Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 6

1 Samenstelling: leden: Keja (VVD), Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Beinema (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Dales (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Korthals (VVD), Linschoten (VVD), nlv. leden: Terpstra (VVD), Van der Louw (PvdA), Hermsen (CDA), G. C. van Dam (CDA), -, Meijer (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Cornelissen (CDA), Evenhuis-van Essen (CDA), M. P. A. van Dam (PvdA), Salomons (PvdA), Van Dijk (CDA), Hermans (VVD), -, -, Nypels (D'66), -, -, Eshuis (CPN), Wolters (CDA), Woltgens (PvdA), Knol (PvdA), -, Kamp (VVD), Nijhuis (VVD).

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 3 februari 1983

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de eer van haar voorlopige bevindingen omtrent dit in haar handen gestelde ontwerp van wet als volgt verslag uit te brengen.

  • Inleiding

Alvorens op de drie afzonderlijke onderdelen van dit wetsontwerp in te gaan hadden de leden van de fractie van de P.v.d.A. behoefte een opmerking van algemene aard te maken. Als uitgangspunt voor de wijzigingsvoorstellen, die betrekking hebben op de in het buitenland wonende kinderen, huishoudkinderen en uitwonende invalide kinderen, noemt de Regering de noodzaak van ombuigingen. Zij voegt daaraan toe, dat de voorstellen erop gericht zijn om ten volle inhoud te geven aan één van de volgens haar meest wezenlijke uitgangspunten van de kinderbijslag, te weten dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderen moet zijn en geen volledige vergoeding of zelfs meer dan dat. Naar het oordeel van de hier aan het woord zijnde leden wordt het uitgangspunt door de Regering hier als een volstrekt gelegenheidsargument gehanteerd. Het gaat hier om een globaal uitgangspunt, waaraan de opvatting ten grondslag ligt, dat de kinderbijslag in zijn algemeenheid niet een kostendekkende, maar een aanvullende voorziening is. Nimmer is hieronder verstaan, dat in onderscheiden situaties met de meetlat in de hand de hoogte van de kinderbijslag zou worden bepaald. De wijze waarop de Regering dit uitgangspunt hanteert leidt in het absurde tot de redenering, dat de kinderbijslag moet toenemen met de toename van de hoogte van het inkomen. Deze vorm van inkomensafhankelijke kinderbijslag is door de hier aan het woord zijnde leden nimmer beoogd, wanneer zij pleitten voor een inkomensafhankelijke kinderbijslag. Zij deden dit juist vanuit de overweging, dat de draagkracht voor de financiële verantwoordelijkheid voor kinderen groter is naarmate het inkomen hoger is. Anders gezegd, dat de noodzaak om via het sociale zekerheidssysteem een bijdrage te verlenen en daardoor het dragen van financiële verantwoordelijkheid voor kinderen te vergroten het sterkst aanwezig is bij lage inkomens. Zij stelden het op prijs van de Regering een uitvoerige reactie op deze opvatting te krijgen. Dit te meer daar een wijziging in het beleid terzake van

7 vel

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

eerdergenoemd uitgangspunt kan leiden tot een situatie waarin ook aan éénoudergezinnen, die zijn aangewezen op de Algemene Bijstandswet geen dan wel een gekorte kinderbijslag wordt verstrekt. Daarbij verwezen zij naar een vergelijkend overzicht van de toenmalige Minister van CRM, de Boer, waaruit de inkomenspositie, inclusief kinderbijslag, van een tweeoudergezin met één kind werd vergeleken met die van een éénoudergezin met twee kinderen. De Regering hanteerde toen nadrukkelijk de ontvangen kinderbijslag als inkomensbestanddeel, waar zonder de z.g. bijstandsmoeders reeds in een volstrekt achtergestelde situatie verkeerden. De kinderbijslag functioneert in een dergelijke situatie als een correctie op de inkomensverdeling. Dit uitgangspunt is het meest centrale van de huidige Kinderbijslagwet, naar het oordeel van de hier aan het woord zijnde leden. Zij vernamen graag een bevestiging van de Regering op deze stellingname omdat dan het kader waarbinnen de discussie over de voorstellen gevoerd wordt duidelijk is bepaald.

De leden van de fractie van D'66 hadden grote moeite met de in dit wetsontwerp neergelegde voorstellen. Zij waren vooralsnog van mening dat de voorstellen overwegend vanuit bezuinigingsdrang tot stand waren gekomen en een intrinsieke rechtvaardiging misten. In het algemeen hadden zij liever gezien dat eerst nader gediscussieerd zou worden over alternatieve bezuinigingsmogelijkheden in de kinderbijslagsfeer. Zij verwezen daarbij naar de nota Ombuigingen in de Kinderbijslag (kamerstuk 17661). De leden van de D'66-fractie zouden bezuinigingen liever zien in de geleidelijke afschaffing van de progressie naar kindertal. Zolang het nog steeds zo is, dat men per kind meer kinderbijslag krijgt, naarmate het aantal kinderen groter is, terwijl de gemiddelde kosten per kind niet stijgen en waarschijnlijk zelfs dalen naarmate er meer kinderen zijn binnen het gezin, zouden geen ad hoebezuinigingsmaatregelen getroffen mogen worden die eenzijdig op bepaalde bevolkingsgroepen drukken. Het hoofdargument van de Regering is, dat ten volle inhoud moet worden gegeven aan een van de meest wezenlijke uitgangspunten van de kinderbijslag, te weten dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderen moet zijn en geen volledige vergoeding of zelfs meer dan dat. Als uitgangspunt aanvaardden de aan het woord zijnde leden dit. Wel moet dan echter duidelijk zijn wat precies de kosten van kinderen zijn en in welke situaties er sprake is van een volledige vergoeding of zelfs meer dan dat. Een budgetonderzoek onder met name ingezetenen, die kinderen ten laste hebben die niet in het Rijk woonachtig zijn, zou dus bijvoorbeeld op zijn plaats zijn. Acht de Regering een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk?

De leden van de fractie van de P.S.P. hadden met grote verontwaardiging van het voorliggende wetsontwerp kennis genomen. Het is op vele punten aanvechtbaar, zo zouden deze leden doen blijken. Naar hun mening zou het wetsontwerp met name op principiële gronden moeten worden verworpen, dan wel ingetrokken.

De leden van de R.P.F.-fractie hadden met interesse kennis genomen van de nieuwe voorstellen tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet. In één voorstel worden drie zeker niet onbelangrijke wijzigingen voorgesteld die alle het grote doel moeten dienen: terugdringen van de collectieve uitgaven. Hoe noodzakelijk de leden van de RPF-fractie dit streven ook achten, opnieuw constateerden zij, dat er op onderdelen wat geplukt en geknipt wordt. Kunnen er in deze regeringsperiode nog nieuwe wijzigingen in het kinderbijslagstelsel tegemoet worden gezien?

Naar het oordeel van de fractie van de Centrumpartij moeten alle maatregelen op het gebied van kinderbijslag beschouwd worden als een instrument van bevolkingspolitiek; zij dienen derhalve te worden bezien in Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

samenhang met andere instrumenten van bevolkingspolitiek, zoals bijvoorbeeld het overheidsbeleid inzake subsidiëring aan gemeenten voor grote woningen, en wel met inachtneming van dier langetermijneffecten voor de omvang van de bevolking en de samenstelling van de bevolking in Nederland. Zo laat het Gemeentebestuur van Amsterdam weten, dat in 1990 44% van de jongeren onder de 20 jaar in die stad afkomstig zal zijn van etnische «minderheden». De fractie van de Centrumpartij verwees naar een uitspraak van prof. v.d. Kaa, Directeur van het Internationaal Demografisch Instituut, waarmee hij pleit voor voornoemde rekenschap van samenhang en van langetermijnimplicaties van bevolkingspolitieke instrumenten. Derhalve vindt de fractie van de Centrumpartij, dat thans de hoogte van de kinderbijslag in procenten moet worden vastgesteld voor de nog niet geborenen. Gelet op het belang van bevolkingsbeperking, zou de alsdan uit te betalen kinderbijslag slechts de twee eerste kinderen betreffen. Men zou een actief ontmoedigingsbeleid met betrekking tot toekomstige grote gezinnen in het vooruitzicht kunnen stellen. Hiermede kan voorkomen worden, dat op langere termijn zelfs inkomensverlaging als strafmaatregel tegen te grote gezinnen moet worden ingevoerd, zoals thans in de Chinese Volksrepubliek. Daar wordt vanaf de geboorte van een tweede kind tot aan zijn zevende jaar 15% van het gezinsinkomen ingehouden. De G.P.V.-fractie had het onderhavige wetsontwerp met enige reserves ontvangen. Die reserves waren bepaald niet geringer geworden na lezing van de memorie van toelichting en de commentaren op het ontwerp. Vooralsnog had deze fractie de meeste moeite met hetvoorstel tot afschaffen van het recht op kinderbijslag voor de zogenaamde huishoudkinderen. Het voorstel tot beperking van de hoogte van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen verdiende nadere motivering en eventueel wijziging. Het voorstel tot aanscherping van de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor uitwonende invalide kinderen was naar het oordeel van deze fractie nog het minst bezwaarlijk.

  • Beperking van kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen

De voorstellen inzake de verlaging van de kinderbijslag voor kinderen die wonen in landen met een lager welvaartsniveau dan het Nederlandse, vervulden de leden van de fractie van de P.v.d.A. met zeer grote zorg. Zij concludeerden dat deze maatregelen een zeer selectieve werking krijgen, omdat zowel voor de EEG-landen als Oostenrijk en Zwitserland ten aanzien van de rechtgevende kinderen sprake is van gelijkstelling van de woonplaats, indien ze woonachtig zijn in een andere staat dan in de staat waar de rechthebbende werkzaam is. In feite komt het er op neer aldus deze leden, dat uitsluitend de kinderen van buitenlandse werknemers afkomstig uit de Middellandse Zeelanden hierdoor gedupeerd worden. Er is in die zin naar het oordeel van deze leden sprake van een discriminerende maatregel, die haaks staat op een zorgvuldig en verantwoord minderhedenbeleid. Zij verwezen hierbij naar de volgende passage uit de memorie van toelichting bij de begroting van het Departement van Binnenlandse Zaken. «In de eerste plaats heeft de verslechtering van de economie directe gevolgen voor de positie van veel leden van minderheidsgroepen. De toch al relatief hoge werkloosheid bij deze groepen neemt fors toe. Alleen al daardoor kan het perspectief op een bevredigende deelname door leden van deze groep aan onze samenleving in het gedrang komen. Zulke ontwikkelingen zetten het minderhedenbeleid onder druk. Ook in moeilijke economische omstandigheden moet de doelstelling van een gelijkwaardige plaats en volwaardige ontplooiingskansen van leden van minderheidsgroepen in Nederland worden gerealiseerd.» (memorie van toelichting, blz. 56).

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

In hetzelfde onderdeel van de begroting van Binnenlandse Zaken wordt, zo merkten deze leden verder op, eveneens opgemerkt: «Wil een samenleving kunnen ontstaan waarin alle etnische en culturele minderheden en overige ingezetenen goed met elkaar omgaan, dan dient discriminatie met alle kracht te worden bestreden.» De hier aan het woord zijnde leden onderschreven deze passages over het minderhedenbeleid en zij spraken daarom hun grote verbijstering uit over de maatregel om de kinderbijslag van in het buitenland verblijvende kinderen terug te brengen tot 25% van het huidige niveau. Kan de Regering in dit verband bevestigen, zo vroegen deze leden, dat de inkomenseffecten van de voorgestelde maatregel na 4 jaar overeen komen met de in tabel 2 van het SER-advies over deze materie vermelde percentages. Zo ja, is de Minister dan van mening dat met verminderingen van het netto besteedbaar inkomen, die kunnen oplopen tot 34,6% aan leden van minderheidsgroepen een gelijkwaardige plaats en volwaardige ontplooiingskansen worden geboden? Deelt de Minister ook de opvatting van de SER, dat de inkomenseffecten in verhouding tot het inkomen groter zijn naarmate het inkomen lager is? Is de conclusie dan niet gerechtvaardigd, dat de voorgestelde maatregel een uiterst selectieve werking heeft, die een onevenredig zwaar effect heeft op de laagste inkomenscategorie van buitenlandse werknemers? Op deze wijze, zo stelden deze leden, worden mensen die reeds in een dubbele achterstandspositie verkeren, op een nog grotere achterstand gezet. Kan de Minister uiteenzetten dat deze fatale gevolgen van zijn voorstellen het minderhedenbeleid niet onder druk zetten, zoals deze leden van mening zijn? Is hij bereid, zo vroegen zij verder, het advies van de Minister van Binnenlandse Zaken, bij wie de eerste verantwoordelijkheid voor het minderhedenbeleid berust, over de voorgestelde maatregel openbaar te maken? Kan dit eveneens gebeuren met het advies van de lnterdepartementale Commissie Minderhedenbeleid, die hierover toch zeker een advies heeft uitgebracht? Het hoofdbezwaar van de leden van deze fractie richt zich, aldus vatten zij het samen, tegen het uitermate selectieve karakter van de maatregel waardoor er misschien niet geheel in formele zin, maar wel terdege naar de geest sprake is van een verwerpelijke, discriminerende maatregel. Het had deze leden dan ook zeer verbaasd, dat de Regering geen aandacht heeft besteed aan de twee opvattingen, die in de SER naar voren zijn gekomen. Enerzijds de opvatting van de vakbondsleden en enkele Kroonleden, dat de maatregel ten principale dient te worden afgewezen, omdat deze niet in overeenstemming is met de doelstelling en de uitgangspunten van de in ons land geldende kinderbijslagwetgeving. Dit deel van de Raad stelt verder dat de voorgestelde maatregel een inbreuk op de gelijkheid van aanspraken betekent. Welk oordeel hecht de Regering aan deze opvatting in het kader van het door haar te voeren minderhedenbeleid? Is het beginsel van gelijke behandeling, ongeacht nationaliteit, niet een hoeksteen van het te voeren minderhedenbeleid? Leidt dit beginsel niet tot de consequentie, dat buitenlanders, die legaal in Nederland verblijven en ingevolge de Nederlandse wetgeving verzekerd zijn, op het punt van de sociale verzekering dezelfde rechten en dezelfde plichten hebben als de verzekerde Nederlanders? Tegenover eerder genoemd standpunt van een deel van de SER staat het standpunt van de werkgeversleden en een deel van de Kroonleden en het lid benoemd door de MHP. Zij achtten het in beginsel gerechtvaardigd en in overeenstemming met de uitgangspunten dat de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen op een ander, meestal lager bedrag wordt vastgesteld dan voor in Nederland wonende kinderen. Deze leden van de Raad bepleitten dientengevolge de invoering van het woonlandbeginsel in de kinderbijslagwetgeving. Zij voegden daaraan toe dat het Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

