Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen: -Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschikt heidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid) (19256); -Verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschikt heidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die ťťn of meer personen tot hun financiŽle last hebben (Toeslagenwet) (19257); -Wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten) (19258); -Wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van de mannen en vrouwen en gelijkstel ling van niet-gehuwde personen met gehuwden (19259); -Het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere werklo ze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geŽindigd (Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers) (19260); -Verzekering van werknemers tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet) (19261), en van de daarbij voorgestelde moties. De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

A. (Annelien)  Kappeyne van de CoppelloStaatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Mijnheer de Voorzitter! Mijn collega de heer De Graaf heeft in zijn zeer lange betoog een kleine verspreking gemaakt. Hij heeft 4633

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppelloundefined Zaken en Werkgelegenheid aangekondigd, dat op bepaalde vragen uit de Kamer door mevrouw Kraaijeveld-Wouters zou worden geantwoord. Ik zou er geen enkel bezwaar tegen hebben als mevrouw Kraaijeveld mijn speech, zelfs vanaf deze plaats, zou uitspreken. Ik denk ook, dat zij met verreweg het grootste gedeelte ervan van harte zou instemmen Ik koester zelfs de stoute gedachte dat zij, indien zij op dit moment staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede verantwoordelijk voor het emancipatiebeleid zou zijn geweest, de gehele speech die ik mij voorneem uit te spreken, zou kunnen uitspreken. Ik heb er echter alle begrip voor, dat er een enkel punt overblijft waarop zij, sprekend namens de CDA-fractie, een andere mening huldigt dan ik. Vanwege dat ene punt is het voor de zuiverheid van de staatsrechtelijke verhoudingen beter, dat ik de speech uitspreek.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Dat lijkt mij goed, hoewel ik wel de volgende kanttekening plaats. Ik zou als persoon, als staatssecretaris of als woordvoerder van een fractie, een opvatting moeten verkondigen waar ik zelf volledig achter sta en dat zou dus dezelfde moeten zijn.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Ik denk dat deze laatste opmerking van mevrouw Kraaijeveld geheel overeenstemt met de conclu sie die ik zojuist trok.

Mijnheer de Voorzitter! Gaarne dank ik de leden voor de aandacht die zij hebben besteed aan de emancipatieaspecten van het nieuwe stelsel van sociale zekerheid. Mijn collega de heer De Graaf heeft in zijn betoog, zij het zeer beknopt, al aangegeven dat de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van emancipatie mede aanzet zijn geweest tot die stelselherziening. Ik stel het op prijs, nog nader in te gaan op de wijze waarop het emancipatiestreven zijn neerslag heeft gevonden in de huidige wetsvoorstellen, op de relatie tot het beleidsplan emancipatie en op de daarover gestelde vragen. In algemene zin wil ik eerst de volgende opmerkingen maken. Eťn van de meest in het oog springende ontwikkelingen in hetemancipatiepro ces van de laatste jaren is de steeds duidelijker naar voren komende wens en behoefte van vrouwen om deel te nemen aan betaalde arbeid. Deze ontwikkeling komt mede tot uitdrukking in de cijfers over de arbeidspar ticipatie. Het deelnemingspercentage van vrouwen is in de laatste jaren sterk gestegen. In 1985 lag de arbeidsdeelname van vrouwen van 25 tot 45 jaar tussen de 49% en 62%. Zes jaar eerder was dit nog tussen de 34% en 43%. Naar verwachting zal deze ontwikkeling zich het komende decennium verder voortzetten. In het overheidsbeleid, met name dat van Sociale Zaken en Werkgele genheid, is dan ook in toenemende mate aandacht geschonken aan de mogelijkheden om de arbeidsmarktpositie van vrouwen te verbeteren. In het beleidsplan emancipatie neemt de bevordering van de economische zelfstandigheid van vrouwen een centrale plaats in. De lijn waarlangs dit kan worden gerealiseerd, loopt volgens het kabinet via deelname aan de betaalde arbeid. Het streven is daarom gericht op het zoveel mogelijk wegnemen van drempels en ontmoedigingseffecten, waarmee uiteindelijk naar een situatie wordt toegewerkt waarin ieder volwassen individu een vrije keuze kan maken voor een aandeel in betaalde en onbetaalde arbeid. Daarnaast is er een kentering te bespeuren in de maatschappelijke opvattingen ten aanzien van de financiŽle afhankelijkheid van mensen ten opzichte van elkaar. Dat geldt in het bijzonder voor de erkenning van de betekenis van financiŽle onafhankelijkheid voor vrouwen. Niet alleen in emancipatiekringen stelt men zich meer dan voorheen op het standpunt dat ook gehuwde vrouwen in de toekomst meer in staat kunnen worden geacht om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Deze ontwikkelingen in de feitelijke arbeidsparticipatie als ook in de opvattingen daarover maken deel uit van een geleidelijk veranderingsproces in de positie van mannen en vrouwen in de samenleving. Ik ben dan ook van mening, dat het emancipatiestreven op sociaal-economisch gebied in eerste aanleg gericht moet zijn op individuele inkomensverwerving in de primaire sfeer, met als lange termijndoelstelling: doortrekking van de consequenties van die ontwikkeling naar de secundaire sfeer. Daarmee kom ik op de stelselherziening en op de opmerkingen die door meer leden zijn gemaakt over het emancipatoire karakter hiervan. Zowel de voorgestelde aanpassingen in verband met de hiervoor geschetste ontwikkeling als de openingen naar een verdergaande individualisering van uitkeringsrechten in de toekomst hebben bij verschillende leden vragen opgeroe pen. Daaruit beluister ik enerzijds enige reserve ten aanzien van het meegaan met die ontwikkeling en anderzijds teleurstelling over het niet snel genoeg verlopen van die ontwikkeling. Ik concludeer -dat lijkt mij op zichzelf een heel positief punt -dat in deze stelselherziening

de discussie over verdergaande individualisering van uitkeringsrechten principieel op gang is gekomen. Een belangrijk punt in deze discussie is het tijdelijk karakter van de Toeslagenwet. In haar commentaar op de Toeslagenwet gaf mevrouw Kraaijeveld aan nieuwe hoop te putten uit de nota naar aanleiding van het eindverslag, speciaal betrekking hebbend op de zogenaamde 1990-passage. De uitspraken over het tijdelijke karakter van deze wet waren niet meer dan een gedachte, zo concludeerde zij. Ik moet haar daarin teleurstellen, in zoverre dat er geen twijfel meer kan bestaan over de intentie om door te gaan in de richting van individuele uitkeringsrechten in de toekomst. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt evenwel aangegeven dat het nu nog te vroeg is om tot besluitvorming over de inhoud van wettelijke maatregelen ter zake te kunnen komen. Ik kom daarop in de loop van mijn verhaal terug. De heer Linschoten heeft in zijn bijdrage een treffende beschrijving gegeven van de fasering van het proces van individualisering, waarbij hij dit proces in historisch perspectief plaatst.

De heer Schutte (GPV): Het punt dat mevrouw Kraaijeveld noemt, heb ik in mijn betoog ook genoemd. Ik heb het desbetreffende onderdeel uit de nota naar aanleiding van het eindverslag geciteerd. Daar staat dat men nu niet kan overzien -vandaar het gedateerde karakter -of, laat staan op welk tijdstip, tot invoering van zo'n geÔndividualiseerd uitkeringssysteem kan worden overgegaan. Daaruit heb ik de conclusie getrokken -ik denk mevrouw Kraaijeveld ook -dat het niet zozeer alleen gaat om de onzekerheid over de inhoud van het concrete systeem, maar dat tevens wordt gezegd dat men momenteel ook niet kan overzien of het sowieso zal lukken.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Inderdaad, met name ten aanzien van de problematiek van de Bijstandswet als laatste bodemvoorziening. Dat neemt niet weg dat je de intentie kunt uitspreken tot volledige individualisering en de politieke wil om daar naar toe te werken. Ten aanzien van de 1990-problematiek met de door de Kamer verworpen motie van mevrouw Kraaijeveld werd heel duidelijk geprobeerd om een deur zo definitief mogelijk dicht te doen. Het feit dat nu eerst in de volgende kabinetsperiode een verdere uitwerking van die voornemens zal kunnen plaatsvinden, is inherent aan de geleidelijke aard van dit proces. Voordat ik daarop nader inga, wil ik eerst stilstaan bij veranderingen op de korte termijn, namelijk in de wetsvoorstellen die nu behandeld worden. Voornamelijk in de loondervingssfeer in de nieuwe Werkloosheidswet worden belangrijke verbeteringen gerealiseerd met betrekking tot de individuele uitkeringsrechten voor vrouwen. In het ontwerp van de nieuwe Werkloosheidswet is aan het emancipatiestreven vorm gegeven door daarin de gelijke berechtiging van mannen en vrouwen te verankeren. Ook de toevoeging van de vervolguitkering binnen de nieuwe Werkloosheidswet vormt daarbij een belangrijk in de toekomst nog uit te bouwen element en een tweede pluspunt voor vrouwen -niet minder belangrijk voor mannen als ze kinderen verzorgen -is het gedeeltelijk meetellen van de verzorgingsperiode van jonge kinderen voor de berekening van het feitelijke arbeidsverleden. De in het wetsvoorstel vastgelegde meeberekening van deeltijdarbeid voor het recht op uitkering werkt eveneens ten gunste van vrouwen die tot nu toe veelal in deeltijd werkzaam zijn. Deze aanpassing van de referte-eis aan de sterke deelname van deeltijdarbeid zal ook een verdere voortgang van de verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid tussen mannen en vrouwen kunnen stimuleren. Ten aanzien van de vervolguitkering is duidelijk aangegeven dat deze vanwege de financiŽle begrenzingen voorshands tot ťťn jaar beperkt moet blijven. Indien in de toekomst meer financiŽle ruimte beschikbaar komt, behoort verlenging van die duur tot ťťn van de prioriteiten. Daarnaast wordt een verdere ontwikkeling in de richting van individualisering van de minimumbehoefteregeling niet uitgesloten. In de memorie van toelichting op de toeslagenwet is de gedachte naar voren gebracht, dat bij voorbeeld de generatie die na 1 990 18 jaar wordt, geacht mag worden in voldoende mate voorbereid te zijn op deelname aan betaalde arbeid. Mevrouw Rempt had er wat twijfels over maar misschien heeft zij die over een paar jaar overwonnen.

