Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen: -Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid (19256); -Verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Toeslagenwet) (19257); -Wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten, alsmede invoering van de één-oudernorm voor ongehuwde bejaarden met een kind jonger dan 18 jaar) (19258); -Wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet gehuwde personen met gehuwden (19259); -Het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte (werkloze werknemers) (19260); -Verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheids^ wet) (19261); -Intrekking van de Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe Werkloosheidswet en een aantal andere wetten, alsmede de in het kader van die intrekking en invoering te treffen overgangsregelingen en de daarmee verband houdende wijzigingen van een aantal wetten en regelingen (invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid) (19383); -Wijziging van een aantal voorstellen van wet in het kader van de herziening van het stelsel van sociale zekerheid (19606).

©

De Voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede, dat de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid omtrent dit laatstgenoemde wetsvoorstel een eindverslag heeft vastgesteld. Ik stel voor, de onderhavige wetsvoorstellen gezamenlijk te behandelen.

Daartoe wordt besloten.

De beraadslaging wordt geopend.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Op 29 mei 1984 plaatste de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in deze Kamer de volgende waarschuwende kanttekeningen bij de reacties op een inzettend economisch herstel: Toch draagt die ontwikkeling ook risico's in zich: de verleiding om een deel van het voor dat herstel noodzakelijke ombuigingsprogramma's terug te nemen; de verleiding om minder ernst te maken met de herverdeling van werkgelegenheid; de verleiding om meer aandacht te geven aan de voortrekkers dan aan de achterblijvers; het risico om wel de ontwikkelingen op de markt en de technologische ontwikkelingen te zien, maar minder om te zien naar de mens en, in het bijzonder de mensen die door de markt zijn uitgestoten en die de technologische ontwikkelingen niet kunnen meemaken.' De minister gaf daarmee een treffende opsomming van de verleidingen die de heersende machtsgroepen in deze maatschappij kunnen bedreigen. Ik constateer dat het kabinet aan al die verleidingen bezweken is, behalve aan de eerst genoemde noodzaak om voort te gaan met ombuigingen. Maar die ombuigingen worden zo ingevuld, dat ze zeer onevenredig drukken op de laagstbetaalden en degenen die uitgestoten zijn uit het arbeidsproces, of er niet in toegelaten zijn.

Belastingvoorstel Sociale zekerheid/stelselherziening Werkloosheidswet Stelselwijziging

De inkomenskloof tussen betaald werkenden en uitkeringsgerechtigden wordt ieder jaar groter. Binnen de groepen uitkeringsgerechtigden groeit de categorie minima en binnen de categorie minima neemt het aantal huishoudens dat tot de echte minima gerekend wordt elk jaar toe, volgend jaar al tot circa 817.000. De stelselherzieningsvoorstellen gaan die tendens niet tegen, maar bevorderen die tendens veeleer. Afgezien van de verlaging van de uitkeringspercentages en een reeks specifieke ingrepen wordt de inkomensafstand tussen loon en uitkering vooral veroorzaakt door de loskoppeling van de uitkeringen van de loonontwikkeling. Als gevolg van de opeenstapeling van ingrepen in met name de sociale zekerheid staat de armoede in dit land thans weer op de agenda. Het biologisch minimum wordt inderdaad niet bedreigd, maar wel het sociaal minimum en het democratisch minimum. Veel uitkeringsgerechtigden raken sociaal geïsoleerd en worden buitengesloten van het maatschappelijk gebeuren. Lidmaatschappen, abonnementen op kranten en het gebruik van openbaar vervoer komen buiten het beschikbare budget te liggen. Ook bij delen van de verlichte burgerij breekt het inzicht door dat dit een zeer verontrustende ontwikkeling is, zoals onlangs bij voorbeeld werd geïllustreerd in een artikelenserie in de NRC. Het kabinet benadert de sociale zekerheid vooral als een kostenpost die naar beneden moet. Sommige bewindslieden kunnen zelfs de neiging niet onderdrukken om de sociale zekerheid in het verdachtenbankje te plaatsen. In de benadering van de fraudebestrijding -overigens op zichzelf een reëel thema -ligt de nadruk vooral op repressie, op 'de politie te paard' zoals de minister van Sociale Zaken het in andere situaties uitdrukt, en niet op preventie. Bij preventie valt te denken aan een stelsel dat door betrokkenen als rechtvaardig kan worden ervaren, dat inzichtelijk is, dat enige flexibiliteit kent en waarbij verschillende regelingen goed op elkaar zijn afgestemd. Wat dat betreft, is de stelselherziening in elk geval geen verbetering. Op mening onderdeel is het zelfs een verslechtering. Ik zei het al: men ziet de sociale zekerheid vooral als kostenpost. Het kabinet laat zelden blijken dat het de sociale zekerheid ook waardeert als een buffer, ter afvlakking van crisis.

