Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen: -Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschikt heidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid) (19256); -Verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschikt heidsverzekering en de Wet arbeid songesc hikt heidsvoorziening militairen, die ťťn of meer personen tot hun financiŽle last hebben (Toeslagenwet) (19257); De staatssecretarissen Kappeyne van de Coppetlo en De Graaf van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -Wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten) (19258); -Wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van niet gehuwde personen met gehuw den (19259); -Het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geŽindigd (Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers) (19260); -Verzekering van werknemers tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet (19261), en van: -de motie-Kraaijeveld-Wouters/Linschoten over de samenhang van normen en regelingen (19257, nr. 26); -de motie-Kraaijeveld-Wouters c.s. over de bepaling van het arbeidsverleden (19261, nr. 46); -de motie-Gerritse/Bosman over een sociale regeling voor oudere zelfstandigen (19260, nr. 28); -de motie-Willems over een volledig geÔndividualiseerd sociaal zekerheidsstelsel (19261, nr. 51). (Zie vergadering van 10 april 1986.) De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn bezig met de behandeling van een zeer ingewikkelde, taaie, ingrijpende en pijnlijke wijziging van een groot aantal wetten op het gebied van de sociale zekerheid. Hoewel wij er op relatief korte termijn over moeten beslissen, zijn de voornemens daartoe bepaald niet uit de lucht komen vallen. Zowel wensen als onmogelijkheden hebben hier indertijd een onderscheiden, doch doorslaggevende rol gespeeld. De beschouwingen in de diverse memories van toelichtingen en van antwoord gewagen hiervan uitvoerig. Het is alweer meer dan tien jaar geleden dat oud-minister Veldkamp zich zette aan de opdracht om de sociale wetgeving te stroomlijnen. Toen leefden we nog in een zoge naamd sociaal paradijs. Wilgen behoefden niet te worden geknot, omdat verworteling voldoende was verzekerd door de steeds toenemende economische groei van die jaren. Na de vette jaren, kwamen de magere jaren. De gulle hand tastte in een lege buidel en daardoor kwamen mede de gevoelens van solidariteit in een ander daglicht te staan. Wie het breed heeft, laat het breed hangen, maar als het uit de lengte of de breedte moet komen, moet men noodgedwongen stringente criteria hanteren, hoe pijnlijk ook voor de betrokkenen. Waar niet is, verliest ook de keizer -en zeg in deze dagen maar: de kiezer -zijn recht. Niet voorzien was immers de hoge vlucht van de werkloosheid, de versnelde toename van het aantal arbeidsongeschikten en het hand over hand toenemen van het oneigenlijke gebruik en misbruik van de sociale wetgeving die daartoe -laten wij wel wezen -de nodige openingen bood. Verhelderend voor de huidige situatie is de volgende analyse. Vergaande differentiatie in beroepen en functies die het gevolg was van een voortgaande arbeidsdeling, betekende tevens functieverlies van primaire samenlevingsverbanden, zoals familie, buurt en kerk. Door de voortgaande arbeidsdeling heeft de verzorgingsstaat deze functies overgenomen. De filosofie van de verzorgingsstaat verdroeg dat niet alleen, maar stimuleerde dat ook.

Overigens moet worden vastgesteld dat de secularisatie, en als gevolg daarvan de ontkerkelijking, dat in effect ook noodzakelijk maakte. Voorts valt te denken aan de democratisering die tot gevolg had dat een ieder zich met ieder mocht en kon vergelijken. Niet in het minst wil ik hieraan toevoegen de generalisatie van waarden, de normloosheid, waardoor solidariteit en verantwoordelijk niet meer kunnen of anders worden beleefd. Heeft deze ontwikkeling van de sociale zekerheid de individualisering niet versterkt en daardoor ook het beroep op de sociale zekerheid doen toenemen? Waren en zijn wij dusdoende niet op weg naar een maatschappij van ieder voor zich en de staat voor ons allen en ons zelf? In de witte stukken toont de regering zich van de volgzame kant. Zij volgt en sanctioneert bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen en zij wijst het sturend element van de hand. De cruciale vraag is echter of 'volgen' hier niet al te positief wordt geduid. In de optiek van mijn fractie mag men bepaalde ontwikkelingen ook achtervolgen. Afgezien van een principiŽle stellingname, daarover straks, zal een doorzettende individualisering niet kunnen leiden tot een pluriformiteit aan samenlevingsvormen die van korte duur kunnen zijn en die nauwelijks te controleren zijn?

Na het lezen van alle stukken blijft bij mij de vraag aanwezig in hoeverre aan de eenvoud, de doorzichtigheid en de flexibiliteit van het stelsel recht is gedaan. Ik stel deze vraag momenteel in voorlopige zin en wel tegen de achtergrond van de eveneens beoogde bezuinigingsdoelstellingen. Op zijn minst moet daarover aan het veld voor eens en voor al opheldering worden verschaft. Ik kom daarop nog terug. Op deze plaats kan en wil ik er niet omheen, het standpunt van mijn fractie principieel uit de doeken te doen. Zowel in het verleden, als recent hebben wij onze zienswijze daaromtrent ten beste gegeven. Binnen de SGP is de sociale zekerheid, vooral vanwege het verzekeringsaspect, altijd een omstreden zaak geweest. Sommige mensen van gereformeerde belijdenis wijzen verzekeringen om principiŽle redenen af. Anderen, die staan op dezelfde grondslag, delen die overtuiging niet, althans verbinden daaraan niet die consequenties. Verzekering tegen risico's, waarvan moet worden afgewacht of ze zich voordoen, wordt in strijd geacht met een zich gelovig overgeven aan de leiding die God in Zijn voorzienig bestel houdt met een mens. In haar beginselprogramma doet mijn partij geen uitspraak over het verzekeringsprincipe, omdat het als politieke groepering niet past, te heersen over de gewetens van individuele burgers. Wel verzet de SGP zich tegen het dwangmatig karakter van het sociale zekerheidsstelsel. Mede om die reden heeft zij in het parlement haar stem in het verleden onthouden aan de vele achtereenvolgende wetsvoorstellen waarover in de loop der jaren moest worden beslist. Dit laat onverlet, dat het voluit bijbels is, op te komen voor de minst bedeelden en de behoeftigen. Dit behoort zelfs tot de kenmerken van de rechtvaardigen. Zo erkennen wij ook ten volle de instelling van het diakenambt, waarmee de kerk de opdracht ontvangt tot financiŽle hulpverlening via de door de gemeenteleden bijeengebrachte middelen. Door de eeuwen heen is echter de rol van de diakonie drastisch teruggedrongen. De sociale zorg raakt echter niet alleen de kerk, maar ook de staat. In onze zienswijze dient de overheid als vertegenwoordigster van de staat vooral een voorwaardenscheppend beleid te voeren, ten einde armoede te voorkomen en ruimte te laten voor financiŽle bijstand door kerk, particuliere organisaties en individuele burgers. De gedachte van een verzorgingsstaat met een veelomvattende overheidsbemoeienis, die beoogt de mensen te verzekeren 'van de wieg tot het graf', zoals het wel eens wordt uitgedrukt, wijst mijn fractie af. Wat de verzekeringsgedachte als onderliggend beginsel in de sociale zekerheid betreft -de SGP-fractie heeft altijd meer gehecht aan het zogenaamde omslagstelsel -heb ik de vraag, of naar het oordeel van de bewindslieden in het onderhavige pakket daaraan uitbreiding wordt gegeven. Ja of nee? Het gaat dan eventueel om het groter worden van de kring van verplicht in het stelsel verzekerden, het bereik dus, maar ook om de duur van het uitkeringsrecht voor iemand individueel. Naar gelang leeftijd en arbeidsverleden varieert de laatste. Daarom zou met een gemiddelde moeten worden gewerkt bij de beantwoording van deze vraag. Voor mijn fractie is deze vraagstelling van gewicht in het raam van de door ons telkenmale gehanteerde principiŽle benadering. Ondanks haar alternatieve opstelling in dezen, blijft mijn fractie echter niet aan de kant staan als het erom gaat, wijzigingen ten goede aan te brengen. Om niet verder in bijzonderheden te treden mag ik de bewindslieden verwijzen naar de onlangs door mijn partij uitgebrachte nota Sociale zorg, onze zorg. Daarin is op overzichtelijke wijze de visie van de SGP op de sociale zekerheid verwoord. De nota dateert van februari jongstleden. Zij is overigens, uiteraard, voor een ieder beschikbaar. Gezien deze visie is het wellicht niet verwonderlijk, dat mijn fractie hecht aan vooral de persoonlijke verantwoordelijkheid van een ieder, gevolgd door de naaste familie, de kerk en de overheid. In de huidige situatie betekent dit onder meer: meer recht doen aan de eigen verantwoordelijkheid en het terugdringen van de invloed van de overheid op termijn. Dit zullen dan ook onze ijkpunten zijn in meer praktische zin. Meer beschouwend en principieel wil ik nog wel de vraag stellen, in hoeverre de bewindslieden zich in de zojuist door mij verwoorde visie en de concretisering ten opzichte van het huidige pakket van voorstellen, wat de aangegeven ijkpunten betreft, herkennen.

Dat er bezuinigd moet worden, stond en staat in feite nog altijd buiten kijf. Bezuiniging is echter geen doel in zichzelf. Het gaat om de betaalbaarheid, en dus de beheersbaarheid, en de duurzaamheid van de voorziening in de toekomst. Ik denk daarbij aan de middellange termijn. Dat een combinatie wordt gezocht met een vereenvoudiging van het sociale zekerheidsstelsel mag evenmin verbazing wekken. Wel is echter opmerkelijk, dat beide componenten in de discussie nogal eens tegen elkaarworden uitgespeeld. In de schriftelijke gedachtenwisseling is hieraan reeds uitvoerig aandacht besteed. Het kan misschien geen kwaad, als het totaal aan structurele bezuinigingen en de eenvoudige som van meer inzichtelijke procedures nog eens duidelijk op een rijtje worden gezet. Kortom, wordt de doorzichtigheid van de huidige regelgeving nu wel of niet bevorderd door deze wetsvoorstellen? Dit klemt te meer, als wordt opgemerkt dat een zorgvuldige behandeling in ruime mate is gewaarborgd. Voorafgaand aan de afzonderlijke behandeling van de onderscheiden voorstellen van wet zou ik, vooral gelet op het voorgaande, nog een vraag willen stellen. In artikel 19 van het wetsvoorstel Verzekering van werknemers tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet) wordt gesteld dat onder anderen geen recht op uitkering heeft: de werknemer die op grond van artikel 17 van de CoŲrdinatiewet sociale verzekering een vrijstelling heeft wegens gemoedsbezwaren, of wiens werkloosheid binnen 3 maanden na intrekking van een zodanige vrijstelling is aangevangen. Kunnen in dit verband nader de gevolgen worden aangegeven voor deze groep personen? Welke wijzigingen zullen er optreden voor deze mensen, nu de WW opgaat in de nWW? Ik kom nu toe aan de bespreking van de nieuwe werkloosheidswet. Ter zake van de verdeling van de verantwoordelijkheden -met eigen en gezamenlijke taken -van overheid en sociale partners zal een verdere verdieping en uitwerking van de gedachtenvorming in de komende kabinetsperiode nog voldoende kunnen plaatsvinden. Dit wordt opgemerkt in de nota naar aanleiding van het eindverslag. Is het gedurfd om te vragen waarop deze gedachte eigenlijk steelt? Op welke wijze zullen

in het kader van deze gedachtenworming ook de wenselijkheid van en de mogelijkheid tot vergroting van de indivuele verantwoordelijkheidsbeleving aan de orde kunnen komen? Dit betreft een van de zojuist door mij genoemde ijkpunten. Het wordt op dit moment niet opportuun geacht, de financieringsgrondslag van de sociale verzekeringen fundamenteel aan de orde te stellen. Het kabinet acht het niet mogelijk en ook niet verantwoord om, vooruitlopend op het beschikbaar komen van een aantal studies, geÔsoleerd binnen het kader van de herziening van de werkloosheidsregelingen tot een definitief oordeel te ko nen. In dit verband rijst de vraag, wanneer het eindresultaat van de studie naar de financieringsgrondslag bekend kan zijn. In meer algemene zin merk ik nog het volgende op. De bewindslieden erkennen het belang van de sociale zekerheid voor de economische ordening en de verantwoordelijkheid van huishoudens. Zij voegen er echter aan toe dat dit niet wegneemt dat zij van mening blijven dat de sociale zekerheid de ontwikkelingen in de samenleving dient te volgen en niet te sturen. Mijn fractie acht deze opstelling een principiŽledooddoener. Welke andere beleidsterreinen waarop de overheid bemoeienis heeft, worden met een dergelijke permissieve houding tegemoet getreden? Is hier echt geen normatieve opstelling -eventueel met gradaties -geboden? Is het geen zwaktebod, uit te spreken louter te willen volgen? Is sturen somtijds geen bittere en heilzame noodzaak? Wordt hier niet te simpel geredeneerd, teneinde bepaalde modieuze tendensen niet te zeer te dwarsbomen? In haar algemeenheid kan toch niet worden gezegd dat het optreden van de overheid slechts een volgende en geen sturende functie heeft? Op dit cruciale punt zie ik graag een nadere uiteenzetting tegemoet. Het nieuwe stelsel wordt gekenmerkt door de afweging van wenselijkheden en beschikbare middelen. Dat is een alleszins aanvaardbare afweging. Ik vraag echter nogmaals, of dit niet wat duidelijker uit de doeken kan worden gedaan. Dat moet zeker mogelijk zijn, nu is gezegd dat in het verleden tegen de achtergrond van de op dat moment onstuitbaar lijkende economische groei een dergelijke afweging minder heeft plaatsgevonden, wat een forse groei van de collectieve sector tot gevolg had. Het laatste heeft er mede toe geleid dat het huidige ombuigings-beleid noodzakelijk is geworden. Mijn volgende vraag is van meer praktische aard. Het tijdstip waarop het overheidspersoneel daadwerkelijk onder de werking van de nieuwe werkloosheidswet wordt gebracht, valt nog niet te noemen. De resultaten van de zogenaamde pakketvergelijking zijn inmiddels bekend. Ongetwijfeld moeten daaraan van regeringswege beleidsconclusies worden verbonden. Deze beleidsconclusies zullen voorwerp zijn van aandacht van deze Kamer. Hoe kan met een en ander worden ingespeeld op het aan de orde zijnde pakket weggeving? Wanneer wordt daarover duidelijkheid verschaft? De nadere argumentatie inzake de omkering van de bewijslast van de burger die een beroep doet op de sociale zekerheid, geeft aan dat hier veel meer sprake is van een verzwaring van de bewijslast. Ik kan mij daarin wel vinden, als de zaak maar recht overeind blijft staan. Het kan toch immers nooit de bedoeling van de wetgever zijn geweest om frauduleuze handelingen -op welke wijze dan ook -maar enigszins te beschermen? Puur zakelijk geredeneerd is ons stelsel hiervoor veel te kostbaar, om van ethische laakbaarheid nog maar te zwijgen. Het is inderdaad de werknemer die door onverhoopt frauduleus handelen de vertrouwensrelatie verstoort. Daarom is mijn fractie content met de opmerking dat het in het kader van een correcte bewijslastverdeling redelijk is dat de bedrijfsvereniging in een voordeligere bewijspositie komt te verkeren dan tot nu toe het geval is. Onder het hoofdstuk betaling wordt te berde gebracht dat in het algemeen kan worden gesteld dat zowel van de regelingen in de marktsector als van die voor het overheidspersoneel mag worden verwacht dat een stimulerende werking uitgaat van de wijze waarop neveninkomsten worden verrekend. Kan dit worden toegelicht? Geconcludeerd wordt dat de arbeidsverledeneis van drie uit vijf jaren als zodanig moet worden gehandhaafd. Op welke wijze kunnen echter de extra besparingen die hierdoor ontstaan, worden aangewend voor aanpassingen in de sfeer van de rondom het arbeidsverleden te stellen eisen, waartoe een voorstel is aangekondigd, casu quo op andere

-de vraag is: welke -onderdelen van het stelsel? Een zelfde vraag is wat met eventuele binnen het sociale stelsel beschikbaar komende ruimte, bij voorbeeld naar aanleiding van door ons allen gehoopte afnemende langdurige werkloosheid gebeurt. Wordt deze bij voorkeur ingezet voor verlenging van de duur van de uitkering, voor verhoging van de uitkeringsniveaus of voor nivellering van verschillen die nu bestaan wegens de leeftijden van gerechtigden en het arbeidsverleden als functie hiervan? Wordt de ruimte wellicht uitsluitend toegerekend aan premiestellingen en derhalve aan een meer algemeen inkomensbeleid? In deze Kamer wordt hierover verschillend gedacht. Het is goed, als het kabinet zijn visie op dit punt geeft. Het stemt tot tevredenheid dat het kabinet heeft afgezien van zijn aanvankelijke voornemen van een halfjaarlijkse verlaging van het uitkeringsniveau van 70% van het laatst verdiende loon tot 70% van het minimumloon. Tevens vindt mijn fractie het goed dat is gekozen voor een combinatie van feitelijk en fictief arbeidsverleden voor het bepalen van de duur van de aan het loon gerelateerde uitkering. Tijdens de schriftelijke voorbereiding heeft mijn fractie hiervoor bij herhaling gepleit. Daarom kan het niet anders dan dat zij ingenomen is met deze koerswijziging. Overigens blijven op dit punt enkele vragen bestaan. Hoe moet worden omgegaan met perioden die zijn doorgebracht in door ons bevorderde gerichte her-en bijscholing of gerichte scholing binnen een bepaald beroep, nadat men reeds was toegetreden tot de arbeidsmarkt? Wat is er te doen bij langdurige ziekte, respectievelijk enkele korte, onderbroken perioden van ziekte? Op een of andere manier moet hiermee rekening gehouden kunnen worden. Verder wenst de fractie van de SGP een duidelijkere honorering van verzorgingsperioden. Immers, het nakomen van een formele of morele zorgplicht is een goede zaak en mag geen materieel onverkwikkelijke nasleep krijgen in volgende levensfasen bij de vaststelling van het wettelijk te hanteren arbeidsverleden. Het zorgvermogen van de samenleving moet worden stimuleerd. Hieraan kan een uitgebouwd verzorgingsforfait bijdragen. Een en ander moet vanzelfsprekend zorgvuldig worden gedefinieerd en geconditioneerd. Hiervoor is onderzoek nodig. 4465

Zijn de bewindslieden ertoe bereid, een dergelijk onderzoek te bevorderen? Hoe ouder een werkloze is en vooral hoe langer men werkloos is, hoe minder kans men in het algemeen heeft op een nieuwe baan, helaas. Deze mensen hebben doorgaans lang bijgedragen tot het economische, maatschappelijke draagvlak. Dit levert de samenleving verplichtingen aan hen op. Degenen die 57,5 jaar of ouder zijn, kunnen in de huidige voorstellen in de situatie terechtkomen waarin zij 'hun eigen huis moeten opeten'. Dit moet worden voorkomen. Dit speelt een rol in dit verband en bij de IOW, waarover ik straks enkele opmerkingen maak. Voorstellen om dit te veranderen en die intussen de Kamer hebben bereikt, zal mijn fractie steunen. Inzake de toedeling van de bevoegdheden in het kader van de deregulering zegt staatssecretaris De Graaf, het vanuit het uitgangspunt van gedeelde verantwoordelijkheid een aantrekkelijke gedachte te vinden om na afronding van de stelselherziening nader overleg te voeren over mogelijke concepties, waarbij de rol van de sociale partners bij het vaststellen van de materiŽle inhoud van de loondervingsregelingen, alsmede de uitvoering daarvan, het beste tot zijn recht kan komen. Op deze plaats zou ik willen vragen of deze bereidwilligheid in dit stadium misschien wat nader toegelicht kan worden.