Mevrouw Rempt-Halmmans de Jongh (VVD): Ik ben wel voor de individualisering maar 1990 vind ik te vroeg. Ik zeg dit maar om misverstanden te voorkomen.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Bij mij is geen sprake van misverstanden.

Mevrouw Rempt-Halmmans de Jongh (VVD): Je weet maar nooit met die mensen aan de overkant.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Ik concludeer dat de opmerking van mevrouw Rempt tot andere leden gericht was. Voor deze generatie zou in principe kunnen gelden dat wanneer er geen jonge kinderen zijn, van beide partners wordt verwacht dat zij zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt, voor zover zij beiden een beroep doen op een sociale uitkering. Zoals uit de memorie van toelichting op de toeslagenwet blijkt, kan men een dergelijke ontwikkeling zien als een eerste stap naar het systeem van zelfstandige uitkeringsrechten. Ik weet niet of ik hier moet ingaan op de vragen van mevrouw Dales, of dat zij wil dat ik dat op een ander moment doe. Mevrouw Dales heeft dit voornemen, verwoord in het beleidsplan emancipatie, de vraag verbonden, of de verplichting in andere regelingen voor gehuwde vrouwen, zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt, in strijd is met hetgeen ik in het beleidsplan tot uitdrukking heb gebracht.

Mevrouw Dales (PvdA): Ik dank de staatssecretaris voor de egards die zij mij toont door mij te laten kiezen wanneer zij het antwoord geeft. Voorts dank ik haar voor het feit, dat zij mij de gelegenheid biedt mijn vraag nog eens helder te formuleren. Ik heb mijn vraag gesteld in het kader van de behandeling van de IOW. Krachtens die wet worden vrouwen van omstreeks 50 jaar ook verplicht zich voor de arbeidsmarkt beschikbaar te stellen. Daartegenover staan geen rechten. Ik heb gevraagd hoe de bepalingen dienaangaande zich verhouden tot de opvatting van de staatssecretaris, dat met de inschakeling moet worden begonnen bij een generatie die daarop voorbereid kon zijn. Dat is de generatie die in 1990 18 jaar is. De staatssecretaris mag er nu op ingaan maar ik vind het ook goed, als zij het later in haar betoog doet.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Het is mij duidelijk.

Ik zie nauwelijks een relatie tussen het voornemen om nu de verplichting, zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt toe te spitsen op enkele zeer kleine groepen van vrouwen in de IOAW en het zeer generieke voornemen, dat de komende vier jaar wellicht in wetsvoorstellen wordt geformuleerd, voor een bepaalde generatie van vrouwen de verplichting in te voeren, zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. In de IOAW gaat het om een bepaalde groep vrouwen, namelijk de vrouwen van oudere werknemers, die onder de werking van de IOAW vallen en welke vrouwen een recent arbeidsverleden hebben gehad. Aan zo'n vrouw kan de verplichting opgelegd worden om, indien haar man gebruik maakt van de uitkering krachtens de IOAW, zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. Zij heeft zelf -ik mag aannemen uit vrije keuze -gekozen om te gaan werken. Aan de andere kant zijn er ook gehuwde vrouwen die dat niet doen en die dus ook geen recent arbeidsverleden hebben. Welnu, als een vrouw een recent arbeidsverleden heeft gehad en haar man valt onder de bepalingen van de IOAW, dan wordt in die wet de mogelijkheid geschapen dat aan haar de verplichting wordt opgelegd zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. Dat is een hele andere, een toevallig voor een specifieke groep geldende benadering dan het algemene voornemen aan een hele generatie van jonge vrouwen mettertijd -dat zal pas na langere tijd plaatshebben -als zij huwen en zij bovendien niet kinderen hebben te verzorgen de verplichting op te leggen zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. In zoverre zie ik dus niet een directe relatie. Ik zie evenmin een directe relatie met de vrouwen die genoemd werden in de discussie naar aanleiding van de laatste opmerkingen van staatssecretaris De Graaf, dat het uit hoofde van de Algemene Bijstandswet of de RWW nu al mogelijk kan zijn dat in individuele gevallen aan vrouwen de verplichting wordt opgelegd zich beschikbaar te stellen voor de arbeidsmarkt. Ook daar zie ik geen directe relatie met het algemene voornemen dat in het beleidsplan staat.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): De staatssecretaris zegt nu herhaaldelijk -zij heeft het zojuist expliciet uitgesproken -dat het bij het beleidsplan gaat om vrouwen die geen jonge kinderen hebben. Ik heb pas na de discussie over het beleidsplan de verwarring ontdekt dat men meent dat het in het beleidsplan uitsluitend zou gaan om die gezinnen waarin geen jonge kinderen te verzorgen zijn, dus waarin geen kinderen zijn of kinderen boven de 12 jaar. Als dat zo is, dan is de discussie bij het beleidsplan voor mij volkomen onhelder geweest, want in het beleidsplan staat dat uitgemaakt moet worden of die zorg voor jonge kinderen etc... Ik herinner mij nog dat mevrouw Rempt toen naar voren bracht dat als het echt uitsluitend zou gaan om mensen die geen kinderen te verzorgen zouden hebben, er over verzorgingsloon zou worden gesproken. Dat wil ik vandaag graag opgehelderd zien. Daar komt dan de verwarring van zo net bij. Wie kan in het kader van de Algemene Bijstandswet mede met de echtgenoot een sollicitatieplicht opgelegd krijgen?

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: In de bespreking naar aanleiding van het beleidsplan hebben wij van de zijde van de regering een uitzonderingssituatie gecreŽerd door te zeggen dat wij de algemene plicht voor gehuwde vrouwen om te solliciteren wanneer zij gebruik maken van een toeslag, die eventueel na 1990 ingevoerd gaat worden, eventueel niet willen laten gelden in de periode dat die gehuwde vrouwen te zorgen hebben voor jonge kinderen. Ik heb daarbij toen ook een leeftijd gesteld. Men begrijpt dat dat natuurlijk nog in nadere wetsvoorstellen moet worden uitgewerkt. Inderdaad is er dan alle gelegenheid daarop terug te komen. Mevrouw Rempt heeft toen gezegd: Dat noem ik een verzorgingsloon, maar daarop ben ik verder niet ingegaan.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): U hebt gezegd dat het dat niet was.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Zij vatte het op als een soort verzorgingsloon, maar dat is het natuurlijk niet.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Laat ik het nog een keer duidelijk zeggen. Alle vrouwen die thuis jonge kinderen hebben, automatisch geen sollicitatieplicht, is dat de boodschap van het beleidsplan geweest? Of staat er: wanneer zorg voor jonge kinderen hen zou belemmeren .... Dan moet door de uitvoeringsorganen worden uitgemaakt of de situatie in dat gezin inderdaad oz is dat de zorg voor jonge kinderen die vrouwen zou belemmeren die sollicitatieplicht na te komen.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Of die man.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): In de praktijk kwam het neer op de vrouw.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Ik neem aan dat, als die vrouw in die situatie zegt: ' ik acht mij belemmerd want ik heb de rol op mij genomen van het verzorgen van de jonge kinderen', dit een heel belangrijke overweging is die vermoedelijk in wetgeving wordt vastgelegd en wordt gehonoreerd. Ik acht dat geen verzorgingsloon. Ik begrijp wel de gedachte, die mevrouw Rempt daarmee tot uitdrukking wilde brengen, namelijk dat vrouwen dan als het ware hun inspanning die niet betaald wordt gehonoreerd zouden zien, waardoor zij niet gedwongen worden, hun sollicitatieplicht te vervullen. Dat is juridisch, technisch en inhoudelijk echter geen verzorgingsloon. Dat was een wat emotionele, politieke opmerking van mevrouw Rempt....