Het lijkt niet te beseffen dat een hoogwaardig stelsel van sociale zekerheid gunstig is voor de arbeidsmobiliteit en de flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Juist bij een goed en hoogwaardig stelsel van sociale zekerheid kunnen mensen risico's nemen bij verandering van baan. Het kabinet doet weinig pogingen om de sociale zekerheid te hanteren als een springplank voor nieuwe werkgelegenheid -afgezien van enkele beperkte terugploegprojecten -en voor herverdeling van werk. Er is een populaire voorstelling van zaken om drastische bezuinigingen op de sociale zekerheid te legitimeren. Die luidt als volgt: in 1960 waren er op iedere uitkeringsgerechtigde nog 3,7 werkenden. Nu is die verhouding 1: 1,4 a 1,5. Om het uit te drukken in de plastische beeldspraak van VVD-woordvoerder Nijhuis in de Tweede Kamer: er zijn te weinig werkenden om de kar te trekken en op die kar zitten teveel uitkeringsgerechtigden. De kar wordt dan te zwaar om te trekken. Afgezien van de vraag hoe men over deze beeldspraak oordeelt, zijn hierbij twee noodzakelijke kanttekeningen te maken. De Nederlandse vakbeweging is, als voornaamste spreekbuis van de werkenden, wel bereid om die kar te trekken. De vakbeweging is ook bereid tot het maken van tripartiete afspraken over werkgelegenheid, arbeidsduurverkorting, scholing, een gematigde loonkostenontwikkeling en een geleidelijke verbetering van het stelsel van sociale zekerheid. Uit opinie-onderzoeken blijkt steeds opnieuw -dit in weerwil van andersluidende ideologische propaganda van het kabinet -dat de Nederlandse samenleving geen verdere bezuinigingen op de sociale zekerheid wil. Wie meent dat de kar te zwaar belast is, heeft nog twee mogelijkheden om daar verandering in aan te brengen. Allereerst kan hij degenen op de kar een verplicht vermageringsdieet opleggen. De andere mogelijkheid is, een aantal mensen van de kar af te halen. Dan snijdt het mes aan twee kanten. De kar wordt lichter en er zijn meer mensen beschikbaar om hem te helpen trekken. Op die manier kan de collectieve lastendruk eveneens worden gestabiliseerd en op termijn dalen, zonder dat uitkeringsniveaus of uitkeringsduur behoeven te worden aangetast. In de visie van het kabinet is de relatie tussen beperking van het financieringstekort en verlaging van de collectieve lastendruk enerzijds en economisch herstel anderzijds -de relatie tussen werkgelegenheid en sociale zekerheid -nogal statisch en ééndimensionaal. Het financieringstekort moet naar beneden. Dat is terecht. Die noodzaak wordt moreel ingekleurd met het argument dat wij geen schulden moeten afwentelen op het nageslacht. Daarbij wordt niet gesignaleerd dat inzakkende overheidsinvesteringen, het uitblijven van noodzakelijk onderhoud en het afbreken van collectieve voorzieningen eveneens leiden tot het afwentelen van problemen op toekomstige generaties. In het kabinetsbeleid ontbreekt -afgezien van enkele beperkte projecten -een poging om een dynamische relatie, gebaseerd op een vruchtbare wisselwerking, aan te brengen tussen werkgelegenheid en sociale zekerheid. Er vindt geen serieus onderzoek plaats naar de vraag of sociale zekerheidspremies zo exclusief op de factor arbeid moeten blijven drukken. Ook vindt geen diepgaand onderzoek naar de vraag of de BTW op arbeidsintensieve dienstverlening wel in het hoge tarief moet blijven. Het kabinet verlaagt de laatste tijd af en toe socialezekerheidspremies, mogelijk geworden door de bezuinigingen, en voegt daar dan achteraf een vroom prevelement en een vrijblijvende oproep aan werkgevers-en werknemersorganisaties aan toe om de aldus ontstane ruimte te besteden aan verdere arbeidsduurverkorting. Het kabinet verzuimt echter, zelfs maar te proberen om zo'n premieverlaging te koppelen aan verdere afspraken over arbeidsduurverkorting. Dan zou er een zichzelf versterkend dynamisch proces van herverdeling van werk en een verminderd beroep op de sociale zekerheid op gang kunnen komen. In de nieuwe werkloosheidswet is bij verrassing een amendement van de PvdA aanvaard waarmee de mogelijkheid wordt geboden, de NWW-premie te differentiëren naar de mate van arbeidstijdverkorting. Ik heb weinig illusies als het gaat om de vraag, of dit kabinet die mogelijkheid serieus zou willen onderzoeken en aanvatten, maar ik vraag het toch maar. Ik weet dat de VVD dit oneigenlijk gebruik van het stelsel van sociale zekerheid vindt, maar ik begrijp dat toch niet.