Met betrekking tot de berekeningsmethodiek wordt opgemerkt dat of en, zo ja, in hoeverre en op welke punten de gehanteerde modellen feilen vertonen, eerst kan worden bepaald nadat enige tijd met het nieuwe stelsel ervaring is opgedaan en nieuwe informatiestromen en realisatiecijfers beschikbaar zijn gekomen. Tot die tijd zal men zich moeten verzoenen met het gegeven dat het ontwikkelen van ramingen, zeker wanneer deze de toekomst betreffen, risico's inhoudt. Op welke gronden kan daar dan toch met een zekere stelligheid aan worden toegevoegd, dat het wel duidelijk is dat door het toepassen van de meest geŽigende rekenmethodiek -zoals de bewindsman dit meent te hebben gedaan -, de risico's zo beperkt mogelijk zijn gehouden? Hoe groot wordt de onzekerheidsmarge in dezen ingeschat en is daar ook rekening mee gehouden? Overigens komt de omvang van de uitvoeringskosten nauwelijks uit de verf. Dat er ook wegvallende kosten zijn in de uitvoeringssfeer van de sociale verzekeringen moge duidelijk zijn, maar ook hier wordt geen enkele raming verstrekt. Waarom zijn overigens de extra inspanningen, verbonden aan de herkeuringen in de AAW en WAO, het sanctie-en vervolgingsbeleid, het doen van inkomensonderzoeken en het doen van onderzoeken naar de vormen van samenleven niet via een gedetailleerd onderzoek benaderd? Resumerend kan worden gesteld dat de nieuwe werkloosheidswet zowel in hoogte als in duur van de uitkering weinig sympathiek overkomt, gelet op de bezuinigingsdoelstelling die mede overtuigend in het geding is en misschien naar buiten toe wel overheerst. Alleen de verwachting dat een toeneming van de economische groei zal leiden tot meer werkgelegenheid en dus tot minder werkloosheid, kan hier iets aan afdoen. Wij wensen het thans zittende en het komende kabinet de nodige voortvarendheid om dit op gepaste wijze te bewerkstelligen. Voorzitter! In het gehele pakket van voorstellen tot herziening van de sociale zekerheid neemt de nadere wijziging van de AAW/WAO een belangrijke plaats in. Wij konden daar tijdens de schriftelijke behandeling wel begrip voor opbrengen. Het gaat hierbij namelijk om de kwestie dat personen die deels werkloos en deels arbeidsongeschikt zijn, voor wat betreft het werkloosheidsdeel in dezelfde uitkeringspositie dienen te komen verkeren als de overige, onvrijwillig werklozen. De gelijke uitkeringsperiode dient te worden bereikt door de bepalingen die de verdiscontering van werkloosheid in de arbeidsongeschiktheid mogelijk maken, te laten vervallen en daarnaast te bepalen dat arbeidsmarktfactoren niet meer de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium mede blijven bepalen. Maar uiteindelijk rest voor mijn fractie de vraag of wel zo rigoureus mag worden ingegrepen in deze groep van uitkeringsgerechtigden. Het corrigeren van de verdisconteringsbepalingen is een uitermate tere zaak. Zowel factoren van fysieke als van psychische aard spelen hierbij een belangrijke rol. Dat de WAO meer en meer, in de loop van de tijd, het karakter heeft gekregen van een regeling voor vervroegde pensionering en van een werkloosheidsvoorziening, is een zaak die niet valt te ontkennen. Evenzeer valt het te billijken dat deze misstand uit de weg dient te worden geruimd. Maar mijn fractie heeft er, eerlijk gezegd, wel de nodige twijfels over, of dit allemaal in ťťn handomdraai in schematische zin zal behoren te gebeuren. Bij wijze van toelichting merk ik het volgende op. Hoe kun je iemand die om psychische redenen arbeidsongeschikt is verklaard, opzadelen met een

werkloosheidscomponent? Zal deze vaststelling geen extra psychische druk leggen op de artsen die werkzaam zijn bij de GMD's? De drie hoofdredenen die worden aangevoerd om over te gaan tot afschaffing van de verdiscontering, zijn evenwel -ik erken dit -niet van elke zin ontbloot. Het betreft achtereenvolgens het grote verschil in uitkeringspositie tussen gedeeltelijk arbeidsongeschikten voor het deel dat zij als werkloos zijn aan te merken enerzijds en geheel arbeidsgeschikte werklozen anderzijds, de aanzuigende werking van de betere uitkeringsrechten in het kader van de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de anti-revaliderende werking van de verdisconteringsbepalingen. Maar daarmee is mijns inziens toch niet alles gezegd. Om maar ťťn tegenwerping te noemen: gedeeltelijk arbeidsongeschikten verkeren wat hun toetreding tot de arbeidsmarkt betreft in een duidelijk ongunstiger positie dan de geheel arbeidsgeschikte werklozen. Dat zal zeker in de huidige situatie op de arbeidsmarkt een rol spelen. Kan nog eens nader worden ingegaan op de aanvullende maatregelen die nodig zijn om de positie op de arbeidsmarkt van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte te versterken? Juist ook na afschaffing van de verdisconteringsbepalingen zou de discussie voort moeten blijven gaan over de vraag hoe de WAO/AAW kan bijdragen tot herstel van arbeidsvermogen van betrokkene en de bevordering van de feitelijke plaatsing op de arbeidsmarkt. Op welke wijze zal deze reÔntegratie zowel voor de geheel arbeidsongeschikte als voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte, ook na afschaffing van de verdisconteringsbepalingen, ťťn van de doelstellingen van de WAO/AAW kunnen blijven? Het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vele reacties opgeroepen. Het lijkt ook geen gemakkelijke zaak te zijn. Kan nog eens nader worden uiteengezet op welke wijze en in welke mate de reŽle verdiencapaciteit uitgangspunt blijft bij de arbeidsongeschiktheidsschatting? Welke criteria worden gehanteerd en door wie? Welke arbeidsongeschiktheidsklassen blijft men gebruiken? Mijn fractie heeft grote aarzeling bij al te rigoureuze ingrepen ten aanzien van al of niet gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Voordat bij voorbeeld een laagste klasse zou worden afgeschaft, moet toch wel onomwonden duidelijk zijn dat dat verantwoord is en dat het mensen niet onbillijk treft. Om het in alle opzichten onbespreekbaar te verklaren, gaat ook weer te ver. In het verleden is trouwens van een dergelijk voornemen regelmatig sprake geweest. Moet het budgettaire gevolg van het afschaffen van de laagste arbeidsongeschiktheidsklasse in de WAO inderdaad als onoverkomenlijk worden beschouwd? Voorzitter! Een punt dat hierop aansluit is de volledigemiddelentoets van de Algemene Bijstandswet, waarmee de gedeeltelijk arbeidsongeschikten zullen worden geconfronteerd na het verstrijken van de uitkering van de nieuwe werkloosheidswet. Mijn fractie blijft van mening dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikten niet moeten terugvallen op de ABW, gelet op de vermogens toets die daarbij plaatsvindt. Evenals andere fracties, is ook mijn fractie de mening toegedaan dat in de IOW voor deze groep een voorziening opgenomen moet worden. In het kader van de schriftelijke voorbereiding bij het onderhavige wetsvoorstel is ook aandacht besteed aan het zogenaamde opstapje. Het ging daarbij om verschillende mogelijke, aanvullende maatregelen om de positie van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer op de arbeidsmarkt te verbeteren. In de memorie van antwoord is bij de beschouwing over de vorm waarin een dergelijke tijdelijke toelage op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in situaties van feitelijke reÔntegratie verstrekt zou kunnen worden, als mogelijkheid genoemd een verhoging van de uitkering met maximaal ťťn klasse. Daardoor wordt niet de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd; wel wordt tijdelijk een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt, waardoor reÔntegratie kan worden gerealiseerd Op zichzelf is dit een zeer goede zaak. De periode zou echter beperkt dienen te blijven tot een half jaar, zo lees ik in de stukken. Op welke wijze zou evenwel de mogelijkheid aanwezig moeten zijn, dat het reÔntegratie-opstapje meerdere keren ten aanzien van dezelfde persoon kan worden toegepast? Kan eens duidelijk uit de doeken worden gedaan waarom naar het oordeel van het kabinet pas in een later stadium invoering van zo'n opstapje nader zal worden overwogen? Overigens ligt er amendering op dit punt voor en uit mijn beschouwing zal duidelijk zijn dat mijn fractie daar met grote sympathie tegenover staat. Ter afronding van mijn betoog over de AOW/WAO, merk ik op dat mijn fractie zeer positief oordeelt over het elimineren van c'e eis van het arbeidsverleden in de WAO/AAW. Voorzitter! Mijn fractie kan zich in grote lijnen verenigen met de voorgestelde toeslagenwet Ook onderschrijven wij de wenselijkheid van de scheiding die het kabinet tracht aan te brengen tussen het equivalentiebeginsel en het solidariteitsbeginsel. Dat de toeslagenwet uit de algemene middelen wordt gefinancierd, betekent inderdaad een versterking van het solidariteitsbeginsel in het totale stelsel van de sociale zekerheid, aangezien op deze wijze het financieringsdraagvlak wordt verbreed. Bij de bepaling van de hoogte van de toeslag blijft evenwel vermogen buiten beschouwing. Dit betreft het belangrijkste verschil tussen de middelentoets in de Algemene Bijstandswet en de toeslagenwet. Waardoor is het voornemen ontstaan om, in het op grond van artikel 5 nog te treffen besluit, te bepalen dat beurzen niet buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de hoogte van de toeslag? Mijn fractie is er bepaald geen voorstandster van om de aanvullende toeslag via de Algemene Bijstandswet aan de partner uit te keren. Het verdient naar onze mening de voorkeur tijdens het loondervingstraject, de analogie met de wijze van betaling van loon, zoveel mogelijk na te streven door loondervingsuitkering en toeslag aan de uitkeringsgerechtigden gezamenlijk uit te betalen. Voorts zijn wij van mening dat, nu het als gevolg van de keuze voor een uniform uitkeringspercentage van 70, kan voorkomen dat de loondervingsuitkering beneden het relevante sociale minimum daalt, de overheid haar zorgfunctie voor het gegarandeerde bestaansminimum in de specifieke situatie dat uitkeringsgerechtigden anderen financieel ten laste hebben, behoort te vervullen. Financiering door middel van premieheffing heeft niet de voorkeur van mijn fractie -ik zei dat al -omdat mede daardoor het verzekeringsaspect van de toeslag wordt benadrukt. Verder zijn wij van mening dat de toeslagenregeling meer het karakter van een minimumbehoeftevoorziening draagt. Wij zijn dan ook verheugd en het kabinet is dat ook, dat gelet op de uitgebrachte adviezen binnen de totale financie-

ringsstructuur en de daarmee samenhangende lastenverdeling, op het aanvankelijke voornemen om de toeslagenwet uit premies te financieren, kon worden teruggekomen. De termijn waarbinnen in het voorstel een deel van de inkomsten uit arbeid wordt vrijgelaten, wordt beperkt tot maximaal twee jaar. Een uitbreiding van de voorgestelde termijn van twee jaar zou inderdaad niet te rechtvaardigen zijn ten opzichte van degenen die uit arbeid het minimumloon of iets meer verdienen. Geldt dit ook voor de boven 57,5-jarigen? Hoe oordeelt de bewindsman over de suggestie om voor hen de duur van de vrijlatingsregeling niet aan een maximum van twee jaar te binden? Mijn fractie acht het juist dat het kabinet een harmonisatie wil realiseren van de vrijlatingsbepalingen tijdens de loondervings-en minimumbehoeftefase. In de nota naar aanleiding van het eindverslag lezen wij dat de bedoelde harmonisatie niet volledig tot stand wordt gebracht. Kan nader worden ingegaan op de relatief geringe verschillen tussen de vrijlatingsbepalingen in de Algemene Bijstandswet enerzijds en de AOW en de toeslagenwet anderzijds? Mijn fractie heeft moeite met de uitbreiding van de minimumbescherming tijdens de loondervingsfasen van ongehuwden. Wordt op deze wijze geen premie gezet op het ongehuwd samenwonen en wordt door de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden de laatste groep niet opnieuw wettig gesanctioneerd? Bij de bespreking van de notitie over alternatieve leefvormen, heb ik uitvoerig verwoord hoe wij tegen deze ontwikkeling aankijken. De bedoeling van dat overleg was om de daarop volgende discussies over de stelselherziening te ontlasten. Het kan dus niet de bedoeling zijn, een en ander hier op deze plaats, waar wij trouwens onze opvattingen over de alternatieve samenlevingsvormen ettelijke malen hebben verwoord, te herhalen. Kort en goed, wij wekken de regering en de hier aanwezige fracties op, van deze weg met vele voetangels en klemmen terug te komen. In het andere geval zal naar onze stellige mening, de samenleving voor geweldige en negatieve materiŽle en immateriŽle gevolgen komen. Daarvoor willen wij ernstig waarschuwen. Vanuit de bijbelse visie meen ik deze ontwikkeling principieel van commentaar te moeten voorzien en moet ik deze ten diepste afwijzen. Waarom niet teruggekeerd naar de situatie waarin het ongehuwd samenwonen ook geen rechten uit hoofde van de minimumdagloonbepalingen opleverde? Aangaande de formeel juridische onmogelijkheid van een adequate formulering van artikel 1, lid 3, wordt geantwoord dat dat lid betrekking heeft op feitelijke omstandigheden. Ik vind dit een wat mager argument en dan druk ik mij nog zacht uit. De voorgestelde Wet lnkomensvoorziening oudere werkloze werknemers kan mijn fractie in grote lijnen onderschrijven. Dat de werkloze werknemer meer bescherming behoeft naarmate hij ouder is, acht mijn fractie billijk. In antwoord op de vraag, te overwegen om daarnaast voor degenen die na het bereiken van de leeftijd van 57,5 jaar werkloos worden de vervolguitkering in de nieuwe Werkloosheidswet bij voortdurende werkloosheid te doen doorlopen tot het 65e jaar, wordt gezegd dat een verlenging van de vervolguitkering als een mogelijke tegemoetkoming aan de groep van oudste werklozen niet strookt met de bedoeling die aan deze uitkering ten grondslag ligt. Kan dat nader worden toegelicht? Geeft bij deze afwijzing niet veel meer de doorslag het gegeven dat overneming van deze gedachte zou leiden tot extra lasten van ongeveer 60 min.? Van belang bij de behandeling in de IOW is voor mijn fractie de positie van de oudere ex-zelfstandige die is genoodzaakt zijn bedrijf te beŽindigen. Door het kabinet worden uitvoeringstechnische en wetssystematische bezwaren aangevoerd tegen het nu onder de IOW brengen van oudere ex-zelfstandigen. Door het CDA wordt geopteerd -andere fracties hebben zich daarbij aangesloten -voor het tot stand brengen van een afzonderlijke regeling voor deze categorie, vergelijkbaar met de IOW. Ik voel daar wel wat voor, te meer daar wordt uitgegaan van de overweging dat er, evenzeer als voor oudere werkloze werknemers, ook voor oudere ex-zelfstandigen, die in een vergelijkbare helaas uitzichtloze situatie verkeren, aanleiding is een regeling te treffen. Het kabinet merkt dienaangaande op dat, indien op grond van deze overweging de keuze zou worden gemaakt voor oudere ex-zelfstandigen een sociale voorziening te treffen, gelet op de bezwaren tegen opname in de IOW, een afzonderlijke regeling de voorkeur verdient. Verder wordt opgemerkt, dat het noodzakelijk is, te komen tot een verdere uitwerking van uitgangspunten, voorwaarden en criteria alvorens een standpunt over de wenselijkheid van zo'n voorziening kan worden bepaald. De vraag doet zich dan wel voor, binnen welke termijn over die wenselijkheid kan worden beslist en wanneer de uitwerking ter hand zal worden genomen. Mijn collega's hebben hierover ook al vragen gesteld. Het kabinet is de mening toegedaan, dat in de genoemde nadere afweging de plaats en functie van de huidige bedrijfsbeŽindigingsregelingen moeten worden betrokken. Ook moet gelet worden op de gevolgen voor het economisch structuurbeleid. Wanneer kan een uitspraak tegemoet worden gezien over een eventuele opheffing van deze regelingen? Kan nader worden toegelicht waarom het in principe niet is uitgesloten dat een eventuele sociale voorziening voor oudere ex-zelfstandigen en economische structuurmaatregelen ten aanzien van bepaalde bedrijfstakken -welke zijn dat? -naast elkaar bestaan? De mogelijkheid van het opleggen van voorwaarden tot herinschakeling in het arbeidsproces aan de partner van de werkloze werknemer wordt door de staatssecretaris als volgt verklaard. In de IOW is er geen sprake van dat aan allen dergelijke verplichtingen zullen worden opgelegd. Vervolgens zegt de staatssecretaris dat hij heeft betoogd, dat dit een, met inachtneming van een aantal in de wet opgenomen criteria, op de individuele omstandigheden afgestemde beslissing van de uitvoerder van de wet is. Dat zie ik graag toegelicht. Kan geen grove schatting worden gegeven van het aantal personen waarom het hierbij gaat? Mijn fractie heeft op dit punt heel duidelijke reserves. Dat zal de Kamer niet verwonderen, na de discussie die wij hierover in ander verband hebben gevoerd. Ik kom op de wijziging van de AOW. De gelijkstelling van gehuwden met niet-gehuwden roept bij mijn fractie principiŽle bedenkingen op. Op deze plaats memoreer ik mijn bijdrage aan het voorlopig verslag. Hoewel ik het voortbestaan van de bevoordeling van ongehuwd samenwonenden een ongeoorloofde premie vind op buitenechtelijke samenle-

vingsvormen, heb ik grote bedenkingen tegen het zomaar overgaan tot gelijkstelling van niet-gehuwden met gehuwde echtgenoten. Aan de andere kant besef ik ook wel de meer dan scheve verhouding die er bestaat tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden ten nadele van gehuwden. Samenwonenden behouden tot nu toe elk hun AOW van 70%, terwijl gehuwden samen slechts tot 100% AOW kunnen komen. Opgemerkt wordt in de gewisselde stukken dat een reden voor het verbinden van verschillende rechtsgevolgen aan het wel of niet gehuwd zijn, is gelegen in het verschil in behoefte en draagkracht dat daarmee in verband wordt gebracht. Dat verschil zou niet voortvloeien uit de formalisering van een samenlevingsverband door het huwelijk, maar uit het samenwonen als feitelijke omstandigheid zelf. Ongehuwd samenwonenden verkeren wat dat betreft niet in een andere positie dan gehuwden, zo wordt steeds gesteld. De vraag die hierbij rijst is of alleen formele overwegingen de doorslag hebben gegeven om ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met gehuwden. Kan van dit kabinet wellicht ook een meer principiŽle benadering tegemoet worden gezien? Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de gelijkstelling van niet gehuwde personen met gehuwden in de Algemene Bijstandswet. Ik rond af. In het verleden zijn reeds besluiten genomen vooruitlopend op de nu aan de orde gestelde fundamentele stelselwijziging. De SGP-fractie heeft in het verleden daaraan al of niet met groot enthousiasme meegewerkt, ervan overtuigd zijnde dat het nodig was, maar ook dat het mensen pijnlijk zou treffen in hun financiŽle positie. Wij hebben onze verantwoordelijkheid voor een beheersbaar beleid op termijn niet willen ontlopen en hebben tegelijkertijd oog proberen te houden voor de in acht te nemen maat van redelijkheid en billijkheid. Dat laatste is ook een kwestie van prioriteitstelling en onderling vergelijk. Normstelling over absolute bodems in de sociale zekerheid is moeilijk. Het is altijd een politiek besluit. Daarvoor weten wij ons mede verantwoordelijk. Ons program voor de jaren 1986-1990 doet daarover concrete uitspraken. Geen aantasting koopkracht van de echte minima. Er staan concrete uitspraken in over de structuur van het loongebouw en de daaraan op enigerlei wijze gekoppelde uitkeringen en de dringende wens nu toch tot rust in het stelsel te komen. Ik hoop dat mijn beschouwing het kabinet kan inspireren tot een beantwoording, ook in de richting van mijn fractie. Helaas is vrijdagavond door middel van de persconferentie van de minister-president over de ministerraad de indruk gewekt dat naar aanleiding van de inbreng van de drie grote fracties het kabinet zich al heeft beraden op de beantwoording en bij wijze van spreken die beantwoording al in portefeuille ligt en klaar is voor vandaag. Ik vind dat niet erg hoffelijk voor de fracties die vandaag nog in het parlement aan het woord komen.

