tweede voorbehoud betreft uitkeringen krachtens particuliere voorzieningen in de vermogensrechtelijke sfeer, met name termijnen van lijfrenten. Het in de verzelfstandiging laten meelopen van aan de gehuwde vrouw toekomende particuliere lijfrentevoorzieningen zou, naar moet worden gevreesd, een oneigenlijk gebruik van dit instrument in de handwerken: het zou dan voor iedere gehuwde man die zich dit kan veroorloven, fiscaal aantrekkelijk worden ten behoeve van zijn vrouw overeenkomsten van (dadelijk ingaande) lijfrenten af te sluiten. Een afbakening in vorenbedoelde zin van de inkomsten van de vrouw zou echter ook meebrengen dat particuliere oudedagsvoorzieningen die de gehuwde vrouw uit eigen arbeidsinkomen treft, van de verzelfstandiging verstoken zouden blijven. Te denken valt bij voorbeeld aan een particuliere lijfrenteverzekering welke een vrouw sluit omdat voor haar als werkneemster geen of een ontoereikend geachte pensioenvoorziening geldt, dan wel omdat zij onderneemster is. Hetzelfde geldt voor een eventuele particuliere lijfrenteverzekering ten behoeve van de oudedagsvoorziening van een gehuwde vrouw die heeft meegewerkt in de onderneming van haar man. Voor zulke particuliere oudedagsvoorzieningen -waarvan de premies gedurende het huwelijkfiscaal niet ten laste van het inkomen van de vrouw maar van dat van de man zijn gekomen -is, afgezien van enkele uitzonderingen, (nog) geen praktische oplossing voorhanden omdat niet valt na te gaan hoe, dat wil zeggen waaruit, deze zijn ontstaan. De bedoelde uitzonderingen betreffen de voorzieningen welke door een vrouw zijn verkregen hetzij met toepassing van de stamrechtvrijstelling van artikel 19 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, hetzij met aanwending van een persoonlijke fiscale oudedagsreserve, met andere woorden slechts die voorzieningen welke naar hun ontstaan fiscaal rechtstreeks zijn terug te voeren tot een door de vrouw persoonlijk gedreven onderneming. Een uitbreiding van de verzelfstandiging in vorenbedoelde zin zou een thans -als gevolg van het daarin wel opgenomen zijn van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en niet van pensioenen -bestaande ongelijkheid wegnemen. Een uitbreiding van de verzelfstandiging kan ook worden verdedigd met een beroep op de voortschrijdende maatschappelijke ontwikkeling (de «roep» om individualisering). In 1972 is al voorzien dat een zelfstandige belastingheffing, die beperkt is tot in het algemeen het actuele arbeidsinkomen van de gehuwde vrouw, niet het eindstadium zou zijn7. Zoals van regeringswege toen8 is opgemerkt, had de afwijzing van een uitbreiding van de afzonderlijke belastingheffing tot pensioenen en dergelijke toen al niet de pretentie voor alle tijden te moeten blijven gelden. Uitbreiding van het bestaande systeem van verzelfstandiging in vorenbe-' Zitting 1972, 11879, nr. 7, blz. 25 linkerkolom.

. ,, .

,

'

. • Zitting 1972,11879, nr. 12, biz. 3 rechterkodoelde zin zal naar schatting een middelenderving in de orde van grootte lom.

van f 45 min. vergen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

4?

NB. Zodra als uitvloeisel van de EG-richtlijn van 19 december 1978 de AOW-regeling zo wordt veranderd dat gehuwde mannen en gehuwde vrouwen daaraan dezelfde uitkeringsrechten gaan ontlenen, zal gescheiden heffing in vergelijking tot gezamenlijke heffing een veel omvangrijker budgettair verlies met zich meebrengen.

Volkomen gescheiden heffing

In een systeem van volkomen gescheiden heffing worden man en vrouw ieder voor hun eigen inkomen belast. De gehuwde vrouw zou dan behalve voor haar arbeidsinkomen ook zelf in de belastingheffing worden betrokken voor: -winst uit een niet feitelijk door haar gedreven onderneming; -inkomsten uit onderverhuring; -ook andere inkomsten uit vroegere arbeid dan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen; -vermogensinkomsten; -periodieke uitkeringen; -winst uit aanmerkelijk belang; -ook andere persoonlijke verplichtingen danpremieAOW/AWW; -buitengewone lasten; en -giften.

Volkomen gescheiden heffing lijkt het «einde» uit een oogpunt van gelijke behandeling ongeacht geslacht en burgerlijke staat. Zo kan eraan worden herinnerd dat de Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk (de commissie-Muntendam) in haar rapport «Bevolking en welzijn in Nederland» van december 1976 de Regering aanbeveelt «ernaar te streven dat op lange termijn een geïndividualiseerd systeem van heffing van inkomstenbelasting tot stand komt, dat, voor zover het beginsel van sociale rechtvaardigheid zich daartegen niet verzet, de heffing onafhankelijk maakt van draagkrachtveranderingen ten gevolge van keuzehandelingen in de persoonlijke levenssfeer;»9. Een volledig gescheiden fiscale behandeling van echtgenoten brengt ook mee dat voor beide partners, ongeacht de vraag of, en zo ja door wie (door één of door beide echtgenoten), betaalde arbeid wordt verricht, een gelijk bedrag aan belastingvrije voet geldt. Ter wille van de vergelijking met andere cijfervoorbeelden wordt in dit onderdeel van de nota als bedrag van een belastingvrije voet aangehouden f 5035 (de helft van de voor een gehuwde man voor 1979 geldende belastingvrije som ad f 10070) c.q., zo beide partners arbeidsinkomen genieten, f 6043 (de helft van het gezamenlijke bedrag van de voor de tariefgroepen 4 en 1 voor 1979 geldende belastingvrije sommen van f 10070 en f 2017). Een volkomen gescheiden heffing van echtgenoten zou erop kunnen neerkomen dat de partners fiscaal zouden worden behandeld alsof zij ongehuwd zijn. De voor 1979 voor een ongehuwde geldende belastingvrije som (tariefgroep 2) bedraagt f 5843; het verschil met het hiervoor vermelde bedrag van f 6043 (de helft van de vrije sommen voor de tariefgroepen 4 en 1) is niet groot. Volledig gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen van f 6043 zou in het geval van een man met een inkomen van f 15000 en een vrouw met een inkomen van f 35000 leiden tot het resultaat dat door het echtpaar dan in totaal f 10135 aan belasting zou zijn verschuldigd (vergelijk voorbeeld 19) tegen f 10857 thans en tegen f 9577 indien het bestaande systeem voor een geval als dit de mogelijkheid tot rolwisseling zou kennen. Dit laatste houdt tevens in, dat in de omgekeerde situatie waarin de man het inkomen van f 35000 en de vrouw dat van f 15000 heeft, bij volledig gescheiden heffing in totaal meer belasting verschuldigd is dan bij het huidige heffingssysteem (f 10135 tegen f 9577 thans). Het systeem van volledig gescheiden heffing leidt ook tot een hoger verschuldigd bedrag dan thans indien het inko-9 Punt 26, letter a, van de aanbevelingen in genoemd rapport, waarvan een samenvatting is opgenomen in Stcrt. 1977, 30.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

men ad f 35000 van de man voor f 5000 uit vermogensinkomsten zou bestaan, als die inkomsten -uitgaande van algehele gemeenschap van goederen -bij helfte aan man én vrouw zouden moeten worden toegerekend. De opstelling zou dan namelijk luiden:

Voorbeeld 23 Arbeidsinkomen m Vermogensinkoms! an ,;n

f 13000 0 2 500

Arbeidsinkomen vrouw Vermogensinkomsten

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over Belasting

15000 2 500

Inkomen man Vrije som

f I 32500 6 043

17500 6 043

Belasting over Belasting

f f 26457 7 261

11457 f

2524

Door het echtpaar alsdan in totaal verschuldigde belasting f 9785 tegen f 9577 thans.

Nu in ongeveer 25% van de huwelijken beide partners eigen arbeidsinkomen hebben, zal het duidelijk zijn dat volkomen gescheiden heffing verstrekkende gevolgen heeft voor de grote groep echtparen (ongeveer 75%) waarvan de vrouw geen betaalde arbeid verricht. Voorbeeld 24 Arbeidsinkomen Vermogensinkon man isten

f f 30000 2 500

Arbeidsinkomen vrouw Vermogens in komsten

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over Belasting

f f 2 500

Inkomen man Vrije som

f f

f f 32500 5 035

f 2 500 f 5 035

Belasting over Belasting

27465 7 664

f Nihil

In het huidige systeem is de man overf 35000 inkomen een bedrag van f 6657 aan belasting verschuldigd zodat een systeem van volkomen gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen voor man en vrouw van f 5035 in vorenstaand geval een hogere belastingdruk ter grootte van f 1007 zou teweegbrengen. Een systeem van volkomen gescheiden heffing zou, in-dien daarin de mogelijkheid tot voetoverheveling niet zou worden opgenomen (zie hierna), een belangrijk nadeel inhouden voor het merendeel van de gehuwden. Indien, zoals in voorbeeld 24, de aan de vrouw toe te rekenen vermogensinkomsten het aan haar af te stane gedeelte van de in het huidige systeem voor de gehuwde man geldende belastingvrije som niette boven gaan -en dat zal op dit ogenblik in het merendeel van de gevallen zo zijn -(waarbij niet alleen aan positieve vermogensinkomsten moet worden gedacht maar ook aan toe te rekenen negatieve vermogensopbrengsten, zoals die uit een met geleend geld gefinancierde eigen woning) zullen degenen die in deze -veel voorkomende -situatie verkeren de aan het systeem van volkomen gescheiden heffing verbonden hogere belastingdruk, niet in dank afnemen. Nog sterker, men zal de uitkomst van dat systeem als een groot bezwaar ervaren en het niet willen accepteren. Ingeval er tussen de echtgenoten geen algehele goederengemeenschap is overeengekomen, zal ook de toerekening aan de echtgenoten van hun eigen vermogensinkomsten tot moeilijkheden aanleiding kunnen geven. Volstaan wordt met erop te wijzen dat, ondanks uitsluiting van een goederengemeenschap, in de onderlinge verhouding van de echtgenoten voor bepaalde bezittingen een registratie op naam kan ontbreken. De onzekerheid omtrent de rechthebbende op bepaalde vermogensbestanddelen zou -mogelijkerwijs -kunnen leiden tot ongewenste manipulatie met inkomenselementen met het oog op de belastingheffing. Bij een stelsel van volkomen gescheiden heffing rijst ook het probleem van de toerekening van gezinsuitgaven als ziektekos-Tweede Kamer.zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

ten en giften. Aan wie (man of vrouw, of aan beiden) zijn deze uitgaven toe te rekenen? Een systeem van volkomen gescheiden heffing is technisch gecompliceerd indien daarin -zoals hiervoren is gedaan, mede ter vergelijking van de uitkomsten met die van het huidige systeem -de belastingvrije som voor ieder van beide partners in hoogte zou verschillen al naar gelang door één of door beide partners arbeidsinkomen wordt genoten. Dan ontstaat immers een tariefgroepindeling die niet alleen afhankelijk is van de burgerlijke staat van de belastingplichtige maar voor de gehuwden tevens van de aard van het inkomen van zowel belanghebbende zelf als diens echtgenoot. Om dan te komen tot een juiste indeling in de naar hoogte van belastingvrije som te onderescheiden tariefgroepen voor gehuwden zou -en dat in een systeem van volkomen gescheiden heffing! -moeten worden gelet op de samenstelling van de inkomens van de beide echtgenoten. Bij de loonbelasting zou dat kunnen worden verwezenlijkt door de werknemer op de bij de in-houdingsplichtige in te leveren werknemersverklaring tot uitdrukking te laten brengen of zijn echtgenoot al dan niet arbeidsinkomen geniet.

Het systeem van volkomen gescheiden heffing zou kunnen worden aangevuld met de mogelijkheid van voetoverheveling, waarbij de belastingvrije som van de niet verdienende partner dan wel het onbenutte stuk van de belastingvrije som van de weinig verdienende partner zou kunnen worden overgeheveld naar de andere partner. Met zo een systeem is men dan -voor gevallen waarin volkomen gescheiden heffing nadelig zou uitwerken -in feite terug op een regime van gezamenlijke heffing met een gecombineerde belastingvrije som. Een systeem van volkomen gescheiden heffing met de mogelijkheid van overheveling van (het onbenutte deel van) de belastingvrije som van de weinig of niet verdienende partner tot een niveau dat verschilt al naar gelang door één of door beide partners arbeidsinkomen wordt genoten, is technisch nog meer gecompliceerd dan hiervoren is opgemerkt met betrekking tot zulk een systeem zonder die mogelijkheid. Met het oog op de mogelijke voetoverheveling zal dan immers ook nog de omvang van de inkomens van de beide echtgenoten in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien. In de praktijk is een complementair stelsel van voetoverheveling voor de loonbelasting alleen op een minder verfijnde wijze technisch uitvoerbaar, aangezien het voor de overgrote meerderheid van de gehuwden zou moeten werken. Hieruit volgt dat, zolang het maatschappelijke patroon zodanig is dat in het merendeel van de situaties één huwelijkspartner betaal-de arbeid verricht, een systeem van volkomen gescheiden heffing in de niervoren omschreven vorm niet voor de hand ligt. Om aan de niet verdienende partner, dus meestal de thuiswerkende vrouw, ook fiscaal betekenis toe te kennen, zou in het voetspoor van hetgeen wel is bepleit, aan het huishoudelijke werk een waarde kunnen worden toegekend in die zin dat fiscaal daarvoor een fictief «inkomen» bij de betrokkene in aanmerking wordt genomen en belast. Voor defulltime huisvrouw zou daarbij kunnen worden gedacht aan een inkomen ter grootte van bij voorbeeld het minimumloon. Het belasten van een fictief inkomen bij degene die het huishouden verzorgt, is op zich strijdig met de aan het stelsel van de in-komstenbelasting ten grondslag liggende beginselen. Voor zover hier van belang, houden die namelijk in dat in het algemeen draagkrachtbepaald is het via deelneming aan het economische verkeer in feite verkregen inkomen. Nog daargelaten dat elke waardering van de huiselijke arbeid van een huwelijkspartner arbitrair en daarom discutabel is -te denken valt aan verschillen in omvang van de werkzaamheden door ongelijke grootte en samenstelling van de gezinnen en door verschil in daaraan bestede tijd, bij voorbeeld me-de in verband met andere bezigheden dan wel mede als gevolg van de omstandigheid dat anderen, hetzij gezinsleden, hetzij derden, aan die werkzaamheden deelnemen -dient een fictieve inkomenstoerekening als onwerkelijk te worden beoordeeld. Te meer indien wordt bedacht dat zo'n fictief inkomen theoretisch noch praktisch ten laste van het inkomen van de andere Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

echtgenoot kan worden gebracht. Theoretisch niet omdat een dergelijke aftrek voor ten behoeve van de eigen verzorging gedane uitgaven niet past in het wettelijke systeem van draagkrachtmeting waarin met de persoonlijke behoeftenbevrediging wordt rekening gehouden door middel van de belastingvrije som. Praktisch niet omdat zulk een aftrek zou kunnen betekenen dat de andere echtgenoot geen inkomen overhoudt (te denken valt bij voorbeeld aan een werknemer met het minimumloon of aan een kleine zelfstandige, wiens vrouw fulltime in de eigen huishouding bezig is). Verder lijkt het maatschappelijk irreëel bij echtparen waarvan één partner niet buitenshuis werkt een zoveei grotere draagkracht aanwezig te achten als aan extra belastingdruk verschijnt indien die partner ter zake van diens gezinsarbeid zou worden belast naar een eigen, fictief, inkomen.

Splitting Splitting is een stelsel waarin van het gezamenlijke inkomen van een echtpaar evenveel belasting wordt geheven als de echtgenoten samen verschuldigd zouden zijn indien zij ieder afzonderlijk zouden worden belast voor de helft van het gezamenlijke inkomen. De gedachte aan een splittingstelsel is niet nieuw. In het verleden is er, ook in de gedachtenwisseling met het parlement, reeds vrij uitvoerig bij stilgestaan. Dat is geschied ter gelegenheid van de algemene belastingherziening en in het kader van de nota-Grapperhaus. Prof. Christiaanse had destijds voorkeur voor een splittingstelsel (brochure uit 1969 «Eerherstel voor de Inkomstenbelasting»). Prof. Hofstra heeft van een zelfde voorkeur blijkt gegeven in zijn artikel over «Het tarief van de inkomstenbelasting»12. Zijn visie daaromtrent is ook te vinden in het fiscale hand-en studieboek «Inkomstenbelasting»13.

Christiaanse wijst erop dat met het splittingstelsel de gelijkwaardigheid van man en vrouw wordt gerealiseerd door toedeling van het gezamenlijke inkomen bij helfte aan ieder van de echtgenoten. In dit systeem van splitsing ligt zijns inziens tevens een erkenning van het feit dat man en vrouw als het ware bijdragen aan eikaars inkomensvorming. Ook indien alleen de man werkt, wordt met dit systeem erkend dat zijn vrouw als het ware participeert in zijn werk. Hofstra benadrukt de civielrechtelijke verhouding. Het gezamenlijke inkomen is een inkomen waarop beide partijen in het huwelijk aanspraak kunnen doen gelden. Het is niet het inkomen van de ene echtgenoot, die dan wel zo goed is de andere in de besteding daarvan te doen delen. Ook indien het gehele gezinsinkomen van de zijde van de man afkomstig is, heeft de vrouw, als gelijkwaardige huwelijkspartner, een door het huwelijksrecht erkende zelfstandige aanspraak op een deel daarvan. Civielrechtelijk is het huwelijk een «potovereenkomst». Aannemende dat, als een gemiddelde genomen, man en vrouw in gelijke mate van het gezinsinkomen profiteren, geniet in feite ieder der echtgenoten de helft daarvan.

Prof. Hofstra spreekt zijn voorkeur voor een splittingstelsel uit tegen de achtergrond van de met ingang van 1973 ingevoerde tariefstructuur met de beperkte verzelfstandiging van de werkende gehuwde vrouw. Ook prof. Christiaanse doet dit, wanneer hij zijn vroegere voorkeur «bevestigt» in de Eerste Kamer bij het Belastingplan 1976, in het kader waarvan (door aanvaarding in de Tweede Kamer van een daartoe strekkend amendement) de verzelfstandiging van de gehuwde vrouw is uitgebreid tot alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen; hij merkt op, het splittingstelsel een begaanbare weg te vinden om de belastingdruk van gehuwden -met al dan niet buitenshuis werkende partners -definitief te matigen. Bij de behandeling door de Tweede Kamer van het Regeringsbeleid ten aanzien van de emancipatie van de vrouw heeft ook de heer Beumer in de openbare commissievergadering van 6 september 1976 te kennen gegeven te denken aan een systeem van splitting als fiscale erkenning van de vrouw die thuis een volledige dagtaak vervult. Bij die gelegenheid heeft mevrouw 10 Zitting 1961-1962, 5380, nr. 19, blzz. 76-77. " Zitting 1969-1970, 10515, nr. 2, blzz 9 en 10, nr. 4, blzz. 7-9. '2 Weekblad voor Fiscaal Recht van 22 maart 1973, nr. 5126. 13 Hoofdstuk IV, «De inkomstenbelasting en het gezin», par. 13. 14 Handelingen Eerste Kamer, zitting 1975-1976, blz. 33,16 december 1975. 15 Zitting 1975-1976,13943.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Epema-Brugman daarentegen naar voren gebracht niet zo'n behoefte te hebben aan splitting omdat zo een systeem bepaald niet een teken is van zelfstandigheid van de vrouw. Een stelsel waarin het gezamenlijke inkomen van een echtpaar bij helfte wordt toegedeeld aan man en vrouw vindt toepassing in West-Duitsland en in de Verenigde Staten van Amerika. Daarbij is door deze landen, zoals hierna nog zal blijken, voor de tariefstelling een verschillend uitgangspunt gekozen. West-Duitsland is tot het splittingstelsel gekomen omdat een systeem van gezamenlijke heffing naar één tarief door de rechter ongrondwettig is verklaard. Het samentellen van de inkomens van de echtgenoten gepaard gaande met een belastingheffing welke uitgaat boven het bedrag dat zij als ongehuwden zouden zijn verschuldigd, is in Duitsland beoordeeld als een met de grondwet strijdige discriminatie van het huwelijk. De Verenigde Staten zijn tot een stelsel van splitting gekomen in verband met het huwelijksvermogensrecht dat in een aantal staten (vooral de zuidelijke staten) de echtgenoten over en weer recht geeft op de helft van het in-komen van de ander, welk recht volgens een uitspraak van het Hooggerechtshof voor de belastingheffing moest worden geëerbiedigd. Ter illustratie van een systeem van splitting volgen nu enige voorbeelden waarbij, ter vergelijking van de uitkomsten met die van het huidige systeem, als belastingvrije som is aangehouden f 5035 (de helft van de voor 1979 voor een gehuwde man geldende belastingvrije som van f 10070) en bij arbeidsinkomen van beide partners f 6043 (de helft van de thans voor de tariefgroepen 4 en 1 geldende vrije sommen van onderscheidenlijk f 10070 en f2017). Voorbeeld 25 Inkomen man

f 50 000

Inkomen vrouw

f Gezamenli|k inkomen

f 50 000 Berekeningswijze van de belasting: gesplitst inkomen

f 25000 vrije som

f

5035

Belasting over

f 19965 Belasting

f

5 068 Belasting over gezamenlijk inkomen

0 (2 x f 5068)

f 10136

In het bestaande systeem van belastingheffing is aan belasting verschuldigdf 13158.

Voorbeeld 26 Arbeidsinkomen man

f 35000

Arbeidsinkomen vrouw

f 15000 Gezamenlijk inkomen

f 50 000 Berkeningswijze van de belasting: gesplitst inkomen vrije som Belasting over Belasting Belasting over gezamenlijk inkomen

f

9492

In het bestaande systeem van gescheiden heffing is in totaal aan belasting verschuldigd f 9577.

Indien beide huwelijkspartners arbeidsinkomen genieten, levert een systeem van splitting geen verschil in door man en vrouw gezamenlijk te betalen belasting op naar gelang de omvang van het aandeel van de vrouw in 77T7~~~~~~^~~77~Z

TT

een gezinsinkomen. Of de vrouw nu, zoals in voorbeeld 26, f 15000 bijdraagt 16 Handelingen Tweede Kamer, zitting

a

'

'

a 1976-1977, openbare commissievergadering tot een gezamenlijk inkomen van f 50 000, dan wel f 5000 of f 30000, bij split-35, bizz. 1191 en 1194.

ting is de verschuldigde belasting gelijk.

f f 25000 6 043

f f 18957 4 746

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 27. Gezamenlijk inkomen f 50 000

In komen man

Arbeidsinkomen

Totale belasting

3elasting vrouw

volgens huidig

volgens s ysteem

splitting

f 50 000

f

13158

10136 2 f 45 000

f

5000

11125 4

9 4922 f 40 000

f 10000

10270

9 492 f 35000

f 15000

9577

9 492 f 30000

f 20000

9491

9 492 f 25000

f 25000

9491

9 492 f 20000

f 30000

9998

9 492 f 15000

f 35000

f 10857

9 492 f 10000

f 40 000

10270'

f

9 492 f

5000

f 45 000

f 11254'

f

9 4922 f

-

f 50 000

13 1 58'

21501-62

' Rolwisseling (tariefgroepwisseling). 2 Het verschil ad f 644 tussen de belastingbedragen f 10 1 36 en f 9 492 vloeit voort uit het verschil in belastingvrije som bij één of twee arbeidsinkomen verdienende partners.

Het is duidelijk dat een splittingstelsel ingrijpende wijzigingen teweegbrengt in de fiscale drukverhoudingen. Voor de gehuwden treedt in het algemeen een niet onaanzienlijke belastingverlichting op in de situaties waarin de echtgenoten beiden verdienen en hun inkomens onderling beduidende verschillen vertonen. Die belastingverlichting is het grootst in situaties waarin één partner het inkomen aanbrengt. Welliswaar wordt zij iets gemitigeerd door het verschil in belastingvrije som ten opzichte van situaties waarin bei-de partners inkomen genieten, doch hierbij dient wel te worden bedacht dat -omdat bij een splittingstelsel de samenstelling van het totale inkomen niet belangrijk is -zulk een verschil in belastingvrije som een vreemd element in de vergelijking is. Gebruikelijk is bij een splittingstelsel in alle gevallen te werken met een gelijke belastingvrije som. Hiervoor zou, in het kader van splitting van het gezamenlijke inkomen van een echtpaar in gelijke delen, aansluiting kunnen worden gezocht bij de voor een ongehuwde geldende belastingvrije som, voor 1979 f 5843 (het Duitse systeem).

De voorbeelden 25 en 26 zouden dan de volgende uitkomst opleveren.

Voorbeeld 28 Gezamenlijk inkomen Berekeningswijze van de belasting: gesplitst inkomen

f 25000 vrije som

f

5843

Belasting over

f 19157 Belasting

f

4 810 Belasting over geznmenlijk inkomen

f 50 000

f

9620

De laatste kolom van voorbeeld 27 zou aldus steeds een bedrag van f 9620 aanwijzen. Belastingheffing volgens een stelsel van splitting op basis van het ongehuwdentarief betekent, dat in het geheel geen rekening wordt gehouden met de besparende werking van het huwelijk; de kosten van levensonderhoud voor een echtpaar zijn toch in het algemeen lager dan die voor twee alleenstaanden. Om het hierin gelegen verschil in draagkracht bij aanhang van de splittinggedachte op basis van het ongehuwdentarief toch tot uitdrukking te brengen zou voor de tariefstelling in plaats van deling van het gezamenlijke inkomen bij helfte (ook wel aangeduid als Vollsplittung of full-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

splitting) gebruik kunnen worden gemaakt van een lagere deler dan 2. Prof. Hofstra noemt in navolging van F. Neumark'7 een deler van 1,5 a 1,8. Gebruik van bij voorbeeld de deler 1,8 leidt ertoe dat de belasting van een echtpaar met een inkomen van f 50 000 niet gelijk is aan tweemaal de belasting van een ongehuwde over een inkomen van f 25000 (f 50 000 : 2), doch gelijk is aan tweemaal de belasting van een ongehuwde over een inkomen van f 27777 (f 50 000 : 1,8). Om een indrukte geven van de resultaten waartoe het gebruik leidt van lagere delers dan 2, zijn deze toegepast op het in de voorbeelden in dit onderdeel gebezigde inkomen van f 50 000, waarover bij fullsplitting en toepassing van de voor een ongehuwde geldende belastingvrije som ad f 5843 blijkens voorbeeld 28 een bedrag van f 9620 aan belasting zou zijn verschuldigd.

Voorbeeld 29 Gezamenlijk inkomen f 50 000

Berekeningswijze van de belasting bij een deler van:

1.8

1.7

1,6

1,5 Berekend inkomen voor de tarieftoepassing f 27777 t 29411 f 31250 f 33333 Vrije som

f

5 843 f

5 843 f

5 843 f

5843

Belasting over

f 21934 f 23568 f 25407 f 27490 Belasting

f

5 699 f

6 221 f

6 841 f

7 674 door echtpaar verschuldigd over f 50 000 inkomen (2x) f 11398 f 12442 f 13682 f 15348

Uit deze opstelling blijkt dat, naarmate de deler lager dan 2 wordt gesteld, voor de draagkrachtbepaling een hogere waarde wordt toegekend aan de besparende werking van het huwelijk, bij een gezamenlijk inkomen van f 50 000 leidend tot een hoger bedrag aan belasting van onderscheidenlijk f 1778 (11398 9620), f 2822, f 4062 en f 5728. In bijlage VI van deze nota zijn voor een aantal inkomens de uitkomsten van fullsplitting (deler 2) en die van splitting bij het gebruik van de delers 1,9 tot 1,5 tot uitdrukking gebracht; deze zijn geplaatst naast de uitkomsten van het huidige heffingssysteem voor enerzijds een echtpaar waarvan een van de echtgenoten voor het gehele inkomen wordt belast en anderzijds een echtpaar waarvan ieder van de echtgenoten de helft van het inkomen aanbrengt. In dat overzicht is ter verdere informatie ook het belastingbedrag vermeld dat een ongehuwde over een gelijk inkomen is verschuldigd. Uit bijlage VI blijkt dat: a. toepassing van de deler 1,7 voor inkomens beneden f 200 000 in uitkomst het dichtst (zij het met verschillen van + f 2531 tot -f 2863) de huidige tariefstelling benadert voor situaties waarin één van de echtgenoten voor het gehele inkomen wordt belast (voor hogere inkomens treedt bij de deler 1,7 een niet onaanzienlijke drukverzwaring op); b. toepassing van de deler 1,5 ten aanzien van gehuwden vrijwel over de gehele lijn een hogere belastingdruk oplevert dan voor ongehuwden; c. toepassing van fullsplitting (deler 2) in vergelijking tot het huidige systeem van gescheiden heffing in uitkomst weinig verschilt voor situaties waarin beide echtgenoten een even groot (arbeids)inkomen genieten; aangezien zulke situaties zich niet algemeen voordoen, kan, in samenhang met hetgeen onder a is opgemerkt, worden geconcludeerd dat het huidige » Fritz Neumark, Grundsatze gerechter und systeem van gescheiden heffing voor de meeste betrokkenen zal leiden tot ökonomischrationaierSteuerpoiitik(i970),biz.

bedragen die liggen tussen de uitkomsten bij het gebruik maken van delers 152-153.

van 1,7 en 2.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

4!)

Het bezigen van een kleinere deler dan 2 zou bij het thans bestaande tarief een hogere marginale druk veroorzaken. Het huidige maximum van 72% van het schijventarief zou voor gehuwden 80% worden bij gebruikmaking van de deler 1,8 (namelijk 2 \TT X 72%) en 84,7% bij gebruikmaking van de

1 deler 1,7 (2 x-72%).

Het tot uitdrukking brengen van een draagkrachtverschil in verband met de besparende werking van het huwelijk is -gelet op het Amerikaanse systeem -ook op andere wijze mogelijk. In de Verenigde Staten is nu, anders dan in Duitsland, het splittingstelsel gebaseerd op een zwaarder tarief dan het ongehuwdentarief: men kent daar als het ware een gesplitst gehuwdentarief.

Bij toepassing van het splittingstelsel op deze basis zou dit in Nederland voor de gevallen waarin één huwelijkspartner het inkomen aanbrengt leiden tot precies dezelfde belastingdruk als heffing naar het gezamenlijke inkomen volgens de bestaande tariefstelling. Voor het berekenen van de belasting komt dit stelsel namelijk neer op halvering van de (gezamenlijke) belastingvrije som en toepassing van een tabel welke bij gelijkblijvende heffingspercentages inkomensgedeelten bestrijkt die tot de helft zijn teruggebracht. Met andere woorden: er wordt een tarief toegepast dat kan worden aangeduid als «gehalveerd schijventarief». Voor de gevallen waarin nu gescheiden heffing al plaatsvindt zou toepassing van een gehalveerd schijventarief in het algemeen leiden tot belastingverzwaring.

Voorbeeld 30

Bij een splittingstelsel op basis van een gehalveerd schijventarief zouden de voorbeelden 25, 26 en 27 het volgende beeld opleveren.

  • situatie voorbeeld 25

Inkomen man

f 50 000

Inkomen vrouw

f

  • Gezamenlijk inkomen

f 50 000 Berekeningswijze van de belasting: gesplitst inkomen

f 25000 vrije som

f

5035

Belasting over

f 19965 Belasting naar gehalveerd schijventarief

f

6 579 Belasting over gezamenlijk ink: nen

f 13158

  • situatie voorbeeld 26

arbeidsinkomen man f 35000 arbeidsinkomen vrouw f 15000 gezamenlijk f 50 000 berekeningswijze van de belasting: gesplitst inkomen

f25000 vrije som

f 6 043

belasting over belasting naar gehalveerd schijventarief f 6 075 belasting over gezamenlijk inkomen

f 12150

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

  • situatie voorbeeld 27

Gezamenlijk inkomen

Inkomen man

Arbeidsinkomen vrouw

Totale belasting volgens huidig systeem Belasting volgens splitting (deler 2) f 50 000 f 45 000 f 40 000 f 35000 f 30000 f 25000 f 20000 f 15000 f 10000 f 5 000 f

-

5 000 21501-15000 2I50I-25000 2I50I-21501-40 000 45 000 50 000

21501-11 254 10270 9 577 9 491 9 4921501-10857 I0270' 11254' 13 1 58' 13158l 12150 2 21501-12 150 21501-12150 2I50I-12150 I2I50I2I502 131582

' Rolwisseling (tariefgroepwisseling). 2 Het verschil ad f 1008 tussen de belastingbedragen f 13158 en f 12150 vloeit voort uit het verschil in belastingvrije som bij één of twee arbeidsinkomen verdienen-de partners.

Een splittingstelsel is in wezen een systeem van samenstelling van inkomens met splitting als hulpmiddel voor de tarieftoepassing. In de Duitse en Amerikaanse praktijk heeft het splittingstelsel niet tot zelfstandige heffing van elk der echtgenoten geleid. Dit houdt verband met de omstandigheid dat gescheiden heffing naar ieders inkomen als regel -namelijk bij verschil in grootte van die inkomens -als gevolg van de progressie in het tarief in totaal een zwaardere belastingdruk oplevert dan gezamenlijke heffing bij een splittingstelsel. Daarbij maakt het niet uit of voor de tariefstelling wordt uitgegaan van het ongehuwdentarief dan wel van een gesplitst gehuwdentarief.

Voorbeeld 31 a. Gescheiden heffing naar het ongehuwdentarief Inkomen man

f 35000

Inkomen vrouw Vrije som

5843

Vrije som

Belasting over Belasting

f 29157 f

8341

Belasting over Belasting

f 15000 5 843

f f 9 157 1 926

Door het echtpaar in totaal verschuldigde belasting f 10267 tegenover f 9620 bij gezamenlijke heffing met splitting voor de tarieftoepassing (zie voorbeeld 28).

  • Gescheiden heffing naar een gesplitst gehuwdentarief

Inkomen man Vrije som

f 35000 6 043

Belasting over

f 28957 belasting naar gehalveerd schijventarief

f 11412

Inkomen vrouw Vrije som

f 15000 6 043

Belasting over

f

8 957 Belasting naar gehalveerd schijventarief

f

2206

Alsdan door het echtpaar in totaal verschuldigde belasting f 13618 tegenover f 12150 bij gezamenlijke heffing met splitting voor de tarieftoepassing (zie voorbeeld 30b). Bij het huidige Nederlandse systeem van gescheiden heffing is bij de in de voorbeelden 31a en 31b aangehouden inkomens in totaal f 9577 verschuldigd (man f 6657, vrouw f 2920).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Bij een splittingsysteem maakt het niet uit wie van de echtgenoten een bepaald inkomensbestanddeel heeft. Inkomensverschuivingen tussen de echtgenoten zouden hoogstens teweegbrengen dat het resultaat van gescheiden heffing dat van de gezamenlijke heffing benadert. Doordat een splittingstelsel in de praktijk als regel een systeem is van gezamenlijke heffing naar het totale inkomen van het echtpaar, heeft het niet de bezwaren die voortvloeien uit een systeem van gescheiden heffing met een bepaalde toerekening van inkomensbestanddelen en met ongelijke belastingvrije sommen voor de echtgenoten. De in hoofdstuk II met de voorbeelden 1, 2, 3, 4 en 5 geïllustreerde gevolgen van het huidige systeem zijn dan ook niet verbonden aan een splittingstelsel. Bij een splittingstelsel doen zich evenmin verschillen in belastingdruk voor, laat staan de in omvang variërende -naar gelang de mate waarin de vrouw in het gezinsinkomen bijdraagt" uit de voorbeelden 9,10 en 11 van hoofdstuk II blijkende verschillen in belastingdruk. Te bedenken valt evenwel dat in een «zuiver» splittingsysteem -dat wil zeggen een splittingstelsel met een gelijke belastingvrije som -er bij gezamenlijke heffing in het geheel geen verschil in uitkomst meer is tussen gevallen waarin het inkomen door beide dan wel door één van beide echtgenoten is verworven. Een dergelijke uitkomst druist evenwel in tegen de hier te lande sedert 1962 door de wetgever erkende draagkrachtvermindering wegens het niet geheel voor het huishouden beschikbaar zijn van de echtgenote ingeval zij, naast haar man, opbrengstgevende arbeid verricht. Bij invoering in Nederland van een splittingstelsel zou dan ook met deze beperking van de draagkracht rekening moeten worden gehouden. Dat zou kunnen plaatsvinden door middel van een inkomensaftrek in de geest van de tot en met het jaar 1972 bekende «aftrek werkende gehuwde vrouw». Voorts zou bij invoering van een splittingstelsel voor de in Nederlandse verhoudingen meest voorkomende situatie, namelijk die waarin één van de beide echtgenoten het gehele gezinsinkomen aanbrengt, een voorziening in de loonbelastingsfeer moeten worden getroffen, ten einde te bereiken dat in de loop van een jaar geen hoger bedrag aan loonbelasting wordt ingehouden dan over het jaarinkomen aan inkomstenbelasting is verschuldigd. Met andere woorden, op het loon van de «alleenverdiener» zou een tarief moeten worden toegepast dat tot geen hogere belastingheffing leidt dan tweemaal het «splittingtarief» op de helft van het looninkomen. Immers zonder zulk een «ongesplit gehuwdentarief» zou van een loon ad f 50 000 een bedrag van belasting worden geheven als ware er sprake van een gezinsinkomen van f10000 0. Voorbeeld 32

Bij splitting op basis van het ongehuwdentarief gesplitst gehuwdentarief

Loon

f 50 000

f 50 000 Vrije som

5843

5035

Belasting over

f 44 157

f 44 965 Belasting

f 15271 Belasting naar gehalveerd schijventarief f 21345 Aan belasting over een gezamenlijk in-komen van f 50 000 is evenwel niet meer verschuldig dan:-zie voorbeeld 28

f 9 620-zie voorbeeld 30a

f 13158

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Zoals in het onderdeel «Volkomen gescheiden heffing» voor een wat andere situatie reeds is opgemerkt, zou dit bij de loonbelasting kunnen worden verwezenlijkt door de werknemer op de bij de inhoudingsplichtige in te leveren werknemersverklaring tot uitdrukking te laten brengen of zijn echtgenoot al dan niet arbeidsinkomen geniet. Zo'n voorziening in de loonbelasting zou evenwel niet beperkt kunnen blijven tot de situatie waarin één van de echtgenoten het gehele gezinsinkomen aanbrengt. Zij zou zich dan mede moeten uitstrekken tot situaties waarin één van de echtgenoten in overwegende mate het gezinsinkomen aanbrengt, omdat anders in de loop van een jaar in vergelijking tot de op splittingbasis verschuldigde inkomstenbelasting belangrijk te veel loonbelasting zou worden ingehouden. Ontstaat blijkens voorbeeld 32 -bij een gezinsinkomen van f 50 000 dat geheel door één van de echtgenoten wordt aangebracht -door de gescheiden heffing op basis van het ongehuwdentarief een te hoge inhouding van f 5651, dat is circa 11,3% van het gezinsinkomen, bij aanbreng van een kwart of minder van het gezamenlijke inkomen door de andere echtgenoot doen zich eveneens niet onaanzienlijke belastingverschillen voor. Voorbeeld 33

Gezamenlijk inkomen f 50 000 (belasting bij splitting op basis van het ongehuwdentarief f 9620)

Arbeids-

Arbeids-

Belasting bij gescheiden

Totaal belas-Teveel vergeleken inkomen

inkomen

heffing

ting van

met splitting

man

vrouw

man

vrouw

man en vrouw

f 49 000

1000

14771

-

14771

5 151 f 47 000

3000

13771

-

13771

4 151 f 45 000

5000

12771

-

12771

3 151 f 43 000

7000

11771

231

12002

2 382 f 41 000

9000

10771

631

11402

1 782 f 39000

11000

9941

1031

10972

1 352 f 37000

13000

9141

1431

10572

952

Voorkoming van het betalen van te veel (loon)belasting in de loop van een jaar door te voorzien in toepassing van een «ongesplff gehuwdentarief» op het loon van de voornaamste kostwinner -net als op het loon van de alleenverdienerroept een tegenovergesteld effect op, namelijk dat in de loop van het jaar te weinig loonbelasting wordt betaald in vergelijking tot hetgeen over het gezamelijke inkomen bij splitting is verschuldigd.