Sociale zekerheid/stelselherziening Werkloosheidswet Stelselwijziging

Wie de arbeidstijd verkort, schept ruimte voor werk voor anderen en draagt aldus bij tot verlaging van de premiedruk. Wie dat niet doet, houdt hoge werkloosheid en een hoge premiedruk in stand. Het aanbrengen van een gedifferentieerde NWW-premie, al naar gelang de arbeidstijdverkorting, lijkt mij een correcte toepassing van het profijtbeginsel en ik dacht dat de VVD daar wel gevoelig voor zou zijn. Terugploegprogramma's, waarmee in de bouw een start is gemaakt, vormen eveneens een poging om een meer dynamische relatie tussen werkgelegenheid en sociale zekerheid aan te brengen. Recentelijk heeft het adviesbureau Rients de Boer een plan ontwikkeld om uitkeringsgelden te gebruiken voor banen in de gezins-en bejaardenzorg. De meerkosten daarvan zijn bescheiden: zeventot elfduizend gulden per arbeidsplaats. Graag een reactie van het kabinet op dit 'banenplan voor een koopje', zoals de NRC het uitdrukte. Verder verneem ik graag, hoe men denkt om te zullen gaan met terugploegprojecten, nu de WWV, die tot dusverre de voornaamste financieringsbron is geweest, wegvalt. Als het om de kosten van de sociale zekerheid gaat, dan moeten wij beginnen met praten over werkgelegenheid, willen wij tenminste oorzaak en gevolg niet verwisselen. In ESB van 1 5 oktober jongstleden geeft prof. Albeda een onthutsend staatje met de arbeidsparticipatiegraad en de werkloosheid in een aantal landen. Nederland scoort uitzonderlijk laag, met een arbeidsparticipatiegraad van 50% van de bevolking tussen 1 5 en 65 jaar. Dat de participatiegraad van vrouwen in Nederland laag is, is algemeen bekend, maar ook die van mannen is 6 tot 12% lager dan die in landen als Australië, Frankrijk, Oostenrijk, Japan, Zweden en de Verenigde Staten. Wie in het kader van economisch herstel verspilling wil tegengaan, moet beseffen dat het laten voortbestaan van massawerkloosheid de grootste vorm van maatschappelijke verspilling is en dat het wijst op een gebrek aan coördinerend vermogen of de wil daartoe in een samenleving die nog zoveel onvervulde behoefte aan maatschappelijk nuttige arbeid heeft. Het is bekend dat de Partij van de Arbeid gemiddeld iets langere en hogere uitkeringen bepleit dan de regeringspartijen. Toch biedt de PvdA weerstand aan de verleiding om een betere positie van uitkeringsgerechtigden te hanteren als een alibi of een afkoopsom voor het recht op arbeid. Het hele programma van onze partij staat in het teken van een uiterste -velen zeggen: te geforceer-de -krachtsinspanning voor herstel van de werkgelegenheid. Dat geldt ook voor de sociale zekerheid. Wij maken in ons programma wat de sociale zekerheid betreft duidelijk onderscheid tussen zaken die wij terstond gerealiseerd willen zien en verbeteringen die wij etappegewijze willen invoeren. Wij pleiten inderdaad voor direct herstel van de koppeling van de ontwikkeling van de uitkeringsinkomens aan die van de lonen, omdat wij dat als een zaak van primaire sociale rechtvaardigheid beschouwen. En wij pleiten bij voorrang voor verbetering van de uitkeringspositie van langdurig werklozen, de ouderen onder hen voorop. Andere op zichzelf redelijke wensen, zoals de wens tot verhoging van het uitkeringspercentage in de werknemersverzekering tot 75%, willen wij slechts etappegewijze bereiken, hand in hand met verdergaand economisch herstel, herstel van werkgelegenheid en herverdeling van arbeid. Nu weet ik wel dat het kabinet stelt dat bezuiniging niet het eerste en ook niet het enige doel van de stelselherziening is. Naar mijn mening klopt die stelling voor een deel. Het leeuwedeel van de bezuinigingen op de sociale zekerheid in de orde van grootte van zo'n f 10 miljard is al in een vorige kabinetsperiode binnengehaald en ten dele werd daarmee al vooruitgelopen op de stelselherziening, zoals via de beperking van de minimumdagloonbepalingen tot kostwinners en eenoudergezinnen en via de verlaging van de uitkeringspercentages naar 70. Er resteert nu als gevolg van deze wetsontwerpen straks een structurele opbrengst van f3 miljard. Die structurele besparing komt voor het overgrote deel uit de arbeidsongeschiktheidswetten, AAW en WAO. Daarin wordt de mogelijkheid geschrapt om in de uitkering rekening te houden met de door de handicap veroorzaakte vermindering van de kans op werk en daarmee worden AAW en WAO ernstig gemutileerd. Door het zeer ruime overgangsregime wordt de structurele besparing eerst in het jaar 201 7 gehaald. Mijn verbaasde vraag is: kan het kabinet ineens zo ver vooruitkijken, is het kabinet zo somber over de werkgelegenheidsontwikkeling tussen nu en 2017? Enige innerlijke rechtvaardiging voor deze verminking van AAW en WAO is geheel afwezig, zodat slechts het besparingsmotief tussen nu en 2017 overblijft. Ik weet wel dat het kabinet de ingrepen in de AAW en de WAO vergezeld doet gaan van enige op zich positief te waarderen re-integratiemaatregelen, waarvan het effect nog onduidelijk is. Maar hiervoor geldt de vraag: of men heeft er hoge verwachtingen van, en dan vermindert de zogenoemde werkloosheidsconv ponent in de WAO vanzelf, of men heeft er weinig verwachtingen van en dan blijft het nodig om in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen rekening te houden met de door de handicap verminderde kans op het vinden van passende arbeid. Bij de essentiële relatie tussen sociaal zekerheidsstelsel en arbeids-markt-en arbeidsvoorwaardenbeleid wil ik nog een paar specifieke kanttekeningen plaatsen. Ten eerste: de gekozen opzet van het stelsel leidt er toe dat er -inderdaad niet formeel, maar wel materieel -ernstige barrières opgeworpen worden voor de totstandkoming van bovenwettelijke uitkeringen. Daarmee raakt het kabinetsbeleid verstrikt in innerlijke tegenstrijdigheden. Het sociale zekerheidsstelsel doet afbreuk aan de zo sterk gepropageer-de contractvrijheid van CAO-partijen en aan de vooralsnog vage noties over verdere privatisering van delen van de sociale zekerheid. Ik kom hier bij de behandeling van de Toeslagenwet op terug. Ten tweede: de opzet van de nieuwe werkloosheidswet is zo rigide, dat vooral voor ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten het buitengewoon gevaarlijk kan zijn om tijdelijk af te zien van het uitkeringsrecht door het aanvaarden van werk in een andere hoedanigheid dan als werknemer. Ik kom daar bij de behandeling van de nieuwe werkloosheidswet uitvoerig op terug. Een stelsel dat voor sommige betrokkenen als een fuik fungeert, deugt niet en leidt óf tot een hogere premiedruk dan nodig is óf tot bevordering van grijze en zwarte circuits. Ten derde: ik kom nu op de vrijlatingsbepalingen van bescheiden nevenverdiensten naast een uitkering.