Staatssecretaris De Graaf: Waaruit zou dan blijken dat die beantwoording vandaag klaar zou liggen? Het is toch wel begrijpelijk dat als een deel van een eerste termijn gepasseerd is, daarover op zichzelf gesproken wordt. Nu ligt nog niet het antwoord klaar. Natuurlijk zijn wij wel met de voorbereiding bezig.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik begrijp dat ook u uw tijd nuttig besteedt. Vrijdagavond werd op de persconferentie van de minister-president de suggestie gedaan dat het kabinet de voorliggende amenderen-de voorstellen had besproken en daarover al stellingnames zou hebben ingenomen. Dat is overigens het goede recht van het kabinet. Daarom vraag ik of de fracties die vandaag aan het woord komen, ook zullen worden meegenomen in de beantwoording. Deze bewindslieden kennend, neem ik aan dat zij daartoe het maximaal mogelijk zullen doen.

Staatssecretaris De Graaf: Daarvan mag u verzekerd zijn.

De heer Buurmeijer (PvdA): Begrijp ik van de heer Van der Vlies dat hij dat gedrag wat inconsequent vond, gelet op de uitlatingen van de minister-president zaterdag dat na de verkiezingen de positie van onder anderen de heer Van der Vlies versterkt zal zijn?

De heer Van der Vlies (SGP): Wij zullen vast nog mogelijkheden te over hebben om daarover nog eens wat diepgravender van gedachten te wisselen.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Het totale pakket voor de stelselherziening omvat zeven wetsvoorstellen. Alleen al daarom kan moeilijk gesproken worden van ťťn stelselherziening. Eigenlijk gaat het om drie zaken, die min of meer afzonderlijk besproken kunnen worden, namelijk de integratie van de Werkloosheidswet en de WWV, de verdiscontering van de werkloosheid in de AOW en de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden. Mijn bijdrage in dit debat valt dan ook in deze drie onderdelen uiteen. In de nota over de stelselherziening, die wij hier bespraken in de zomer van 1982, werden drie redenen aangevoerd voor de integratie van de Werkloosheidswet en de WWV: vereenvoudiging, gelijke behandeling en bezuiniging. Nu wij een eindoordeel moeten vellen over de wetsvoorstellen is het goed te kijken in hoeverre tegemoet wordt gekomen aan deze drie redenen voor wijziging. Over de gewenste vereenvoudiging zal ik, na alles wat hierover is gezegd, maar zwijgen. Als het aan het kabinet had gelegen was de zaak nog complexer geworden dan nu reeds het geval is. De glijdende schaal en de halfjaarlijkse vermindering van de uitkeringen zijn gesneuveld. Van een echte integratie tussen de Werkloosheidswet en de WWV is eigenlijk ook geen sprake. Weliswaar komt er nu ťťn wettelijke regeling en wordt de financiering op dezelfde wijze geregeld, maar nog steeds blijft er het onderscheid tussen een korte uitkering van een half jaar en een langere uitkering waarvoor andere voorwaarden gelden. De vervolguitkering, de uitkering voor ouderen en de aparte toeslagenwet vormen evenzo vele extra complicaties. Voor de gelijke behandeling was de stelselherziening niet nodig geweest, die kon toch wel gerealiseerd worden. Datzelfde geldt voor de bezuinigingen. De verlaging van uitkeringspercentages en de herhaal-de bevriezingen hebben omvangrijke bezuinigingen opgeleverd. Het pakket wijzigingsvoorstellen, dat nu voor ons ligt, bereikt de grootste bezuinigingen elders, namelijk bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Waarom dan toch die hele operatie doorgezet? Ik zou mij een ingrijpende wijziging van het stelsel kunnen voorstellen wanneer dit zou zijn gebeurd in het kader van een brede oriŽntatie van de plaats die het huidige sociale zekerheidsstelsel in ons economisch bestel inneemt. Daarbij zouden dan

vragen aan de orde zijn gekomen naar de invloed van het bestel op de ontwikkeling van de werkgelegenheid, op de overheidsfinanciŽn, op de relatie met het informele circuit, op de relatie werkinkomen en dergelijke. De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid heeft vorig jaar met zijn rapport over het gedeeltelijk basisinkomen een flinke stap in die richting gedaan, maar hij was te laat. Die voorstellen gingen mijns inziens te ver. Het kabinet is met zijn voorstellen echter blijven steken binnen de kaders van de bestaande loondervingsgedachte. Het kabinet had geschiedenis kunnen schrijven door dat kader open te breken en het selsel meer te richten op werkgaranties dan op inkomensgaranties. Dan had gesproken kunnen worden over scholingsplicht voor uitkeringsgerecfv tigden en verruiming van het begrip passende arbeid. Dan was het werken met behoud of met behulp van een uitkering mogelijk een integraal onderdeel van het stelsel geworden. Dan zou gekeken zijn naar een andere financieringsgrondslag, zodat er geen straf meer zou staan op het aannemen van nieuw personeel. Dan was het aanpassingsmechanisme in overeenstemming gebracht met de economische mogelijkheden en had de irreŽle WAM een flinke wijziging ondergaan. Nu is er eigenlijk sprake van een gemiste kans op dat gebied Het hele complex van voorstellen draagt een sterk technocratisch karakter, bestaande regelingen worden samengevoegd, uitgebreid en nader verfijnd. Van een dieper liggende visie is weinig te merken, of het zou de met de mond beleden individualisering moeten zijn. Daarvoor worden overigens nauwelijks financiŽle middelen uitgetrokken. De bewindslieden zullen begrijpen dat ik van dit voorstellencomplex nauwelijks warm om het hart word. De kern van de voorstellen vormt de samenvoeging van de Werkloosheidswet en de WWV. Je zou het ook kunnen typeren als een uitbreiding van de werkingssfeer van de Werkloosheidswet, waarbij de WWV verdwijnt. Tegen een verdwijning van de WWV in haar huidige vorm heb ik geen bezwaar. Sinds de WWV gelijke uitkeringsrechten verschaft aan iedereen, ongeacht gezinsverantwoordelijkheden, viel dat niet meer te rijmen met deze uit de algemene middelen bekostigde regeling. Wanneer er nu premiebetaling komt voor de individuele uitkerings rechten vind ik dat op zichzelf beschouwd een verbetering. Tegenover een uitkeringsrecht behoort een premieplicht te staan en andersom. Een andere vraag is of het opportuun is op dit moment te kiezen voor een uitbreiding van de werkingssfeer van werknemersverzekeringen. Gezien het feit dat het hele stelsel onder zware druk is komen te staan, had van een volumebeperking meer mogen worden verwacht. Voorts is er de tendens om de sociale partners meer armslag te geven bij de onderhandelingen over primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Decentralisatie en differentiatie zijn de slagwoorden. Bij de overheid gooien termen als deregulering en privatisering hoge ogen. Waarom dan toch een forse uitbreiding van de verplichte verzekering? Had het omgekeerde niet meer voor de hand gelegen? Ik mag de bewinds lieden er misschien op wijzen, dat vanuit verschillende richtingen een pleidooi is gevoerd voor een mini-stelsel. Ik noem de heren Van Kemenade, Ritsen en WŲltgens met hun rapport: Om een werkbare toekomst. Ik noem de Teldersstichting met het rapport: Grenzen aan de sociale zekerheid. Ik noem de heren Nypels en De Kam met hun publikatie: Afscheid van het paradijs, en er zou nog meer te noemen zijn. Ook van mijn politieke hoek uit is een dergelijk pleidooi gevoerd. Nu is dit zeker geen perspectief voor de korte termijn, maar de weg die ingeslagen wordt, leidt toch wel in een andere richting. Mijn bezwaren tegen de voorgestel-de regeling worden ook ingegeven door de inkomenseffecten. Het zijn, globaal gezegd, de oudere tweeverdieners die erop vooruitgaan, het is de jongere alleenverdiener die moet inleveren. Wij zien nu, waar het beginsel van een ruimere individualisering van uitkeringsrechten toe leidt: de sterken worden sterker, de zwakken zwakker. Dat moet toch ook op gespannen voet staan met christen democratische beginselen van solidariteit en verantwoordelijkheid jegens elkaar. Het individualiseringsbeginsel heeft ook de weg geŽffend voor introductie van de vervolguitkering. Deze uitkering is eigenlijk een beetje uit de lucht komen vallen. Zij wordt echter zo belangrijk geacht, dat een verlenging van die uitkering de hoogste prioriteit heeft, wanneer de financiŽn weer wat ruimer zullen zijn. Het is maar dat wij het weten Dit is dus belangrijker dan het uit de bijstand houden van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, belangrijker ook dan het verhogen van uitkeringspercentages, waarvoor de vakbeweging zich sterk maakt; belangrijker ook dan het weer bijspijkeren van de, wel zeer sterk gekorte duur van de uitkeringen voor jongeren. De ratio van de vervolguitkering is om de overgang naar de bijstand te

versoepelen, maar dat kan ook door deze uitkering inkomensafhankelijk te maken. Dan kunnen zelfs veel meer mensen uit de bijstand worden gehouden. Daarom voerde mijn fractie in de schriftelijke voorbereiding een pleidooi voor een integratie van de IOW en de vervolguitkering. Meer mensen zouden van de bijstand gevrijwaard worden en het stelsel zou minder gecompliceerd zijn geworden. De wijzigingsvoorstellen die ik heb ingediend, gaan dan ook in die richting. Door het toepassen van een inkomenstoets op de vervolguitkering komen voldoende middelen vrij om de toetredingsleeftijd van de IOW fors te verlagen. Daarmee slaan wij twee vliegen in ťťn klap, want het zou betekenen dat wij een groot gedeelte van de categorie gedeeltelijk arbeidsongeschikten eveneens uit de bijstand kunnen houden. Ik kom daar straks, bij de bespreking van het tweede onderdeel van de stelselherzie ning, nog op terug. Omdat de inkomenstoets op de vervolguitkering niet past in het systeem van de nieuwe werkloosheidswet, die immers is opgesteld volgens een striktR equivalentie, is het nodig de vervolguitkering over te hevelen naar de IOW. Mijn amendementen strekken er dan ook toe om de vervolguitkering geheel te schrappen uit de nieuwe werkloosheidswet en een plaats te doen vinden in de IOW. Die wet bepaalt dan, dat na afloop van de WW-uitkering nog recht bestaat op ťťn jaar vervolguitkering, waarbij dan wel een inkomenstoets wordt toegepast. Degenen die bij de aanvang van de werkloosheidsperiode 40 jaar of ouder zijn, hebben tot hun 65ste jaar recht op de vervolguitkering of de lOW-uitkering, als wij de terminologie van het voorstel volgen. De IOW zal dan wel van karakter veranderen. In plaats van een inkomensvoorziening voor oudere werklozen zou het een inkomensvoorziening voor langdurig werklozen worden. Wij kunnen dan blijven bij het kabinetsvoornemen om bij ruimere financiŽle middelen de duur van de vervolguitkering te verlengen voor de werklozen die jonger zijn dan 40 jaar. Op de lange termijn wordt dan bereikt, dat alle werklozen uit de bijstand kunnen worden gehouden, en dat moet ons toch wat waard zijn. Ook op een ander onderdeel is de solidariteitsgedachte teruggedrongen uit de werkloosheidsregeling. Het betreft het elimineren van de minimumdagloonbepalingen. Het motief hiervoor is gelegen in de overheidsgarantie voor het minimumniveau. Die garantie zou niet op haar plaats zijn in een individuele, door premies bekostigde werknemersverzekering, maar wel in een uit de algemene middelen gefinancierde aanvulling van overheidswege. Maar de voorgestelde werknemersverzekering kent krachtens haar systematiek wel een minimumbescherming voor de alleenstaanden. De eenoudergezinnen en de alleenverdieners moeten terugvallen op de overheid, voor zolang als het duurt. Er zijn krachten in onze samenleving, die niets liever zouden willen dan ook deze bescherming laten vallen. Ik denk in dit verband aan het advies van de Emancipatieraad. In die kringen denkt men kennelijk volgens een soort Verelendungstheorie. Via de weg van uithongering kunnen gehuwde mensen worden gedwongen, aan het arbeidsproces te gaan deelnemen. Het kabinet wil deze weg niet opgaan, en dat stemt tot tevredenheid. Maar het maakt zichzelf wel kwetsbaar door het zo sterk uit elkaar trekken van loonderving en minimumgarantie. Een in de loondervingsregelingen geÔntegreer-de minimumbescherming is veel minder vatbaar voor politieke manipulatie dan een aparte toeslagwet. Ook uit een oogpunt van deregulering was ťťn wettelijke regeling aantrekkelijker geweest. Ik heb overigens de indruk dat het kabinet in de loop van de tijd genuanceerder is gaan denken over de tijdelijkheid van de Toeslagenwet. In het Beleidsplan Emancipatie en in de wetsvoorstellen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW lazen wij telkens over aanvullende voorwaarden voor het recht op uitkering voor de generatie die in 1 990 voor het eerst de arbeidsmarkt betreedt. In de nota naar aanleiding van het eindverslag inzake het wetsvoorstel tot gelijke behandeling in de Algemene Bijstandswet lees ik echter: 'Wij kunnen nu niet voorzien of, laat staan op welk tijdstip, tot invoering van zo'n geÔndividualiseerd uitkeringssysteem met een daaraan gekoppelde verplichting tot beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt te beginnen bij jongeren kan worden overgegaan.' Dat is toch andere koek! De keus de Toeslagenwet te financieren uit de algemene middelen is logisch vanuit de gedachte die het kabinet hanteert, namelijk scheiding van de loonderving en de minimumgarantie. Toch is het geen noodzakelijke keuze, omdat evenzeer de redenering mogelijk is, dat men zich verzekert tot het relevante sociale minimum. Voor alleenverdieners en eenoudergezinnen ligt dat minimum hoger. Dan zou een financiering via premies ook mogelijk zijn. Ik heb nog wat vragen over een aantal onderdelen van de Toeslagen wet. In de schriftelijke voorbereiding heb ik begrip getoond voor een bescheiden vrijlatingsregeling. Een kleine verbetering van deze regeling in technische zin, waardoor de zogenaamde knik eruit gaat, lijkt mij wel mogelijk. Ik neem aan dat de bewindslieden daartoe bereid zijn. Voor het geld hoeven zij het niet te laten. De vraag of zo'n vrijlatingsregeling even urgent is voor de partners als voor de uitkeringsgerechtigden zelf is in de schriftelijke voorbereiding naar mijn oordeel nog niet bevredigend beantwoord. Immers, aanvullend inkomen van de minst verdienende partner wordt fiscaal vriendelijker behandeld dan aanvullend inkomen van de meest verdienende partner. Daarom vroeg ik of er wel aanleiding is voor een gunstige vrijlatingsregeling voor de partner, omdat het verwerven van het inkomen fiscaal al wordt gestimuleerd. Moeite blijf ik ook houden met het voorstel de bovenwettelijke uitkeringen geheel te verrekenen met de toeslagen. Vanuit de systematiek van de Toeslagenwet is die keuze wel te begr'jpen, maar wij moeten ook bedenken dat de wettelijke loondervingsregelingen slechts een minimum aangeven. Als werkgevers meer willen doen dan dat minimum, zou dat toch niet direct moeten worden afgestraft met het niet toekennen van een toeslag. Er zullen weinig werkgevers en werknemers zijn die nog iets voelen voor bovenwettelijke uitkeringen. De werknemers zullen die ruimte liever gaan gebruiken voor andersoortige loonaanspraken. Acht de bewindsman deze veronderstelling plausibel? Zo ja, vindt hij dat dan een gewenste ontwikkeling? Zou het bezwaar van de bewindslieden tegen het niet verrekenen van de bovenwettelijke uitkeringen met de toeslagen vervallen indien de toeslagen ook via premies werden gefinancierd? Dan dragen werkgevers en werknemers immers zelf de financiŽle last van

zowel de toeslagen als de bovenwet telijke uitkeringen. Ik kijk vreemd aan tegen het verhuizen van de minimumdagloo,"!bescherming van de Ziektewet naar het Burgerlijk Wetboek. Terecht is de Toeslagenwet niet van toepassing op de eerste zes weken van een ziekteperiode. Het zou voor de uitvoeringsinstanties te veel rompslomp met zich brengen indien voor iedere kortlopende uitkering een inkomens^ toets moest worden toegepast. De huidige Ziektewet bevat voor de eerste zes weken een ongeclausuleer-de minimumbescherming. Nu vervalt dat, omdat het niet zou passen in de systematiek van het stelsel. Ik vind dat een weinig overtuigend argument. Hoe wordt de situatie nu? De eerste zes weken krijgt de werknemer ziektegeld, aangevuld door de werkgever tot minimaal het minimumloon. Sommigen krijgen misschien wel 100% doorbetaald. Na zes weken vervalt de aanvulling door de werkgever en treedt de Toeslagenwet in werking. Een alleenstaande kan dan terugvallen op 70%, tenzij de CAO een bovenwettelijke aanvulling tot 100% van het oude loonniveau garandeert. Een alleenverdiener kan een toeslag krijgen tot 100% van het minimumloon. Voor hem is het te hopen dat de bovenwettelijke uitkeringen blijven bestaan, want anders komt hij niet boven dat niveau uit, tenzij hij een inkomen boven modaal heeft. Het ligt toch meer voor de hand, de minimumbescherming helemaal in de Ziektewet te houden? Dan kan zonder nader onderzoek of aanvulling van de werkgever ťťn uitkering worden verstrekt. Is het Burgerlijk Wetboek nu wel de aangewezen plek om een minimumloongarantie in vast te leggen? Verdraagt dit zich wel met het karakter van de bestaande verhouding tussen Ziektewet en arbeidsrecht ter zake? Mijnheer de Voorzitter! Verreweg het meest aantrekkelijke onderdeel van de stelselherziening is de inkomensvoorziening voor de oudere werknemers. Wie na zijn vijftigste werkloos wordt, loopt niet meer de kans, in de bijstand terecht te komen. Dit gaat weliswaar ten koste van enkele groepen oudere werknemers, die in de huidige situatie voordeliger uit zijn. Ik denk dan aan de mensen van 57,5 jaar en ouder. Van die regeling is in de loop der jaren steeds meer gebruik gemaakt. Het bestaan ervan had een sterk aanzuigende werking. Dat vervalt nu en daarvoor zijn ook wel argumenten aan te voeren. Op ťťn punt blijf ik bezwaar houden tegen de voorgestelde regeling. Dat betreft artikel 27. Terecht wordt van de uitkeringsgerechtigde geŽist dat hij beschikbaar blijft voor de arbeidsmarkt. De meeste voorwaarden uit het eerste lid van artikel 27 zijn naar mijn oordeel ook terecht gesteld. Dat ligt moeilijker bij voorwaarde g, de medewerking aan scholing of opleiding. Kun je in redelijkheid van iemand die gemiddeld zo'n 60 jaar is, verwachten dat hij zich nog beschikbaar houdt voor scholing of opleiding, terwijl velen van dezelfde leeftijd arbeidsongeschikt zijn, vervroegd pensioen hebben of al met ťťn been in de VUT staan? Waar dit geldt yoor de uitkeringsgerechtigde, geldt dit te meer voor de echtgenoot die eventueel aan dezelfde voorwaarden moet voldoen. Weliswaar is dit laatste geclausuleerd -het moet gezien een recent arbeidsverleden in redelijkheid gevraagd kunnen worden van de echtgenoot -maar wat is in dezen nog redelijk? Ik zou er sterk voor willen pleiten om het tweede deel van onderdeel f en onderdeel g te schrappen uit het eerste lid van artikel 27. Wat betreft het onderdeel integratie werkloosheidsregelingen rest mij nog een aantal opmerkingen. In de eerste plaats de omkering van de bewijslast. Bij alle commotie die hierover is ontstaan, wordt mijns inziens teveel over het hoofd gezien dat het moest gaan om een reeds aangetoonde frauduleuze handeling. Niemand die bonafide is zou zijn onschuld moeten bewijzen, zoals al is gesteld. Alleen indien fraude was gepleegd, zou de bewijslast bij de fraudeur worden verzwaard. In hun schriftelijke beantwoording van de vragen hebben de bewindslieden terecht gewezen op de vertrouwensrelatie tussen de uitvoeringsinstantie en de cliŽnt. De cliŽnt heeft dit vertrouwen geschaad en het is dan ook niet meer dan terecht dat diezelfde cliŽnt de kans krijgt, het geschonden vertrouwen te herstellen. Anders blijft de uitvoeringsinstantie de desbetreffende cliŽnt met wantrouwen bejegenen. Ik kan instemmen met de wijzigingen die in tweede instantie ter zake zijn aangebracht, omdat deze de bedoelingen inderdaad duidelijker weergeven. In het voorgestelde systeem is strikte equivalentie beoogd tussen de betaalde premie en de hoogte van de uitkering. Vanuit de equivalentiegedachte is een relatie tussen uitkerings duur en verzekerde periode goed te verdedigen. In het aanvankelijke voorstel werd die verzekerde periode benaderd door de leeftijd van de uitkeringsgerechtigde te nemen als maatstaf voor de verzekeringsduur. Dat is een gebrekkige maatstaf, zoals van vele zijden uitvoerig is aangetoond. Het laatste voorstel geeft een mix te zien van het werkelijk arbeidsverleden en een fictief arbeidsverleden. Ik vind dit nauwelijks een verbetering, omdat de leeftijd nog steeds een overheersende factor is. Nu al enige jaren wordt gespeeld met de gedachte, het arbeidsverleden een rol te laten spelen bij de bepaling van de lengte van een uitkering, had toch mogen worden verwacht dat over de mogelijkheden daartoe intensief was nagedacht. Er is nu nog geen begin van een oplossing in zicht. Moeten wij hieruit concluderen dat de gedachte in de praktijk niet uitvoerbaar blijkt, of zien de bewindslieden nog steeds mogelijkheden? De nota naar aanleiding van het eindverslag doet melding van de resultaten van een onderzoek naar de effecten van de eis betreffende het arbeidsverleden, zoals die thans in het wetsvoorstel is opgenomen. De om'Duigingsresultaten blijken hoger uit te vallen dan geraamd. Terecht trekken de bewindslieden daaruit niet de conclusie dat die eis daarom maar moet worden bijgesteld. Als er een goede motivatie is voor de 'drie-uitvijf eis' moet die eis niet worden veranderd als de effecten anders blijken te zijn dan geraamd. Je zou je kunnen afvragen of de bewindslieden zich precies zo hadden opgesteld als de ombuigingsresultaten lager waren geweest. Het antwoord op die vraag zal ik wel nooit krijgen. Een nieuw element is het verzorgingsforfait. Ik sta hier wat ambivalent tegenover. Vanwege de strikte equivalentie wordt de minimumbescherming geheel buiten de nieuwe werkloosheidswet gehouden, maar bij het verzorgingsforfait wordt die bewust doorbroken. Vanwaar dit meten met twee maten? Wat wordt nu precies beoogd met dit forfait? Het maakt deel uit van de eis betreffende het arbeidsverleden, maar het gaat pas meespelen, nadat is voldaan aan de referte-eis. Er is dus alweer een periode gewerkt na de verzorgingsperiode. Daarna is de verzorgende ouder werkloos geworden. Met behulp van het forfait wordt een grotere kans