gewenst is ten spoedigste het overleg te openen met de verschillende verdragslanden over een aanpassing van de bilaterale verdragen en de afronding van een en ander in EG-verband. Deelt de Regering de opvatting van deze leden van de SER dat op deze wijze meer recht kan worden gedaan aan de per land verschillende en voor de hoogte van de kinderbijslag relevante factoren en omstandigheden? Waarom heeft de Regering toch gekozen voor een eenzijdige wetswijziging die van toepassing is op alle kinderen die in het buitenland wonen ongeacht het welvaarts-en voorzieningenpeil in het land waar zij woonachtig zijn? Deelt de Regering bij nader inzien de opvatting van de leden van de P.v.d.A.-fractie dat de principiële vragen die met dit voorstel aan de orde zijn eerst dienen te zijn beantwoord en dat het gemeen overleg tussen Regering en Kamer tot een conclusie moet hebben geleid alvorens concrete voorstellen als het onderhavige kunnen worden gedaan? Is de Regering bereid, zo vroegen zij, met een discussienota inzake het keuzevraagstuk woonlandwerkland als beginsel bij de uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving te komen op basis waarvan Regering en Kamer zich een definitief oordeel kunnen vormen? Hoewel naar het oordeel van deze leden eerst de principiële discussie dient te worden gevoerd, maakten zij toch een aantal opmerkingen en stelden zij nog enige vragen over het voorliggende wetsontwerp. Zagen zij het juist dat de Regering haar stelling, dat voor in het buitenland verblijvende kinderen door de huidige kinderbijslagregeling een overcompensatie wordt geboden, uitsluitend gebaseerd is op de vergelijking van het brutonationaal produkt per hoofd van de bevolking en het gemiddelde arbeidsinkomen? Waarom heeft de Regering nagelaten een verantwoorder beeld van de financieel-economische situatie in de verschillende landen te geven? Is de vergelijking van de prijsindexcijfers voor gezinsconsumptie van Nederland met de herkomstlanden in het commentaar van 18 november 1982 van LSOBA aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gebaseerd op juiste gegevens, zo vroegen deze leden? Kan de Regering deze cijfers bijstellen door de muntontwikkeling in de vergelijking door te laten werken over dezelfde periode? Hoe is de feitelijke ontwikkeling van de bestedingsmogelijkheden over de periode 1975-1982 in verschillende herkomstlanden van de in Nederland verstrekte kinderbijslag? Kan de Regering nadere informatie verstrekken over de kosten van levensonderhoud in te onderscheiden gebieden en lokaties in bijvoorbeeld Turkije en Marokko? Welk inzicht heeft de Regering over de kosten van opvoeding en scholing van een kind in dergelijke te onderscheiden situaties? Welke prijs moet elders worden betaald voor voorzieningen die hier als vrijwel gratis voorziening worden verstrekt zoals onderwijs en gezondheidszorg? Kan de Regering de opvatting van de Consumentenbond, zoals verwoord door mevrouw ir. A. de Zeeuw, dat de kosten van levensonderhud voor kinderen in Nederland niet verschillen met die in het Middellandse Zeegebied met gedocumenteerde gegevens weerleggen? Naar het oordeel van de leden van de fractie van de P.v.d.A. verplicht de Regering zich met haar onbewezen stelling, dat er sprake is van overcompensatie bij in het buitenland verblijvende kinderen tot het verstrekken van een gedocumenteerd vergelijkend overzicht van de werkelijke kosten van levensonderhoud in de verschillende landen van herkomst. Hierbij zullen ook de EG-landen en Oostenrijk en Zwitserland niet mogen worden uitgesloten. Deze leden wilden voorts graag opheldering over de stelling van de Regering, dat het gewijzigde uitgavenpatroon van hier verblijvende buitenlandse werknemers geen wijziging in de kosten van levensonderhoud van de kinderen, die elders wonen met zich meebrengt. Zij herinnerden daarbij aan de opmerking van de Raad van State, dat het relevant is om te kijken naar de mate waarin de buitenlandse werknemers met kinderen in het buitenland de hier verworven welvaart hebben aangewend ten behoeve van de ontwikkeling van hun kinderen in het woonland. Zij vroegen dan Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

ook om een reactie van de Regering op de stelling van de Raad van State, dat waar blijkt dat de kinderen daardoor in dat land ruimer gebruik maken van ontwikkelings-en ontplooiingsmogelijkheden dan zij hadden kunnen doen, indien het gezin een inkomen in dat land zelf te verteren zou hebben, de vermindering van de kinderbijslag grote gevolgen zal hebben op dit uitgavenpatroon. Met wie vergelijkt de Regering overigens de hier aanwezige buitenlanders wier kinderen elders verblijven wanneer zij stelt, dat bijzondere uitgaven van deze categorie werknemers, zoals vaker een reis vice versa Nederlandwoonland, meer telefooncontact e.d., maar ook het houden van een dubbele huishouding ook door buitenlandse werknemers die geen kinderen hebben worden gedaan? Het is toch evident, dat juist door de aanwezigheid van kinderen in het land van herkomst er in sterkere mate sprake is van extra uitgaven? De hier verblijvende buitenlander zonder kinderen voert toch ook uitsluitend hier een huishouding en niet elders? Deze leden achtten het verder gewenst dat de gevolgen van de voorgestelde maatregel op de gezinshereniging nader worden belicht. De Regering heeft blijkbaar geen aanleiding gezien om het advies van de Raad van State op te volgen om hierover meer informatie te verstrekken. De Regering blijft ten onrechte volstaan met de tweeledige opmerking, dat enerzijds een exacte schatting van de eventuele gezinshereniging niet is te maken en anderzijds dat de voorgestelde maatregel een versnelde gezinshereniging tot gevolg kan hebben. Is het waar dat de per 1 januari 1975 getroffen maatregel in de Bondsrepubliek Duitsland een zeer grote toeneming van gezinshereniging (met name vanuit Turkije en Marokko) ten gevolge had? Kunnen hierover cijfers worden verstrekt zoals tijdens een openbare hoorzitting van vaste Commissie door het NCB is geschied? Deelt de Regering de opvatting van de Raad van State dat naarmate het aantal gezinsherenigingen toeneemt, het ombuigingseffect zal afnemen? Is het dan ook niet noodzakelijk de effecten van de voorgestelde maatregel nauwkeurig te beoordelen? Bij het achterwege blijven hiervan wordt naar de mening van de hier aan het woord zijnde leden het risico gelopen dat een volstrekt fictieve ombuiging wordt geboekt en de uitvoering van een effectief minderhedenbeleid door de toegenomen druk op de huisvesting en het onderwijs en gezondheidszorg ernstig wordt gefrusteerd. Welke garantie kan de Regering geven, zo vroegen zij, dat deze effecten niet zullen ontstaan? Welk beleid denkt de Regering overigens te voeren inzake de werkloze buitenlanders die het slachtoffer worden van deze maatregel? Zij hebben niet de mogelijkheid door gezinshereniging de inkomensdaling op te vangen en evenmin een reële mogelijkheid om hun inkomenspositie te verbeteren doordat ze bij het vinden van werk vrijwel kansloos zijn. Aanvaardt de Regering de verpaupering van een grote groep buitenlanders? Of wordt er op gespeculeerd dat deze groep een kansarme positie in eigen land verkiest boven een volstrekt uitzichtloze positie in Nederland? Het sociale zekerheidsstelsel mag toch niet misbruikt worden om remigratie op niet-vrijwillige basis -immers er wordt geen alternatief meer geboden -te bespoedigen? Ten slotte maakten de leden van de fractie van de P.v.d.A. enkele opmerkingen over deze maatregel die diep ingrijpt in bestaande individuele rechten zoals deze gebaseerd zijn op internationale verdragen. De Regering ontwijkt in de memorie van toelichting deze problematiek door vast te stellen dat er voor ingezetenen van EG-landen en Oostenrijk en Zwitserland eigenlijk niets aan de hand is. De Regering is met name niet overtuigend in haar verweer tegen de opmerking van de Raad van State, dat artikel 6 van Verdrag nr. 118 van de Internationale Arbeidsorganisatie een belemmering zou kunnen zijn. Terecht wordt vastgesteld dat tot op dit moment door de wijze van toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet ten aanzien van kinderen, die in het buitenland verblijven artikel 6 niet relevant is. Maar voorgesteld wordt Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

hierin een wijziging te brengen en dan is de Regering genoodzaakt overleg te voeren met de Staten die dezelfde verplichting hebben aanvaard. Dit overleg dient vooraf plaats te vinden en uit te monden in overeenstemming alvorens Nederland een wijziging kan doorvoeren. De Regering handelt dan ook, aldus deze leden, in strijd met dit ILO-verdrag door dit wetsontwerp in te dienen zonder dat het overleg is gevoerd en overeenstemming is bereikt. Zij vroegen de Regering ook om commentaar op de stelling verwoord door het NCB in een uitvoerige reactie aan de SER dd. 13 augustus 1982 dat de bilaterale verdragen ook een overleg met de Verdragsluitende Partijen nodig maken indien er sprake is van een wijziging zoals nu wordt voorgesteld. Welk overleg heeft ook hier met welke der bilaterale verdragspartners plaatsgehad? Is het waar dat bijvoorbeeld Marokko vooraf niet is geïnformeerd over de voorgenomen wijzigingen? Op welke wijze is hierop door de betrokken landen gereageerd? Is er sprake van een geschonden vertrouwen bij de verdragspartners? Dreigt Nederland met dit gedrag zijn internationale reputatie als rechtsstaat niet te verliezen en welke uitwerking zal dit hebben op de mogelijkheden voor een vertrouwenwekkend minderhedenbeleid?