Voorbeeld 34 Gezamenlijk inkomen f 50 000 (belasting bij splitting op basis van het ongehuwdentarief f 9 620)

Arbeids-

Arbeids-

Belasting

Belasting

Totaal

Te weinig inkomen

inkomen

man naar

vrouw naar belasting

vergeleken man

vrouw

«onge-

ongehuw-

van man

met splitst

tarief

en vrouw

splitting gehuwdentarief»

f 49 000

1000

9300

-

9300

320 f 47 000

3000

8660

-

8660

960 f 45 000

5000

8020

-

8020

1 600 f 43 000

7000

7380

231

7611

2 009 f 41 000

9000

6740

631

7371

2 249 f 39000

11000

6192

1031

7223

2 397 f 37000

13000

5672

1431

7103

2517

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

In zulke gevallen zou niet zijn te ontkomen aan een verplichte afrekening (nabetaling) in de sfeer van de inkomstenbelasting, althans indien de andere echtgenoot eigen inkomsten van een niet te verwaarlozen omvang heeft genoten. Maar ook in situaties waarin beide echtgenoten looninkomen genieten dat voor de heffing van de loonbelasting afzonderlijk aan het «splittingtarief » wordt onderworpen, zal als regel tot een afrekening in de inkomstenbelastingsfeer moeten worden overgegaan. Immers het verschijnsel van voorbeeld 33 blijft zich voordoen zolang de inkomens van man en vrouw niet gelijk of ongeveer gelijk zijn. Doordat geen sluitend loonbelastingsysteem is te vinden voor een draagkrachtbepaling die mede afhankelijk is van het inkomen van de andere partner zal dan ook in vrijwel alle gevallen waarin sprake is van een gezamenlijk verdienen, behoefte bestaan aan een afrekening via de inkomstenbelasting. Zoals reeds is opgemerkt, leidt een splittingstelsel niet tot zelfstandige heffing van beide echtgenoten doordat gescheiden heffing naar het werkelijk genoten inkomen in totaal meestal een zwaardere belastingdruk oplevert dan gezamenlijke heffing (zie voorbeeld 31). Uit de aan het splittingstelsel ten grondslag liggende gedachte van het gelijkgerechtigd zijn van de beide partners tot het gezamelijke inkomen, zou volgen, dat de over het gezamenlijke inkomen verschuldigde belasting ook voor de helft aan ieder van de echtgenoten wordt toegerekend. Een dergelijke consequentie zou echter in de praktijk op grote bezwaren sluiten, omdat een toerekening van de belasting bij helfte zich ver zou kunnen verwijderen van de werkelijke inkomensverhouding door de partners. Bij een inkomen van f 35000 van de man en f 15000 van de vrouw zou zo'n toerekening van de belasting in de situatie van voorbeeld 31a erop neerkomen dat elk een aanslag ontvangt van f 4810, te weten f 9620 : 2 (vóór verrekening van voorheffingen). Het behoeft geen nader betoog dat hiervan grote moeilijkheden zijn te verwachten voor de praktijk van heffing en invordering, vooral met betrekking tot de aanslag waarbij de toegerekende belasting het bedrag van de voorheffing -daargelaten de vraag hoe deze zou moeten worden toegerekend -te boven gaat. Een meer op de werkelijkheid afgestemde, doch van de splittinggedachte zich verwijderende methode lijkt een omslagstelsel, gebaseerd op de reële inkomensverhouding tussen de echtgenoten, zoals van 1965 tot en met 1972 heeft gegolden. Maar ook deze methode is niet zonder bezwaren. Als regel zal namelijk de partner met het laagste (aan de loonbelasting onderworpen) arbeidsinkomen moeten bijbetalen, terwijl de andere partner een teruggaaf kan verwachten. In de situatie van voorbeeld 31a zal, indien het inkomen van beiden uitsluitend wordt gevormd door loon, van de man ongeveer f 8341 en van de vrouw ongeveer f 1926 loonbelasting worden geheven. Bij omslag van de volgens het splittingstelsel over het gezamenlijke inkomen verschuldigde belasting van f 9620 zal hiervan worden toegerekend aan de man f 6734 (f 35000/50 000 x f 9620) en aan de vrouw f 2886 (15000/50 000 x f 9620), hetgeen dan resulteert in een teruggaaf van f 1607 aandemanenin een bij te betalen bedrag van f 960 door de vrouw. Dit laatste doordat de belastingdruk op het vrouweninkomen dan weer mede zou worden bepaald door de hoogte van het manneninkomen. Eigenlijk verschilt een splittingstelsel als heffingssysteem niet of nauwelijks met de heffingswijze in Nederland van vóór 1973; de daaraan verbonden bezwaren zijn eerder uiteengezet. Het stelsel vormt geen bijdrage tot fiscale zelfstandigheid van de gehuwde vrouw die arbeidsinkomsten geniet. In situaties waarin beide echtgenoten arbeidsinkomen genieten zal de loonbelasting vrijwel nooit eindheffing zijn. Wel is een splittingstelsel van grote betekenis voor de verhoudingen gemeten in termen van gezinsdraagkracht, omdat het, in eerste aanleg, de thuiswerkende vrouw niet anders «beoordeelt» dan de buitenshuis werkende vrouw. De budgettaire gevolgen van de invoering van een splittingstelsel zijn afhet met ingang van 1973 vervallen

"

ï

_. .e

,„•

. • •

u • n de wet op de inkomstenbelasting hankelijk van het daarvoor te kiezen model. Een splittingstelsel op basis van een gesplitst gehuwdentarief (het Amerikaanse systeem) brengt voor de Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

overgrote meerderheid van de gehuwde belastingplichtigen geen wijziging in de belastingdruk; zoals voorbeeld 30 laat zien zal er wel een drukverzwaring optreden voor echtparen waarvan beide partners verdienen. Een splittingstelsel gebaseerd op het ongehuwdentarief (het Duitse systeem) brengt een belastingverlaging teweeg voor gehuwden, in het bijzonder voor situaties waarin één partner het inkomen aanbrengt. Zulk een belastingverlaging heeft aanzienlijke budgettaire consequenties, welke in de miljarden lopen. Naarmate die consequenties zouden worden verkleind door wijziging van de tariefstelling, heeft dat echter grotere -negatieve -effecten in het vlak van het besteedbare inkomen voor de ongehuwden en voor echtparen waarvan beide partners verdienen. Zowel een werkelijke als een relatieve drukverzwaring voor de ongehuwden, in vergelijking tot de gehuwden, zou een terugkeer betekenen op de in 1960 ingeslagen weg om het tarief ten gunste van de ongehuwden te verlagen. Hierbij zij in herinnering gebracht dat de tariefstelling welke onder de werking van het Besluit op de lnkomensbelasting 1941 heeft gegolden, tot het jaar 1960 praktisch neerkwam op splitting. De ongehuwden beoordeelden het toen voor hen geldende tarief als een strafklasse; zij zijn het tarief zo blijven bezien tot de nieuwe tariefstructuur met ingang van 1973, waarbij het onderscheid in tarief voor ongehuwden en gehuwden is teruggebracht tot enkel een verschil in belastingvrije som. De relatieve drukverzwaring voor ongehuwden bij invoering van een splittingstelsel vormde dan ook, zowel bij de algemene belastingherziening als in de Nota-Grapperhaus, een van de hoofdargumenten om zulk een stelsel af te wijzen.

Samenvatting Geen van de drie hoofdvormen van belastingheffing naar het inkomen -samentelling van de inkomens; gescheiden heffing; splitting -kan als een in alle opzichten ideaal stelsel worden aangemerkt voor de heffing van inkomstenbelasting van gehuwden. Samentelling van de inkomens van man en vrouw -het heffingssysteem van vóór 1973 -met belastingheffing volgens een uniform progressief tarief, betekent voor gehuwden een zwaardere belastingheffing dan voor ongehuwden. Door de progressie wordt namelijk het gezamenlijke inkomen zwaarder belast dan de twee afzonderlijke inkomens. Samentelling van de arbeidsinkomens kan een fiscale rem zijn op het verrichten van betaalde arbeid door met name de gehuwde vrouw. Gescheiden heffing leidt tot een geringere belastingdruk op een echtpaar waarvan beide partners een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen dan op een echtpaar waarvan één partner een zelfde inkomen alleen inbrengt. Wanneer men van mening is dat een echtpaar een eenheid van draagkracht is, kunnen de door de gescheiden heffing optredende verschillen een minder rechtvaardige verdeling van de belastingdruk inhouden. Splitting in deze zin dat een echtpaar over het gezamenlijke inkomen evenveel belasting betaalt als twee ongehuwden die ieder een half zo groot inkomen hebben, heeft niet de zojuist aangeduide bezwaren van de samentelling van inkomens en van de gescheiden heffing, maar hierbij moet worden bedacht dat: -splitting betekent dat het bestaande onderscheid in belastingheffing tussen echtparen waarvan beide partners betaalde arbeid verrichten en echtparen waarvan één dat doet, komt te vervallen, tenzij in het splittingstelsel een reductieregeling voor de inkomensaanbreng door beide partners zou worden ingebouwd; -splitting in wezen niet meer is dan een rekenformule voor de tarieftoepassing op het gezamenlijke inkomen van man en vrouw, zodat afzonderlijke heffing van man en vrouw naar ieders inkomensaanbreng alleen is te verwezenlijken langs de weg van een aan de toepassing van het splittingtarief gekoppeld omslagstelsel; -een splittingtarief voor gehuwden in relatieve zin ten nadele van de ongehuwden strekt.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

IV. Beknopt overzicht buitenlandse regelingen Hierna volgt een beknopt overzicht van de situatie in de beide andere landen van de Benelux en in de overige EG-landen, in twee andere Europese landen, te weten Noorwegen en Zweden, alsmede in twee niet-Europese landen, te weten Canada en de Verenigde Staten van Amerika. Bij het opstellen van het overzicht is ook -in dank -gebruik gemaakt van de gegevens verstrekt door het Internationaal Belasting Documentatie Bureau te Amsterdam. De volgende punten worden behandeld: 1. of echtgenoten te zamen dan wel afzonderlijk worden belast en, indien zij afzonderlijk worden belast, of dit voor alle inkomensbestanddelen geldt; 2. of bij gezamenlijke heffing op enigerlei wijze er rekening mee wordt gehouden van welke zijde het inkomensbestanddeel is opgekomen; 3. of, en zo ja op welke wijze, rekening wordt gehouden met een meewerken in de onderneming van de echtgenoot; 4. of, en zo ja op welke wijze, rekening wordt gehouden met de kosten van huishoudelijke hulp, gezinshulp of dergelijke indien beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten.

Ter vergelijking zijn achter de bedragen in buitenlands geld guldensbedragen vermeld, berekend naar de volgende koersen:

België

frank

f 0,07 Luxemburg

frank

f 0,07 Denemarken

kroon

f 0,40 Duitsland

mark

f 1,10 Engeland

pond

f 4,50 Frankrijk

frank

f 0,50 Ierland

pond

f 4,00 Noorwegen

kroon

f 0,40 Zweden

kroon

f 0,50 Canada

dollar

f 1,75 Verenigde Staten

dollar

f 2,00

België 1. Inkomensbestanddelen van echtgenoten worden samengevoegd tenzij het totaal aan arbeidsinkomsten van beide echtgenoten niet hoger is dan Bfrs. 39000 0 (f 27300). In laatstbedoeld geval vindt een afzonderlijke berekening plaats van de belasting over het arbeidsinkomen van de vrouw; de belasting wordt begrepen in de aanslag ten name van het gezinshoofd, wiens eigen deel van de aanslag wordt berekend alsof hij geen vrouw te zijnen laste heeft. 2. Bij heffing naar het gezamenlijke inkomen vindt een inkomensaftrek plaats voor arbeidsinkomsten van de vrouw tot Bfrs. 56 000 (f 3920). 3. De arbeid van de vrouw in de onderneming van de man wordt gewaardeerd op Bfrs. 56 000 (f 3920) of, indien een normale arbeidsbeloning voor de verrichte prestaties minder bedraagt, dit lagere bedrag. Het winstdeel van de man mag door de toerekening van een aandeel aan de vrouw niet dalen beneden Bfrs. 150 000 (f 10500). 4. Met kosten van huishoudelijke hulp en dergelijke wordt geen rekening gehouden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Luxemburg 1. Er vindt samenvoeging plaats van de inkomensbestanddelen van de echtgenoten, eventueel met die van andere gezinsleden (met name kinderen). Voor inkomens niet hoger dan Lfrs. 462 120 (f 32350) wordt bij een gezin zonder kinderen of met niet meer dan 3 kinderen de belasting berekend volgens een soort splittingsysteem op basis van gezinsomvang en wel volgens een «coëfficiënt familiale» van respectievelijk 2-2,6-3,4-4,4. Voor de overige gevallen geschiedt splitting met de deler 2 en een belastingaftrek afhankelijk van het aantal kinderen. 2. Met de omstandigheid dat er arbeidsinkomen van de zijde van de vrouw is opgekomen, wordt geen rekening gehouden. 3. Er is geen voorziening voor het meewerken van de vrouw in de onderneming van haar man. 4. Voor kosten van gezinshulp en dergelijke geldt een regeling welke voorziet in een aftrek tot een beloop van Lfrs. 1000 (f 70) per maand, onder andere voor het geval waarin de vrouw grotendeels («überwiegend») meewerkt in het landbouw-en bosbedrijf of in het bedrijf van de man die in militaire dienst is, mits tot het huishouden ten minste één minderjarige behoort.

Denemarken 1. De gehuwde vrouw wordt afzonderlijk in de belastingheffing betrokken voor haar eigen arbeidsinkomen en enkele uitkeringen. De belasting wordt berekend volgens een algemeen tarief met inachtneming van een voor alle belastingplichtigen gelijke belastingvrije som in de vorm van een taxcredit. Een onbenut gedeelte van de belastingvrije som van de vrouw kan worden overgeheveld naar haar man. 2. Niet van toepassing. 3. Wanneer beiden een bedrijf uitoefenen -zowel ingeval het bedrijf van een der echtgenoten als ingeval het bedrijf van beiden is -wordt aan de echtgenoot die in overwegende mate het bedrijf uitoefent de winst toegerekend verminderd met 50% daarvan doch maximaal met Dkr. 54 200 (f 21680) voor de andere echtgenoot. 4. Met kosten van huishoudelijke hulp en dergelijke wordt geen rekening gehouden.

Duitsland (Bondsrepubliek)

  • Echtgenoten worden voor het gezamenlijke inkomen in de belastingheffing betrokken, tenzij een van hen om gescheiden heffing verzoekt. Heffing naar het gezamenlijke inkomen vindt plaats volgens het splittingstelsel (zie hoofdstuk III). 2. Van welke zijde een inkomensbestanddeel is opgekomen, is voor de belastingheffing niet van belang. 3. Voor meewerken van de ene echtgenoot in een onderneming van de andere echtgenoot is er geen voorziening getroffen. 4. Voor kosten van gezinshulp en dergelijke geldt een regeling welke onder meer van toepassing is op het geval waarin de beide echtgenoten werken en tot hun huishouden ten minste twee kinderen jonger dan 18 jaar behoren. De aftrek is forfaitair bepaald op DM 1200 (f 1320) dan wel, voor parttime hulp, op DM 600 (f 660) voor een geheel jaar.

Engeland (het Verenigd Koninkrijk)

  • Als regel vindt heffing plaats over het gezamenlijke inkomen van de echtgenoten, waarbij de mogelijkheid bestaat van omslag (op verzoek) naar rato van ieders inkomen. Op verzoek kan de vrouw afzonderlijk worden belast voor haar eigen arbeidsinkomen; dan geldt voor beide echtgenoten de belastingvrije som van een ongehuwde ad £ 1075 (f 4840).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

  • Bij belastingheffing naar het gezamenlijke inkomen met inachtneming van de belastingvrije som vooreen gehuwde ad £ 1675 (f7540) vindt voor dearbeidsinkomsten van de vrouw een aftrek plaats van £ 1075 (f4840). Bovendien wordt de «lower rate» van 25% over de eerste £ 750 (f 3375) van de belastbare som nog eens apart berekend over de eerste £ 750 van de daarin begrepen arbeidsinkomsten van de vrouw. Voor arbeidsinkomsten van de zijde van de vrouw is er dus zowel een inkomensaftrek als een verlenging van de laagst belaste inkomensschijf. 3. Voor meewerken in de onderneming van de echtgenoot geldt geen aparte regeling. Echtgenoten kunnen bij elkaar in dienst zijn, in welk geval aan de meewerkende echtgenoot een reëel salaris kan worden toegekend. 4. Voor kosten van gezinshulp en dergelijke bestaat geen aftrekmogelijkheid.

Frankrijk 1. De inkomensbestanddelen van echtgenoten worden samengevoegd, inclusief eventuele inkomensbestanddelen van andere gezinsleden (met name van kinderen). Van het gezinsinkomen wordt belasting geheven volgens een soort splittingstelsel op basis van een, van het aantal gezinsleden afhankelijke, «coëfficiënt familiale» (2 -2'fc -3 -3^2 -4 -4V2 -5 enz.). 2. Van welke zijde een inkomensbestanddeel is opgekomen, is niet van belang. 3. Aan de vrouw die meewerkt in de onderneming van haar man kan ten laste van de bedrijfswinst een reëel salaris worden toegekend van minimaal Ffrs. 1800 (f 900) en maximaal Ffrs. 13500 (f 6750). Op het salaris van de vrouw, dat onderdeel uitmaakt van het gezamenlijke inkomen, zijn de voor arbeidsinkomsten geldende forfaitaire aftrekposten van toepassing. 4. Het heffingssysteem voorziet niet in een aftrekmogelijkheid voor kosten van huishoudelijke hulp en dergelijke.

Ierland 1. Echtgenoten worden in de belastingheffing betrokken voor het gezamenlijke inkomen, doch met de mogelijkheid van omslag naar rato van ieders inkomen. De belastingvrije som voor gehuwden ad £ 2230 (f 892Ö) is tweemaal het bedrag van de belastingvrije som voor ongehuwden (£1115 = f4460). 2. Voor arbeidsinkomsten welke van de zijde van de vrouw opkomen wordt een aftrek toegepast van £ 230 (f 920), doch niet hoger dan het bedrag van die inkomsten. 3. Er zijn geen speciale regels voor het meewerken van de vrouw in de onderneming van haar man. De vrouw kan in dienst zijn van haar man. Op het aan haar toegekende salaris is bij de gezamenlijke heffing de bij punt 2 vermelde aftrek van £ 230 (f 920) van toepassing. 4. Er is geen regeling voor de kosten van gezinshulp en dergelijke.

Italië 1. Echtgenoten worden volledig gescheiden in de belastingheffing betrokken, dat wil zeggen ieder voor het eigen (arbeids-)inkomen verhoogd met de helft van het inkomen uit de gemeenschappelijke boedel (heffing naar het gezamenlijke inkomen is door het Hooggerechtshof ongrondwettig verklaard omdat man en vrouw voor de wet gelijk zijn). 2. Niet van toepassing. 3. Een reëel salaris voor het meewerken van de ene echtgenoot in de onderneming van de andere kan als bedrijfslast worden afgetrokken. Het is bij de meewerkende echtgenoot belast. 4. Voor kosten van huishoudelijke hulp en dergelijke bestaat geen regeling.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Noorwegen 1. Regel is heffing naar het gezamenlijke inkomen van de echtgenoten (volgens het gehuwdentarief) met de mogelijkheid van omslag naar rato van ieders inkomen. Desverlangd wordt de echtgenoot met het laagste arbeidsinkomen afzonderlijk voor dit inkomen in de belastingheffing betrokken. Alsdan geldt het ongehuwdentarief. De echtgenoot met het hoogste arbeidsinkomen wordt in dat geval voor diens arbeidsinkomen en voor de andere inkomensbestanddelen (met name die uit vermogen) belast eveneens naar het ongehuwdentarief; ook bij gescheiden heffing is omslag mogelijk voor de belasting over de vermogensinkomen (beschouwd als de top van het inkomen van de echtgenoot met het hoogste arbeidsinkomen). 2. Bij de gezamenlijke heffing is het niet van belang van wiens zijde de in-komensbestanddelen zijn opgekomen. 3. De winst uit een bedrijf toebehorend aan één van de echtgenoten of aan beiden, wordt geacht geheel toe te komen aan diegene die kan worden aangemerkt als de werkelijke uitoefenaar van het bedrijf. Wanneer echter de andere echtgenoot «in niet onbeduidende mate» arbeid in het bedrijf verricht, kan deze afzonderlijk worden belast voor een «passend» gedeelte van de winst. Dit gedeelte kan maximaal NKr 20000 (f 8000) bedragen, tenzij naar de mening van de belastingdienst een dergelijke beperking «kennelijk onredelijk» werkt. 4. Voor het geval beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten geldt er geen aftrekmogelijkheid voor kosten van huishoudelijke hulp en dergelijke.

Zweden 1. De belastingheffing geschiedt gescheiden, leder van de echtgenoten wordt belast voor het persoonlijke arbeidsinkomen; de overige inkomensbestanddelen worden voor de berekening van de belasting in aanmerking genomen bij het hoogste arbeidsinkomen waarna de deswege meer verschuldigde belasting wordt omgeslagen over de beide echtgenoten naar rato van ieders aandeel in die bestanddelen. De individuele belastingvrije voet voor gehuwden is gelijk aan die voor ongehuwden. De belastingvrije voet van de partner wiens inkomen daaronder blijft, wordt voor het onbenutte deel -in de vorm van een taxcredit -overgeheveld naar de andere echtgenoot. 2. Niet van toepassing. 3. Als regel wordt een bedrijf geacht te worden gedreven door de echtgenoot die de leidende figuur is. Als de andere echtgenoot ten minste 400 uren per jaar meewerkt wordt daarvoor een overeenkomstig deel van de winst toegerekend, doch niet meer dan een gebruikelijke beloning op de arbeidsmarkt; daarnaast heeft deze echtgenoot recht op een redelijke beloning voor het eventueel van diens zijde ingebrachte bedrijfskapitaal. Wanneer geen van beide echtgenoten kan worden aangemerkt als leidende figuur, wordt het bedrijf als gemeenschappelijk beschouwd en wordt de winst verdeeld naar rato van de door elk van de echtgenoten geleverde arbeidsprestatie. 4. Wanneer zowel man als vrouw arbeidsinkomen geniet en er thuiswonende kinderen jonger dan 16 jaar zijn, wordt aan de echtgenoot met het laagste arbeidsinkomen een aftrek verleend ter grootte van 25% van dat in-komen, doch niet meer dan Zkr. 2000 (f 1000).

Canada 1. Echtgenoten worden volkomen gescheiden in de belastingheffing betrokken. Voor ieder geldt een gelijke belastingvrije som van Can $ 2650 (f4640). Met een niet of weinig verdienende echtgenoot wordt bij de ander rekening gehouden door middel van een toeslagsysteem op de belastingvrije som dat neerkomt op een vorm van voetoverheveling: de belastingvrije som van Can $ 2650 (f 4640) wordt verhoogd met een bedrag van Can $ 2320 (f4060) verminderd met het inkomen van de echtgenoot boven Can $ 430(f 750) 2. Niet van toepassing.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

  • Een beloning voor het meewerken in de onderneming van de echtgenoot wordt voor de belastingheffing genegeerd (geen aftrek van de winst bij de een; niet belast bij de ander). In geval van gezamenlijke bedrijfsuitoefening (deelnemerschap) worden de winstaandelen van de beide echtgenoten toegerekend aan een van hen. 4. De regeling voor kosten van kinderverzorging geldt niet voor het geval waarin een echtgenoot wegens het verrichten van betaalde arbeid is onttrokken aan de gezinstaak.

Verenigde Staten van Amerika

  • De echtgenoten kunnen kiezen of zij te zamen dan wel afzonderlijk worden belast. Bij gescheiden heffing wordt ieder in de belastingheffing betrokken voor de eigen inkomensbestanddelen waarbij wordt gevoegd de helft van het inkomen uit de gemeenschappelijke boedel. De tabel voor gescheiden heffing verhoudt zich tot die voor gezamenlijke heffing als 1 : 2 (zie hoofdstuk III). 2. Bij gezamenlijke heffing maakt het geen verschil van welke zijde inkomensbestanddelen zijn opgekomen. 3. Voor meewerken in de onderneming van de echtgenoot is er geen voorziening getroffen. 4. Voor kosten van huishoudelijke hulp en dergelijke geldt een regeling welke onder meer inhoudt dat met zulke kosten rekening wordt gehouden indien beide echtgenoten een volledige betrekking vervullen terwijl tot het huishouden kinderen behoren jonger dan 16 jaar, dan wel andere (afhankelijke) personen die door ziekte of gebreken niet voor zich zelf kunnen zorgen. De tegemoetkoming wordt verleend in de vorm van een taxcredit gelijk aan 20% van de kosten, zulks met een maximum van $ 400 (f 800) dan wel $ 800 (f 1600) per jaar al naargelang de hulp nodig is voor een of meer personen. In het kader van de studie waarvan deze nota het resultaat vormt, is aan buitenlandse heffingssystemen uitvoeriger aandacht geschonken dan uit vorenstaand beknopt overzicht zou kunnen worden afgeleid. Van één van deze heffingssystemen -dat van de Verenigde Staten van Amerika -is de studie uitgemond in een vrij diepgaande beschrijving van het systeem. Deze beschrijving is aan de nota als bijlage toegevoegd onder de titel «De inkomstenbelastingheffing van de gehuwde vrouw in de Verenigde Staten van Amerika» (bijlage XI).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

V. De fiscale positie van de

ongehuwde die met een ander

samenleeft of samenwoont

Het huidige heffingsstelsel kent geen gelijkstelling van een ongehuwde met een gehuwde belastingplichtige in het geval waarin de ongehuwde, evenals de gehuwde, (duurzaam) samenleeft met een ander. Dit is een gevolg van het ontbreken van de formele binding van het huwelijk met de daaruit voortvloeiende in het Burgerlijk Wetboek verankerde wederzijdse onderhoudsverplichting. Nu een herkenbare formele binding ontbreekt is het in de praktijk onmogelijk een zelfde heffingsmethodiek voor die gevallen te verwezenlijken als (in artikel 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is voorzien) voor gehuwden, namelijk toerekening van de inkomensbestanddelen van de vrouw -met uitzondering van haar arbeidsinkomen -aan de man; evenmin is een gelijkschakeling mogelijk in de tariefgroepindeling, die toch een globale onderscheiding in draagkrachtcategorieën representeert. De gehuwde vrouw en de gehuwde man worden nu ingedeeld in tariefgroep 1 en tariefgroep 4 met een belastingvrije som van respectievelijk f 2017 en f 10070. De ongehuwden worden ingedeeld in tariefgroep 2 of 3 meteen belastingvrije som voor 1979 van f 5843 off 7855; tariefgroep 3 geldt voor ongehuwden van 35 jaar en ouder; in deze tariefgroep vallen ook jongere ongehuwden die gehuwd zijn geweest of kinderaftrek genieten (dan wel geacht worden te genieten); tariefgroep 2 geldt voor de overige ongehuwden. Globaal genomen behoren de jongere ongehuwden tot groep 2 en de oudere ongehuwden -waaronder weduwen, weduwnaars, duurzaam gescheiden levenden, gescheiden personen, ongehuwde moeders -tot groep 3.

Voor personen die met elkaar een andere vorm dan het huwelijk als samenlevingsverband onderhouden is dus thans tariefgroep 2 of 3 van toepassing. Bij hen doet de behoefte aan gelijkstelling met gehuwden zich vooral gelden in situaties waarin één van hen de kost verdient, met andere woorden in gevallen van traditioneel kostwinnerschap. Ongehuwde jonger dan 35 jaar en niet gehuwd geweest Inkomen

f 30000 Vrije som groep 2

5843

Voorbeeld 35 Huwelijk, resp. samen eving, geen kinderen Gehuwde man

Inkomen Vrije som groep 4

f

f f 21501-10 070

Belasting over Belasting

19930 5 057

Belasting over

f 24157 Belasting

f

6 410 Ongehuwde van 35 jaar of ouder dan wel gehuwd geweest Inkomen

f 30000 Vrije som

7855

Belasting over Belasting

f 22145 f

5766

Voor de ongehuwde geldt dus nu afhankelijk van het jonger of ouder zijn dan 35 jaar bij een inkomen van f 30000 een hogere belastingdrukvan onderscheidenlijkf 1353 en f 709.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Bij de bepaling van het inkomen van de ongehuwde doet zich ten opzichte van de gehuwde man nog een verschil voor: de ongehuwde kan namelijk eventuele uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit van de partner fiscaal niet tot gelding brengen.

Zijn er kinderen die in de termen vallen voor kinderbijslag of kinderaftrek, dan blijkt de ongehuwde in de situatie van alleenverdiener, althans voor de tarieftoepassing, niet in het nadeel te zijn ten opzichte van de gehuwde. Dit als gevolg van de (in artikel 53, vierde lid, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 20, vierde lid, lettere, van de Wet op de loonbelasting 1964 voorziene) verhoging van de belastingvrije som voor de belastingplichtige die wordt ingedeeld in tariefgroep 3 en kinderaftrek geniet of geacht wordt te genieten. Door deze verhoging van de belastingvrije som (in de voorbeelden hierna aangeduid met «toeslag» wordt de belastingvrije som van de in tariefgroep 3 ingedeelde belastingplichtige met recht op kinderbijslag of kinderaftrek gelijk getrokken met die van de gehuwde man (tariefgroep4).

Voorbeeld 36 Huwelijk, resp. samenleving, wel kinderen; loontrekkende a. Gehuwde man Inkomen

f 30000 Vrije som groep 4

10070

Ongehuwde Inkomen Vrije som groep 3

f 7 855 toeslag

f2215

f 30000

10070

Belasting over Belasting

f 19930 f

5057

Belasting over Belasting

f 19930 f

5057

Indien één van de kinderen jonger dan 16 jaar is en tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, geldt voor een in tariefgroep 3 ingedeelde ongehuwde die werkzaamheden buiten zijn huishouden verricht, de als «aftrekonvollediggezin» bekend staande verhoging van de belastingvrije som'. Deze verhoging bedraagt een kwart van het arbeidsinkomen, maar (voor 1979) niet meer dan f 3226. Hoewel bij een ongehuwde die een samenlevingsverband onderhoudt de andere partner niet ontbreekt, leidt in vorenvermelde situatie de aftrekonvol lediggezinin feite bedoeld vooreen alleenstaande ouder -tot een belastingheffing als volgt:

  • Ongehuwde Inkomen Vrije som groep 3 toeslag onv. gezin f7 855 f2215 f3 226

Belasting over Belasting

f 30000

13296

f 16704 f

4025

De belastingdruk op de ongehuwde is in dit geval dus f 1032 minder dan die van een gehuwde.

1 Art. 53, vierde lid, letter d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en art. 20, vierde lid, letter d, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Tussen een echtpaar waarvan beide partners verdienen en twee ongehuwden bestaat er, wanneer er geen kinderen zijn en beide partners jonger zijn dan 35 jaar, bij een zelfde totaal inkomen door de hoogte van de voor elk van hen geldende belastingvrije som een globaal evenwicht in belasting-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

druk. Dit globale evenwicht is minder aanwezig of ontbreekt indien één van de samenlevende partners of beiden 35 jaar of ouder zijn. Dit kan worden geil lustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld.

Voorbeeld 37 Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 20000 Vrije som groep 4

10070

Vrije som groep 1

2017

Belasting over

f 19930

Belasting over

f 17983 Belasting

f

5057

Belasting

f

4434

Totaal aan belasting voor man en vrouw f 9 491.

  • Twee ongehuwden die samenleven, geen kinderen b. 1. beiden jonger dan 35 jaar en niet gehuwd geweest Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 20000 Vrije som groep 2

5843

Vrije som groep 2

5843

Belasting over

f 24157

Belasting over

f 14157 Belasting

f

6410

Belasting

f

3226

Totaal aan belasting voor beiden f 9 636.

b.2. één van beiden 35 jaar of ouder dan wel gehuwd geweest b.2.1. vrouw 35 jaar, man jonger Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 20000 Vrije som groep 2

5843

Vrije som groep 3

7855

Belasting over

f 24157

Belasting over

f 12145

Belasting

f

6410

Belasting

f

2703

Totaal aan belasting voor beiden f9 113.

  • 2.2. man 35 jaar, vrouw jonger Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 20000 Vrije som groep 3

7855

Vrije som groep 2

5843

Belasting over

f 22145

Belasting over

f 14157

Belasting

f

5766

Belasting

f • 3 226

Totaal aan belasting voor beiden f 8 992.

b.3. beiden 35 jaar of ouder dan wel gehuwd geweest Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 20000 Vrije som groep 3

7855

Vrije som groep 3

7855

Belasting over

f 22145

Belasting over

f 12145 Belasting

f

5766

Belasting

f

2703

Totaal aan belasting voor beiden f 8 469.

Tegenover een belastingdruk op een echtpaar van in totaal f 9491 staat derhalve voor twee ongehuwden, afhankelijk van de leeftijd van betrokkenen, een belastingdruk van in totaal f 9636, f 9113, f 8992 of f 8469.

