Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsontwerpen: Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en van enige Bijstandsbesluiten (beŽindiging van het recht op bijstand krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers voor 16-en 17-jarigen en invoering van het recht op kinderbijslag voor 16-en 17-jarige werklozen) (17697); Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet (vermindering doorbetaling AOW-gehuwdenpensioen bij overlijden van ťťn van de echtgenoten) (17711); en van de daarbij voorgestelde moties. De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

A.Ch. (Andrťe) van EsMevrouw Van Es (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Het antwoord van de heer De Graaf heeft voor mij enkele zaken nog niet verduidelijkt en wij zullen het tevens over een aantal zaken ook nu wel niet eens worden. Zoals ik al verwacht had, heeft de Staatssecretaris de noodzaak om de jeugdwerkloosheid te bestrijden als argument gebruikt voor het intrekken van het recht op een RWW-uitkering voor 16-en 17-jarigen. Het gebruik van dit argument kan ik weer niet anders dan een 'holle frase' noemen, omdat ik helemaal geen maatregelen hoor noemen, die de jeugdwerkloosheid krachtdadig zouden kunnen bestrijden. Integendeel! Door deze maatregelen zal het recht op werk juist verder worden ondergraven. Immers, gewone rechten voor werkzoekenden gelden niet voor deze groep, omdat het perspectief op werk er domweg niet is en zo wordt deze groep in de kou gezet. Ik kan het niet geloven of accepteren als bestrijding van jeugdwerkloosheid serieus als argument wordt aangevoerd om deze maatregel door te voeren. Als reactie op het betoog van de heer Leerling, heeft de Staatssecretaris gezegd, dat, als er wel geld voor zou zijn, wij toch niet terug zouden moeten gaan naar de oude, de huidige situatie, waarin jongeren van 16 en 17 jaar wel recht hebben op een RWW-uitkering. Daarmee heeft hij heel goed aangegeven, dat deze maatregel niet alleen maareen bezuinigingsmaatregel is, maar ook een die ons terugvoert naar oude normen, waarvan wij hadden gedacht dat wij die al lang achter ons hadden gelaten. Een zelfstandige positie voor jongeren, die wij dachten veroverd te hebben, wordt daarmee opgegeven. Alsdie bestrijding van de jeugdwerkloosheid niet meer zo urgent is, handhaaft de Staatssecretaris deze plannen dan of komen die jongeren zijns inziens dan wel weer in aanmerking voor een eigen uitkering?

Staatssecretaris De Graaf: Wanneer heb ik beweerd, dat het ontwikkelen van een plan voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid niet meer belangrijk is? Die stelling meen ik niet te hebben verkondigd.

Mevrouw Van Es (PSP): Dat heb ik de Staatssecretaris ook niet aangewreven! Die maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid steken echter heel schril aftegen de plannen die wij vandaag bespreken. Om die reden accepteer ik in elk geval die jeugdwerkplannen niet als argument om de uitkeringsrechten voor jongeren van 16 en 17 jaar in te trekken.

©

L. (Louw) de GraafStaatssecretaris De Graaf: Mevrouw Van Es zegt dat die maatregelen schril afsteken. Het schrille zou dan moeten blijken uit vergelijking van de bedragen aan beide zijden. Nu ligt een bedrag van 70 min. aan ombuigingen op tafel in het kader van de RWW, terwijl met het jeugdwerkloosheidsplan voor 1983 een bedrag van ongeveer 600 min. is gemoeid. Waaruit blijkt dan het schrille?

©

A.Ch. (Andrťe) van EsMevrouw Van Es (PSP): In de Schepelzaal wordt vandaag gesproken over experimentele arbeidsprojecten voor jongeren, waarbij het om iets meer dan 700 tijdelijke banen gaat. Dit staat mijns inziens in schrilletegenstelling tot de enorme omvang van de jeugdwerkloosheid en de plannen die daar verder tegenover staan. De Staatssecretaris weet net zo goed als ik, dat de EAJ's van tijdelijke aard zijn en ook in de toekomst geen perspectief op vaste banen zullen bieden. Verder bestaat een belangrijk deel van de plannen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid uit stageplaatsen, verdere opleidingsmogelijkheden, enzovoorts. Dit biedt dus ook al geen mogelijkheid om een vaste baan te krijgen, waarop ook andere mensen recht zouden moeten hebben.

©

M.G.H.C. (Ria)  Oomen-RuijtenMevrouw Oomen-Ruijten (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben vandaag in de Schepelzaal gesproken -ik dacht dat wij het er met elkaar over eens waren -over de EAJ-projecten, over blijvende en volwaardige werkgelegenheid. Waar haalt mevrouw Van Es de informatie vandaan die zij hier te berde brengt?

©

A.Ch. (Andrťe) van EsMevrouw Van Es (PSP): De maatregelen die tot nu toe genomen zijn ten aanzien van de tijdelijke arbeidsprojecten voor jongeren, zijn eerder van hun vaste karakter ontdaan, dan vastgemaakt. Dat weet mevrouw Oomen net zo goed als ik. Wanneer de jongeren aan die 700 banen een vast recht op werk kunnen ontlenen en die banen ook zouden kunnen blijven bestaan, dus wanneer elke keer weer voor een groep van 700 jongeren een baan gecreŽerd wordt, dan is dat een druppeltje extra op de gloeiende plaat. Een en ander staat echter nog steeds in schrille tegenstelling tot de enorme jeugdwerkloosheid.

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik stel vast dat hier volstrekte nonsens wordt gedebiteerd.

Mevrouw Van Es (PSP): Waarvan akte, zoals de Staatssecretaris vanmorgen ook al zei. Ik kom nu aan de verwachtingen die bij schoolverlaters zijn gewekt -de Staatssecretaris en ik hebben daarover vanmorgen ook al in de clinch gelegen -die een half jaar geleden van school kwamen. De Staatssecretaris zei dat wij toch niet kunnen stellen dat de jongeren die toen van school kwamen, een recht hadden op een uitkering en dat er dus geen bestaande rechten worden ingetrokken. Alleen toekomstige schoolverlaters krijgen na 1 januari 1983 geen uitkering meer. Het vervelende is alleen dat toen de maatregel werd genomen om toekorrv stige RWW-uitkeringstrekkers pas een half jaar nadat zij de school verlaten hebben, recht op een uitkering te geven, steeds werd gesproken van 'uitgestelde rechten' op die uitkering. Dat geeft toch aan dat dit recht op het moment van het verlaten van de school wel degelijk bestond. Zo er al geen sprake is van het schenden van een recht, is er toch zeker wel sprake van het schenden van gewekte verwachtingen, juist Tweede Kamer 22 december 1982

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.