geboden op een uitkering van langer dan een half jaar. Dat is natuurlijk prettig voor de verzorgende ouder, maar welk belang is ermee gediend? Vanuit de emancipatiegedachte kan ik mij een maatregel die toetreding tot de arbeidsmarkt stimuleert, voorstellen, maar dat is hier niet in het geding. De gedachte dat een periode van verzorging van kinderen positieve waardering krijgt, spreekt mij aan, maar waarom wordt dit alleen waargemaakt voor de ouder die na de verzorging weer toetreedt tot de arbeidsmarkt? Dat vind ik niet erg logisch. Een nadere verklaring ontvang ik dan ook graag. Over het tweede hoofdonderdeel van de stelselherziening kan ik wat positiever zijn. De regering heeft een aantal overtuigende argumenten aangevoerd voor de noodzaak van de voorgestelde wijziging. Het oude uitkeringsniveau van 80 % was zelfs voor een vooraanstaand criticaster van de stelselherziening, dr. Veldkamp, al hoog. Zelfs indien indertijd voor 70 % was gekozen, hadden wij internationaal gezien een ruime regeling gehad, aldus Veldkamp in een interview in de Volkskrant. Van dit hoge uitkeringsniveau lieten wij velen meegenieten. Al snel werd iemand in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse ingedeeld. Naar de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid wordt niet gevraagd. Beroepsrisico's en sociale risico's zijn op dezelfde wijze gedekt. Mede hierdoor kan ons land bogen op de wel twijfelachtige reputatie een land te zijn met een van de hoogste percentages arbeidsongeschikten. De regering heeft bij haar motivatie van haar voorstel terecht gewezen op de aanzuigende en antirevaliderende werking die uitgaat van de regeling en de toepassing daarvan. Er zijn argumenten te over voor een inperking van de regeling. Met name het grote verschil in uitkeringsniveaus tussen de gedeeltelijk arbeidsongeschikten en de langdurig werklozen die een ongeveer vergelijkbare positie innemen is schrijnend. Ongetwijfeld zal een gedeeltelijk arbeidsongeschikte onder de huidige arbeidsmarktomstandigheden een iets moeilijker positie innemen dan een langdurig werkloze, maar dit verschil rechtvaardigt niet het heel grote verschil in uitkeringsrechten. Deze stelling wordt breed onderschre van; het getuigt dan ook van weinig realiteitszin om ervoor te pleiten de langdurig werkloze dezelfde royale uitkeringsrechten te verschaffen als de arbeidsongeschikten. Wie dat bepleit, is onder de actuele financieel-economische omstandigheden niet erg serieus. Het voorstel van het kabinet om gedeeltelijk arbeidsongeschikten voor het deel waarvoor zij werkloos zijn, een werkloosheidsuitkering te geven, heeft daarom mijn instemming. Wel vind ik dat iets meer moet gebeuren. In de schriftelijke voorbe reiding is de mogelijkheid geopperd van een tijdelijk opstapje als reÔntegratiemaatregel. Uit de nota naar aanleiding van het eindverslag kreeg ik de indruk dat het kabinet iets dergelijks onder een aantal voorwaarden aanvaardbaar vindt. Ingediende amendementen in die zin zal ik graag ondersteunen. Het tweede punt van complicatie bij het voorstel is het dreigende perspectief van de bijstand voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte. Het kabinet redeneert met een ijzeren logica. Werklozen komen na verloop van tijd in de bijstand, gedeeltelijk arbeidsongeschikten, voor zover ze werkloos zijn, ook. Daar is op zich zelf geen speld tussen te krijgen. Wel wordt over het hoofd gezien dat de systematiek van de bijstandswet ertoe leidt dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering op termijn praktisch alle betekenis zal verliezen. Of men komt met zijn arbeidsonge schiktheidsuitkering op bijstandsniveau terecht, of men zakt daar zelfs onder en wordt dan met de toetsen uit de bijstandswet geconfronteerd. Ik vind dat niet gewenst. In het voorlopig verslag heb ik de mogelijkheid geopperd dat de aanvullende bijstandsuitkering nooit hoger is dan het bedrag dat correspondeert met het percentage dat de restcapaciteit van de arbeidsongeschikte aan geeft. Mijns inziens wordt zo het meest recht gedaan aan de betekenis van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Ik heb begrip voor de bezwaren van de regering tegen dit voorstel. Een dergelijke constructie staat haaks op de uitgangspunten van de bijstandswet. Ik besef dat, wanneer je begint daarop inbreuken te maken, het eind dreigt zoek te raken. Het alternatief, een soort IOW voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten, leek daarom de next bestoplossing. Arbeidsongeschikten van 50 jaar en ouder zouden, voor zover ze werkloos zijn, toch al recht hebben op de IOW. Het lijkt mij daarom voor de hand te liggen, die leeftijdsgrens te verlagen.

Vanuit de gedachte dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten en werklozen een vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt innemen, kun je niet volstaan met een verlaging van de leeftijdsgrens voor de IOW van alleen de gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Vandaar mijn voorstel voor een algemene verlaging van de leeftijd voor de IOW. Ik meen dat een vermogenstoets voor de jongere leeftijdsgroepen niet zo dramatisch hoeft te zijn als voor ouderen. Een verdere verlaging van de toetredings leeftijd lijkt mij op dit moment daarom niet nodig. Het laatste punt dat ik bij dit onderwerp wil aanroeren, betreft het laten vervallen van de anti-cumulatie-regeling in de AAW. Het heeft mij bevreemd, dat op het moment dat in de AOW de regelingen gelijk worden getrokken, in de AAW de klok wordt teruggedraaid. Hiervoor is mijns inziens geen goed argument te noemen. Ook uit een oogpunt van systematiek, zou het systeem van uitkeringen ter hoogte van 50% van het minimum, met toeslagen, beter te verdedigen zijn geweest. Hiermee kom ik vanzelf op het derde onderdeel van de stelselherziening, de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de gelijke behandeling van gehuwd en ongehuwd samenwonenden. Ik wil bij het laatste beginnen. Toen de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW moest worden gerealiseerd, hebben wij al opgemerkt dat wij de feitelijke bevoordeling van ongehuwd samenwonende bejaarden een onjuiste zaak vonden. Toen de AOW tot stand kwam, kon gemakkelijk een regeling worden gemaakt met een verschillend uitkeringsniveau voor gehuwden en ongehuwden. Er zullen in die tijd hier en daar ook wel bejaarden zijn geweest die ongehuwd samenwoonden, maar dat was niet zo bekend. Helaas moeten wij constateren, dat de publieke moraal in ons land in een kwart eeuw tijd danig is verslechterd. De echtscheidingscijfers zijn met sprongen gestegen. Ongehuwd samenwonen mag zich vooral onder jongeren in een grote populariteit verheugen. De verwachting is gewettigd, dat langzamerhand ook grote groepen ouderen zullen wennen aan de keuze voor ongehuwd samenwonen. Als een dergelijke keuze dan ook nog eens financieel aantrekkelijker is, moet je wel heel sterk in je schoenen staan, wil je toch voor een wettig huwelijk kiezen.

Een dergelijke ontwikkeling mag de overheid niet onverschillig laten. Het bijbelschristelijke huwelijk tussen ťťn man en ťťn vrouw mag niet in onbruik raken. Daartegen heeft de overheid te waken, en niet alleen omdat dit huwelijk een scheppingsstructuur is die de overheid als Gods dienaresse heeft te eerbiedigen, maar ook omdat het huwelijk een structuur geeft aan de samenleving, omdat het de basis legt voor een stabiele en liefdevolle omgeving, waarin een jonge generatie kan opgroeien. Dit is voluit een maatschappelijk belang, waaraan ook iemand die het huwelijk niet erkent als een scheppingsstructuur, waarde zal hechten. Nu in de samenleving de waarde van het huwelijk steeds geringer wordt geacht, komt de overheid voor een moeilijk dilemma te staan. Er zou sprake zijn van een bevoegdheidsoverschrijding van de overheid, indien zij alternatieve samenlevingsvormen zou verbieden of met behulp van oneigenlijke maatregelen zou trachten te ontmoedigen. De overheid dient echter wel het huwelijk als uitgangspunt te nemen bij haar beleid. Zo'n aanpak impliceert tevens, dat afwijkende samenlevingsvormen in geen geval financieel aantrekkelijk mogen zijn. Om dat te voorkomen kan de overheid zich gedwongen zien, alternatieve samenlevingsvormen op gelijke wijze te behandelen als het huwelijk. Ik kies daarvoor niet uit de overtuiging dat het gelijkwaardige alternatieven zijn, maar omdat het niet rekening houden met de maatschappelijke werkelijkheid van dit moment, een averechts effect zou hebben. Er blijft echter een spanning bestaan, want het zijn geen gelijkwaardige alternatieven. Zo ontbreken de wettelijke verplichtingen die de wet aan het huwelijk verbindt. Dit maakt het mijns inziens moeilijker, alternatief samenlevenden op hun onderlinge zorgplicht aan te spreken. Daarvoor bestaat geen formele basis, maar wel een materiŽle, omdat velen in hun samenlevingsverband feitelijk functioneren als waren zij gehuwd. Aangezien een formele basis voor de zorgplicht ontbreekt, zullen criteria gezocht moeten worden om te beoordelen of die zorgplicht materieel aanwezig is. Daarbij valt niet te ontkomen aan enige subjectiviteit. De bewindslieden hebben mijns inziens terecht aansluiting gezocht bij het zich naar buiten toe presenteren als partners.

Dat is in zekere zin een openbaar gegeven. De overheid die de openbare samenleving regelt, mag van dergelijke gegevens gebruik maken. Het laten vallen van dit criterium zou mijns inziens tot onbillijkheden leiden. Familieleden tot in de tweede graad en vriendinnen die in alle eer en deugd een zelfde adres bewonen, zullen op dezelfde wijze worden behandeld als wat vroeger wel 'hokkers' werden genoemd. Een dergelijke handelwijze stuit bij mij op grote weerstanden en gelukkig ook bij de regering. Ik kom tot een afsluiting. Er is in de afgelopen periode fors bezuinigd op de sociale zekerheid. Het bleek onontkoombaar om de uitkeringen ook op de lange termijn veilig te kunnen stellen. Die bezuinigingen deden pijn. Voor de mensen die langdurig op een uitkering zijn aangewezen, was het vaak extra pijnlijk. Nu bespreken wij de formele afhandeling van de stelselherziening. Opnieuw worden pijnlijke ingrepen voorgesteld. Ik aanvaard de noodzaak van verdergaande bezuiniging, maar ik verlang daarbij wel, dat de pijn eerlijk wordt verdeeld. Is dat nu het geval? Wordt de pijn eerlijk verdeeld? Het spijt mij, te moeten concluderen dat dit niet in alle opzichten het geval is. De gedeeltelijk arbeidsongeschikten worden hard getroffen, omdat zij na verloop van tijd in de bijstand terecht dreigen te komen. Dat is niet nodig, dunkt mij. De nieuwe werkloosheidswet zorgt ervoor dat de uitkeringsrechten van de oudere tweeverdieners fors toenemen, terwijl de jonge alleenverdieners, de gezinnen met kleine kinderen, te maken krijgen met een korting op hun uitkeringsrechten. Hier wordt een verkeerde keuze gedaan. Ik wijs het af dat in de nieuwe werkloosheidswet helemaal geen rekening wordt gehouden met het feit dat iemand een gezin heeft te onderhouden. Slechts via toeslagen, waarvan het onzeker is of zij blijvend zijn, wordt een tegemoetkoming geboden. Mijn fractie heeft dan ook grote moeite met deze voorstellen van het kabinet. Ik heb geen goedkope kritiek willen leveren. Ik heb een reŽel alternatief op tafel gelegd, waardoor meer rekening kan worden gehouden met gezinsverantwoordelijkheden en waardoor meer mensen uit de bijstand gehouden kunnen worden. Een reactie hierop van het kabinet zie ik met grote belangstelling tegemoet Met de wijziging van dit stelsel van sociale zekerheid heeft het kabinet op de valreep nog een belangrijk onderdeel van zijn taak volbracht, als de Staten-Generaal daaraan hun medewerking verlenen. Politiek is van belang dat de grootste oppositiefractie de sociale zekerheid nu ook tot inzet van de verkiezingen heeft gemaakt. Het ziet er echter niet naar uit dat een kamermeerderheid, die de stelselherziening nu steunt, bereid is om na de verkiezingen alle resultaten direct weer ter discussie te stellen. Dit betekent dat er een nieuwe blokkade ligt tussen de Partij van de Arbeid en beide coalitiepartijen. De gevolgen laten zich raden: CDA en VVD zijn ook na de verkiezingen op elkaar aangewezen. Moeilijk wordt de situatie, als zij op 21 mei a.s. geen meerderheid behalen. De afgelopen dagen is druk gespeculeerd over mogelijke steun van de zijde van de kleine christelijke partijen. Ik heb de indruk dat sommigen ervan uitgaan dat die partijen automatisch klaar zullen staan om de heer Lubbers de gelegenheid te bieden, zijn karwei af te maken. Een nieuw kabinet van CDA en VVD lijkt ook mij het meest wenselijk, maar ik heb wel een-en andermaal duidelijk gemaakt dat het GPV op belangrijke onderdelen bezwaren heeft tegen het beleid van het kabinet-Lubbers. Het zal duidelijk zijn dat dit ook geldt voor belangrijke onderdelen van de herziening van het stelsel van sociale zekerheid, zoals nu voor ons ligt.

©

C. (Cathy)  Ubels-VeenMevrouw Ubels-Veen (EVP): Mijnheer de Voorzitter! Een van de argumenten van de regering om de stelselherziening door te voeren, is het ook in de toekomst betaalbaar houden van de sociale zekerheid. Zo op het eerste gezicht schijnt dit een redelijke en realistische opstelling te zijn, waaruit ook nog een maatschappelijke betrokkenheid zou kunnen worden opgemaakt. De zaken moeten per slot van rekening betaald kunnen worden. Dat geldt zeker voor de sociale zekerheid, waarmee op het ogenblik grote bedragen gemoeid zijn. De mensen moeten er toch op kunnen vertrouwen dat hun uitkering geen gevaar loopt in de komende jaren? Bij nadere beschouwing blijkt echter dat de eigenlijke prioriteit achter de voorstellen van de staatssecretaris het financiŽle aspect is. De bezuinigingen spelen een hoofdrol, al zegt de staatssecretaris dat bezorgd-