Indien er kinderen zijn die voor kinderbijslag of kinderaftrek in aanmerking komen, laat de situatie van twee verdienende partners zich als volgt illustreren. Daarbij is ervan uitgegaan dat de partners loontrekkers zijn en er twee kinderen zijn. In verband mer de anticumulatiebepalingen komt de kinderbijslag toe aan één van de partners. Bij de ongehuwden komt de andere partner in aanmerking voor de verhoging van de belastingvrije som, welke is bedoeld voor belastingplichtigen die geen recht hebben op kinderbijslag inge-~~ ~- _, ,._, ,

~~~"~~

volge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden. Deze verhoging -in de 1 Art. 53, vierde lid, letter a, van de Wet op de

.. a

,

7.

. .. , ,•

I. , inkomstenbelasting 1964 en art. 20, vierde lid, hierna volgende voorbeelden 38 en 39 aangeduid als kinderaftrek -bedraagt letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964.

voor het jaar 1979 voor twee kinderen f 3768.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 38 a. Echtpaar Inkomen man Vrije som groep 4

Belasting over Belasting

f 21501-10 070

19930 5 057

Inkomen vrouw Vrije som groep 1

Belasting over Belasting

f 20000 20I7

f f 17983 4 434

Totaal aan belasting voor man en vrouw f 9 491.

  • Twee ongehuwden die samenleven (aangenomen is dat de kinderbijslag wordt genoten door de ongehuwde moeder) b.1. zonder aftrekonvollediggezin (kinderen niet onder 16 jaar) Inkomen man Vrije som groep 3 toeslag kinderaftrek

Belasting over Belasting

f 7 855 f2215 f3 768 f 30000

f 13838

f 16162 f

3851

Inkomen vrouw Vrije som groep 3

f7 855 toeslag

f2215 f 20000

f 10070

Totaal aan belasting voor beiden f 5 978.

b.2. met aftrekonvollediggezin Inkomen man Vrije som groep 3 toeslag onv. gezin kinderaftrek

Belasting over Belasting

f 30000

f 7 855 f2 215 f 3 226 f3 768 f 17064

f 12936 f

2908

Belasting over Belasting

Inkomen vrouw Vrije som groep 3 toeslag onv. gezin

Belasting over Belasting

9 930 2 127

f 20000

f7 855 f2215 f3 226 f 13296

6 704 1 340

Totaal aan belasting voor beiden f 4 248.

Tegenover een belastingdruk op het echtpaar van in totaal f 9491 staat nu een belastingdruk op twee ongehuwden van in totaal f 5978 zonder aftrekonvollediggezin en van f 4248 met die aftrek.

Aan de voorbeelden 36b, 37 en 38 waarin de fiscale positie van ongehuwden die samenleven in bijna alle situaties tot een geringere, soms zelfs tot een aanmerkelijk geringere belastingdruk leidt in vergelijking tot die van gehuwden, kan nog een voorbeeld worden toegevoegd waarin zich kosten van gezinshulp dan wel van kinderdagverblijf voordoen, welke kosten bij gehuwden niet doch bij ongehuwd samenlevenden wel kunnen leiden tot een buitengewonelastenaftrek. Volledigheidshalve wordt hierbij tevens de premieheffing betrokken.

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 39 Man en vrouw beiden loontrekkende; twee tot het huishouden behorende kinderen jonger dan 16 jaar; kosten gezinshulp voor halve dagen f 14000 a. Echtpaar

f 50 000

Onzuiver inkomen man Premie . AOW/AWW

f 5 230 Restitutie idem

f 3 570

Onzuiver inkomen vrouw f 30000 Premie AOW/AWW

3570

f

1660

Inkomen Vrije som groep 1

Belasting over Belasting f 18820 f 5 230

f

Inkomen Vrije som groep 4

f 48 340 10 070

26430 2 017

Belasting over Belasting

Totale Totaal

f 38270 f 12328 belastingdruk premie

f f 24413 6 492

Totaal

f 24050

  • Samenleving (man betaalt gezinshulp; vrouw geniet de kinderbijslag) Onzuiver inkomen man

f 50 000

Onzuiver inkomen vrouw f 30000 Gezinshulp

f 21501-10% drempel

f 5 000

bg. last premie AOW/AWW

f

f 9 000

4 046 f 13046

Premie AOW/A

Inkomen Vrije som groep 3 toeslag onv. gezin Belasting over Balasting f 8 104 f 7 232

WW f7 855 f2215 f3 226 f

3186

f f f f

T te

T 7 855 2 215 3 226 3 768

Inkomen Vrije som groep 3 toeslag onv. gezin kinderaftrek

f

f 36954

17064

f

f 26814

otale be rtaal prt

otaal

13296

Belasting over Belasting

f f last imW 19890 5 044 ingdruk

f f 13518 3 060

f 15336

3 Aldus ook, zij het minder ver gaand. Hofstra die schrijft, dat de vraag onder ogen zou kunnen worden gezien of de maatschappelijke ontwikkeling niet ver genoeg is voortgeschreden om althans bepaalde vormen van permanent concubinaat -bij voorbeeld indien daaruit kinderen werden geboren -fiscaalrechtelijk met een huwelijk gelijk te stellen (Fiscaal hand-en studieboek «Inkomstenbelasting», hoofdstuk IV, «De inkomstenbelasting en het gezin», paragraaf 13, slot).

Tegenover een belasting-en premiedruk op het echtpaar van in totaal f 24050 staat hier een druk op twee ongehuwden van in totaal f 15336.

In het begin van dit hoofdstuk is erop gewezen, dat het huidige heffingsstelsel geen gelijkstelling kent van een ongehuwde met een gehuwde belastingplichtige in de situatie waarin de ongehuwde, evenals de gehuwde, (duurzaam) samenleeft met een ander. Naarmate andere vormen van samenleving dan het huwelijk meer gaan voorkomen en het huwelijk bepaald in meer dan voorbijgaande mate een verbintenis blijkt te zijn welke wordt verbroken, klemt de vraag of nog van een evenwichtige behandeling van belastingplichtigen kan worden gesproken. Bij voorbeeld of ongehuwden, die in economisch opzicht in dezelfde situatie verkeren als gehuwden, doch wier feitelijke relatie niet in de wet is verankerd, voor het tarief niet op gelijke wijze zouden dienen te worden behandeld als gehuwden. Aansluiting bij de feitelijke situatie met voorbijzien aan de nog bestaande formele band geschiedt voor de belastingheffing wèl reeds jaren ten aanzien Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

van gehuwde personen die duurzaam gescheiden leven; zij worden door de fiscus niet als gehuwd aangemerkt. Om wat in vorenbedoelde zin economisch gelijk is ook fiscaal gelijk te behandelen, zouden maatregelen naar twee kanten nodig zijn. Deze komen erop neer dat bij alternatieve samenlevingsvormen de ongehuwde partners voor wat betreft de tarieftoepassing niet ongunstiger, maar ook niet gunstiger mogen worden behandeld dan de partners in een huwelijk in vergelijkbare omstandigheden. De ene maatregel zou een voorziening betreffen voor de ongehuwde die kostwinner is voor de partner. Dit betekent, dat de belastingvrije som van de gehuwde man ook aan de ongehuwde zou worden toegekend indien deze geheel of nagenoeg geheel voorziet in het levensonderhoud van de partner. Deze voorziening kan worden beperkt tot de op een huwelijk gelijkende vorm van samenleving van twee personen. De samenleving zal kenbaar moeten zijn aan een samenwonen op hetzelfde adres en het aldaar voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Ter wille van de praktische uitvoerbaarheid van de voorziening zal deze alleen kunnen gelden nadat is gebleken dat de duurzaamheid van het samenlevingsverband voorop staat. Hierbij zou, in aansluiting op de gedragslijn voor andere terreinen -zoals voor de NS-jaarkaart en de huurbescherming -kunnen worden gedacht aan de eis van een reeds bestaand verband van twaalf of vierentwintig maanden. Met het oog op de heffingspraktijk van de inkomstenbelasting en de loonbelasting zou de voorwaarde kunnen worden gesteld dat de gelijkstelling mogelijk zou zijn indien bij de aanvang van een jaar gedurende ten minste twaalf maanden reeds aan de hiervoren vermelde criteria is voldaan. Verder zou kunnen worden overwogen als praktische eis een leeftijdsgrens te stellen, bij voorbeeld in deze zin dat beide partnersten minste 18 jaar moeten zijn (de leeftijd waarop in de toekomst volgens het Burgerlijk Wetboek de meerderjarigheid zal worden bereikt. De andere maatregel zou dienen te bewerkstelligen, dat ongehuwden die samenleven niet gunstiger worden behandeld dan gehuwden in vergelijkbare omstandigheden. Deze maatregel zal erop moeten neerkomen dat ongehuwd samenlevenden voortaan geen aanspraak meer kunnen maken op fiscale voorzieningen die zijn getroffen met het oog op een geringere draagkracht van ongehuwden wegens hun alleenstaan, te weten: -het verlichte ongehuwdentarief (een verhoogde belastingvrije som) voor personen van 35 jaar of ouder; -de toeslag op de belastingvrije som voor ongehuwden met kinderaftrek; -deaftrekonvollediggezin; -de buitengewonelastenaftrek voor één-oudergezinnen.

Daartoe zou een inperking moeten plaatsvinden van de groep belastingplichtigen die thans zijn ingedeeld in tariefgroep 3; een dergelijke inperking kan automatisch doorwerken voor de aan tariefgroep 3 gekoppelde verhogingen van de belastingvrije som. Inperking voor rangschikking onder tariefgroep 3 zou kunnen worden bereikt door de indeling in die tariefgroep meer toe te spitsen op belastingplichtigen die geen gemeenschappelijke huishouding voeren met anderen, niet zijnde eigen kinderen, aangehuwde kinderen of pleegkinderen, die in de termen vallen voor kinderbijslag. De buitengewonelastenregeling voor één-oudergezinnen zou moeten worden aangevuld in deze zin dat de uitgaven voor gezinshulp alleen meetellen voor zover zij betrekking hebben op de periode gedurende welke de belastingplichtige met zijn kind(eren) alleenstaat. Naast de op een huwelijk gelijkende alternatieve samenlevingsvormen doen zich voor wat betreft het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met een ander ook andere vormen van het voeren van zulk een huishouding voor. Te denken valt aan situaties waarin alleenstaande ouders met kinderen, of waarin broers, zusters, vrienden en vriendinnen samenwonen 4 zitting 1978-1979,14249, nr. 65. biz.4.

en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Ook in deze situaties komt 5 zitting 1978-1979.15417.

het voor dat de één kostwinner is voor de ander, of dat ieder van de huisge-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

noten in eigen levensonderhoud voorziet. De hiervoren vermelde zienswijze dat ongehuwden die in economisch opzicht in vergelijkbare omstandigheden verkeren als gehuwden ook fiscaal, voor wat betreft de tarieftoepassing, (nagenoeg) gelijk te behandelen zijn, zou meebrengen die gelijkstelling eveneens te doen gelden voor ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren. De kostwinnerspositie zou niet langs de weg van tariefgroepindeling behoeven te worden gehonoreerd in de gevallen waarin het bestaande heffingssysteem reeds met die kostwinnerspositie rekening houdt, te weten via de kinderbijslag/kinderaftrekregeling en via de regeling van buitengewonelastenaftrek ter zake van uitgaven voor levensonderhoud van naaste verwanten. De indeling in tariefgroep 4 wegens het zijn van kostwinner zou daarom niet behoeven te gelden voor gevallen waarin een ouder en diens kind(eren), of waarin broers, zusters, of broer en zuster samen een gemeenschappelijke huishouding voeren. Dit is de kring van verwanten behorende tot de rechte linie en de tweede graad van de zijlinie. Het is echter ook denkbaar voor samenwonen van volwassenen, behoudens ten aanzien van studerende kinderen, geen uitzondering te maken voor bepaalde familierelaties. Dan zou de tariefgroepregeling algemeen moeten gelden en zou de buitengewonelastenregeling daarbij moeten worden aangepast. De inperking van de rangschikking onder tariefgroep 3 van de niet als kostwinner voor een ander fungerende (oudere) ongehuwde -met andere woorden de indeling in tariefgroep 2 -, zou zich kunnen uitstrekken tot vrijwel alle gevallen van samenwonen, waarin een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd op niet-commerciële basis. Immers ook dan doet zich de voor indeling in tariefgroep 3 veronderstelde geringere draagkracht wegens hogere kosten van levensonderhoud (waaronder die van huisvesting) niet voor; die kosten worden gemeenschappelijk gedragen en zouden voorfiscale draagkrachtmeting moeten worden toegerekend aan meer dan één belastingplichtige. Zo bezien zou tariefgroep 3 niet behoeven te gelden voor de (ongehuwde) belastingplichtigen die bij voorbeeld als broer(s) en zuster(s) of als vrienden of vriendinnen samenwonen, alsmede voor alleenstaande ouders die samenwonen met kinderen die een eigen inkomenspositie hebben. Dit laatste impliceert dat aan indeling in tariefgroep 3 niet in de weg behoeft te staan een samenwonen met kinderen die voor hun levensond%rhoud afhankelijk zijn van de belastingplichtige, derhalve kinderen die in de termen vallen voor kinderbijslag. Met het oog op de gevallen waarin tot een één-oudergezin zowel een of meer jeugdige, voor hun levensonderhoud van de belastingplichtige afhankelijke, kinderen behoren als een of meer kinderen die een eigen inkomenspositie hebben, kan het wellicht aanbeveling verdienen de overgang van tariefgroep naar tariefgroep 2 -waarmee in bepaalde situaties het vervallen van de «aftrekonvollediggezin» gepaard zou kunnen gaan -nader te regelen. Ter voorkoming van een te abrupte overgang wanneer één van de kinderen zelf inkomen gaat verwerven, zou de teruggang naar tariefgroep 2 kunnen worden uitgesteld tot de meerderjarigheid van dat kind. Nadien is er in redelijkheid geen motief meer de indeling in tariefgroep 3 van de ouderte handhaven. Deze voert dan immers een gemeenschappelijke huishouding met een volwassene met een eigen inkomenspositie.

Aan indeling in tariefgroep 3 zou niet in de weg behoeven te staan een samenwonen in zakelijke betrekkingen. Hierbij valt te denken aan een samenwonen van werkgever en werknemer zoals een weduwnaar en diens huishoudster (welke relatie tot uitdrukking komt in het verstrekken van loon, waaronder huisvesting en voeding), alsmede aan een samenwonen van hospita en kostgangers (welke relatie tot uitdrukking komt in een commerciële prijs voor de huisvesting en voeding). Tariefgroep 3 zou zo beperkt kunnen blijven tot de daadwerkelijk alleenstaande belastingplichtigen, dat wil zeggen tot belastingplichtigen die niet samenwonen met anderen dan wel uitsluitend met eigen kinderen, aangehuwde kinderen of pleegkinderen, die Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

minderjarig zijn dan wel meerderjarig zijn doch in de termen voor kinderbijslag vallen. Een in vorenbedoelde zin aanzienlijk beperkte mogelijkheid tot rangschikking onder tariefgroep 3 zou mede om praktische redenen -voorkoming van ongewenste manipulaties -niet afhankelijk moeten worden gesteld van de toestand op een bepaald tijdstip. Met het oog daarop zou een meer substantieel criterium moeten worden gehanteerd, te weten het voldoen aan de gestelde voorwaarden gedurende een zekere periode, bij voorbeeld gedurende ten minste de helft van het jaar. Aldus zou tariefgroep 3 voorbehouden blijven aan (enigszins) duurzaam alleenstaande ongehuwden van 35 jaar of ouder en de met hen gelijkgestelde jongere ongehuwden die gehuwd geweest zijn dan wel duurzaam gescheiden leven of die kinderaftrek genieten dan wel geacht worden te genieten. De vraag of laatstbedoelde gelijkstelling zou moeten worden doorgetrokken tot de jongere ongehuwden die zonder gehuwd te zijn geweest duurzaam met een ander hebben samengeleefd, dient mede om praktische redenen ontkennend te worden beantwoord. Voor jongere ongehuwden zou zich een duurzaam samenleven buiten huwelijk volgens vorenstaande uiteenzetting fiscaal alleen manifesteren in de kostwinnerssituatie, dus in de situatie waarin de ene partner voorziet in het levensonderhoud van de ander en deswege indeling in tariefgroep 4 claimt. Zou die kostwinnerssituatie zich niet hebben voorgedaan (hetgeen bij andere samenlevingsvormen dan het huwelijk relatief meer zal voorkomen dan bij huwelijken), dan zijn omtrent de aard en de duurzaamheid van de verbroken relatie geen gegevens voorhanden, hetgeen een beletsel vormt daarmede fiscaal toch rekening te houden.

Duidelijk is dat een inperking van tariefgroep 3 een spanningsveld zal doen ontstaan tussen belastingplichtigen en de fiscus in gevallen waarin een belastingplichtige het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding ontkent, terwijl er een wonen op een gemeenschappelijk adres is. Ter wille van een evenwichtiger belastingheffing zullen deze uitvoeringsmoeilijkheden moeten worden aanvaard. Mogelijk vallen zij in de praktijk mee. Van belang hierbij is dat ongehuwden die samenleven niet vóór het bereiken van een bepaalde leeftijd -waarvoor in het vorenstaande de thans geldende leeftijdsgrens van 35 jaar is aangehouden -in tariefgroep 3 kunnen vallen, tenzij zij eerder gehuwd zijn geweest of recht hebben op kinderbijslag/kinderaftrek. In de tweede plaats zal de aanwezigheid van kinderen de mogelijkheid tot manipuleren beperken. Wanneer twee ongehuwden elk stellen dat een bepaald kind tot hun huishouden behoort, dan houdt dat tevens in dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren. Gelijkschakeling van samenlevingsverbanden voor de heffing van loon-en inkomstenbelasting met het huwelijk zou per saldo tot een budgettaire bate leiden. De omvang daarvan is zeer moeilijk te ramen omdat geen gegevens voorhanden zijn over het aantal gevallen waarin -daar waar geen kinderen zijn -de kostwinnersrol wordt vervuld door een alleenverdiener dan wel -daar waar wel kinderen zijn -zich aftrekmogelijkheden voordoen welke voor echtparen niet zijn weggelegd. Naar globale schatting zal de budgettaire bate in de orde van grootte van f 75 min. liggen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

VI. De opzet van een nieuw stelsel

A. Inleiding

In hoofdstuk II is een aantal positieve en negatieve kanten van het huidige stelsel weergegeven. Daarbij is naar voren gekomen, dat met de thans bestaande beperkte verzelfstandiging een niet in alle opzichten geslaagde verzoening is bereikt tussen twee verschillende grondgedachten, namelijk de gedachte van de gezinsdraagkracht (de draagkracht van een echtpaar als economische eenheid) en de gedachte van de fiscale zelfstandigheid van de buiten het gezin werkende gehuwde vrouw. De voornaamste bedenkingen zijn: a. de ongelijke behandeling van de echtgenoten door het fiscale rollenpatroon; de ongelijke behandeling komt tot uiting door de toekenning van een hoge belastingvrije som aan de gehuwde man (f 10070) en een lage belastingvrije som aan de gehuwde vrouw (f 2017), en in de toerekening aan de ge huwde man van alle inkomensbestanddelen van zijn echtgenote met uitzondering in het algemeen van die uit tegenwoordige arbeid; b. de starheidvan de fiscaleroltoedeling; voor een echtpaar bestaat alleen een mogelijkheid van tariefgroepwisseling (dat wil praktisch zeggen: wisseling van de belastingvrije sommen) indien het inkomen van de man lager is dan de voor hem geldende belastingvrije som; ook ontbreekt de mogelijkheid om aan de vrouw andere inkomensbestanddelen dan die uit tegenwoordige arbeid toe te rekenen, met name negatieve inkomensbestanddelen zoals hypotheekrente en buitengewone lasten; c. de beperkte omvang van de verzelfstandiging, omdat met name de pensioenen daarin niet delen.

Deze bedenkingen hebben mede de vraag doen rijzen of het bestaande wettelijke stelsel nog wel beantwoordt aan de in de maatschappij heersende gevoelens omtrent een rechtvaardig systeem van belastingheffing en dan in het bijzonder van hen die -ook op het fiscale terrein -de gelijkheid van man en vrouw willen beleven. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat het bestaande stelsel -althans voor wat betreft dat gedeelte -aan herziening toe is. Wel dientreeds bij de aanvang van dit gedeelte van het betoog -te worden opgemerkt dat het op meer geëvolueerde wijze tot uitdrukking brengen van de emancipatiegedachte in het belastingrecht niet synoniem is met het indienen van een plan tot belastingverlaging! Het lijkt wenselijk de herziening van het nu bestaande stelsel toe te lichten aan de hand van een aantal kernpunten, die ten dele al in de hoofdstukken II, III en V aan de orde zijn gesteld. De kernpunten, waaraan het herziene stelsel zal moeten beantwoorden, luiden -in volgorde van prioriteit -als volgt:

  • Het stelsel zal moeten tegemoet komen aan gerechtvaardigde verlangens naar een gelijke behandeling van man en vrouw. Die verlangens houden niet alleen in dat de formule discriminatie tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen moet worden opgeheven, maar ook, dat de beide partners, voor zover mogelijk, daadwerkelijk gelijk worden behandeld. 2. Het stelsel dient aan te sluiten bij de huidige maatschappelijke situatie, maar zal daarnaast een zo goed mogelijk uitgangspunt moeten bieden voor aanpassing aan te verwachten maatschappelijke ontwikkelingen. Wat de huidige maatschappelijke situatie betreft valt vooral te denken aan de algemeen levende wens tot erkenning van het door de partners zelf geko-

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

zen rollenpatroon. De erkenning daarvan in het fiscale recht zou moeten in-houden dat de fiscus zich zo neutraal mogelijk tegenover de door de partners zelf gekozen situatie opstelt. De in ons land bestaande feitelijke situatie op het gebied van de verdeling van betaalde arbeid, zowel wat betreft de duur als wat betreft de beloning, mag daarbij niet uit het oog worden verloren. De situatie is thans dat -voor zover bekend -in niet meer dan ongeveer 25% van alle huwelijken beide partners betaalde arbeid verrichten. Bovendien komt in die groep van 25% een grote variëteit voor in de verhouding tussen de hoogte van de arbeidsinkomens van de partners. Niet alleen met de huidige situatie ten aanzien van het verrichten van arbeid door de partners, maar ook met de maatschappelijke ontwikkelingen op het hiervoor al vermelde terrein van de verdeling van betaalde arbeid en op het gebied van de sociale verzekeringen moet rekening worden gehouden. Daarbij mag nog worden gewezen op de uitgangspunten welke ten grondslag liggen aan de adviesaanvrage over het beleid inzake de positie van de vrouw met betrekking tot de arbeid, welke door de vorige Regering in juni 1976 is gericht aan de Sociaal-Economische Raad en aan de Nationale Adviescommissie Emancipatie.

1 In Richtlijn 79/7 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid (P.B. nr. L 6 van 10-1-1979, blzz. 24 en 25) komt de aanwijzing voor dat binnen een termijn van zes jaren de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking dienen te treden om aan deze richtlijn te voldoen. Zie in dit verband ook de op 28 mei 1979 door Staatssecretaris De Graaf van Sociale Zaken gegeven antwoorden op vragen van onderscheidenlijk de Tweede-Kamerleden Epema-Brugman, Salomons en Haas-Berger (nr. 1268) en het Tweede-Kamerlid Beckers-de Bruijn (nr 1270), Handelingen Tweede Kamer, zitting 1978-1979, Aanhangsel, blzz. 2517 en 2521. 2 Zie memorie van toelichting op de begroting 1977 van het Ministerie van Sociale Zaken, zitting 1976-1977,14100, hoofdstuk XV, nr. 2, blz. 18enblz.52.

  • Het stelsel zal de heffing van individuele subjecten als uitgangspunt moeten hanteren. Door in principe uit te gaan van de heffing van individuen in plaats van gezinnen, wordt recht gedaan aan de maatschappelijke behoefte naar ook fis -cale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw. Deze maatschappelijke behoefte is, sinds zij in 1973 in het fiscale bestel haar neerslag vond, nog duidelijker kenbaar geworden. Vertrek vanuit dit uitgangspunt zal evenwel thans nog niet kunnen leiden tot een volledige individualisering van de inkomstenbelasting. De overgang van het huidige stelsel -dat berust op het denkpatroon dat de man de kostwinner is van het gezin, aan wie ook alle overige in-komensbestanddelen worden toegerekend -naar een stelsel dat de gezinsrelatie geheel buiten beschouwing laat, zou een stap zijn die in strijd zou komen met het hiervoor onder 2 vermelde kernpunt. Het door de partners in-genomen rollenpatroon mag fiscaal niet worden miskend. Zo behoort met name in de gevallen waarin één der partners geen betaalde arbeid verricht er een fiscale erkenning te zijn van het feit dat de andere partner in het levensonderhoud van beiden voorziet. Erkenning van de rol van degene die zijn inkomen mede voor de ander inbrengt, waarbij echter de kostwinnersgedachte niet voorop staat.
  • Het stelsel zal -voor wat betreft het tarief -geen onderscheid mogen maken tussen gehuwden en ongehuwden die, afgezien van de huwelijksband, feitelijk in vergelijkbare omstandigheden verkeren (een gemeenschappelijke huishouding voeren). Dit punt stoelt op de overweging dat een evenwichtiger behandeling van belastingplichtigen inhoudt dat ongehuwden die door duurzaam samen te leven of samen te wonen in economisch opzicht in een zelfde situatie verkeren als gehuwden, doch wier feitelijk relatie geen wettelijke basis heeft, ten aanzien van het tarief niet anders -zowel in gunstige als in ongunstige zin -dienen te worden behandeld dan gehuwden. Tot op heden is bij de beoordeling van de draagkracht -voor wat betreft de indeling in tariefgroepen -uitsluitend uitgegaan van formele, civielrechtelijke, situaties, zij het dat een duurzame feitelijke verbreking van de huwelijksrelatie (het duurzaam gescheiden leven) wèl al reeds vele jaren in aanmerking werd genomen. Dit uitgangspunt paste, voor wat betreft samenlevingsvormen, bij een maatschappij waarin de feitelijke relaties nagenoeg steeds formeel werden bevestigd. Nu er een ontwikkeling valt te constateren in de richting dat meer dan voorbijgaande feitelijke relaties niet meer steeds formeel worden bevestigd, lijkt de tijd gekomen om bij de draagkrachtbeoordeling ook van de feitelijke, niet formeel vastgelegde, duurzame relaties uit te gaan. Een en ander behoeft evenwel niet zo ver te gaan dat ook ten

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

aanzien van de toerekening van inkomensbestanddelen samenlevende of samenwonende ongehuwden op dezelfde wijze worden behandeld als de gehuwden. Waar de heffing van het individu als uitgangspunt van het stelsel geldt, zou dat een stap terug betekenen. De oplossing die voor de problematiek van de ongehuwd samenwonende wordt gekozen bij heTtarief voor de loon-en inkomstenbelasting, dus in de sfeer van de draagkrachtmeting over betrekkelijk korte perioden, mag niet bij voorbaat als richtsnoer worden gezien voor oplossingen op andere beleidsgebieden, zelfs niet voor andere delen van het fiscale recht. De aard van het gebied is mede bepalend voor de te kiezen oplossing. Zo kan men zich indenken dat voor een incidentele heffing als het successierecht stringentere normen dienen te worden aangelegd dan voor de jaarlijks weerkerende inkomstenbelasting. Voor andere gebieden van Regeringsbeleid, zoals bij voorbeeld de sociale voorzieningen, geldt dit in minstens even sterke mate.

  • Het stelsel zal goed uitvoerbaar moeten zijn. Dit punt mag niet worden onderschat. Het kan op zichzelf theoretisch «fraaie» oplossingen blokkeren. Men kan de uitvoerbaarheid van een wet van twee zijden bezien. Bezien van de zijde van de belastingplichtigen is het van belang dat het stelsel eenvoudig te begrijpen is, geen overbodige rompslomp meebrengt en dat het de verdieners van een arbeidsinkomen zo weinig mogelijk confronteert met aanslagen achteraf in de inkomstenbelasting (met aanzienlijke saldi te betalen of -eveneens onaantrekkelijk"terug te geven). Maar ook de belastingdienst heeft belang bij de hiervoor vermelde punten. Regelingen met veel administratieve complicaties, met de daaraan verbonden hoeveelheid werk, zullen zoveel mogelijk moeten worden vermeden.
  • Het stelsel zal bij invoering geen -relatief -te grote schokken voor de overgrote meerderheid van de individuele belastingplichtigen mogen opleveren.

B. Schets van een nieuw stelsel Hierna volgt een schets van een stelsel dat op een zo evenwichtig mogelijke wijze tegemoet komt aan de gestelde eisen. (Hierbij is uitgegaan van de hoogte van de belastingvrije sommen en toeslagen zoals deze, ingeval het stelsel voor het jaar 1979 zou worden toegepast, zouden moeten gelden). De kinderaftrek wordt in deze schets niet ter sprake gebracht in verband met de zogeheten derde fase van de herstructurering van de kinderbijslag en de kinderaftrek. Verder blijven de arbeidsongeschiktheidsaftrek en de bejaardenaftrek buiten beschouwing; daaraan zal, zoals reeds te kennen is gegeven in bijlage III, paragraaf 4, van Bestek '814, aandacht worden geschonken in het kader van de problematiek van de netto-ontwikkeling van de sociale uitkeringen.

B-I. Globaal overzicht van de opzet Inkomenstoerekening 1. Toerekening van de inkomsten uit tegenwoordige en vroegere arbeid aan de gehuwde man of vrouw die de arbeid heeft verricht. Met inkomsten uit arbeid worden in dit verband niet alleen bedoeld looninkomsten en dergelijke, maar ook winst uit onderneming en de aan een partner toegereken-de winst wegens het meewerken in de onderneming van de echtgenoot. Handhaving van de huidige regeling inzake de toerekening van winst wegens het meewerken in de onderneming van de echtgenoot, zij het dat het algemene minimumbedrag zal worden gesteld op f 4964 en het maximumbedrag bij in belangrijke mate meewerken op f 8274. 2. Toerekening van alle andere inkomensbestanddelen van de gehuwde man en vrouw (zoals positieve en negatieve vermogensinkomsten, winst of 3 Zitting 1978-1979.15683.

verlies uit aanmerkelijk belang, persoonlijke verplichtingen, buitengewone * Zitting 1977-1978,15081. lasten en giften) aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Tarief 3. Toepassing van één -algemene -tabel (schijventarief). 4. Uitdrukking van de draagkrachtverschillen in belastingvrije sommen, waarbij geen onderscheid zal worden gemaakt tussen gehuwden en ongehuwd samenlevenden of samenwonenden die overigens in dezelfde situatie -het duurzaam deelgenoot zijn van andere vormen van leefverband -verkeren.

Totale belastingvrije som

Groep 1: vervalt. Groep 2: algemene belastingvrije somvoor jongere ongehuwdenvoor oudere ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voerenvoor gehuwden Groep 3: algemene belastingvrije som

f 6 042 toeslag

2014

  • voor alleenstaande oudere ongehuwdenvoor alleenstaande jongeren ongehuwden die gehuwd zijn geweestvoor alleenstaande jongere ongehuwden die recht op kinderbijslag hebben aanvullende toeslag

f 2 014

  • voor alleenstaanden die recht op kinderbijslag hebben Groep 4: algemene belastingvrije som toeslagvoor gehuwden en ongehuwden die duurzaam met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren en die nagenoeg geheel voorzien in het levensonderhoud van hun partner extra toeslag-Aftrek onvolledig gezin Deze geldt voor een in groep 3 gerangschikte alleenstaande die buitenshuis werkt, recht op kinderbijslag heeft voor een kind dat jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, en geen recht op kinderbijslag heeft voor een kind dat werkt (c.q. meewerkt) in zijn huishouden: 'Wan de opbrengst van de arbeid buitenshuis, doch maximaal

f

6042

8056

f 10070

f 6 0424028

f 10070

f

3226

Voetoverheveling 5. Ingeval een der partners de belastingvrije som van f 6042 niet volmaakt, kan het onbenutte deel daarvan, op verzoek van beide partners, worden overgeheveld naar de andere partner. Deze overheveling kan maximaal f 4028 bedragen.

Maritale

verliescompensatie 6. Ingeval de inkomensberekening van een gehuwde, niet duurzaam gescheiden, belastingplichtige leidttot een negatief bedrag (verlies), wordt dit verlies, op verzoek van beide echtgenoten, voor zover mogelijk in mindering gebracht op het (positieve) inkomen van de andere echtgenoot in hetzelfde jaar.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Peildatum/referentieperiode 7. De toeslag op de algemene belastingvrije som wegens indeling in groep 3 of groep 4 zal onder meer afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de belastingplichtige gedurende ten minste de helft van het belastingjaar heeft voldaan aan het materiële criterium voor die toeslag.

Overgangsmaatregel 8. Geleidelijke invoering van de wijziging in belastingvrije sommen op een termijn van drie jaren ten einde relatief grote schokken voor de belastingplichtigen te voorkomen.

B-H. Algemene toelichting op de opzet Algemeen a. Het stelsel heeft als doel: -de fiscale ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op te heffen; -daarbij aan te sluiten op de huidige maatschappelijke situatie, maar ook een zo goed mogelijk uitgangspunt te vinden voor de aanpassing aan maatschappelijke ontwikkelingen; -de individuele benadering van de belastingplichtigen (zonder thans volledige verzelfstandiging te bereiken); -het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden op te heffen voor wat betreft het tarief; -dat alles op een goed uitvoerbare manier en -zonder bij invoering grote schokken voor het grootste deel van de contribuabelen te veroorzaken.

Inkomenstoerekening b. In het kader van de fiscale gelijkstelling van de gehuwde man en de gehuwde vrouw zou een volledige individualisering van alle inkomensbestanddelen, zowel positieve als negatieve, passen. Voor wat betreft het inkomen uit arbeid is, althans ten aanzien van dat uit tegenwoordige arbeid, die individualisering al tot stand gebracht. Gelet op de in een brede kring van de maatschappij levende verlangens in die richting, dient die individualisering te worden doorgetrokken tot pensioenen. De omschrijving van het begrip «pensioen» zal, zoals in het onderdeel «Uitbreiding van de beperkte verzelfstandiging tot pensioenen» van hoofdstuk III al is aangegeven, ruim dienen te worden geformuleerd, zulks overeenkomstig de daaromtrent in de maatschappij levende verlangens. Naast de inkomsten uit vroeger door de genieter persoonlijk verrichte arbeid zullen ook weduwenpensioenen alsmede een aantal door de loonbelastingbepalingen als pensioen aangemerkte inkomsten onder het begrip moeten kunnen vallen. Een uitzondering dient evenwel te worden gemaakt voor de kostwinnersvergoedingen en de lijfrentetermijnen. Voor zover zonder meer duidelijk zou zijn dat lijfrentetermijnen voortvloeien uit een als ondernemer bedongen stamrecht, zou het aanmerken van die termijnen als pensioen geen bezwaar behoeven te ontmoeten. Terloops zij vermeld dat de huidige formulering van art. 44k, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (dat bepaalt dat fiscale oudedagsreserve in geval van een deelgenootschap tussen echtgenoten alleen mag worden gevormd door de man, zij het over de gezamenlijke winst) een toetsing aan de beginselen van de emancipatie in feite niet kan doorstaan en wellicht zal dienen te worden herzien. Ten slotte zij opgemerkt dat door de verzelfstandiging van de pensioenen de partners in voorkomende gevallen een belastingvrije som van 2 x f 6042 in plaats van 1 xf 10070 zullen gaan genieten, alhoewel van een verliesvan besparende werking van de huishoudelijke arbeid door het buitenshuis werken in deze gevallen geen sprake is. Dit roept de vraag op of na invoering van het nieuwe stelsel in de toekomst nog wel een verschil in belastingvrije sommen moet blijven bestaan, met andere woorden of redelijkerwijs ge-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

i

5 Ex artikel 34 van de Dienstplichtwet en art. 26 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. 6 Ex art. 19 of art 44f, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

handhaafd zal kunnen blijven het op de besparende werking van de huishoudelijke arbeid van één of beide partners terug te voeren verschil tussen de belastingvrije voet van de alleenverdiener en het totaal van de belastingvrije sommen van twee verdienende partners (zie hierna bij letter e). Met name indien een verzelfstandiging van de AOW-pensioenen tot stand komt, zal deze vraag actueel worden ongeacht de hoogte van het individuele pensioen van huwelijkspartners.