De leden van de C.D.A.-fractie hadden met bezorgdheid kennis genomen van het voornemen van de Regering over te gaan tot beperking van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen. Zij realiseerden zich dat ook dit onderdeel van het wetsontwerp in het kader van de ombuigingen moest worden gezien, ombuigingen die ook zij noodzakelijk achtten. Toch hadden zij grote aarzeling ten aanzien van het in het wetsvoorstel vervatte voornemen. De moeite van de leden van de C.D.A.-fractie concentreerde zich op een vijftal punten, te weten de spanning die het voornemen oproept betreffende naleving naar letter en geest van diverse verdragen, het onderscheid dat gemaakt wordt ten aanzien van diverse categorieën in het buitenland wonende kinderen, de redengeving voor het maken van onderscheid, het differentiëren in rechten en niet in plichten en de te verwachten negatieve effecten van dit voornemen op andere beleidsgebieden. Naar de mening van de leden van de C.D.A.-fractie leveren de voornemens van de Regering en de in de memorie van toelichting geschetste procedures daaromtrent toch spanning op met een vereiste zorgvuldige naleving van diverse verdragen die op de beleidsvoornemens betrekking hebben. In dit verband zouden zij graag vernemen in hoeverre het departement van Buitenlandse Zaken bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel betrokken is geweest. Wat betreft het ILO-Verdrag, nr. 118, vroegen zij zich in alle ernst af, of het niet in strijd is met het imperatieve karakter van het Verdrag eerst een ingrijpende maatregel bij wet te realiseren en daarna pas tot overleg over te gaan. Zij baseerden zich daarbij vooral op de letter en de geest van de zinsnede van artikel 6 «onder de voorwaarden en binnen de grenzen door de leden in gemeenschappelijk overleg vast te stellen». Naar de mening van deze leden kan het toch niet de bedoeling zijn van het Verdrag dat elke lidstaat maar zijn gang kan gaan met het nemen van nationale maatregelen om dan later te gaan bezien of er met de verdragspartners overeenstemming zou kunnen worden bereikt. Zij vroegen de Regering een reactie op hun mening. In de reactie van de Regering op het advies van de Raad van State is gemeld, dat de Bondsrepubliek Duitsland indertijd het Verdrag niet voor gezinsuitkeringen heeft aanvaard. In de toelichting op het wetsontwerp grijpt de Regering diverse malen terug op het door de Bondsrepubliek gehanteerde stelsel, met name op de uitkomsten daarvan.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Indertijd heeft Nederland kennelijk de keuze principieel anders willen maken dan de Bondsrepubliek en in het zo noodzakelijke wervingsbeleid heeft ons land daar voordeel van gehad. Het is naar de mening van deze leden daarom niet relevant om aan de uitkomsten van het systeem van de Bondsrepubliek de argumenten te ontlenen om nu in het kader van het Verdrag voor een beperking van het recht op kinderbijslag te kiezen. Voorts vroegen de leden van de C.D.A.-fractie zich af of ook voldoende zwaar wordt getild aan de door Nederland met de wervingslanden gesloten bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid, die alle uitdrukkelijk een gelijkheidsbepaling bevatten, zoals bij voorbeeld in artikel 4 van het Verdrag inzake sociale zekerheid met Turkije wordt verwoord: « onderworpen aan de verplichtingen en gerechtigd tot de voordelen». Ook hier signaleerden deze leden een spanning tussen de aanpak en benadering in het wetsontwerp en de verdragen. Daarbij vroegen deze leden zich bovendien af hoe de voorgestelde wetswijziging gezien moet worden in het licht van het Europees Verdrag inzake migrerende werknemers (waaraan de Tweede Kamer reeds zijn goedkeuring heeft gehecht), mede gelet op artikel 18, lid 2, waarin wordt gesteld dat de Verdragsluitende Partijen alles in het werk stellen om de migrerende werknemers en hun gezinnen te verzekeren van het behoud van verkregen rechten. Daar de Regering in de memorie van toelichting op het onderhavige wetsontwerp over dit Verdrag haar mening niet geeft zouden deze leden daarover alsnog graag de opvatting van de Regering vernemen. Een tweede punt waarop de moeite van de leden van de C.D.A.-fractie zich concentreerde, was het onderscheid, dat in de uitwerking van het wetsontwerp gemaakt wordt tussen diverse categorieën in het buitenland wonende kinderen. Hoewel het wetsontwerp «in het buitenland wonende kinderen» betreft, blijken grote groepen daar niet onder te vallen. Allereerst blijkt onderscheid te bestaan tussen buitenlandse werknemers, die onder de EEG-Verordening 1408/71 vallen en op wie de wet niet van toepassing zal kunnen worden verklaard, omdatten aanzien van kinderbijslagregelingen het werklandprincipe gehanteerd wordt, en de buitenlandse werknemers die daar niet onder vallen. Als al een apart kinderbijslagregime ingevoerd zou moeten worden ten aanzien van in het buitenland wonende kinderen dan dringt zich naar de mening van deze leden onontkoombaar de vraag op naar de rechtvaardigheid van het in het wetsontwerp vervatte voornemen, daar de wet blijkbaar maar op een beperkt aantal landen van toepassing zal kunnen zijn. Deze leden meenden dat een dergelijk onderscheid in behandeling van werknemers, die in identieke situaties verkeren, niet juist is. Zij hadden er kennis van genomen dat het streven van de Regering erop gericht is ten aanzien van de EEG-Verordening te komen tot het woonlandprincipe, maar zij vroegen de Regering of deze wijziging op korte termijn zou kunnen worden verwacht. In de memorie van toelichting hadden deze leden ten aanzien van dit punt ook geen aangrijpingspunt gevonden, waarop een dergelijke verwachting zou kunnen worden gebaseerd. Zij vroegen de Regering hieromtrent meer duidelijkheid te verschaffen. Zij stelden, dat zij er toch grote moeite mee hadden als bij de toekenning van kinderbijslag aan in het buitenland wonende kinderen tegelijkertijd het werkland-èn het woonlandprincipe zouden worden gehanteerd. Ten tweede blijkt een onderscheid te ontstaan, zo constateerden deze leden, omdat de wet ook niet van toepassing zal kunnen zijn op alle categorieën Nederlandse kinderen, die in het buitenland wonen en voor wie kinderbijslag wordt genoten. Is het waar dat dit naast studerende kinderen en zieke kinderen, die in het buitenland een behandeling ondergaan ook de kinderen van ambtenaren en andere (mede) door de overheid uitgezondenen zoals bij voorbeeld kinderen van ontwikkelingswerkers, diplomaten, ambassadepersoneel etc. betreft? Blijkbaar wordt de toepassing van de wet op deze categorieën door andere geldende regelingen verhinderd.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

üeze leden konden zich toch niet aan de indruk onttrekken, dat bij de werking van de wet ten aanzien van de diverse categorieën betrokkenen, die kinderbijslag ontvangen voor in het buitenland wonende kinderen, grote onrechtvaardigheid ontstaat. Zij vroegen de Regering hierop haar visie te geven. Het derde aspect, waarbij de leden van de C.D.A.-fractie meenden kritische kanttekeningen te moeten plaatsen, was de redengeving van de Regering voor het maken van onderscheid in kinderbijslagpercentages al naar gelang de niveaus van levensonderhoud. Zij waren wel van mening dat -als deze keus zou worden gemaakt -met objectieve criteria zou moeten worden gewerkt. Daarbij zou het bruto nationaal produkt een rol kunnen spelen. Deze leden ontvingen echter graag meer gegevens van de Regering omtrent de werkelijke situatie in de diverse landen. Zijn de kosten van levensonderhoud in steden vaak niet aanmerkelijk hoger dan in plattelandsgebieden en zou met dit verschil op een of andere wijze rekening moeten worden gehouden? Is het waar dat bij voorbeeld in Turkije en in Marokko een aantal produkten, die tot de eerste levensbehoefte behoren even duur zijn als in Nederland? In hoeverre zou bij voorbeeld ook rekening moeten worden gehouden met bijzondere kosten van diverse opleidingen voor de in het buitenland wonende kinderen, zo vroegen deze leden zich af. Heeft de Regering ook enig inzicht in verschillen in materiële welstand tussen diverse categorieën gezinnen in de desbetreffende landen, waarvan de vader werkzaam is in andere West-en Noordeuropese landen? Ook enkele principiële vragen wilden de leden van de C.D.A.-fractie graag in dit verband beantwoord zien. In hoeverre zijn de kosten van levensonderhoud in landen als Marokko en Turkije, in relatie tot het arbeidsinkomen van werknemers, zodanig laag dat voor vele gezinnen van relatieve armoede moet worden gesproken en is het dan een goede zaak om bij het vaststellen van het kinderbijslagpercentage van dat niveau uit te gaan? Heeft de ouder die zelf cultuur, vaderland, huis en haard heeft verlaten om «in den vreemde» een arbeidsinspanning te verrichten met het oogmerk het eigen gezin voor armoedige omstandigheden te vrijwaren en een betere maatschappelijke positie te verzekeren, mede met het oog op een betere toekomst voor zijn kinderen, heeft deze ouder recht op dit resultaat van zijn opoffering? Zo ja, hoe kan hij dat realiseren als zijn kinderbijslagniveau wordt gerelateerd aan het niveau van levensonderhoud van al degenen die zich deze extra inspanning en opoffering niet hebben getroost? Ten slotte vroegen deze leden zich in dit verband af waarom het onjuist zou zijn de extra kosten die deze ouder moet maken vanwege het feit dat hij twee huishoudingen heeft niet in het beleid een rol te laten spelen. De Regering plaatst deze betrokkenen in een aparte positie, door bij de vaststelling van de kinderbijslag te gaan rekenen met minder kosten die (een deel van) het gezin zou hebben voor levensonderhoud, terwijl niet gerekend wordt met de extra kosten die dit gezin vanwege de dislocatie moet maken. Graag verkregen deze leden een reactie op deze zienswijze. Een vierde punt waarbij de leden van de C.D.A.-fractie vraagtekens meenden te moeten zetten was het gegeven, dat wel een differentiatie in rechten op het terrein van de kinderbijslag wordt aangebracht in het wetsontwerp, maar niet een differentiatie in plichten. Zij begrepen dat de Regering het argument aanvoert, dat er in de Nederlandse kinderbijslagwetgeving nooit enige relatie heeft bestaan tussen de hoogte van de te betalen premie en het bedrag van de te ontvangen kinderbijslag. De door de werkgever te betalen premie wordt voor iedere werknemer uitgedrukt in een percentage van diens inkomen, ongeacht de hoogte van de hem uit te betalen kinderbijslag. Deze leden constateerden dat tot nu toe voor allen dezelfde rechten gelden bij de vaststelling van de kinderbijslag, ook nu onlangs is besloten tot het aanbrengen van een differentiatie in leeftijdscategorieën.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Zij signaleerden dat het onderhavige wetsontwerp een geheel nieuw en tot nu toe wezensvreemd criterium in de kinderbijslag wetgeving introduceert, nl. het al of niet in Nederland wonen van de kinderen van de werknemer. Daarbij wordt aan het onderhavige wetsontwerp bij het buitenlands wonen van de kinderen een drastische beperking van de rechten voor deze speciale groep werknemers vastgesteld. Is het dan niet logisch ook aan de premiekant een bijzondere benadering te kiezen? Zij vroegen de Regering hierop te willen reageren. Een vijfde punt waardoor de aarzeling van de leden van de C.D.A.-fractie ten aanzien van het wetsontwerp sterk werd vergroot vormden de te verwachten negatieve effecten van dit beleid op andere beleidsgebieden. Allereerst hadden zij zorg betreffende een te verwachten versnelde gezinshereniging en de kostenstijgingen die deze -ook door de betrokkenen dikwijls niet verlangde situatie -met zich mee gaat brengen. Zij hadden daarover meer zorg dan de Regering, die zich daarover in de diverse voorliggende stukken nogal optimistisch uitliet; graag vernamen deze leden van de Regering hoe zij bij de berekening van het op te brengen bezuinigingsbedrag hiermee heeft gerekend. Zij wilden ook graag vernemen of reeds een toename van gezinshereniging valt te signaleren. En indien dit zo is, hoe groot is dan de omvang en welke bevolkingsgroepen betreft het? Vervolgens vroegen zij zich af hoe de in het wetsontwerp opgenomen voornemens zich verhouden tot het remigratiebeleid van de Regering, waarover ook een passage in het Regeerakkoord is opgenomen. Hoe moesten deze leden de in dit wetsontwerp vervatte voornemens zien in het licht van de adviesaanvrage die de Regering heeft gericht aan de Sociale Verzekeringsraad betreffende remigratiebelemmeringen in de sociale uitkeringen? Zagen zij het goed, zo stelden deze leden, dat de richting van het beleid waartoe dit wetsontwerp leidt en die waartoe de adviesaanvraag dient volledig aan elkaar tegenstrijdig zijn? Ten slotte realiseerden deze leden zich dat de grote moeite die zij hadden met dit voornemen tot een negatieve stellingname ten aanzien van dit wetsontwerp kon leiden. Daardoor zou de hiermee beoogde bezuiniging komen te vervallen. Zij vroegen zich af of deze bezuinigingen dan niet elders in de sociale verzekeringssfeer gezocht zou kunnen worden. Daarbij zou mede de kinderbijslag betrokken kunnen worden, ondanks het feit dat in deze sector reeds sinds 1978 een forse structurele ombuiging van f 1,8 mld. is gerealiseerd. Zij vroegen de Regering hieromtrent haar mening te geven. De leden van de V.V.D.-fractie hadden met instemming kennis genomen van het feit dat dit wetsontwerp bedoelde meer inhoud te geven aan één van de meest wezenlijke uitgangspunten van de kinderbijslag te weten dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderen moet zijn en geen volledige vergoeding. De leden van de V.V.D.-fractie hadden kennis genomen van de kritiek die vanuit verschillende hoeken is geleverd met name ten aanzien van de vermindering van de kinderbijslag voor in het buitenland verblijvende kinderen. De aan het woord zijnde leden wezen kritiek, als ware de voorstellen discriminerend ten aanzien van de groep buitenlandse werknemers, van de hand. Het beleid van de V.V.D.-fractie was, aldus deze leden, ten principale gericht tegen iedere vorm van discriminatie. Indien deze leden sporen van discriminatie in het onderhavige voorstel hadden aangetroffen dan had de V.V.D.-fractie daarmee niet akkoord kunnen gaan. Het wetsontwerp ging er aldus deze leden vanuit dat alle verzekerden, die in dezelfde situatie verkeerden, gelijk worden behandeld ongeacht hun nationaliteit. Overigens merkten deze leden op dat Nederland ook na invoering van de onderhavige voorstellen in Europees verband nog steeds een uitzonderingspositie inneemt, daar in alle andere EEG-lidstaten wordt vereist dat Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

kinderen ook in dat land woonachtig zijn alvorens men in beginsel recht verkrijgt op kinderbijslag. Deze leden merkten op het eens te zijn met het beginsel dat aan in Nederland werkende werknemers ongeacht de woonplaats van de kinderen, recht op kinderbijslag wordt toegekend. De leden van de V.V.D.-fractie konden zich verenigen met de voorgestelde overgangstermijn van 4 jaar.