heid om de instandhouding van de sociale zekerheid de ťchte drijfveer bij de stelselherziening is. Kenmerk van realisme is dat ook rekening wordt gehouden met andere facetten van de werkelijkheid in onze gecompliceerde samenleving. Bij zo'n ernstige ingreep in het leven van zeer veel burgers in dit land zouden daarom zeker ook de sociale, morele en ethische kanten meegewogen moeten zijn. Onrechtvaardig is bij voorbeeld het feit dat met name vrouwen en jongeren door de stelselherziening getroffen zullen worden, omdat juist zij moeilijker dan anderen zullen kunnen voldoen aan de eisen die worden gesteld ten aanzien van het arbeidsverleden. Ook ik ben van mening dat er bezuinigd moet worden. Al te lang leefden wij in dit land op veel te grote voet. En dat gebeurt nog steeds, onder andere ten koste van het milieu, de Derde Wereld en de sociaal zwakkeren. Naar recht en eerlijkheid zullen echter eindelijk eens geen offers meer gevraagd moeten worden van hen die al zoveel stenen bijdroegen aan het economisch herstel van ons land, maar offers van hen die tot nu toe de crisisdans grotendeels ontsprongen. De mentaliteit die achter dit voorstel schuilgaat, is zo mogelijk nog onthutsender dan de maatregelen zelf die uit de stelselherziening voortvloeien. Deze mentaliteit doet denken aan een regering die hoog in de toren van haar ministeries zetelt, de luiken dichtgeslagen, koutend over vroeger, ongevoelig en onbereikbaar voor signalen uit de maatschappij daarbeneden, terwijl die maatschappij op stormachtige wijze bezig is om te veranderen, zowel ten goede alsook zeer ten kwade. Door ingrijpende nieuwe technologieŽn wordt bestaande loonarbeid steeds meer afgestoten en dit proces doet zich in versnelde en verhevigde mate in de komende jaren voor. Betaald werk concentreert zich steeds meer in handen van een slinkende elite, goed opgeleid en zeer behoorlijk gehonoreerd, die meer en meer de dienst uitmaakt. Dit verschijnsel manifesteert zich onder andere zeer duidelijk in de hoog geautomatiseerde wapenindustrie met in verhouding tot het geÔnvesteer de kapitaal bedroevend weinig werkgelegenheid, in tegenstelling tot industrie voor vredesdoeleinden, voor echte ontwikkeling van mensen, zoals verschillende onderzoekers hebben aangetoond. De ijver waarmee deze regering de boer opgaat om wapentuig te verkopen, laat geen enkele twijfel bestaan omtrent haar voorkeur. Loonarbeid afstotende automatisering behoeft op zich zelf geen ramp te zijn. Onaangenaam werk kan erdoor verdwijnen en zo kan ruimte vrijkomen voor andere, zinvolle arbeid, waaraan in tal van sectoren zeer grote behoefte bestaat. Ik noem de bejaardenzorg in onze snel vergrijzende samenleving, onderwijs om mensen op te leiden voor nieuwe, andere beroepen en zorg voor het milieu, dat alarmerend verslechtert. Alleen al in deze drie sectoren kan voor miljarden guldens aan werkgelegenheid worden geÔnvesteerd. In plaats hiervan is een omgekeerde tendens waar te nemen. In allerlei vormen van dienstverlening verdwijnen tal van banen door bezuinigingen. Het werk moet voortaan vrijwillig en onbetaald worden gedaan, het liefst door vrouwen. Zij hebben toch niets te doen en zijn er al aan gewend, maatschappelijk te worden ondergewaardeerd. Het gevolg van dit beleid, of beter: non-beleid, is dat een groeiend aantal mensen zich tevreden moet stellen met onzekerheid door een onzekere uitkering en zich bovendien constant op afroep beschikbaar moet houden voor tijdelijke, laag betaalde, doorgaans onaangename klussen. Sollicitatieplicht heet dit eufemistisch. In het nieuwe stelsel wordt deze zogenaamde plicht ernstig verscherpt. Men moet solliciteren, terwijl betaalde arbeid meer en meer verdwijnt. Is dit de maatschappij die de regering voor ogen staat? In deze maatschappij geniet een bepaald deel van de bevolking het voorrecht van goed betaalde arbeid. Het deelt mee in de economische groei en wordt niet aan banden gelegd. Een ander deel mag hiernaar kijken, maar moet zelf op de rand van het bestaansminimum balanceren zonder enige hoop op verbetering van de eigen situatie en in gedurige onzekerheid over verdere verslechtering. Of denkt deze regering misschien helemaal niet na over de toekomst, omdat het haar aan visie ontbreekt? Deze regering laat onze samenleving liever over aan de belangen van het bedrijfsleven. Nog nooit schijnt het tot haar te zijn doorgedrongen dat deze houding zeer ernstige gevolgen veroorzaakt voor het milieu, voor het behoud van de vrede door een dolgedraaide bewapening, voor de ontwikkeling van de Derde Wereld en voor de werkgelegenheid. Er zijn alleen al in het Europa van de EG 14 miljoen werklozen. Het Nederlandse aandeei hierin heeft volgens gegevens van de OESO een van de hoogste percentages. Niet de politiek bepaalt welke richting onze samenleving in de toekomst opgaat, maar de economie maakt hier de dienst uit, waardoor vele mensen horig worden aan onrechtvaardige en liefdeloze eisen. De regering staat erbij, kijkt ernaar en stuurt niet bij. Van zo'n regering is dan ook niets beters te verwachten dan de onderhavige fantasiearme en visieloze voorstellen. Er is geen sprake van een voor mensen hoopvol beleid door het aantal uitkeringen te doen verminderen, omdat velen weer aan de slag kunnen, maar voor de zoveelste maal in een luttel aantal jaren wordt gekozen voor verslechtering van de situatie van zeer vele uitkeringsgerechtigden. Deze verslechtering moet nog voor de verkiezingen met kunst-en vliegwerk door de Kamer worden gejaagd. Niet het bezuinigen, maar het veilig stellen van de werkgelegenheid behoort voorrang te krijgen, waardoor logischerwijs voor een geheel andere stelselherziening kan worden gekozen. De huidige snelle, expansieve technologische ontwikkelingen en de verder gaande economische schaalvergroting vragen om gerichte maatregelen. Daarom moeten processen die steeds onbeheersbaarder dreigen te worden, waardoor het welzijn van grote groepen mensen evenals het milieu, op ontoelaatbare wijze wordt aangetast, in democratische banen worden geleid. Dit is de grote opgave van deze tijd. Het zich blijven blind staren op de zogenaamde zegeningen van de vrije markt, zoals de regering doet, is het bedrijven van politiek van gisteren en in hoge mate onrealistisch. Vroeger komt nooit terug, nu harde grenzen zijn bereikt en zelfs overschreden. Het gaat ten diepste dan ook helemaal niet om bezuinigingen, maar om een fundamentele politieke onwil om de geldstroom in ons land op een andere en eerlijker wijze te verdelen. Wij behoren nog altijd tot de rijkste landen in de wereld en werk is er in overvloed. Onze samenleving verloedert echter, door het vele werk dat nu blijft liggen. Deze regering voert een kortzichtig, oneerlijk en onbarmhartig beleid.

Voor een toekomstgericht beleid -althans om daar een begin mee te maken -zijn andere maatregelen nodig dan het voor velen zo uitzichtloze snoeien in de uitkeringen. Ik noem hier heel in het kort een paar van zulke maatregelen, in willekeurige volgorde. In de eerste plaats betreft dit een andere wijze van premieheffing, omdat de huidige manier de uitstoot van arbeid bevordert. Niet alleen betaalde arbeid, als steeds schaarser wordend fenomeen, behoort de steunpilaar van de sociale zekerheid te zijn, zoals dit nu het geval is. Ook het kapitaalsaandeel van elk gemaakt produkt moet daaraan gaan bijdragen. Men noemt dit fiscalisering van de premieheffing. In de tweede plaats stel ik voor, het huidige hoge BTW-tarief op allerlei dienstverlenende beroepen drastisch te verlagen tot bij voorbeeld hoogstens 4%. Loodgieters, schilders en anderen zullen daar wel bij varen. In de derde plaats valt te denken aan democratisering van het bedrijfsleven door meer medezeggenschap van de werknemers, bij voorbeeld bij de invoering van nieuwe technologie-en, herverdeling van arbeid, produktkeuzen, benoeming van leidinggevenden en commissarissen, investeringen en winstbestedingen. In de vierde plaats zal de regering zelf een veel actievere rol moeten gaan spelen bij de herverdeling van arbeid, voor de eigen ambtenaren en ten aanzien van het overleg tussen werkgevers en werknemers in het bedrijfsleven. Mensen die betaald werken, moeten veel te veel doen en raken overspannen, terwijl duizenden anderen snakken naar betaalde arbeid. Ik noem als ťťn van de mogelijkheden voor arbeidsverdeling de invoering van een sabbatsjaar, waardoor mensen met een betaalde baan eenmaal in de zeven jaar het recht krijgen gedurende ťťn jaar met verlof te gaan, terwijl een werkloze de sabbatsgenieter een jaarlang kan vervangen. Beiden krijgen van tevoren de garantie dat zij gedurende dat jaar een inkomen zullen genieten. Met dergelijke en andere maatregelen zou de regering een begin kunnen maken met een structurele aanpak van de werkloosheid, zodat mensen weer hoop op de toekomst gegund zal worden. Deze stelselherziening, die veel bezuinigt en zelfs ingewikkelder is dan de bestaande wetten, zou dan niet meer nodig zijn. Ik roep de regering dan ook op, de voorliggende voorstellen terug te nemen en eerst eens ernst te gaan maken met de werkgelegenheid. Een stelsolherziening ter vereenvoudiging zal daaruit op vanzelfsprekende wijze kunnen volgen. De EVP wil geen enkele verantwoordelijkheid nemen voor deze stelselherziening, omdat hierdoor het met elkaar bewogen willen zijn in onze samenleving op ernstige wijze wordt aangetast. Deze stelselherziening zal in onze samenleving grote groepen mensen apart zetten. Er zal een scherpe scheiding ontstaan tussen hen die betaald werken en hen die dat onbetaald doen, want werken doet praktisch iedereen, zelfs de bijstandsmoeder met haar onbetaalde werkweken van gemiddeld 70 uur. Hele dagen op je rug liggen, behoort echt tot de grote uitzonderingen. Extra schrijnend is dat door de ontkoppeling van lonen en uitkeringen deze kloof zich bij economische groei nog verder zal verdiepen. De gevolgen zullen zeer ernstig zijn, niet alleen voor de getroffenen, maar ook voor de samenleving in haar geheel. Bitterheid zal de boventoon gaan voeren in onze, in zichzelf verscheurde maatschappij. Het behoeft welhaast geen vermelding meer dat ik deze stelselherziening geheel en al afwijs. De EVP luidt dan ook, net zoals DISK, het industriepastoraat, de noodklok over deze voorstellen.

De Voorzitter: Het Presidium heeft met eenparigheid van stemmen besloten, te stellen in handen van de vaste commissie voor Economische Zaken: -het wetsvoorstel Wijziging van de wet van 1986 tot wijziging van de Wet investeringsrekening, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (afschaffing negatieve aanslag in het kader van de Wet investeringsrekening) (19487).

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (CPN): Voorzitter! Het stelsel van sociale zekerheid is ťťn van de belangrijkste sociale verworvenheden van deze eeuw. Het stelsel is voor grote groepen van de bevolking voorwaarde voor een menswaardig bestaan. Ik begin met een citaat uit het rapport 'Into the 21 st century, the development of social security' van the International Labour Office. Daarin staat een belangrijke passage, die luidt als volgt:

'A feeling of security in the face of social risk was long the privilege of a small minority of the population The machinery of social security has however made it possible for the entire population, or at least the great majority, to benefit progressively from the same guaranteed maintenance of their standards and ways of life irrespective of social contingencies.' 'Een gevoel van zekerheid tegenover sociale risico's was lange tijd het voorrecht van een kleine minderheid van de bevolking. Het mechanisme van sociale zekerheid heeft het echter voor de hele bevolking, of in ieder geval voor een grote meerderheid, mogelijk gemaakt om in toenemende mate te profiteren van garanties voor handhaving van hun levensstandaard en levenswijze, ongeacht toevallige, maatschappelijke omstandigheden.' Het is een ieder bekend dat het stelsel van sociale zekerheid niet zo maar is ontstaan. Het werd geboren uit het verzet van de arbeidersbeweging tegen armoede en uitbuiting, tegen onrecht en vernedering. Het was het resultaat van het gevecht om recht te stellen in de plaats van karige en vernederende bedeling of armenzorg, waar men eind vorige en begin deze eeuw in verviel als men invalide, werkloos of oud werd. Er is voor gestreden in goede en in slechte tijden. Er is voor betaald en gewerkt, opdat deze en toekomstige generaties de armoede uit het verleden niet meer zouden kennen. Dat taaie gevecht werd niet uitsluitend geleverd door de arbeidersbeweging. Ondanks alle meningsverschillen kan gezegd worden, zoals in de verklaring van de zogenaamde prominenten valt te lezen, dat de Nederlandse sociale wetgeving de resultante is van de strijd van de arbeidersbeweging en van een rijke christelijksociale en humanistische traditie van het opkomen voor zwakkeren. Het was -en dat is ook niet onbelangrijk -een christelijk politicus, de anti-revolutionair Talma, die een belangrijk vormgever werd van de eerste socialeverzekeringswetten in ons land: de ziekte-, invaliditeits-en ouderdomswetten die na jarenlange strijd werden aangenomen. Het is dan ook wrang om te zien hoe in de afgelopen jaren het uitgerekend christendemocratische politici waren die zorgden voor een afbraak die ongekend is in de naoorlogse geschiedenis.

En dat terwijl de geschiedenis leert -niet in het minst die van de jaren dertig -welke ingrijpende gevolgen sociale afbraak in maatschappelijk en democratisch opzicht met zich kunnen brengen. Bij velen die nu zo heftig waarschuwen tegen deze afbraak, tegen deze ongekende bezuinigingen op sociale uitgaven, staat natuurlijk de geschiedenis van de jaren dertig in het geheugen gegrift. Niet meer terug naar de bedeling. Niet meer terug naar de armoede. Niet meer terug naar de controlemaatschappij. Die les hebben wij geleerd. Als men nu spreekt over de jaren dertig in deze termen, loopt men al gauw het risico -en dat heb ik zelf meegemaakt op verschillende fora -beschuldigd te worden van demagogie: zo erg is het toch niet; 1 986 is toch niet 1930; het Nederland van nu is toch een heel andere maatschappij; ook de regeringspartijen hebben toch goede bedoelingen, enz. Maar degenen die dat stellen, wil ik vragen hoe het dan komt dat de armoede in Nederland terugkeert. Hoe komt het dan dat zoveel uitkeringsgerechtigden, rechtshulpverleners, ambtenaren van sociale diensten en artsen waarschuwen? Hoe komt het dan dat een organisatie als het DISK met de volgende waarschuwing komt? Deze organisatie schrijft: 'er is een tendens naar de oprichting van sociale fondsen, plaatselijk en mogelijk ook landelijk. Hoe goed het ook is, mensen in nood te helpen; in feite betekent dit een terugval op liefdadigheid, terwijl de laatste tijd gewerkt was aan een verzorgingsstaat, die tot grondslag heeft dat de overheid de plicht heeft, de burgers te vrijwaren van gebrek. Wij zullen ervoor moeten waken dat zich situaties voordoen als in de Verenigde Staten, Amerika en Frankrijk, waar burgers opnieuw in nood op particuliere en kerkelijke liefdadigheid moeten terugvallen.' De les die in de jaren dertig door schade en schande en niet te vergeten ten koste van velen werd geleerd, was dat een dergelijke gedachtengang als nu door deze regering ten toon wordt gespreid, namelijk een conservatieve bezuinigingspolitiek, ellende brengt. Cynisch genoeg moest de Tweede Wereldoorlog komen voordat men zich ernstig ging beraden op de vraag op welke wijze in de toekomst in de wereld zekerheid van bestaan en vrijwaring van gebrek zou kunnen worden gerealiseerd.

Ik wil in dit debat nog even herinneren aan de Atlantic charter door Roosevelt en Churchill op 14 augustus 1941 opgesteld, waarin onder meer het volgende werd besloten: 'to bring about the fullest collaboration between all nations in the economie field with the object of securing for all improved labour standards, economie advancement and social security.' De meest optimale samenwerking dus tussen alle landen op economisch gebied, met het doel om voor allen verbeterde arbeidsnormen, economische vooruitgang en sociale zekerheid te waarborgen. Het was op een inter-Amerikaanse conferentie in 1942 in Santiago waar ook de sociale zekerheid in het middelpunt van de belangstelling stond. Daar werd gezegd: 'ieder land moet de intellectuele, morele en fysieke kracht van zijn actieve generatie scheppen, bewaren en opbouwen en de weg voorbereiden voor zijn toekomstige generatie en de generatie die is ontslagen uit het arbeidzame leven, ondersteunen. Dit is sociale zekerheid, een oprechte en rationele economie van menselijke bronnen en waarden.' Voor de naoorlogse sociale zekerheid in Nederland is in die gedachtengang de basis gelegd door het rapport van de commissie-Van Rhijn, die in dit debat verschillende malen is genoemd. De commissie werd ingesteld door de Nederlandse regering in Londen in 1943. Zij ging aan het werk aan de hand van de Beveridge-ideeŽn, met als leidend principe, uitkeringen niet als een geschenk van de staat, maar als een recht, waarop verzekerde personen aanspraak kunnen maken. Eindelijk werd daarmee ook de juistheid van de vooroorlogse strijd voor sociale zekerheid erkend. Het is duidelijk dat de ideeŽn van Beveridge na de oorlog grote internationale invloed hadden en een geloofwaardig antwoord vormden op de vooroorlogse problemen, namelijk de omvangrijke armoede, de massale werkloosheid en ook een antwoord op de conservatieve politiek die de ellende had vergroot. De zogenaamde 'postwar settlements', de naoorlogse regelingen met betrekking tot sociale zekerheid, kwamen tot stand in alle Westeuropese landen. De hoogte en de omvang was vooral afhankelijk van de kracht van de arbeidersbeweging en de Christelijksociale tradities.

Wij kennen de Nederlandse geschiedenis: in 1949 de noodwet ouderdomsvoorzieningen, in 1955 gevolgd door de AOW, 1952 de werkloosheidsverzekering, 1959 de Weduwe-en Wezenwet, 1958 de ongevallenuitkering 80% van het laatst verdiende loon, gevolgd door de WAO in 1967 en de AAW in 1976. Over al deze afzonderlijke wetten en wetswijzigingen werd in dit parlement vaak jarenlang gedebatteerd. Het stelsel berustte dan ook uiteindelijk op een brede maatschappelijke en politieke consensus, al behielden diverse politieke richtingen waaronder de CPN, op onderdelen daarvan kritiek. Hoe breekbaar die consensus bleek te zijn, bleek aan het einde van de economische groei, halverwege de jaren zeventig. Het einde van de economische groei, zo kunnen wij nu vaststellen, bracht het begin van de kritiek op het sociale stelsel met zich. Juist in een tijd, waarin steeds meer mensen op een uitkering aangewezen raakten, werd dat onder druk gezet. Het is duidelijk dat deze regering met haar politiek van afbraak de consensus in Nederland definitief heeft doorbroken. Overigens spreidt zij ten toon een conservatieve denkwijze die ook in andere westerse kapitalistische landen de kop opsteekt. In het reeds genoemde ILO-rapport leidde dat tot de volgende passage. 'Wij zien het daarom als paradoxaal, dat de ratio van de sociale zekerheid in discussie komt in een tijd waarin zoveel hoog geÔndustrialiseerde landen juist geconfronteerd worden met een werkloosheid op een schaal die in geen 40 of 50 jaar voorkwam, in een tijd waarin veel werknemers gedwongen zijn tot vervroegd pensioen, waarin echtscheidingen het weduwe worden hebben vervangen als belangrijkste risico waarmee getrouwde vrouwen worden geconfronteerd en waarin gezinsverplichtingen de vrouw hebben belemmerd aan de wereld van de betaalde arbeid deel te nemen.' Steeds duidelijker wordt, dat in Nederland het einde van de consensus vooral het einde van de consensus binnen de christendemocratie betekent. Zijn de voormannen van de afbraak christendemocratische ministers en staatssecretarissen, het verzet tegen dezelfde plannen berust in niet-onbelangrijke mate bij de kerken en bij vooraanstaande christendemocratische politici. Ook in de rapportan van het CDA vind je die twee lijnen terug. In het rapport van het wetenschappelijk instituut