Sociale zekerheid/stelselherziening Werkloosheidswet Stelselwijziging

Dat is een hachelijk onderwerp waarbij behoedzaam tussen Scylla en Charybdis doorgevaren moet worden. Het eerste dat bij bestudering opvalt is dat de acht wetten die direct of indirect met stelselherziening te maken hebben, toch weer zeer verschillende en uiteenlopende vrijlatingsbepalingen kennen. De vraag waarom niet naar enige harmonisatie gestreefd is, is tot dusver onbeantwoord gebleven. Ik laat het vrijlatingsregime van de eventuele AOW-toeslag op dit moment buiten beschouwing. Wij hebben daar verleden jaar terecht voor een ruimer vrijlatingsregime gekozen dan elders in de sociale zekerheid gebruikelijk is. En dat heeft specifieke redenen. Het vrijlatingsregime van bescheiden neveninkomsten uit arbeid van AAW en WAO is formeel intact gelaten en dat is iets ruimer dan dat van de werkloosheidsregelingen. Voor zover die ruimere marge ingegeven is door de gedachte dat de geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikte minder kans heeft op enige bijverdienste is dat te billijken en zit er als het ware een klein verdisconteringselement in. Het inconsequente is echter dat die iets ruimere vrijlatingsbepaling straks zal gelden voor een deel -ik denk zelfs voor een minderheid -van de arbeidsongeschikten. De alleenverdieners krijgen in de AAW allemaal en in de WAO voor ten minste de helft te maken met het beperktere vrijlatingsregime in de Toeslagenwet. De gedeeltelijk arbeidsongeschikten met een gemengde WAO/NWW-uitkering of een WAO/IOAW-uitkering krijgen straks te maken met een nog krappere vrijlatingsmarge voor neveninkomsten uit arbeid. Ik heb al gezegd dat de discussie over het vrijlatingsregime moeilijk is. Aan de ene kant moet voorkomen worden dat iemand met een uitkering en een bijbaantje zich langdurig een inkomen kan verwerven dat hoger ligt dan wanneer hij een baan zou vinden. Aan de andere kant moet voorkomen worden dat een uitkeringsgerechtigde of diens partner van die arbeidsinspanning niets of bijna niets overhoudt. Een dergelijk ontmoedigend effect is fnuikend. Men kan twisten over de vraag waar precies het optimum ligt dat deze twee ongewenste effecten vermijdt. Het vrijlatingsregime van de toeslagenwet -5% van het minimumloon wordt geheel vrijgelaten en van het meerdere 30% tot een gezamenlijk maximum van 15% -vind ik aan de magere kant, maar niet per se onaanvaardbaar. Het vrijlatingsregime van artikel 35 in de nieuwe Werkloosheidswet en dat van de IOAW is echt veel te mager. Van de eerste gulden bijverdienste wordt meteen 70 cent gekort en na twee jaar alles. Stel dat iemand f 1 50 bruto per maand erbij verdient. Daarvan houdt hij dan f45 bruto over. Als hij daarvoor nog reiskosten moet maken -en dat wordt niet eerst van de bijverdiensten afgetrokken -dan resteert er een bedrag dat de nul dicht nadert. Herinnert de staatssecretaris zich nog de opmerking van de minister van Sociale Zaken over het marginale tarief dat bij lagere inkomensgroepen voorkomt bij een cumulatief gebruik van inkomensafhankelijke voorzieningen? Herinnert hij zich nog dat de minister toen sprak over een gijzeling van de minima? Deelt hij dat standpunt van zijn minister? Zo ja, waarom voert hij dan nu in de IOAW een marginaal tarief in van terstond ten minste 70%, oplopend tot 100%? In de Tweede Kamer is bij amendement het vrijlatingsregime in de Toeslagenwet iets verruimd via een voetje van 5% van het brutominimumloon, dat geheel wordt vrijgelaten. Het argument daarvoor was dat de eventuele arbeidsparticipatie van de uitkeringsgerechtigde of diens partner -en het zal meestal om de vrouw gaan -niet al te extreem ontmoedigd moest worden. Precies dezelfde argumenten gelden voor de IOAW in dezelfde mate. Ook bij de IOAW gaat het om een minimumuitkering. Ook in de IOAW zal vaak sprake zijn van een afhankelijke partner. Helaas heeft de Tweede Kamer verzuimd om dit in de IOAW analoog aan de Toeslagenwet te regelen, onder andere doordat de grootste regeringsfracties voor de verschillen-de wetten verschillende woordvoerders in het veld brachten. Het is nu aan de Eerste Kamer om dit verzuim goed te maken, ten einde althans in de beide nieuwe minimumgezinsregelingen, de Toeslagenwet en de IOAW, voor een zelfde vrijlatingsregime te zorgen. Overigens blijft het naar mijn mening wrang, dat wij hier tot op de millimeter moeten strijden voor een heel kleine liberalisering, terwijl de vrijlatingsbepaling voor gewezen politieke ambtsdragers zonder meer een aanvulling tot 100% van hun 'dagloon' mogelijk maakt.