Hun in de inleiding van dit verslag opgenomen betoog vervolgend, merkten de leden van de fractie van D'66 op, dat één van de doelstellingen van de kinderbijslag is het aanbrengen van een correctie op de verdeling van de inkomens ten behoeve van gezinnen met kinderen, zodanig dat daardoor gelijke kansen en ontplooiingsmogelijkheden voor kinderen worden bevorderd. Wat wordt precies verstaan onder gelijke kansen en ontplooiingsmogelijkheden als het kinderen betreft die niet in het Rijk woonachtig zijn? Welke normen worden daarbij gehanteerd? Nederlandse normen of op het kind gerichte (internationale) normen? Had het niet voor de hand gelegen de Raad voor het Jeugdbeleid om advies te vragen? Aangenomen wordt, dat in de woonlanden van de kinderen van hier werkende buitenlanders een lager welvaartsniveau bestaat. De leden van de D'66-fractie waren van mening dat het welvaartsniveau wel erg beperkt is opgevat. Hoe ziet het welvaartsniveau van de woonlanden van de belangrijkste categorieën buitenlandse werknemers er uit als gekeken wordt naar de inflatie? Deze leden vroegen derhalve naar de internationale koopkrachtpariteiten. Hun ter beschikking staande gegevens, die slechts een momentopname geven van de internationale koopkrachtpariteiten en geen rekening houden met prijsstijgingen in landen zowel binnen als buiten de EEG, ondersteunen volgens deze leden hun stelling, dat niet zonder meer mag worden uitgegaan van het gegeven, dat in landen als Marokko, Tunesië, Turkije, Griekenland, Joegoslavië en Portugal het leven echt goedkoper is, zeker niet als essentiële zaken als goed onderwijs en goede huisvesting worden meegerekend. De Regering heeft er voor gekozen om voor alle kinderen die niet in Nederland wonen de kinderbijslag op een lager niveau vast te stellen, maar opent daarnaast de mogelijkheid om voor bepaalde landen de kinderbijslag op een hoger bedrag -tot uiteraard maximaal het Nederlandse niveau -vastte stellen. Op grond van welke objectieve gegevens kunnen voor bepaalde landen andere bedragen worden vastgesteld? En zouden objectieve gegevens niet ook tot hogere bedragen dan het Nederlandse niveau aanleiding kunnen geven? Als gekeken wordt naar het welvaartsniveau, waarom kan dan de kinderbijslag wel worden verlaagd, maar niet verhoogd? Is dat niet meten met twee maatstaven? De Regering stelt, dat het verlenen van de op Nederlandse omstandigheden afgestemde kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland wonen tot gevolg heeft dat in die landen een ongelijke situatie ontstaat ten opzichte van andere daar woonachtige kinderen. In hoeverre is dat eigenlijk de zorg van de Nederlandse Regering? Moet uit deze stelling geconcludeerd worden dat het bij gelijke kansen en ontplooiingsmogelijkheden uitsluitend om in Nederland wonende kinderen gaat? Moet dan niet ook de doelstelling van de kinderbijslag geherformuleerd worden? Op objectief te rechtvaardigen gronden mogen, zo stelt de Regering, verzekerden, wier kinderen hier wonen en verzekerden van wie de kinderen buiten Nederland wonen op verschillende wijze worden behandeld. Dat er echt objectief te rechtvaardigen gronden kunnen worden gevonden, laat staan dat die nu al bestaan, waagden de leden van de D'66-fractie ernstig te betwijfelen. Van discriminatie is dan ook naar hun mening wel sprake. Overigens worden alle verzekerden met kinderen in het buitenland wel over één kam geschoren als het gaat om de vraag of zij het door hen in Nederland bereikte welvaartsniveau hebben aangewend of nog willen aanwenden ten behoeve van hun buiten Nederland wonende kinderen. In dit licht bezien kwamen deze leden terug op hun eerder gedane verzoek om een budgetonderzoek onder de betrokkenen.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Ook de SER stelt dat indien als uitgangspunt gekozen wordt voor het welvaartspeil in het land waar het kind woont, voorbijgegaan wordt aan het feit dat het uitgavenpatroon van het betrokken gezin zich door het inkomen van de in het buitenland werkende vader altijd zal wijzigen ten opzichte van het in het betrokken land algemeen geldende patroon en dat een dergelijke wijziging ook de bedoeling is van het buiten het eigen land gaan werken van de vader. Erkent de Regering deze bedoeling van de bedoelde vader? Is de Regering het dan niet met deze leden eens, dat het gewijzigde uitgavenpatroon juist wel wijziging zou kunnen brengen in de kosten van levensonderhoud van de kinderen die elders wonen? Is het niet een gerechtvaardigde wens van vaders die hier werken en hun kinderen in het eigen land hebben, om hun kinderen goed onderwijs te geven, wat elders meestal niet gratis is zoals bij ons? Het voeren van een dubbele huishouding en extra reiskosten geldt inderdaad ook voor buitenlandse werknemers die geen kinderen hebben. Kosten gericht op een betere toekomst van de kinderen, drukken uitsluitend op werknemers met kinderen en horen onder het hoofd ontplooiingsmogelijkheden waarvoor de kinderbijslag bedoeld is. Het zou zelfs opgevat kunnen worden als een indirecte vorm van ontwikkelingshulp. Het maken van uitzonderingen ten aanzien van kinderen die tijdelijk buiten het Rijk woonachtig zijn is opnieuw een vorm van discriminatie die zeker in het licht van de zogenaamd objectieve gronden waarop onderscheid gemaakt zou mogen worden volgens de Regering, niet te rechtvaardigen is. Ernstige bezwaren hadden deze leden tegen het gemak waarmee de Regering over internationale verordeningen en verdragen spreekt. Bij bilaterale verdragen waar in wederzijds overleg afspraken zijn gemaakt, moet toch op zijn minst het overleg geopend worden als tot een afwijking gekomen moet worden, al staat dat niet strikt in het verdrag. Nederland heeft ook morele verplichtingen tegenover een aantal betrokken landen van waaruit arbeidskrachten gestuurd zijn toen in Nederland daaraan behoefte bestond. Artikel 6 van een verdrag nr. 118 van de ILO spreekt over het waarborgen van het genot van gezinsuitkeringen, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door de betrokken leden in gemeenschappelijk overleg vast te stellen. De leden van de fractie van D'66 wilden graag weten hoe en wanneer de Regering het gemeenschappelijk overleg gaat voeren, nu zij de voorwaarden en de grenzen kennelijk eerst zelf wenst vast te leggen. De redenering dat pas na aanvaarding van het wetsontwerp het overleg wordt geopend met betrokken landen omdat dat een betere onderhandelingspositie oplevert, achtten de leden van de D'66-fractie ondeugdelijk. De verlaging van het percentage tot 25 is volgens de Regering al arbitrair en derhalve, naar deze leden aannamen, uit budgettaire overwegingen gekozen. Er moet dan gemarchandeerd worden over de uiteindelijke hoogte waarbij het deze leden onduidelijk was met welke argumenten en gegevens dit marchanderen zou moeten verlopen en waar de Nederlandse Regering uiteindelijk wil uitkomen? Is het zo, dat de uitkomst van het overleg uiteindelijk bepaalt hoeveel de Nederlandse Regering kan bezuinigen? Dat geeft andere landen een oneigenlijke invloed op de omvang van de Nederlandse schatkist. Als dat niet de bedoeling is en Nederland vasthoudt aan 25%, heeft wederzijds overleg weinig zin en kan het bilaterale verdrag ook wel worden opgezegd. Overigens waren deze leden benieuwd naar concretere ramingen over het aantal gezinsherenigingen. Het was hun duidelijk dat dat niet exact te ramen valt, maar aan de hand van enkele hypothetische aantallen zou wellicht kunnen worden aangegeven wat dat ons land aan extra uitgaven bezorgt. Kunnen dergelijke kosten worden aangegeven voor aantallen van 50000 of 100 000 extra kinderen die naar Nederland komen? Denkt de Regering wellicht dat gezinshereniging minder zal plaatsvinden nu uit anderen hoofde de koopkracht van in Nederland werkzame personen, aan het verminderen is?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Hoe is de inkomensverdeling bij in Nederland werkzame buitenlanders met kinderen in het eigen land? Tot slot vroegen deze leden zich met betrekking tot de kinderbijslag voor buitenlandse werknemers af of er overwogen is om analoog aan regelingen in de Bondsrepubliek Duitsland fiscale compensatie te bieden aan de betrokkenen. Zij waren van mening, dat nu men via de belastingen in Nederland meebetaalt aan de Nederlandse onderwijsvoorzieningen, het als onrechtvaardig valt te beoordelen dat men na deze maatregel geen geld meer zal hebben voor het laten volgen van goed onderwijs door de eigen kinderen in het woonland. Ook wilden deze leden nog weten hoe de Regering oordeelt over het Franse systeem, waarbij besparingen op de kinderbijslag voor buitenlandse werknemers met kinderen in het buitenland worden gestort in een fonds ten behoeve van sociale opvang en eventuele remigratie. Een dergelijke constructie zou volgens deze leden te verdedigen zijn, als het wetsontwerp zou worden aangenomen, waarmee deze leden op zichzelf overigens niet gelukkig zouden zijn.

De leden, behorende tot de fractie van de P.S.P. merkten op, dat de Regering op blz. 6 van de memorie van toelichting opmerkt dat het regeringsbeleid zich ten principale richttegen iedere vorm van discriminatie. Zou de Regering, indien dat werkelijk tot uitgangspunt genomen wordt, in dat geval zich niet juist dienen te onthouden van wetsontwerpen, waarin onderscheid gemaakt wordt tussen verschillende groepen werknemers? Zou het Regeringsbeleid in dat geval niet juist gericht moeten zijn op het wegnemen van reeds bestaande ongelijkheden op allerlei maatschappelijke terreinen tussen in Nederland woonachtige buitenlanders en Nederlanders? Het onderdeel van het nu voorliggende wetsontwerp, waarin de kinderbijslag voor in het buitenland woonachtige kinderen beperkt wordt, is naar de mening van de leden van de fractie van de P.S.P. in de kern discriminerend, zoals dat ook het geval was met bepalingen in de wet op de eenmalige uitkering, waarin ongelijke behandeling van buitenlandse en Nederlandse werknemers vervat was. Maar zelfs indien de Regering met deze leden over het discriminerend karakter van het ontwerp van mening zou blijven verschillen, erkent de Regering in dat geval dan dat het indienen van dit soort voorstellen, waarin onderscheid gemaakt wordt tussen buitenlandse en Nederlandse werknemers op zijn minst de suggestie van ongelijkheid tussen beiden wekt? Wordt dat niet versterkt door het feit dat uitzonderingen gemaakt worden voor enkele categorieën in het buitenland verblijvende kinderen van Nederlandse ouders? Beseft de Regering, dat de suggestie van ongelijkheid die met dit wetsontwerp gewekt wordt, inspeelt en versterkend werkt op groeiende racistische tendensen en vooroordelen in onze samenleving? Al vóór het indienen van het wetsontwerp, maar ook daarna, zijn verschillende indringende, goed gemotiveerde en fel afwijzende commentaren van maatschappelijke organisaties verschenen. De leden van de fractie van de P.S.P. konden zich in het algemeen met de inhoud van die commentaren verenigen. Dankbaar zouden deze leden in de verdere behandeling van het wetsvoorstel gebruik maken van de talloze argumenten van allerlei aard, die in die commentaren geleverd worden. Moeiteloos zou deze bijdrage vele bladzijden kunnen beslaan indien alle vragen en tegenargumenten herhaald zouden worden. De leden van de fractie van de P.S.P. volstonden echter met het vragen van een uitgebreid en omvattend commentaar van de Regering op met name de brieven van het Nederlands Centrum Buitenlanders, dd. 13-8-'82, de Raad van Kerken, dd. 25-10-'82, de LSOBA, dd. 2-12-'82 en de FNV, dd. 6-12-82. De leden van de fractie van de P.S.P. wensten commentaar op alle door deze organisaties naar voren gebrachte aspecten en argumenten, en behielden zich het recht voor om in het eindverslag zonodig alle niet behandelde aspecten te herhalen.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Zo het al mogenjK is nog enige positieve aspecten in het verwerpelijke wetsontwerp te ontdekken, dan zou dat de bereidheid van de Regering moeten zijn om blijkbaar een soort «welvaartscriterium» of «uitgavenpatrooncriterium» in de kinderbijslag in te voeren. In het voorliggende wetsontwerp worden die criteria gebruikt om verlaging van kinderbijslag te motiveren, verlaging alleen voor buitenlanders. Nu het welvaartsniveau als criterium voor kinderbijslag echter ingang heeft gevonden bij de Regering, moet het op afzienbare termijn mogelijk en bespreekbaar zijn de gehele kinderbijslag naar welvaartsniveau, of inkomensniveau, te herstructureren en op te trekken. De leden van fractie van de P.S.P. wachtten met belangstelling voorstellen in die richting af.

