Eindverslag - Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr.8

' Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels (D'66), Hermsen (CDA), voorzitter, Van Dis (SGP), Van Dam (CDA), Keja (VVD), Van Zeil (CDA), Poppe (PvdA), ondervoorzitter, Hartmeijer (PvdA), Van der Doef (PvdA), Weijers (CDA), Meijer (PvdA), Knol (PvdA), Beckers-de Bruijn (PPR), Nijpels (VVD), De Hamer (PvdA), Moor (PvdA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), Buikema (CDA) en Toussaint (PvdA).

EINDVERSLAG Vastgesteld 13 november 1979

De vaste Commissie voor Sociale Zaken' heeft de eei* als volgt verslag uit te brengen over de in haar midden na bestudering van de memorie van antwoord nog gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Zij acht de plenaire behandeling van dit wetsontwerp voldoende voorbereid als op deze vragen en opmerkingen zal zijn geantwoord.

De leden van de P.v.d.A.-fractie meenden met de Staatssecretaris dat overlegging aan de Kamer van de uitvoeringsbeschikkingen geen belemmering zou mogen zijn voor een snelle invoering van de wet. Toch dachten zij dat op basis van het huidige ontwerp gemaakte beschikkingen aan de Kamer nu reeds overlegd zouden kunnen worden. Is de Staatssecretaris daartoe bereid? Voor wat betreft de door hen bepleite onbeperkte terugwerkende kracht vroegen deze leden zich af of middels behoorlijke bewijsrechtelijke voorschriften niet tot een rechtvaardiger oplossing te komen zou zijn. Deze leden zagen voorts nog graag nader uiteengezet welke bezwaren de Staatssecretaris heeft tegen een tijdelijke, aflopende regeling, waarbij aan ongehuwden van 50 jaar en ouder die werkzaam zijn in het huishouden van naaste bloedverwanten in geval van invaliditeit een uitkering wordt toegekend. Ten aanzien van de bepaling van het inkomen van meewerkende echtgenoten van zelfstandigen vernamen deze leden graag of bij de bepaling van het inkomen rekening wordt gehouden met bijzondere omstandigheden die inhouden dat duurzaam in het bedrijf werkzame echtgenoten in het algemeen, ondanks een misschien minder toegespitste opleiding, toch van grotere economische betekenis zijn dan aangetrokken vreemde krachten voor dezelfde werkzaamheden. Zij wezen er daarbij op dat er bij voorbeeld zelden parttime bedrijfsleiders aan te trekken zijn terwijl meewerkende echtgenoten deze functie vaak wel op parttime basis vervullen. Ten slotte vroegen deze leden wanneer de Regering met voorstellen of maatregelen denkt te komen voor een oplossing van het probleem dat er op nettobasis een verschil is tussen de AAW-en de AWW-uitkering.

De leden van de C.D.A.-fractie waren nog niet overtuigd door de argumenten die in de memorie van antwoord worden aangevoerd tegen het toekennen van uitkeringsrechten aan invalide wordende, in het huishouden van naaste bloedverwanten werkzaam zijnde, ongehuwde vrouwen. Juridisch Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nr. 8

moge er sprake zijn van een vrije keuze voor het al dan niet aanvaarden of voortzetten van deze huishoudelijke arbeid, veelal is zulks een kwestie van hoogstaande moraliteit die in onze samenleving niet genoeg gewaardeerd kan worden. Ook als zij de positie van deze groep afwogen tegen die van andere in de memorie van antwoord genoemde groepen die van uitkeringsrechtenzijn uitgesloten, konden deze leden het niet juist vinden dat -zoals de bewindsman in de memorie van antwoord opmerkt -bij invaliditeit toch een beroep op uitkering krachtens de Algemene bijstandswet kan worden gedaan. Dit moge waar zijn, maar juist deze groep naar de Algemene bijstandswet te verwijzen stuitte hen tegen de borst. Ziet de Regering dan geen verschil tussen de positie van deze vrouwen en die van de gehuwde vrouw die bij invaliditeit krachtens de huwelijksverbintenis toch al haar aanspraken op levensonderhoud en wat dies meer zij tegenover haar echtgenoot behoudt? Is, om een voorbeeld te noemen, de positie van een relatief nog jonge vrouw die invalide wordt in een levensperiode waarij zij uit edele motieven het huishouden van naaste bloedverwanten verzorgt -zoals verzorging behoevende bejaarde ouders, grootouders, jongere kinderen in het moederloos geworden gezin -niet aanmerkelijk slechter dan die van een voor zijn 18e verjaardag invalide geworden persoon die -overigens geheel terechtwèl uitkeringsaanspraken verwerft? Is er geen enkele -eventueel slechts tentatieve -berekening te maken van het aantal gevallen waarom het hier gaat en van de kosten die er aan verbonden zouden zijn om deze groep hetzij via amendering, hetzij via een op de bestaande wet gebaseerde algemene maatregel van bestuur uitkeringsrechten te verlenen?

