Tekst

Aan de orde zijn de stemmingen over negen moties, ingediend op 6 december 1984 bij de behandeling van de stukken over de uitvoering van de Algemene Bijstandswet (18123, nrs. 11 t/m 16), te weten: -de motie-Willems c.s. over de invoering van de zgn. woningdelersnorm (18123, nr. 17); -de motie-Dales over het recht op bijstand van alleenstaanden (18123, nr. 18); -de motie-Dales over het achterwege laten van de verlaging van de bijstandsuitkering indien geen woonkosten verschuldigd zijn (18123, nr. 19); -de motie-Dales over samenwonende bejaarden (18123, nr. 20); -de motie-Dales over gedeeltelijk arbeidsongeschikten die een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen (18123, nr. 21); -de motie-Dales over de datum van inwerkingtreding van de nieuwe voorschriften (18123, nr. 22); -de motie-Dales over de uitvoeringskosten voor de gemeenten (18123, nr. 23);

Vragen Regeling van werkzaamheden Algemene Bijstandswet/voordeurdelers

-de motie-Groenman over het geven van duidelijke voorlichting (18123, nr. 24); -de motie-Brouwer c.s. over de positie van broers en zusters in de regeling (18123, nr. 25).

©

De Voorzitter: Mij is verzocht, de beraadslaging te heropenen. Ik stel voor, aan dat verzoek te voldoen. Daartoe wordt besloten.

©

De heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Tijdens het korte debat over de voordeurdelers werd aan het eind duidelijk, dat er wellicht toch een kamermeerderheid zou zijn voor een uitzondering die noodzakelijk is voor buitenlanders die gehuwd zijn en waarvan de partner in het buitenland verblijft. Deze worden überhaupt door de bijstand al op achterstand gezet, maar zij kunnen bovendien door de voordeurdelersregeling worden getroffen. Ik heb aan het eind van het debat al aangekondigd, dat ik alsnog een motie erover wilde formuleren. Deze heb ik nu inmiddels laten verspreiden en ik verzoek u deze alsnog bij de stemmingen over dit onderwerp te voegen. Ik zou graag van de staatssecretaris nog een reactie erop vernemen, zodat wij weten, in welke mate wij tegemoet zijn gekomen aan de eerder door hem geformuleerde bezwaren.

De Voorzitter: Door de leden Willems, Beckers-de Bruijn, Brouwer en Dales wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat gehuwde buitenlanders met recht op een RWW-uitkering, wier gezin in het buitenland verblijft en door hen moet worden onderhouden, slechts in aanmerking komen voor een RWW-uitkering op alleenstaandenniveau; overwegende, dat zij bovendien getroffen kunnen worden door de woningdelerskorting, indien zij samen met anderen een woning bewonen; van mening, dat zij in dat geval nog meer belemmerd worden om in het onderhoud van hun gezin te voorzien; verzoekt de regering, deze groep van toepassing van de 60%-norm uit te zonderen, en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 26 (18123). Ik stel voor, over deze motie aanstonds te stemmen. Daartoe wordt besloten.

©

De heer Wolters (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil de staatssecretaris vragen, of hij bereid is in verband met het debat over de Algemene Bijstandswet, dat na het kerstreces zal plaatsvinden, nog eens op een rijtje te zetten door welke maatregelen in het kader van de ABW alleenstaande buitenlanders die hun gezin in het buitenland hebben, worden getroffen en hoe het zich tot elkaar verhoudt.

©

Mevrouw Dales (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Naar aanleiding van mijn motie op stuk nr. 20 heeft de staatssecretaris nog een nader bericht gezonden. Het gaat dan om mensen die met een aanvullende bijstandsuitkering op AOW of ABW samenwonen, omdat zij elkaar dienen te ondersteunen, zoals bij verzorging van ouders of van gehandicapten. In die brief staat de volgende zin: Betrokkenen blijven buiten beschouwing, indien zij als zij niet bij hun naaste familieleden zouden wonen, zouden zijn aangewezen op verzorging in een bejaardentehuis of een andere inrichting ter verpleging of verzorging. Ik moet de staatssecretaris, voordat ik over mijn motie op stuk nr. 20 een beslissing kan nemen, vragen, of hiermee wordt bedoeld: aangewezen op een bejaar-den-of verzorgingstehuis in de technische zin, dus door een indicatie commissie als zodanig ook gekwalificeerd. In dat geval kan ik mijn motie op stuk nr. 20 niet intrekken, want dat gaat veel verder dan wat de staatssecretaris zei. Hij trok een parallel met de inkomstenbelasting. Daarbij is niet van zo'n technische opvatting sprake. Bovendien wordt een bejaarde die nog thuis verzorgd kan worden, nimmer geïndiceerd voor noodzakelijke opname in een bejaardentehuis. Dan zou zelfs zijn toezegging echt waardeloos zijn, want die kan dan geen effect hebben. Na het antwoord kan ik zeggen, wat ik met mijn motie doe.