Voor wat betreft de overige inkomensbestanddelen (zoals inkomsten uit vermogen, persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en dergelijke) is de tijd tot individualisering (nog) niet rijp. Een volledige individualisering zou moeten inhouden een persoonlijke toerekening van alle inkomensbestanddelen. De maatschappelijke situatie laat dit nog niet toe. Thans komt in zeer grote mate het patroon voor dat het gezinsinkomen door één partner wordt aangebracht en dat daaruit alle of nagenoeg alle lasten worden gefinancierd. In de overige gevallen ziet men veelal het patroon dat één partner het hoofdinkomen verdient en dat de andere partner alleen additioneel inkomen aanbrengt. De gevallen waarin aan het gezinsinkomen door de beide partners méér dan additioneel wordt bijgedragen, doen zich in niet beduidende mate voor. Volledige individualisering in de gevallen waarin er in een huwelijk sprake is van een «alleenverdiener» zou ertoe leiden dat -behalve in gevallen met hoge vermogensinkomsten -het inkomen van de niet werkende partner meestal nihil, vrijwel nihil ofbij voorbeeld door rentebetalingen -negatief zou zijn. In al dezegevallen zouden administratieve ingrepen als overheveling van (een deel van) de belastingvrije som naar de verdienende partner, al dan niet gekoppeld met een overheveling van het negatieve inkomen (maritale verliescompensatie), niet achterwege kunnen blijven.

Hetzelfde geldt, zij het in wat mindere mate, voor de gevallen waarin één der partners additioneel inkomen aanbrengt. In al die gevallen zou de uiteindelijke uitkomst in de praktijk dan veelal dezelfde zijn als wanneer de overige inkomensbestanddelen rechtstreeks waren toegerekend aan de partner met het (hoogste) arbeidsinkomen. De praktische oplossing voor deze gevallen zou waarschijnlijk worden gevormd door rechtstreekse toerekening van de overige inkomensbestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen (dus ongeacht het geslacht). Waar het hier gaat om het merendeel van alle huwelijken, lijkt het -zolang die situatie zich voordoet-de aangewezen oplossing om deze toerekeningsregel algemeen geldend te maken. Een tweede praktisch argument voor zo een toerekening zou kunnen worden gevonden in de overweging dat deze toerekening fiscale problemen rondom de verdeling van de overige inkomensbestanddelen tussen de echtgenoten voorkomt. Hoewel de voorgestelde oplossing -door de toerekening van de aftrekposten aan het hoogste inkomen -in verreweg de meeste gevallen voordeliger zal werken dan bij voorbeeld een toerekening bij helfte, kleven aan een stelsel van toerekening van de overige inkomensbestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen toch enkele bezwaren, die voorshands niet zijn te ondervangen, te weten: -In de gevallen waarin het arbeidsinkomen van de beide partners van wezenlijke betekenis is komen, met name in het geval van -per saldo -negatieve inkomensbestanddelen, de lasten in mindering op één inkomen, terwijl aannemelijk is dat zij uit beide inkomens zijn gefinancierd. De toerekening kan een progressienadeel opleveren voor de betrokkenen, maar anderzijds levert het hun het voordeel op van lagere drempels voor buitengewone lasten en giften (zij het ook het nadeel van een lager giftenplafond). Zoals is vermeld, doet dit soort gevallen zich (nog) betrekkelijk weinig voor. Indien zij zich (steeds) meer zouden gaan voordoen, zou dat een aanleiding kunnen zijn om zich in de toekomst op het thans voorgestelde stelsel nader te bezinnen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

-In de gevallen van huwelijken waarin een huwelijksgoederenregime geldt dat gemeenschap van goederen uitsluit en één partner een groot vermogen bezit, doet het «gewrongen» aan dat de opbrengst van dat vermogen wordt toegerekend aan de andere partner, omdat die het hoogste of enige arbeidsinkomen geniet (dat bovendien in concreto zeer laag kan zijn). Het zal hier overigens om een gering aantal gevallen gaan. Hierom en gelet op het grote -praktische -nut van het voorgestelde stelsel, zal in dit bezwaar dienen te worden berust. Ook dit bezwaar gaat over bij een volledige individualisering. Ten slotte zij nog vermeld dat zich gevallen zullen voordoen waarin geen van de echtgenoten in het genot is van arbeidsinkomen. In die gevallen zal een andere norm voor de toerekening van de overige inkomensbestanddelen moeten worden gesteld. Een oplossing is om de keuze aan de betrokkenen over te laten, dan wel -bij gebrek aan een eensluidende keuze -aan de inspecteur. Meewerken in de onderneming van de echtgenoot c. De huidige regeling van de toedeling van winst wegens het meewerken in de onderneming van de huwelijkspartner kan gehandhaafd blijven. De regeling lijkt in de praktijk bevredigend te functioneren. Er is wel aanleiding om de regeling bij het voorgestane stelsel van belastingheffing op een tweetal punten aan te passen. 1. Nu de belastingvrije som van elk der huwelijkspartners gelijk zal zijn, in casu f 6042, kan worden teruggekomen op de herziening van de minimumbeloning. Deze mini mum beloning, die oorspronkelijk -voor 1973-f 3188 bedroeg, is met ingang van 1 januari 1974 teruggebracht tot een bedrag nagenoeg gelijk aan de belastingvrije som voor de gehuwde vrouw om te voorkomen dat bij een inkomen van de man, dat beneden zijn belastingvrije som bleef, toch nog belasting bij zijn echtgenoot zou worden geheven. Die kans is in de nieuwe opzet van voor man en vrouw geldende gelijke belastingvrije sommen, gezien de hoogte daarvan, niet aanwezig, ook niet in het omgekeerde geval van een meewerkende man. Herstel van de oude verhouding tussen maximum-en minimumbeloning zou voor 1979 een minimumbeloning opleveren van f 4964 (1/5 van f 24823). 2. Herziening van het bedrag van de minimumbeloning tot f 4964 leidt ertoe dat dit bedrag nagenoeg gelijk wordt aan het thans geldende maximum voor de beloning bij in belangrijke mate meewerken (f 4968). Dit maximumbedrag is achtergebleven bij de maximumbedragen voor de andere gevallen van meewerken. Ten einde de nodige speelruimte in de aftrek volgens het in belangrijke mate meewerken te behouden, ware het daarvoor geldende maximum te verhogen tot een bedrag van f 8274 (1/3xf 24823).

Belastingvrije sommen (algemeen) d. Evenals in het huidige systeem het geval is, kan de in de belastingvrije sommen tot uitdrukking komende draagkracht van twee gehuwde, buitenshuis werkende partners gelijk worden gesteld aan de draagkracht van twee jongere ongehuwden (dat wil zeggen: de ongehuwden, waarvan -als groep -wordt aangenomen dat zij voor het merendeel de fase van volledige maatschappelijke zelfstandigheid, zoals die voor de oudere ongehuwden wordt verondersteld, nog niet hebben bereikt). Om elk van de gehuwde partners gelijkte behandelen dienen zij /ederdezelfde belastingvrije som als een jongere ongehuwde te krijgen. De huidige belastingvrije som van een jongere ongehuwde bedraagt f 5843. Toekenning van deze belastingvrije som aan gehuwden zou voor twee buitenshuis werkende echtgenoten te zamen een teruggang inhouden, omdat zij thans gezamenlijk een belastingvrije voet hebben van f 12087 (f 10070 + f 2017) in plaats van f 11686(2 xf 5843). Zulk een teruggang, in combinatie met de gelijkschakeling van de belastingvrije voeten van de gehuwde man en vrouw, welke gelijkschakeling op zich veelal de belastingdruk ' Zie hoofdstuk II. 8 Zie de discussie met het Tweede-Kamerlid Portheine tijdens de behandeling van het Belastingplan 1979; Handelingen Tweede Kamer, zitting 1978-1979, blzz. 1874en 1974.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

op een buitenshuis werkend echtpaar reeds doet toenemen, zou, zoals hierna nog zal worden toegelicht, moeilijk zijn te verdedigen. Beter is daarom aan iedere gehuwde man of vrouw een belastingvrije som toe te kennen van f 6042 (ongeveer de helft van f 12087)9. De belastingvrije som van de jongere ongehuwde belastingplichtige dient dan te worden opgetrokken, waardoor er één, algemene, belastingvrije som komt van f 6042.

Alleenverdieners e. Indien van een echtpaar één van de beide partners géén betaalde arbeid verricht (dan wel beiden niet werken en slechts één partner het inkomen aanbrengt) moet er rekening mee worden gehouden dat de buitenshuis werkende (c.q. de inkomensgenietende) partner voorziet in het levensonderhoud van de andere partner. Deze situatie is niet aan het geslacht gekoppeld. De «alleenverdiener» zal zich moeten kwalificeren door aan te tonen dat hij of zij geheel of nagenoeg geheel voorziet in het levensonderhoud van de ander. Indien dit gebeurt, kan het «alleenverdienerschap» worden gewaardeerd met een toeslag van f 4028 op de algemene belastingvrije som van f 6042, waardoor een zelfde belastingvrije voet kan worden bereikt als thans het geval is: f 10070. Het verschil tussen deze belastingvrije voet en het totaal van de belastingvrije sommen van twee werkende partners (2 x f 6042) is terug te voeren tot het in Nederland al jarenlang onderkende verschil in draagkracht ten gevolge van de besparende werking van de huishoudelijke arbeid van één of beide partners.

Samenleven of -wonen f. Bij twee niet gehuwde maar wel duurzaam samenlevende of een gemeenschappelijke huishouding voerende belastingplichtigen kan, voor wat betreft de tarieftoepassing, de draagkracht op dezelfde wijze tot uitdrukking komen als bij een echtpaar. Ook voor hen geldt: -een belastingvrije som van f 6042 voor ieder; -ingeval één van beiden geen inkomen heeft een belastingvrije som van f 10070 voor de «alleenverdiener»; -de mogelijkheid van (gedeeltelijke) voetoverheveling ingeval één der partners zijn belastingvrije voet niet volmaakt.

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk al is gezegd, zou een verder gaande gelijkschakeling van gehuwden en ongehuwden, die zou inhouden dat de toerekeningsregels voor niet-arbeidsinkomsten ook van toepassing zouden worden, voor ongehuwden een stap terug zijn op de weg naar individualisering. In een apart onderdeel zal uitgebreider worden ingegaan op het belasten van ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren. Voor wat betreft de «alleenverdiener» zal de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding voorop moeten staan; in verband daarmede zal als voorwaarde moeten gelden dat de gemeenschappelijke huishouding bij de aanvang van het jaar van belastingheffing ten minste twaalf maanden moet hebben bestaan.

De oudere ongehuwde

belastingplichtigen g. Bij verhoging van de belastingvrije som van de jongere ongehuwde belastingplichtige (tariefgroep 2) behoort de hoogte van de belastingvrije som van de oudere ongehuwde belastingplichtige (tariefgroep 3) te worden bezien. De vraag naar de juistheid van de hoogte van de leeftijdsgrens (thans 35 jaar) komt daarbij (weer) op. Ervan uitgaande dat via deze belastingvrije som het feit wordt erkend dat de tot deze groep behorende belastingplichtigen -in het nieuwe stelsel -een eigen huishouden voeren, kan boven de belastingvrije som van f 6042 een toeslag worden verleend van f 2014, waardoor voor deze groep een belastingvrije voet van f 8056 gaat gelden (thans: f 7855). Evenals thans kunnen -overigens onder dezelfde omstandigheden, te weten het voeren van een eigen huishouding -tot deze categorie worden gerekend de belasting-9 Het bedrag van f 6042 is gekozen met het oog op de trits f 2014 -f 4028 -f 6042.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

plichtigen die jonger zijn dan 35 jaar en gehuwd zijn geweest, dan wel duurzaam gescheiden leven, of recht op kinderbijslag hebben. Het verschil in draagkracht tussen oudere en jongere ongehuwden is regelmatig in de parlementaire discussies aan de orde geweest. Tot het jaar 1967 gold één tarief voor alle ongehuwden. Met ingang van dat jaar werd het tarief voor oudere ongehuwden enigszins verlaagd om zodoende het verschil in draagkracht tussen de veelal maatschappelijk zelfstandige, oudere ongehuwden en de als regel maatschappelijk wat minder zelfstandige, jongere ongehuwden tot uitdrukking te brengen. De leeftijdsgrens, die een min of meer arbitrair karakter heeft, werd in 1967 gelegd bij 40 jaar. In 1973 is deze grens verlaagd tot 35 jaar. Bij de behandeling van het Belastingplan 1975 heeft de Tweede Kamer de motie-Vermaat c.s. aanvaard. In deze motie wordt de Regering uitgenodigd de leeftijdsgrens in de toekomst verder te verlagen. Tot op heden is aan dit verlangen geen gevolg gegeven in verband met de omvang van het daarmee gemoeide budgettaire offer. In het kader van de voorgestelde regelingen behoeft de leeftijdsgrens niet te worden gewijzigd, al heeft een verlaging van de leeftijdsgrens van 35 tot 30 jaar wel mijn sympathie.

Voetoverheveling h. In een stelsel van gelijke belastingvrije sommen voor de huwelijkspartners, waarop een toeslag wordt verleend voor de partner die (volledig) in het levensonderhoud van de andere partner voorziet, past een regeling voor het geval één der partners een inkomen geniet dat beneden zijn belastingvrije som blijft, terwijl het inkomen van de andere partner diens belastingvrije som overtreft. Tot dusverre deed het probleem van de onbenutte vrije voet zich maar een enkele maal voor; de consequenties waren niet ernstig door de lage «vrouwenvoet» en de hoge «mannenvoet», in combinatie met de rolwisseling. Door de optrekking van de «vrouwenvoet» van f 2017 tot f 6042 zou het probleem zich vaker gaan voordoen. Daarbij zou rolwisseling geen uitkomst kunnen bieden, omdat er dan geen verschil in belastingvrije som voor de vrouw of de man meer zou zijn; er zou dan slechts één algemene voet van f 6042 zijn. De oplossing ligt in een (gedeeltelijke) overheveling van de onbenutte vrije voet naar de partner met het hoogste (arbeids)inkomen. Deze voetoverheveling zal bij de partner met het hoogste inkomen maximaaltot' een totale belastingvrije som kunnen leiden gelijk aan die van een «alleenverdiener» (f 10070). Een en ander zou maken dat voor twee partners, waar-van bij de partner met de onbenutte voet het arbeidsinkomen (waaronder ook winst uit onderneming etc.) meer dan f 2014 bedraagt, het totaal van hun belastingvrije sommen f 12084 zou bedragen. Indien dat arbeidsinkomen beneden de f 2014 zou blijven, zouden de belastingvrije sommen voor hen te zamen gaan bedragen f 10070 vermeerderd met het bedrag van dat (lage) arbeidsinkomen. Voor ongehuwde samenwonenden, waarvan de partner met de onbenutte voet een inkomen heeft dat uitsluitend bestaat uit andere inkomsten dan die uit arbeid, zou het totaal van hun belastingvrije sommen f 10070 kunnen gaan bedragen. Op de techniek van de voetoverhevelingdie dus nooit de gehele voet kan betreffen -wordt hierna in een apart onderdeel ingegaan.

Maritale

verliescompensatie i. Alhoewel maritale verliescompensatie (het negatieve inkomen van de ene echtgenoot als een verrekenbaar verlies in mindering brengen op het in-komen van de andere echtgenoot in hetzelfde jaar) niet past bij de gedachte van de individualisering van het inkomen, zou de mogelijkheid daartoe wel moeten worden gehandhaafd, zolang nog toerekening van vermogensinkomsten en dergelijke plaatsvindt. Onder het huidige stelsel bestaat de behoefte aan het instituut van de maritale verliescompensatie voor de gevallen waarin de vrouw met haar arbeid het gezinsinkomen geheel of voor het overgrote deel verdient. De uit dat gezinsinkomen te bestrijden posten, zoals hypotheekrente of ziektekosten.

'° Zitting 1974-1975, 13102, nr. 21. Aangenomen met alleen de leden van de fractie van het G.P.V. tegen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

worden tot nu toe fiscaal steeds aan de man toegerekend, waardoor bij hem een negatief inkomen ontstaat. In het nu voorgelegde stelsel, waarbij deze aftrekposten in die situatie aan de vrouw worden toegerekend, vervalt voor dit soort gevallen de behoefte aan maritale verliescompensatie. De behoefte daaraan zal wel blijven bestaan voor situaties waarin een der echtgenoten negatieve inkomsten uit arbeid heeft (bij voorbeeld een bedrijfsverlies). Voor die gevallen zal een rangorde moeten worden bepaald ten opzichte van de andere vormen van verliescompensatie: eerst maritale verliescompensatie; dan terugwenteling (carryback) en dan voorwaartse compensatie (carryforward). Ook zal de regeling van de verliescompensatie ten aanzien van voorhuwelijkse verliezen en van de op het moment van ontbinding van het huwelijk aanwezige verliezen moeten worden herzien.

Peildatum/referentieperiode voor tariefgroepindeling j. In het huidige stelsel wordt voor de tariefgroepindeling, dus eigenlijk voor de toekenning van de belastingvrije sommen, uitgegaan van de toestand op een bepaald tijdstip. Doorgaans is dit het einde van het belastingjaar of het einde van de belastingplicht in de loop van het kalenderjaar. Dit past bij een stelsel dat berust op bepaalde veronderstellingen, zoals ten aanzien van ongehuwden in verband met de leeftijdsgrens en zoals ten aanzien van gehuwden inzake het rollenpatroon (man hoofdverdiener, vrouw bijverdiener). Bij mutaties in de loop van het jaar kunnen er dan fricties ontstaan met de werkelijkheid zoals die voor de draagkrachtmeting wordt ervaren. Zo wordt bij huwelijkssluiting aan het einde van het jaar de man ingedeeld in tariefgroep 4 en de vrouw in tariefgroep 1, terwijl zij beiden nagenoeg het gehele jaar voor zichzelf zullen hebben gezorgd. De man wiens vrouw in december is overleden wordt naar de toestand aan het einde van het jaar ingedeeld in tariefgroep 311.

In het voorgestelde stelsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, gehuwden en ongehuwden, geldt in beginsel voor ieder dezelfde belastingvrije som, behorend bij tariefgroep 2. Daarvoor kaneen peildatum worden gemist. Belastingplichtigen die in aanmerking komen voor een hogere belastingvrije som dienen zich te kwalificeren, hetzij als allleenstaande (oudere) ongehuwde voor tariefgroep 3, hetzij als «alleenverdiener» voor tariefgroep 4. Voor deze kwalificaties lijkt het minder juist te letten op de toestand opeen bepaald tijdstip. Uit een oogpunt van draagkrachtmeting is het beter daarvoor een periode in ogenschouw te nemen. Zo 'n referentieperiode zou eigenlijk het gehele heffingstijdvak -in het algemeen gesproken dus het kalenderjaarmoeten betreffen. Een globaal evenwicht tussen beoordeling naar de situatie op een peildatum en beoordeling naar de situatie over het gehele jaar wordt evenwel reeds bereikt indien de indeling in de tariefgroepen 3 en 4 mede afhankelijk zou worden gesteld van de voorwaarde dat men ten minstede helft van het jaar heeft voldaan aan de materiële criteria vooreen «gunstiger» behandeling dan indeling in tariefgroep 2. De mogelijkheid van voetoverheveling in de situatie waarin men kostwinner is voor een partner die de eigen belastingvrije som niet volledig benut, zal afhankelijk kunnen worden gesteld van zowel een tijdsduur van 6 maanden huwelijk of duurzame samenleving als van het bestaan van de relatie aan het einde van de heffingsperiode, althans indien het huwelijk of de samenleving niet vóór het einde van die periode door overlijden van de partner is ontbonden. Het lijkt mede om praktische redenen niet gewenst voetoverheveling mogelijk te doen zijn in de situatie waarin de relatie vóór het einde van het belastingjaar anders dan door overlijden is verbroken; alsdan immers zouden voor de belastingheffing twee personen met elkaar worden verbonden die geen duurzame relatie meer onderhouden.

Samenvatting en voorbeelden k. Samenvattend komt het nieuwe stelsel -dat zou kunnen worden getypeerd als een «stelsel van gelijke behandeling» -op het volgende neer:

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

1' Aan dit geval wordt tegemoet gekomen door de resolutie van 6 april 1976, nr. 27-606214, BNB 1976/130, waarbij is goedgekeurd dat de man, wiens huwelijk in de tweede helft van het kalenderjaar (dus na 30 juni) is ontbonden door het overlijden van zijn vrouw, en die geen kinderaftrek geniet, voor dat jaar nog wordt ingedeeld in tariefgroep 4.

  • voor wat betreft de inkomenstoerekening bij echtparen: • individualisering van het inkomen uit tegenwoordige en uit vroeger verrichte arbeid; • toerekening van andere inkomensbestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen; 2. voor wat betreft de tariefgroepindeling: • in het algemeen geldt een belastingvrije som van f 6042 (tariefgroep 2); • de belastingplichtigen die in het jaar als oudere ongehuwde -dan wel als jongere ongehuwde die gehuwd is geweest of recht op kinderbijslag heeftmeer dan zes maanden alleen hebben gestaan, worden ingedeeld in tariefgroep 3 (belastingvrije som f 8056); • de gehuwde belastingplichtigen en de belastingplichtigen die bij de aanvang van het jaar reeds een jaar met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren, worden, indien zij in het jaar meer dan 6 maanden gehuwd zijn geweest of duurzaam hebben samengeleefd of samengewoond met een partner zonder inkomen, ingedeeld in tariefgroep 4 (belastingvrije som f 10070); • indien beide partners inkomen hebben, waardoor indeling van een van hen in tariefgroep 4 niet mogelijk is, maar een partner een inkomen heeft dat lager is dan de belastingvrije som van tariefgroep 2, vindt tot ten hoogste een bedrag van f 4028 (het verschil tussen f 10070 en f 6042) overheveling plaats van het onbenutte gedeelte van de belastingvrije som van laatstbedoelde partner met het laagste inkomen naar de partner met het hoogste in-komen. De belastingplichtigen dienen dan aan het einde van het jaar gehuwd te zijn, duurzaam samen te leven of samen te wonen. Ook zou voetoverheveling kunnen worden toegestaan indien het huwelijk of het duurzaam samenleven of samenwonen in de loop van het jaar door overlijden van de partner met het laagste inkomen is geëindigd nadat de relatie tussen beiden in dat jaar langer dan 6 maanden heeft bestaan.

Wat betreft de tariefgroepen kunnen de gevolgen bij invoering schematisch als volgt worden aangegeven:

Situatie nu

Nieuwe situatie

Verschil

f 2017 2

f 5 843 3

f 7 855

f 10070 =

f 6 042

+ f 4 025 2

f 6 042

+ f

1992

f 6 042

-f 1 813 3

f 8 056

+ f

2012

f 6 042

-f 4 028 4

f 10070

nihil

-Oudere ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren, worden gerangschikt in tariefgroep 2 in plaats van in tariefgroep 3. -Tariefgroep 4 wordt in principe tariefgroep 2, behalve voor «alleenverdieners». In het nieuwe stelsel loopt bij een echtpaar het verschil in belastingdruk tussen een «alleenverdiener» met een bepaald inkomen en twee partners, die hetzelfde inkomen te zamen verdienen, veelal terug in vergelijking met de huidige situatie. Directer geformuleerd wil dit zeggen dat bij een gelijkblijvende belastingdruk op de gehuwde «alleenverdiener», de belastingdruk voor de gehuwde man en vrouw gezamenlijk toeneemt indien beiden arbeidsinkomen genieten en het arbeidsinkomen van de man beduidend hoger is dan dat van zijn vrouw. In de veel minder voorkomende gevallen waarin de vrouw meer arbeidsinkomen heeft dan haar man zal de druk voor hen gezamenlijk afnemen (opheffing van het bezwaar van de zogenaamde spiegelbeeldsituaties). In de gevallen waarin de arbeidsinkomens van man en vrouw ongeveer gelijk zijn, zal de belastingdruk voor hen gezamenlijk nagenoeg geen wijziging ondergaan.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

In geval van toename van de belastingdruk op man en vrouw gezamenlijk zal deze doorgaans tot uitdrukking komen bij de man, doordat hij zijn belastingvrije som ziet dalen van f 10070 tot f 6042. Het effect van de verlaging van deze belastingvrije som wordt niet goedgemaakt door dat van de stijging van de belastingvrije som van de echtgenote van f 2017 tot f 6042, omdat de marginale belastingdruk bij de man hoger is dan bij zijn echtgenote. De resultaten van deze overgangseffecten zijn aangegeven in bijlage VII. Zou aan ieder van de buitenshuis werkende gehuwde partners een belastingvrije som van f 5843 -de huidige belastingvrije som van tariefgroep 2 -in plaats van f 6042 worden toegekend, dan zouden de overgangseffecten, met name in het gebied van de lage inkomens, relatief sterker zijn geweest. Deze extra-effecten (in vergelijking met bijlage VII) zijn weergegeven in bijlage VIII. Ter voorkoming van deze extra-effecten wordt een lagere belastingvrije som dan f 6042 niet voorgesteld.

De uit bijlage VII blijkende overgangseffecten zijn voor bepaalde inkomensverhoudingen -vooral voor de veel voorkomende situatie waarin de man het «hoofdinkomen» verdient en de vrouw additioneel inkomen -niet zonder betekenis. Gegeven de budgettaire consequenties en de in acht te nemen onderlinge verhouding tussen de belastingvrije sommen van de tariefgroepen 2, 3 en 4, is een verhoging van enig belang van de vrije som van tariefgroep 4 of een verder gaande verhoging dan is voorgesteld van de vrije sommen van de tariefgroepen 2 en 3 evenwel niet mogelijk. Overigens kan worden gezegd dat de voor het stelsel van gelijke behandeling te becijferen belastingreducties qua omvang een meer aanvaardbaar verloop te zien geven van het verschil in belastingdruk tussen echtparen met een gelijk totaal gezinsinkomen, waarvan de vrouw wel of niet betaalde arbeid verricht, dan de reducties welke voortvloeien uit het huidige stelsel van beperkte verzelfstandiging. Een zelfde overzicht van belastingreducties als in bijlage lil is opgenomen voor het huidige stelsel is in bijlage IX opgenomen voor het voorgestane stelsel. De concrete uitwerking van het stelsel van gelijke behandeling kan aan de hand van enkele voorbeelden als volgt worden geïllustreerd.

Voorbeeld 40 a. huidig stelsel Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 10000 Vrije som groep 4

10070

Vrije som groep 1

2017

Belasting over

f 19930

Belasting over

f

7 983 Belasting

f

5057

Belasting

f

1620 Totaal aan belasting voor man en vrouw f 6 677. b. nieuw stelsel Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 10000 Vrije som groep 2

6042

Vrije som groep 2

6042

Belasting over

f 23958

Belasting over

f

3 958 Belasting

f

6346

Belasting

f

791 Totaal aan belasting voor man en vrouw f 7 137, dat is f 460 meer dan in het huidige stelsel.

Voorbeeld 41 a. huidig stelsel Arbeidsinkomen man

f 30000

Arbeidsinkomen vrouw

f 50 000 Eigen woning negatief

10000

Inkomen man

f 20000

Inkomen vrouw

f 50 000 Vrije som groep 4

10070

Vrije som groep 1

2017

Belasting over

f

9930

Belasting over

f 47 983 Belasting

f

2127

Belasting

f 17184 Totaal aan belasting voor man en vrouw f 19311.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

  • nieuw stelsel Arbeidsinkomen man

f 30000

Arbeidsinkomen vrouw

f 50 000 Eigen woning negatief

10000

Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 40 000 Vrije som groep 2

6042

Vrije som groep 2

6042

Belasting over

f 23958

Belasting over

f 33958 Belasting

f

6346

Belasting

f 10261 Totaal aan belasting voor man en vrouw f 16607, dat is f 2 704 minder dan in het huidige stelsel.

Omdat do belastingdruk op de gehuwde «alleenverdiener» -hetzij man, hetzij vrouw -gelijk blijft (tariefgroep 4), is voor deze situatie geen voorbeeld opgenomen. Evenmin zijn voorbeelden opgenomen voor ongehuwde alleenstaanden; het effect van verhoging van de belastingvrije som voor tariefgroep 2 van f 5843 tot f 6042 en voor tariefgroep 3 van f 7855 tot f 8056 kan resulteren in een lagere belastingdruk die tussen f 40 en f 144 beloopt (20 tot 72% van f 199 of f 201).

B-Hl. Behandeling van samenwonenden

  • Zoals hiervoren is vermeld, is een element van het stelsel dat -uitsluitend voor wat betreft de toepassing van het tarief en dus niet voorde inkomenstoerekening -het onderscheid komt te vervallen tussen ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren enerzijds en gehuwden anderzijds. Bij beide categorieën kan de draagkracht op dezelf-de wijze tot uitdrukking worden gebracht. Voor de rangschikking in de tariefgroepen 2 of 4 (dus de toekenning van de belastingvrije sommen) leidt dit tot het volgende. -Hoofdregel zal zijn dat iedere ongehuwde belastingplichtige, evenals een gehuwde belastingplichtige, in principe wordt ingedeeld in tariefgroep 2 (belastingvrije som van f 6042). -De ongehuwde belastingplichtige die duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert met een ander (partner) die geen eigen inkomen heeft en voorziet in het levensonderhoud van die partner, komt -evenals een gehuwde in vergelijkbare omstandigheden -in aanmerking voor rangschikking in tariefgroep 4 (belastingvrije som f 10070). -Aan een niet gehuwde belastingplichtige die duurzaam met een ander een gemeenschappelijke huishouding voert, zal -evenals aan een gehuwde -de mogelijkheid tot voetoverheveling worden geboden. -Evenals onder het huidige stelsel worden met ongehuwde belastingplichtigen gelijkgesteld gehuwden die duurzaam gescheiden leven van hun echtgenoten. Voor ongehuwde belastingplichtigen die een gemeenschappelijke huishouding voeren met een ander geldt niet de mogelijkheid tot maritale verliescompensatie. Nu de gelijke behandeling met gehuwden niet de inkomenstoerekening omvat -omdat dat in strijd is met de individualiseringsgedachte en vooral in de gevallen waarin sprake is van samenwonen en niet van duurzaam samenleven in strijd met de werkelijkheid -past het niet het verlies van de ene ongehuwde in mindering te brengen op het positieve inkomen in hetzelfde jaar van de ander met wie een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd. De oudere ongehuwden -en de daarmee gelijkgestelde jongere ongehuwden die gehuwd zijn geweest of recht hebben op kinderbijslag -worden gerangschikt in tariefgroep 3 (belastingvrije som f 8056) indien zij zelfstandig wonen, dat wil zeggen geen gemeenschappelijke huishouding voeren met een ander. Alleen deze categorie belastingplichtigen komt -eventueel -in aanmerking voor de extra aftrek in verband met recht op kinderbijslag, de

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

aftrek onvolledig gezin en de buitengewonelastenaftrek voor één-oudergezinnen (zie thans art. 53, lid 4, letters c en d, en art. 46, eerste lid, letter d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964).

  • De ongehuwde belastingplichtigen, die bij de rangschikking in tariefgroepen -evenals de gehuwden -in beginsel de belastingvrije som van tariefgroep (f6042) krijgen toegerekend, zullen voor een hogere belastingvrije som actie moeten ondernemen. Die actie bestaat uit het aantonen van hun recht op een verhoogde belastingvrije som.
  • Een ongehuwde belastingplichtige die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voert, wordt ingedeeld in tariefgroep 2 dan wel -indien hij geheel of nagenoeg geheel voorziet in het levensonderhoud van die ander omdat deze geen eigen inkomen heeft -in tariefgroep 4. Zoals in hoofdstuk V is aangegeven, zullen ter wille van de praktische uitvoerbaarheid voorwaarden dienen te worden gesteld aan de indeling in tariefgroep 4 van een ongehuwde die de kostwinnersrol vervult. De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding dient voorop te staan. Een eis die zou kunnen worden gesteld, is dat de partners gedurende ten minste één jaar te zamen hebben gewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Een dergelijk criterium komt men tegen bij de individuele huursubsidie en bij de tariefregeling voor de NS-jaarkaart. De eis van twee jaren samenwonen komt voor in het wetsontwerp Bepalingen met betrekking tot huur en verhuur van woonruimte. Behalve de eis dat de samenwoning een zekere periode moet hebben bestaan om als duurzaam te kunnen worden aangemerkt, zou ter verkrijging van een garantie voor de duurzaamheid van de samenwoning mogelijkerwijs aan de partners een leeftijdsgrens kunnen worden gesteld waaronder geen duurzame samenwoning wordt aangenomen. Te denken valt aan de grens van 18 jaar (toekomstige leeftijds-grens voor meerderjarigheid). Ook het vaststellen dat een gemeenschappelijke huishouding een bepaalde periode heeft bestaan, kan problemen opleveren. Waar het belang hier bij de contribuabelen ligt, zouden zij hun recht op een verhoogde belastingvrije som moeten aantonen. Het is redelijk dat daarvoor zekere formele eisen worden gesteld.

Zoals in hoofdstuk V is vermeld, zijn er gevallen van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding waarbij het voorzien in het levensonderhoud van een familielid al op andere wijze wordt erkend (via de kinderbijslag of via de regeling van buitengewone lasten). Alhoewel voor al deze gevallen op de thans bestaande voet zou kunnen worden doorgegaan, is hetuit een oogpunt van rechtsgelijkheid -juister een aantal van deze gevallen op gelijke wijze als een huwelijk te behandelen. Het gaat hier om alleenstaande ouders met volwassen, niet studerende kinderen die door hen worden onderhouden (c.q. het omgekeerde), broers, zusters en broer en zuster. Men kan zich afvragen hoe het gaat bij een samenwoningsverband van meer dan twee personen. Er doen zich hier geen problemen voor, immers: -of allen hebben voldoende inkomsten om in eigen levensonderhoud te voorzien; alsdan geldt voor een ieder tariefgroep 2; -of één persoon onderhoudt alle anderen; alsdan kan deze in verband met het onderhouden van één ander tariefgroep 4 toegewezen krijgen; -of twee (of meer) personen onderhouden een derde; in feite zouden die twee of meer personen onder tariefgroep 2 dienen te worden gerangschikt. Praktisch zal het er veelal op neerkomen dat één van hen het gehele levensonderhoud van de derde claimt en daardoor in tariefgroep 4 kan worden gerangschikt. Dit is een handelwijze waarin, mede om uitvoeringstechnische redenen, kan woren berust.

12 zie voor de individuele huursubsidie artikel rj. Invoering van de hiervoor geschetste regeling zal ertoe leiden dat 4 van de Beschikking individuele huursubsidie k|achten over onbevredigende uitkomsten in belastingdruk bij bepaalde si-(zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staats*

.

, " courant van 28 juni 1979, nr. 123).

tuaties van samenleven of samenwonen worden weggenomen; voorbeel-13 Zitting 1978-1979,14249, nr. 65, biz. 4.

den van deze uitkomsten zijn gegeven in hoofdstuk V.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Enerzijds is er de klacht van de ongehuwde belastingplichtige die in het levensonderhoud van een andere ongehuwde voorziet. Degene die het onderhoud verstrekt, ziet dit thans fiscaal doorgaans niet erkend; zie voorbeeld 35 (die erkenning is er onder het huidige regime alleen in geval van naaste familieleden via het ontvangen van kinderbijslag dan wel van aftrek wegens buitengewone lasten voor kosten van levensonderhoud). Anderzijds is er de klacht van gehuwden met betrekking tot de in fiscaal opzicht gunstige behandeling van de ongehuwde man en vrouw, in het bijzonder in situaties waarin zij met hun beider kind (of kinderen) een gezin vormen en waarvan één partner (of beide partners) een aftrekonvollediggezin geniet(en) in verband met het buitenshuis werken (zie de voorbeelden 36b, 38 en 39 in hoofdstuk V). Het totaal van hun belastingvrije sommen kan dan oplopen tot f 26592 (2 x f 10070 + 2 x f 3226), terwijl dit totaal voor een vergelijkbaar echtpaarf 12087 (f 10070 + f 2017) bedraagt.

  • Hiervoor is vermeld dat het de bedoeling is niet gehuwde belastingplichtigen die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren alleen voor wat betreft de toepassing van het tarief op gelijke wijze te behandelen als gehuwden. Men kan zich afvragen of het niet gewenst is die gelijke behandeling uit te breiden tot het gebied van de buitengewonelastenaftrek voor het geval dat de «alleenverdiener» ziektekosten en dergelijke ten behoeve van zijn partner heeft gedragen. Daar ten aanzien van ongehuwd samenwonenden ten principale geen toerekening plaatsvindt van inkomensbestanddelen van één der partners aan de andere behoort op dit uitgangspunt voor die kosten geen inbreuk te worden gemaakt.
  • Het resultaat van een fiscaal gelijke behandeling van ongehuwden die met elkaar een gemeenschappelijke huishouding voeren en gehuwden kan aan de hand van de volgende voorbeelden worden geïllustreerd.

Voorbeeld 42 (vergelijk voorbeeld 35! Gehuwde man of samenleving, geen kinderen, één verdiener Gehuwde man Meerderjarige ongehuwde Inkomen

f 30000

Inkomen

f 30000 Vrije som groep 4

10070

Vrije som groep 4

10000

Belasting over

f 19930