Mevrouw Rempt-Halmmans de Jongh (VVD): Nee hoor.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: ....die juridischtechnisch niet helemaal hout snijdt.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Ik heb begrepen, dat half Nederland op zijn kop heeft gestaan vanwege het voornemen van de regering om mensen zonder kinderen te verplichten, beiden voor een uitkering

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Niet eens de halve Kamer, mevrouw Kraaijeveld!

Mevrouw Rempt-Halmmans de Jongh (VVD): Nee, het was een kleine minderheid.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Voorzitter! Ik weet niet of ik mevrouw Kraaijeveld helemaal goed kan volgen. Ik weet niet wie er in Nederland allemaal op hun kop hebben gestaan. Ik constateer dat haar motie is verworpen en ik was daar erg blij mee, mijnheer de Voorzitter! Als mevrouw Kraaijeveld achteraf zegt dat zij nu inziet, dat deze motie eigenlijk helemaal niet nodig was, dan kunnen wij dit gedeelte van het debat allen met tevredenheid afsluiten.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Voorzitter! Daar heb ik het niet over. Die motie is wel degelijk van belang gebleken. Ik stel nu vast, dat alle echtgenoten die kinderen te verzorgen hebben tot twaalf jaar,

automatisch geen sollicitatieplicht krijgen opgelegd.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Dat was al zo!

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Ik wil daar graag het antwoord van de regering op hebben. De staatssecretaris zegt namelijk nog steeds: dan zal dat eventueel toch wel een zodanige belemmering blijken te zijn, dat... Of dit zo is, moet dan worden vastgesteld door het uitkeringsorgaan. In dat geval moet worden vastgesteld dat vanaf nu is besloten, dat elke persoon die jonge kinderen te verzorgen heeft tot twaalf jaar, niet onder die verplichting valt.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Mijnheer de Voorzitter! Het lijkt mij voor mijn persoonlijke ijdelheid -die ik toch ook wel heb -een geweldig perspectief, dat iets, zodra ik het hier alleen maar zťg, niet alleen besloten is maar ook kracht van wet heeft, terwijl niet alleen half maar heel Nederland zich daaraan heeft te houden. Zo is het natuurlijk niet. Het beleidsvoornemen om dit punt politiek uit te werken in een wetsvoorstel, dat vervolgens ingediend zal worden bij deze Kamer, is niet meer dan een politieke intentie die wordt geuit. De uitwerking daarvan is natuurlijk zeer relevant. Daar krijgt de Kamer mee te maken. Zij kan die nog amenderen, etc. Ik zeg echter nogmaals, dat ik alleen maar blij ben als ik misverstanden heb kunnen wegnemen en dat ik niet alleen behoef te constateren dat er misverstanden zijn. Ik constateer dat zij er zijn geweest en dat zij nu zijn weggenomen. In zoverre is mijn betoog een aanvulling op het betoog van de heer De Graaf.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Voorzitter! Mag ik over de IOAW zelf -het lijkt wel een dierentuin -nog iets vragen? De staatssecretaris zei, dat aan vrouwen met een recent arbeidsverleden deze verplichting kan worden opgelegd. Er is nu ook een jongere groep bijgekomen, de arbeidsongeschikten. Dat maakt de situatie iets anders. Voor alle duidelijkheid wil ik haar het volgende vragen. Het gaat om vrouwen met een recent arbeidsverleden. Kunnen vrouwen, als zij geen recent arbeidsverleden hebben, geen verplichting krijgen om te solliciteren, ook niet als zij geen jonge kinderen hebben?

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Dat klopt. De verklaring hiervoor is, dat die vrouwen zelf door te werken hebben aangegeven, dat zij niet alleen bereid maar ook in staat zijn om te werken. Gezien hun recente arbeidsverleden kunnen zij vermoedelijk ook weer gemakkelijker terugkeren op de arbeidsmarkt. Nu houden wij er juist rekening mee dat heel veel vrouwen dat niet kunnen. Welnu, als zij dat in de praktijk kennelijk niet gekund hebben, dan moeten zij ook niet gehouden worden aan de verplichting om zich beschikbaar te stellen, want dat levert niets op!

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Het verzorgen van kleine kinderen is daarbij niet aan de orde?

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Neen!

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Prima!

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Het verzorgen van kleine kinderen zou een grond te meer zijn om zich niet beschikbaar te stellen!

Mevrouw Dales (PvdA): Voorzitter! Ik zou dan graag nauwkeurig willen weten wat precies een recent arbeidsverleden is, want dat gaat in de wetsinterpretatie natuurlijk een heel belangrijke rol spelen. Ik heb daar in de schriftelijke behandeling al naar gevraagd, maar daarop geen goed antwoord gekregen. Er staat: 'Aan de aanspraak op een zodanige voorziening dienen, indien mogelijk, redelijke arbeidsvoorwaarden met betrekking tot de partner te worden verbonden. Het stellen van voorwaarden aan de partner is in beginsel redelijk, indien deze in het recente verleden beloonde arbeid heeft verricht. Daarbij gaat het om een bestendig arbeidspatroon.'. Ik heb daaruit niet begrepen dat dit een limitatieve opsomming is. Ik zou dat graag verduidelijkt zien, want hiermee wordt niet uitgesloten dat dit ook in andere gevallen niet onredelijk zou zijn.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Mijnheer de Voorzitter! Of de heer De Graaf of ik zullen daar in tweede termijn of eventueel bij de artikelsgewijze behandeling antwoord op geven. Ik kan dat nu niet zo uit mijn hoofd doen. Naar mijn idee staat nog niet helemaal vast wat precies onder een recent arbeidsverleden moet worden verstaan. Wij zullen ons daarop beraden. Als wij er tijdens deze behandeling al een antwoord op kunnen geven, dan zal of de heer De Graaf -het betreft immers een vrij technisch aspect van de wet -of ik dat ook doen.

Mevrouw Dales (PvdA): Voorzitter! Ik moet daar dan wel van op aankunnen. Het slaat inderdaad op de IOW. Het antwoord daarop is verschoven naar de beantwoording van deze staatssecretaris. Ik heb daar graag mee ingestemd, waarom niet, maar als blijkt dat het antwoord nu toch niet kan worden gegeven, heb ik daar wat moeite mee. Het is van zeer wezenlijke betekenis.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Ik zeg niet dat het antwoord niet gegeven kan worden!

Mevrouw Dales (PvdA): Op dit moment niet en dan wil ik graag de verzekering dat wij op schrift krijgen -en wel voor de volgende termijn, want anders is de kans verkeken -wat onder een recent arbeidsverleden wordt verstaan en hoe dat dient te worden ingevuld. Alsdan zou ik met het debat door kunnen gaan!

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Mijnheer de Voorzitter! Die toezegging kan ik niet doen. Er komt een antwoord, maar ik kan niet toezeggen dat op schrift zal worden gesteld wat precies een recent arbeidsverleden is. Wij beraden ons op een nader antwoord en dan moet de Kamer maar zien of zij dat antwoord voldoende vindt.

De Voorzitter: Daar blijft het voorlopig bij en of de Kamer daarmee genoegen neemt, zien wij dan wel weer!

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Uit de opmerkingen van mevrouw Kraaijeveld over de 1990-passage en alles wat daarbij hoort heb ik begrepen dat zij een zekere tegenstrijdigheid bespeurt waar de regering een individualisering van uitkeringsrechten in de Algemene bijstandswet thans afwijst, maar daarvoor toch de deur op een kier houdt. Zij wil daarover nu absolute klaarheid hebben. Ik wil er geen twijfel over laten bestaan dat in de opvatting van het kabinet in de Algemene Bijstandswet, als laatste inkomensvoorziening met een minimumbehoeftekarakter, behoefte en draagkracht van de leefeenheid vooropstaan. Dat zijn de huidige uitgangspunten en daaraan wordt ook in het kader van de stelselherziening niet getornd. Op de korte termijn kan er niet van worden uitgegaan dat alle vrouwen in staat en bereid zijn om door middel van arbeid in hun levensonderhoud te voorzien. Daartoe ontbreekt bij een deel van de vrouwen de beroepstoerusting. En meer in het algemeen zullen de mogelijkheiden tot combi-

natie van betaalde arbeid en gezinstaken eerst moeten worden uitgebreid. Nu plaatst mevrouw Kraaijeveld enkele kritische kanttekeningen bij een passage over het Beleidsplan emancipatie in de nota naar aanleiding van het eindverslag bij het wijzigingsvoorstel van de Algemene Bijstandswet. Daar staat vermeld dat wij economische zelfstandigheid vooral zien in relatie tot het verrichten van betaalde arbeid. Zij vraagt wat wordt bedoeld met het woordje 'vooral'. Daarmee wordt bedoeld dat betaalde arbeid als een essentieel onderdeel van emancipatie een belangrijk middel tot het bereiken van economische zelfstandigheid is. Zoals ook in de uitgangspunten van het Beleidsplan emancipatie is verwoord, is daarbij evenzeer de toegang van belang die betaalde arbeid biedt tot belangrijke waarden als bestaanszekerheid, individuele ontplooiing en maatschappelijke invloed.