Ik wil nu enkele opmerkingen maken over de mate van individualisering in het kader van de stelselherziening. Ten eerste: ik ben met het kabinet van mening, dat wij in de overgangsfase tussen een dominant kostwinnersmodel en het streven naar individuele economische zelfstandigheid voorlopig niet buiten kostwinnerstoeslagen in of rondom de loondervingsuitkering kunnen, ondanks alle daaraan verbonden nadelen. Ik ben eveneens van mening dat wij die zaak niet moeten afschuiven op de Bijstandswet met een zeer strikte middelentoets. Een heel andere vraag is of wij daarvoor een aparte toeslagwet nodig hebben of dat wij die toeslagen ook in de afzonderlijke loondervingswetten zelf kunnen blijven regelen. Strikt geredeneerd pleit er veel voor een aparte toeslagenwet. Het onderscheid tussen loondervingsfunctie en de zogenaamde minimumbehoeftefunctie wordt daarmee duidelijk zichtbaar gemaakt. Het nadeel van weer een extra wet erbij, weegt naar mijn oordeel echter toch iets zwaarder. Ten tweede: op de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden kom ik uitvoerig terug bij de bespreking van de Toeslagenwet. Ten derde: voor mij resteert de vraag naar de mate en duur van een individueel uitkeringsrecht. Wij menen dat individuele economische zelfstandigheid primair moet worden veroverd via arbeidsparticipatie en herverdeling van arbeid. In dat kader pleiten wij voor een samenstel van maatregelen als ouderschapsverlof, kinderopvang en allerlei vormen van positieve actie. Wij menen eveneens dat de sociale zekerheid niet geheel kan repareren wat er fout is gegaan in de arbeidsverdeling tussen man en vrouw. Dat zou zo duur uitpakken dat een verdere arbeidstijdverkorting voor lange tijd wordt geblokkeerd, en het zou gaan fungeren als een alibi en een afkoopsom voor het recht op arbeid. Wij menen aan de andere kant dat eenmaal via arbeidsparticipatie verworven, individuele economische zelfstandigheid in de socialezekerheidssfeer zo lang mogelijk moet worden gerespecteerd. Wat dat betreft, biedt de stelselherziening toch minder dan nu mogelijk is. De IOAW is een regeling zonder vermogenstoets maar met een partnerinkomenstoets. Het is een

Sociale zekerheid/stelselherziening Werkloosheidswet Stelselwijziging

bijna ultieme regeling voor sommige groepen met, in het algemeen, een aanzienlijk arbeidsverleden. Wij hadden gevraagd wat de meerkosten zouden zijn van het schrappen van de partnerinkomenstoets, uitgaande van twee varianten, te weten: een individueel sociaal minimum van 50% en een individueel sociaal minimum van 70%. In beide varianten blijven uiteraard de eventuele toeslagen voor alleenstaanden, eenoudergezinnen en alleenverdieners dezelfde. De meeruitgaven voor een individuele 50%-variant bedragen in de IOAW f95 miljoen, die voor een individuele 70%-variant meer dan f800 miljoen. Wij pleiten op dit moment niet voor die 70%-variant maar wel terdege voor de 50%-variant. De meeruitgaven daarvan zijn onzes inziens, ook binnen de huidige smalle marges, zeker verantwoord. Het kabinet komt via de IOAW wel tegemoet aan de wijd verbreide maatschappelijke weerzin tegen het opeten van het eigen huis -dat valt te waarderen -maar niet aan de maatschappelijke weerstand tegen een plotselinge, volledige ' partnerverafhankelijking' -met excuses voor dit afschuwelijke woord -van personen die, meestal langdurig, gewend zijn aan eigen economische zelfstandigheid. Met het voortschrijden van de gedachte van individuele economische zelfstandigheid zal het maatschappelijk verzet tegen een volledige 'partnerverafhankelijking' groeien. De IOAW geeft wel een antwoord op een maatschappelijke vraag die de afgelopen jaren indringend aan de orde is gesteld, maar niet op nieuwe vragen die, vanuit een groeiend streven naar individuele economische zelfstandigheid, in toenemende mate zullen worden gesteld. Vanuit de overweging dat voor betrokkenen de duur van een individueel uitkeringsrecht tenminste zo zwaar zal wegen als -zo niet zwaarder dan -de hoogte ervan, hebben wij een aantal vragen gesteld over de vervolguitkering van éên jaar in de NWW ter hoogte van 70% van het minimumloon. Uit die antwoorden blijkt dat een lichtere entrée-eis, alleen gekoppeld aan de referteperiode, niet tevens aan de arbeidsverledeneis, die vooral voor jongeren van groot belang kan zijn, ongeveer f200 a f250 miljoen extra kost, uitgaande van de 70%-variant.