Belasting over

f 19930 Belasting

f

5057

Belasting

f

5057 Voorbeeld 43 (vergelijk voorbeeld 36) Gehuwde man of samenleving, wèl kinderen, loontrekkende, één verdiener Gehuwde

Ongehuwde Inkomen

f 30000

Inkomen

f 30000 Vrije som groep 4

10070

Vrije som groep 4

10070

Belasting over

f 19930

Belasting over

f 19930 Belasting

f

5057

Belasting

f

5057

In deze situatie is de uitkomst gelijk aan die van voorbeeld 36a; in het nieuwe stelsel geldt in beide gevallen de belastingvrije som van groep 4, welke voor de ongehuwde in de plaats komt van de in totaal even grote belastingvrije som van tariefgroep 3 met toeslag. De in voorbeeld 36b voorkomende aftrekonvollediggezin vervalt.

Voorbeeld 44 (vergelijk voorbeeld 37) a. Echtpaar Inkomen man

f 30000

Inkomen vrouw

f 20000 Vrije som groep 2

6042

Vrije som groep 2

6042

Belasting over

f 23985

Belasting over

f 13958 Belasting

f 6 346

Belasting

f

3 174 Totaal aan belasting voor man en vrouw f 9 520, tegen thans f 9 491 (man f 5 057, vrouw f 4 434). b. Twee ongehuwden die samenleven, geen kinderen, met een inkomen van f 30000 en f 20000.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

In deze situatie is de uitkomst gelijk aan die onder a. Volgens de voorbeelden 37 b.1, 37 b.2.1, 37 b.2.2 en 37 b.3 is de ongehuwde zonder kinderen thans, afhankelijk van de leeftijd, f 6410 of f 5766 verschuldigd overeen in-komen van f 30000 en f 3226 of f 2703 over een inkomen van f 20000, hetgeen totalen oplevert van f 9636, f 9113, f 8992 of f 8469. Het in die voorbeelden aanwezige onderscheid met voorbeeld 37a vervalt, doordat in alle gevallen dezelfde belastingvrije som zal gelden. De in de voorbeelden 38b 1 en 38b 2 gesignaleerde verschillen in uitkomst als gevolg van kinderaftrek en aftrekonvollediggezin verdwijnen eveneens. De buitengewonelastenregeling voor kosten van gezinshulp in één-oudergezinnen kan in de nieuwe opzet beperkt blijven tot alleenstaande ouders. De fiscaal gelijke behandeling van ongehuwden die met elkaar een gemeenschappelijke huishouding voeren en gehuwden kan op dit punt als volgt worden geïllustreerd.

Voorbeeld 45 (vergelijk voorbeeld 39) Man en vrouw beiden loontrekkende; twee tot het huishouden behorende kinderen jonger dan 16 jaar; kosten gezinshulp voor halve dagen f 14000.

  • Echtpaar Onzuiver inkomen man

f 50 000 Premie AOW/AWW

f 5 230 Restitutie idem

f 3 570

Onzuiver inkomen vrouw f 30000 Premie AOW/AWW

3570

1660

Inkomen Vrije som groep 2

Belasting over Belasting igdruk

f 19546 f 5 230

Inkomen Vrije som groep 2

f 48 340 6 042

f 26430 6 042

Belasting over Belasting

f 42 298 f 14342 Totale belastir Totaal premie

f f 20388 5 204

Totaal

f 24776 b. Samenleving (man betaalt gezinshulp; vrouw geniet de kinderbijslag) Onzuiver inkomen man Premie AOW/AWW

f 50 000 5 230

Onzuiver inkomen vrouw Premie AOW/AWW

Inkomen Vrije som groep 2

Belasting over Belasting

f 30000 3 570

Inkomen Vrije som groep 2

f 44 770 6 042

f 26430 6 042

Belasting over Belasting

f f 21501-12 557

f f 20388 5 204 Totale belastin Totaal premie gdruk

f17761 f 8 800

Totaal

f 26561

Tegenover een belasting-en premiedruk op het echtpaar van in totaal f 24776 staat een druk op de twee ongehuwden van in totaal f 26561 (in voorbeeld 39 respectievelijk f 24050 en f 15336). Het verschil in premiedruk is een gevolg van de omstandigheid dat de premieheffing ten aanzien van gehuwden plaatsvindt naar het gezamenlijke inkomen.

B-IV. Voetoverheveling

  • Voor de gehuwde belastingplichtige waarvan de partner geen arbeidsinkomen heeft en voor de ongehuwde belastingplichtige die met een ander, die geen inkomen heeft, een gemeenschappelijke huishouding voert, behoeft geen regeling te worden getroffen voor voetoverheveling. Deze be-

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

lastingplichtigen kunnen, mits zij voldoen aan de hiervoren in onderdeel B-ll, letter k, aangegeven voorwaarden, aanstonds worden ingedeeld in tariefgroep 4 (belastingvrije som f 10070) waardoor zij als het ware automatisch de voet van hun partner -beperkt tot f 4028 -krijgen overgeheveld.

  • Voor wat betreft de gevallen waarin één der partners een inkomen geniet dat beneden de belastingvrije som blijft, is overheveling van de onbenutte vrije voet of een gedeelte daarvan, hoewel in beginsel vrij eenvoudig, een handeling die wel enige complicaties oproept, zowel op administratief als op juridisch terrein. De administratieve complicaties liggen voornamelijk op het vlak van de «koppeling» van de gegevens van de partners. De juridische complicaties doen zich voor indien op de voetoverheveling moet worden teruggekomen in verband met later blijkende gegevens over het inkomen van de partner met de ten dele onbenutte vrije voet. Dit houdt in dat voetoverheveling alléén zal kunnen worden verleend indien beide partners daartoe een verzoek indienen. Voorwaarde voor voetoverheveling is bovendien dat de partners aan het einde van het jaar waarvoor voetoverheveling wordt verzocht, gehuwd zijn of een gemeenschappelijke huishouding voeren. Juridische complicaties doen zich ook voor ingeval een partner voor een jaar is ingedeeld in tariefgroep 4, terwijl nadien blijkt dat de andere partner in dat jaar arbeidsinkomsten heeft genoten. Hierop wordt later ingegaan.

De hoofdregels voor voetoverheveling kunnen nu als volgt worden geformuleerd. 1. Uitgangspunt is een belastingvrije som van f 6042 voor ieder van de partners. 2.a. Indien één der partners een inkomen heeft dat beneden zijn belastingvrije som blijft en dit inkomen uitsluitend bestaat uit arbeidsinkomen, wordt: 1. indien het arbeidsinkomen f 2014 of meer bedraagt, het onbenutte deel van zijn belastingvrije som opgeteld bij de belastingvrije som van de partner; hierdoor bedraagt de gezamenlijke belastingvrije som in deze gevallen f12084. 2. Indien het arbeidsinkomen minder dan f 2014 bedraagt, het onbenutte deel van zijn belastingvrije som dat voor toevoeging aan de belastingvrije som van de partner in aanmerking komt, beperkt tot f 4028 (f 6042 minus f2014); in deze gevallen bedraagt het totaal van de belastingvrije sommen van beide partners derhalve niet meer dan f 10070 (de belastingvrije som van een «alleenverdiener») verhoogd met een bedrag gelijk aan het arbeidsinkomen van de minst verdienende partner. 2.b. Indien een der partners een inkomen heeft dat beneden zijn belastingvrije som blijft en dit inkomen uitsluitend bestaat uit andere inkomsten dan die uit arbeid, wordt de over te hevelen belastingvrije som gesteld op f 4028 minus het bedrag van die inkomsten. Zulk een situatie kan zich voordoen bij ongehuwden die een gemeenschappelijke huishouding voeren en bij gehuwden in het jaar van hun huwelijk. Met het stellen van de grens van f 4028 wordt voorkomen dat, ondanks het ontbreken van arbeidsinkomen, voor deze personen de belastingvrije som f 12084 zou komen te bedragen in plaats van de voor een echtpaar met dezelfde inkomenssamenstelling geldende belastingvrije som van f 10070. 2.c. Indien één der partners een inkomen heeft dat beneden zijn belasting vrije som blijft en dit inkomen bestaat uit zowel arbeidsinkomen als andere inkomsten wordt de over te hevelen belastingvrije som gesteld op: 1. de onbenutte vrije voet, indien het arbeidsinkomen f 2014 of meer bedraagt; 2. de onbenutte vrije voet, verminderd met het verschil tussen f 2014 en het bedrag van het arbeidsinkomen indien dit inkomen minder dan f 2014 bedraagt. De volgende voorbeelden vormen een illustratie van voetoverheveling.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 46

Beide partners werken. De ene partner heeft een belastbaar inkomen van f 40 000, de ander van f 4000. De onbenutte voet van laatstgenoemde is f6042 minus f4000 = f 2042.Overheveling van deze voet -zie hoofdregel / 2.a onder 1 -levert de partner met het hoogste inkomen een belastingvrije voet op van in totaal f 8084 (f 6042 + f 2042). Te benutten belastingvrije sommen in totaal f 12084 (f 8084 + f 4000).

Voorbeeld 47

Beide partners werken. De ene partner heeft een belastbaar inkomen van f 40 000, de andere van f 500. De onbenutte van laatstgenoemde is f 6042 minus f 500 = f 5542. De voetoverheveling wordt beperkt -zie hoofdregel 2.a onder 2-tot f 4028. De partner met het hoogste inkomen krijgt door deze overheveling een belastingvrije som van f 10070 (f6042 + f4028). Te benutten belastingvrije sommen in totaal f 10570 (f 10070 + f500).

Voorbeeld 48 Ongehuwden met gemeenschappelijke huishouding Arbeidsinkomen

f 30000

Arbeidsinkomen 2 000

Vermogensinkomsten

Vermogensinkomsten

Inkomen Vrije som groep 2

f 6 042 voi eveling van onbenutte vrije voet partner f4 028 Imax.l1 -f 3 000

f 1 028

Belasting over Belasting

f 32000

f 7 070

f 24930 f 6 657

Inkomen Vrije som groep 2

Onbenutte vrije voet

f nihil 3 000

f 3 000 6 042

f 3 042

1 Zie hoofdregel 2.b; te benutten belastingvrije sommen in totaal f 10070 (f 7 070 + f 3 000).

Voorbeeld 49 Pas gehuwden; huwelijksdatum 31 maart Arbeidsinkomen man

f 30000

Arbeidsinkomen vrouw

nihil Vermogensinkomsten man

2000

Vermogensinkomsten tot huwelijk f 1 500 Vermogensinkomsten vrouw tijdens huwelijk

1500

Inkomen

Inkomen

f 33500

f 1 500 Vrije som groep 2

f 6 042

Vrije som groep 2

6042

Overheveling van onbenutte

Onbenutte vrije voet

f 4 542

vrije voet partner f4 028 Imax.l' -f 1 500

f2 528 f

8570

Belasting over

f 24930 Belasting

f

6657

' Zie hoofdregel 2.b; te benutten belastingvrije sommen in totaal f 10070 (f 8 570 + f 1 500).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 50 Ongehuwden met gemeenschappelijke huishouding Arbeidsinkomen

f 30000

Arbeidsinkomen Vermogensinkomsten

2000

Inkomen Vrije som groep 2 Overheveling van onbenutte vrije voet partner

Belasting over Belasting

f 32000

f6 042

f 542

Vermogensinkomsten

Inkomen Vrije som groep 2

Onbenutte vrije voet

f 2 500 3 000

f 5 500 6 042 542

6584

f 25416 6 844

1 Zie hoofdregel 2.c. onder 1.; te benutten belastingvrije sommen in totaal f 12084 (f 6 584 + f 5 500)

Voorbeeld 51 Pas gehuwden; huwelijksdatum 31 maart Arbeidsinkomen man Vermogensinkomsten man Vermogensinkomsten tijdens huwelijk

f 30000

2000

1500

Inkomen Vrije som groep 2 Overheveling van onbenutte vrije voet partner

Belasting over Belasting

f 33500

f6 042

f 2 042

Arbeidsinkomen vrouwtot huwelijkna huwelijk Vermogensinkomsten tot huwelijk

Inkomen Vrije som groep 2

Onbenutte vrije voet

f 1 500 1 000

1500

f 4 000 6 042

f 2 042

f

8084

f 25416 f

6844

1 Zie hoofdregel 2.c. onder 1.; te benutten belastingvrije sommen in totaal f 12084 (f 8084 +f 4 000).

Voorbeeld 52 Ongehuwden met gemeenschappelijke huishouding Arbeidsinkomen

f 30000

Arbeidsinkomen 2 000

Vermogensinkomsten

Vermogensinkomsten

Inkomen Vrije som groep 2 Overheveling van onbenutte vrije voet partner

Belasting over Belasting

f 32000

f6 042

f 1 028

7070

f 24930 f

6657

Inkomen Vrije som groep 2

Onbenutte vrije voet

f 1 000 3 000

f 4 000 6 042

f 2 042

1 Zie hoofdregel 2.c. onder 2.; te benutten belastingvrije sommen in totaal f 11070 (f 7 070 + f 4 000 of wel f 6 042 plus f 6 042 minus het verschil tussen f 2 014 en f 1 000).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 53 Pas gehuwden; huwelijksdatum 31 maart Arbeidsinkomen man

f 30000

Arbeidsinkomen vrouw Vermogensinkomsten

  • tot huwelijk man

2000

  • na huwelijk Vermogensinkomsten Vermogensinkomsten vrouw tijdens hu weiijk

1500

tot huwelijk

Inkomen

f 33500

Inkomen Vrije som

Vrije som groep 2 groep 2

f6 042 Overheveling

Onbenutte vrije voet van onbenutte vrij voet partner'

f2 528 f

8570

Belasting over

f 24930 Belasting

f

6657

f

700300

1500

f 2 500 6 042

f 3 542

1 Zie hoofdregel 2.c. onder 2.; te benutten belastingvrije sommen in totaal f 11070 (f 8 570 + f 2 500 of wel f 6 042 plus f 6 042 minus het verschil tussen f 2 014 en f 1 000).

Vooral hoofdregel 2.c maakt de toepassing van de voetoverheveling tot een ingewikkeld gebeuren, waarbij voor de technische uitvoering verschillende methoden denkbaar zijn. Zo is als methode denkbaar het opleggen van een aanslag ten name van de partner met het hoogste inkomen naar de gecombineerde inkomens van beide partners, onder toekenning van de in totaal aan de beide partners toekomende belastingvrije sommen. Daarbij zou de combinatie van de inkomens pas moeten plaatsvinden nadat de bei-de inkomens afzonderlijk zijn berekend. Het gaat hierbij om een techniekvan voetoverheveling, niet om een stelsel van heffing over het gezinsinkomen als zodanig. Een andere methode is -zoals in de voorbeelden duidelijkheidshalve is toegepast -de voetoverheveling paste laten plaatsvinden nadat op het inkomen van de partner (met het laagste inkomen) diens vrije voet voor zoveel mogelijk in mindering is gebracht, zij het dat ook hier alles zijn neerslag zal kunnen vinden in één, wellicht wat uitgebreider aanslagbiljet. Beide methoden vertonen voor-en nadelen. Zo is een voordeel van de methode van een aanslag naar een gecombineerd inkomen dat eventuele voorheffingen, welke ten laste van de partner met het laagste inkomen zijn gekomen, verrekend kunnen worden met de aanslag ten name van de partner met het hoogste inkomen. Een voordeel van de methode van voetoverheveling «op het laatste moment» is, dat daarbij de individuele benadering van de belastingplichtigen meer tot haar recht komt. Aan het principe van de mogelijkheid tot voetoverheveling behoeft niet af te doen dat het uit doelmatigheidsoverwegingen wenselijk zou kunnen zijn aan de overte hevelen voet een minimumgrens te stellen.

  • Ten gevolge van verminderingen of navorderingen kan het voorkomen dat het bedrag van de voetoverheveling wijziging moet ondergaan. Hieraan zijn geen ernstige technische problemen verbonden. Wel zal er een formeelrechtelijke bepaling dienen te komen welke het mogelijk maakt dat nieuwe feiten die zich bij de partner met het inkomen beneden de belastingvrije voet voordoen met betrekking tot de inkomensberekening tevens gevolgen hebben bij de andere partner, naar wie die voet gedeeltelijk is overgeheveld. In-dien de herziening van de voetoverheveling te wijten is aan laakbare handeling van de partner met het laagste inkomen, zou dit inhouden dat de andere partner wordt geconfronteerd met een navorderingsaanslag met een eventueel daarin te begrijpen verhoging. Bij de indiening van een gezamenlijk verzoek om voetoverheveling zullen de beide partners zich van deze consequenties bewust moeten zijn.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Ook ingeval een partner die zich als «alleenverdiener» heeft aangemeld geen «alleenverdiener» blijkt te zijn (ten onrechte ingedeeld in tariefgroep 4) doen zich soortgelijke kwesties voor.

  • Bij vermindering kan, indien het inkomen van een partner onder diens belastingvrije voet daalt, alsnog de behoefte aan voetoverheveling ontstaan. Indien de beide partners er dan om verzoeken, behoeft deze overheveling niet op bezwaren af te stuiten.

14 In artikel 53, tweede lid, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is bepaald dat de belastbare som van buitenlandse belasting plichtigen wordt gevormd door het belastbare binnenlandse inkomen verminderd met de belastingvrije som indien en voor zover zuivere inkomsten zijn genoten uit arbeid, voor zover die inkomsten worden genoten ter zake van het binnen het Rijk vervullen of vervuld zijn van een dienstbetrekking of bestaan uit aan inhouding van loonbelasting onderworpen opbrengst van een niet binnen het Rijk vervulde dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking, doch met uitzondering van inkomsten uit arbeid die wordt verricht ingevolge een overeenkomst van korte duur om als musicus of anderszins als artiest op te treden (art. 49, eerste lid, letter b, 1) en uit rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van een Nederlandse pubhekrech telijke rechtspersoon (art. 49, eerste lid, letter b, 6).

B-V. Buitenlandse belastingplichtigen In de huidige regeling is het regime van artikel 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ook van toepassing op buitenlandse belastingplichtigen. De belastingvrije som kan voor buitenlandse belastingplichtigen in het algemeen niet hoger zijn dan het bedrag van hun (binnenlandse) looninkomen met de periodieke uitkeringen van publiekrechtelijke aard14. Deze regel lijdt uitzondering voor buitenlanders die inwonerz\\r\ van België, Suriname en de Nederlandse Antillen. Voor deze landen geldt een non-discriminatieregeling op basis van inwonerschap {niet van nationaliteit), waardoor de inwoners van die landen dezelfde belastingvrije som genieten als een inwoner van Nederland, ongeacht de samenstelling van hun binnenlandse inkomen. Vermelding verdient daarbij dat deze non-discriminatieregeling in de praktijk van beperkt belang is door de grensarbeidersregeling in het verdrag met België (het loon van een grensarbeider is belast in het woonland, tenzij het om een Nederlander gaat, die na 1 januari 1970 in België is gaan wonen; art. 15, paragraaf 3,1, van het Verdrag, jo. art. XI van het Protocol). Invoering van het geschetste stelsel ten aanzien van de belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen die gehuwd zijn of ongehuwd een gemeenschappelijke huishouding voeren zal niet veel knelpunten opleveren. 1. De beperking van de belastingvrije som voor buitenlandse belastingplichtigen kan in stand blijven. Daarbij zullen dezelfde non-discriminatieregels spelen als momenteel het geval is. 2. De indeling in tariefgroepen zal problemen opleveren ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen die zich willen zien ingedeeld in groep 4 (nieuw). Daarbij verklaart de belastingplichtige immers dat a. hij gehuwd is, dan wel met een ander een gemeenschappelijke huishouding voert; b. zijn partner geen inkomen geniet (het gaat hier om het wereldinkomen van de partner; de belastingplichtige dient immers «alleenverdiener» te zijn). Ten aanzien van punt a zijn de problemen voor de controle op het bestaan van het huwelijk er thans ook; daarbij komen in het nieuwe stelsel de problemen voor de controle op het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De belastingplichtige zal dit moeten aantonen. Het lijkt niet onredelijk daarbij bepaalde eisen te stellen aan de bewijsvoering, waar controle ter plaatse door de Nederlandse fiscus onmogelijk is. De problematiek van punt b is nieuw. De belanghebbenden zullen moeten verklaren dat hun partner geen inkomsten geniet. Het gaat hierbij om een niet onaanzienlijk aantal belastingplichtigen, gevormd door diverse categorieën, zoals buitenlandse gastarbeiders met een in hun land achtergebleven gezin, grensarbeiders, tijdelijk binnen Nederland werkzame buitenlanders enz. De controle op de juistheid van de door deze belastingplichtigen in te dienen verklaringen zal niet eenvoudig zijn. Opgemerkt zij dat ongehuwde buitenlandse werknemers die anders dan voor korte tijd in Nederland verblijven, in het algemeen geacht worden hier te lande te wonen en dus binnenlands belastingplichtig zijn. Deze belastingplichtigen zullen zich daardoor slechts dan voor tariefgroep 4 kunnen aandienen wanneer zij hier te lande een gemeenschappelijke huishouding voeren met een partner die geen inkomen geniet.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

B-VI. Diversen

  • Naast de in de voorgaande onderdelen aan de orde gestelde aspecten van het stelsel zijn er andere punten die van belang zijn. Het gaat daarbij vooral om aspecten van praktische uitvoerbaarheid van het stelsel. De belangrijkste punten zijn: -de berekening van het bijzondere tarief ex art. 57, tweede en derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; -navorderingen en verminderingen; -middeling; -de reductie ter voorkoming van dubbele belasting.
  • De berekening van het bijzondere tarief Het probleem met betrekking tot het van het gemiddelde jaarinkomen afhankelijke bijzondere tarief doet zich voor in gevallen van voetoverheveling. De vraag is of voor de toepassing van het bijzondere tarief rekening dient te worden gehouden met het van de andere partner overgehevelde deel van de belastingvrije voet, dan wel alleen met de oorspronkelijke belastingvrije som van de belastingplichtige persoonlijk. In uiterste consequentie toegepast zou dit laatste inhouden, dat ook bij de «alleenverdiener» slechts met de belastingvrije som van tariefgroep 2 rekening wordt gehouden. De strekking van het instituut van voetoverheveling -zie onderdeel B-M, letter h -brengt echter veeleer mee om bij toepassing van het bijzondere tarief de hoogte daarvan te berekenen met inachtneming van dezelfde belastingvrije som als die welke wordt gebezigd bij de toepassing van het normale -progressievetarief, dus rekening te houden met voetoverheveling.
  • Navorderingen en verminderingen Als regel zullen navorderingen en verminderingen betreffende een belastingplichtige, die gehuwd is of een gemeenschappelijk huishouden voert, alleen van belang zijn voor die belastingplichtige zelf. Bijzondere problemen als uitvloeisel van het nieuwe stelsel doen zich dan niet voor. Bij gehuwde partners kan de mogelijkheid zich voordoen, zij het in een beperkt aantal gevallen, dat in geval van navordering of vermindering bij één der partners het laagste arbeidsinkomen het hoogste wordt, of omgekeerd. Dit brengt dan met zich mee dat de overige inkomensbestanddelen, die moeten worden toegerekend aan de partner met het hoogste inkomen, daardoor moeten worden toegerekend aan de andere partner. De aanslagen van beide partners moeten dan worden herzien. Zodoende kan een navordering bij de ene partner, maar ook een vermindering, leiden tot een navordering bij de andere partner met de eventueel daaraan verbonden invorderingsproblemen.

Voorbeeld 54

  • Vóór navordering

Man

Vrouw

Arbeidsinkomen

f 40 000

f 38000 Overige inkomensbestanddelen

  • f

3000

Inkomen

f 37000

f 38000 Belastingvrije som

f

6042

f

6042

Belasting over

f 30958

f 31958 Belasting

f

9061

f

9461

Tweede Kamer,zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

  • Na navordering

Man

Vrouw

Arbeidsinkomen

f 40 000 Arbeidsinkomen bij navordeting f 42 000 Overige inkomensbestanddelen

  • f

3000

Inkomen

f 40 000

f 39000 Belastingvrije som

f

6042

f

6042

Belasting over

f 33958

f 32958 Belasting wordt

f 10261

f

9 861 Belastingwas

f

9061

f

9461

Navordering

f

1200

f

400

Indien in dit voorbeeld de overige inkomensbestanddelen positief waren geweest, zou navordering bij de vrouw hebben geleid tot een vermindering van belasting bij haar echtgenoot.

Herziening van het formele recht zal op dit punt noodzakelijk zijn. Tevens rijst de vraag of een laakbaar verzuim bij de ene partner, dat leidt tot een navordering bij de andere partner, wel ertoe dient te leiden dat bij die navorderingsaanslag een verhoging wordt toegepast. Deze vraag wordt -anders dan voor het geval dat op voetoverheveling moet worden teruggekomen -voorshands in ontkennende zin beantwoord.

d.

Middeling Alhoewel met name de mogelijkheid tot maritale verliescompensatie complicaties kan opleveren, waarin zal moeten worden voorzien, laat het zich aanzien dat er zich bij de middelingsregeling geen onoverkomelijke problemen zullen voordoen.

  • De reductie ter voorkoming van dubbele

belasting In hoofdstuk II is geschetst het geval waarin man en vrouw beiden arbeidsinkomen genieten en de toerekening van negatieve vermogensbestanddelen aan de man diens buitenlands inkomen verlaagt (voorbeeld 3). In het ontvouwde stelsel wordt in deze situatie aan elke partner een belastingvrije som van f 6042 toegekend. Ten aanzien van belastingplichtigen in een situatie als is geschetst in voorbeeld 3 houdt dit een verbetering in, zoals uit het navolgende voorbeeld blijkt.

Voorbeeld 55 Arbeidsinkomen man (buitenlands inkomen) Eigen woning negatief

f f 40 000 10 000

Arbeidsinkomen vrouw

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over

Belasting

f 20000

Inkomen man Vrije som

f f 30000 6 042

f f 20000 6 042

Belasting over Belasting in Nederland (in verband met reduo tie ter voorkomen van dubbele belasting)

f 23958

Nihil

f

f 13958

3174

Een geringere belastingdruk in vergelijking tot het huidige stelsel van f 1260 (f 3174 in plaats van f 4434).

Er zijn echter ook gevallen denkbaar waarin het ontworpen stelsel, in combinatie met de evenredige reductiemethode, voor belastingplichtigen nadeliger kan uitwerken dan het huidige stelsel.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voorbeeld 56 a. Huidig stelsel

Arbeidsinkomen man

Eigen woning negatief

Inkomen man Vrije som

Belasting over

Belasting

f 20000

f 10000

f 10000 f 10070

nihil

nihil

Arbeidsinkomen vrouw (buitenlands inkomen)

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over Belasting in Nederland (in verband met reductie ter voorkomen van dubbele belasting)

f 40 000

f 40 000 f

2017

f 37983

nihil

Rolwisseling zal in deze situatie niet worden gevraagd, daar zij een nadeel zou hebben opgeleverd in verband met de reductieregeling.

  • Nieuw stelsel Arbeidsinkomen man

Inkomen man Vrije som

Belasting over

Belasting

f 20000

f 20000 f

6042

f 13958

f

3212

Arbeidsinkomen vrouw (buitenlands inkomen) Eigen woning negatief

Inkomen vrouw Vrije som

Belasting over Belasting in Nederland (in verband met reductie ter voorkoming van dubbele belasting)

f 40 000 f 10000

f 30000 f

6042

f 23958

nihil

Meer verschuldigde belasting in vergelijking tot het huidige stelsel f 3212.

De verschillen tussen de uitkomsten van de beide stelsels zijn toe te schrijven aan een tweetal oorzaken, te weten de gelijktrekking van de belastingvrije sommen en de toerekening van de andere inkomensbestanddelen dan die uit arbeid aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen. Indien deze toerekening plaatsvindt aan een inkomen, waarover de Nederlandse fiscus op grond van een verdrag dan wel de eenzijdige regeling afziet van belastingheffing, kan zulks niet in de Nederlandse inkomstenbelasting tot uitdrukking worden gebracht. Hierin wordt echter geen aanleiding gezien tot afwijking van de voorgestelde toerekeningsregel.

B-VII. Afstemming van de loonbelasting op de inkomstenbelasting

  • In het Nederlandse fiscale stelsel, waarin de loonbelasting in een aanzienlijk aantal gevallen fungeert als eindheffing, dient een voor de heffing van de inkomstenbelasting voorgestaan systeem mede te worden getoetst aan de vraag of het stelsel ook in de praktijk van de loonbelasting kan worden toegepast. De heffing van loonbelasting geschiedt via inhouding door de werkgever op het loon van de werknemer. Daarbij wordt rekening gehouden met de gegevens die door de werknemer via de werknemersverklaring aan de werkgever zijn medegedeeld. Het gaat daarbij -in het huidige stelsel -om eenvoudige, feitelijke, gegevens van de betrokkene zelf: geslacht, burgelijke staat en leeftijd (en soms -wat ingewikkelder -de arbeidsongeschiktheid). De controle op de juistheid van deze gegevens, die regressief door de belastingdienst plaatsvindt, terwijl de werkgever ze meestal al globaal toetst, kan snel en eenvoudig zijn. Ook is het voor de werknemer niet moeilijk wijzigingen in de gegevens te constateren en door te geven. Bij een stelsel waarbij gegevens inzake de partner invloed kunnen hebben op de hoogte van de bij de werknemer in te houden loonbelasting, worden de door laatstgenoemde te vermelden gegevens gecompliceerder. Immers

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

de hoogte van de belastingvrije som van de werknemer wordt mede bepaald door het feit dat zijn partner arbeidsinkomen verdient of niet. Ook de mogelijkheid dat het voeren van een gemeenschappelijke huishouding in-vloed kan hebben op de vaststelling van de in te houden belasting zal complicaties oproepen. Het moeten verstrekken van gegevens omtrent deze omstandigheden zal dan ook leiden tot het in geheel andere situaties dan tot nu toe moeten indienen van een nieuwe werknemersverklaring in de loop van het jaar, namelijk bij wijziging van omstandigheden welke, naar de alsdan bestaande vooruitzichten, gevolgen meebrengen voor de vaststelling van de belastingvrije som. Dit alles vergt ook een scherpere controle door de belastingdienst. Deze controle kan plaatsvinden hetzij op regressieve wijze, onder andere door het aantal gevallen van een verplichte aanslag in de inkomstenbelasting uit te breiden, hetzij op preventieve wijze. Dit laatste kan geschieden door voor te schrijven dat met bepaalde omstandigheden slechts rekening wordt gehouden via een beschikking van de inspecteur.

  • De rangschikking in tariefgroepen zou voor de loonbelasting als volgt kunnen zijn: tariefgroep 2: conform de inkomstenbelasting; tariefgroep 3: conform de inkomstenbelasting; tariefgroep 4: de werknemer die verklaart dat het -naar de bestaande vooruitzichten -niet waarschijnlijk is dat zijn partner diens vrije voet van f 6042 voor ten minste f 4028 zal volmaken; alsdan geldteen belastingvrije som van f 10070.
  • Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden dat -in vergelijking met het huidige stelsel -het aantal gevallen waarin de loonbelasting geen eindheffing meer kan zijn, zal toenemen. Zo zullen bij voorbeeld in de volgende gevallen aanslagen in de inkomstenbelasting verplicht moeten worden gesteld. 1. De gehuwde belastingplichtige die enige tijd in tariefgroep 4 is gerangschikten wiens echtgenoot arbeidsinkomsten heeft van meer dan f 2014. 2. De ongehuwde belastingplichtige die een gemeenschappelijke huishouding voert met een ander en enige tijd in tariefgroep 4 is gerangschikt, wiens partner arbeidsinkomsten heeft van meer dan f 2014 dan wel andere inkomsten. 3. De in tariefgroep 2 gerangschikte gehuwde belastingplichtige aan wie een beschikking op de voet van artikel 30 van de Wet op de loonbelasting 1964 is afgegeven voor persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en aftrekbare giften. In deze gevallen is namelijk tevoren niet bekend of de aftrek aan de juiste partner (namelijk die met het hoogste arbeidsinkomen) is verleend. Anderzijds zal het aantal T-biljetten afnemen. In het jaar van huwelijk zullen de beide partners, indien zij beiden meer dan f 6042 inkomen hebben genoten en op het tijdstip van hun huwelijk tot de categorie van jongere ongehuwden behoorden, ingedeeld blijven in tariefgroep 2. De gehuwde vrouw, die door neveninkomsten in het jaar van huwelijk voor een verplichte aanslag in aanmerking komt, zal in het voorgestelde stelsel niet zo veel behoeven bij te betalen als thans het geval is door de terugval naar de huidige tariefgroep 1.
  • Terugkomende op de aan het begin van dit onderdeel opgeworpen vraag of het stelsel ook in de praktijk van de loonbelasting kan worden toegepast, kan daarop worden geantwoord, dat dit inderdaad mogelijk is, zij het dat de heffing van de loonbelasting in een aantal gevallen minder eenvoudig zal verlopen dan thans het geval is. Met name zal de werknemer meerook meer gecompliceerde -gegevens dienen te verstrekken. Voorts zal hij zich moeten realiseren dat hij op wijzigingen van die gegevens zal dienen te letten en die wijzigingen zal moeten melden. Verder zal in een aantal gevallen, waarin dit thans wel het geval is, de loonbelasting geen eindheffing meer kunnen zijn.

Tweede Kamer,zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

C. Premieheffing volksverzekeringen Het voorgestane stelsel van gelijke behandeling voor de belastingheffing behoeft op zich geen consequenties te hebben voor de premieheffing volksverzekeringen. Evenals het huidige stelsel behoeft het niet in de weg te staan aan een premieheffing voor gehuwden naar hun gezamenlijke inkomen. Evenmin vormt het een beletsel om mettertijd tot een verzelfstandiging van de premieheffing te geraken. De studie over een individuele behandeling van gehuwden voor de premieheffing wordt binnenkort door een interdepartementale ambtelijke werkgroep ter hand genomen in het kader van gelijkberechtiging van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. Bij die studie zal voor wat de premieheffing volksverzekeringen betreft zoveel mogelijk een aansluiting bij de belastingheffing het uitgangspunt dienen te zijn. Daarbij komt aan de orde de omvang van het individuele maximum, met andere woorden de vraag of ten aanzien van echtparen waarvan beide partners inkomen genieten, premie dient te worden geheven van ieder afzonderlijk tot het (ook voor alleenstaanden) geldende inkomensmaximum. Bij overgang naar een dergelijke individuele behandeling bij de premieheffing van gehuwden zou het hiervoren in onderdeel B-Hl in voorbeeld 45 tot uiting komende verschil in premiedruk tussen gehuwden en ongehuwd samenlevenden verdwijnen.

D. Gefaseerde invoering van het nieuwe stelsel In onderdeel A (Inleiding) van dit hoofdstuk is als zesde kernpunt waaraan een nieuw stelsel zal moeten beantwoorden, naar voren gebracht dat het stelsel bij invoering geen -relatief -te grote schokken voor de overgrote meederheid van de individuele belastingplichtigen mag opleveren. In onderdeel B (Schets van een nieuw stelsel) is, voor zover schokken voorkomen, als mogelijkheid een geleidelijke invoering van de wijziging in belastingvrije sommen genoemd. Schokken zullen zich (zie onderdeel B-M, letter k, en bijlage VII) vooral voordoen in de situaties waarin man en vrouw beiden arbeidsinkomen genieten en het arbeidsinkomen van de man beduidend hoger is dan dat van zijn vrouw. Deze schokken zijn echter onvermijdelijk bij overgang naar het nieuwe stelsel van gelijke behandeling van man en vrouw voor de heffing van in-komstenbelasting, dat in bredere zin tot een meer evenwichtige uitkomst leidt dan het huidige stelsel van verzelfstandiging van de werkende gehuw-de vrouw. Wel kan de werking van de overgangseffecten worden gespreid. Een zekere geleidelijkheid kan namelijk worden bereikt door de wijzigingen in de belastingvrije sommen in stappen te laten verlopen (de belastingvrije som van de «alleenverdiener» kan daarbij uiteraard worden gehandhaafd op f10070). Schokken in de belastingdruk zullen zich ook voordoen bij de thans in tariefgroep 3 ingedeelde ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren. Er valt evenwel niet aan te ontkomen dat de herziening van de tariefgroepindeling voor deze groep van belasting plichtigen aanstonds bij de overgang van het huidige stelsel naar het nieuwe wordt doorgevoerd. Met andere woorden, deze belastingplichtigen zullen aanstonds dienen te worden ingedeeld in hetzij tariefgroep 2 (ingeval de samenlevenden of de samenwonenden beiden een inkomen hebben), hetzij tariefgroep 4 (in geval van een «alleenverdiener»). Voor een geleidelijke overgang naar deze tariefgroepindeling is geen uitvoerbare regeling te treffen. Een niet-gefaseerde overgang naar een behandeling welke voor de betrokkenen ten naaste bij overeenkomt met die van gehuwden in vergelijkbare omstandigheden, wordt mede hierom verantwoord geacht. Uit budgettaire overwegingen zal de verhoging van de belastingvrije sommen van de tariefgroepen 2 en 3 in fasen moeten plaatsvinden.

De wijzigingen in de belastingvrije sommen zouden als volgt kunnen worden geëffectueerd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Groep

Situatie nu

Overgangsjaar

Overgangsjaar

Nieuwe 1

situatie

4 702 ___ 5 976

  • 6 042 10070

10070 (groep 4) 5 976

6 042 (groep 2) 7 989

8 056 10070

10070 (groep 4) 10070

10070 7 382

6 042 (groep 2)

2081

2014