De heer Buurmeijer (PvdA): Voorzitter! De staatssecretaris nam als uitgangspunt het begrip 'leefeenheid'. Kan zij dat begrip nader definiŽren? Ik vraag dit, omdat er heel snel een misverstand kan ontstaan over het verschil tussen de begrippen 'leefeenheid' en 'leefvormen' en het begrip 'economische eenheid'.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Voorzitter! Ik meen dat de discussie daarover net met staatssecretaris De Graaf is gevoerd. Ik heb geen behoefte om daaraan iets anders of iets nieuws toe te voegen.

De heer Buurmeijer (PvdA): Neen, de discussie daarover is deels gevoerd. Vervolgens verwees de staatssecretaris naar uw bijdrage. U noemt nu expliciet de term leefeenheid. Ik vraag u nu te definiŽren wat in termen van de Algemene Bijstandswet het begrip 'leefeenheid' betekent. Waar begint een leefeenheid? Welke vorm kan een leefeenheid aannemen? Hoe wordt daarmee omgegaan?

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Daar kan ik geen antwoord op geven, mijnheer de Voorzitter! Dat is een definitie, een kernbegrip in de Algemene Bijstandswet. Ik heb daar vanuit een emancipatoire benadering niets anders aan toe te voegen. Ik heb wel gezegd dat de individualise ring -daar kom ik nog over te spreken -wellicht in de toekomst mogelijk zal worden gemaakt. Maar wat begrepen moet worden onder 'leefeenheid' in de Algemene Bijstandswet is naar mijn idee een technische vraag die in het kader van die wet thuishoort.

De heer Buurmeijer (PvdA): Voorzitter! Er is een misverstand ontstaan. Ik zal het anders vragen. Kan de staatssecretaris onderschrijven dat een leefeenheid in beginsel kan bestaan uit een alleenstaande die economische zelfstandigheid heeft?

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Als ik daar 'ja' op kan zeggen in filosofische zin, dan weet ik nog niet of ik daar in het kader van de Bijstandswet 'ja' op moet zeggen. Daarvoor is het helaas te lang geleden dat ik mij in de Kamer bezighield met discussies over de Algemene Bijstandswet. Ik kan dus de juridische consequenties en de beleidsmatige consequenties van uw vraag niet overzien. Wellicht komt er in uw idee een heel andere definitie uit van wat 'leefeenheid' zou moeten zijn in de Algemene Bijstandswet. Dat zal waarschijnlijk uw bedoeling zijn. Misschien komt er een heel andere systematiek van de Bijstandswet uit. Daarop kan ik vanuit de techniek van de Bijstandswet geen antwoord geven. Voor mij is het uit een oogpunt van emancipatie betrekkelijk irrelevant, wat er onder 'leefeenheid' moet worden verstaan. Voor mij is de vraag emancipatoir: kan er tot individualisering van de Bijstandswet worden overgegaan en zo ja, wanneer? Het lijkt mij namelijk vanuit het emancipatiebeleid gewenst om individualisering na te streven. Wat dan onder 'leefeenheid' moet worden verstaan, is voor mij vers twee.

De heer Buurmeijer (PvdA): Voorzitter! Ik verzet mij tegen de opmerking van de staatssecretaris dat het om de techniek gaat. Ik vind dat zij wel mag zeggen, dat zij er nu geen antwoord op kan geven. Dat is haar recht in het debat. Ik vroeg echter om een nadere aanduiding. De staatssecretaris voelde ook aan, dat ik probeerde een aanduiding te geven op basis waarvan -als je het erover eens wordt -je verdere individualiseringsstappen zou kunnen ondernemen. De staatssecretaris kan deze weg afsnijden. Zij kan weliswaar zeggen dat zij naar die individualisering toe wil, maar zij laat dan het beginpunt, het geven van een formulering, achterwege.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Laat ik u dan als volgt antwoorden. Als het gaat om het begrip leefeenheid in het algemeen,

los van welke zet dan ook, denk ik dat je de kleinste eenheid die zelfstandig kan optreden, als leefeenheid kunt beschouwen. Ik beantwoord derhalve de vraag of een individu een leefeenheid kan zijn, met ja. De vraag of het individu het uitgangspunt moet zijn van de Algemene Bijstandswet, betreft de vraag van de invidualisering. De Bijstandswet gaat nu immers uit van de gezinsbijstand. Het enige wat ik op dit punt thans kan antwoorden, is dat ik de Kamer een studie toezeg.

Mevrouw Brouwer (CPN): Komt de staatssecretaris in het vervolg van haar antwoord ook nog op de vraag, hoe je in emancipatorische zin de begrippen 'draagkracht' en 'behoefte' moet uitleggen? Het gaat daarbij immers om een vrij essentiŽle zaak.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Neen, ik kom daar niet op terug.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dan moet ik zeggen dat het bij de hantering van deze begrippen niet alleen een kwestie is van de techniek van de Algemene Bijstandswet, noch alleen een kwestie van de elementen van de Algemene Bijstandswet. Van belang is namelijk ook, dat wordt gekeken hoe een en ander uitwerkt op de positie van vrouwen die soms te maken krijgen met de Algemene Bijstandswet. Ik kan het volgende voorbeeld geven. Algemeen bekend is dat de rechtbank te Leeuwarden in een vonnis heeft uitgesproken, dat een vriend niet onderhoudsplichtig is ten opzichte van iemand met wie hij een relatie heeft. De Algemene Bijstandswet zegt echter dat dit wel het geval is. De vrouw in kwestie valt dan tussen wal en schip. Dit komt door de onduidelijkheid over de toepassing van deze begrippen behoefte en draagkracht. Ik zou daarom graag willen dat de staatssecretaris hier toch nog op ingaat.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Staatssecretaris De Graaf zegt u toe, daarop in te zullen gaan. U krijgt derhalve in ieder geval een antwoord. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nog even aanknopen bij mijn opmerking dat op dit moment, in de huidige wet, wordt uitgegaan van de leefeenheid. Daarmee wordt bedoeld: het gezin, de gezinsbijstand. Ik was bezig met mevrouw Kraaijeveld te beantwoorden. Zij heeft tevens gevraagd, wat bedoeld wordt met de mededeling dat invoering van individuele uitkerings-4638