©

Staatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Over de in de motie-Willems behandelde zaak heb ik al een oordeel uitgesproken bij de behandeling van deze zaak. Ik verwijs daarnaar. Het zal niet verbazen, dat ik op grond van dat betoog deze motie nu moet ontraden.

De heer Wolters verbond hieraan de vraag, op deze problematiek terug te komen bij de behandeling, plenair, in een UCV of in een mondeling overleg, van de bijstandswet in haar totaliteit. Daarop wil ik graag positief reageren. Tot mevrouw Dales kan ik zeggen, dat met mijn brief is bedoeld hetzelfde te bereiken als hetgeen bereikt kan worden in vergelijkbare situaties bij fiscale wetgeving. Het gaat in die zin om een volledige synchrone behandeling. Meer kan ik daarover nu niet zeggen.

Mevrouw Dales (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Dat houdt in, dat niet als criterium wordt genomen het oordeel van een indicatiecommissie voor de bejaarden-en verzorgingstehuizen dan wel een keuringsinstantie voor een inrichting. Ik trek mijn motie op stuk nr. 20 in.

De Voorzitter: Aangezien de motie-Dales (18123, nr. 20) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

©

De heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Heeft de staatssecretaris bedoeld te zeggen, dat de materie, zoals omschreven in de motie -de woningdelerskorting voor gehuwde buitenlanders -zal worden betrokken bij het overzicht van maatregelen voor buitenlanders met bijstand? Als dat het geval is, dan lijkt het mij beter, dat de discussie over mijn motie wordt afgerond in het debat over de Algemene bijstandswet.

©

Staatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb begrepen, dat het de heer Wolters gaat om de positie van mensen, die een bijstandsuitkering genieten en wier gezinnen in het buitenland wonen. Het behoeven overigens niet alleen buitenlanders te zijn, het kunnen ook Nederlanders zijn.Dit onderdeel kan inderdaad aan de orde komen bij de behandeling van de problemen in het kader van de Algemene bijstandswet.

De heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter. In dat geval houd ik mijn motie aan.

©

De Voorzitter: Op verzoek van de heer Willems stel ik nader voor, zijn motie (18123, nr. 26) van de agenda af te voeren. Daartoe wordt besloten. De beraadslaging wordt gesloten. In stemming komt de motie-Willems c.s. (18123, nr. 17).

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en Tweede Kamer 18 december 1984

Algemene Bijstandswet/voordeurdelers

het GPV en het lid Janmaat tegen deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat zij is verworpen. In stemming komt de motie-Dales (18123, nr. 18).

De Voorzitter: Ik constateer, dat deze motie is verworpen met dezelfde stemverhouding als de vorige. In stemming komt de motie-Dales (18123, nr. 19).

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en het GPV tegen deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat zij is verworpen. In stemming komt de motie-Dales (18123, nr. 21).

De Voorzitter: Ik constateer, dat deze motie is verworpen met dezelfde stemverhouding als de vorige. In stemming komt de motie-Dales (18123, nr. 22).

De Voorzitter: Ik constateer, dat deze motie is verworpen met dezelfde stemverhouding als de vorige. In stemming komt de motie-Dales (18123, nr. 23).

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP en de RPF tegen deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat zij is verworpen. Instemming komt de motie-Groenman (18123, nr. 24).

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fractie van de VVD tegen deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat zij is aangenomen. In stemming komt de motie-Brouwer c.s. (18123, nr. 25).

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en het GPV en het lid Janmaat tegen deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat zij is verworpen. Ik stel voor, de stukken 18123, nrs. 11 t/m 16 voor kennisgeving aan te nemen. Daartoe wordt besloten.

Aande orde zijn de stemmingen over drie moties, ingediend in de UCV van 26 november 1984 over de onderdelen politie van de hoofdstukken VI (Justitie) en VII (Binnenlandse Zaken) van de rijksbegroting voor het jaar 1985, te weten: -de motie-Stoffelen/Wessel-Tuinstra over de sterkte van het Haarlemse politiekorps (18600 VI en VII, nr. 30); -de motie-Wessel-Tuinstra over de overdracht van bevoegdheden (18600 VI en VII, nr. 31); -de motie-Stoffelen/Dales over een studietoelageregeling voor ouderen die een politie-opleiding willen volgen (18600 VI en VII, nr. 32).

De Voorzitter: Het is mij gebleken, dat deze moties voldoende worden ondersteund. De heer Stoffelen vraagt opening van de beraadslaging. Ik stel voor, aan dit verzoek te voldoen. Daartoe wordt besloten.