De omvang van de belastingreducties tussen een echtpaar waarvan beide partners met betaalde arbeid een bepaald gezinsinkomen verdienen en een echtpaar waarvan één partner dat zelfde inkomen verdient is, zoals is vermeld, voor wat betreft het huidige stelsel weergegeven in bijlage III en voor wat betreft het voorgestelde stelsel in bijlage IX. De verschillen daartussen zijn aangegeven in bijlage VII. De wijze waarop deze verschillen bij gefaseer-de invoering over drie jaren worden verdeeld over elk van deze jaren blijkt uit bijlage X. Een gefaseerde overgang brengt met name op het gebied van de loonbelasting uitvoeringsproblemen teweeg. Het is wellicht mogelijk deze ten dele te ondervangen door in de overgangsperiode het onderscheid manvrouw bij de toekenning van de belastingvrije sommen te handhaven. Om aan de aan deze oplossing klevende bezwaren van emancipatoire aard tegemoet te komen zou in de overgangsfase de mogelijkheid van rolwisseling dusdanig kunnen worden verruimd, dat op verzoek van de beide echtgenoten de hoge belastingvrije som wordt toegekend aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen.

E. Budgettaire aspecten

De invoering van een stelsel met gelijke belastingvrije sommen voor gehuwde mannen en vrouwen die beiden arbeidsinkomen hebben, gepaard gaande met toerekening van overige inkomensbestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen zal, rekening houdende met eventuele overheveling van de onbenutte vrije voet van de partner, een budgettaire bate opleveren van ruim f 300 min. Het effect van de gelijkstelling -voor wat betreft het tarief -van ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren met gehuwden valt moeilijk te ramen. Het wordt gesteld op een budgettaire bate van f 75 min. De verhoging van de belastingvrije sommen van groep 2 en groep 3 zal een budgettair verlies van f 135 min. opleveren. De uitbreiding van de verzelfstandiging tot pensioenen van gehuwde vrouwen zal in totaal een budgettair verlies van f 45 min. opleveren. Het budgettaire effect van de verhoging van de minimumbeloning bij het meewerken in de onderneming van de echtgenoot kan worden gesteld op P.M. Het optrekken van de beloning van de in belangrijke mate meewerkende echtgenoot van f 4968 tot f 8274 brengt een budgettair verlies van ongeveer f 40 min. mee.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

f

2017 f

5843

f

7855

f 10070

3 362 • 5921501-70

5910

7922

Toeslag art. 53, lid 4, letter c

f

2215

2148

Samenvattend kan het volgende overzicht van de budgettaire aspecten van het voorgestane stelsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, rekening houdend met een gefaseerde invoering over drie jaren, worden gegeven (in f min.).

Jaar 1

Jaar 2

Jaar 3

Totaal

Gelijke belastingvrije sommen voor gehuwden die beiden arbeidsinkomen hebben; toerekening van overige inkomensbestanddelen aan partner met het hoogste arbeidsinkomen; eventueel voetoverheveling (B-II, letters d en h)

105

100

300 Gelijkstelling in tarief van samenlevenden en samenwonenden met gehuwden (B- II, letter b)

75 Verhoging van de belastingvrije sommen van tariefgroepen 2 en 3 (B-I I, letters den g)

-45

-45

-45

-135 Toerekening pensioenen van gehuwde vrouw aan haarzelf (B- II, letter b)

-45

-45 Verhoging van de minimumbeloning meewerkende echtgenoot (B-Il, letter c)

P.M.

P.M.

P.M.

P.M. Verhoging van de maximumbeloning van de in belangrijke mate meewerkende echtgenoot (B-II, letter c)

-40

-40

Totale bate Totale last

18013 0

10045

9545

37522 0

Per saldo bate/last

+50

+55

+50

+155

Met de hiervoren (B-M, letter g) reeds aangeduide mogelijkheid van verlaging van de leeftijdsgrens van 35 tot 30 jaar voor tariefgroep 3 zou een bedrag van f 75 min. zijn gemoeid. Voor de aanwending van het alsdan resterende bedrag van f 80 min. kan worden gedacht aan enige verhoging van de belastingvrije som voor de «alleenverdieners» (zie hierna onder «Slotopmerkingen»).

F. Slotopmerkingen

Het in dit hoofdstuk beschreven stelsel zou wellicht het beste kunnen worden getypeerd als een «stelsel van gelijke behandeling». Daarmee wordt dan aangegeven dat is getracht het huidige stelsel van belastingheffing van gehuwden, dat niet voldoet aan gerechtvaardigde verlangens naar een gelijke behandeling van man en vrouw, om te buigen tot een nieuw stelsel, waarin verschillen in de fiscale benadering van gehuwde mannen en gehuwde vrouwen worden vermeden. Ook is bij de opzet van dat stelsel gestreefd naar een gelijke behandeling -alleen voor wat betreft het tarief -van gehuwden en ongehuwd samenwonenden of samenlevenden. Hiermee is gestalte gegeven aan de voornaamste kernpunten, waaraan een nieuw stelsel zou moeten voldoen. De tot richtsnoer genomen zes kernpunten hielden de volgende eisen in: 1. tegemoetkomen aan gerechtvaardigde verlangens naar een gelijke behandeling van man en vrouw; 2. aansluiten bij de huidige maatschappelijke situatie en een zo goed mogelijk uitgangspunt bieden voor aanpassing aan te verwachten maatschappelijke ontwikkelingen; 3. individualisering als uitgangspunt hanteren;

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

  • voor wat het tarief betreft geen onderscheid maken tussen gehuwden en ongehuwden, die afgezien van de huwelijksband, feitelijk in vergelijkbare omstandigheden verkeren (samenwonen of samenleven); 5. goed uitvoerbaar zijn; 6. bij invoering voor het merendeel van de contribuabelen geen te grote schokken opleveren.

Mij zettende tot een toetsing van het nieuwe stelsel aan deze kernpunten, merk ik het volgende op. De formele discriminatie tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen komt te vervallen. In gelijke omstandigheden worden dus gehuwde vrouwen op dezelfde wijze behandeld als gehuwde mannen. Ook leveren de gelijke belastingvrije sommen voor elk van de partners daaraan een principiële bijdrage. Door de toerekening van een zelfde algemene belastingvrije som aan iedere belastingplichtige, ongeacht burgerlijke staat of geslacht, wordt de basis gelegd voor de in kernpunt 3 genoemde individualisering. De huidige maatschappelijke situatie, het gegeven dat in de meeste huwelijken één van de echtgenoten het gehele of nagenoeg het gehele gezinsinkomen aanbrengt, maakt dat een volledige individualisering niet kan worden verwezenlijkt. De banden tussen de partners moeten voor wat betreft de inkomstenbelasting nog wel in aanmerking worden genomen als het gaat om de draagkrachtbepaling (tariefgroep 4 en voetoverheveling) en het belasten van andere inkomsten dan die uit arbeid (bij voorbeeld vermogensinkomsten). Ik ben mij ervan bewust dat deze binding in principe een stuk materiële emancipatie in de weg staat doordat -evenals dat thans het geval is -de minst verdienende partner (vaak zal dit de vrouw zijn) gegevens over haar of zijn inkomen aan de ander zal moeten verstrekken. Voor een deel is dit in de gegeven opzet onvermijdelijk, namelijk als het gaat over de aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen toegerekende overige inkomensbestanddelen, die van de andere partner afkomstig zijn. Daarbij dient wel te worden bedacht dat in verreweg de meeste gevallen tussen de huwelijkspartners het regime van huwelijksgoederenrecht van algemene goederengemeenschap bestaat, waarbij dus ook de gegevens nopens het financiële wel en wee gemeenschappelijk zijn.

Voor de rangschikking in tariefgroep 4 en voor de voetoverheveling zijn de partners in principe vrij in de uitwisseling van de gegevens: zij zouden kunnen volstaan met hun recht op de algemene belastingvrije som van tariefgroep 2. Naar valt te verwachten zal men deze prijs voor de vrijheid in de onderlinge relatie veelal te hoog achten. Dit doet aan de principiële kant van het bezwaar echter niet af. Wellicht zal in de toekomst aan deze bezwaren, indien de zich thans aftekenende maatschappelijke ontwikkeling doorzet, tegemoet kunnen worden gekomen. De opzet van het stelsel maakt een doorgaan op de weg naar volledige verzelfstandiging mogelijk. Ook een stap is de gelijke behandeling -alleen voor het tarief -van gehuwden en ongehuwden die, afgezien van de huwelijksrelatie, feitelijk in vergelijkbare omstandigheden verkeren (samenlevenden en samenwonenden). Daardoor zal een einde komen aan de nu door vele echtparen waarvan beide partners betaalde arbeid verrichten als onrechtvaardig ervaren situatie dat zij -bij overigens gelijke omstandigheden -vaak aanzienlijk zwaarder worden belast dan samenlevende (of samenwonende) ongehuwden. Een «evenwichtige» benadering vereist dan wel dat de omgekeerde situaties («alleenverdieners») op dezelfde wijze worden behandeld. De overgang naar een stelsel van gelijke behandeling van man en vrouw zal voor echtparen waarvan beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten en voor ongehuwden die een gemeenschappelijke huishouding voeren niet steeds pijnloos verlopen. Voor deze categorieën belastingplichtigen zullen de voorgestelde wijzigingen enige verzwaring van het totaal aan belastingdruk op beide partners inhouden. Dat is een niet te vermijden consequentie van het streven naar een gelijke behandeling van individuele belastingplichtigen. De geleidelijke invoering van het stelsel beoogt grote schokken in drukverzwaring te vermijden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

Voor wat betreft de uitvoerbaarheid (kernpunt 5) zal er, vergeleken met het huidige stelsel, geen vereenvoudiging optreden. Een -onvermijdelijke -«stap terug» zal moeten worden gedaan voor wat betreft de «koppeling» van de loongegevens van partners (in verband met de toerekening van vermogensinkomsten en dergelijke), de beoordeling of al dan niet een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd, de loonbelastingproblematiek (in-gewikkelder verklaringen, die vaker zullen moeten worden ingevuld) en meer verplichte afrekeningen in de inkomstenbelasting. Ik ben van mening dat het belang van de verzelfstandiging noopt tot deze stap terug op het gebied van de uitvoerbaarheid. De huidige situatie, waarin in ongeveer 75% van de huwelijken één der echtgenoten het gehele inkomen aanbrengt, laat een volledige individualisering niet toe. Door ten aanzien van gehuwden de andere inkomensbestanddelen dan het persoonlijke arbeidsinkomen toe te rekenen aan de echtgenoot met het hoogste arbeidsinkomen, is het nieuwe stelsel evenwichtiger dan het huidige: het kent als het ware integrale rolwisseling. Vergeleken met het bestaande stelsel is aan de gezinsdraagkrachtgedachte geen groter gewicht toegekend. De «alleenverdiener» is gerechtigd tot een belastingvrije voet voor twee personen, waarbij -tot een bedrag van f 2014, zijnde het verschil tussen de voor twee buitenshuis werkende partners geldende belastingvrije sommen van in totaal 2 x f 6042 en de voor de «alleenverdiener» geldende belastingvrije som van f 10070 -rekening wordt gehouden met de besparende werking van de huishoudelijke arbeid van de partner. Naarmate evenwel het aantal gevallen toeneemt waarin die besparende werking aanwezig is ondanks het feit dat beide partners een persoonlijk arbeidsinkomen hebben, dus zonder dat zij beiden betaalde arbeid buiten de gezinshuishouding verrichten, treden er spanningen op; de vraag is dan of dit verschil nog wel tot uitdrukking gebracht moet blijven. Die vraag zal vooral actueel worden indien voor de AOW-pensioenen een verzelfstandiging tot stand komt, hoe deze ook zal uitvallen. De jaarlijkse budgettaire bate van per saldo f 80 min., waartoe het voorgestelde systeem van heffing uiteindelijk zou leiden indien zou worden besloten tot verlaging van de leeftijdsgrens voor tariefgroep 3 van 35 tot 30 jaar, zou op een bescheiden wijze een eerste bijdrage tot oplossing van dit probleem kunnen zijn. Een bedrag van f 80 min. is evenwel maar toereikend om de belastingvrije som van de «alleenverdiener» met circa f 100 te verhogen.

Met deze nota hoop ik een bijdrage te hebben geleverd voor een nadere gedachtenvorming over de richting waarin, ten aanzien van de fiscale behandeling van de (werkende) gehuwde vrouw en haar man en van deelgenoten aan vormen van samenwonen en samenleven, het huidige stelsel van heffing van inkomsten-en loonbelasting ware om te buigen. Na veel passen en meten is, naar ik meen, een verantwoord stelsel bereikt. Ik vind het dan ook verheugend dat het voorgestelde stelsel als geheel door mijn ambtgenoot van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, mevrouw Kraaijeveld-Wouters, een bevredigende oplossing wordt geacht. Ik ben mij ervan bewust dat nogal wat details, vooral in de sfeer van de loonbelasting, in de nota niet zijn opgenomen. Het niet opnemen daarvan doet naar mijn mening echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om tot een verantwoorde oordeelsvorming te komen over het voorgestelde stelsel; het voorkomt dat de aandacht van hoofdzaken naar bijzaken zou worden afgeleid. Deze details komen vanzelf aan de orde indien de uitgangspunten van deze nota, zo de Kamer mij kan volgen op de weg naar verzelfstandiging, uitmonden in een ontwerp van wet.

De Staatssecretaris van Financiën, A. Nooteboom Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

Overzicht van de bijlagen

I. Tekst van de aanschrijving van 19 juni 1974, nr. B74/13084, (zoals deze is gewijzigd d.d. 19 januari 1976 en 15 juni 1978), inzake toepassing hardheidsclausule in verband met de fiscale verzelfstandiging van de werkende gehuwde vrouw.

II. Tekst van de aanschrijving van 18 juni 1976, nr. 27-610521, inzake vermindering van loonbelasting voor een gehuwde vrouwkostwinster.

III. Overzicht van de belastingreductie door gescheiden heffing in het huidige stelsel.

IV. Overzicht van de belastingreductie door gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen ad f 6043.

V. Tekst van de aanschrijving van 7 november 1977, nr. 277-17898, inzake zelfstandige belastingheffing van de gehuwde vrouw voor haar inkomsten uit arbeid genoten wegens arbeidsongeschiktheid.

VI. Uitkomsten van de belastingheffing van gehuwden naar een splittingstelsel (met verschillende delers).

VII. Overzicht van de teruggang in belastingreductie door gescheiden heffing bij overgang van het huidige stelsel van belastingvrije voeten (man f 10070, vrouw f 2017) naar een stelsel van gelijke belastingvrije voeten voor man en vrouw (ieder f 6042), met de mogelijkheid van voetoverheveling.

VIII. Extra-effect van een vermindering van een belastingvrije voet van f 6042 tot f 5843 voor buitenshuis werkende gehuwde belastingplichtigen.

IX. Belastingreductie door gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen ad f 6042, met de mogelijkheid van voetoverheveling.

X. Overzicht van de teruggang in belastingreductie door gescheiden heffing bij gefaseerde overgang van het huidige stelsel van belastingvrije voeten (man f 10070, vrouw f 2017) naar een stelsel met gelijke belastingvrije voeten voor man en vrouw (ieder f 6042).

XI. De inkomstenbelastingheffing van de gehuwde vrouw in de Verenigde Staten van Amerika (met bijlagen Xla, Xlb, Xlc en Xld).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

BIJLAGE I

Tekst van de aanschrijving van 19 juni 1974, nr. B74/13084 (zoals deze is gewijzigd d.d. 19 januari 1976 en 15 juni 1978), inzake toepassing hardheidsclausule in verband met de fiscale verzelfstandiging van de werkende gehuwde vrouw.

Algemeen 1. De fiscale verzelfstandiging van de werkende gehuwde vrouw met in-gang van 1 januari 1973 ontmoet bezwaren in gevallen waarin a. de vrouw kostwinster is, terwijl de z.g. rolwisseling geen toepassing kan vinden dan wel, bij toepassing, geen of weinig soelaas biedt indien hoge aftrekposten aanwezig zijn. b. de in de onderneming van haar man meewerkende vrouw over het toegerekende deel van de winst belasting moet betalen terwijl het echtpaar, in-dien geen winsttoerekening zou plaats hebben, geen of belangrijk minder belasting verschuldigd zou zijn. Voor deze gevallen is in beide Kamers der Staten-Generaal mijn aandacht gevraagd, terwijl mij voorts van vele zijden verzoeken hebben bereikt om toepassing van de hardheidsclausule. In de Tweede Kamer heb ik toegezegd mij te zullen beraden omtrent een regeling die tegemoet komt aan deze bezwaren en de te treffen regeling neer te leggen in een tot de belastingdienst te richten aanschrijving. Mede ter uitvoering van deze toezegging heb ik met toepassing van de hardheidsclausule de volgende maatregelen getroffen.

Verruimde rolwisseling 2. Ik keur goed dat de niet duurzaam gescheiden levende vrouw, wier binnen het Rijk wonende man een inkomen geniet dat minder bedraagt dan de met toepassing van art. 53, derde en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voor hem te berekenen belastingvrije som wordt ingedeeld in tariefgroep 4. Haar man wordt dan ingedeeld in tariefgroep 1. Hiermede wordt uitbreiding gegeven aan de in het derde lid van art. 55 van de Wet neergelegde wettelijke regeling die bij het bepalen van de mogelijkheid tot rolwisseling uitgaat van het onzuiver inkomen, dus voordat rekening is gehouden met de toevoeging aan of afnemingen van de oudedagsreserve, persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en aftrekbare giften. Deze maatregel wordt aangeduid als verruimde rolwisseling.

Verliescompensatie tussen echtgenoten (maritale verliescompensatie) 3. Tevens keur ik goed dat in die gevallen waarin het inkomen van een niet duurzaam gescheiden levende, binnen het Rijk wonende, echtgenoot in enig jaar negatief is, dit negatieve inkomen -voor zover mogelijk -als verrekenbaar verlies in mindering wordt gebracht op het inkomen van de andere echtgenoot in hetzelfde jaar. Deze maatregel wordt aangeduid als maritale verliescompensatie. De ene echtgenoot dient dan afstand te doen van zijn recht op verliescompensatie tot het bedrag dat op deze wijze bij de andere echtgenoot is verrekend.

Meewerkende echtgenoot 4. Voorts keur ik goed dat de winst uit onderneming, welke ingevolge art. 5, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt toegerekend aan de meewerkende echtgenoot, voor het jaar 1973 desgewenst wordt gesteld op een vast bedrag van f 1500 en voor 1974 en volgende jaren op het in dat artikel vermelde minimumbedrag.

Schriftelijk verzoek 5. Voor de toepassing van de in de leden 1 t/m 4 gegeven maatregelen is vereist een tot de inspecteur gericht gezamenlijk, schriftelijk gedaan verzoek van de echtgenoten. Bij dit verzoek dienen zij te verklaren ermede akkoord te gaan dat, indien de belastingheffing is geschied met inachtneming van één of meer van de bij deze aanschrijving getroffen maatregelen de aldus vastgestelde inkomens en/of aanslagen van beide echtgenoten tot uitgangspunt Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

100

worden genomen bij de toepassing van wettelijke bepalingen over andere jaren. Hierbij wordt met name gedacht aan de verliescompensatie en de middeling. Het verzoek wordt gedaan overeenkomstig het in de bijlage bij deze aanschrijving opgenomen mode. Exemplaren zijn na 1 juli a.s. op de in-specties der directe belastingen verkrijgbaar.

Ingangsdatum en termijn 6. De hiervoor vermelde maatregelen kunnen voor de heffing van de in-komstenbelasting toepassing vinden met ingang van het belastingjaar 1973. Verzoeken met betrekking tot het jaar 1973 kunnen worden gedaan tot en met 31 december 1975.

Verruimde rolwisseling in de loonbelasting 7. De in het tweede lid van deze aanschrijving vermelde verruimde rolwisseling kan met ingang van 1 januari 1975 tevens voor de loonbelasting toepassing vinden ten aanzien van de gehuwde vrouw wier binnen het Rijk wonende man vermoedelijk een inkomen zal genieten dat minder bedraagt dan de voor hem te berekenen belastingvrije som. Hierbij vindt art. 30, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 overeenkomstige toepassing.

Maritale verliescompensatie in de loonbelasting; negatieve opbrengst van de eigen woning 8. Volledigheidshalve merk ik op dat de in het derde lid van deze aanschrijving vermelde maritale verliescompensatie geen toepassing vindt voor de heffing van de loonbelasting. Wel keur ik goed dat aan de gehuwde vrouw, te wier aanzien in enig jaar de rolwisseling toepassing vindt, desgevraagd een vermindering van loonbelasting wordt verleend ter zake van de negatieve opbrengst van de tot hoofdverblijf dienende eigen woning, mits aannemelijk is dat haar man in dat jaar naast deze negatieve opbrengst geen of vrijwel geen andere positieve inkomsten zal genieten. De regeling welke is neergelegd in de aanschrijving van 5 november 1973, nr. B73/15850 I, vindt hierbij overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de (globale) benadering van het verschil tussen de in te houden loonbelasting en de vermoedelijk verschuldigde inkomstenbelasting, de negatieve opbrengst van de eigen woning in aanmerking wordt genomen als ware deze een bestanddeel van het inkomen van de gehuwde vrouw.

De Staatssecretaris van Financiën, M. J. van Rooijen

' Zie BNB 1975/283.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

101

Verzoek als is bedoeld in het vijfde lid om toepassing van de hardheidsclausule Aan de Inspecteur der directe belastingen te De ondergetekenden en wonende te verzoeken voor de heffing van de inkomstenbelasting over het jaar 197.. : • de vrouw in te delen in tariefgroep 4 en de man in tariefgroep 1, aangezien het inkomen van de man minder bedraagt dan de voor hem te berekenen belastingvrije som. • het negatieve inkomen van de ene echtgenoot voor zover mogelijk in mindering te brengen op het inkomen van de andere echtgenoot. De echtgenoot wiens inkomen op deze wijze is verrekend met het inkomen van de andere echtgenoot verklaart afstand te doen van het recht op verliescompensatie tot het bedrag dat aldus is verrekend en dit bedrag voor de toepassing van de wettelijke middelingsregeling te zullen aanmerken als een buiten het herrekentijdvak verrekenbaar verlies. • de winst welke ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt toegerekend aan de meewerkende echtgenoot te stellen op het minimum bedrag.

Zij verklaren er mede akkoord te gaan dat bij toepassing van wettelijke bepalingen de overeenkomstig dit verzoek vastgestelde inkomens en/of aanslagen tot uitgangspunt worden genomen. 197...

(plaats)

(dagtekening)

Handtekening vrouw:

Handtekening man:

  • • 
    Aankruisen hetgeen verlangd wordt.

. (man) (vrouw)

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

102

BIJLAGE II

Tekst van de aanschrijving van 18 juni 1976, nr. 27-610521, inzake vermindering van loonbelasting voor een gehuwde vrouwkostwinster.

  • Bij de invoering van de gedeeltelijke zelfstandige belastingheffing van de werkende gehuwde vrouw met ingang van 1 januari 1973 is ervoor gekozen ook op de door haar genoten inkomsten, die voor de inkomstenbelasting aan haar man bleven toegerekend, loonbelasting te doen inhouden naar tariefgroep 1. Deze regeling kan ertoe leiden dat de in een bepaald jaar van de vrouw ingehouden loonbelasting de door haar man over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting in aanmerkelijke mate overtreft, hetgeen pas achteraf in de inkomstenbelasting kan worden gecorrigeerd. Deze situatie zal zich voornamelijk voordoen ten aanzien van de gehuwde vrouw die als kostwinster uitkeringen krachtens de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) of de Algemene Ouderdomswet (AOW) geniet, terwijl de man daarnaast geen of vrijwel geen inkomen heeft. Van verschillende zijden hebben mij verzoeken bereikt in deze gevallen met betrekking tot de inhouding van de loonbelasting de hardheidsclausule toe te passen. Een en ander heeft mij aanleiding gegeven tot het treffen van de volgende maatregel.
  • Ik keur voor de vorenbedoelde situatie goed dat de inspecteur der directe belastingen, uitsluitend voor de heffing van de loonbelasting, op verzoek van de vrouw een zodanige vermindering van loonbelasting verleent dat de van haar in een bepaald jaar in te houden loonbelasting ongeveer gelijk zal zijn aan de door haar man over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, verminderd met de eventueel van hem in te houden loonbelasting, mits aannemelijk is dat het totaal van de in te houden loonbelasting de verschuldigde inkomstenbelasting met 10% of meer, doch ten minste met f 500 zou overtreffen, zo een aanslag in die belasting zou worden opgelegd. 3. Voor toepassing van de vermindering maken de inspecteurs gebruik van een aangepast formulier nr. 22, waarbij overigens wordt gehandeld als ware art. 30 van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing. De inspecteurs verstigen er voorts voor zoveel nodig de aandachtvan de inhoudingsplichtige op dat de vermindering niet geldt voor de in te houden premie AOW/-AWW. 4. Deze maatregel kan voor het eerst toepassing vinden voor de nog niet verstreken tijdvakken van het jaar 1976.

De Staatssecretaris van Financiën, M. J. van Rooijen Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

103

Overzicht van de belastingreductie door gescheiden heffing in het huidige stelsel eed

Gezins-

Bel.

Belastingreductie d oor gescheiden heff ng indien de vrouw ir i het gezinsinkomen bijdraagt voor: m

inkomen

T.g. 4

i Kamer,

5000

21501-15 000 21501-25000 2I50I-21501-40 000 45 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 10000

25000

3 457 734

851

851 '

734' N

30000

5 057 1 004

1 310 1 151

1 310' 1 004' ttli

35000

6 657 1 004 1 580

1 610 1 237

1 580' 1 004' co

40000

8 650 1 397 1 9732273

2089

1 630 1 973' 1 397' 45 000

10658 I 4122381

2681

2767

2497

18012 38I ' 1 412' co

50000

13158 I 904 2 888

3581

3667

3667

3 160 2 301

2 888' 1 904' CD 1

60000

18158 I 904

3380

4580

5074

5467

5230

4830

3847

2488

3 380' •

1981

70000

24014 2 354

4236

5436

6422

7322

7493

7486

6773

5873

4703

4 236' 80 000

29914 2 354

4280

5930

7322

8222

8885

9385

9080

8573

7 6734921

4 280' o

90000

36291 2 604

4757

6407

7843

9 193 21501-10762 2I50I-10949 I0457

8368

5398

4 757' -ft

en

10000 0

42 691 2 604

4780

6680

8343

9 693 21501-11756 2I50I-12349 2I50I-11175 8 868

5519

4 780' 835,

12000 0

56 008 2 754

5080

7 130 8 883

21501-11 846 13046 I39I0 14360 I48I0 21501-14084 I23I3

9506

5 878 140 000

69 700 2 904

5372

7422

9258

21501-12 521501-71 21501-15525 2I50I-16920 2I50I-16497 2I50I-13047 ^

16000 0

83 700 2 904

5380

7580

9566

21501-13 12150 I-71 21501-16358 2I50I-18143 2I50I-18741 2I50I-17539 a

18000 0

97 700 2 904

5380

7580

9566

21501-13 12914 6 29I58I6 21501-17808 2I50I-19626 2I50I-19964 I9783 ï

20000 0

11199 5 3004

5580

7875

9861

21501-13 421501-01-16111 2I50I-18111 2I50I-20521 2I50I-21242 2I30I l>

  • max. max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. -max. = max. = max. = 7 880

9966

21501-13 729153 29I66I6 17716 I88I6 21501-21634 2I50I-23355 23997

o

Absoluut maximum f 26206 bij een gezinsinkomen van f 362 339 en hoger, waarin de vrouw voor ten minste f 177 143 en de man voor ten minste f 185 196 bijdraagt. Belastingbedragen berekend naar tarief 1979, voor de man tariefgroep 4 en voor de vrouw tariefgroep 1; ingeval van rolwisseling (' ) voor de man tariefgroep 1 en ü

voor de vrouw tariefgroep 4.

CD CO o. CD O)

3 co

3 CD CO CO I co 00

o

CJI 00 co en

Overzicht van de belastingreductie door gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen ad f 6 043

Gezins-

Bel.

Belasti ngreductie door gescheiden heffing met gel jke belastingvrije sommen ad f 6 043 voor man en vrouw indien de vrouw in het ge zinsinkomen inkomen

T.g. 4 bijdraagt voor:

5000

21501-15 000 21501-25000 2I50I-21501-40 000 45 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 100 000

25000

3 457 283'

792

792

283' 30000

5 057 311 '

1092

1309

1092

311 '

-35000

6 657 311 '

1120

1609

1609

1120

311 '

  • 40 000

8 650 389'

1513

2030

2302

2030

1513

389'

-45 000

10658 397'

1606

2438

2738

2738

2438

1606

397'

-50 000

13158 487'

2106

3023

3638

3666

3638

3023

2106

487'

-60 000

18158 487'

2196

3613

4723

5151

5466

5151

4723

3613

2196

  • 70 000

24014 574'

2733

4469

5669

6597

7407

7492

7407

6597

5669

2733

  • 80 000

29914 574'

2733

4600

6250

7497

8397

8982

9392

8982

8397

6250

2733

-90 000

36291 623'

3032

5077

6727

8105

9 455 21501-10859 2I50I-10859

9455

6727

3032

  • 100 000

42 691 623'

3032

5149

7049

8605

9 955 21501-11940 2I50I-12349 II940

9955

7049

3032

-12000 0

56 008 652'

3211

5478

7528

9 194 21501-12079 2I50I-13997 2I50I-15028 2I50I-13279 I0794

7 528140 000

69 700 681 '

3390

5770

7820

9 598 21501-12783 2I50I-14961 2I50I-16742 2I50I-16742 2I50I-14133 I60 000

83 700 681 '

3390

5807

8007

9 921501-01-13383 2I50I-15673 2I50I-17904 2I50I-18764 2I50I-17904 I80 000

97 700 681 '

3390

5807

8007

9 921501-01-13420 I4920I60I0 21501-18504 2I50I-19926 2I50I-19926 200 000

11199 5 700'

3509

6026

8302

21501-12 12150 I-21501-01-16305 2I50I-18986 2I50I-20821 2I50I-21383 = max. = max. = max. max. = max. = max. = max. = max. = max. « max. = max. = max. = max. = max. = max. = 8 326

21501-12 354 21501-15639 2I50I-17921 50I-21501-01-22232 2I50I-23794

Absoluut maximum f 26205 ingeval het belastbare inkomen van elk der echtgenoten ten minste f 181 169 bedraagt. Belastingbedragen berekend naar tarief 1979. ' Een van de inkomens bedraagt minder dan de belastingvrije som ad f 6 043; de omvang van de belastingreductie is daardoor geringer dan wanneer het totaal van de belastingvrije sommen had kunnen worden benut.

BIJLAGE V

Tekst van de aanschrijving van 7 november 1977, nr. 277-17898, inzake zelfstandige belastingheffing van de gehuwde vrouw voor haar inkomsten uit arbeid genoten wegens arbeidsongeschiktheid.

  • Ingevolge art. 5, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze bepaling luidt met ingang van 1 januari 1976, worden de door een gehuwde vrouw wegens arbeidsongeschiktheid genoten inkomsten uit arbeid voor de heffing van de inkomstenbelasting niet meer aan haar man toegerekend. Indien de vrouw in aanmerking komt voor een aanslag in deze belasting, wordt zij voor die inkomsten zelfstandig belast. Van verschillende zijden hebben mij vragen bereikt over de reikwijdte van de wettelijke omschrijving «inkomsten uit arbeid genoten wegens arbeidsongeschiktheid». Dienaangaande deel ik u het volgende mede.
  • Art. 22, lid 1, van de vorenbedoelde wet definieert inkomsten uit arbeid als alle niet als winst uit onderneming aan te merken voordelen die worden genoten als onder andere loon uit dienstbetrekking, terwijl het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de begrippen loon en dienstbetrekking worden opgevat overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake de heffing van de loonbelasting (met uitzondering van fooien en dergelijke). Eén en ander brengt naar mijn oordeel met zich mede, dat de gehuwde vrouw niet alleen voor haar uitkeringen ingevolge de WAO en haar invaliditeitspensioen zelfstandig wordt belast, doch ook voor haar wegens arbeidsongeschiktheid genoten periodieke uitkeringen, welke ingevolge art. 11, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 aan de heffing van de loonbelasting zijn onderworpen en ingevolge het tweede lid van dat artikel worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Ik denk hierbij met name aan uitkeringen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers.
  • Voorts deel ik u mede dat de door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds te Heerlen verstrekte invaliditeitspensioenen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, gelet op het bepaalde in de art. E1 en F12 van deze wet, zowel vóór als na het tijdstip waarop de geniet(st)er de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, wegens arbeidsongeschiktheid worden genoten. De enkele omstandigheid dat het invaliditeitspensioen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt herrekend, doet hieraan naar mijn mening niet af. Ik acht het niet uitgesloten dat ook krachtens andere pensioenregelingen invaliditeitspensioenen worden verstrekt welke na het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de geniet(st)er hetzelfde karakter behouden.
  • Met betrekking tot de heffing van de loonbelasting in de onderwerpelijke gevallen deel ik u ten slotte nog het volgende mede. Indien een in-houdingsplichtige aan een gehuwde, niet duurzaam gescheiden levende vrouw loon uit vroegere dienstbetrekking verstrekt of wordt geacht te verstrekken, dat ten dele bestaat uit inkomsten uit arbeid wegens arbeidsongeschiktheid en ten dele uit andere inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, dient de loonbelasting (en de premie AOW/AWW) op grond van het bepaalde bij de art. 7 en 8 van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972 te worden berekend over het totale loon. Dit totale loon wordt geacht te zijn verstrekt uit één vroegere dienstbetrekking en wordt vermeld op één, ten name van de gehuwde vrouw gestelde, loonbelastingkaart. Voor de heffing van de inhoudingsplichtige aan een gehuwde vrouw loon uit vroegere dienstbevrouw en ten dele aan haar man te worden toegerekend. Dit noopt tot een splitsing van het op de desbetreffende loonbelastingkaart vermelde loon en de daarop ingehouden loonbelasting en premie AOW/AWW. In verband met de daaraan verbonden bezwaren ontmoet het geen bezwaar indien de hiervoor bedoelde samenvoegingsbepalingen in deze gevallen in zoverre buiten toepassing blijven. Deze goedkeuring houdt het volgende in. Wanneer een inhoudingsplichtige aan een gehuwde vrouw loon uit vroegere dienstbe-

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

106

trekking verstrekt of wordt geacht te verstrekken, dat ten dele bestaat uit in-komsten uit arbeid wegens arbeidsongeschiktheid en voor een ander deel uit andere inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, kunnen de loonbelasting en de premie AOW/AWW worden berekend over deze twee afzonderlijke bestanddelen. Deze bestanddelen worden alsdan beschouwd als loon uit twee afzonderlijke vroegere dienstbetrekkingen en vermeld op twee afzonderlijke, ten name van de gehuwde vrouw te stellen loonbelastingkaarten. De Handleiding voor loonbelasting en premieheffing zal met het vorenstaande in overeenstemming worden gebracht.

De Ministervan Financiën,

Voorde Minister,

De directeur-generaal der belastingen, C. J. Sleddering Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

107

BIJLAGE VI

Uitkomsten van de belastingheffing van gehuwden naar een splittingstelsel (met verschillende delers)

Inkomen

Belasting voor

Ongehuwden

Gehuwden Gehuwden bi j splitting met als deler

(tariefgroep 2)

(tariefgroep 4)

(totaal tariefgroepen 1 en 4 ingeval elk 54 inkomen heeft)

1.9

1,8

1,7

1,6

1, 5

f 25000 f

4810 f 3 457 f 2 756

f 2 662

f 2 924' f 3 274

f 3 698 f 4 176 f 4 718 f 30000 f

6410 f 5 057 f

3 906 f

3852

f 4 262

f 4 718

f 5 228

f 5 802 f 6 452 f 35000 f 8 341 f 6 657 f

5120

f 5 152

f 5 630 f 6 162 f 6 796 f 7 620 f 8 552 f 40 000

f 10341 f 8 650

f 6 561

f 6 452 f 7 094 f 7 842 f 8 678 f 9 620 f 10686 f 45 000 f 12771

f 10658

f

8011

f 8 020 f 8 778 f 9 620 f 10560 f 11620 f 12820 f 50 000 f 15271

f 13158 f 9 491

f 9 620 f 10462 f 11398 f 12442 f 13682 f 15348 f 60 000 f 20608 f 18158 f 12928 f 12820 f 13944 f 15348 f 16916 f 18682 f 20682 f 70 000 f 26508 f 24014 f 16528 f 16682 f 18156 f 19792 f 21718 f 24292 f 27208 f 80 000 f 32596 f 29914 f 20834 f 20682 f 22648 f 24986 f 27600 f 30542 f 33876 f 90 000 f 38996 f 36291 f 25342 f 25542 f 27910 f 30542 f 33484 f 36792 f 41216 f100 000 f 45 440 f 42 691

f 30342 f 30542 f 33174 f 36098 f 39828 f 44 166 f 49 082 f12000 0 f 58840

f 56 008 f 41024

f 41216

f 44 942 f 49 082 f 53 710 f 58916 f 65 192 f140 000 f 72 659 f 69 700 f 52 780 f 53 016 f 57 364 f 62 348 f 68 204 f 74 792 f 82 260 f160 000 f 86 659 f 83 700 f 64 959 f 65 192 f 70 582 f 76 570 f 83 262 f 90 880 f 99 812 f180 000 f100 659 f 97 700 f 77 736 f 77 992 f 84 054 f 90 880 f 98 762 f107 630 f11768 0 f200 000 f11503 9 f11199 5

f 90694 f 90880 f 97932 f10576 8

f11452 6

f12438 0 f13598 4 f30000 0

f18703 9

f18399 5

f159 037 f15931 8 f17037 0 f18265 0 f19637 6 f21207 8 f23007 8 f 400 000 f 259 039 f 255 995 f 22978 9 f 23007 8 f 245 236 f 262 078 f 280 902 f 302 078 f 32607 6 f 500 000 f 33103 9 f 32799 5 f 301 789 f 302 078 f 32102 4 f 342 076 f 365 606 f 392 078 f 422078

