Brief van De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Echte minima beleid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 8 februari 1984

In een brief van 2 februari jl. (zie bijlage) spreekt de voorzitter van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid er haar bevreemding over uit dat mijnerzijds tijdens de begrotingsbehandeling van mijn departement niet is meegedeeld dat het idee om de leeftijd van het minimumloon op trekken van 23 naar 27 of 30 jaar aan de Sociaal-Economische Raad (SER) zou worden voorgelegd, terwijl kort na het debat de desbetreffende notitie naar de SER en in afschrift aan uw Kamer is verzonden. Bij het debat in uw Kamer op 7 februari jl. naar aanleiding van de stemmingen over de tijdens de begrotingsbehandeling ingediende moties is hierover eveneens om opheldering gevraagd. Ik wil in de eerste plaats opmerken dat de besluitvorming over de inhoud van de notitie op het moment van de begrotingsbehandeling nog niet was afgerond. Die besluitvorming heeft plaatsgevonden in de vergadering van de ministerraad van 27 januari jl., dat wil zeggen daags na de afsluiting van het begrotingsdebat. De mededeling waarop u doelt kon ik derhalve tijdens het debat niet doen. Achteraf meen ik dat het beter ware geweest in het debat aan te geven, dat erover gedacht werd om het idee mee te nemen in de aan de SER toegezegde notitie over de samenhang tussen een tweetal adviesaanvragen aan de SER en een tweetal inkomenspolitieke notities voor zover deze de problematiek van de positie van de minima betreffen. In eerdergenoemde brief van 2 februari jl. wordt opgemerkt dat «in die notitie het oordeel van de Raad wordt gevraagd over, onder andere, een verlaging van het volwassen minimumloon beneden een bepaalde leeftijdscategorie, bij voorbeeld 27 of 30 jaar, al dan niet gepaard gaande met een verlaging van de minimumjeugdlonen». Om een eventueel misverstand te voorkomen hecht ik eraan nog eens uitdrukkelijk aan te geven dat hier geen sprake is van een beleidsvoornemen van het kabinet in welk pril stadium dan ook. Het is een idee, naast andere ontwikkeld in een gedachtenvormingsproces over de relatie tussen loonvloeren en werkgelegenheid. Het kabinet is zich terdege bewust van de bezwaren die aan het idee kleven. Zowel hetgeen ik tijdens het debat hierover heb gezegd als de notitie zelf getuigen hiervan. Dat het kabinet

een en ander toch naar voren heeft gebracht in de betreffende notitie vindt zijn verklaring in het feit dat de alles overheersende noodzaak verbetering te brengen in de werkgelegenheidssituatie het wenselijk maakt om ten behoeve van de gedachtenvorming tenminste te sonderen hoe de Raad hierover denkt. Wij hebben dat in de notitie met zoveel woorden aangegeven. Ik hoop hiermede het gevoel van onbehagen, waarvan de voorzitter van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid gewag maakt, te hebben weggenomen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. de Koning

BIJLAGE

's-Gravenhage, 2 februari 1984

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, drs. J. de Koning Namens de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil ik het volgende onder uw aandacht brengen. In de vergadering van de commissie van 31 januari 1984 is uw notitie aan de Sociaal-Economische Raad van 27 januari 1984 ter sprake gebracht. Opgemerkt werd dat in die notitie het oordeel van de raad wordt gevraagd over, onder andere, een verlaging van het volwassen minimumloon beneden een bepaalde leeftijdscategorie, bij voorbeeld 27 of 30 jaar, al dan niet gepaard gaande met een verlaging van de minimumjeugdlonen. Geconstateerd werd dat in het debat over de begroting van uw ministerie, kort vóór verzending van de notitie, door u werd opgemerkt dat het optrekken van de leeftijd van 23 jaar naar 27 of 30 jaar in relatie tot het minimumloon, niet meer dan een idee is. De commissie sprak haar bevreemding erover uit dat in genoemd debat niet medegedeeld is dat dit idee binnenkort aan de raad zou worden voorgelegd en wenste dat een gevoel van onbehagen daarover aan u kenbaar gemaakt zou worden. De commissie zou gaarne zien dat vastgehouden wordt aan het gebruikelijke verkeer tussen Kamer en regering, waarin volledige openheid van zaken gegeven wordt door de regering.

De voorzitter van de Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. G. Kraaijeveld-Wouters

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.