Een eventuele keus voor de 50%-variant zou hierbij natuurlijk aanmerkelijk lichter uitvallen. Helaas weet ik daarvan het precieze bedrag niet. Misschien kan het kabinet mij dat morgen meedelen. Verder blijkt dat een eventuele basisvariant van 50% voor de huidig voorgestelde doelgroep van de vervolguitkering van de NWW, zonder gelijktijdige verlenging van de uitkeringsduur, zelfs f 130 miljoen zou besparen. Uitgaande van een individuele basisvariant van 50% in de vervolguitkering en van een budgettair neutrale aanwending van de besparing ervan voor een verlenging van de vervolguitkering, zou de vervolguitkering ongeveer anderhalf jaar kunnen duren. Wie de gegevens over een individueel lOAW-uitkeringsrecht met als basis 50% en een vervolguitkering van eveneens 50% minimumloon combineert, merkt dat -afhankelijk van de manier waarop het in concreto wordt ingevuld -toch binnen bescheiden kostenmarges een ruimer en langer individueel uitkeringsrecht mogelijk is. Daarbij ruil ik inderdaad in de vervolguitkering een stukje hoogte in voor een lange duur. Een langer, of ruimer toegankelijk, individueel sociaal minimum van 50%, met de bekende toeslagen naar leefsituatie, is op zich zeer wel verdedigbaar. In de AOW hebben wij eveneens voor het uitgangspunt '50% als individueel sociaal minimum' gekozen. Een bijkomend voordeel is, dat ik dan voor de vervolguitkering NWW en de IOAW niet langer twee afzonderlijke wetten nodig heb, nu ik in beide gevallen uitga van een sober ingevuld, individueel uitkeringsrecht. Ook dit werkt stelselvereenvoudigend en kostenbesparend. Samenvattend merk ik in dezen het volgende op. Binnen bescheiden kostenmarges is een langer individueel uitkeringsrecht nu al mogelijk. Naast de Toeslagenwet heb ik dan eveneens een tweede wet overbodig verklaard en rest mij slechts de vraag, hoe ik zo meteen de kostenverdeling tussen premies en rijksuitgaven moet bezien. Dit moet dan immers even opnieuw worden bekeken. Tot slot van deze algemene inleiding wil ik nog een korte blik vooruit werpen naar de onmiddellijke toekomst en naar de toekomst op middellange termijn Ons is na de stelselherziening rust op het front van de sociale zekerheid beloofd. Ik vrees echter dat de stelselherziening zelf bij invoering een bron van verwarring en onrust zal blijken te zijn. Er moet nog heel veel geregeld worden in uitvoeringsbesluiten. De voorgestelde wetgeving is buitengewoon ingewikkeld en zelfs voor specialisten nauwelijks te overzien. Ik erken wel dat een goed, rechtvaardig en genuanceerd stelsel niet eenvoudig kan zijn, maar dit stelsel is op onderdelen echt nodeloos complex. Daarom heb ik mij in deze inleiding al de vraag gesteld, of elke nieuwe wet strikt noodzakelijk is. Ik heb gepleit voor een grotere harmonisatie van de verschillende vrijlatingsbepalingen en ik zal straks nog enkele suggesties tot vereenvoudiging doen. De stelselherziening zal voorts stellig tot een vermeerdering van beroepsprocedures leiden. Ook de uitvoeringskosten zullen stijgen. Ik heb daarover nog één vraag. In de Financiële Nota Sociale Zekerheid 1987 lees ik dat de administratiekosten van de sociale verzekeringen alleen al tussen 1987 en 1 990 naar raming met 500 min. zullen stijgen. Van zo'n bedrag schrik ik wel erg. Kan het kabinet toelichten welk deel van die stijging van 500 min. te maken heeft met de stelselherziening? De voorgestelde invoeringsdatum van 1 januari 1987 lijkt veel te krap bemeten. Een zo omvangrijke en zo complexe systeemwijziging zou tussen het moment van afrondende parlementaire besluitvorming en afrondende besluitvorming over uitvoeringsbesluiten èn de invoering een afkoelingsfase, een moratorium, van drie tot zes maanden moeten hebben, die benut zou kunnen worden om via simulatie of droogzwemmen de effecten van het stelsel te toetsen. Dit zou kunnen geschieden door een aselecte steekproef uit het huidige bestand te trekken en de desbetreffende casusposities te toetsen op de effecten aan de hand van het nieuwe stelsel. Op die manier zou men mogelijke knelpunten en vacua tijdig kunnen opsporen en zou men nog vóór de invoeringsdatum tijdig kunnen bijsturen. Zal er rust zijn op het front van de sociale zekerheid? De inkt van de stelselherzieningswetsontwerpen is nog niet droog of er zweeft al weer een nieuw idee, vaag en onuitgewerkt, dreigend boven de markt, te weten de overdracht van werknemersverzekeringen aan de zogenaamde 'sociale