Deze leden waren er voorts nog niet geheel van overtuigd dat het niet goed mogelijk zou zijn de inkomenseis te toetsen als een verder reikende terugwerkende kracht zou worden verleend aan de voorgestelde regeling. Op grond van mogelijk voorhanden medische gegevens zal toch de datum waarop de arbeidsongeschiktheid destijds is ingetreden, ook al ligt die vóór 1 oktober 1975 wel zijn te bepalen. Daarmee kan dan ook het refertejaar toch berekend worden. In een aantal gevallen zal dan toch, zo vermoedden deze leden, aan de hand van nog bij betrokkenen of de bedrijfsvereniging alsme-de de fiscus aanwezige boekhoudkundige en fiscale gegevens en feiten de mogelijkheid aanwezig zijn te toetsen of aan de inkomensgrens is voldaan. Zij vroegen zich af -ook al is de thans gekozen datum van 1 oktober 1975 logisch afgeleid uit de datum van invoering van de bestaande wet -of vanuit déze gezichtshoek bezien die datum niet toch arbitrair kan worden genoemd. De leden van de V.V.D.-fractie waren de bewindsman erkentelijk voor de uitvoerige antwoorden die zij op hun vragen hadden gekregen. Ter nadere verduidelijking hadden zij nog gaarne enige toelichting van de zijde van de Regering op de navolgende punten. Zou het niet mogelijk zijn, zo vroegen zij zich af de uitvoeringsbeschikkingen in concept ter kennis van de Kamer te brengen? Weliswaar zouden dit dan niet de officiële beschikkingen zijn, maar de Kamer zou op deze wijze toch kennis kunnen nemen van voor de uitvoering belangrijke punten. Deze leden hadden kennis genomen van de handhaving van het standpunt van de Regering ten aanzien van de verzelfstandiging van man en vrouw. Zij benadrukten nog eens dat het enige argument tegen deze verzelfstandiging volgens hen gelegen kan zijn in de financiële beperkingen die de huidige economische situatie met zich brengt. De hier aan het woord zijnde leden vroegen zich bij nader inzien af of een van de gevolgen van dit wetsontwerp -namelijk dat gescheiden vrouwen, die voor hun arbeidsongeschiktheid geen inkomen hadden, buiten de werking van de AAW vallen -wel in overeenstemming is met de uitgangs punten van de Regering ten aanzien van het beleid voor gescheiden vrouwen zoals dat onder andere is verwoord in de Nota betreffende de financiële positie van de gescheiden vrouw (11860).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nr. 8

Voor deze leden was het voorts nog maar de vraag of de kosten welke verbonden zijn aan het aantrekken van een vreemde kracht een juist uitgangspunt kunnen vormen voor het bepalen van het inkomen van de meewerkende echtgenoten van zelfstandigen. In veel gevallen zal immers de zelfstandige met veel kunst-en vliegwerk proberen te voorkomen dat hij die ex-tra-arbeidskracht moet aantrekken. Deze leden bleven, ondanks de door de Regering aangevoerde argumenten, een voorstander van een periodieke heroverweging van de uitkeringsgevallen eens in de twee jaar. Ten slotte zagen de leden van de V.V.D.-fractie graag nog eens wat uitvoeriger uiteengezet welke bezwaren de bewindsman blijft hebben tegen het toekennen van uitkeringen aan ongehuwde vrouwen die werkzaam zijn in het huishouden van een bloedverwant en invalide worden.

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie. Eikerbout Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15706, nr. 8

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.