Belastingbedragen berekend naar tarief 1979 (bij splitting op basis van het ongehuwdentarief). 1

25000 Berekening:

  • 13157. 1,9 Belasting over f 13157 inkomen volgens tariefgroep 2 f 1 462, tweemaal dit bedrag is f 2 924.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

108

CD CD Q. CD

Overzicht van de teruggang in belastinreductie door gescheiden heffing bij overgang van het huidige stelsel van belastingvrije voeten (man f 10070, vrouw f 2 017) naar een stelsel van gelijke belastingvrije voeten voor man en vrouw (ieder f 6 042), met de mogelijkheid van voetoverheveling

Gezinsinkomen

"

•- 5 000

21501-15 000 21501-25000 2I50I-21501-40 000 45 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 100 000

tfl (O CO I CD 00 O Ol 00 co UI I 21501-30 000 21501-40 000 45 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 100 000 120000 I40 000 160 000 180 000 200 000

180 360 360 591 598 897 897 1 166 1 166 1 315 1 315 1 404 1 494 1 494 1 494 1 554

59 218 460 460 775 782 1 185 1 504 1 548 1 726 1 749 1 869 1 9831991 I 9912072 • max.

59 158 ' 1 243 243 558 968 968 1 33113 3II 5321652 I 6521774 I 774 1 850 max. = 1 855

180 218 372' 213' 21501-51 754 1 0731117 I 295 1 355 1 438 1 560 1 560 1 560 max. = 1 641

360 460 400' 241' 21501-26 726 1 089 1 089 1 290 1 410 1 5321532 I 532 max. = 1 612

360 460 637' 478' 236' 86 489 808 8521055 I 17312 87I 295 1 295 max. = 1 376

591 775 722' 321' 6' 404 404 767 968 1 088 1 088 1 210 1 210 max. = 1 291

598 782 876' 634' 312' 91 410 632 692 775 897 897 max. 978

897 1 124' 723' 408' 22365 566 686 808 808 max. = 889

1 185 965' 723' 401' 2 365 566 686 800 808 max. = 889

1 504 1 328' 1 086' 764' 42' 180 240 323 445 max. = 526

1 548 1 328' 1 086' 363' 2 203 323 437 max. = 526

1 726 1 529' 965' 243' 21' 39122 max. = 325

1 749 1 287' 562' 199' 2 122 max. = 325

1 650' 1 086' 364' 142' 82' max. = 204

NB. Rekening is gehouden met voetoverheveling. Belastingebedragen berekend op basis van tarief 1979. In de met een ' aangeduide posities is er geen teruggang in belastingreduo tie, maar een toeneming.

H

Extra effect van een vermindering van een belastingvrije voet van f 6 042 tot f 5 843 voor buitenshuis werkende gehuwde belastingplichtigen

(

B

Gezins-(

inkomen *

5000

21501-15 000 21501-25000 2I50I-21501-40 000 45 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 100 000 o>

16012 0

16013 2

120

19914 4

132

151

13916 0

144

163

151

15717 9

160

179

163

169

15717 9

179

198

179

181

169

16719 7

197

198

198

197

181

179

16720 7

207

216

216

234

216

207

191

18621 4

214

226

226

244

234

244

226

21421 4

214

233

233

251

244

254

244

25121 9

219

238

238

251

251

261

254

26121 9

219

238

238

256

256

261

261

268 max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. • 223

223

242

242

260

260

270

270

277 Absoluut maximum f 287.

NB. Rekening is gehouden met voetoverheveling. Belastingbedragen berekend op basis van tarief 1979.

25000

103

103 30000

127

104

12150 I-00

127

104

104

104

104

127 40 000

160

104

116

104

116

104 45 000

160

120

116

116

116

116 50 000

199

120

132

116

128

116 60 000

199

139

151

132

144

128 70 000

235

157

151

151

163

144 80 000

235

157

169

169

163

163 90 000

255

167

169

169

181

181 100 000

255

167

179

179

181

181 120 000

267

174

186

186

191

191 140 000

279

179

186

186

198

198 160 000

279

179

191

191

203

203 180 000

279

179

191

191

203

203 200 000

287

183

195

191

203

203 = max. = max. = max. max. = 195

max. = 207

max 207

§ CD Cï O. CE

3 CB

3 CO CD ^1 CD I CD

00 O

cn oo co CT1 I

Belastingreductie door gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen ad f 6 042, met de mogelijkheid van voetoverheveling

Gezins-

Bel. inkomen

T.g. 4

Belastingreductie door gescheiden heffing met gelijke belastingvrije sommen ad f 6 042 voor man en vrouw indien de vrouw in het gezinsinkomen bijdraagt voor:

5000

21501-15 000 21501-25000 2I50I-21501-40 000 45 000 50 000 60 000 70 000 80 000 90 000 100 000

25000

3 457 554'

792

792

554'

  • 30000

5 057 644'

1092

1309

1092

644'

  • 35000

6 657 644' 1 120

1609

1609

1120

644'

-40 000

8 650 806' 1 513

2030

2302

2030

1513

806'

  • 45 000

10658 8I4' 1 606

2438

2738

2738

2438

1606

814'

  • 50 000

13158 I 007' 2 106

3023

3638

3666

3638

3023

2106

1 097'

-60 000

18158 I 007t 2 195

3612

4723

5151

5466

5151

4723

3612

2195

-70 000

24014 I 188' 2 732

4468

5668

6596

7407

7492

7407

6596

5668

2732

  • 80 000

29914 I 188' 2 732

4599

6249

7496

8396

8981

9392

8981

8396

6249

2732

  • 90 000

36291 I 289' 3 031

5076

6726

8104

9 454 21501-10858 2I50I-10858

9454

6726

3031

  • 100 000

42 691 1 289' 3 031

5148

7048

8604

9 954 21501-11939 2I50I-12347 II939

9954

7048

3031

  • 12000 0

56 008 1 350' 3211

5478

7528

9 193 21501-12078 2I50I-13995 2I50I-15026 2I50I-13278 I0793

7 528140 000

69 700 1 410' 3 389

5770

7820

9 598 21501-12783 2I50I-14959 2I50I-16740 I69I8 21501-15 659 14133 I60 000

83 700 1 410' 3 389

5806

8006

9 921501-01-13383 2I50I-15672 2I50I-17903 2I50I-18762 2I50I-17903 I80 000

97 700 1 410' 3 389

5806

8006

9 934118 34I34I9 21501-16008 2I50I-18503 2I50I-19925 2I50I-19925 200 000

11199 5I 450' 3 508

6025

8301

21501-12 12913 7I4I52I4 21501-17303 2I50I-20084 2I50I-21120 2I383 = max. = max. = max. max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = max. = 8 325

21501-12 353 21501-15638 2I50I-17927 2I50I-21108 2I50I-23030 23793Absoluut maximum f 26203 ingeval het belastbare inkomen van elk de r echtgenoten ten minste f 181 168 bedraagt

Belastingbedragen naar tarief 1979. ' Een van de inkomens bedraagt minder dan de belastingvrije som ad f 6 042; het onbenutte gedeelte van de belastingvrije som is overgeheveld naar de echtgenoot met het hogere inkomen.

5 o m X Overzicht van de terugga.ig in Lelastingreductie door gescheiden heffing bij gefaseerde overgang van het huidige stelsel van belastingvrije voeten (man f 10070, vrouw f 2 017) naar een stelsel met gelijke belastingvrije voeten voor man en vrouw (ieder f 6 042), indien de vrouw in het gezinsinkomen bijdraagt voor:

I

I

3 CQ (0 (O I

UI 00 00 UI

IA io

Gezins-5 000

10000

15000

20000

25000

30000

35000 inkomen 21501-81

24'

24'

77 30000 I63 101

80' 78'

16310 I

96 35000 I63 101

13916 0I6I

372'

13916 0I6I

16310 I

96 40 000 263 209 119

13916 0I6I

80' 80' 53'

560' 79' 81

13916 0I6I

263 209 119 45 000 270 209 119

23926 8 268

1 ' 30

268'

1' 28'

797' 79

23926 8 268 50 000 405 343 149

246 268 268

183 187 188

1 ' 30

1 ' 0

505'

1 ' 28

1097' 187 188 60 000 405 343 149

381 402 402

32532 I 322

109 107 135

102 107 107

106' 108' 22'

535' 107 107 70 000 527 463 176

459 522 523

32532 I 322

244 241 269

244 241 241

6'

0 80 000 527 463 176

503 522 523

447 441 443

32236 I 390

244 241 241

13613 4 2I9

13613 4I34 90 000 594 530191

547 589 590

447 441 443

366 361 390

366 361 362

21425 4 340

13713 3I34I00 000 594 530191

570 589 590

514508 5I0

410428 457

366 361 362

258 254 340

258 254 255 12000 0 634571 I99

610630 629

554 549 549

433428 494

433428 429

32532 I 409

32532 I 32214 0 000 675 611208

643 670 670

554 549 549

473 469 496

473 469 468

365 362 446

365 362 361 160 000 675 611208

651 670 670

595 589 590

514509 537

514509 509

398 402 487

365 362 361 180 000 675 611208

651 670 670

595 589 590

514509 537

514509 509

406 402 487

406 402 402 200 000 702 638214

678 697 697

617616 6I7

514509 537

514509 509

406 402 487

406 402 402

21501-40 000

45000

50000

60000

70000

80000

90000

100 000 30 000 21501-40 000 45 000 270 209 119 50 000 246 268 268

405 343 149 60 000 1118' 107 135

1767' 32132 2

381 402 402 70 000 719'

1205' 241 241

1475' 241 269

459 522 523 80 000 133' 134' 45'

676' 13413 4

1076' 13421 9

2079' 361 390

503 522 523 90 000

490'

1680' 254 370

2079' 361 390

547 589 590 100 000 80 12021 0

1094' 12021 0

1680' 254 340

2414' 428457

570 589 590 12000 0I68 187 277

12412 0I2I

12412 0I2I

42'

1'

602' 12011 9

1429' 187 277

2015' 32140 7 2572' 428494 I40 000 191 187 314

191 187 188

191 187 188

1'

377' 66

937' 187 188 1578' 178 314 160 000 231 228 316

23122 8 227

23122 8 227

66105

21'

333' 66

68 535' 66 105 180 000 272 268 357

272 268 268

264 268 268

109 107 107

109 107 107

0 179'

37200 000 272 268 357

272 268 268

272 268 268

150 147 148

142 147 148

39 38' 41'

3'

NB: Rekening is gehouden met voetoverheveling. Belastingbedragen berekend op basis van tarief 1979. In de met een ' aangeduide posities is er geen teruggang in belastingreductie, maar een toeneming.

BIJLAGE XI

De inkomstenbelastingheffing van de gehuwde vrouw in de Verenigde Sta-

ten van Amerika

INHOUDSOPGAVE

Bladzijde

A. Algemeen

114

B. Aangifteplicht

114

C. Tariefgroepen

114

D. Bepaling van het belastbare object

116

E. Het tarief

120

F. «Creditsagainsttax»

121

G. Bijzondere heffingen

124

H. Samenvatting

125

Tweede Kamer,zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

113

DE INKOMSTENBELASTINGHEFFING VAN DE GEHUVVDE VROUW IN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

A. Algemeen

De Verenigde Staten zijn een federale republiek, die -naast enkele territories en het District of Columbia -50 staten omvat. De federale begroting wordt onder meer gevoed door de opbrengst van federale inkomstenbelasting. De Amerikaanse federale inkomstenbelasting is geregeld in de Internal Revenue Code of 19541. Deze Code wordt jaarlijks door «amendments» aangepast. Naast de Code zijn er nog uitgebreide uitvoeringsbeschikkingen, de Income Tax Regulations, waarin tal van voorbeelden ten behoeve van de uitleg zijn gegeven.

B. Aangifteplicht

sec. 6012 In het Amerikaanse systeem fungeert dfe loonbelasting (withholding tax on wages) niet als een eindheffing. Vandaar kent dit systeem een ruime aangifteplicht. De belasting wordt niet in de vorm van een door de inspecteur op te leggen aanslag geheven, maar de over het aangegeven inkomen verschuldigde belasting moet door de belastingplichtige zelf worden berekend en dan betaald. De aangifteplicht begint bij een jaarinkomen van:

Ongehuwden (incl. «head of a household»)

S 2 950 Ongehuwden boven de 65 jaar

$ 3 700 Gehuwden

$ 4 7003 Gehuwden (één echtgenoot boven de 65 jaar) $ 5 4501 Gehuwden (beide echtgenoten boven de 65 jaar) $ 6 200' Weduwe of weduwnaar («surviving spouse»)

$ 3 950

Kinderen en anderen, voor wie bij de ouder of verzorger aftrek wordt verleend, moeten aangifte doen bij een inkomen boven de $ 750 per jaar4. Er zijn -naast de wettelijke verplichting tot het doen van aangifte -nog twee prikkels om aangifte te doen: 1. in veel gevallen is meer loonbelasting ingehouden dan aan inkomenstenbelasting is verschuldigd, zodat men belang heeft bij een verrekening; sec. 43

  • de genieters van lage arbeidsinkomens kunnen -mits zij één of meer kinderen, die hetzij jonger zijn dan 19 jaar, hetzij studerende of invalide zijn, grotendeels onderhouden -aanspraak maken op de «earned income credit»; er vindt dan verrekening met de verschuldigde belasting plaats, eventueel zelfs een teruggave van belasting.

C. Tariefgroepen

In de aangifte voor de inkomstenbelasting moet niet alleen het belastbare inkomen maar ook de over dat inkomen verschuldigde belasting zelf worden uitgerekend. (Dit is te vergelijken met het Nederlandse systeem bij de omzetbelasting.) In verband hiermee moet in de aangifte worden vermeld tot welke tariefgroep men behoort.

sec. 1

Er zijn vijf mogelijkheden:

  • Ongehuwd (single) Tot deze groep behoren degenen die niet onder de groepen 2 of 3 vallen.

sec. 2(b)

  • Ongehuwd, hoofd van een huishouden (head of a household) Onder deze categorie wordt de ongehuwde gerangschikt die grotendeels in de kosten van een huishouden voorziet waartoe een «dependent» be-1 subtitieA

hoort. Dat kan een kind zijn, een ander familielid, maar ook een derde, mits 2 «Gross income», zie hierna onder D..

ingezetene of staatsburger van de Verenigde Staten, waarvan het levens-3 Gezamenlijk inkomen, ongeacht het type onderhoud grotendeels ten laste van het hoofd van het huishouden komt. !a"9', e'

.,

Het hoofd van zo'n huishouden valt onder een apart tarief, dat lager is dan 4 Ook in enkele andere, hier met ter zake doen-. . de gevallen, moet reeds bij een lager inkomen dat v00r een ongehuwde, maar hoger dan voor een echtpaar met een «joint aangifte worden gedaan.

return».

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

114

  • A. Gehuwd met afzonderlijke aangifte (married with separate return) In het Amerikaanse belastingstelsel zijn de echtelieden steeds zelfstandig belastingplichtig geweest; desgewenst konden zij afzonderlijke aangiften in-dienen. In het systeem van afzonderlijke aangiften diende -voor wat betreft de toerekening van het inkomen -te worden aangesloten bij het tussen de huwelijkspartners bestaande regime van huwelijksgoederenrecht. Dit is overigens nog steeds het geval. Deze parallelliteit tussen belastingheffing en huwelijksgoederenrecht leidde echter tot onbillijkheden, omdat het huwelijksgoederenrecht in de afzonderlijke staten -die in dat opzicht autonoom zijn -verschilt. Een aantal staten kent als wettelijk regime het «communitypropertysystem», waarbij alle inkomsten gelijkelijk over man en vrouw worden verdeeld. Voor de heffing van de inkomstenbelasting leidde dit tot progressievoordelen ten opzichte van de inwoners van de staten met een ander stelsel, het «commonlawsystem», vooral indien het inkomen slechts door één echtgenoot werd aangebracht. Het kwam zo ver, dat sommige staten vanwege de federale belastingwetgeving hun huwelijksgoederenrecht wilden wijzigen, terwijl daarnaast huwenden allerlei juridische constructies ter egalisering van de inkomsten van echtgenoten overeenkwamen. In 1948 heeft men deze problemen opgelost door het systeem van «splitting» in te voeren. In verband daarmee ontstond toen een nieuwe categorie gehuwde belastingplichtigen, te weten de gehuwden met een gezamenlijke aangifte.

sec. 6013

B. Gehuwd met gezamenlijke aangifte (married with joint return) Het «splitting»-stelsel komt er thans op neer, dat de echtelieden desgewenst (en dat is bijna steeds het geval) hun inkomens samentellen en daarna het totaal halveren. Vervolgens wordt over deze helft de belasting uitgerekend naar het tarief van een gehuwde die een afzonderlijke aangifte doet, waarna de uitkomst wordt verdubbeld. Dit komt -in meer technische taal uitgedrukt -neer op de toepassing op het gezamenlijke inkomen van een tarief met een dubbele schijflengte. Doorgaans is het invullen van een gezamenlijke aangifte voordeliger dan het invullen van aparte aangiften, vooral wanneer de inkomens van de echtelieden sterk uiteenlopen; de progressie wordt dan immers afgezwakt.

Voorbeeld: Belasting bij een gezamenlijk inkomen van $ 40 000 (joint return) $ 10700; stel inkomen man $ 30000 en inkomen vrouw $ 10000 (of andersom), dan bedragen de afzonderlijke aanslagen resp. $ 10302 en $ 1272, totaal $ 11574. Het verschil met de joint return ad $ 874 is de hogere progressie in de schijf van $ 20000-$ 30000 ten opzichte van die in de schijf $ 10000-$ 20000.

In uitzonderingsgevallen kan de «separate return» leiden tot een ruimer profiteren van aftrekposten. De echtgenoten moeten het eens zijn over de keuze voor een «joint return». Zijn zij het niet eens, dan zullen zij afzonderlijk aangifte moeten doen. Een van de redenen waarom men soms niet voor een «joint return» kiest, ofschoon dat wel voordeliger zou zijn geweest, is dat men bij zo een gezamenlijke aangifte hoofdelijk aansprakelijk is voor de verschuldigde belasting. Men heeft overigens bij «separate returns» de mogelijkheid om binnen drie jaar na afloop van de aangiftetermijn alsnog een gezamenlijke aangifte in te dienen. Op de indiening van een «joint return» mag men daarentegen niet terug komen.

5 Voorbeeld: uitgaande van het huidige tarief -en de huidige vrijstellingen -betaalde een echtpaar in een «commonlaw-State», waar-van slechts één partner een inkomen van $ 15000 aanbracht aan federale inkomstenbelasting: 1 x $ 2286. In een «communityproperty-State» betaalde een vergelijkbaar echtpaar: 2x$932 = $1864. 7 Zo'n uitzondering doet zich voor bij de toepassing van het «credit for the elderly» (zie hierna onder F) bij een echtpaar waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar.

6 Voorbeeld: Inkomen man Inkomen vrouw Gezamenlijk inkomen .i Inkomen Belasting over Vi inkomen Belasting over 1/1 inkomen (2x)

s s 21501-20 000

s s s s 21501-17 000 4 096 8 192

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

115

sec. 2(a)

B'. Overlevende echtgenoot met kinderen (surviving spouse) In het jaar van overlijden van de huwelijkspartner en in de twee jaren daarna kan de weduwe of weduwnaar worden aangeslagen naar het tarief van een gehuwde met «joint return». Vereiste is dat het huishouden grotendeels voor eigen rekening komt en dat er tot dat huishouden ten minste één kind (of stiefkind) behoort als «dependent» (zie D.5). Hier is in feite geen sprake van een aparte tariefgroep, maar van een uitbreiding van het begrip «gehuwden».

D. Bepaling van het belastbare object De berekening van het belastbare inkomen («tax table income» dan wel «taxable income»; in het vervolg worden -ter voorkoming van verwarring -waar nodig de Amerikaanse termen gehanteerd) is weergegeven in het als bijlage Xla toegevoegde schema.

  • Bij de bepaling van het «gross income worden een aantal opbrengsten sec. 101-121

uitgezonderd («exclusions»). Hieronder vallen categorieën ontvangsten, die naar de Nederlandse opvatting wèl onder het belastbare inkomen vallen, zoals: -interest op niet-federale overheidsobligaties; -de meeste sociale verzekeringsuitkeringen; -studiebeurzen; -huurwaarde eigen woning; -uitkeringen aan oud-strijders.

Voorts geldt dat een ontvangst geen «gross income» kan zijn voor zover het een kapitaalrestitutie betreft; zo wordt bij voorbeeld een lijfrentetermijn gesplitst in een kapitaalsbestanddeel en een inkomensbestanddeel.

sec. 61

Tot het «gross income» worden gerekend onder meer loon uit dienstbetrekking, dividend, interest, beroeps-en bedrijfswinst, pensioenen en lijfrenten (geheel of ten dele) en alimentatieuitkeringen. Ook «capital gains and losses» (winsten en verliezen in de vermogenssfeer) behoren tot het «gross income».

sec. 62

Reeds bij de berekening van het «gross income» vindt aftrek plaats van een aantal zakelijke kosten («deductions»), zoals bedrijfskosten, kosten en afschrijvingen in verband met de verhuur van panden, kosten van kapitaaltransacties en dergelijke.

2/3. «Adjustments to gross income»; «adjusted gross income» Deze «adjustments» vormen eveneens een correctie op het «gross income». Deze posten drukken naar Amerikaanse opvatting niet op een bepaalde opbrengst, maar hebben een meer persoonlijk karakter, zodat -al behoren zij met de onder 1 genoemde «deductions» tot één categorie -zij in de aangifte apart dienen te worden vermeld. Toch zijn er posten bij met een duidelijk zakelijke inslag. Het gaat om: -verhuiskosten, zowel voor werknemers als ondernemers; -reis-en verblijfkosten voor werknemers; -pensioenbijdragen; -boeterenten wegens vervroegde aflossing; -betaalde alimentatie.

De Amerikaanse wetgeving kent niet de mogelijkheid van aftrek van de beloning voor een meewerkende echtgenoot. Bij de «joint return» is die mogelijkheid trouwens van geen belang.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

116

sec. 63(c) sec. 63(d)

  • «Excess of itemized deductions»; «zero bracket amount» ' Om van het «adjusted gross income» te komen tot het «tax table income» dan wel het «taxable income», kan nog aan de orde komen de «excess of itemized deductions over the zero bracket amount». Dit «zero bracket amount» is een forfaitair (vast) bedrag, dat is bedoeld om een aantal persoonlijke, maar deels (in onze ogen!) ook zakelijke aftrekposten op te vangen. Het forfait bedraagt: -bij een «joint return», èn voor een «surviving spouse». $ 3200 -voor een ongehuwde belastingplichtige (zijnde geen «surviving spouse»), dus óók voor een «head of a household» $ 2200 -vooreen gehuwde belastingplichtige met een «separate return» $ 1600 -in andere gevallen nihil

sec. 63(f)

sec. 213 sec. 163 sec. 164(a)

sec. 170 sec. 165 e. v. sec. 218

Dit forfaitaire bedrag is (reeds) in het tarief ingebouwd en behoeft dus niet op het «adjusted gross income» in mindering te worden gebracht. De belastingplichtige heeft echter de keus om, hetzij te volstaan met het in aanmerking nemen van de «zero bracket amount», dan wel om door specificatie van deze aftrekposten (waarvan het «zero bracket amount» het forfait vormt) tot een hogere aftrek op het «adjusted gross income» te komen. Als «deductions» die in dit verband mogen worden gespecificeerd komen in aanmerking: -ziektekosten; -interest (hypotheekrente, persoonlijke leningen, huurkoop etc); -bepaalde, niet-federale belastingen, zoals de inkomstenbelasting en grondbelasting, geheven door een staat van de Verenigde Staten; -giften aan charitatieve of algemeen nut beogende instellingen; -verliezen door toeval, diefstal etc; -diverse aftrekposten (dit zijn voornamelijk de zakelijke aftrekposten -«verwervingskosten» -die niet bij de bepaling van het «gross income» of als «adjustments to gross income» in aanmerking mochten worden genomen; voor voorbeelden zie noot 8 van deze bijlage).

sec. 63(e)

Voor elk van deze categorieën aftrekposten gelden speciale regels qua omvang, drempels, plafonds en dergelijke. In de gevallen dat een echtpaar aangifte doet via «separate returns» worden de kosten in aanmerking genomen bij degene die ze betaalt. Een bijzonderheid is nog dat in het geval echtgenoten «separate returns» indienen en één der echtgenoten zijn aftrekposten heeft gespecificeerd, de andere dit óók moet doen. Dit komt erop neer dat ook bij die partner de werkelijk gedane uitgaven in aanmerking komen, dus mogelijk minder dan «zero bracket amount» dat anders voor die partner zou hebben gegolden. Technisch wordt het niet benutte bedrag van de «zero bracket amount» bijgeteld bij het inkomen van die partner.

Voorbeeld

8 Voorbeelden hiervan: vakliteratuur, contributies van vakbonden, kosten van een studeerkamer, effectenbeheerskosten. 9 Bijeen «foreign tax credit». ,0 De gehele hiervoor beschreven regeling geldt pas vanaf 1 januari 1977. Daarvóór gold een enigszins andere regeling, met name ten aanzien van de «adjustments to» en de «itenv ized deductions». Men kende toen in plaats van de «zero bracket amount» de «Standard deduction».

Stel de heer en mevrouw A-B dienen «separate returns» in. De heer A kan aan kosten specificeren $ 3000, mevrouw A-B $ 500. Zouden zij een «joint return» hebben ingediend, dan hadden zij te zamen $ 3500 aan gespecificeer-de kosten gehad. Zij hadden dan een «excess of itemized deductions» kunnen aftrekken van $ 3500 minus $ 3200 = $ 300. Nu er «separate returns» worden ingediend bedraagt het «excess of itemized deductions» voor de heer A$ 1400 ($ 3000 minus $ 1600) en moet mevrouw A-B bij haar inkomen tellen: $ 1600 minus $ 500 = $ 1100. Aldus krijgen zij gezamenlijk per saldo een even grote aftrekpost ($ 1400 minus $ 1100 = $ 300) als in het geval van een «joint return».

Conclusie Voor dit onderwerp zijn er geen punten aan te wijzen die speciaal van belang zijn voor de belastingheffing van de gehuwde vrouw. Wel is er een duidelijk onderscheid te signaleren tussen de behandeling van een echtpaar en Tweede Kamerzitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

117

die van twee ongehuwd samenwonenden. De «zero bracket amount» voor twee ongehuwden bedraagt 2 x $ 2200 = $ 4400, die voor een echtpaar gezamenlijk $ 3200, of elk $ 1600. In de gevallen dat een echtpaar aangifte doet via «separate returns» worden de kosten in aanmerking genomen bij degene die ze heeft betaald.

  • «Personal

exemptions» Onder deze naam worden een aantal inkomensverminderingen samengevat, die zijn gebaseerd op persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige, te weten: ouderdom, blindheid, en het tot zijn last hebben van bepaalde personen, zoals kinderen, ledere «exemption» bedraagt $ 750. Men kent «exemptions»: sec. 151 (b) e.v.

  • als algemene belastingvrije voet voor iedereen; b. wegens ouderdom (65 jaar); c. wegens blindheid; d. voor «dependents».

Ada,

bene In geval de echtelieden «separate returns» indienen en een «gross in-come» bij één van de echtgenoten ontbreekt, mogen diens «exemptions» bij de andere echtgenoot in aarmerking worden genomen.

sec. 152

Add Wil men aanspraak maken op een «exemption for dependents», dan dient aan vijf voorwaarden te zijn voldaan: 1. Relatie van de «dependent» tot de belastingplichtige. De «dependent» moet zijn: -een bloedverwant in de rechte lijn (stiefouders en stiefkinderen tellen ook mee), of -een naaste bloed-of aanverwant (men gaat tot de derde graad in de zijlijn), of -een lid van het huishouden van de belastingplichtige, mits die relatie niet strijdig is met de plaatselijke wetten. 2. Het levensonderhoud voor de «dependent» dient grotendeels door de belastingplichtige te zijn voldaan. Indien echtelieden te zamen een kind grotendeels onderhouden -en zij aparte aangiften indienen -wordt aftrek verleend aan diegene die meer dan de helft van het door hen verstrekte levensonderhoud voor zijn (of haar) rekening heeft genomen. Voor studenten geldt als levensonderhoud voor de toepassing van deze bepalingen alleen hetgeen boven een studiebeurs moet worden opgebracht.

Voorbeeld Een student ontvangt in een jaar een beurs van $ 4000, verdient zelf $ 1000, terwijl zijn resterende levensonderhoud ad $ 2000 door zijn ouders wordt gedragen. Alsdan wordt voor de beoordeling als «dependent» slechts $ 2000 + $ 1000 als levensonderhoud gezien, zodat de ouders de student als «dependent» kunnen aanmerken.

  • Inkomen van de «dependent». Het «gross income» van de «dependent» mag niet hoger zijn dan $ 750, behalve als er sprake is van een kind dat jonger is dan 19 jaar of dat kan worden aangemerkt als «student». 4. Er mag geen «joint return» zijn ingediend door een gehuwde «dependent». 5. De «dependent» moet staatsburger of ingezetene van de Verenigde Staten zijn («citizen of national» of «resident»).

Voorbeeld Een echtpaar dat gezamenlijk aangifte doet («joint return») en waarvan de man (1 x a) en de vrouw (1 x a) beiden ouder dan 65 jaar zijn (1 x b en 1 x b), de vrouw blind is (1 x c) en een pleegkind heeft van 18 jaar (1 x d) waarvan Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

118

het levensonderhoud -voor zover dit ten laste van het echtpaar komt -voor het grootste deel uit het inkomen van de vrouw wordt betaald, krijgt in totaal 6 «exemptions», dat is een aftrek van 6 x $ 750. Zouden zij afzonderlijk aangifte hebben gedaan («separate returns»), dan zou de man een aftrek krijgen van 2 x $ 750 en de vrouw 4 x $ 750.

Conclusie Ook hier zijn geen punten te signaleren die van rechtstreeks belang zijn voor de belastingheffing van de gehuwde vrouw. Vermeldenswaard is echter wel de «exemption» die een belastingplichtige kan krijgen indien hij een tot zijn huishouden behorende niet-verwant onderhoudt. Hier moet worden gedacht aan pleegkinderen en kinderen die in afwachting van hun adoptie in een gezin worden opgenomen.

5/7. «Tax table income»; «taxable income» Het resultaat van de voorafgaande berekeningen, vóór aftrek van de «exemptions», leidt tot het «tax table income». Aan de hand van dit inkomen kan sec. 3

-mits het niet meer dan $ 20000 bedraagt (bij een «joint return» $ 40 000) en -het aantal «personal exemptions» beperkt blijft, de (bruto) verschuldigde belasting rechtstreeks aan de hand van de «tax tables» worden afgelezen". De belasting wordt berekend per inkomensgroep («bracket») van $ 50 (aan het begin $ 25). Hoewel er voor de toepassing van het tarief drie hoofdgroepen zijn te onderscheiden, zijn er -vanwege de onderverdeling van de groep gehuwden -vier «tax tables»: A. Voor ongehuwden. B. Voor gehuwden die gezamenlijk aangifte doen (en voor de daarmee gelijkgestelde weduwen en weduwnaars). C. Voor gehuwden die apart aangifte doen. D. Voor «heads of a household».

Voorbeeld Een echtpaar doet voor 1977 gezamenlijk aangifte van een «tax table in-come» van $ 29675. Zij zijn beiden jonger dan 65 jaar, niet blind en hebben één «dependent». In dit geval kan «tax table B» worden toegepast (zie bijlage Xlb)en isde belasting af te lezen in de regel 29650

29700onder3: $5561. Voldoet men niet aan de voorwaarden om deze «tax tables» te mogen toepassen, dan dient men de verschuldigde belasting te berekenen via de «tax rate schedules». Bij deze tabellen zijn de «brackets» groter dan $ 50; iedere dollar van het inkomen wordt belast. Deze «schedules» worden toegepast op het «taxable income» dat wordt berekend door de «personal exemptions» op het «tax table income» in mindering te brengen.

Voorbeeld Een echtpaar doet voor 1977 gezamenlijk aangifte. Zij hebben een «taxtable income» van $45000. Zij voldoen derhalve niet aan de voorwaarden voor toepassing van de «tax table». Stel dat zij 3 «exemptions» hebben, dan bedraagt hun aftrek 3 x $ 750 = $ 2250. Hun «taxable income» is dan $ 42750. Hierover zijn zij verschuldigd: $ 10340 (over de eerste $ 39200) plus 45% (over $ 42 750 minus $ 39200) =$11937.

Er zijn vier «schedules» (zie bijlage Xlc): X. Voor ongehuwden. Y. Voor gehuwden, onderverdeeld in twee tabellen, te weten: -gehuwden die gezamenlijk aangifte doen (en de daarmee gelijkgestelde weduwen en weduwnaars), en -gehuwden die aprart aangifte doen. Z. Voor «heads of a household».

sec. 1

sec. 63(b)

" In dat belastingbedrag is dan ook al het «general tax credit» (zie hierna onder F) begrepen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

119

E. Het tarief

Er bestaan in de Verenigde Staten in de inkomstenbelasting drie tarieven: -het ongehuwdentarief, -het tarief voor de «heads of a household» en -het gehuwdentarief, dat is te verdelen in een tarief voor gehuwden met een «separate return» en een tarief voor gehuwden met een «joint return», het «splitting»-tarief.

Het «splitting»-tarief voor gehuwden is in 1948 tot stand gekomen. Daarvóór was er in principe voor gehuwden een volledige verzelfstandiging van het inkomen. Er gold toen één, algemeen tarief. In de «communitypropertystates» werkte in feite al een «splitting»-stelsel, omdat het huwelijksgoederenrecht consequenties inhield voor de toepassing van het fiscale recht. Toen een aantal «commonlawstates» uitsluitend om fiscale redenen dreig-de over te gaan op de communitypropertylaws», besloot het Congres tot de invoering van het «splitting»-stelsel als alternatief naast het stelsel van de volledige verzelfstandiging. Dit hield in dat gehuwden hun inkomsten na samenstelling mochten halveren, op die helft hetalgemene -tarief toepassen en de uitkomst daarvan verdubbelen. In de gevallen dat de hoogte van het inkomen van echtelieden verschilde -vooral in het geval van slechts één «verdienende» echtgenoot -leidde dit tot een aanzienlijke matiging van de belasting (zie het voorbeeld in onderdeel C, onder 3.B)13.

Bij de invoering van de Internal Revenue Code 1954 werd de categorie «head of a household» ingevoerd. Voor deze categorie kwam een tarief tussen het algemene tarief en het «splitting»-tarief in. In 1969 besloot het Congres het verschil in belasting tussen een vrijgezel en een echtpaar met hetzelfde (gezamenlijke) inkomen («joint return») te verminderen. Er werd een nieuw tarief voor vrijgezellen ontworpen, zodanig dat de door een vrijgezel over enig inkomen verschuldigde belasting nooit meer dan 20% hoger zou zijn dan het bedrag dat door den echtpaar bij «splitting» over dat inkomen verschuldigd was. Tegelijkertijd werd het tarief voor «heads of a household» daar bij aangepast. Vanaf dat moment geeft alleen de tabel voor gehuwden die aparte aangiften doen nog het algemene tarief weer. Daarna hebben nog enkele uitsluitend technische tariefwijzigingen plaatsgevonden; zo is de «zero bracket ammpunt» in de tarieven ingebouwd. Voor inkomsten uit persoonlijke arbeid bestaat een bijzondere regeling, de «maximum tax», die maakt dat men over deze inkomsten niet meer dan 50% belasting behoeft te betalen. De regeling is zeer gecêmpliceerd en hangt samen met de «minimum tax» (zie onderdeel G.2).

Conclusie: Verschillen tussen mannen en vrouwen komen ook in de tarieven niet voor. Wel koesteren de schrijvers in de Verenigde Staten bezwaren, omdat de tarieven discriminaties tussen gehuwden en ongehuwden inhouden. A. Er zou een discriminatie zijn van de ongehuwden ten opzichte van de gehuwden waarvan slechts één partner het inkomen aanbrengt. De werking van de progressie wordt door de «splitting» in die gevallen voor de gehuwden sterk gematigd. De ongehuwde betaalt momenteel tot ruim 20% meer. Zie kolom A van de bijgaande tabel. B. Ingeval beide echtgenoten dan wel ieder van twee niet-gehuwd samenwonenden een gelijk inkomen genieten, is een voordeel voor de niet-gehuwden dat zij ieder de matiging van de progressie ondergaan, onder in-standhouding van de ongeveer 20 opcenten ten opzichte van het «splitting»-tarief. Ingeval de inkomens van de echtgenoten op gelijke wijze verschillend zijn als de inkomens van twee niet-gehuwd samenwonenden, ontstaat -naar verhouding -een geringer voordeel voor de niet-gehuwd samenwonenden door de werking van de progressie bij hen, terwijl bij de echtgenoten die werking door de «splitting» wegvalt, wanneer men de vorige casus aanhoudt. In het voordeel van de niet-gehuwd samenwonenden is een '2 Vanaf 1954 kan een overlevende huwelijkspartner («surviving spouse») onder omstandigheden als een gehuwde met een «joint return» worden behandeld. '3 Pas in 1955 heeft men voor het «splitting>>-tarief een aparte tabel ontwikkeld met schijven die het dubbele bedragen van de schijven van de tabel bij individuele aanslagen. ' 4 Het tarief dat toen gold voor de ongehuwden en voor de gehuwden met een «seperate return», en waaruit het «splitting»-tarief was afgeleid.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

120

«zero bracket ammount» van 2 x $ 2200 tegenover aat van gehuwden van 2 x $ 1600 ofte wel $ 1200 verschil in aftrek. Wanneer wij wederom uitgaan van een situatie waarin beide echtgenoten en ieder van de twee niet-gehuwd samenwonenden een gelijk inkomen hebben, kan het nadeel van de (2x) 20% opcenten opwegen tegen het verschil aan «zero bracket amount» van$ 1200(2x$ 2200 tegen 2x$ 1600). Zie voor de verschillen in gevallen waarin de partners een gelijk inkomen genieten kolom B van de tabel. C. Er zou een discriminatie zijn van de «heads of a household» ten opzichte van echtparen, indien men vergelijkt op basis van gezinsinkomen. Zie kolom C van de tabel.

Verschillen in belastingheffing van gehuwden en ongehuwden in de Amerikaanse inkomstenbelasting

Verschuldigde belasting

Adjusted

Ongehuwden

Heads of a

Gehuwden

2 Ongehuwden A

B

C gross income

household

(joint return)

(ieder % het verm inkomen van elde )

2-4

4-5

3-4

5000

317

186

277

146 10000

1356

1101

862

634

494

228

22150 I-00

2637

2259

1881

1600

756

281

378 20000

4179

3625

3079

2712

1100

367

546 25000

6010

5255

4476

3942

1534

534

779 30000

8063

7103

6128

5274

1935

854

975 35000

10315

9186

7997

6746

2318

1251

1 189 40 000

12815

11424

10046

8358

2769

1688

1 378 45 000

15518

13936

12284

10118

3234

2166

1 652 50 000

18420

16605

14710

12020

3710

2690

1 895 55 000

21461

19368

17210

14020

4251

3190

2 158 60 000

24561

22254

19809

16126

4752

3683

2445