Sociale zekerheid/stelselherziening Werkloosheidswet Stelselwijziging

partners'. Het regeerakkoord omarmt dit idee terstond. Bij die overdracht zijn verschillende varianten denkbaar. In de eerste plaats betreft dit gedecentraliseerde, per CAO geregelde, werknemersverzekeringen. Ik denk dat de sociale zekerheid daarmee geheel zal omslaan naar onzekerheid. Ik wijs daarbij op het volgende. CAO's hebben een beperkte looptijd; CAO's worden soms niet en meestal pas vrij laat algemeen verbindend verklaard. Ongeveer 20% van de werknemers valt niet onder een CAO. Verzekeringen per CAO kennen slechts een beperkte risicospreiding. Werknemers in sterke bedrijfstakken en schone bedrijfstakken en met een hoge organisatiegraad zijn dan wellicht goed af, maar werknemers in zwakke, riskante of gevaarlijke bedrijven of bedrijfstakken zullen heel wat slechter uitkomen. Werknemers die de meeste behoefte hebben aan een goed stelsel van sociale zekerheid, zullen er dan het moeilijkst aan kunnen komen en dan nog wel tegen onevenredig hoge premies. Verzekeringen bij CAO betekenen afscheid van de onderlinge werknemerssolidariteit. Na de pensioenbreuk krijgen wij dan ook nog allerlei socialezekerheidsbreuken. De tweede variant is een veel minder ingrijpende overdracht van de werknemersverzekeringen aan de Sociale Verzekeringsraad, waar de Kroonleden eerst uit verwijderd zouden moeten worden. Dat is een recent voorstel van het CNV. De discussie daarover vertoont een vreemd en grillig verloop. Nog maar enkele jaren geleden was het CNV een hartstochtelijk verdediger van een wettelijk stelsel van sociale zekerheid. Aan de vooravond van de debatten over de stelselherziening kwam het CNV opeens met het plan tot overdracht van de werknemersverzekeringen aan de SVR. Het werd toen nadrukkelijk gepresenteerd als een alternatief voor de stelselherziening, naar mijn indruk een laatste wanhoopsgebaar van het CNV dat het vertrouwen in de politiek begon te verliezen. Het CNV-voorstel is betrekkelijk gematigd. Het CNV wil geen gedecent ra liseerde werknemersverzekeringen per CAO maar landelijke verzekering met een nationale risicospreiding en verplichte deelname. Ook in het CNV-model moet de overheid via

kaderwetgeving ervoor zorgen dat algemene eisen geformuleerd worden waaraan de werknemersverzekeringen moeten voldoen. Daarmee komt het CNV toch weer in de buurt van de bestaande wettelijke werknemersverzekeringen. Anders dan het CNV meen ik dat ook uitkeringsvoorwaarden, hoogte en -duur in hoofdzaken wettelijk geregeld en gegarandeerd dienen te zijn. Ik meen wel dat de overheid zich niet zo en detail moet mengen in bedrijfsspecifieke zaken als nu het geval is. Men late de verrekening van vakantiebonnen gerust over aan de bedrijfsvereniging en ook de vraag wanneer en onder welke condities overwerk, dertiende maand, gratificaties en dergelijke meegenomen moeten worden in de dagloonberekening, kan de bedrijfsvereniging naar mijn mening beter beoordelen dan de staatssecretaris en het parlement. Ik ben dan ook terdege voorstander van enige decentralisatie in de uitvoering en de toepassing van de werknemersverzekeringen. Inmiddels is de politiek wat op de loop gegaan met de leus van overdracht van werknemersverzekeringen aan werkgevers-en werknemersorganisaties, al is mij niet duidelijk hoe men denkt dit in te vullen. Vooral de opstelling van de staatssecretaris is mij onduidelijk. In een toespraak voor de BVG, de bedrijfsvereniging voor de gezondheid, op 10 oktober jongstleden benadrukte hij terecht 'dat de verantwoordelijkheid van de overheid op dit voor de burgers zo wezenlijke beleidsterrein niet geheel kan verdwijnen'. En over een verschuiving van bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de minister naar SVR of bedrijfsverenigingen zei hij ook: ' Ik vind dat een goede zaak, dat standpunt zal u niet verbazen'. Eerlijk gezegd, verbaast dat standpunt mij wel een beetje. Ik herinner me bij voorbeeld de jarenlange guerrilla van de staatssecretaris tegen de uitvoeringsorganen om de dertiende maand uit de dagloonvaststelling te laten verwijderen. Ik herinner me dat de Tweede Kamer bij de stelselherziening via amendering een aantal bevoegdheden uit de hand van de staatssecretaris moest trekken om die bij de Sociale Verzekeringsraad te leggen. Een recent voorbeeld: in het voorlopig verslag vroeg ik waarom arbeid van een illegale buitenlander expliciet als uitsluitingsgrond in de NWW Sociale zekerheid/stelselherziening Werkloosheidswet Stelselwijziging Toespraken opgenomen moest worden. Immers voor het verkrijgen van een NWW-uitkering is inschrijving bij het arbeidsbureau verplicht. Het arbeidsbureau is belast met de uitvoering van de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers en schrijft geen illegalen in. In de memorie van antwoord stelt de staatssecretaris. 'Hoewel een blijvende weigering van de gehele uitkering, hetgeen in het geval van een illegale werknemer in de rede zou liggen, tot de in artikel 27 bedoelde sancties behoort, zou het de bedrijfsvereniging vrij staan een andere sanctie op te leggen.' Dat is formeel een correcte redenering. Mij bekruipt toch het gevoel dat de staatssecretaris denkt: overdracht van bevoegdheden aan SVR en bedrijfsverenigingen is in principe wel een goede zaak; ik zal mij er, conform de huidige trend, steeds lovend over uitspreken maar ja, ik vertrouw ze toch niet echt. Wil de ware L. de Graaf opstaan? En kan hij ons alvast in een ruwe schets meedelen wat er in het regeerakkoord bedoeld wordt met de principeovereenkomst inzake de overdracht van de werknemersverzekeringen? Wie meent dat er rust op het sociale front moet bestaan zal hierover toch enige duidelijkheid moeten verschaffen. Wat betreft onze verdere bijdrage aan dit debat, zal mijn partijgenote mevrouw Joke van der Meer de wijzigingen in de AAW en de WAO behandelen en een aantal aspecten van de Invoeringswet. Zij zal verder ook ingaan op de rechtsbescherming van uitkeringsgerechtigden. Daarna zal ik de NWW, de Toeslagenwet en de IOAW voor mijn rekening nemen, alsmede de wijzigingsvoorstellen inzake de Algemene Bijstandswet en de AOW.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 1 3.45 uur tot 14.45 uur geschorst.