©

De heer Stoffelen: Mijnheer de Voorzitter! Ik wil enkele opmerkingen maken naar aanleiding van de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken over de tijdens de UCV van 26 november 1984 ingediende motie over de sterkte van de politie in Haarlem. De brief -waarvoor wij de minister danken -maakt melding van een arrangement -in normaal Nederlands een overeenstemming -dat bereikt zou zijn met de burgemeester van Haarlem. Ik ben hedenochtend in overleg getreden met de burgemeester van Haarlem en de korpschef die beiden veronderstelden dat gedoeld werd op gesprekken in het jaar 1982. Die gesprekken verliepen in een goede sfeer, maar leidden niet tot echte overeenstemming. Ze leidden wel tot een stroom brieven aan deze Kamer, tot het bespreken van dit onderwerp tijdens de begrotingsbehandeling, het indienen van een motie en het aanvaarden van een motie. Dat zou geen aanleiding zijn om de onlangs ingediende motie te wijzigen, ware het niet dat de brief aangeeft dat de minister bereid is tot het voeren van verdere gesprekken. Wij stellen dat zeer op prijs en willen daarom het dictum van de motie wijzigen, ook om aldus te bereiken dat de motie kamerbrede steun krijgt. In het gewijzigde dictum wordt op twee zaken de nadruk gelegd. In de eerste plaats wordt de minister dringend verzocht om in overleg -dus niet na overleg -met de gemeente Haarlem tot overeenstenv ming te komen. In de tweede plaats wordt verzocht om een zodanige sterktevaststelling dat het voor het hele land belangrijke experiment ongehinderd voortgang kan vinden. Om die reden wil ik thans mede namens de leden Wessel-Tuinstra, Faber en Dijkstal een gewijzigde motie indienen.

©

De Voorzitter: De motie-Stoffelen/ Wessel-Tuinstra (18600 VI en VII, nr. 30) is in die zin gewijzigd, dat het dictum thans luidt:

nodigt de minister uit, de sterkte van het Haarlemse politiekorps in overleg met de gemeente Haarlem zodanig vast te stellen, dat het experiment ongehinderd voortgang kan vinden,. Deze gewijzigde motie is ondertekend door de leden Stoffelen, Wessel-Tuinstra, Faber en Dales. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 38 (18600 VI en VII). Ik stel voor, aanstaande donderdag over deze motie te stemmen. Daartoe wordt besloten.

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Wil de minister nog commentaar geven op de formulering 'in overleg met'?

©

Minister Rietkerk: Mijnheer de Voorzitter! Ik ging ervan uit dat vandaag over deze motie zou worden gestemd, maar dat is natuurlijk aan de Kamer, In mijn brief van 17 december heb ik aangegeven dat ik al het nodige zal doen om ervoor te zorgen dat dit ook door mij belangrijk geachte experiment in Haarlem niet zal mislukken. Ook heb ik aangegeven dat wij hierover in overleg zijn met de gemeente. Ik ben de heer Stoffelen erkentelijk voor de wijziging van de motie, omdat nu meer rekening wordt gehouden met datgene wat er ten aanzien van Haarlem al is gebeurd. Als die wijziging een uitspraak in deze geest zou inhouden, zou ik daar in ieder geval minder moeite mee hebben dan met het dictum van de eerdere motie. Ik moet hieraan toevoegen dat ik overigens ook staatsrechtelijke bedenkingen heb tegen een verplichting die mij door de Kamer wordt opgelegd om maatregelen te nemen in overleg met de gemeente. Juridisch gezien betekent dat, dat geen regeling terzake kan worden getroffen dan met instemming van de betreffende Tweede Kamer 18 december 1984

Algemene Bijstandswet/voordeurdelers Politie

gemeente. Dat moet ik afwijzen. In de overwegingen van de motie, die niet gewijzigd zijn, wordt bovendien een te absoluut verband gelegd tussen het slagen van deze reorganisatie-operatie en een zekere aanpassing van de sterkte. Ik houd dus bezwaren tegen de overwegingen. Als ik het bijgestelde dictum mag verstaan als zijnde in overeenstemming met wat ik in mijn brief heb gemeld, heb ik er geen moeite mee. Wél blijf ik moeite houden met de opdracht om het in overeenstemming met de betreffende gemeente te moeten regelen.

De beraadslaging wordt gesloten. In stemming komt de motie-Wessel-Tuinstra (18600 VI en VII, nr. 31).

©

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD, de PSP en de CPN tegen deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat zij is aangenomen. In stemming komt de motie-Stoffelen/ Dales (18600 VI en VII, nr. 32).

De Voorzitter: Ik constateer, dat het lid Janmaat tegen deze motie heeft gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ervoor, zodat zij is aangenomen.

De Voorzitter: Aan de orde zou zijn de stemming over de motie-Van den Toorn over de huisvesting van meer gedetineerden in één ruimte (18600 VI, nr. 34). In verband met ziekte van de ondertekenaar, stel ik voor, de stemming over deze motie uit te stellen tot donderdag aanstaande. Daartoe wordt besloten.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.