van het CDA 'Vernieuwing om behoud' uit december 1 982 staat: 'Hoe paradoxaal het ook moge klinken, de sterk toegenomen omvang van de uitgaven voor sociale zekerheid is tegelijkertijd een felle aanklacht tegen het sociale beleid, dat kennelijk niet heeft kunnen voorkomen, dat zoveel mensen een beroep op sociale fondsen moesten doen.' Niets daarvan vinden wij terug in het nieuwe verkiezingsprogramma van het CDA. Daarin wordt vooral nadrukgelegd op misbruik, oneigenlijk gebruik en de noodzaak van flexibilisering van de arbeidsmarkt. Een geheel andere manier van denken dus, waarvan de uitkeringsgerechtigden de wrange vruchten moeten plukken. Door twee factoren is de sociale zekerheid op fundamentele wijze ter discussie gekomen. Ik heb al genoemd het stoppen van de groei vanaf het midden van de jaren '70, hetgeen leidde tot opleving van de conservatieve denkwijze over sociale zekerheid. Een tweede factor is de aanhoudend grote werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, maar ook de toenemende vergrijzing en de veranderde verhouding tussen mannen en vrouwen. Dit zijn factoren die niet typisch Nederlands zijn. Afhankelijk van economische, sociale en culturele omstandigheden spelen ze in het ene land meer en in het andere land minder. Was het stelsel van sociale zekerheid er juist voor de opvang van groepen die tijdelijk buiten het arbeidsproces vielen, nu kun je zeggen dat er permanent meer groepen buiten dan binnen het arbeidsproces vallen. Dat is ťťn van de ingrijpendste maatschappelijke veranderingen van deze tijd. De oorzaak is niet alleen de economische crisis, maar ook de maatschappelijke crisis, automatisering, versnelling van het arbeidstempo, de veranderde functie van het gezin en het simpele feit dat mensen ouder worden. Dat stelt opnieuw de vraag naar de sociale inrichting van de maatschappij en de functie van het stelsel van sociale zekerheid daarin. Ook wij zeggen dat een heroriŽntatie van de sociale zekerheid nodig is. Vanwege de complexiteit van het vraagstuk, het belang van de vele mensen die ervan afhankelijk zijn en het belang voor de toekomst, moet dit echter zijn tijd hebben. Hiervoor moet je fundamentele debatten kunnen voeren, die niet onder druk worden gezet van financiŽle omstandigheden. De veranderingen tot nu toe gaan in vrijwel alle landen met conservatieve regeringen uit van conservatief monetair denken. Die wijze van denken heeft ook dit kabinet ten toon gespreid. In die gedachtengang worden de oplopende sociale uitgaven vooral gezien als een last voor de economie en een rem op de ontwikkeling. De groei van de kosten wordt voornamelijk geweten aan het ontbreken van prikkels en aan een ingedommelde arbeidersklasse. Hoe snel is vergeten dat de sociale zekerheid niet alleen betaald is uit de economische groei, maar ook voorwaarde was voor het ongekende tempo van industrialisatie, dat wij na de oorlog hebben gekend. De snelle vernieuwing van arbeidskrachten, de opvang van de sociale gevolgen van grote volksverhuizingen naar industriecentra, de opvang van bejaarden in verband met het wegvallen van familieverbanden, dat alles was niet mogelijk geweest zonder een sociaal systeem, zonder de moraal die daarbij hoort. Ook nu zijn de sociale uitgaven, waarvan nu gezegd wordt dat ze te veel en te omvangrijk zijn, een buffer tegen een diepergaande crisis in sociaal-economisch en vooral ook democratisch opzicht. Heeft iemand zich afgevraagd, ook de regering, hoe diep de crisis nu al zou zijn zonder deze omvangrijke sociale zekerheid? Het lijkt alsof conservatieve stromingen daarmee ge,n rekening willen houden. Sociale uitgaven worden gekapt. Er wordt met gemak gesproken over de luiheid van uitkeringsgerechtigden. Het gaat om de jongen met pit. Er is in feite weinig nieuws onder de zon. De rol van de staat moet worden teruggedrongen. Ook deze denkrich ting klinkt ons bekend in de oren. Ik denk daarbij aan Friedman, die de grondlegger van de politieke praktijk is geweest van Reagan en Thatcher. Deze regering treedt in dat voetspoor. Harde gegevens tonen dat aan en die zijn altijd nog het beste om te noemen, omdat er natuurlijk fluwelen woorden bij worden gebruikt. De meest ingrijpende en meest omvangrijke bezuinigingen tijdens de afgelopen regeerperiode waren bezuinigingen op de sociale zekerheid. Ze werden aangekondigd in het regeerakkoord onder het kopje bijsturing uitgaven sociale zekerheid. Dat was nog niet alles, behalve de stelselherziening zouden dan nog voor 4 miljard gulden aan specifieke maatregelen nodig zijn en afhankelijk van de inkomensontwikkeling zouden er nog extra bedrogen moeten worden gevonden. Al met al is ook duidelijk dat na deze stelselherziening, wat er ook gezegd wordt, de sociale zekerheid niet met rust wordt gelaten. Ik vraag de staatssecretaris in zijn eerste termijn in te gaan op de betekenis van het begrotingsbeeld voor 1987, waar voor de nieuwe bezuinigingen op sociale zekerheid 1,2 miljard is opgevoerd. Wat houdt dat in na de stelselherziening? Wat houdt dat in als er staat dat er een terugtrekking plaats zal vinden uit sociale fondsen, een terugsluisoperatie? Wat betekent dat opnieuw voor de sociale zekerheid? Ik wil nog even stilstaan bij de gevolgen van een dergelijke denkrichting. Ik noem het het conservatiefmonetaire denken. Je ziet de gevolgen in andere landen, neem de Verenigde Staten. De kloof tussen arm en rijk is daar nog nooit zo groot geweest. Vijftien procent van de bevolking, 35,3 miljoen Amerikanen, of ťťn op de zeven, leeft onder de officiŽle armoedegrens. Toch wordt daar gesproken van economisch herstel. Wel, wat hebben deze mensen aan economisch herstel? In een eerder vorig jaar gepubliceerd rapport van de universiteit van Harvard werd geconstateerd dat zeker 20 miljoen mensen in de VS enkele dagen per maand honger hebben. In november 1985 verscheen een rapport van oud-minister van gezondheidszorg en sociale zaken Arthur Fleming, nu een van de voormannen van de Amerikaanse coalitie van kerkelijke en liefdadige instellingen, waarin wordt geconstateerd, dat er op dat moment vier milioen meer armen waren in de VS dan in 1980. Deze coalitie tegen de armoede, zoals dat heet, wijst erop dat sinds Reagan in 1 980 tot staatshoofd werd gekozen vooral de lagere inkomensgroepen, maar ook de middenklasse in inkomen achteruit is gegaan Daartegenover staat een verhoging van het inkomen van de rijken. Een ander voorbeeld, Thatcher. In het Engeland van Thatcher leven velen onder de officiŽle armoedegrens. Ook daar wordt gesproken over economisch herstel. De Anglicaanse bisschop van Liverpool, David Sheppard, sprak in 1984 in de gehoorzaal van de Royal society of arts over de armoede in Liverpool waar tienduizenden gezinnen op of

onder de armoedegrens leven. Hij wees in zijn verhaal onder meer op het feit dat structurele werkloosheid niet alleen ontwrichtende economische, maar ook ontwrichtende sociale effecten heeft. Geconcentreerde misŤre, verlaten gemeenschappen, wij zien ze nu al in de grote steden in Nederland. Het gevolg van het vertrek van de sterkste werklozen en het achterblijven van de zwakste. Hij zegt dat er een armoede is waarmee de mens kan leven, maar ook een armoede die de geesten gijzelt. Het economisch herstelbeleid van de regeringen die hun heil uitsluitend zoeken in winstherstel en het verlagen van de collectieve uitgaven maakt de rijken rijker en de armen armer. Ik zal het dan verder niet hebben over andere gevolgen, want wij kennen ze allemaal. In Engeland gaan elke winter oude mensen dood door onderkoeling, ze kunnen de brandstof niet meer betalen. Ook dat begint in Nederland te komen. Negen miljoen mensen leven daar onder de officiŽle armoedegrens, miljoenen bejaarde echtparen moeten rondkomen van 250 gulden per week. Men kan zeggen dat het in Nederland nog niet zo is. Ik stel vast, dat in Nederland de armoede wel degelijk is teruggekeerd sinds deze regering met haar sociale, ik noem het: asociale politiek is gekomen. Uitspraken van uitkeringsgerechtigden, sociale diensten, het onderzoek Minima zonder marge -wij hebben er hier dagen, misschien zelfs wel weken over gepraat -spreken voor zich. Waar zijn de wijze uitgangspunten die in de vooroorlogse periode zijn vastgesteld, namelijk dat het voorkomen van werkloosheid en armoede voorwaarden zijn voor de bescherming van de democratie, in 1986 gebleven? Het voortzetten van deze lijn is fataal. Sociale onzekerheid brengt ontwrichting teweeg. Laten wij in Nederland dan nog niet zo ver zijn, wij zitten op de glijbaan. Een stelselherziening, zoals die nu voor ons ligt, zal ons verder naar beneden brengen. Moeten wij dan ook hier, zoals in Frankrijk, spreken van nieuwe clochards? Moeten wij dan in grote steden stadswijken krijgen zoals in Engeland die qua sociale structuur vergelijkbaar zijn met de armoede van de Derde Wereld? Het is voor mijn fractie onvoorstelbaar hoe regering en regeringspartijen al deze signalen negeren. Ik zei het al, wat er ook wordt gezegd, de sociale zekerheid blijft voor deze regering speerpunt van de bezuinigingswoede. De plannen voor 1987 zijn nu al in de maak. Wat zijn dan de centrale gedachten van het stelsel dat wij nu bespreken? Ik haal er twee uit. De hoofdgedachte is de bezuinigingsgedachte, de collectieve uitgaven moeten omlaag. De gedachte daarnaast is die van controle, centralisatie en disciplinering van de uitkeringsgerechtigden. Er mag sprake zijn van lichte verbeteringen, maar deze twee hoofdgedachten overschaduwen die lichte verbeteringen verre. Het is overigens niet raar dat dit de twee centrale gedachten uit het stelsel zijn. Ze vloeien voort uit het adagium van deze regering dat er economisch herstel komt door het drukken van arbeidskosten en collectieve uitgaven, dat er werkgelegenheid komt onder andere door het minder geriefelijk maken van werkloosheid, lees verlaging van de uitkeringen en dat de arbeidsongeschikte beter zijn best zal doen als de uitkering wat wordt verlaagd. Deze gedachten vindt men in verschillende opmerkingen terug in de schriftelijke stukken over de stelselherziening. Ik stel vast, dat zelfs als er economisch herstel zal optreden en zelfs als de werkgelegenheid ondanks automatisering zal aantrekken, de gevolgen van de afbraak van de sociale zekerheid niet te overzien zijn. Wat gebeurt er, bij voorbeeld, met 250 000 langdurig werklozen, met de gescheiden vrouwen, met de arbeidsongeschikten? Wat gebeurt er met hun kinderen? Welke sociale schade wordt in de tussentijd aangericht? Waarom kiezen voor zo'n stelselherziening als men met de neus op deze feiten wordt gedrukt? De regering heeft daarvoor een aantal argumenten, waarop ik even in wil gaan. In feite heeft zij vier hoofdargumenten: a. het terugdringen van de collectieve uitgaven is nodig voor het economische herstel; b. de prikkel is eruit, werkende mensen willen niet meer opbrengen; c. de maatschappelijke gevolgen worden te veel afgewenteld op de staat en de mensen moeten leren weer voor elkaar te zorgen. Deze opmerking vind ik overigens terug in de stukken uit de dertiger jaren. Ook toen werd gezegd dat het beter zou zijn als de mensen voor elkaar leerden zorgen;

kan bij dergelijke aantallen niet het geval zijn. Het argument dat de collectieve uitgaven te hoog zijn en dat werkende mensen deze uitgaven niet meer willen opbrengen, wordt nogal eens opgevoerd. De regering en de regeringspartijen strooien daar in de media ruim mee, daarmee op het gevoel van de werkenden inspelend, in de trant van: Ik werk nu wel, ik heb wel een aardig loon, maar kijk eens wat daarvan afgaat door alle premies die ik moet betalen. Dat is toch niet goed. Voorzitter! Het is natuurlijk een groot misverstand, dat alleen werkende mensen premies opbrengen. Ook uitkeringsgerechtigden doen dit. Bovendien is het een groot misverstand te denken dat ťťn deel van de bevolking premies betaalt voor een ander deel van de bevolking. Het gaat om een collectief stelsel, leder mens kan werkloos worden, arbeidsongeschikt of ziek. leder mens hoopt oud te worden. Het gaat om een collectief stelsel, waaraan iedereen meebetaalt en waaraan de laatste jaren zelfs vooral betaald is door werknemers en uitkeringsgerechtigden en steeds minder door werkgever en regering Waarschijnlijk is nagelaten -dit is ook een kritiek van het ILO -om mensen te laten zien, wat de betekenis van het sociale stelsel is voor de langere termijn. Premiebetaling is natuurlijk een abstracte vorm van solidariteit. Je weet niet precies, waarvoor je vandaag betaalt. De regering zou dan ook vooral de functie moeten hebben om de solidariteitsbasis aan te geven en tevens aan te geven, waarom een collectief stelsel van sociale zekerheid zo ontzettend belangrijk is voor de gehele maatschappij. Ik kom thans te spreken over het derde argument. De maatschappelijke gevolgen zijn te veel afgewenteld op de staat. Ik heb het al gezegd: het is niet zo, dat de maatschappelijke gevolgen afgewenteld zijn door de mensen op de staat, neen, er is sprake geweest van een industrialisatieproces, dat inderdaad een omvang rijke arbeidsongeschiktheid en een omvangrijke werkloosheid heeft opgeleverd. Die gevolgen zijn afgewenteld op de sociale fondsen. Dat dreigt nu weer te gebeuren. Het toejuichen van het economisch herstel, zoals de regering nu doet, is daarom ook kortzichtig, als je het niet hebt over de vraag, over welk economisch herstel het gaat, wie ervan profiteert en welke sociale schade er op dit moment al wordt aangebracht door het opvoeren van het arbeidstempo. Hoe staat het met de arbeidsomstandigheden en wat gebeurt er met toekomstige arbeidsongeschiktheid, die nu al wordt gecreŽerd? Indertijd is daarover bewust niet nagedacht. Er is niets gedaan aan de arbeidsomstandigheden, noch aan het voorkomen van massale omvangrijke werkloosheid. Die is afgekocht met sociale zekerheid. Met een uitkering mochten de mensen achter de geraniums gaan zitten. Nu mogen ze er weer achter vandaan komen om gekort en gecontroleerd te worden. Als het gaat om maatschappelijke oorzaken -daar hebben wij het nu over -dan zijn juist de uitkeringsgerechtigden het verkeerde adres. Dan moeten er lessen getrokken worden ten aanzien van het produktieproces en de oorzaken die leiden tot omvangrijke werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Dan moeten die worden aangepakt, en niet de slachtoffers ervan. Ik wil nog iets zeggen over wat ook vaak wordt gezegd: wij hebben te weinig zorg voor elkaar. De mensen wentelen alles maar af op de Staat. Ik heb er al op gewezen, dat er nogal wat is gebeurd in de veertig jaar van industrialisatie die ons land na de oorlog heeft gekend. Ik heb gewezen op het uiteenrukken van sociale verbanden dat daar het gevolg van is geweest. Maar laat ik nog ťťn ding zeggen over het begrip emancipatie. Er wordt namelijk steeds gezegd, dat het gebrek aan zorg onder andere te wijten zou zijn aan de emancipatie van vrouwen. Ik stel vast dat als er ťťn groep is waaraan nauwelijks maatschappelijke zorg is besteed, dat de vrouwen zijn. Het objectieve bewijs dat dit zo is, is dat echtscheiding of werkloosheid voor veel vrouwen armoede betekent. Denk aan het begrip 'feminisering van de armoede'! Denk aan de zeer slechte positie van ťťnoudergezinnen! Het is dan ook uit den boze, dit argument gemakkelijk rond te strooien. Het vierde en laatste argument is, dat Nederland zo'n goed sociaal zekerheidssysteem heeft. Daar is dan ook voor gevochten en daar is dan voor betaald! Er wordt wel gezegd, dat je je niet zo erg moet storen aan armoede, omdat armoede een relatief begrip is. Wel, dat is rijkdom natuurlijk ook. Waar praten wij hier dan over? Als ik het heb over rijkdom, praat ik ook maar even over de werkgevers die de laatste jaren veel en veel minder zijn gaan betalen aan sociale zekerheid. Ik sluit mij aan bij vragen van naar ik meen de fractie van het CDA, of de werkgevers in Nederland in verhouding tot die in de omringende landen inderdaad sinds de maatregelen van deze regering, of misschien al langere tijd, veel minder betalen in verhouding tot werkgevers in omringende landen. Armoede, zegt men, is een relatief begrip. Het minimum is hoger dan in de ons omringende landen. Als dat al waar zou zijn, wat zegt dat dan? Wat zegt dat in een land waarin zo'n grote naoorlogse industrialisatie is geweest, waar mensen zijn verhuisd naar dure flats, met verplichte gasverwarming, te betalen met huursubsidies en waar verhuizingen hebben plaatsgevonden naar bejaardentehuizen en aanleunwoningen? Wat zegt dat dan, in een land waar het percentage betaald werken-de vrouwen zo laag is, dat echtscheiding bijna per definitie armoede en bijstand betekent? Wat zegt dat dan, in een land waarin ouderen en gehandicapten zijn afgeschreven als machines? Kortom, in dat land was het niveau van het minimum tot voor enkele jaren min of meer aangepast aan de sociale structuur. Laat ik dit deel afsluiten met de opmerking, dat de huidige omvang van de sociale zekerheid geen natuurverschijnsel is, zelfs niet een teken van welvaart. Je hoort dat ook van veel arbeidsongeschikten en werklozen. Heel veel mensen voelen zich afgekocht en geÔsoleerd, ook met een uitkering. Het is dan ook in de allereerste plaats de resultante van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, waarmee men in al die naoorlogse jaren en zeker in de laatste jaren, met de huidige regeringspolitiek, geen rekening heeft willen houden. Voorzitter! Ik wil nu overgaan tot de bespreking van de hoofdlijnen van het stelsel en de uitgangspunten van enkele wetsvoorstellen. Ik eindig met de vraag of er voor de stelselherziening wel een maatschappelijke en politieke basis is. Ik zal niet in details gaan. Ik ben namelijk van mening dat een zorgvuldige behandeling alleen mogelijk is als de meerderheid in het parlement zich anders opstelt en ruimte daarvoor schept. Ook zal ik niet ingaan op mogelijke lichte verbeteringen, zoals de erkenning van het onbetaald arbeidsverleden

van vrouwen. De CPN is van mening dat deze verbeteringen ernstig overschaduwd worden door de algehele verslechtering van de sociale zekerheid in dit stelsel. Ik wil nog wel iets zeggen over de haast waarmee dit voor velen vitale stelsel moet worden behandeld. Het is eigenlijk een parlement als dit onwaardig. Het heeft geleid tot veel opmerkingen ook buiten dit parlement Verleden week constateerde de heer Waanders in NRC Handelsblad ook al dat er toch wel enige vraagtekens zijn te zetten bij de zorgvuldigheid van de behandeling. Het verloop van de eerste termijn tot nu toe geeft naar mijn mening aan dat maar zeer weinig mensen in dit parlement, laat staan erbuiten, de gehele omvang van de stelselherziening tot in de belangrijkste details kunnen overzien. Ikzelf durf niet te pretenderen dat ik alle consequenties van de stelselherziening kan overzien. Hiermee wil ik gezegd hebben dat ik niet garant kan staan voor een zorgvuldige behandeling van deze voorstellen in dit parlement. Een parlement als dit zou een stelsel dat van zo groot belang is voor miljoenen mensen niet op deze wijze mogen behandelen. Je kunt ook niet zeggen dat het dan achteraf wel zal worden gerepareerd, want wij moeten blijven bedenken dat het in dit stelsel gaat om de bestaanszekerheid van mensen. Daarmee mag je geen risico's nemen. Er is nog een argument. Er wordt door de regering en de regeringspartijen gezegd dat financiŽle argumenten een rol spelen bij het haast maken. Ook dat gaat niet op. Indien er meer middelen nodig zijn om de inderdaad omvangrijke werkloosheid en arbeidsongeschiktheid te financieren, in afwachting van het aanpakken van de oorzaken en van een fundamentele discussie over de sociale zekerheid, zou gezocht kunnen worden naar alternatieven. Bij voorbeeld -ik noem maar even iets -zou kunnen worden gedacht aan de afschaffing van de premiegrenzen in de volksverzekeringen, waardoor hogere inkomens meer premie gaan betalen. Ook zou kunnen worden gedacht aan een bijzondere belastingheffing, bij voorbeeld voor kapitaalintensieve bedrijven. Er is vast nog wel meer te verzinnen om een tussentijdse financiering van het sociale stelsel rond te krijgen, indien men echt een fundamentele discussie over de sociale zekerheid wil. Waar een wil is, is een weg. De vraag is wel -en die vraag behoeft niet te worden beantwoord, want tot nu toe lijkt het er zonder meer op dat de regering het niet wil -of deze regering de wil heeft om een dergelijke oplossing te zoeken. Als ze dat zou willen, zou er op dit moment nog wel een groepje ambtenaren te vinden zijn die een mogelijke tussentijdse extra financiering -indien nodig -zou weten voor te bereiden. Dat zou nog eens getuigen van een werkelijk sociale aanpak. Mijn grootste verwijt aan het adres van dit kabinet is dan ook, dat iedere keer weer de minst weerbare groepen worden gepakt en dat er wordt gestreept in de sociale fondsen. Als je nu ziet dat uitkeringsgerechtigden de laatste jaren zo'n 10% tot soms wel 25% hebben ingeleverd en als je regelmatig de fora bezoet -het CDA komt er nog wel eens, maar de VVD blijft regelmatig en de laatste tijd zelfs helemaal weg -is het duidelijk in hoeverre deze mensen al tot wanhoop zijn gedreven. Er zijn heel wat mensen die de huur en de rekeningen voor gas en licht niet meer of nog maar nauwelijks kunnen opbrengen. Er zijn ook mensen die al op voedsel gaan bezuinigen. Ik noem het dan ook een laffe politiek om door te gaan met het pakken van diezelfde groepen. Als de regering en de regeringspartijen hiervoor staan, zouden ze in ieder geval op fora moeten verschijnen om dit te verdedigen.