De verschuldigde belasting is het brutobedrag, berekend uit de tabel 1977, ervan uitgaande dat men een «zero bracket amount» benut, dat voor ongehuwden en voor gehuwden 1 «personal exemption» geldt en voor «heads of a household» 2 «personal exemptions». Alle bedragen luiden in US dollars.

F. «Credits against tax»

sec. 31

15 Bij «itemizing» wordt dit voordeel geringer of valt het zelfs weg. Past men bij voorbeeld voor het geval in de tabel, vermeld onder $ 20000, een gespecificeerde aftrek toe van $ 2500 per persoon, dan wordt het onder 4 vermelde bedrag $ 2635 en het onder 5 vermelde bedrag $ 2580, zodat het onder B vermelde verschil van $ 367 terugloopt tot $ 55.

Nadat het bruto verschuldigde bedrag aan belasting is berekend, kan een aantal verrekeningen («credits») met dit brutobedrag plaatsvinden om tot de netto verschuldigde belasting te komen. Enkele van deze «credits» hebben het karakter van voorheffingen (dividendbelasting, loonbelasting). Daarbij komen «credits» voor met een sterk uiteenlopend karakter, die als gezamenlijke noemer hebben dat zij een verlichting van de belastingdruk teweegbrengen die onafhankelijk is van de werking van het tarief. Dit wil niet altijd zeggen -zoals we nog zullen zien -dat deze «credits» onafhankelijk zijn van de hoogte van het inkomen. Zij verlopen in een aantal gevallen degressief. De na te noemen «credits» komen voor (de met een * gemerkte «credits» worden besproken). a. De loonbelasting (voorheffing). b. De in de Verenigde Staten ten laste van buitenlandse belastingplichtigen ingehouden bronbelasting. c. De buitenlandse belasting die naar het inkomen is geheven, daaronder begrepen de ten laste van binnenlandse belastingplichtigen ingehouden buitenlandse bronbelastingen. De binnenlandse belastingplichtigen die een buitenlandse inkomstenbelasting (of een buitenlandse bronbelasting) hebben betaald, mogen deze verrekenen met hun Amerikaanse belasting, mits de inkomensbestanddelen waarover die belasting is verschuldigd in hun Amerikaanse «gross income» zijn begrepen. Zij hebben de keuze tussen de toepassing van dit «credit» of aftrek van de belasting als een «itemized deduction» (zie onderdeel D.4). d. Te veel ingehouden «social security tax».

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

121

Dit «credit» betreft de werknemerspremies voor een tweetal sociale verzekeringen. Indien door een dubbele dienstbetrekking van een werknemer te veel premie is ingehouden, mag hij het teveel op deze wijze verrekenen. In geval van één dienstbetrekking dient hij zich tot zijn werkgever te wenden. De premie over niet aan de werkgever bekende beloningen (fooien) dient men zelf te berekenen en bij de te betalen belasting op te tellen. e. «Credit for the elderly»*. f. «Investment in certain depreciable property». De ondernemer die lichamelijke zaken met een levensduur van meer dan drie jaar heeft aangeschaft, mag 10% van de investering als «credit» in aanmerking nemen. g. «certain uses of gasoline etc». Ingevolge dit «credit» mag de federale belasting op benzine (geen vliegtuigbenzine) en smeerolie, welke anders zijn gebruikt dan in een automobiel («highway vehicle»), in aftrek worden gebracht. Het betreft hier bij voorbeeld het gebruik van motorboten, motorzagen, maaimachines etc. h. «Expenses of work incentive programs». Dit zogenaamde «WIN-credit» bedraagt 20% van het loon gedurende maximaal één jaar van bepaalde werknemers die vóór hun indiensttreding reeds minimaal 90 dagen een sociale uitkering ontvingen. Dit «credit» kent een aantal limieten. Bij voortijdig ontslag kan dit «credit» leiden tot een bijtelling in het jaar na toekenning. i. «Contributions to candidates for public office». Giften aan kandidaten voor politieke functies (verkiezingsfondsen) zijn voor de helft aftrekbaar als een «credit» tot een maximum van $ 25 ($ 50 bij een «joint return»). De belastingplichtige mag kiezen voor dit «credit» óf voor het opvoeren van de gift als een «itemized deduction» (zie onderdeel D.4). In dat laatste geval mag men maximaal $ 100 ($ 200 bij een «joint return» in aftrek brengen. j. «General tax credit». Dit «credit» bedraagt $ 35 x het aantal «exemptions», dan wel -indien dat meer is-2% van het «taxable income minus zero bracket amount», voor zover die uitkomst weer niet hoger is dan$ 180. Het «credit» is in de «taxtables» verwerkt. k. «Earned income»*. 1. «Expenses for household and dependent care services necessary for gainful employment»*. m. «Credit for employment of certain new employees». Ook wel genoemd «new jobs credit». Het betreft een «credit» in verband met het door een ondernemer in dienst nemen van «aanvullende» arbeidskrachten. j sec. 6401

Een aantal «credits» wordt beschouwd als «overpayment», dat wil zeggen dat zij, indien zij de bruto te betalen belasting overtreffen, tot een restitutie kunnen leiden. Het gaat dan met name om de hiervoor sub a, d, g en k genoemde «credits». De andere «credits», b, c, e, f, h, i, I en m, kunnen met een bruto te betalen belasting worden verrekend tot een saldo nihil. In een enkel geval wordt voor de niet-benutte «credit»-bedragen een «carryback» en «carryforward» verleend. Hierna komen de -eerder met een * aangeduide -«credits», die voor de belastingheffing van de gehuwde vrouw interessant zijn, aan de orde. sec. 37

  • «Credit for the elderly» Dit «credit» geldt voor belastingplichtigen van 65 jaar en ouder (naast de «exemption» die voor deze categorie geldt). Het bedraagt 15% van een basisbedrag. Dit basisbedrag beloopt: voor een «single individual» $ 2500; voor een echtpaar, waarvan één echtgenoot 65 jaar of ouder is, bij «joint return» $2500; voor een echtpaar, waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn, bij «joint return» $ 3750; voor een gehuwde belastingplichtige met een «separate return» $ 1875.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nrs. 1-2

122

Het basisbedrag wordt verminderd met het bedrag van de sociale zekerheidsuitkeringen die niet tot het «gross income» worden gerekend (en dus in de Verenigde Staten onbelast blijven). Bovendien wordt, indien het «adjusted gross income» boven een bepaalde grens komt ($ 7500 voor een «single individual»; voor gehuwden $ 10000 bij een «joint return» en $ 5000 bij een «separate return», een korting toegepast van 50% van het bedrag waarmee die grens wordt overschreden. Hier krijgt het «credit» een degressief karakter. Dit «credit» kan niet tot een restitutie van belasting leiden. Er bestaat een speciale regeling voor gepensioneerde ambtenaren en weduwen in het bezit van een overheidspensioen, die nog geen 65 jaar zijn. Indien hun echtgenoot 65 jaar is of ouder, dienen beide echtgenoten nadrukkelijk voor die speciale regeling te kiezen.

sec. 43

  • «Earned income credit» Dit «credit» is bedoeld voor belastingplichtigen die een laag inkomen uit tegenwoordige arbeid (al dan niet zelfstandig) genieten en bovendien in aanmerking komen voor een «exemption» voor één of meer kinderen, die hetzij jonger zijn dan 19 jaar, hetzij studerende of invalide zijn. Het «credit» bedraagt 10% van het arbeidsinkomen, met een maximum van 10% van $ 4000. Gaat het arbeidsinko men de $ 4000 te boven, dan wordt het «credit» verminderd met 10% van het surplus van dat arbeidsinkomen (of van het «adjusted gross income», indien dat laatste hoger is). Dit «credit» kan tot restitutie leiden. Aan gehuwden wordt het «credit» alleen verleend in geval van een «joint return».

sec. 44A

  • «Expenses for Household and dependent care services necessary for gainful employment» («child and dependent care expenses credit») Dit «credit» is met ingang van 1976 in de plaats gekomen voor een «itemized deduction». Het «credit» bedraagt 20% van de uitgaven, gedaan voor de verzorging van kinderen of andere «dependents». Tot het huishouden moeten behoren hetzij: 1. «dependents» beneden de 15 jaar voor wie een «exemption» is of zou kunnen worden gevraagd, of 2. een andere «dependent» die geestelijk of lichamelijk niet in staat is voor zich zelf te zorgen, of 3. een echtgenoot die geestelijk of lichamelijk niet in staat is voor zich zelf te zorgen.

Het «credit» wordt alleen verleend voor de kosten voor huishoudelijke hulp dan wel de kosten voor de verzorging van een «dependent» onder de 15 jaar (crèche, kostschool etc). Er zijn twee limieten. Maximaal komt voor één verzorgde $ 2000 als uitgave in aanmerking (levert $ 400 «credit» op) en bij twee en meer verzorgden $ 4000 (levert $ 800 «credit» op). Bovendien mogen de uitgaven voor bepaalde hulpkrachten niet tot een hoger bedrag dan het arbeidsinkomen (bij gehuwden het inkomen van de minst verdienende echtgenoot) in aanmerking worden genomen. Dit houdt in dat als één der echtgenoten (man of vrouw) uitsluitend in het huishouden werkzaam is, in het geheel geen aftrek mogelijk is. Als een echtgenoot ziek is, of studeert, geldt een fictief inkomen van $ 166 per maand (bij twee of meer verzorgden $ 333). Het «credit» kan niet tot een restitutie leiden. Ook ten aanzien van dit «credit» geldt voor gehuwden de eis van een «joint return».

Commentaar op e, k en i

-In geen enkel geval is onderscheid te constateren in behandeling van man of vrouw. -Wel valt -met betrekking tot het «credit for elderly» -op, dat er verschil in behandeling is tussen een echtpaar en twee samenwonende ongehuwden. Deze laatsten hebben immers een basisbedrag van 2 x $ 2500; de gehuwden van 2 x $ 1875.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

123

-Bij het «earned income credit» valt op dat men kennelijk uitgaat van het gezinsinkomen in plaats van het individuele inkomen. Zowel voor een echtpaar (met een «joint return») als voor een «head of a household» (ongehuwd) geldt dezelfde $ 4000-grens van het arbeidsinkomen, waarboven korting plaatsvindt. -Belangrijk is het «child and dependent care expenses credit». Dit «credit» behelst een tegemoetkoming voor alle -normale -gevallen dat in een huishouden beide echtgenoten niet (goed) in staat zijn om voor de andere tot dat huishouden behorende -en verzorging nodig hebbende -personen te zorgen, ongeacht of dit nu uit zakelijke (arbeid) dan wel persoonlijke (studie, ziekte) redenen voortvloeit. Daarnaast kent het «credit» een dergelijke tegemoetkoming toe aan het hoofd van een onvolledig gezin. Opmerkelijk zijn de twee limieten die aan het «credit» zijn gesteld, in combinatie met het feit dat deze tegemoetkoming in de vorm van een «credit» is gegoten. De tegemoetkoming in de vorm van een «credit», gekoppeld aan de absolute limiet van $ 200 respectievelijk $ 400, kan doelmatig werken. Men bereikt dat de tegemoetkoming meer effect sorteert bij een laag inkomen, waar de last van het hebben van huishoudelijke hulp of van het plaatsen van een kind buitenshuis ook het zwaarst zal wegen. Zo zou, ingeval een inkomensaftrek zou gelden in plaats van een «credit», een echtpaar (uiteraard met een «joint return») meteen «taxable income» van$ 50 000 reeds bij $ 800 aftrek een fiscale tegemoetkoming van $400 krijgen, terwijl bij een echtpaar met een «taxable income» van $ 10000 een aftrekpost van $ 2100 voor dezelfde tegemoetkoming vereist zou zijn.

G. Bijzondere heffingen

Na de berekening van het bedrag van de bruto verschuldigde belasting en de toepassing van de «credits» komen nog enkele bijzondere heffingen aan bod. 1. «Social security self employment tax» Deze belasting is een premieheffing voor de «social security» van diegenen die inkomen uit arbeid, anders dan in loondienst, genieten. De belasting wordt geheven van dat (zelfstandige) arbeidsinkomen, mits het meer bedraagt dan $ 4000. Maximaal heft men overeen inkomen van $ 16500. Het aan «social security tax» onderworpen looninkomen komt op dat maximum in mindering. Er is een vast tarief van 7,9%, zodat het maximumbedrag aan «self employment tax» $ 1303,50 bedraagt (voor 1977). Gehuwden zijn, ook bij een «joint return», voor deze belasting zelfstandig belast en moeten -indien zij beiden inkomen uit zelfstandige arbeid genieten -voor deze heffing afzonderlijk aangifte doen en de belasting ook afzonderlijk berekenen. Wel wordt bij een «joint return» het bedrag van de heffingen weer samengeteld, om vervolgens in het uiteindelijke af te dragen of terug te vorderen bedrag te worden begrepen.

  • «Minimum tax» Voor een beperkt aantal vrijstellingen en aftrekposten vindt in de Amerikaanse inkomenstenbelasting achteraf een toetsing plaats, waarbij wordt bezien of de heffingsfunctie van de belasting niet in het gedrang komt. Het gaat hier onder meer om «itemized deductions» die meer bedragen dan 60% van het «adjusted gross income», stockdividend en «long term capital gains». De belasting bedraagt 15% van het totaal van de daarvoor in aanmerking komende posten, voor zover deze $ 5000 (bij een «joint return» $ 10000), dan wel de helft van het verschil van de bruto verschuldigde belasting en de «credits» vermeld onder F, letters b, e, f, h, i, I en m, te boven gaan. 3. «Tax on an individual retirement arrangement» Voor personen die geen voldoende oudedagsvoorziening op collectieve basis hebben, is het mogelijk om een -fiscaal begunstigde -individuele oudedagsvoorziening te treffen. Hiervoor gelden speciale voorwaarden. Indien

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

124

men zich niet aan die voorwaarden houdt, dient men een extrabelasting te betalen. Dit komt voor bij: -te hoge bijdragen; -voortijdige uitkeringen; -het «opsparen» van uitkeringen.

H. Samenvatting

In de Amerikaanse wetgeving inzake de inkomstenbelasting gaat men van oudsher uit van een individuele belastingplicht voor de burgers. Daarbij maakt men geen onderscheid op grond van geslacht. De enkele keer dat de Amerikaanse wet de termen «husband» en «wife» hanteert (sec. 6013 van de Internal Revenue Code 1954), in plaats van de gebruikelijke term «spouse» (huwelijkspartner), doet hieraan niet af. Het feit dat de term «spouse» in de wet voorkomt, wijst er al op dat in de Amerikaanse inkomstenbelasting wel onderscheid wordt gemaakt op basis van de huwelijkse staat. Dit onderscheid is van belang voor het tarief. Er zijn drie tarieven, te weten voor gehuwden, voor ongehuwden en voor hoofden van onvolledige gezinnen. Oospronkelijk diende een ieder afzonderlijk aangifte van het individueel genoten inkomen te doen; er gold één, algemeen, tarief. Door het in een aantal staten geldende huwelijksgoederenrecht (het «communitypropertysystem»), moesten óók voor de heffing van de inkomstenbelasting de gezamenlijke inkomsten van gehuwden bij hefte worden gedeeld. Zo zijn de Verenigde Staten ertoe gekomen om algemeen -dus voor de inkomens van de inwoners van alle Staten van Amerika, ongeacht het van toepassing zijnde huwelijksgoederenrecht -het zogenaamde «splitting»-stelsel in te voeren (1948). Dit stelsel houdt in dat de echtgenoten, in-dien zij beiden daarvoor kiezen, via een gezamenlijke aangifte, hun inkomsten mogen samentellen en daarna dit totaal mogen halveren. Op iedere wordt dan het algemene tarief toegepast, waarna de uitkomst weer wordt samengeteld. In 1954 werd een apart tarief ingevoerd voor «heads of a household» (hoofden van onvolledige gezinnen). Dit tarief zat tussen het «splitting»-tarief en het algemene tarief in. Ten slotte is met ingang van 1969 het tarief voor vrijgezellen gematigd (niet meer dan 20% hoger dan het «splitting»-tarief voor een zelfde inkomen) en is het tarief voor «heads of a household» daaraan aangepast. Het gevolg van een en ander is, dat in de Verenigde Staten momenteel viertabellen bestaan: -de -doorgaans onvoordelige -op het «algemene» tarief gebaseerde tabel voor gehuwden die individueel aangifte doen; -de -algemeen toegepaste -op het «splitting»-tarief gebaseerde tabel voor gehuwden die gezamenlijk aangifte doen; -de tabel voor vrijgezellen, die een tarief aangeeft dat niet meer dan ± 20% hoger is dan het «splitting»-tarief en voordeliger is dan het algemene tarief; -de tabel voor «heads of a household», die een tarief aangeeft dat in ligt tussen het «splitting»-tarief en het tarief voor vrijgezellen.

Het in de Verenigde Staten geldende «splitting»-stelsel leidt, te zamen met de daar geldende tarieven, tot aanzienlijke verschillen tussen diverse categorieën gehuwden en ongehuwden. A. Er is verschil tussen ongehuwden en gehuwden waarvan slechts één partner het inkomen aanbrengt. De werking van de progressie wordt door de «splitting» in die gevallen voor gehuwden sterk gematigd. De ongehuw-de betaaltbij een gelijk inkomen -tot 20% meer belasting. B. Er is verschil tussen echtparen waarvan beide partners een ongeveer gelijk inkomen aanbrengen en twee samenwonende ongehuwden met dezelfde inkomens. Het voordeel voor de ongehuwden is daarin gelegen, dat zij ieder de matiging van de progressie ondergaan, zij het dat hun tarief ongeveer 20% hoger is dan het «splitting»-tarief. Naarmate de inkomens van Tweede Kamerzitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

125

'6 Later heeft men voor dit «splitting»-tarief een aparte tabel gemaakt. De schijven daarvan waren het dubbele van de schijven van het algemene tarief.

de partners gaan verschillen verdwijnt door de werking van de progressie het voordeel voor de ongehuwd samenwonenden. Voor de gehuwden wordt die werking door de «splitting» uitgeschakeld. C. Er is een verschil tussen een «head of a household» en een echtpaar met hetzelfde gezinsinkomen.

Met name ten aanzien van de sub A en sub B genoemde verschillen geldt, dat men het ene niet kan opheffen zonder het andere te vergroten. Het «splitting»-stelsel kent geen onderscheid in heffing tussen een echtpaar waarvan slechts één partner het inkomen aanbrengt en een echtpaar waarvan dat ten aanzien van beide partners het geval is. Men heeft daarvoor een oplossing gevonden in de vorm van het «child and dependent care ex-penses credit», dat evenwel een zeer beperkte werking heeft. Naast verschillen op het terrein van het tarief komen in de Amerikaanse in-komstenbelasting nog enkele andere verschillen tussen gehuwden en niet-gehuwden voor. Dit is bij voorbeeld het geval bij de toepassing van het «zero bracket amount», eenvast -forfait ten aanzien van een aantal aftrekposten, dat reeds in de tabellen is ingebouwd, en waarvan men mag afwijken in-dien de werkelijke kosten hoger zijn. Dit forfait bedraagt voor ongehuwden $ 2200 en voor gehuwden $ 1600. Bovendien mag bij een echtpaar waarvan één echtgenoot de werkelijke kosten opvoert, de andere echtgenoot niet volstaan met het forfait, maar moet deze de werkelijke kosten opvoeren, óók als die minder bedragen dan het forfait. Ten slotte verdienen nog enkele voorschriften op het gebied van de «taxcredits» (aftrekposten op de bruto verschuldigde belasting) te worden vermeld. Het «credit for the elderly» is een in relatie met de onbelaste sociale uitkeringen en het inkomen degressief verlopende aftrekpost voor personen van 65 jaar en ouder. Voor gehuwden geldt een lagere basisaftrek dan voor ongehuwden ($ 1875 tegenover $ 2500). Bij het «earned income credit» (een aftrekpost voor belastingplichtigen met betrekkelijk geringe inkomsten uit tegenwoordige arbeid, die bovendien nog een familielid onderhouden) wordt voor gehuwden als eis gesteld dat men een gezamenlijke aangifte in-dient. Men past dan op dit gezamenlijke inkomen dezelfde normen toe als op het inkomen van een ongehuwde. Ook bij het «child and dependent care ex-penses credit» (aftrek voor de verzorging van inwonende kinderen etc.) wordt ten aanzien van gehuwden de eis van een gezamenlijke aangifte gesteld. Dit «credit» komt, zij het sterk gelimiteerd, tegemoet aan de kosten die in een gezin moeten worden gemaakt indien wegens bezigheden buitenshuis (werken of studeren) of ziekte van een ouder in de verzorging van kinderen (c.q. van andere inwonende verwanten of de zieke echtgenoot zelf) moet worden voorzien. De in principe volledig zelfstandige heffing zou -naar men kan denken -duidelijke regels voor diverse allocatieproblemen te zien geven (bij voorbeeld bij toerekening van lasten en bij middeling). Dit blijkt echter niet het geval te zijn, vermoedelijk omdat in de praktijk door de echtparen bijna steeds gebruik wordt gemaakt van de gezamenlijke aangifte. In bijlage Xld is het Amerikaanse systeem van heffing van inkomstenbelasting van ongehuwden en gehuwden schematisch weergegeven.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

126

Wages, Gross business profits, Salaries, Divi-"*" dends etc. (already reduced by some deductlons)

minus

Adjustments to gross income

Expenses + Costs with respect to gross income

equaIs

Adjusted gross i ncome

equa Is

plus

Excess of itemi zed deductions In case of non-itemizing of deductions t

Unused zero bracket amount

Medical expenses, taxes paid, interest paid, contributions, casualty or theft losses, misc

equa1s.

Tax table i ncome

Exempt ions

Tax payer, spouse, blind, 65 or older, dependents

equa!s

Taxable incomeI

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

127

BIJLAGE Xlb

1977 Tax Table B

(Contmued)

MARRIED FILING JOINTLY (Box 2) and QUAUFYING WIDOW(ER)S (Box 5) (lf your income or exemptions are not covered, use Form 1040 and Schedule TC to figure your tax.) II line 34. Form II line 34. Form 1040. or line 10. Form 10*nA i

«-

And the total number ol exemptions claimed ft:

1040. or line 10. Form 1 rvinA •••

And the total number ol exemptions claimed is: Bul

5 | 6

Bul

9 Over

nol

Over

not over

Your tax I*-

over

Your tax is -

26.000 26,050 4,624 4,384 4,151 3,941 3.701 3.456 3.211 2.966

29,600 29,650 5.813 5.543 5,296 5,056 1.786 4,511 4,236 3.974 26,050 26,100 4.640 4,400 4.165 3,955 3.715 3,470 3.225 2.980

29,650 29.700 5,831 5,561 5,312 5.072 1.802 4,527 4.252 3,988 26.100 26,150 4.656 4,416 4,179 3,969 3.729 3.484 3.239 2.994

29,700 29,750 5,849 5.579 5,328 5.088 1,818 4,543 4,268 4,002 26.150 26,200 4,672 4,432 4.193 3,983 3.743 3,498 3,253 3.008 29,750 29,800 5,867 5.597 5.344 5.104 1.834 4.559 4,284 4.016 26.200 26.250 4.688 4,448 4,208 3,997 3.757 3,512 3,267 3.022 29,800 29,850 5,885 5,615 5.360 5,12018 5 0 4.575 4,300 4,030 26,250 26,300 4.704 4,464 4,224 4.011 3.771 3,526 3.281 3,036 29,850 29.900 5,903 5,633 5.376 5,136 4,866 4,591 4,316 4,044 26.300 26.350 4.720 4.480 4,240 4.025 3.785 3,540 3,295 3.050 29,900 29.950 5,921 5,651 5,392 5,152 4,882 4,607 4.332 4,058 26,350 26,400 4,736 4,496 4,256 4,039 3,799 3,554 3,309 3.064 29,950 30,000 5,939 5,669 5.408 5.168 4,898 4.623 4.348 4.073 26,400 26,450 4.752 4.512 4,272 4,053 3.813 3.568 3.323 3.078 30,000 30.050 5,957 5.687 5,424 5.184 4,914 4.639 4,364 4,089 26,450 26,500 4.768 4.528 4,288 4.067 3.827 3.582 3,337 3,092 30,050 30,100 5,975 5,705 5.440 5,200 4,930 4.655 4,380 4.105 26.500 26,550 4,784 4,544 4.304 4,081 3,841 3,596 3,351 3,106 30.100 30,150 5,993 5.723 5.456 5,216 4.946 4,671 4.396 4.121 26,550 26,600 4.800 4,560 4,320 4,095 3.855 3.610 3.365 3,120 30.150 30,200 6,011 5.741 5,472 5,232 4,962 4,687 4,412 4,137 26,600 26.650 4,816 4,576 4,336 4,109 3,869 3.624 3.379 3.134 30,200 30,250 6,029 5.759 5,489 5,248 4,978 4,703 4,428 4,153 26,650 26,700 4.832 4,592 4.352 4.123 3.883 3,638 3.393 3,148

30,250 30,300 6,047 5,777 5.507 5.264 4,994 4.719 4.444 4,169 26,700 26,750 4.848 4,608 4,368 4,137 3,897 3.652 3.407 3,162 30,300 30,350 6,065 5,795 5.525 5.280 5,010 4,735 4,460 4,185 26,750 26,800 4,864 4,624 4,384 4,151 3,911 3.666 3,421 3.176 30,350 30,400 6,083 5.813 5,543 5,296 5,026 4,751 4,476 4.201 26,800 26,850 4.880 4,640 4.400 4,165 3,925 3,680 3,435 3,190 30,400 30,450 6.101 5.831 5.561 5,312 5.0424767 4.492 4,217 26.850 26,900 4,896 4,656 4,416 4,179 3,939 3,694 3,449 3.204 30,450 30,500 6.119 5.849 5.579 5,328 5,058 4,783 4.508 4,233 26.900 26,950 4,912 4,672 4,432 4,193 3.953 3,708 3,463 3.218 30.500 30,550 6.137 5.867 5.597 5.344 5,074 4,799 4,524 4.249 26,950 27,000 4,928 4,688 4,448 4,208 3,967 3,722 3.477 3.232 30,550 30,600 6,155 5,885 5.615 5.360 5.090 4.815 4,540 4.265 27.000 27,050 4,944 4,704 4,464 4.224 3,981 3.736 3.491 3,246 30,600 30,650 6,173 5,903 5.633 5.376 5,106 4,831 4,556 4,281 27,050 27,100 4,960 4,720 4.480 4,240 3,995 3,750 3,505 3,260 30,650 30,700 6.191 5,921 5.651 5,392 5.122 4,847 4,572 4,297 27.100 27,150 4,976 4 736 4,496 4,256 4.009 3,764 3,519 3,274 30,700 30,750 6.209 5.939 5.669 5,408 5.138 4,863 4.588 4,313 27,150 27,200 4.992 4,752 4,512 4,272 4,023 3.778 3,533 3,288 30,750 30,800 6.227 5,957 5.687 5,424 5,154 4,879 4.604 4,329 27,200 27,250 5.008 4,768 4,528 4,288 4.037 3,792 3.547 3.302 30,800 30,850 6,245 5,975 5,705 5,440 5,170 4,895 4.620 4,345 27,250 27,300 5.024 4,784 4,544 4,304 4,051 3.806 3,561 3.316 30,850 30,900 6,263 5.993 5,723 5.456 5.186 4,911 4.636 4,361 27,300 27,350 5.040 4,800 4.560 4.320 4,065 3.820 3,575 3,330 30,900 30,950 6,281 6,011 5.741 5.472 5,202 4,927 4,652 4,377 27,350 27,400 5,056 4.816 4,576 4.336 4.079 3,834 3,589 3,344 30,950 31,000 6.299 6.029 5,759 5,489 5,218 4,943 4,668 4,393 27,400 27,450 5,072 4,832 4,592 4,352 4,093 3.848 3.603 3.358 31,000 31,050 6.317 6.047 5,777 5,507 5,234 4,959 4,684 4.409 27,450 27,500 5.088 4.848 4,«08 4,368 4,107 3,862 3,617 3,372 31,050 31,100 6,335 6.065 5.795 5,525 5,250 4,975 4,700 4,425 27,500 27,550 5,104 4.864 4,624 4,384 4,121 3,876 3,631 3,386 31,100 31,150 6.353 6,083 5.813 5,543 5.266 4.991 4,716 4,441 27,550 27,600 5,120 4,880 4.640 4,400 4,135 3,890 3.645 3,400 31,150 31,200 6,371 6.101 5.831 5,561 5,282 5.007 4.732 4,457 27.60C 27,650 5.136 4.896 4.656 4,416 4,149 3,904 3.659 3,414

31,200 31,250 6,389 6.119 5.849 5,579 5.298 5,023 4,748 4,473 27.65C 27,700 5,152 4,912 4,672 4,432 4,163 3,918 3.673 3.428 31.250 31,300 6,407 6,137 5,867 5.597 5.314 5,039 4,764 4.489 27.70C 27,750 5,168 4,928 4,688 4,448 4,178 3.932 3.687 3.442 31,300 31,350 6,425 6,155 5,885 5.615 5.330 5.055 4,780 4,505 27.75C 27,800 5,184 4,944 4.704 4,464 4.194 3.946 3.701 3.456 31,350 31,400 6,443 6,173 5,903 5,633 5.346 5.071 4.796 4.521 27,8(X 27,850 5,200 4,960 4,720 4,480 4.210 3,960 3,715 3,470 31,400 31.450 6,461 6,191 5.921 5.651 5.362 5,087 4,812 4,537 27.8M 27,900 5,216 4,976 4,736 4,496 4,226 3.974 3,729 3,484 31,450 31,500 6.479 6.209 5,939 5.669 5.378 5,103 4,828 4,553 27,90( I 27,950 5,232 4.992 4.752 4,512 4,242 3.988 3.743 3.498 31,500 31,550 6.497 6.227 5,957 5,687 5.394 5,119 4.844 4,569 27.9M I 28,000 5,248 5,008 4,768 4.528 4.258 4,002 3,757 3,512 31,550 31,600 6,515 6.245 5.975 5,705 5.410 5,135 4,860 4.585 28,00( ) 28,050 5.264 5,024 4,784 4,544 4,274 4,016 3,771 3,526 31,600 31,650 6,533 6.263 5,993 5,723 5,426 5.151 4.876 4.601 28.051 ) 28,100 5,280 5,040 4.800 4,560 4,290 4,030 3.785 3.540 31.650 31,700 6,551 6,281 6,011 5.741 5,442 5,167 4.892 4.617 28,101 ) 28,150 5,296 5,056 4,816 4.576 4,306 4,044 3.799 3,554 31.700 31,750 6.569 6,299 6,029 5.759 5.459 5,183 4.908 4.633 28,151 ) 28,200 5,312 5,072 4.832 4,592 4,322 4,058 3.813 3,568 31.750 31.800 6.587 6,317 6.047 5,777 5,477 5,199 4,924 4,649 28.201 ) 28,250 5,328 5,088 4.848 4,608 4.338 4,072 3.827 3,582 31,800 31,850 6,605 6,335 6,065 5,795 5,495 5,215 4,940 4,665 28,251 ) 28,300 5.344 5,104 4,864 4,624 4,354 4,086 3,841 3.596 31.850 31,900 6,623 6,353 6.083 5,813 5.513 5,231 4,956 4,681 28,301 ) 28.350 5,360 5,120 4,880 4,640 4,370 4.100 3.855 3.610 31.900 31,950 6,641 6,371 6.101 5,831 5.531 5.247 4,972 4,697 28,351 ) 28,400 5.376 5,136 4,896 4,656 4,386 4.114 3.869 3.624

31,950 32,000 6.659 6,389 6,119 5,849 5.549 5.263 4,988 4.713 28,401 ) 28,450 5,392 5,152 4,912 4,672 4,402 4.128 3.883 3,638 32.000 32,050 6.677 6,407 6,137 5,867 5.567 5.279 5.004 4.729 28,451 3 28,500 5,408 5,168 4,928 4,688 4.418 4,143 3.897 3,652 32.050 32,100 6,695 6,425 6,155 5,885 5.585 5.295 5.020 4.745 28,50 ) 28,550 5,424 5,184 4.944 4,704 4,434 4,159 3,911 3.666 32,100 32,150 6,713 6.443 6.173 5.903 5.603 5.311 5,036 4.761 28,551 1 28,600 5,440 5.200 4,960 4,720 4,450 4.175 3.925 3.680 32,150 32,200 6,731 6,461 6,191 5,921 5,621 5,327 5,052 4,777 28,60 0 28,650 5.456 5,216 4.976 4,736 4,466 4,191 3,939 3,694 32,200 32,250 6,749 6,479 6,209 5,939 5,639 5.343 5.068 4,793 28,65 9 28,700 5.472 5,232 4.992 4.752 4,482 4.207 3,953 3,708 32,250 32,300 6,767 6,497 6.227 5.957 5,657 5.359 5.084 4,809 28,70 9 28,750 5,489 5,248 5.008 4,768 4.498 4,223 3.967 3,722 32,300 32,350 6,785 6,515 6,245 5,975 5.675 5.375 5,100 4,825 28,75 0 28,800 5.507 5,264 5,024 4.784 4,514 4,239 3.981 3.736 32,350 32,400 6,803 6,533 6,263 5,993 5.693 5.391 5.116 4,841 28,80 0 28,850 5,525 5,280 5.040 4,800 4,530 4,255 3.995 3,750 32.400 32.450 6,821 6.551 6,281 6,011 5.711 5.407 5.132 4,857 28,85 0 28,900 5.543 5.296 5.056 4.816 4,546 4,271 4,009 3.764

32,450 32.500 6,839 6,569 6.299 6,029 5,729 5.424 5.148 4,873 26,90 0 28,950 5.561 5,312 5.072 4.832 4,562 4,287 4,023 3.778 32,500 32,550 6,857 6,587 6.317 6,047 5,747 5.442 5.164 4,889 28.95 0 29,000 5.579 5,328 5,088 4,848 4.578 4,303 4.037 3,792 32,550 32,600 6,875 6.605 6,335 6,065 5.765 5,460 5,180 4,905 29.00 0 29.050 5.597 5,344 5.104 4,864 4,594 4,319 4,051 3.806 32,600 32,650 6.893 6,623 6,353 6,083 5.783 5,478 5.196 4.921 29.05 0 29.100 5.615 5.360 5.12C 4,880 4,610 4.335 4.065 3.820 32,650 32,700 6.911 6,641 6.371 6,101 5.801 5.496 5.212 4.937 29.10 0 29,150 5.633 5,376 5,136 4.896 4,626 4,351 4.079 3,834 32,700 32,750 6,930 6,659 6,389 6.119 5,819 5.514 5,228 4,953 29.15 0 29,200 5,651 5.392 5.152 4,912 4,642 4.367 4,093 3.848 32,750 32,800 6.949 6.677 6,407 6,137 5,837 5.532 5.244 4,969 29,20 0 29,250 5.669 5.408 5.166 4,928 4,658 4.383 4.108 3.862 32.800 32.850 6.969 6,695 6,425 6.155 5.855 5.550 5,260 4,985 29,25 0 29,300 5.687 5.424 5,184 4.944 4.674 4,399 4.124 3.876 32.850 32,900 6,988 6.713 6,443 6.173 5,873 5.568 5.276 5.001 29,30 0 29,350 5.705 5.440 5.20C 4,960 4.69C 4,415 4,140 3.890 32.900 32.950 7.008 6,731 6.461 6.191 5,891 5.586 5.292 5.017 29,35 0 29,400 5.723 5,456 5,216 4.976 4.706 4,431 4,156 3.904 32.950 33.000 7,027 6,749 6.479 6,209 5.909 5,604 5.308 5.033 29,40 0 29,450 5,741 5,472 5,232 4,992 4.722 4,447 4.172 3.918 33.000 33,050 7,047 6,767 6.497 6.227 5,927 5.622 5.324 5.049 29,45 0 29,500 5.759 5.489 5,248 5,008 4.736 4.463 4,188 3 932 33,050 33,100 7,066 6,785 6.515 6.245 5.945 5.640 5,340 5.065 29,50 0 29,550 5.777 5,507 5,*D«j 5,024 4.754 4,479 4,204 3.946 33,100 33,150 7.086 6.803 6.533 6.263 5.963 5.658 5.356 5.081 29,55 0 29,600 5.795 5.525 5,280 5.04C 4.77C 4.495 4.220 3.960 33.150 33,200 7,105 6.821 6.551 6.281 5.981 5.676 5.372 5.097

Contin ued next column

Contmued on next page

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

128

Internal Revenue Service

Washington, DC 20224

^GE AND F£f^ »* PtMAi.iv-W FOR PRIVATE j

»

O USt SJOO -CL

O

^ Df PARTMF M' A

w

OF rm

w O 'Rt ASu«t t/l •%. 554 <? 'C/AL BUSI*1

Tax Rate Schedules

lf you cannot use one of the Tax Tables, figure your tax on the amount on Schedule TC, Part I, appropriate Tax Rate Schedule on this page. Enter tax on Schedule TC. Part I, line 4. Note: Your zero bracket amount nas been built into these Tax Rate

Schedules.

Special Fourth Class Bock

line 3, by using the

SCHEDULE X-Single Taxpayers Not Qualifying for Rates in Schedule Y or Z lf the amount on Schedule TC, Part I, line 3, is: Not over $2,200

But not Over- over- $2,200

$2.700 $2.700

$3.200 $3.200

$3.700 $3,700

$4.200 $4.200

$6.200 $6.200

$8.200 $8,200

$10.200 $10.200 $12,200 $12,200 $14,200 $14.200 $16.200 $16.200 $18.200 $18.200 $20,200 $20.200 $22.200 $22,200 $24,200 $24,200 $28,200 $28.200 $34.200 $34.200 $40.200 $40.200 $46.200 $46,200 $52.200 $52.200 $62,200 $62,200 $72.200 $72.200 $82,200 $82.200 $92.200 $92.200 $102.200 $102,200

Enter on Schedule TC, Part I, line 4:

14% $70+15% $145+16% $225+17% $310+19% $690+21% $1.110+24% $1,590+25% $2,090+27% $2.630+29% $3.210+31% $3,830+34% $4,510+36% $5.230+38% $5,990+40% $7,590+45% $10,290+50% $13,290+55% $16,590+60% $20,190+62% $26.390+64% $32,790+66% $39.390+68% $46.190+69% $53.090+70% of the amount over- $2.200 $2,700 $3,200 $3.700 $4.200 $6.200 $8,200 $10,200 $12,200 $14,200 $16,200 $18,200 $20.200 $22.200 $24.200 $28.200 $34,200 $40,200 $46,200 $52.200 $62,200 $72,200 $82.200 $92.200 $102,200

SCHEDULE Y-Married Taxpayers and Qualifying Widows and Widowers lf you are a married person living apart from your spouse, you may be considered "unmarried" and may be able to use Schedule X or Z. SeeChapter 2. Married Filing Joint Returns and Qualifying Widows and Widowers lf the amount on Schedule TC, Part I, line 3, is: Not over $3,200

Enter on Schedule TC, Part I, line 4: of the But not

amount Over- over-

over- $3.200

$4.200

14%

$3.200 $4.200

$5.200

$140+15%

$4.200 $5,200

$6.200

$290+16%

$5,200 $6.200

$7.200

$450+17%

$6,200 $7.200

$11.200 $620+19%

$7.200 $11.200 $15,200 $1,380+22% $11,200 $15.200 $19,200 $2,260+25% $15,200 $19.200 $23.200 $3,260+28% $19,200 $23,200 $27.200 $4,380+32% $23,200 $27.200 $31.200 $5,660+36% $27.200 $31.200 $35.200 $7,100+39% $31,200 $35.200 $39,200 $8,660+42% $35,200 $39,200 $43.200 $10,340+45% $39,200 $43,200 $47,200 $12,140+48% $43,200 $47.200 $55.200 $14.060+50% $47,200 $55,200 $67.200 $18,060+53% $55,200 $67.200 $79.200 $24,420+55% $67,200 $79.200 $91200 $31,020+58% $79,200 $91,200 $103.200 $37,980+60% $91,200 $103.200 $123,200 $45,180+62% $103,200 $123.200 $143,200 $57.580+64% $123,200 $143.200 $163.200 $70,380+66% $143,200 $163.200 $183.200 $83,580+68% $163,200 $183.200 $203,200 $97.180+69% $183,200 $203.200

$110,980+70% $203,200

Married Filing Separate Returns lf the amount on Schedule TC, Part I, line 3, is: Not over $1,600

But not Over-

over- $1,600

$2,100 $2.100

$2.600 $2.600

$3.100 $3,100

$3.600 $3.600

$5,600 $5,600

$7.600 $7.600

$9.600 $9.600

$11.600 $11.600 $13.600 $13.600 $15,600 $15.600 $17,600 $17.600 $19.600 $19.600 $21.600 $21,600 $23,600 $23.600 $27.600 $27.600 $33.600 $33600 $39,600 $39,600 $45.600 $45.600 $51.600 $51,600 $61.600 $61.600 $71.600 $71,600 $81.600 $81.600 $91.600 $91.600 $101.600 $101.600

Enter on Schedule TC, Part I, line 4:

14% $70+15% $145+16% $225+17% $310+19% $690 + 22% $1,130+25% $1.630+28% $2,190+32% $2,830+36% $3,550+39% $4,330+42% $5,170+45% $6.070+48% $7,030+50% $9,030+53% $12,210+55% $15,510+58% $18,990+60% $22.590+62% $28,790+64% $35,190+66% $41,790+68% $48,590+69% $55,490+70% of the amount over- $1,600 $2,100 $2,600 $3.100 $3,600 $5,600 $7.600 $9.600 $11,600 $13,600 $15,600 $17,600 $19,600 $21,600 $23,600 $27,600 $33,600 $39,600 $45,600 $51.600 $61,600 $71,600 $81.600 $91,600 $101,600

SCHEDULE Z-Unmarried or legally separated taxpayers Who Qualify as Heads of Household lf the amount on Schedule TC, Part I, line 3, is: Not over $2,200

Enter on Schedule TC, Part I, line 4:

Over- $2,200 $3.200 $4.200 $6.200 $8,200 $10.200 $12.200 $14.200 $16,200 $18.200 $20.200 $22.200 $24.200 $26.200 $28,200 $30.200 $34.200 $38.200 $40.200 $42.200 $46.200 $52.200 $54.200 $66.200 $72.200 $78.200 $82.200 $90.200 $102.200 $122.200 $142.200 $162.200 $182,200 But not over- $3.200 $4.200 $6,200 $8,200 $10.200 $12.200 $14.200 $16.200 $18,200 $20.200 $22.200 $24.200 $26.200 $28.200 $30.200 $34.200 $38.200 $40.200 $42,200 $46,200 $52.200 $54,200 $66.200 $72.200 $78,200 $82,200 $90.200 $102.200 $122.200 $142 200 $162.200 $182.200

14% $140+16% $300+18% $660+19% $1,040+22% $1,480+23% $1,940+25% $2,440+27% $2,980+28% $3,540+31% $4,160+32% $4,800+35% $5,500+36% $6,220+38% $6,980+41% $7,800+42% $9,480+45% $11.280+48% $12.240+51% $13,260+52% $15,340+55% $18,640+56% $19,760+58% $26,720+59% $30,260+61% $33,920+62% $36,400+63% $41,440+64% $49,120+66% $62.320+67% $75,720+68% $89.320+69% $103,120+70% of the amount over- $2,200 $3,200 $4.200 $6,200 $8,200 $10,200 $12,200 $14,200 $16,200 $18.200 $20.200 $22,200 $24,200 $26,200 $28,200 $30,200 $34,200 $38.200 $40.200 $42,200 $46,200 $52,200 $54,200 $66,200 $72.200 $78.200 $82,200 $90.200 $102,200 $122,200 $142,200 $162,200 $182,200

BIJLAGE Xld

SINGLE

M A R R I E D

HEAD OF A HOUSEHOLD

SURVIV1NG SPOUSE

SEPARATE RETURN

NIET VANTOEPASSING

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nrs. 1-2

130

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.