De behandeling van de wetsontwerpen: Wijziging van de wet van 20 december 1979, Stb. 711 (maximering vereveningstoeslagen) - Handelingen Tweede Kamer 1981-1982 21 juni 1982 orde 3

Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van de wetsontwerpen: Wijziging van de wet van 20 december 1979, Stb. 711 (maximering vereveningstoeslagen) (17203); Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (verlaging van de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1982) (17467); Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982 (17468). De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil beginnen met het bespreken van het wetsontwerp Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982. Dit wetsontwerp kunnen wij niet gedogen. Weliswaar vraagt de voortdurend somberder wordende financieel-economische situatie van ons land op korte termijn om ingrijpen-de maatregelen. De aan de orde zijnde maatregel is in dat verband echter om een aantal redenen geen goede keuze. In de eerste plaats tast de bevriezing boven het modale niveau het verzekeringskarakter van de werknemersverzekeringen aan. Het houdt namelijk een doorbreking in van de equivalentiegedachte, die nog steeds in de werknemersverzekeringen overheerst. Dit houdt in dat de uitkering voor allen in dezelfde omstandigheden een gelijk percentage van het dagloon, en de premie een gelijk percentage van het premieplichtig loon bedraagt. Wij hechten sterk aan dit equivalentiebeginsel. In de tweede plaats richt de maatregel zich eenzijdig op de groep bovenmodale uitkeringsgerechtigden. Zo wordt een beperkte groep 'gepakt'. Dit strookt niet met het door ons beleden principe van gelijke behandeling. Bezuinigingsmaatregelen -de Minister is dat in het verslag met ons een -moeten over een zo groot mogelijke groep worden gespreid. In de derde plaats worden de bovenmodale uitkeringsgerechtigden nu van twee kanten genivelleerd. Ik wijs daarbij ook op de marginale drukstijging als gevolg van de recente optrekking van premie-imkomensgrenzen en de volstrekt onnodige verhoging van de WAO-franchise, die via de vereveningsbijdrage ook weer doorwerken naar de bovenmodale uitkeringen. In de vierde plaats staat een bevriezing boven het modale niveau gelijk met de invoering van een abruptglijdende schaal. Invoering van een glijdende schaal is een stelselwijziging en een stelselwijziging zou de Regering met het oog op de komende discussie over de grondslagennota nu juist vermijden.

In de vijfde plaats vindt deze stelselwijziging plaats zonder de wettelijke verplichte advisering door de SER. In een noodadvies uit eigener beweging verklaren de leden van werkgevers en werknemers van de SER, onoverkomelijke bezwaren te hebben, met name vanwege de zoeven al door mij genoemde doorbreking van het equivalentiebeginsel. Wie gelooft bovendien in de tijdelijkheid van deze bezuiniging? In de zesde plaats bepaalt het overgrote deel van de CAO's dat met name WAO-uitkeringen gedurende een of meer jaren aangevuld zullen worden tot het netto loon. Deze bevriezing betekent derhalve: hogere aanvulling door de werkgevers en nog hogere lasten voor de ondernemingen. Dit is om verschillende redenen een onevenwichtige maatregel. Wij willen er dan ook graag een alternatief voor in de plaats stellen dat aan de genoenv de bezwaren zoveel mogelijk tegemoetkomt. In de nota naar aanleiding van het verslag is hierover al gediscussieerd. Het gaat om een, ook door belangrijke organisaties als CNV en VNO, bepleite eenmalige structurele aanpassing van het wettelijke mini-mum per 1 juli met de prijscompensatie van 2,46% in plaats van met circa 4,3%. Het gaat verder om een eenmalige structurele aanpassing van de bovenminimale uitkeringen met 2,46% in plaats van circa 3,5 a 4%.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.