rechten in ieder geval niet plaats kan vinden, zolang het belangrijkste effect daarvan een toename van het beroep op de sociale zekerheid is. Hiermee wordt aangegeven dat niet beoogd wordt, dat in de toekomst ieder individu een inkomen door de overheid wordt verstrekt. De gedachte van een arbeidsloos of basisinkomen voor iedereen wordt ook in het beleidsplan Emancipatie met zoveel woorden afgewezen. Ik neem aan dat mevrouw Kraaijeveld en ik het over dit punt met elkaar eens zijn. Individualisering in de bijstand, op het huidige uitkeringsniveau van de alleenstaande, zou bovendien, wegens gebrek aan voldoende arbeidsplaatsen, miljarden guldens extra kosten, zoals mevrouw Kraaijeveld terecht heeft opgemerkt. Het moet dan ook om die reden worden afgewezen, maar dat sluit niet uit dat er op de langere termijn veranderingen in de maatschappelijke situatie en opvattingen kunnen komen. Met de maatschappelijke ontwikkelingen waarop wij in de toelichting duiden, welke in de toekomst zouden kunnen leiden tot herbezinning op de huidige uitgangspunten van de Algemene Bijstandswet wordt het volgende bedoeld. Zoals ik al eerder constateerde, is er de laatste tien jaar een voortdurende stijging van het aantal gehuwde vrouwen dat deelneemt aan betaalde arbeid. Dit is vooral het geval in de jongere leeftijdscategorieŽn en deze ontwikkeling wordt mede vanuit het emancipatiebeleid ondersteund. Als deze ontwikkeling doorzet en mannen en vrouwen in meer gelijke mate en in voldoende mate kunnen participeren op de arbeidsmarkt, moet de vraag worden beantwoord of ook in het kader van de minimumbehoeftefunctie individuele uitkeringsrechten kunnen worden toegekend. Wordt die vraag positief beantwoord, dan zou bij voorbeeld een begin kunnen worden gemaakt met de jongste generatie die voor het eerst de arbeidsmarkt betrekt. Naar mijn verwachting zal de huidige tendens in de richting van meer gelijke deelname aan betaalde arbeid door mannen en vrouwen zich verder ontwikkelen. Het tempo van deze ontwikkelingen is afhankelijk van een aantal thans nogal onzekere factoren, zoals onder meer de ontwikkeling van de werkgelegenheid, de verdeling van de beschikbare arbeid over verschillende sectoren, de ontwikkelingen met betrekking tot deeltijdarbeid en arbeidstijdverkorting. Daarom zou het naar mijn idee op dit moment voorbarig zijn om hierover nu meer specifieke uitspaken te doen. Dit geldt tevens als antwoord op de gedachten die de heer Willems naar voren bracht over een geÔndividualiseerd sociaal-zekerheidsstelsel in 1990. Hij sprak zich daar overigens niet bij uit over het niveau van de individuele uitkeringen. Ook de heer Buurmeijer vroeg meer duidelijkheid over de voornemens met betrekking tot individualisering, zij het vanuit een andere invalshoek. Hij wenst een duidelijke reactie op zijn vraag of de regering al dan niet op principiŽle gronden een individualisering van de Algemene Bijstandswet afwijst. Uit mijn antwoord op de opmerkingen van mevrouw Kraaijeveld is al gebleken, dat de redenen van zowel maatschappelijke als financiŽle aard zijn op grond waarvan individualisering van de Algemene Bijstandswet thans bij de stelselherziening wordt afgewezen. Deze redenen zijn zo zwaarwegend dat ze als princpipieel kunnen worden gezien, maar even principieel wordt een mogelijke individualisering in de toekomst niet uitgesloten. Dat blijkt uit de toelichting op het wetsvoorstel en uit de overige stellingnames van de regering, die ik al heb aangehaald. Laat ik daaraan toevoegen, dat aan de keuzes die bij de stelselherziening omtrent individuele en op de leefeenheid afgestemde rechten zijn gemaakt, vooral budgettaire motieven ten grondslag liggen. Er is een afweging gemaakt in het licht van de maatschappelijke en financiŽle wenselijkheden en mogelijkheden. Ik zie dat de heer Buurmeijer naar de interruptiemicrofoon gaat, maar ik ben nog niet klaar met de beantwoording van zijn opmerkingen. De heer Buurmeijer vraagt het denken over individualisering niet stop te zetten als de minimumbehoeftevoorziening in het geding is. Hij meent, dat de regering op een dood spoor zit en hij wijst er daarbij op, dat tot nu toe nauwelijks is ingegaan op het door hem gepresenteerde model voor de lange termijn. Ik wil op zijn vraag of de regering bereid is de discussie hierover voort te zetten, rekening houdend met de gewenste bescherming voor de oudere generatie en het gewenste perspectief op economische zelfstandigheid voor de nieuwe generatie, het volgende antwoorden. Wij verschillen niet van mening over de gewenste vergroting van de economische zelfstandigheid en de daarnaast nog zakelijke bescherming waar sprake is van financiŽle afhankelijkheid. Daarover is in de discussies tot nu toe voldoende gezegd. Het in de eerste plaats van belang onder welke voorwaarden en welke omstandigheden individualisering van de minimumbehoeftevoorziening mogelijk zou zijn. Ik heb al gezegd in de eerste plaats aan jongeren te denken. Ik reageer nu even op een vraag van mevrouw Groenman, maar ik kom nog terug op opmerkingen van de heer Buurmeijer. Mevrouw Groenman heeft aangedrongen op een adviesaanvraag van de Emancipatieraad over de relatie tussen de toeslagenwet en het toekomstige emancipatiebeleid. Het belang van een verdere uitwerking van het toekomstperspectief kan ik onderschrijven. Ik weet dat de Emancipatieraad op dit moment werkt aan een studie en een ongevraagd advies over het toekomstperspectief met betrekking tot arbeid, waarin ook de zojuist besproken ontwikkeling naar zelfstandiger uitkeringsrechten in de minimumbehoeftesfeer wordt betrokken. Een gerichte adviesaanvrage van mijn kant is op dit moment nog niet te verwachten. Binnen het departement zal uiteraard worden voortgegaan met nadere bestudering van de voorwaarden en verdere specificaties van een situatie van verdergaande verzelfstandiging. Nadere studie op dit onderwerp is een eerste vereiste voordat wijziging van wetgeving kan worden overwogen. Het door de heer Buurmeijer geschetste model is een van de mogelijkheden voor een systematiek voor individuele uitkeringsrechten. Maar in de presentatie van dat model is nog niet aangegeven langs welke weg dit kan worden gerealiseerd en welke ontwikkelingen daarvoor nodig zijn. Ik neem aan dat het de heer Buurmeijer bekend is dat er ook allerlei andere denkbeelden en studie over toekomstmodellen zijn. Het denken daarover wordt niet stopgezet, uiteraard, zou ik bijna zeggen. De verschillende modellen zullen alle bij de eerdergenoemde studie dienen te worden betrokken. De uitgangspunten die de PvdA heeft genoemd, zullen mede bij de verdere bestudering worden betrokken. Dit was mijn antwoord aan de heer Buurmeijer.

De heer Buurmeijer (PvdA): De staatssecretaris gebruikte twee keer het woord 'principieel'. Toen dacht

ik: Hier spreekt een staatssecretaris die twee dames dient. Enerzijds zegt zij: in verband met de maatschappelijke en zakelijke omstandigheden, de financiŽle mogelijkheden, gaan wij nu niet verder. Dat heeft een principieel karakter. En anderzijds zegt zij in bijna dezelfde zin: principieel is een weg van verdergaande individualisering niet afgesloten. Ik vond dat niet met elkaar te rijmen. Met het laatste wat de staatssecretaris zei, kunnen wij verder.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Het zijn inderdaad twee principes: het ene is de bereidwilligheid tot verdere individualisering, het andere is een terughoudend financieel overheidsbeleid. Ook met dit laatste principe moet ik rekening houden. Bij de integratie van emancipatiedoelstellingen is in het algemene regerings-beleid vaak sprake van inpassen in en afwegen tussen de verschillende principes, waarbij je aan elk principe enigszins recht doet en toch met de andere rekening houdt. Ik geef dus toe dat ik inderdaad soms verschillen-de principes dien. Mevrouw Kraaijeve!d-Wouters (CDA): Voorzitter! Ik vind het wat onbevredigend dat er geen enkel tijdsperspectief wordt geboden. Daardoor blijf ik de discussie zo moeilijk vinden. Is het juist dat de discussie op een gegeven moment zal moeten gaan over de grondslag van de algemene bijstandswet, het principe van het vangnet zoals dat op gezinsbijstand is geŽnt? Naar mijn mening is dat namelijk het geval. Als dat ter discussie kan komen, hebben wij het pas echt over individualisering. Op welk moment zou dat toekomstperspectief dan bereikt kunnen worden? In de toeslagenwet wordt het jaar 1990 genoemd. Zouden wij in dit verband aan het jaar 2000 moeten denken of aan het jaar 2010? Zolang de staatssecretaris hierover niets kan zeggen, moet naar mijn oordeel ook niet gesuggereerd worden dat het te bereiken is. Dan blijft het naar mijn oordeel erg utopisch.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppelloundefined: Het zou natuurlijk het mooiste geweest zijn wanneer wij tegelijkertijd met onze verdergaande intentie om de toeslagenwet te wijzigen in 1990, ook al zouden kunnen zeggen wat wij met de Algemene bijstandswet zouden kunnen of moeten proberen. Omdat je niet alles tegelijk kunt bestuderen en beantwoorden, zijn wij daar nu nog niet uit. Sommigen zeggen dat 1990 al te vroeg is om met een wijziging voor een jongere generatie te komen. Wij zijn nu al bezig met het verzamelen van materiaal. Wij hebben natuurlijk ook eerst moeten kijken hoe de Kamer daarop reageerde. Als de Kamer deze gedachte krachtig steunt dan denk ik dat dit een aansporing kan zijn om de studie over het individualiseren van de bijstand met kracht aan te vatten. Ik kan niet overzien wanneer dat tot conclusies leidt. Ik hoop zelf niet dat de conclusie negatief zal zijn. In principe moet je dit openhouden.

De heer Buurmeijer (PvdA): U wilt eerst bezuinigen en daarna bent u bereid te individualiseren. Dat is de volgorde en dat is uw prijskaartje.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Dat is niet mijn eerste principe.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Dat is het principe van deze wetgeving.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Deze wetgeving is niet het eindpunt. Je kan bij iedere verandering wel zeggen dat je precies moet weten hoe het in de toekomst gaat. Dat antwoord kunnen wij nu niet geven. Wij geven de opening dat wij bereid zijn om veranderingen te overwegen. Het is een heel ingrijpende zaak. Daarin heeft mevrouw Kraaijeveld volstrekt gelijk. Als het doorgaat, zal het een omgooien van een van de belangrijkste principes uit de Algemene bijstandswet zijn. Dat heeft natuurlijk geweldige gevolgen. Ik kan echt niet voorspellen wanneer de studie hierover is afgerond en wanneer daaruit beleidsmatige conclusies getrokken kunnen worden. De wijziging van de toeslagenwet was het enige beleidsvoornemen op middellange termijn. Misschien moetje hiervan zeggen dat het een beleidsvoornemen op langere termijn is, dat wil zeggen langer dan 5 jaar voor verwezenlijking. Ik denk dat dat een vrij veilige uitspraak is. Ik kan echter echt niet zeggen wanneer welk kabinet over hoeveel tijd hierover een wetsvoorstel kan presenteren.