De leden behorend tot de fractie van de S.G.P. zouden over de onderhavige nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet het volgende willen vragen en opmerken. Met het ten volle inhoud willen geven aan één van de meest wezenlijke uitgangspunten van de kinderbijslag, te weten dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in kosten van kinderen moet zijn en geen volledige vergoeding of zelfs meer dan dat, konden deze leden van harte instemmen; dit geldt temeer waar wordt gesteld dat voor de ouders een eigen financiële verantwoordelijkheid blijft bestaan. Een aangelegen punt is de stelling dat het gerechtvaardigd is de kinderbijslag voor kinderen, die wonen in landen met een lager welvaartsniveau dan het Nederlandse op een lager peil te stellen dan de in Nederland geldende kinderbijslagbedragen. Gaat die redenering niet mank als kan worden opgemerkt dat de hoogte van de kinderbijslag bij Nederlanders juist niet afhankelijk wordt gesteld van het welvaartsniveau? Waarom wordt dit criterium dan wel ingevoerd voor in het buitenland wonende kinderen? Moet het thans voorliggende wetsontwerp daarom niet meer worden geplaatst in het kader van de noodzakelijke ombuigingen? Waarom wordt niet aangetoond, dat een lager welvaartsniveau ook minder kosten met zich meebrengt die een gezin moet maken om «gelijke kansen en ontplooiingsmogelijkheden te realiseren»? In hoeverre zeggen de verstrekte cijfers over het bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking en het gemiddeld arbeidsinkomen per werknemer iets over de kosten van levensonderhoud? Moet daartoe niet ten minste een vergelijkend overzicht van de kosten worden geproduceerd? Want het kan toch niet worden ontkend, dat het ontbreken van voldoende gegevens over de mate waarin de uitgaven voor kinderen in de verschillende landen afwijken van die voor in Nederland wonende kinderen onmiskenbaar tot de conclusie leidt, dat elke verlaging van de kinderbijslag voor kinderen in het buitenland voorbarig is en in strijd met de vereiste zorgvuldigheid, zo vroegen de leden behorend tot de fractie van de S.G.P. Bijzondere uitgaven die buitenlandse werknemers hebben, zoals kosten van een dubbele huishouding en extra reiskosten worden afgedaan met het argument dat die uitgaven ook gedaan moeten worden door buitenlandse werknemers die geen kinderen hebben, zodat een «compensatie» daarvoor via de kinderbijslag niet in de rede ligt. Dit kwam de leden van de S.G.P.-fractie voor als een erg theoretisch argument. Zijn er cijfers over het aantal gehuwde buitenlandse werknemers zonder kinderen, van wie de vrouw nog in het woonland verblijft? Zal het onderhavige voorstel de remigratie van arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers niet belemmeren? Nu kunnen immers buitenlandse werknemers met een WAO-uitkering remigreren met behoud van de uitkering, terwijl bij een arbeidsongeschiktheid van meer dan 45% het recht op kinderbijslag blijft bestaan. Als echter in fasen de kinderbijslag zal worden gekort tot 25% zullen zij dan niet eerder hun gezinnen naar Nederland halen?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Zullen de werkloze buitenlandse werknemers niet onevenredig hard worden aangepakt door de voorgestelde maatregel? Voor hen bestaat immers geen mogelijkheid om door gezinshereniging de vermindering van de kinderbijslag te ontlopen. En om de ernst van deze probleemgevallen te onderstrepen: schommelt het percentage werklozen onder de buitenlandse werknemers niet rond de 20%? Op de vraag of bij een vermindering van kinderbijslag voor kinderen, die niet in Nederland wonen, ook de premie voor de kinderbijslag zou moeten worden gedifferentieerd, wordt geantwoord dat dit niet het geval dient te zijn omdat daarmee een, vanuit het karakter van de Algemene kinderbijslagwet bezien, ongewenste relatie zou worden gelegd tussen de hoogte van de -door de werkgever te betalen -premie en het bedrag van de te ontvangen kinderbijslag. De leden behorend tot de fractie van de S.G.P. zouden gaarne nader verduidelijkt willen zien op welke ongewenste relatie hier wordt gedoeld? Met welke landen zijn verdragen afgesloten waarin het woonland van het kind de betaling van de kinderbijslag naar lokaal niveau op zich heeft genomen? Vallen hier alle landen van de Europese Gemeenschap onder, alsmede de landen waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten op het terrein van de sociale zekerheid? De leden van de fractie van de S.G.P. waren het met de Regering eens dat de hoogte van het minimumniveau een arbitraire aangelegenheid is. Is dat ook het geval in de Duitse en Belgische regelingen waaraan wordt gerefereerd? Worden in zojuist genoemde landen de kosten van levensonderhoud in de landen waaruit de buitenlandse werknemers afkomstig zijn wel in de geëxporteerde kinderbijslagen verdisconteerd? Kan ook nader worden aangegeven waarom West-Duitsland sinds 1 januari de bijslagbedragen van de in het buitenland verblijvende kinderen niet meer heeft verhoogd? Ten aanzien van de internationale regelingen inzake het recht op kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen rijst de kardinale vraag in hoeverre deze verdragen zich inderdaad lenen voor een verlaging van de kinderbijslag voor de niet in werkland woonachtige kinderen? De leden van de fractie van de S.G.P. zouden hieromtrent gaarne de reactie van de bewindslieden willen vernemen op de tegenwerpingen die zijn gemaakt door de Stichting Nederlands Centrum Buitenlanders? Wanneer kan het streven van de Nederlandse Regering om uiteindelijk te komen tot een regeling, die uitgaat van het woonlandbeginsel binnen de Europese Gemeenschap, worden gerealiseerd? Wanneer zal het kabinet aan de regeringen van Zwitserland en Oostenrijk voorstellen om de verdragen met deze landen in die zin te wijzigen dat ook hier het woonlandbeginsel tot uitdrukking komt? Kan nog eens nader uit de doeken worden gedaan waarop de conclusie is gebaseerd dat voor kinderen die in de ander verdragslanden wonen wel een beperking van de ingevolge de Algemene kinderbijslagwet verschuldigde bedragen is toegestaan? Inzake de gezinshereniging wordt gesteld dat hier te lande personen verblijven, die het voornemen hebben hun verdere toekomst in Nederland op te bouwen, zodat mag worden verondersteld, dat deze personen te zijner tijd hun gezin zullen laten overkomen. Niet ondenkbaar is dat door de voorgestelde maatregel voor deze categorie de gezinshereniging zal worden versneld. Waarom kunnen voor deze categorie de effecten van de voorgestelde maatregel op de gezinshereniging niet worden gepeild? Zijn daartoe ook pogingen in het werk gesteld? Of wordt daarbij op voorhand van afgezien? De omvang van de ombuigingen is wel een hoofdstuk apart, maar heeft wel alles uitstaande met de voorgestelde maatregel. Zij is relatief gering, al zegt dat niet alles. Toch rijst de vraag, als wordt opgemerkt dat het aantal in het buitenland wonende kinderen van in Nederland werkende verzekerden door demografische aspecten gestaag zal afnemen, of de besparingseffecten structureel gezien niet op een steeds lager pitje zullen komen te staan? De Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

leden van de fractie van de S.G.P. zullen hierover van de bewindslieden gaarne een nadere prognose tegemoet willen zien? Want het ligt toch niet in de bedoeling dat alleen op de korte termijn wordt gespeculeerd?

De leden van de C.P.N.-fractie waren van mening dat in de tekst van het wetsontwerp ter nadere wijziging van de Algemene kinderbijslagwet en de memorie van toelichting daarop beschamend weinig is terug te vinden van de opmerkingen, vragen en kritiek die door organisaties, adviesorganen e.d. vanaf het moment van de adviesaanvragen ter voorbereiding van dit ontwerp in juli 1982 zijn aangedragen. Zowel in de schriftelijke commentaren als ook op de door de commissie in december 1982 gehouden openbare hoorzitting waren volgens de leden van deze fractie opmerkingen gemaakt die niet afgedaan kunnen worden zoals in de memorie van toelichting gebeurt (blz. 6) met «begrip voor... diepe bewogenheid ...». De leden van deze fractie zouden daarom alsnog duidelijkheid krijgen over een aantal problemen die door met name de stichting Nederlands Centrum Buitenlanders, de Raad van Kerken en LSOBA, maar ook door de FNV en de werknemersvertegenwoordigers in de SER zijn aangeroerd en uitgewerkt. Dit geldt vooral twee aspecten van het voorstel de kinderbijslag voor in het buitenland verblijvende kinderen te verlagen, namelijk de uitgangspunten van het wetsontwerp over het welvaartspeil in andere landen en de relatie tussen dit wetsontwerp en internationale verdragen. Kunnen de bewindslieden aangeven, zo vroegen deze leden, of er inmiddels meer inzicht bestaat in de kosten van levensonderhoud, vooral naar aanleiding van de opmerkingen die op eerder genoemde hoorzitting zijn gemaakt, maar ook in de schriftelijke commentaren zijn terug te vinden, als zou het uitgangspunt van de bewindslieden niet kloppen. In dit kader wilden deze leden er op wijzen, dat een toetsing van een eventuele wijziging van bestaande regelingen wel dient te geschieden op grond van concrete en juiste gegevens en niet op vermoedens. Dit afgezien van de vraag of het terecht is de hoogte van de kinderbijslaguitkeringen te binden aan het welvaartspeil. Een dergelijke benadering is volgens deze leden niet terecht. Wat zou een dergelijke benadering betekenen in de Nederlandse situatie? Ook op dit aspect is door verschillende organisaties gewezen. Wat betreft de internationale verdragen zouden de leden van de C.P.N.-fractie graag vernemen of inmiddels meer duidelijkheid is verkregen over de verhouding van dit wetsontwerp en die verdragen. Dit blijkt onvoldoende uit de memorie van toelichting, zo oordeelden zij.

De leden van de fractie van de P.P.R. hadden met verontrusting kennis genomen van het voorstel de kinderbijslag afhankelijk te stellen van het land waar het kind woont. De Regering hanteert daarbij het uitgangspunt, dat de uitgaven voor kinderen die in het buitenland verblijven -met name in de landen waar veel buitenlandse werknemers vandaan komen -in het algemeen geringer zijn dan die voor kinderen in Nederland. Dit impliceert echter wel, aldus deze leden, dat het beginsel wordt doorbroken, dat onderdanen van andere landen die ingevolge de Nederlandse wetgeving zijn verzekerd, dezelfde rechten en plichten hebben op het punt van de sociale verzekering als de Nederlanders. Zij achtten dit wetsontwerp een precedent waaraan zeer kwalijke gevolgen kunnen worden verbonden. Deze leden wezen er op, dat de alhier werkzame buitenlandse werknemers gekozen hebben om in Nederland te gaan werken teneinde hun welvaartspositie en die van hun gezinnen te verhogen. De kinderbijslag vormt daartoe een instrument. Na een reeks van jaren wordt nu één van de factoren, die een bijdrage levert aan de verhoging van de welvaartspositie van de gezinnen van de buitenlandse werknemers teniet gedaan. In feite wordt daarmee één van de motieven om in Nederland te gaan werken -na een intensieve wervingscampagne in het land van herkomst -ondergraven. Het bieden van goede ontwikkelings-en ontplooiingsmogelijkheden voor de kinderen vergen extra uitgaven waarvoor, in de betreffende wervings-Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

landen, veelal de ouders moeten opdraaien en waarvan niet, zoals in Nederland, de samenleving in haar geheel de financiële lasten draagt. In dit verband biedt de vergelijking tussen het bruto nationaal produkt en het gemiddeld arbeidsinkomen per werknemer tussen enerzijds Nederland en anderzijds een aantal verdragslanden onvoldoende houvast om de kosten van levensonderhoud tussen een (onvolledig) gezin in Nederland en één in een verdragsland te vergelijken. Het bruto nationaal produkt en het gemiddeld arbeidsinkomen zeggen niets over de verdeling daarvan per hoofd van de bevolking, noch over de kosten van levensonderhoud of de kosten van kinderen (opvoeding, onderwijs, gezondheidszorg) en tenslotte ook niets over de mate van inflatie. Zonder een nadere specificatie van de kosten van levensonderhoud, konden deze leden de door de Regering gegeven cijfers, niet beoordelen. Een zo drastische daling van de kinderbijslag als in het wetsontwerp wordt voorgesteld zal ontegenzeggelijk nadelige gevolgen hebben op de uitgaven voor de opvoeding -in de brede zin van het woord -van de kinderen in de verdragslanden. Dit komt uiteindelijk de ontwikkeling van die landen zelf ook niet ten goede. Deze leden vroegen dan ook of de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking expliciet haar oordeel wil geven over de sociale en economische gevolgen voor de desbetreffende verdragslanden van de voorgenomen reductie van de kinderbijslag tot 25% van het Nederlandse niveau. Het terugbrengen van de kinderbijslagbedragen tot uiteindelijk 25% van het Nederlandse niveau wordt door de Regering, naar de mening van deze leden, vooral gerechtvaardigd uit een vergelijking met het kinderbijslagniveau voor buitenlandse werknemers in België en West-Duitsland en niet door een verantwoorde afweging van de kosten van levensonderhoud in de verdragslanden. Zij betreurden dit omdat op deze manier een toevalstreffer (25%) uitgangspunt van beleid wordt. Waarom dan niet, consequent doorgedacht, de kinderbijslag geheel afgeschaft, zodat een vergelijking met Turkije gemaakt kan worden, en vervolgens de onderhandelingen met de verdragspartners vanuit een nulpositie kan worden gestart? Vanzelfsprekend pleitten deze leden daar niet voor, doch zij zeiden met dit voorbeeld slechts te willen aantonen hoe arbitrair de keuze van de Regering is. Dit bracht de leden op de internationale regelingen inzake het recht op kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen. Moeten, zo vroegen de leden van deze fractie, de bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid met Joegoslavië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië en Turkije, zo worden begrepen, dat de kinderbijslag moet worden verleend krachtens een Nederlandse regeling of krachtens de voor in Nederland woonachtige kinderen geldende regeling? Uit de memorie van toelichting was dit niet duidelijk geworden. Overigens neemt in dezen Spanje een aparte positie in als toekomstig lid van de EEG. Wat gaat de betreffende EEG-verordening 1408/71 dan betekenen? De leden van de P.P.R.Tractie vonden het van minachting ten aanzien van de verdragsstaten getuigen indien, na aanpassing van de Nederlandse wetgeving, te zijner tijd met deze landen bilateraal overleg wordt gevoerd. Huns inziens kunnen de verdragsstaten Nederland voor de (internationale) rechter dagen als niet vooruitlopend op, of onmiddellijk volgend op de wijziging van de Nederlandse wetgeving de onderhandelingen over wijziging van de bilaterale verdragen wordt geopend. Dit wetsontwerp betekent immers een ingrijpende materiële wijziging van de verdragen die door Nederland zijn gesloten met Joegoslavië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië en Turkije. Eenzijdig openbreken daarvan leek deze leden niet geoorloofd te zijn. Graag vernamen zij de mening van de Regering hierover. Vervolgens verzochten deze leden de Regering om expliciet een reactie te vragen aan de Internationale Arbeidsorganisatie over het voornemen tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Met betrekking tot de overgangsregeling en de inkomenseffecten merkten deze leden op, dat, hoe de presentatie ook is, er in alle gevallen sprake is van een verregaande koopkrachtdaling, vooral voor de minima. Een overgangsregeling van 4 jaar, afgezien van de rechtvaardiging van de regeling als zodanig, achtten deze leden dan ook te kort. Voor de overgang van een leeftijdsafhankelijke naar een inkomensafhankelijke kinderbijslag, waarbij geen sprake is van een inkomensachteruitgang zoals in dit wetsontwerp wordt voorgesteld, is zes jaar uitgetrokken. Deze leden begrepen niet dat minimaal een zelfde overgangsperiode is aangehouden voor deze korting op de kinderbijslag. Graag vernamen zij hierover de reactie van de Regering. Het effect van de voorgenomen wijziging van het stelsel op de gezinshereniging, is niet exact te voorspellen aldus dezelfde leden. Zij vroegen daar dan ook niet naar. Maar de wijze waarop in de memorie van toelichting op deze zaak was ingegaan, had hen niet bevredigd. Op z'n minst moeten er toch enige vraagtekens worden geplaatst bij het veronderstelde budgettaire effect van de gehele operatie. Dat de voorgenomen wijziging van het kinderbijslagstelsel invloed heeft -zeker op het tempo van gezinshereniging -lijkt aannemelijk. Afgezet tegen de op de lange termijn ontstane besparingseffecten op het kinderbijslagstelsel wegens de demografische aspecten en het feit dat er geen of haast geen nieuwe werving van buitenlandse werknemers plaatsvindt, zijn de veronderstelde besparingseffecten, aldus deze leden, uiterst twijfelachtig. Overigens, zo stelden deze leden, past het verder oprekken van de overgangsregeling in de gedachte van de Regering dat de overgangsregeling een dempend effect zal hebben op de gezinshereniging.