Voorzitter: Steenkamp

Herdenking dr. M. A. M. Klompé, minister van Staat

©

De Voorzitter: Geachte medeleden, enkele uren geleden werd mij

medegedeeld dat Minister van Staat, dr. Marga Klompé, hedennacht is overleden. Als je haar levensloop doorneemt, kom je talrijke politieke en maatschappelijke functies tegen: Tweede Kamer, Raad van Europa, minister van maatschappelijk werk, minister van CRM en sinds enige tijd Ministervan Staat. Ik wil daarnaast gaarne met name vermelden haar inzet voor Justitia et Pax, gerechtigheid en vrede binnen de katholieke kerk. Bijna een jaar geleden op 9 november 1985 schreef dr. Marga Klompé een artikel in Trouw, een artikel over het hier en het hiernamaals: een duidelijke visie over leven en dood en een zelfportret. Ik citeer: 'Ik zie het levennadedood als een ononderbroken overgang van ons zijn op aarde en ons zijn daarna. Als wij tijdens ons aardse leven getracht hebben de gaven die God ons gaf te gebruiken om de boodschap van het Evangelie gestalte te geven, dan hebben wij de Heer daarin ook al ontmoet en wel in de mensen met wie wij omgingen en voor wie wij werkten. Als wij doodgaan, dan zie ik wat daarna komt als een verlenging van ons aardse leven; hoe groter al de 'leegte' geworden was hier, hoe dieper de invulling -de inbezitname door God -zal zijn in het hiernamaals. De overgang bij de dood wordt dus dan een leegte, die volkomen wordt gevuld door God, dus een totale bevrijding van jezelf, een totale overgave en een worden ondergedompeld in Gods liefde. Dat noemt men de aanschouwing Gods. Hoe intenser je aardse leven Gods wil -zeg Bergrede -hebt trachten te doen, hoe groter dus je liefde is geweest voor God en de naaste, hoe dieper zal de aanschouwing Gods zijn als wij verder leven na onze dood.' Tot zover de woorden van minister Klompé 51 weken geleden. Geachte medeleden, dit getuigenis van Marga Klompé wilde ik hier neerleggen in diepe dankbaarheid voor alles wat zij deed voor zovele mensen. Moge zij nu vinden waarnaar zij toeleefde; de echte ontmoeting met God.

©

J. (Jan) de KoningMinister De Koning: Mijnheer de Voorzitter! Namens de regering sluit ik mij aan bij uw woorden van dank en van herdenking. Ook de regering herdenkt met grote dankbaarheid het

belangrijke werk dat mevrouw Klompé heeft gedaan voor ons land in zoveel verschillende functies. Zij was minister van maatschappelijk werk en minister van CRM in niet minder dan vijf kabinetten. Zij was de eerste vrouwelijke minister in ons land. Ten slotte vond aan het eind van haar actieve politieke loopbaan haar benoeming tot Minister van Staat plaats als een bekroning van de loopbaan. Toen Marga Klompé lid werd van de Tweede Kamer, had zij via de Nederlandse delegatie naar de algemene vergadering van de Verenigde Naties al veel ervaring opgedaan in de internationale politiek. Het was dan ook niet voor niets dat zij destijds voor de KVP de kwaliteitszetel van buitenlandse zaken bezette als opvolger van de heer Sassen. Zij heeft ook daarna haar kamerlidmaatschap gecombineerd met verschillende internationale functies in het parlement van de Raad van Europa en het parlement van de EGKS, de voorloper van het Europees Parlement. Als minister heeft zij een groot aandeel gehad in het leggen van de basis voor het hedendaags maatschappelijk werk en de opbouw van de moderne verzorgingsstaat. De kroon op haar werk, ook door haarzelf zo aangevoeld, was de inwerkingtreding van de Algemene Bijstandswet. In de dynamische en ook vaak roerige jaren '60 waarin de positie van de minister van CRM te midden van tal van actiegroepen die zeer veel eisen hadden, niet altijd een even gemakkelijke was, wist zij veel van de ideeën die uit de samenleving opbruisten, te kanaliseren binnen het beleid van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk. Na haar afteden als minister en tijdens haar functioneren als ministervan Staat is mevrouw Klompé zeker niet in ruste gegaan. U noemde al het belangrijke werk dat zij deed voor de roomskatholieke kerk, met name voor Justitia et Pax. Mevrouw Klompé was een van de groten onder ons. Velen hebben haar als voorbeeld gezien en zich aan dat voorbeeld opgetrokken. Zij was ook een warm mens, met hart voor haar medemensen en met hart voor onze gehele samenleving. Thans is aan dit dienstbare leven een einde gekomen. Marga Klompé aan de poorten van het Koninkrijk van vrede en gerechtigheid, waarvoor zij zich ook hier op aarde, altijd Toespraken Sociale zekerheid/stelselherziening Werkloosheidswet Stelselwijziging zozeer met haar hele leven heeft ingezet.

(De aanwezigen nemen enige ogenblikken stilte in acht.)

De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.