Mevrouw Groenman (D'66): Neen, mijnheer de Voorzitter, mijn suggestie voor een adviesaanvraag is dat er in ieder geval in een tijdplanning gefaseerd kan worden aangegeven wat je nodig hebt om tot iets te komen. Ik heb nu een beetje het gevoel dat het altijd van financiŽle overwegingen blijft afhangen, ondanks alle mooie principiŽle uitgangspunten van de staatssecretaris. Was het niet fraai geweest als zij nu eens ter afsluiting van deze kabinetsperiode zo'n globale tijdplanning met een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet wordenm had neergelegd in een adviesaanvraag? Is zij voorts van mening dat de 1990-verplichting die nu niet in de toeslagenwet staat, maar waarover gesproken wordt, een stap op weg is naar individualisering?

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Op uw eerste vraag of het kabinet nu al een adviesaanvraag aan de Emancipatieraad daarover zou zenden, moet ik antwoorden dat dat nu zeker niet mogelijk is, ook niet in de globale zin die u nu aangeeft. Daarmee wordt als het ware al een inventarisatie gegeven van de knelpunten, de mogelijkheden en ook van een tijdpad. Dat kun je pas doen wanneer je daarover een duidelijker beeld hebt en wanneer je weet over welke modellen je beschikt en wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn. Meestal ga je, als je al suggesties doet in welke richting je beleid gaat, in een adviesaanvrage niet de modellen en opties noemen waarvan je bij voorbaat weet dat deze niet haalbaar of niet gewenst zijn. Je moet nader inzicht hebben welke kant het opgaat en dat heb ik op dit moment helaas niet. Ik neem aan dat de Emancipatieraad zelf ook nog niet helemaal uit zijn toekomstmodel is. Het antwoord op de tweede vraag van mevrouw Groenman is 'ja'.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Ik mis een element in de beantwoording van de staatssecretaris. Wij hebben het over een tijdpad in de benadering van jongeren van 18 jaar na 1990. Dan telt het algemene streven naar arbeidstijdverkorting toch ook mee? Werkgelegenheid voor ieder individu is de beste garantie voor een goede sociale zekerheid. Wij praten nu over de sociale zekerheid en dus alleen over uitkeringsgerechtigden. Als men echter zelf betaalde arbeid heeft, is er een heel andere instroom van mensen. Dat kan na 1990 gebeuren. Dat is een van de redenen waarom het niet precies aan te geven is.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Ik ben het helemaal met mevrouw Van Nieuwenhoven eens. Arbeidstijdverkorting heb ik genoemd als een van de voorwaarden die in zekere mate vervuld zou moeten zijn, alvorens een heel ander systeem kan worden overwogen. Er is helaas nog geen algemeen streven naar arbeidstijdverkorting. Ik zou wensen dat dat zo was, maar zo is de maatschappelijke werkelijkheid niet. Mevrouw Van Nieuwenhoven was benieuwd hoe ik mij voorstelde een vervolg te geven aan de voornemens in het beleidsplan. In de ambtelijke sfeer wordt nu en zal in de nabije toekomst worden gewerkt aan een verdere operationalisering van het in het beleidsplan uitgezette beleid. Daarover zal regelmatig aan de Kamer worden gerapporteerd. De studie die ik net omschreef, maakt daarvan deel uit. Ik maak enkele opmerkingen over het verzorgingsforfait. Het onderzoek van het GAK naar de resultaten van het arbeidsverleden was voor mevrouw Beckers aanleiding zich af te vragen hoe mijn emancipatiegezindheid was. Ik kan haar verzekeren dat die onverminderd aanwezig is en dat ik die zoveel mogelijk in het regeringsbeleid tracht te laten meeklinken. Ik kom op het emancipatiegehalte van de betreffende onderzoeksgegevens over het effect van het verzorgingsforfait zelf. De heer Weijers heeft hierover opgemerkt, dat de resultaten van het onderzoek in feite voor noch tegen een ophoging van het verzorgingsforfait pleiten. Mijns inziens geven de resultaten van het GAK-onderzoek allereerst een weerspiegeling van de zwakke positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie stijgt weliswaar, maar tevens is bekend dat dit voor een belangrijk deel om deeltijdwerk gaat. Aangezien het onderzoek betrekking had op aanvragers in het huidige stelsel, is te verwachten dat zich daaronder weinig deeltijdwerkers bevinden, vanwege de huidige deeltijdonvriendelijke referte-eis. Na invoering van de nieuwe Werkloosheidswet zullen meer in deeltijd werkende vrouwen voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking komen. Overigens zal de betekenis van het forfait in de toekomst aanmerkelijk groter kunnen zijn dan thans het geval lijkt.

Dat kan geschieden als gevolg van het feit dat vrouwen in de toekomst in mindere mate en voor kortere periodes zullen terugtreden uit het arbeidsproces, in samenhang met een eventueel verdergaande herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Nu al zien wij een toename van vooral vrouwen met kinderen in de arbeidsparticipatie. Ik neem aan, dat dat een begin is van een zich voortzettende trend. Er is alle reden, op dit moment te bezien hoe de mogelijkheden om betaalde arbeid en verzorgende taken te combineren, kunnen worden verbeterd of uitgebreid. Ik denk daarom dat het verzorgingsforfait als emancipatoir aspect van de nieuwe Werkloosheidswet niet moet worden onderschat. Je moet het natuurlijk niet zien als een geweldige oplossing voor alles. Maar in ieder geval kan datgene wat er nu nog niet is, nu ook nog niet tot uitdrukking komen. Met andere woorden: wij moeten eerst de werking van de nieuwe Werkloosheidswet afwachten.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijn opmerking over de emancipatiegezindheid sloeg op het feit dat het half meetellen van de verzorgingsjaren nauwelijks iets kostte en dat zij dus daarom best gewoon helemaal zouden kunnen meetellen. Daarop heeft staatssecretaris De Graaf al geantwoord.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Mijnheer de Voorzitter! Met mevrouw Groenman ben ik van mening dat een belangrijke voorwaar-de voor het kunnen voldoen aan de arbeidsverledeneis is, dat de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt wordt versterkt evenals de mogelijkheden tot combinatie van ouderschap en betaalde arbeid. Wat dat betreft ligt er een nota bij de Kamer, waarvan ik begrijp dat er verschillend over wordt gedacht. Aan de versterking van de arbeidsmarktpositie van vrouwen wordt nu al gewerkt door middel van specifiek op vrouwen gerichte scholingsmaatregelen in het kader van de arbeidsvoorziening. Daarnaast zal binnenkort als vervolg op de experimenten BKE (beroepskwalificerende educatie) een beleid ten aanzien van primaire beroepseducatie voor volwassenen worden gepresenteerd. Voor deze doelgroep zijn in het bijzonder de vrouwenvakscholen van belang, waarvan er op dit moment vijf subsidie ontvangen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wat de arbeidsmarktpositie van herintredende vrouwen betreft, zal binnenkort een nota als resultaat van het deelproject vrouwenwerk voor advies naar de SER en de Emancipatieraad worden gezonden. Met deze mededeling neem ik even een voorschot op de beantwoording van schriftelijke vragen die hierover zijn gesteld. Ik weet eigenlijk niet of ik nog moet ingaan op de vraag van mevrouw Dales, of de emancipatoire oogst van de stelselherziening zich beperkt tot het desgewenst verstrekken van uitkeringen in twee gescheiden delen in bijstand en IOW. Ik dacht dat ik al had aangetoond dat de emancipatoire oogst van deze stelselherziening toch iets groter is.

Mevrouw Dales (PvdA): Dat is mij niet zo opgevallen.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Dat is uw subjectieve overtuiging, zullen wij dan maar zeggen.

Mevrouw Dales (PvdA): Kunt u dan niet even in het kort zeggen, wat dan echt de emancipatoire oogst is?

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Nee, dat heb ik aan het begin van mijn verhaal al gedaan.

Mevrouw Dales (PvdA): Nou, dat zal ik dan misschien nog wel voor u herhalen in mijn tweede termijn.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Dan zal ik in mijn tweede termijn naar mijn antwoord in eerste termijn verwijzen. Dat wil ik dan nu alvast aankondigen.

Mevrouw Dales: (PvdA): Als u dat antwoord dan in die eerste termijn maar geeft.