Na lezing en overweging van de voorstellen konden de leden van de R.P.F, fractie de billijkheid inzien van het in de samenleving zo fel gekritiseerde voorstel de kinderbijslagbedragen aan werknemers, wier kinderen in het buitenland wonen, terug te brengen tot een lager niveau. Zij vroegen zich evenwel af, waarom pas nu de beoogde bijstelling plaatsvindt en niet eerder, aangezien de aangevoerde argumenten al vele jaren geldingskracht hebben. In de memorie van toelichting wordt, wat de uit te keren bedragen betreft, verwezen naar de situatie in West Duitsland en België. Hoe verhouden zich de premies kinderbijslag in die landen met die in Nederland? Voorts wilden de leden van de R.P.F.-fractie weten in hoeverre er enige waarheid schuilt in de nog al eens gehoorde bewering, dat het aantal voor kinderbijslag opgegeven kinderen niet klopt met het werkelijke aantal eigen kinderen in het woonland. Hoe is de controle op dit punt geregeld met in-achtneming van de in Nederland geldende wettelijke bepalingen? Nu het kabinet voorstelt de kinderbijslagen aan kinderen in het buitenland drastisch in te perken, is de vraag gewettigd of al die kinderen terecht over één kam worden geschoren. Moet er geen rekening worden gehouden met het feit dat de onderhoudskosten van kinderen in grote steden stellig hoger zullen zijn dan op het platteland? Is het voorts niet denkbeeldig, zo vroegen de leden van de R.P.F.-fractie, dat gezinnen met studerende kinderen, gelet op aangegane verplichtingen, in problemen kunnen komen, nu de beschikbare bedragen sterk worden gereduceerd? Is er een mogelijkheid een hogere uitkering te ontvangen als kan worden aangetoond, dat de onderhoudskosten hoger zijn dan het gemiddelde dat voor het betreffende land is vastgesteld? Het alternatief B laat ruimte om de uitkeringen per land van herkomst te verhogen, maar zijn er ook aanpassingen op individuele basis denkbaar? De aan het woord zijnde leden beseften, dat een percentage van 25 arbitrair is, maar ongetwijfeld zal dat percentage ergens op stoelen. Is de conclusie gewettigd, dat door de bank genomen de onderhoudskosten in het woonland van buitenlandse werknemers gemiddeld 75% lager liggen?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Zo ja, moet dan niet worden geconstateerd dat de buitenlandse werknemer met kinderen in de afgelopen jaren in sterke mate positieve discriminatie heeft ervaren? Geldt de per 1 januari van kracht geworden kinderbijslagregeling ten behoeve van 16-en 17-jarige werkloze jongeren ook voor die kinderen in het woonland van de buitenlandse werknemer?

De fractie van de Centrumpartij merkte op, dat bestaande rechten op kinderbijslag slechts mogen leiden tot daadwerkelijke uitbetalingen, indien dezelve rechten zijn vastgesteld en erkend door Nederlandse ambtenaren. Deze fractie vreesde dat door de zeer hoge bedragen van kinderbijslag ten opzichte van de salarissen van de ambtenaren van Burgerlijke Stand (zo al aanwezig) in de landen van herkomst van buitenlandse werknemers rond de Middellandse Zee oneigenlijke aanmelding van kinderen niet kan worden uitgesloten. De fractie van de Centrumpartij meende dat ons sociaal verzekeringsstelsel niet kan en mag worden gebruikt als verkapte ontwikkelingshulp. Kinderbijslaguitkeringen, uitgekeerd in het buitenland worden niet in Nederland besteed. Het gaat om enorme bedragen die jaarlijks naar het buitenland vloeien. Kan de Regering zeggen, om welk bedrag het gaat als wordt gesproken van de kinderbijslaguitkeringen gedaan in 1982 voor kinderen in Turkije en Marokko? De fractie van de Centrumpartij vond dan ook, dat deze uitkeringen, aangepast aan de kosten van levensonderhoud ter plaatse, moeten worden gedaan uit de fondsen voor ontwikkelingshulp en niet uit het sociaal verzekeringsstelsel, subsidiair dat het bedrag, dat uit het sociaa' ?zekeringsstelsel wordt overgemaakt naar het buitenland, althans de lauden van herkomst van buitenlandse werknemers uit ontwikkelingslanden in mindering moet worden gebracht op het budget voor ontwikkelingshulp.

De G.P.V.-fractie achtte het begrijpelijk, hoewel niet per definitie juist, indien voor mogelijke ombuigingen in de sfeer van de kinderbijslag, gekeken wordt naar die gevallen waarin de kinderbijslag meer bedraagt dan de feitelijke kostenvan levensonderhoud. De eigen verantwoordelijkheid van de ouders mag in zijn algemeenheid inderdaad niet geheel worden weggenomen door een relatief te hoog kinderbijslagbedrag. Het is echter de vraag in hoeverre de wetgever met alle omstandigheden rekening moet houden die er toe kunnen leiden dat aan dit uitgangspunt niet wordt voldaan. Op een zichzelf bedruipend landbouwbedrijf binnen Nederland zullen de feitelijke kosten van levensonderhoud voor kinderen aanmerkelijk geringer zijn dan bij een vergelijkbaar werknemersgezin in een grote stad in het westen van het land. Terecht houdt de wetgever daarmee geen rekening. De kinderbijslag is van oorsprong een verzekering waarbij een aantal objectieve factoren de hoogte bepaalt van het bedrag waarop men aanspraak kan maken. Is «subjectieve» besteding van dit bedrag voor de wetgever niet volstrekt irrelevant? Ook bij andere sociale verzekeringen en bij particuliere verzekeringen wordt toch weinig of in het geheel niet met dergelijke subjectieve omstandigheden rekening gehouden? Deze fractie wilde hiermee niet gezegd hebben dat behoefte-elementen geen rol zouden mogen spelen bij de sociale zekerheid. Integendeel, het stelsel van de kinderbijslag is juist de vormgeving van het behoefte-element bij de inkomensvorming. Het scheppen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor werknemers met en werknemers zonder kinderen was de ratio voor de invoering van de oorspronkelijke kinderbijslagregeling. Voor een werkgever dient het niet uit te maken of een werknemer geen, weinig of veel kinderen heeft. Daarom betaalt hij ook voor allen hetzelfde premiepercentage. De feitelijke kosten voor de kinderen zijn voor de werkgever ook van ondergeschikt belang. Dienen daarom ook alle verzekerden in principe niet gelijke aanspraken te hebben op vergelijkbare uitkeringsbedragen?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

De G.P.V.-fractie had verder ook moeite met het voorstel omdat op een vrij willekeurige wijze elementen van de kosten per kind in theorie in het systeem worden ingebracht. Een consequente doorvoering van dit beginsel zou ertoe leiden dat hogere inkomens een hoger kinderbijslagbedrag zouden krijgen. Is dit niet het spiegelbeeld van het voorstel dat nu wordt gedaan? Als men de kinderbijslag wil korten voor die streken waar de kosten per kind zoveel lager liggen, dan zal men dit ook consequent moeten doen. Zijn er in de zuidelijke regionen van de EG geen streken waar het kostenniveau op een vergelijkbaar laag niveau ligt als de gebieden die nu in aanmerking komen voor de lagere kinderbijslag? Zijn de bewindslieden overigens niet van oordeel dat het vasthouden aan de fictie dat ambassadepersoneel zich op Nederlands grondgebied bevindt, in dit geval wel heel erg willekeurig uitwerkt? Zou de regeling niet aanvaardbaarder worden wanneer in ieder geval deze uitzondering zou vervallen? Een regeling zou ook consistent kunnen zijn wanneer voor alle gebieden buiten de Nederlandse grenzen eenzelfde regime zou gelden. Het percentage zou dan voor al die gebieden gelijk zijn en kunnen variëren van 0 tot 50. Wat zou het ombuigingsresultaat zijn bij hantering van deze percentages en de tientallen daartussen? Welke mogelijkheden heeft ons land om ook zelfstandig het woonlandprincipe toe te passen binnen de EG? Ten slotte achtte deze fractie de kans op toeneming van de gezinshereniging om financiële redenen een overweging om voorzichtigheid te betrachten bij het al te rigoreus korten op de kinderbijslag voor in het buitenland woonachtige kinderen. Is ook overwogen om bij de bepaling van de lagere kinderbijslagbedragen elementen van de gezinswelvaartstheorie te hanteren. In ons land wordt er immers van uitgegaan dat de kinderbijslag ertoe dient om een gezin met kinderen niet meer dan 20% te laten zakken onder het welvaartsniveau van een gezin zonder kinderen, met een vergelijkbaar inkomensniveau. Tot welke uitkomsten zou hantering van dit uitgangspunt hebben geleid?

  • Afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen

De Regering betoogt ook in dit verband zo merkten de leden van de P.v.d.A.Tractie op, dat de belangrijkste voorstellen in het wetsontwerp erop gericht zijn, ten volle inhoud te geven aan het uitgangspunt, dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderen moet zijn en geen volledige vergoeding of zelfs meer dan dat. Deze leden voerden aan, dat de gehele SER in zijn interim-advies van 7 april 1981 over de leeftijdsafhankelijke kinderbijslag de opvatting had neergelegd, dat voor de huishoudkinderen de bestaande situatie vooralsnog gecontinueerd diende te worden en wel totdat hiervoor in het kader van de (advisering over) de definitieve structuur een oplossing zou zijn gevonden. Nu de Regering in haar adviesaanvraag van 22 juli 1982 de SER heeft verzocht de advisering over deze categorie kinderbijslagkinderen naar voren te halen gezien de klemmende noodzaak tot ombuigingen, en nu in de memorie van toelichting ten aanzien van de kinderbijslag voor huishoudkinderen niet wordt aangegeven hoe aan bovenaangehaald uitgangspunt terzake recht is gedaan, zouden deze leden alsnog uiteengezet willen zien, waarom de kinderbijslag voor huishoudkinderen volgens de bestaande wetgeving niet aan het criterium zou voldoen, dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderen dient te zijn, alsmede op welke manieren in het onderhavige wetsontwerp daaraan tegemoet wordt gekomen. Deze leden voegden hieraan toe de mening te delen van die leden van de SER, die van oordeel zijn dat recht op kinderbijslag vooralsnog behoort te worden gehandhaafd omdat er weliswaar een groot aantal regelingen bestaat, maar deze nog niet voldoende beschikbaar zijn voor degenen, die behoefte hebben aan gezinshulp. Ook de Raad van State heeft gewezen op de negatieve gevolgen van de voorgestelde maatregel voor het voorzien in de behoefte aan gezinshulp.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Hoe kan de Regering beweren, zo vroegen deze leden, dat de voor afschaffing noodzakelijke voorwaarden wel zijn vervuld en hoe kan zij het vervolgens betreuren dat het kan voorkomen, dat ondanks een indicatiestelling, gezinshulp niet wordt geboden, wanneer de betrokken instelling als gevolg van een tekort aan subsidiegelden of aan personeel niet aan de hulpvraag kan voldoen? Hoe denkt de Regering hierin wel te voorzien, mede gelet op de nog steeds -mede door maatregelen van dit Kabinet -verminderde omvang van de gezinshulp? Overigens zagen deze leden graag toegelicht, waarom wordt voorgesteld het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen, maar het recht op medeverzekering krachtens de Ziekenfondswet naar de mening van het kabinet dient te worden gehandhaafd. Graag zouden deze leden tevens alsnog vernemen, op welke wijze de Regering zulks wetstechnisch verwezenlijkt zou willen zien. Het had deze leden verbaasd, dat de Regering in de memorie van toelichting in het geheel niet getreden was inde puntsgewijze argumentering van de Emancipatieraad in diens advies dd. 26 oktober 1982 met betrekking tot het oordeel van de Raad, dat op dit moment niet van een emancipatoir effect van de maatregel gesproken kan worden. Deze leden drongen erop aan, gelet op de betekenis van het advies van de Raad en het gewicht van de daarin gebezigde argumenten, dat de Regering ter zake alsnog een standpunt zou formuleren. Het was deze leden voorts volstrekt onduidelijk, hoe de Regering van mening kan zijn, dat in zijn algemeenheid kan worden voldaan aan de vier voorwaarden, die naar het oordeel van de Emancipatieraad vervuld zouden moeten worden, alvorens tot afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen zou kunnen worden overgegaan. Met name wezen deze leden op de door de Raad genoemde eis, dat het huishoudkind bij inschrijving bij het arbeidsbureau als werkhoekende recht op een RWW-uitkering krijgt, in het licht van de -ook door de Regering gememoreerde en inmiddels door het parlement aanvaarde -maatregel ten aanzien van 16-en 17-jarige werklozen. Hoe verhoudt zich overigens -aldus deze leden -de voorgestelde maatregel met name ten aanzien van 16-en 17-jarigen, tot de toetsingscriteria, die ter sprake zijn gebracht tijdens de parlementaire behandeling van wetsontwerp 17697? Wat de inkomenseffecten betreft, achtten deze leden een nadere uiteenzetting van de Regering dringend geboden, nu deze in de memorie van toelichting opmerkt, dat deze effecten kunnen worden gemitigeerd onder meer omdat een recht op een RWW-uitkering kan ontstaan en de hierboven vermelde maatregel ten aanzien van 16-en 17-jarige werklozen, zoals tijdens de parlementaire behandeling van de desbetreffende maatregel is uiteengezet, zeer ernstige, negatieve inkomenseffecten teweegbrengt.