De heer Nijhuis (VVD): Ik maak ernstig bezwaartegen deze vergaande beschuldiging. De afgelopen jaren, zolang ik in dit Huis zit, heb ik tal van fora bezocht, ook de fora die u zoeven bedoelde. Het kan natuurlijk gebeuren dat wij door bijzondere omstandigheden een keertje afwezig moeten zijn. Dat is ťťn of twee keer gebeurd, maar als u hier de suggestie wekt dat wij continu afwezig zijn, neem ik u dat buitengewoon kwalijk!

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik was de afgelopen weken aanwezig bij drie fora, waar de VVD weigerde te verschijnen. Dat zijn dan drie fora waarbij ikzelf aanwezig was. Van uitkeringsgerechtigden heb ik zelf gehoord dat het regelmatig voorkomt dat uitnodigingen worden verstrekt, en dat de VVD toezegt te komen, maar op het laatste moment toch niet verschijnt. Ik wil best in fora discussiŽren met progressieve

partijen. Wij zijn echter niet degenen die moeten worden aangesproken, dat bent u! Tot nu toe hebt u een grote fractie. Er kan dus nog altijd voor vervanging worden gezorgd.

De heer Nijhuis (VVD): Ik ontken dat en spreek dit absoluut tegen. Wij krijgen ongelofelijk veel uitnodigingen. Al die uitnodigingen worden door ons aanvaard. Eťn of twee keer moest iemand plotseling afzeggen, maar dat zijn puur uitzonderingen. Alle uitnodigingen worden door ons gehonoreerd.

Mevrouw Brouwer (CPN): Als de VVD er prijs op stelt, wil ik in tweede termijn precies de fora en de data noemen waarvoor de VVD wel toezeggingen heeft gedaan, maar niet is verschenen.

De heer Nijhuis (VVD): Dat mag nu ook. Dan kan ik reageren.

Mevrouw Brouwer (CPN): Amsterdam bij voorbeeld, kort geleden.

De heer Nijhuis (VVD): Ik wil nu antwoord krijgen.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dat zeg ik. Amsterdam, waar ik kort geleden ben geweest. Een forum van uitkeringsgerechtigdenorganisaties, rechtshulpverleners. Mevrouw Van Nieuwenhoven was er, mevrouw Kraaijeveld was er...

De heer Nijhuis (VVD): Die was niet toegezegd. Er was bij ons niets binnengekomen.

Mevrouw Brouwer (CPN): ...de VVD was er niet.

De heer Nijhuis (VVD): Ik maak bezwaar tegen deze beschuldigingen. Die uitnodiging is bij ons niet binnengekomen en is door mij dan ook niet toegezegd.

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik zeg niet dat die door u toegezegd werd.

De heer Nijhuis (VVD): Als men daar publiekelijk zegt dat de VVD een toezegging heeft gedaan, maar niet is verschenen, dan is dat het probleem van die organisatie, maar niet van ons. Wij hebben die uitnodiging niet gekregen. Wij hebben geen toezegging gedaan.

Mevrouw Brouwer (CPN): Tot nu toe heb ik de argumenten...

De heer Nijhuis (VVD): Mag ik de volgende horen?

Mevrouw Brouwer (CPN): Oh, ja, er zijn er nog veel meer. Zeker. Zaandam, daar ben ik ook geweest. Omstreeks een maand geleden.

De heer Nijhuis (VVD): Idem dito.

Mevrouw Brouwer (CPN): Hoe weet u dat?

De heer Nijhuis (VVD): Wij hebben geen uitnodiging gekregen.

Mevrouw Brouwer (CPN): U kent alle uitnodigingen uit uw hoofd, begrijp ik.

De heer Nijhuis (VVD): Vrij zeker.

Mevrouw Brouwer (CPN): O.k, als dat een punt van discussie wordt. De organisaties van uitkeringsgerechtigden kunnen wel een overzicht geven. Dan komt dat in dit debat nog aan de orde. Ik begrijp nu dat de VVD in het vervolg wel van plan is en dat het geen beleidslijn is...

De heer Nijhuis (VVD): Ik vind dat een minne beschuldiging.

Mevrouw Brouwer (CPN): Het is geen minne beschuldiging. Het is gebaseerd op feiten. Als u die feiten kunt weerleggen met andere argumenten, dan hoor ik ze graag. Dan kunnen de uitkeringsgerechtigden die namelijk ook horen. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot de kenmerken van de plannen voor het sociale zekerheidsstelsel. Het eerste is dat het loondervingsprincipe van de werknemersverzekering verder wordt afgebouwd. Het tweede is dat met name de laagstbetaalden in geval van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid al gauw op het gezinsminimum terechtkomen. Zelfs 'met bijverdienen' kan men dan de financiŽle situatie niet meer bijspijkeren. Dat betekent een sanctie op het werk van veel vrouwen. Terug naar AF, dus. Het derde kenmerk. Het begrip economische eenheid wordt in de stelselherziening uitgebreid naar vrijwel alle situaties. Een hele catalogus van leefvormen hebben wij aangetroffen. LAT-relaties, schijnhuwelijken, schijnverlatingen, woningdelers, dat alles is het gevolg ervan. Dit parlement heeft al eens dagen besteed aan het bespreken van een minitieus onderscheid tussen echte voordeurdelers en alleenstaanden achter een voordeur, groepsverbanden en losse buren. Ik zal die discussie niet overdoen. Als men hier nu naar kijkt, dan geeft dat een bescheiden begin van wat met dit stelsel wel eens het levenswerk kan gaan worden van talloze ambtenaren, controleurs, advocaten en beroepsinstanties. Ik spreek dan nog niet over de kosten.

Een vierde kenmerk is dat het stelsel gekenmerkt wordt door ondoorzichtigheid, centralisme en bureaucratie. Een stimulans voor uitvinders van relaties die geen economische eenheid zijn en voordeurfabrikanten, zou ik zeggen. Een vijfde kenmerk. Het door dit kabinet verlaagde niveau van de uitkeringen wordt vastgelegd, evenals het verlaagde niveau van het minimum. De toeslagen-en de eenmalige uitkeringenmaatschappij wordt daarmee kennelijk als gegeven aanvaard en daarmee armoede voor grote groepen mensen. Een zesde kenmerk is dat de uitvoeringskosten worden onderschat en dat met de maatschappelijke gevolgen geen rekening is gehouden. Die maatschappelijke gevolgen zijn op dit moment nauwelijks te overzien. Wij kunnen ernaar gissen. Ze kunnen meevallen, maar ook veel en veel groter zijn dan wij nu denken. Ik wil over enkele wetsvoorstellen een aantal opmerkingen maken. Ik sluit mij wat de IOW betreft aan bij wat daarover door de PvdA is gezegd. Ik kom op de Werkloosheidswet. De hoofdelementen zijn: handhaving van het verlaagde uitkeringspercentage op 70 en het vervallen van de minimumdagloonbescherming. Door deze maatregelen raken velen, vooral de laagstbetaalden, aangewezen op een toeslag. De koppeling van de duur van de uitkeringen aan het arbeidsverleden waardoor vooral veel jongeren, ondanks het fictieve arbeidsverleden, en vrouwen, ondanks het verzorgingsforfait, en werklozen met een onregelmatig arbeidspatroon een kortere uitkering zullen krijgen. Dat betekent dat door de koppeling van de duur van de uitkering aan het arbeidsverleden, degenen die de zwakste positie op de arbeidsmarkt hebben, de dupe zijn: de ongeschoolden, de afroepcontractanten, de laagstbetaalden. Dat wil zeggen: tweederangs op de arbeidsmarkt, tweederangs in de sociale zekerheid. De regering zegt, dat zij wil voorkomen dat er al te snel recht ontstaat op een relatief langdurige uitkering alsof iedereen het voor het kiezen heeft, alsof je kunt kiezen voor het opbouwen van een bepaaid arbeidsverleden. Ik zou willen, dat het kabinet zichzelf de vraag stelde hoe het komt, dat vrouwen en ongeschoolden zo vaak in de bijstand belanden. Dat gebeurt internationaal gezien overigens ook.

Zijn zij zwakker? Doen zij minder hun best? Profiteren zij te gemakkelijk, zoals zo losjesweg wordt gezegd, of zijn er juist maatschappelijke oorzaken? Overigens mag ook de PvdA zich over deze vraag beraden, want ook deze partij pleit voor een koppeling van de duur van de werkloosheid aan het arbeidsverleden. Ook al is het arbeidsverleden korter, het principe van de koppeling aan het arbeidsverleden wordt door de PvdA aanvaard. Ik wil daar toch iets meer over zeggen. Het is triest voor ouderen om werkloos te worden, maar het is natuurlijk ook tragisch om geen toekomst te kunnen opbouwen. Dit geldt niet alleen voor jongeren, maar zeker ook voor vrouwen. Daar helpt een verzorgingingsforfait geen lieve moeder aan. Wat hier met de ene hand wordt gegeven, het verzorgingsforfait, wordt dus eigenlijk met de andere dubbel weggenomen. Ik wil dan de volgende vraeg stellen aan de regering, de regeringspartijen en ook aan de PvdA. Zou het in een tijd waarin de opbouw van een arbeidstoekomst zo moeilijk is, laat staan van een arbeidsverleden, niet veel meer voor de hand liggen om de drempel niet te hoog te maken? Zou het niet voor de hand liggen de duur van de WW-uitkering te verlengen voor de duur van de werkloosheid, ongeacht het arbeidsverleden dat men heeft? Dit kost natuurlijk geld, maar ook hier kun je de vraag stellen wat het kost om het arbeidsverleden uit te zoeken en om dat te controleren. Is het niet zo dat je mensen veel meer in hun eigen waarde laat, door het geld rechtstreeks aan hen uit te betalen in plaats van het te investeren in de controle en de bureaucratie? Ik kom bij het begrip 'passende arbeid'. Dat begrip wordt nu vastge legd in de wet. Het is overgenomen uit de Algemene Bijstandswet. Ook daarover wil ik iets zeggen. Wat is nu het doel van het vastleggen van dit begrip in de wet? Is het doel om toch enige richtlijnen te geven? De geregi streerde werkloosheid was in februari 1986 749.963. De geregistreerde openstaande vraag was 25.570. Dat wil zeggen: ongeveer 30 werklozen tegenover ťťn baan. Het is in maart iets veranderd, maar er is nog altijd een zeer scheve verhouding. Een ruime verplichting tot acceptatie van veel soorten werk, zoals het kabinet kennelijk tot stand wil brengen door

de nadruk te leggen op het begrip ' passende arbeid', heeft naar mijn mening geen ander effect dan de stimulering van een elleboogeffect. In zo'n arbeidsmarktsituatie zal de sterkste, de hogergeschoolde, de jonge kandidaat, natuurlijk altijd als winnaar uit de bus komen. De vraag is dan, of dit de mentaliteit is die het kabinet wil stimuleren. Ook zonder een verplichting, ook zonder versoepeling van het begrip 'passende arbeid' of met versoepeling van de sollicitatieplicht ook als je niet zo'n druk op de uitkeringsgerechtigden legt, is het al zo dat er honderden brieven komen op ťťn vacature. Het getuigt toch meer van realiteitszin en stimulans als je dan de sollicitatieplicht versoepelt en het eigen initiatief van werklozen ondersteunt. Over de omkering van de bewijslast heeft ook mevrouw Dales al uitvoerig gesproken. Artikel 25 van de nieuwe werkloosheidswet is een unicum in de geschiedenis van de sociale zekerheid. Is het niet zo, dat in het strafrecht de verdachte onschuldig is tot zijn schuld is bewezen? Moet van dit beginsel nu juist in het administratieve recht, in het sociale zekerheidsrecht, zo worden afgeweken, dat degene met een meestal laag inkomen bewijsrechtelijk in de slechtste positie terecht komt? En dat, terwijl in het geval van belastingparadijzen, waarbij het niet om mensen, maar om BV's gaat, die over het algemeen genoeg adviseurs hebben, een dergelijk principe door Kamer en kabinet van de hand is gewezen. Uit de memorie van toelichting blijkt, dat het de bedoeling van het kabinet was om de bedrijfsverenigingen een sterkere positie te verschaffen. Omkering van de bewijslast is nodig, zegt het kabinet, omdat het voor de bedrijfsvereniging veelal onmogelijk is om te bewijzen hoe lang een verzwegen omstandigheid -zwart werken -heeft bestaan op het moment waarop de omstandig heid is geconstateerd. Nogmaals, fraudebestrijding is op zich zelf juist. Maar in dit geval gaat zij hand in hand met veronachtzaming van de rechtspositie van uitkeringsgerechtigd den. Natuurlijk, na een storm van protest is de regering inderdaad gedwongen tot wijziging van het voorstel. Maar de nadere uiteenzetting van de regering stelt ook bepaald niet gerust. Wat is een 'redelijk vermoeden' en wat is 'aannemelijk maken'? Ook nu zegt de regering nog steeds dat de bedrijfsvereniging in een sterkere positie moet komen, als het gaat om de bewijslast. Ik ben dan ook van mening dat hier geen enkel misverstand over moet blijven bestaan en dat dit artikel geschrapt moet worden. Ik kom tot de toeslagenwet. Dit voorstel is vooral het resultaat van een sluipend proces, waarbij het loondervingsprincipe in de werknemersverzekeringen steeds meer is losgelaten. Als je een dergelijk belangrijk principe loslaat -dus het principe dat je uitkering is gebaseerd op je loon, dat je door ziekte of werkloosheid bent kwijtgeraakt -dan is duidelijk dat je ook je oriŽntatie kwijtraakt. Dat blijkt ook. De werknemersverzekeringen zullen na deze stelselwijziging meer dan tot nu toe niet meer toereikend zijn als pure loondervingsverzekeringen. Dat is een simpele vaststelling. Werk je, dan heb je als alleenstaande noch als kostwinner een toeslag nodig, zelfs als je van het minimumloon moet rondkomen. Het minimumloon is niet hoog, maar je wordt toch geacht ervan rond te komen. Maar word je werkloos of ziek, dan ben je goed de klos. De uitkering voor een kostwinner is niet voldoende. Dan moet er dus een aparte toeslag komen. En daar gaat het inkomen van man, vrouw, vriendin of welke relatie dan ook die je in alle onschuld bent aangegaan. Is er dan geen alternatief? Natuurlijk wel. Het alternatief zou moeten zijn een 100% minimumdagloon als bodem voor iedereen. Alleen dan zou je het loondervingsprincipe in de werknemersverzekeringen consequent handhaven. Dan zou een toeslagensysteem volledig overbodig worden. Dan maak je de regelgeving minder ingewikkeld en de kosten van de uitvoering minder hoog. Bovendien worden de laagstbetaalden dan niet de dupe van de regeling. Nu is het laatste immers wel het geval. Ik zal enkele opmerkingen maken over de gelijkstelling van ongehuwden en gehuwden in de Algemene Bijstandswet en de AOW. In het algemeen kun je zeggen dat de discussie van de afgelopen jaren ertoe heeft geleid dat het principe 'even slecht is ook gelijk' heeft gewonnen, als het gaat om de gelijke behandeling. En de regering en regeringspartijen zich maar afvragen waarom emancipatie toch zo'n slechte naam krijgt! Dat is nogal logisch. De mensen zullen blij zijn, als zij straks merken dat nu eindelijk niet alleen bijstandsvrouwen, maar ook werklozen, arbeidsongeschikten en oudere mensen zich in de warme belangstelling van de bedrijfsvereniging of de sociale dienst mogen verheugen wat hun relaties betreft. Bij het lezen van de stukken heb ik mij afgevraagd, hoe het toch mogelijk is dat weliswaar in andere woorden, maar toch in wezen de wetten zoveel zijn gaan lijken op die uit de jaren dertig. Want emancipatie of niet, vrouwen -vooral uit de laagstebetaalde gezinnen -werkten ook toen uit bittere noodzaak. Dat gebeurt ook nu weer. Het komt op hetzelfde neer. Ook toen werd de uitkering van het gezin verlaagd wegens inkomsten van de partner. In zekere zin is de heer De Graaf slimmer dan Colijn, want hij weet toch maar te bereiken dat niet alleen de inkomsten van de echtgenoten -familieleden -maar ook die van de geheimzinnige partner worden afgetrokken. Dat was in de jaren dertig niet het geval. Wat dat betreft zijn wij dus nog een stap verder achteruitgegaan in plaats van vooruit. Dat gebeurt kennelijk onder het motto: wat de moraal nalaat, zal de heer De Graaf met ijzeren hand tot stand brengen. Ik zeg nogmaals dat dit niets maar dan ook niets met emancipatie te maken heeft. Sterker nog, onder het motto van emancipatie zullen de laagstbetaalde groepen vrouwen de dupe worden van de voorstellen. Juist zij zullen de dupe worden van het toeslagensysteem. Juist het werken van de vrouwen zal opnieuw ontmoedigd worden, omdat het inkomen wordt afgetrokken van de uitkering van de werkloze of arbeidsongeschikte partner. En dat dit wordt verkocht als emancipatiebeleid, vind ik cynisch.

Voorzitter: Cornelissen

Mevrouw Brouwer (CPN)undefined: Mevrouw de Voorzitter! Het amendement dat CDA en VVD hebben ingediend, vind ik zeer merkwaardig. Het heeft naar mijn mening wat weg van een monsterverbond binnen de kaders van de regeringspolitiek, vooral omdat wij de VVD tot nu toe hebben leren kennen als bestrijdster van het begrip economische eenheid. Het is

althans vaak zo gezegd. Nu is een lid van de fractie van de VVD de eerste ondertekenaar van een amendement waarin de economische eenheid, zoals wordt gezegd, tot objectieve gegevens wordt beperkt, maar waarin duidelijk een economische eenheid van niet-gehuwden wordt vastgelegd in het wezen van een gezamenlijke huishouding. Alleen de verwanten tot en met de tweede graad vallen erbuiten. Als je alle franje weglaat, kun je zeggen dat de VVD hiermee de keuken heeft afgepaald en dat het CDA de familieleden heeft binnengehaald. Dit zal een jacht geven op verdwenen verwanten in de eerste of tweede graad, denkt u niet? De gedachte achter het amendement is mij volstrekt onbekend, duister en ook na de nadere uiteenzetting niet duidelijk. Als de gedachte is dat alleen familieleden voor elkaar kunnen zorgen zonder dat zij een seksuele relatie hebben, vraag ik mij af of wij hierover nu een dringend debat moeten voeren. Liever niet. Ik begrijp dat de VVD recentelijk enige behoefte heeft aan orde en zedigheid, maar dit nobele doel heeft in het verleden noch tot een rectificatie van Playboy noch tot goede wetgeving geleid. Het lijkt mij dus dat de VVD haar principes in de steek laat. Ik krijg hierop graag enige toelichting. Het lijkt mij dat wij dit debat moeten gebruiken om het amendement uitgebreid aan de orde te stellen. Als verwanten niet als economische eenheid gaan gelden -overigens ben ik het hiermee eens -vraag ik mij af waarom wel niet-verwanten die te zamen in een huis wonen, als zodanig gaan gelden. Ik zie dit niet in. Ik hoor het graag, want het is mij volstrekt onduidelijk. In de afgelopen jaren is vooral door het CDA steeds gezegd dat er gebrek aan onderlinge zorg is. Ik heb hierover eigenlijk al gesproken. Ik ben het ermee eens dat je kunt spreken over vereenzaming en isolatie van grote groepen mensen, zeker van hen die buiten het arbeidsproces staan. Het is dan echter de vraag waarom er een sanctie staat op zorg die niet-verwanten aan elkaar besteden. Ligt het niet meer voor de hand, het gezamenlijk wonen van mensen om de situatie beter aan te kunnen, bij voorbeeld omdat zij werkloos zijn, of omdat zij hiervoor kiezen, niet te sanctioneren met een intrekking of verlaging van een uitkering? Waarom al dat gedraai?