Staatssecretaris Kappeyne van de Coppello: Ik ben graag bereid om de tekst van mijn speech aan mevrouw Dales ter beschikking te stellen, want het stenogram -zo weet ik uit ervaring -meent iets meer tijd in beslag. Ik kom dan op de thuiswerkers. Door de heer Linschoten, mevrouw Beckers, mevrouw Ter Veld, de heer Willems en mevrouw Groenman is gesproken over de positie van de thuiswerkers op het terrein van de werknemersverzekeringen. Die positie is naar aanleiding van de motie van mevrouw Beckers van 21 februari 1982 onderzocht door een departementale werkgroep. Naar aanleiding van de resultaten daarvan

heb ik van gedachten gewisseld met twee vaste kamercommissies over de beste aanpak om de positie van thuiswerkers te verbeteren. Ik heb bij herhaling het standpunt verdedigd, dat de oorzaak van de vaak slechte inkomens-en rechtsposi tie van de groep thuiswerkers vooral gezocht moet worden in hun zwakke positie in ons arbeidsbestel. Mijn benadering is dan ook meer gericht op het scheppen van voorwaarden die kunnen leiden tot versterking van de arbeidsmarktpositie van de thuiswerker. Het is vooralsnog ongewenst, de socialeverzekeringswetten op dit punt aan te passen. Het kabinet wacht met belangstelling de resultaten af van het mede door de FNV vrouwenbond ingestelde en door de overheid gesubsidieerde thuiswerkerssteunpunt. Wanneer de resultaten van het werk van dat steunpunt bekend zullen zijn, weet ik nog niet. Ik zeg mevrouw Ter Veld en de heer Linschoten graag toe dat, zodra er vanuit het steunpunt thuiswerkers gegevens of resultaten komen, ik die ter informatie doorgeef aan de Kamer. Thuiswerk wordt overigens als een vorm van een flexibele arbeidsrelatie naast afroep, minimum, maximum, nuluren, contacten en dergelijke meegenomen in de werkzaamheden van de werkgroep 'flexibele arbeidsrelaties'. Ik dacht dat collega De Graaf deze werkgroep ook in zijn betoog heeft genoemd. Dus wordt thuiswerk in dat kader eveneens betrokken bij het in gang gezette onderzoek naar flexibele arbeidsrelaties. Ik hoop dat de resultaten van dat onderzoek in het najaar van 1986 beschikbaar zullen komen. Het feit dat vooral vrouwen te maken hebben met flexibele arbeidsrelaties baart mij zorg, omdat door deze ontwikkeling de emancipatie van vrouwen in de zin van het hebben of krijgen van gelijkwaardige kansen op volwaardige arbeid en economische zelfstandigheid wordt belemmerd. Door die werkgroep wordt hieraan extra aandacht besteed. Dat vroeg mevrouw Groenman. Een andere specifieke groep is die van de meewerkende echtgenotes. Mevrouw Groenman heeft vragen gesteld over het uitkeringsrecht voor vrouwen die in deeltijd in het eigen bedrijf meewerken. Mevrouw Groenman weet waarschijnlijk dat er een commissie is die zich bezighoudt met de problematiek van de meewerkende vrouw. Dat is de commissie-Luimstra die om onnaspeurbare redenen soms de commissie-Van Zeil schijnt te worden genoemd. Die commissie zal mede aandacht besteden aan de behoefte van gehuwde vrouwen aan een zelfstandig recht op een AAW-uitkering. Ook ik zie met levendige belangstelling naar dat rapport uit.

©

L. (Louw) de GraafStaatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Nog een paar zaken. Allereerst de vraag van mevrouw Dales wat onder ' recent arbeidsverleden' moet worden verstaan. Ik wil voorlezen wat daarover in Van Dale staat. Het is Nederlandse taal zoals wij die ook gebruiken in onze wetgeving. Er staat ' van kort geleden, uit de laatste tijd, pas voorgevallen'. Mijnheer de Voorzitter! Het is niet onze bedoeling het in het wetsvoorstel opgenomen begrip 'recent verleden' nader te definiŽren. Er is al zo verschrikkelijk veel geregeld. Wij denken dat het mogelijk is, gezien ook de praktijk vandaag met de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers, dat de uitvoerders, de uitvoeringsorganen in staat zijn van geval tot geval te beoordelen wanneer van een recent verleden sprake is. Wij vinden dat er niet meer geregeld moet worden dan noodzakelijk is. Je mag dit ook aan de praktijk van de uitvoering voor de rest overlaten.

Mevrouw Dales (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik merk op dat dit begrip 'recent' het cruciale twistpunt wordt. Dat wordt het punt dat in de wetsinterpretatie absoluut wezenlijk zal zijn. Het wordt het centrale punt. Ik vind dit absoluut onverantwoord. Ik kan best een grapje hebben. De staatssecretaris mag best eens uit Van Dale voorlezen. Ik wil eens weten of al eerder begrippen die absoluut het centrale twistpunt zijn in andere wetten nader zijn gevuld met citaten uit Van Dale. Dit komt straks in de Handelingen. Ik wil daarom nog graag weten of dat rechtsgevolgen heeft voor de jurisprudentie dat de staatssecretaris zegt: dit is de opvatting. Vandaag beginnen wij met de schriftelijke behandeling van de centralisatie van het sanctiebeleid. Wat beweegt de staatssecretaris ertoe om een zo centraal gegeven aan het vrije spel van de jurisprudentie en de gemeentelijke praktijk over te laten? Overal elders wantrouwt hij die praktijk en geeft hij nadere regels.

Staatssecretaris De Graaf: De vraag of in wetgeving wel vaker is gewerkt met meer algemene begrippen, die niet exact werden gedefinieerd -of daarbij naar Van Dale werd verwezen, is niet relevant -kan ik bevestigend beantwoorden. Ik verwijs naar de Werkloosheidswet. Vanaf 1952 komt daarin het zeer cruciale begrip 'onvrijwillige werkloosheid' voor. Er is een zee van jurisprudentie op dit punt. 'Passende arbeid' was aanvankelijk ook niet gedefinieerd. Het is nu enigszins gedefinieerd, uitgaande van de jurisprudentie. Een paar hoofdelementen zijn daaruit overgenomen. Naar ik aanneem zijn wij het er allen over eens, dat het alleen om het recente arbeidsverleden gaat. Ik heb niet voor de grap Van Dale aangehaald. Ik heb heel serieus voorgelezen wat volgens dat woordenboek de betekenis is van een woord dat wij in de wet opnemen. De uitvoeringsorganen zullen daarmee naar ik denk best uit de voeten kunnen.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Kan ik nu of in tweede termijn een voorbeeld krijgen van toepassing van het begrip in de praktijk? Om hoeveel tijd gaat het dan ongeveer? Gaat het daarbij alleen om schoolverlaters en dergelijke jonge mensen, of ook om mensen van oudere leeftijd -ik verwijs naar de IOW -, die een partner/echtgenoot met een arbeidsverleden kunnen hebben?

Staatssecretaris De Graaf: De praktijk is de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Die geldt in beginsel voor allen en niet alleen voor schoolverlaters. De IOW-regeling kent tot nu toe de leeftijdsgrens van 50 jaar. De IOAW gaat in dezen verder. Het is duidelijk, dat bij de uitvoering naar het individuele geval, naar de concrete omstandigheden moet worden gekeken. Ik ben ervan overtuigd dat zij telkens zullen verschillen. Voor schoolverlaters is het niet im Frage: zij hebben geen arbeidsverleden, ook geen recent. De toepassing kan voor jongeren anders zijn dan voor ouderen. Die zaak mogen wij mijns inziens aan de uitvoerders overlaten. Er wordt in dit huis gevraagd, of nu echt alles moet worden geregeld. Ik denk dat wij dit niet nader behoeven te definiŽren. Mevrouw Van Dale vindt het onbevredigend.

Mevrouw Brouwer (CPN): Misschien kunt u dadelijk uit Dales voorlezen.

Staatssecretaris De Graaf: Ik was even vergeten, dat de schrijver van het woordenboek geen familie van mevrouw Dales was. Als wordt gedefinieerd, moet dat waarschijnlijk gebeuren in termijnen. Moeten de termijnen dan weer afhangen van de leeftijd? Ik heb voldoende vertrouwen in de uitvoerders, meer dan mevrouw Dales zoeven in een opmerking aan mijn adres onder woorden bracht.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Ik vroeg om een voorbeeld.

Staatssecretaris De Graaf: Dat is een kwestie van uitvoering, van dossiers, van mensen die er achter schuil gaan, van hun leeftijd en arbeidsverleden. Ik kan geen voorbeeld geven. Het moet van geval tot geval worden bezien.

Mevrouw Dales (PvdA): Ik zal er in tweede termijn uitvoerig op terugkomen. Het is echter heel duidelijk, dat de staatssecretaris het begrip 'recent' zodanig uitholt, dat het in het geheel geen functie meer zal hebben in het afbakenen van het aantal vrouwen dat krachtens deze wet met een beschikbaarheidsverplichting zal worden opgezadeld. Het betekent ook dat het antwoord van staatssecretaris Kappeyne van de Coppello geheel inhoudsloos is geworden. Ik kom erop terug.