Hadden de leden van de C.D.A.-fractie zich in dit voorlopig verslag vooralsnog zeer kritisch opgesteld met betrekking tot het voorstel de hoogte van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen te beperken, zij waren bereid nu medewerking te verlenen aan het thans afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen. Met de Regering onderkenden zij dat de maatschappelijke opvattingen omtrent het verzorgen van het huishouden door één der kinderen sinds het recht op kinderbijslag voorde betreffende kinderen destijds werd ingevoerd vrij ingrijpend gewijzigd zijn. Bovendien zijn sindsdien, gelijk de SER in het desbetreffende advies van 19 november 1982 duidelijk aangeeft een aantal regelingen getroffen, die alles bijeengenomen wel moeten voeren tot de conclusie dat ten principale de rechtsgrond hieraan is komen te ontvallen. Erkend moet weliswaar worden dat zich als gevolg van het doen vervallen van dit recht in een -zagen zij het goed -overigens beperkt aantal gevallen problemen zullen kunnen voordoen, de Algemene kinderbijslagwet kan niet langer het instrument zijn om daarin te voorzien. Wel realiseerden zij zich, afgaande op de gegevens van de Raad van Arbeid te Utrecht vermeld Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

in par. 4.2.5 van het SER-advies van 19 november 1982, alsmede op het vermelde in par. 4.2.9 daarvan, dat als gevolg van deze wetswijziging ook de aanspraken van ca. 3000 huishoudkinderen (5000 telkinderen) die in het buitenland verblijven en nagenoeg allen tot de gezinnen van hier werkzame buitenlandse werknemers behoren, zullen komen te vervallen. Waar het hier echter een algemene maatregel betreft die evenzeer de huishoudkinderen van in Nederland wonende gezinnen betreft kan daartegen uit dien hoofde, anders dan tegen het voornemen de hoogte van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen te beperken, geen bezwaar worden gemaakt. Met de Regering deelden zij de opvatting dat de huidige financieel-economische situatie het rechtvaardigt de afschaffing van dit recht thans te doen ingaan, zij het, dat zij zich afvroegen of, nu dit wetsontwerp eerst thans in behandeling kon worden genomen de ingangsdatum vermeld in artikel V van het wetsontwerp niet daaraan dient te worden aangepast. Zij deelden de mening van de Regering dat in zijn algemeenheid aan de voorwaarde die de Emancipatieraad in zijn advies van 26 oktober 1982 stelt om die afschaffing aanvaardbaar te doen zijn vanuit emancipatoir beleid kan worden voldaan. Vanuit de veronderstelling dat het daarbij ook zal gaan om een niet gering aantal huishoudkinderen in reeds in Nederland gevestigde gezinnen van buitenlandse werknemers zouden zij er bij de Regering op willen aandringen bijzondere aandacht te doen besteden aan de voorlichting speciaal aan deze groep gezinnen. Niet onbekend is immers dat de positie van met name ook de hier bedoelde huishoudkinderen in deze gezinnen nog sterk bepaald wordt door het cultuurpatroon van het land van herkomst. Zij vroegen of de Regering bereid is te bevorderen, dat in samenspel tussen de uitvoeringsorganen en het Nederlands Centrum Buitenlanders, alsmede andere organen die het welzijn van de gezinnen van buitenlandse werknemers behartigen, op deze groep huishoudkinderen en hun ouders gerichte voorlichting tot stand komt.

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen de Regering meer inzicht te verschaffen in de gezinssituatie van de circa 8000 huishoudkinderen. Ook waren deze leden geïnteresseerd in het antwoord op de vraag wat de verdeling is tussen de groepen «verzorging» en «mede verzorging». Bestaat er, zo vroegen deze leden voorts, naast de bestaande voorzieningen en financiële tegemoetkomingen, nog een duidelijke noodzaak tot aanvullende maatregelen? Deze leden vroegen zich af of er een meer gespecificeerd inzicht bestaat in de leeftijd en het opleidingsniveau van de betrokken groep. De leden van de V.V.D.-fractie zetten enige vraagtekens bij de geschatte bezuiniging als gevolg van de afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen. Was het gevaar niet erg groot, zo vroegen deze leden, dat velen als gevolg van deze maatregel een beroep zouden gaan doen op de RWW? Werden door deze maatregelen, zo vroegen deze leden, niet met name alleenstaande mannen gedupeerd als gevolg van het feit dat voor hen één van de meest wezenlijke voorzieningen, namelijk een weduwnaarspensioen, ontbreekt? De leden van de fractie van D'66 hadden in principe geen bezwaar tegen de afschaffing van deze vorm van kinderbijslag, maar achtten de tijd daarvoor nog niet rijp. Wat de argumenten van emancipatorische aard betreft wensten zij zich aan te sluiten bij het advies van de Emancipatieraad. Deze leden waren er niet van overtuigd dat de gezinsverzorgingsfaciliteiten adequaat zouden inspelen op het afschaffen van de kinderbijslag voor huishoudkinderen. Zij vroegen in hoeveel gevallen sprake is van zowel hiushoudkinderen als gezinshulp in één gezin. Ook wilden zij weten in Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

hoeveel gevallen gezinnen gedupeerd worden als de kinderbijslag voor huishoudkinderen verenkelvoudigd wordt door het vervangen van de RWW voor 16-en 17-jarigen door kinderbijslag.

De leden van de P.S.P.-fractie konden zich niet aan de indruk onttrekken dat niet zozeer de emancipatoire doelstellingen, maar eerder bezuinigingsoverwegingen tot dit voorstel hebben geleid. De verwijzing naar reeds bestaande regelingen voor het verkrijgen van aanvullende huishoudelijke hulp of verzorging als motivatie voor het afschaffen van de kinderbijslag wekte, eufemistisch gesteld, enige bevreemding wanneer tegelijkertijd geconstateerd kon worden, dat talloze bezuinigingsvoorstellen op die voorzieningen de aanspraak op die voorzieningen steeds verder bemoeilijken. Dient afbouw van de kinderbijslag niet eerder gepaard te gaan met uitbouw van alternatieve mogelijkheden voor het verkrijgen van huishoudelijke of verzorgingshulp?

Het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor de zogenaamde huishoudkinderen stuitte bij de leden van de S.G.P.-fractie op grote weerstand. Zij konden zich niet aan de indruk onttrekken dat het hier om een puur budgettaire maatregel ging, gestoken in het gelegenheidsjasje van de emancipatie. Of zagen zij dat verkeerd? Waarop is de mening van de bewindslieden gebaseerd dat het voortbestaan van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen niet bevorderend is voor de emancipatie van de vrouw? Alleen op het tijdsverschijnsel, dat de maatschappelijke opvattingen heden ten dage omtrent het verzorgen van het huishouden door één van de kinderen duidelijk verschillen met die ten tijde van de invoering van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen? Of gelden er ook andere motiveringen? In hoeverre zijn de van overheidswege getroffen en geldende voorzieningen thans een afdoend alternatief, vooral gelet op de bezuinigingen die ook in deze sector toeslaan? Op welke wijze vergroot het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen de druk op het afdoende regelen en op elkaar afstemmen van de reeds bestaande voorzieningen? Binnen welke tijdspanne zal worden bezien of de verschillende regelingen en voorzieningen op het terrein van de gezinshulp beter op elkaar zouden kunnen worden afgestemd? Op welke wijze zal in de voorlichting met betrekking tot het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen aandacht worden besteed aan de diverse aspecten van het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen, waaronder de eventuele aanspraak op een RWW-uitkering voor kinderen van 18 jaar en ouder, alsmede het opnieuw verkrijgen van recht op kinderbijslag voor 16-en 17-jarige ex-huishoudkinderen op grond van werkloosheid, zo vroegen de leden behorend tot de fractie van de S.G.P.

De leden, behorende tot de C.P.N.-fractie deelden ten aanzien van dit onderdeel van het wetsontwerp de opvatting van de Emancipatieraad. Het oordeel van de bewindslieden dat aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan (blz. 22 memorie van toelichting) zouden deze leden graag meer uitgewerkt zien. In ieder geval waren deze leden van mening dat onder de huidige omstandigheden nauwelijks gesproken kan worden van een emancipatoire maatregel. De leden van de fractie van de P.P.R. zeiden alleen ontvankelijk te kunnen zijn voor het argument dat, waar het gaat om de afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen, een beroep op verwante regelingen mogelijk is, indien dat ook het geval is. De bezuinigingen in de sfeer van de gezinszorg, hebben ook het voorzieningenniveau in deze sector aangetast. Dat in alle gevallen dit alternatief voorhanden is kan dan ook geenszins meer gezegd worden. Dit geldt zeker voor de ca. 3000 huishoudkinderen in Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

het buitenland. In de praktijk zullen dit toch vooral huishoudkinderen van buitenlandse werknemers zijn. In die gevallen kan niet worden teruggevallen op de gezinszorg, noch op een RWW-uitkering omdat de desbetreffende huishoudkinderen immers niet zijn ingeschreven bij een Gewestelijk Arbeidsbureau. In combinatie met de beperking van de hoogte van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen, wordt de bezuiniging in sterke mate op deze gezinnen afgewenteld, aldus deze leden. Het feit dat de hulpverlening door de instellingen van gezinsverzorging in de huidige situatie al dan niet zeker is gesteld, laat staan in de situatie waarin een extra beroep op de gezinsverzorging wordt gedaan, deed deze leden twijfelen aan de rechtvaardigheid van dit voorstel. Ter verdediging voert het kabinet onder andere aan, dat het niet uitgesloten is, dat reeds gezinshulp wordt verleend wanneer recht op kinderbijslag bestaat op grond van het verzorgen van het huishouden. Als het Kabinet meent dat met dit argument het voorstel kan worden verdedigd, moet het het toch wel met enige cijfers ondersteunen, zo meenden deze leden. Is het niet mogelijk om aan te geven in hoeveel gevallen huishoudkinderen èn gezinsverzorging samen gaan?

Bij het voorstel om het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen, spelen naar de mening van de R.P.F.-fractie enkele zaken door elkaar. Enerzijds is er de dwang tot bezuiniging, anderzijds zijn er de maatschappelijke opvattingen over het verzorgen van het huishouden door één van de kinderen en voorts emancipatoire opvattingen. Dat laatste was de aan het woord zijnde leden het minst duidelijk. Wie bepaalt wat als een levensvulling van een kind of jong volwassene wordt gezien, het kind en zijn ouders of de Regering, zo vroegen de leden. In het SER-advies wordt het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen een oneigenlijk element van de kinderbijslagregeling genoemd. Deelt de Regering dat standpunt? Waarom is dat recht dan destijds toegekend en zijn de gronden aan dat recht nu ontvallen? Waaruit blijkt voorts dat de maatschappelijke opvattingen in de loop der tijd zijn veranderd met betrekking tot het verzorgen van het huishouden door één van de kinderen? Als die verandering in opvatting kan worden aangetoond is dat dan een motief om tot afschaffing van de bijslag te komen, zo vroegen de leden van de R.P.F.-fractie. Blijkens gegevens in het SER-advies loopt het aantal huishoudkinderen terug. Het merendeel van deze kinderen woont zelfs in het buitenland, met name waar het gaat om medeverzorgende huishoudkinderen. Welke criteria gelden voor hen en hoe is dat in het buitenland op redelijke wijze te controleren? Afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen levert de schatkist zo'n 20 miljoen gulden op, maar welk nettobedrag blijft er over als het merendeel van de huidige huishoudkinderen zich op de arbeidsmarkt meldt, geen werk kan vinden en een uitkering zal ontvangen? Vervolgens maakten de leden van de R.P.F.-fractie zich zorgen over de alternatieven voor gezinnen, die huishoudelijke hulp nodig hebben als de moeder ziek, invalide of overleden is. De Raad van State wees daar ook reeds op. In de gezinshulp wordt reeds gekampt met een groot tekort. Zal er dan voldoende soelaas zijn om aan nieuwe verzoeken om hulp te voldoen? Zo niet, dan is de vraag gewettigd of het te overwegen is voor de verzorgende huishoudkinderen het recht op kinderbijslag te handhaven, temeer omdat het hier om veruit het kleinste deel gaat en die situatie in het buitenland kennelijk niet voorkomt. Wat zou het de schatkist kosten als bovenstaande suggestie werd gehonoreerd?