Staatssecretaris De Graaf: Die conclusie laat ik graag voor uw verantwoording.

Mevrouw Dales (PvdA): Die wil ik ook graag hebben.

Staatssecretaris De Graaf: Het begrip economische eenheid is door de heer Buurmeijer in de discussie genoemd. Dit is het begrip zoals het tot aan vandaag wordt gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of iemand in het kader van de toepassing van de Algemene Bijstandswet, niet zijnde een getrouwd persoon of een gezin volgens het Burgerlijk Wetboek, al of niet voor de gezinsbijstand in aanmerking komt. In dat verband wordt die term 'economische eenheid' gebruikt. Als het gaat om ťťn persoon is er dus geen sprake van een economische eenheid, want juist die economische eenheid slaat op meerdere personen. Het is een beoordeling van de vraag wanneer sprake is van een situatie die in een gezin geldt, gelijk aan man en vrouw. Dat is de interpretatie van de Algemene Bijstandswet. Voor die situatie komen wij nu, maar dat is de discussie over de gelijkstelling, de gelijke behandeling van gezinnen en andere samenlevingsverbanden. Die zaak is in deze wetgeving verwoord. Ik wilde de heer Buurmeijer alleen even verklaren dat dat woord economische eenheid gebaseerd is op die jurisprudentie van de Algemene Bijstandswet.

De heer Buurmeijer (PvdA): Dat wist ik wel. Het hele debat op dit onderdeel is juist gericht op de vraag of wij daarmee volstaan, of wij dat onderschrijven. Dit is niet dŤ economische eenheid. Dat betwist ik. De staatssecretaris kan zeggen dat aan de jurisprudentie dit begrip economische eenheid te ontlenen is. Ik heb aan zijn collega en vanochtend ook aan hem een andere definiŽring voorgehouden, die niet strijdig is met de Algemene Bijstandswet, want in die wet als zodanig is die niet opgenomen.

Staatssecretaris De Graaf: Ik erken dat. Ik heb hier weergegeven wat vandaag aan de dag de praktijk is bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van gezinsbijstand als er niet gesproken kan worden van een normaal huwelijk. Wij zijn nu bezig niet alleen in de Algemene Bijstandswet, maar ook in de Toeslagenwet en in de IOW een inhoud te geven aan de gelijke behandeling in vergelijkbare situaties. Wij hebben in den brede gediscussieerd over de criteria die daarvoor moeten worden gehanteerd. In onze voorstellen zijn dat twee puur objectieve criteria, de duurzaamheid en de gemeenschappelijke huishouding, en een derde meer subjectief criterium. Er liggen voorstellen van de heer Linschoten en mevrouw Kraaijeveld om het anders te doen, maar de discussie daarover behoeven wij nu niet te herhalen.

De heer Linschoten (VVD): Gaat de staatssecretaris niet ten onrechte uit van een vergelijking van kostwinners, die geen anderen tot hun financiŽle last hebben, en kostwinners die dat wel hebben? Op het moment dat de staatssecretaris bij een definitie van het begrip economische eenheid zo nadrukkelijk een onderscheid aanbrengt tussen aan de ene kant ťťn persoon en aan de andere kant blijkbaar meer dan ťťn persoon, die wel een economische eenheid kunnen vormen, worden in deze theoretische onderbouwing onvergelijkbare grootheden vergeleken. Je kunt kostwinners en niet-kostwinners met elkaar vergelijken, maar dat is een ander soort vergelijking dan die van de staatssecretaris.

Staatssecretaris De Graaf: Ik heb alleen maar onder woorden willen brengen op welke wijze, gezien de jurisprudentie tot nu toe, de sociale diensten toetsen of daar waar geen sprake is van een gewoon huwelijk, een normaal gezin dat geregistreerd is, wel sprake is van een andere vorm van samenleving. Meer heb ik niet willen zeggen. Daarop sluit een beetje de vraag van mevrouw Brouwer aan mijn collega aan, wat nu precies in het kader van de Algemene Bijstandswet wordt verstaan onder behoefte. Ik heb al gezegd dat de Algemene Bijstandswet ťťn algemeen criterium kent, namelijk het voorzien in de kosten van het bestaan, niet van zijn bestaan, maar van het bestaan. Dat criterium is ingevuld. Mevrouw Brouwer haalde de uitspraak van de rechter in Leeuwarden aan. Daarbij ging het echter niet om de vraag wat 'kosten van het bestaan' in het kader van de Algemene Bijstandswet inhoudt, maar om de vraag, in burgerrechtelijke zin, of A tegenover B, of B tegenover A onderhoudsplichtig is volgens het Burgerlijk Wetboek. Die vraag is in Leeuwarden beantwoord op basis van het burgerlijk recht en niet op basis van de Algemene Bijstandswet. In het kader van de Algemene Bijstandswet geldt tot nu toe een eigen zelfstandige onderbouwing daarvan, en straks, bij de nieuwe voorstellen -of deze nu geamendeerd zijn of niet doet niet ter zake -op basis van de nieuwe criteria die wij in de bijstandswet vastleggen met het oog op sociale zekerheid. Daarbij gaat het niet om de burgerrechtelijke en onderhoudsplichtverhouding en dergelijke.

Mevrouw Brouwer (CPN): Voorzitter! Dit is toch niet geheel de juiste gevolgtrekking. Weliswaar wordt civielrechtelijk vastgesteld of de een tegenover de ander een verplichting heeft. In dit geval gaat het er dan om of de man moet bijdragen in de kosten van het levensonderhoud. Dit heeft alles te maken met de vraag in het kader van de Algemene Bijstandswet of men in staat is te voorzien in de eigen kosten van bestaan. Ik constateer dan dat er situaties voorkomen onder het regime van de huidige bijstandswet, waarin de Sociale Dienst ervan uitgaat, dat een vrouw in de kosten van haar bestaan

kan voorzien, omdat zij onderhouden kan worden. Wanneer de vrouw vervolgens geld vraagt, omdat zij moet voorzien in de kosten van bestaan, naar de rechter gaat met de vraag de man te veroordelen tot het betalen van haar levensonderhoud en de rechtbank hierop nee zegt, is vastgesteld, dat de vrouw niet kan voorzien in de kosten van bestaan; maar zij krijgt ook geen algemene bijstandsuitkering.

Staatssecretaris De Graaf: Maar zij leeft wel met iemand samen als een gezin. Zij hebben samen een kind.

Mevrouw Brouwer (CPN): Wie zegt dat?

Staatssecretaris De Graaf: Deze concrete situaties zijn ter beoordeling van de sociale dienst van de gemeente. U weet ook dat na de rechterlijke uitspraak in civielrechtelijke zin de gemeente desondanks terecht in dit geval geen bijstand heeft verleend. Dit is gebeurd op basis van de voor de Algemene Bijstandswet zelfstandig geldende criteria. Als men het daarmee niet eens is, bestaat de mogelijkheid om de normale rechtsgang te volgen. Ik heb zelfs de indruk dat dit in dit geval ook is gebeurd. Men kent de rechtsgang: gemeente, provincie en de Kroon. Het is een Kroonprocedure geworden. Deze procedure is naar ik meen op dit ogenblik nog volop aan de gang.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dat is natuurlijk geen oplossing voor het dilemma. Wij zijn bezig met een stelselherziening. Er zijn situaties, waarin de civiele rechter zegt dat een vrouw geen recht heeft levensonderhoud te verlangen van een man, omdat hij niet met haar getrouwd is en de sociale dienst zegt dat de vrouw wel recht heeft om door deze man te worden onderhouden. In het kader van de stelselherziening moeten wij een oplossing vinden voor dit soort situaties, waarin de civiele rechter een dergelijke vaststelling doet, omdat men anders steeds te maken zal krijgen met vrouwen -meestal -die tussen de wal en het schip komen te vallen en geen inkomen hebben.

Staatssecretaris De Graaf: Wij doen geen uitspraak over de onderhoudsplicht. Wij geven antwoord op de vraag wat in een concrete situatie van een gezin, conform de regels van de bijstandswet, de behoefte is. Op basis daarvan wordt bijstand of complementaire bijstand verleend en niet anders.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De Voorzitter: Wij gaan volgende week met deze behandeling verder. Het Presidium heeft met eenparigheid van stemmen besloten, te stellen in handen van: a. de vaste commissie voor Onderwijs en Wetenschappen: -het wetsvoorstel Wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs met betrekking tot de ambulante begeleiding en de Overgangswet ISOVSO voor ter zake van artikel 173 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 ingestelde beroepen (19483); b. de vaste commissie voor FinanciŽn: -het Wetsvoorstel Herziening van de bepalingen betreffende het Nederlandse muntwezen (Muntwet 1986) (19484).

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.