De G.P.V.-fractie had erg veel moeite met het voorstel om de kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen. Met name de motivering dat de maatschappelijke opvattingen heden ten dage omtrent het verzorgen van het huishouden door een van de kinderen duidelijk verschillen met die ten tijde van de invoering van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen stuitte bij deze fractie op ernstige bezwaren. Wiens maatschappelijke Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

opvattingen zijn er nu eigenlijk gewijzigd? Die van de Regering en een aantal spraakmakende organen als de Emancipatieraad? In ieder geval kennelijk niet van de direct betrokkenen, gezien het feit dat de regeling nog in een 8000 gevallen soelaas kan bieden en een ombuigingsresultaat van ± 20 miljoen gulden kan opleveren. De G.P.V.-fractie had sterk de indruk gekregen dat getracht wordt door het afschaffen van de regeling die genoemde gewijzigde maatschappelijke opvattingen aan de direct betrokkenen op te dringen. De G.P.V.-fractie wees erop dat het nieuwe kabinet is aangetreden in het besef dat de verzorgingsstaat overbelast en onbetaalbaar is geworden. Onderlinge hulp en zorg zullen meer de plaats moeten gaan innemen van staatszorg, ook volgens het kabinet. Is hier nu niet sprake van gevallen van onderlinge hulp en zorg, waardoor een beroep op sociale voorzieningen (hetzij in de vorm van werkloosheidsuitkering, hetzij in de vorm van het gebruik maken van gezinszorg) kan worden voorkomen? Waarom moet dit nu juist worden ontmoedigd? Zou het niet veel meer in de lijn van het kabinetsbeleid liggen indien de bestaande situatie zou worden gecontinueerd? Hebben de bewindslieden overigens tegen elkaar afgewogen de bezuinigingen van dit voorstel tegen de extra kosten die het beroep op de RWW en op de gezinszorg, en misschien zelfs op de intramurale gezondheidszorg en op de regelingen voor kinderopvang met zich mee zullen brengen? Deze fractie wees er verder op dat op gezinszorg fors bezuinigd is. Deze hulp wordt steeds moeilijker verkrijgbaar. Dat zal in een aantal gevallen ertoe leiden dat er in het geheel geen voorziening meer zal zijn. Bovendien is in een zeer groot aantal van de gevallen geen sprake van verzorging maar van medeverzorging. In deze gevallen valt per definitie geen aanspraak te maken op gezinsverzorging. Achten de bewindslieden het passen binnen het emancipatiebeleid dat er in deze gevallen een overbelasting zal ontstaan van de verzorgende ouder? Wie is er nu eigenlijk gediend met zo'n emancipatiebeleid? Is er geen sprake van een kille, bureaucratische benadering als ten aanzien van de huishoudkinderen voor wie het recht op kinderbijslag wordt beëindigd, wordt opgemerkt dat zij zich maar moeten laten inschrijven als werkzoekenden bij een arbeidsbureau om voor een uitkering in aanmerking te komen, als het werkloosheidscijfer onder de vergelijkbare groep jongeren op dit moment schrikbarend hoog is? Wat is voor de betrokkene en voor de samenleving beter, een gedwongen nietsdoen als werkloze, of een nuttige verzorgende functie binnen de eigen gezinssfeer? De G.P.V.-fractie merkte verder op dat in de memorie van toelichting erop wordt gewezen, dat er in de fiscale sfeer altijd nog mogelijkheden zijn om de kosten voor kinderen waarvoor geen kinderbijslag wordt ontvangen als aftrekpost te doen gelden. Naar het oordeel van deze fractie was hier sprake van een weinig consistent beleid. Bij herhaling worden voorstellen gedaan om fiscale faciliteiten (bejaarden-en invaliditeitsaftrekken in de inkomstenbelasting en de motorrijtuigenbelasting) af te schaffen omdat deze uit de tijd zijn nu er zoveel sociale voorzieningen zijn getroffen. Hier wordt precies het omgekeerde gedaan, en wordt een regeling in de sfeer van de sociale verzekering afgebroken met een verwijzing naar de fiscale mogelijkheden. De G.P.V.-fractie kreeg sterk de indruk dat deze argumenten naar willekeur werden gebruikt, al naar gelang de desbetreffende ombuigingsmaatregel uitkwam. Deze fractie zag graag nog enige duidelijkheid hieromtrent.

  • Recht op kinderbijslag voor in een inrichting verblijvende invalide kinderen De leden van de fractie van de P.v.d.A. verklaarden, van oordeel te zijn, dat de huidige regelgeving ter zake voor herziening in aanmerking komt. Zij voegden hieraan evenwel toe, het standpunt van de SER -en van de

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Regering zelf -te delen, dat het voor de bepaling van de hoogte van de te stellen onderhoudsvoorwaarden evenals bij de bepaling van de hoogte en structuur van de kinderbijslag van wezenlijke betekenis is, van welk kostenbegrip in het kader van de kinderbijslagwetgeving dient te worden uitgegaan. Nu de Regering als argument voor de onderhavige voorstellen -behalve het ombuigingsmotief -aanvoert, dat het huidige stelsel in de praktijk het doel voorbijschiet, lag het volgens deze leden voor de hand, dat de Regering zou hebben uiteengezet, dat met haar voorstellen het doel wordt geraakt. Aangezien de Regering dit heeft nagelaten, zouden deze leden alsnog willen vernemen wat precies het doel is waarvan de Regering in dit verband gewaagt en hoe volgens haar met behulp van de onderhavige voorstellen zodanig corrigerend wordt opgetreden, dat genoemd doel precies zou kunnen worden bereikt. In dit verband merkten de bewuste leden nog op het bevreemdend te achten, dat de Regering geen gewag heeft gemaakt van de recente eigenbijdrageregeling inzake de AWBZ, die voor de betrokkenen in een aantal gevallen ernstige negatieve inkomenseffecten kan teweegbrengen. Hoe verhouden zich deze effecten tot het bereiken van de gereleveerde doelstelling? Is het voorts niet een uitvloeisel van de hoge bedragen, waarop de bedoelde AWBZ-regeling neerkomt, dat gezinnen met een hoog inkomen gemakkelijker aan een onderhoudscriterium zullen kunnen voldoen dan gezinnen met een laag inkomen en acht de Regering zulks uit een oogpunt van inkomenspolitiek niet absurd? Waarom, aldus deze leden, is als normbedrag, waaraan moet worden voldaan alvorens recht op tweevoudige kinderbijslag ontstaat, een bedrag gekozen, dat materieel overeenkomt met de «onderhoudsbijdrage grotendeels», waaraan ouders van studerende kinderen moeten voldoen om voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen? Welke gevallen heeft de Regering voor ogen, als zij opmerkt, dat ook in andere situaties het schrappen van de toevoeging «hetzij voor meer dan de helft van de kosten» bewerkstelligt, dat ook in die gevallen een redelijke verhouding ontstaat tussen de geleverde onderhoudsbijdrage en de te ontvangen kinderbijslag?

Ook met dit onderdeel van het voorliggende wetsontwerp konden de leden van de C.D.A. fractie instemmen. De uitgebreide aandacht die in de memorie van toelichting aan de thans bestaande knelpunten wordt gewijd maakt duidelijk dat -ook al gaat het in relatie tot het totale bedrag, dat met de kinderbijslagregeling gemoeid is om een bescheiden bedrag van slechts 10 min. gulden -hier sprake is van feitelijk enige misgroei en oneigenlijk gebruik. Zij onderkenden weliswaar dat de thans voorgestelde wijzigingen in de onderhoudsvoorwaarden mogelijk beter zouden passen in een eventueel op basis van het te zijner tijd uit te brengen SER-advies over de uiteindelijke structuur van de kinderbijslag maar dat mag de wetgever niet weerhouden van het thans aanbrengen van aangescherpte voorwaarden voor het recht op kinderbijslag als de bestaande onderhoudseisen het doel voorbijschieten. Zulks klemt temeer in de huidige financieel-economische situatie. Wel vroegen zij zich af of het wel juist is, uitgaande van de bevoegdheid die de Minister verwerft bij aanvaarding van het nu voorgestelde lid twee van artikel 9 in de AKW, zonder meer f 112 per week, op jaarbasis f 5824, als geldelijke eis te stellen voor het recht op tweevoudige kinderbijslag voor een uitwonend, invalide kind. Gelet op de bestaande studiefinancieringsregeling voor uitwonend studerenden waaraan de normbedragen welke de Regering nu voornemens is bij aanvaarding van dit deel van het wetsontwerp te relateren, betekende dit naar de mening van deze leden, dat ten einde voor tweevoudige kinderbijslag voor een uitwonend invalide kind in aanmerking te komen men aan een zwaardere onderhoudseis zal moeten voldoen dan wanneer het geldt studerende kinderen die een HBO-opleiding volgen. Wat heeft de Regering ervan weerhouden op dit punt nog nauwer aansluiting te zoeken bij de met betrekking tot afspraken op dubbele kinderbijslag in feite voor uitwonende HBO-studenten geldende onderhoudseis?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Voor het duidelijk doen uitkomen van het feit dat een toenemende mate van onderhoud leidt tot een hogere aanpak op kinderbijslag leek het deze leden tenslotte op zich zelf niet noodzakelijk de bepaling te handhaven, dat alvorens recht op twee-of drievoudige kinderbijslag bestaat, de verzekerde het kind tevens in belangrijke mate dient te onderhouden. Zij zouden het dan ook op prijs stellen dat met een of meer voorbeelden de stelling wordt verduidelijkt dat zonder die bepaling het niet volledig uitgesloten is dat recht op dubbele kinderbijslag ontstaat zonder dat aan de voorwaarde voor het recht op enkelvoudige kinderbijslag is voldaan.

De leden van de V.V.D.-fractie konden instemmen met het onderhavige voorstel. Ook hier mag, aldus de leden, zich geen situatie voordoen waarin betrokken ouders meer kinderbijslag ontvangen dan hun financiële bijdrage aan de opvoeding van het kind. De aan het woord zijnde leden wilden graag van de Regering inzicht verkrijgen in de financiële positie van ouders die gehandicapte kinderen thuis opvoeden, met alle daaraan verbonden kosten. In hoeverre, zo vroegen deze leden zich af, is in die situatie de financiële bijdrage vergelijkbaar met de financiële bijdrage van ouders met thuiswonende valide kinderen. Is, zo vroegen deze leden zich af, het thuis opvoeden van gehandicapte kinderen die in een inrichting geplaatst kunnen worden niet buitengewoon kostenbesparend op andere overheidsuitgaven. Is het derhalve geen verstandig beleid een dergelijke gang van zaken te stimuleren door middel van het financieel aantrekkelijker maken daarvan in de sfeer van de kinderbijslag? De hier aan de orde zijnde maatregel zouden de leden van de D'66-fractie graag in een breder verband bezien, waarbij zij een nadere discussie zouden willen voeren over het specifieke onderhoudscriterium.

De leden van de fractie van de P.S.P. konden zich aansluiten bij de opvattingen van de SER dat ingrijpende wijzigingen in de onderhouds-voorwaarden niet eerder aan de orde kan komen dan bij de behandeling van de structuur van de kinderbijslag. De noodzaak tot ombuigingen, zo al legitiem, konden, naar de mening van de leden van de P.S.P., onderhavige ad hoe-ingrepen niet rechtvaardigen.

Het was de leden van de P.P.R.-fractie opgevallen, dat in de memorie van toelichting waar wordt gesproken over de nadere regelen op grond waarvan voor een uitwonend invalide kind recht kan bestaan op een tweevoudige kinderbijslag, geen melding wordt gemaakt van een overgangsregeling. En dat terwijl van het ene kwartaal op het andere de tweevoudige kinderbijslag kan komen te vervallen. Deze leden vroegen naar de argumenten van de Regering om af te zien van een overgangsregeling. Overigens konden deze leden begrip opbrengen voor het voornemen het recht op dubbele kinderbijslag te laten vervallen, indien niet voldaan wordt aan de voorwaarde voor het recht op enkelvoudige kinderbijslag en dat in artikel 9 de toevoeging «hetzij voor meer dan de helft van de kosten» wordt geschrapt. Deze leden achtten een zo onverhoedse invoering van deze wijziging evenwel bezwaarlijk.

Met dit voorstel hadden de leden van de R.P.F.-fractie niet zoveel moeite. Niettemin vroegen zij zich af of in dit opzicht in generale termen kan worden gesproken? Blijft er ruimte voor een hoger bedrag aan kinderbijslag, wanneer kan worden aangetoond dat de onderhoudskosten hoger zijn dan algemeen wordt aangenomen?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

Is voorts overwogen ook voor deze bijstelling van de uitkeringsbedragen een glijdende schaal te maken om na alle reeds genomen lastenverzwarende maatregelen een te groot inkomensoffer te voorkomen?

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Nieuwenhuizen Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nr. 6

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.