Ter illustratie van mijn stelling vertel ik in het kort het verhaal van een gehandicapte man die ik enige tijd geleden ontmoette op een van de forums waarop de VVD niet aanwezig was. Hij en zijn eveneens gehandicapte vrouw werden verzorgd door hun dochter. Dit kostte moeite, want zij studeerde, maar het ging. Het ging totdat maatregelen zoals de voordeurdelersregeling en de verlaging van de huursubsidie, waarbij het begrip economische eenheid ook een rol speelt, werden genomen. Hij rekende voor mij uit dat de onbetaalde zorg van zijn dochter toen met 600 gulden achteruitgang in inkomen werd bestraft. Dit was dan een dochter, maar stel dat zij een buurmeisje was geweest, of een nichtje, een vriendin of wie dan ook. Dan kan er volgens de onderhavige wetgeving onder bepaalde omstandigheden sprake zijn van een economische eenheid. Dan kan er dus ook sprake zijn van het toerekenen van inkomsten. Deze gehandicapte man vroeg zich af: waarom nu al dit gegraai, waarom nu al dit gecontroleer? Het echtpaar kan zich zelf, ook als het gehandicapt is, redden, maar dan moet de overheid afblijven van het inkomen, ook van degene die verzorgt. Waarom wordt niet gekozen voor deze lijn van denken. Dit kan op langere termijn zelfs economisch iets opleveren. Belangrijker dan dat is echter, dat je mensen in hun waarde laat en dat je de sociale omstandigheden zo laat, dat mensen het ook zelf kunnen redden. Ik heb verder ook niets toe te voegen aan dit verhaal en hoop dat de staatssecretaris eens wat diepgaander dan tot nu toe op deze stelling ingaat. Ik kom te spreken over de WAO. De voorgestelde afschaffing van de verdiscontering in de WAO/AAW raakt misschien nog wel het meest het hart van het stelsel van de sociale zekerheid. Uitgerekend in een tijd dat gehandicapte mensen geen millimeter ruimte krijgen op de arbeidsmarkt -dat is nu het geval -, wordt met dit wetsvoorstel voorgesteld, geen rekening te houden met de vraag welke extra belemmeringen een arbeidsongeschikte man of vrouw op de arbeidsmarkt ondervindt. Met dit voorstel worden reuzenschreden teruggezet in de geschiedenis van de sociale zekerheid, met name op het gebied van de wetgeving voor arbeidsongeschikten. Ik wil hierover het volgende zeggen.

In de Ongevallenwet, aan het begin van onze eeuw, werd slechts rekening gehouden met functieverlies. Als je dan gehandicapt werd, werd een en ander aan de hand van een tabel uitgerekend. Het missen van een been werd dan gesteld op, pakweg, 30%; het missen van een arm op 20%; het missen van ťťn oog op 10% en van beide ogen op 20%. Daarmee kon je gaan: dat was de uitkering die je kreeg. Pas later kwam men er achter dat arbeidsongeschiktheid in feite een maatschappelijk begrip is, aan te duiden met de vraag wat je met een handicap in dťze maatschappij, onder dťze omstandigheden en met dit arbeidsproces, nog kunt doen. Kun je bij voorbeeld met ťťn oog nog een brood bakken, horloges repareren kun je -zo komt het mij voor, hoewel ik geen horlogemaker ben -met ťťn oog niet of althans heel moeilijk. Zo zijn er nogal wat verschillen. Bovendien heb je niet zoveel aan theoretische schattingen. Heb je als gehandicapte nu echt wel kans op de arbeidsmarkt? Dat moet ook meetellen. Het gaat niet alleen om de vraag of je in theorie iets kunt. Van belang is of je Łberhaupt wel wordt aangenomen als je gehandicapt bent. Juist om die factoren mee te rekenen, is indertijd de verdiscontering in het stelsel ingebracht. Dit was al ver voor de oorlog. Het is een zeer oud principe, dat niet dateert van de afgelopen jaren. Het houdt rekening met het feit dat je met een bepaalde handicap geen werk kunt krijgen. Het is -ik zeg het nogmaals -een verworvenheid dat arbeidsongeschikt zijn niet een puur medisch begrip is, maar een maatschappelijk begrip dat rekening houdt met de maatschappelijke waardering of, liever gezegd, de onderwaardering van mensen met een handicap. Wat doet nu de regering? De regering spreekt over het schrappen van ' verborgen werkloosheid'. Nu, wie deze term heeft uitgevonden, weet ik niet, maar hij heeft er geen goed aan gedaan, want het is een misleidend begrip. Het suggereert dat iemand stiekem een hogere WAO-uitkering krijgt, omdat dit prettiger is dan een werkloosheidsuitkering. Niets is echter minder waar. Verdiscontering heeft niets te maken met verborgen werkloosheid. Verdiscontering heeft te maken met het feit dat je geen kansen hebt met de handicap om op de arbeidsmarkt terecht te kunnen. Dat heeft niets te maken met zgn. verborgen werkloosheid.

Je zou het ook anders kunnen zeggen. Als de kans op werk niet zou worden verdisconteerd en de man of vrouw zou voor dat deel een WW-uitkering krijgen -een alternatief dat bij voorbeeld ook in het PvdA-program mogelijk wordt gemaakt, als de werkloosheidsuitkering wordt verbeterd -, dan zou hij of zij niet werkloos zijn, maar gewoon maatschappelijk uitgesloten, met een lagere uitkering. Werkloos zijn suggereert immers dat je kans op werk hebt. Verdiscontering vindt volgens de huidige en zorgvuldige uitvoeringspraktijk nu juist alleen plaats, omdat er door en ten gevolge van de handicap geen kans op werk is. Het voorstel van het kabinet komt er dan ook op neer dat -zoals de heer Boersma, voorzitter van de directie van de GMD, het op 24 januari zei, op de dag van sociale zekerheid van de FNV -de zogenaam-de verborgen werkloosheid in de WAO wordt omgezet in een verborgen arbeidsongeschiktheid in de WW. Het enige effect is dan, dat het naar een goedkoper regime wordt verplaatst en dat de arbeidsongeschikte dus de dupe zal zijn, doordat hij of zij te maken krijgt met puur een lagere uitkering. Dit is het enige effect van deze wetgeving. Dat is een forse stap terug in de wetgeving voor gehandicapten: een lage uitkering, uiteindelijk bijstand en dus de armoede dichterbij. Het heeft ook andere effecten. Wat moeten wij bij voorbeeld denken van de begeleiding van deze mensen? Wat moeten wij denken van de ellende die zij mee moeten maken omdat zij bij twee verschillende loketten terecht kunnen komen? Het is ook wel logisch dat over dit onderdeel kennelijk geen serieuze discussie is te voeren. Juist dit wetsvoorstel moet het leeuwedeel van de bezuinigingen opbrengen: bijna drie miljard, of 72% van het totaal. Dat alleen bewijst al dat het gaat om een enorme verslechtering, volgens de inschatting van de regering zelf, van de positie van de WAO'ers en van de AAW'ers. Dan te bedenken dat het deze groep is die de laatste jaren al zo hard is aangepakt. Voorzitter! Ik heb wel gehoord dat de CDA-fractie er moeite mee heeft. Ik heb ook gehoord dat zij heeft gezegd: wij willen rust op het uitkeringsfront. Maar ik zeg er wel bij dat de CDA-fractie dit pas na de stelselherziening en pas na de indiening van dit wetsontwerp zegt. Dat zegt het CDA dus met acceptatie van alle verslechteringen die er de laatste jaren zijn bereikt en die ook nog in deze stelselherziening zitten.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Met nog wat amenderingen!

Mevrouw Brouwer (CPN): Goed, met nog wat amenderingen. Daar zullen wij het nog over hebben. Bovendien zijn dat amenderingen die misschien niet 'mogen' van de regering. Daar krijgen wij ook nog wat over te horen. Ik meen dat daarover nog wat problemen bestaan. Afgezien hiervan zegt de CDA-fractie in de kern: rust op het uitkeringsfront na de stelselherziening. Ik wil ook nog weten van de fractie van het CDA, hoe zij denkt over die 1,2 miljard, want die is toch ook al opgenomen in het begrotingsbeeld. Daar zal toch ook iets mee gebeuren, nietwaar? Ik vraag mij dan wel af hoe het CDA -en trouwens ook de VVD -mee kan gaan in zo'n voorstel, als men zegt voor de gehandicapte mens op te willen komen. Ik heb best gezien dat het CDA zegt dat bijstand niet acceptabel is voor deze mensen en dat er een 'opstapje' moet komen en een betere reÔntegratie. Maar ik zeg er wel bij: dat is natuurlijk gejammer en geweeklaag na een aanzienlijke verslechtering en ook na de acceptatie van een sterk afgezwakte WAGW. Die heeft de CDA-fractie ook geaccepteerd. Is dan een korting tot het minimumniveau als gevolg van de afschaffing van de verdiscontering ook in de IOAW -zoals het CDA wil -wel acceptabel? Is dan de grote onzekerheid, waarin talloze WAO'ers door deze maatregelen zullen worden gestort, wel acceptabel? Wat gebeurt er dan bij voorbeeld met mensen die werk hervatten en daarna weer arbeidsongeschikt worden? Is dat allemaal wel acceptabel als je ziet dat nu al de psychische en de lichamelijke gevolgen voor arbeidsongeschikten van de dreiging van deze maatregel zo ingrijpend zijn, dat de lichamelijke en psychische positie van veel betrokkenen al verslechterd is door de aankondiging van deze plannen? Is dat acceptabel? Als je uitgaat van sociale politiek -afgezien van de meningsverschillen die ik verder met de regering heb -is het juist dťze maatregel die niet mag doorgaan. Daarvoor zouden juist een regering die zich sociaal wil noemen en een CDA-fractie die zich in deze verkiezingstijd kennelijk toch ook sociaal wil noemen, een alternatief moeten vinden. Dit maatregel zou zeker moeten worden ingetrokken. Overigens zeg ik hierbij dat de bezuinigingen waar wij over spreken nog volstrekt duister zijn. Men heeft natuurlijk ook gelezen en gezien dat er in Corona een groep deskundigen op dit moment het debat tot in de puntjes volgt. Amendementen worden 'uitgerekend'. Er wordt een soort contra-expertise voor de Kamer verricht. De mensen die daar zitten, weten precies wat er in de sociale zekerheid leeft en wat er bij de mensen leeft. Die deskundigen zeggen op grond van hun gegevens, die zij halen bij de sociale diensten, de GMD's de GAK's en dergelijke, dat de bezuiniging van deze stelselherziening misschien wel 3 miljard kan zijn, maar het net zo goed 500 miljoen kan kosten. Wij tasten dus volledig in het duister. En de berekeningen van de regering, ook in het wetsontwerp waar ik nu over spreek, zijn zů met argumenten bekritiseerd, dat het werkelijk ongelooflijk is dat wij hier debatteren over een stelsel, waarvan nog volstrekt onduidelijk is of het wel die bezuiniging zal opleveren die de regering denkt te halen. Een voorbeeld. De schatting van het kabinet voor de maatregel in de WAO en AWW op bladzijde 41 van de memorie van antwoord is, dat de omvang van wat het noemt de werkloosheidscomponent -ik heb daarop zojuist al kritiek geleverd -50% bedraagt. Ik verwijs naar een zeer grondige reactie op deze stelling in een artikel in Sociaal maandblad arbeid van Hermans en anderen, waarin berekend is dat de verwachte forse bezuiniging niet reŽel zal blijken te zijn en veel minder is dan tot nu toe. Zij betwisten met name het percentage van 50 op basis van statistieken die zij in dit artikel aanhalen. Zij zijn dan ook van mening dat er alle aanleiding is, te verwachten dat de regering deze maatregelen in feite niet hiervoor gebruikt, maar dat zij heimelijk verwacht dat een herbeoordeling van vrijwel alle arbeidsongeschikten, in eerste instantie jonger dan 35 jaar, iets zal opleveren. Ik vind dat daar waar de kern van dit wetsontwerp zo fundamenteel is bekritiseerd, het kabinet de Kamer verplicht is een uitgebreide reactie te verstrekken op dit artikel. Ik heb begrepen dat de regering al iets heeft

gezegd in antwoord op vragen van de Partij van de Arbeid. Een grondige reactie op dit artikel, dat de gedach tengang en de berekening van de regering aantast, moet in dit debat nog worden gehoord. Ik verwacht dan ook dat de regering daarmee zal komen. Laat er overigens geen misverstand over bestaan, ook mij is bekend dat de WAO in het verleden zeker misbruikt is door werkgevers om minder gezonde werknemers te dumpen. Ik heb dat al eerder gezegd. De WAO'er, dus de uitkeringsgerechtigde, had het zeker na 1980 niet voor het kiezen. De suggestie in de memorie van toelichting op dit wetsontwerp als zou verdiscontering een aanzuigende werking hebben, omdat betrokken werknemers de lijn Ziektewet-WAO zouden verkiezen boven WW, WWV en bijstand, plaatst niet alleen de uitkeringsgerechtigden maar ook de uitvoerende instanties in een kwaad daglicht en dat vind ik erg. Ik verzoek de regering dan ook dringend en uitdrukkelijk, de gegevens over te leggen op grond waarvan zij beweerde dat er een aanzuigende werking zou zijn geweest door het verdisconteringsartikel. Wat zijn overigens de gevolgen voor de volksgezondheid? Van vele kanten is gewaarschuwd, onder andere door artsen, dat de verslechtering van de WAO ziek doorwerken tot gevolg zal kunnen hebben, zodat nieuwe en langdurige arbeidsongeschiktheid wordt opgebouwd. Waarom wordt dit niet bekeken? Hoewel de ziekte wetplannen van de heer Den Uyl en mevrouw Dales slecht waren en door ons zeer principieel bekritiseerd zijn, moet ik wel zeggen dat zij in die tijd, oog hadden voor de bezwaren voor de volksgezondheid. Nu kun je zien dat daarvan niets meer over is. Dat wil zeggen dat de kosten voor de volksgezondheid op dit moment maar gemakkelijk buiten beschouwing blijven. Dat is bij zo'n ingrijpend wetsontwerp onzorgvuldig en onverantwoord. Kan de staatssecretaris overigens een andere bewering in de memorie van antwoord hard maken, namelijk dat een WW uitkering een stimulans zou betekenen om de band met de werkgever niet te verbreken? Ik heb daarover nagedacht. Hoe kan men nu een WW uitkering krijgen als er nog een dienstverband bestaat? Wie beslist er overigens over de vraag of werkloosheid aan iemand te verwijten is? Zal het arbeidsbureau of de GMD dat doen of doen beide instellingen dat? Wat zijn de consequenties voor de begeleiding door de gemeenschap pelijke medische diensten? Dat zijn slechts enkele van de vele vragen. Ik zal ongetwijfeld met nog meer vragen in tweede termijn komen. Kortom, dit wetsvoorstel wemelt van onzorgvuldigheden. De gevolgen zijn zeer slecht doordacht en de motivatie berust, voor zover ik dat heb kunnen zien, vooral op vooroordelen. De geachtengang is een forse stap terug die grote angst bij WAO'ers heeft gebracht. Bovendien is de maatregel niet getoetst aan de uitvoeringspraktijk. Wie de uitvoeringspraktijk van deze tijd kent -de staatssecretaris moet niet alleen verwijzen naar de stukken uit 1973, maar ook naar de stukken uit 1980 en 1981 -die weet hoe zorgvuldig de praktijk is, hoe weinig sprake is van echte verdiscontering en hoeveel afschattingen er op dit moment al zijn. De vraag is zeker gerechtvaardigd, wat de werkelijke bedoelingen van dit wetsvoorstel zijn. Ik kom op de alternatieven. De stelselherziening is voor de CPN sociaal onverantwoord. De wijze van de behandeling van de voorstellen ook. De schriftelijke voorbereiding heeft al aangetoond, dat wij soms niet eens weten waarover wij precies spreken. Neem bij voorbeeld het begrip 'economische eenheid'. De reacties van uitvoeringsinstanties wijzen erop, dat talloze aspecten niet zijn te overzien. De uitvoeringsinstan ties zijn niet politiek gebonden. Dat mag ook een aanwijzing zijn. De discussie over talloze wetsvoorstellen leidt ertoe, dat voor de uitvoeringspraktijk talloze problemen zullen rijzen bij de invoering van het stelsel. De consequenties zijn onduidelijk en onzeker. Als je ziet hoeveel paniek de wijziging van de Ziekenfondswet met zich bracht, is het wel duidelijk dat dat met de wijziging van het stelsel erger zal worden. Dat betekent dat miljoenen mensen -wij spreken ook over de AOW -te maken krijgen met paniek en chaos. Dat moet voorkomen worden door de plannen te laten rusten en goed doordachte alternatieven een kans te geven. Als deze plannen er toch doorheen komen, zal de huidige armoede en onzekerheid worden bevestigd en vergroot. Wij hebben onze alternatieven in een brochure gepubliceerd. Voor ons is kritiek op de plannen onlosmakelijk verbonden met voorstellen voor herstel en vernieuwing. Ik spreek van herstel. Wij zijn namelijk van mening, dat hersteld moet worden datgene wat tijdens deze kabinetsperiode is afgebroken. Naar onze mening kan een progressieve politiek zich onmogelijk neerleggen bij de toestand die door dit kabinet tot stand gebracht is. Je kunt je niet neerleggen bij armoede en marginalisering, bij controle en bureaucratie. Dat zijn wij dus ook niet van plan. Waar gaat ons alternatief van uit? Gebroken moet worden met de gedachte, dat uitkeringsgerechtigden de sluitpost kunnen zijn van een staatsboekhouding. Juist in deze tijd moeten hun belangen vooropstaan. Allereerst moet een herstel plaatsvinden van een redelijk bestaansminimum. Dat is nodig. Dat bereik je alleen door de kortingen van de afgelopen vijf jaar ongedaan te maken en de indexering met terugwerkende kracht toe te passen. Als indexering zou zijn toegepast, zou het netto minimum op dit moment op f 1 600 liggen. Geen vetpot, maar in ieder geval genoeg om niet afhankelijk van een eenmalige uitkering te zijn. De uitkeringspercentages van WAO en WW moeten terug naar 80%, juist nu sprake is van langdurige werkloosheid en loondaling. Er is alle reden, de werkloosheidsuitkeringen te verlengen tot het 65e jaar. Daarmee schep je een solide basis voor degenen die het ongeluk hebben langdurig werkloos te zijn en heb je geen aparte regelingen nodig voor oudere werklozen, zoals de IOW en zijn voorgangers. Wij willen geen onderscheid naar leeftijd en arbeidsverleden. Werkloos op je vijftigste is uitzichtloos; voor veel ongeschoolde jongeren is er ook weinig hoop Waarom zou je het gebrek aan perspectief in hokjes opdelen? Waarom die voortdurende indeling in categorieŽn, met de bijbehorende controle en bureaucratie? Voor echte steun en begeleiding is dan geen ruimte meer. Bij de WAO zijn wij duidelijk: handhaving van de verdiscontering, nadruk op de arbeidsomstandigheden, op het voorkomen van toekomstige arbeidsongeschiktheid, op reÔntegratie. Wij moeten niet opzij gaan voor het verzet van de werkge vers. Ik denk daarbij aan de afgezwak te WAGW. Wij zijn voor een herstel van de mogelijkheden voor gehandicapten om zichzelf te kunnen redden, en niet afhankelijk te worden van alle instanties die zich over hen ontfermen.

Dat is noodzakelijk om een sociale basis te houden in deze maatschappij en dat is ook noodzakelijk in een maatschappij met een op zo'n hoog tempo draaiende economie, dat je alleen wanneer je in lichamelijk en psychisch opzicht aan de hoogste eisen voldoet, niet aan de kant komt te staan. Afschaffing van de verdiscontering verandert niets aan het feit dat in deze maatschappij een arbeidsongeschikte niet veel waard is, maar je brengt de mens zelf wel in een onmogelijke situatie. Speciale aandacht voor vrouwen is noodzakelijk. Ik heb al gezegd dat er van alles verandert in de verhouding tussen mannen en vrouwen, of je dat nu leuk vindt of niet. Vooral is aandacht nodig voor hoofden van eenoudergezinnen. Wij willen geen Amerikaanse toestanden waarin sprake is van feminisering van de armoede. Sociale zekerheid moet bovendien niet alleen een goede bescherming voor uitkeringsgerechtigden bieden, maar moet meer dan tot nu toe ruimte bieden voor terugkeer op de arbeidsmarkt. Wat je dan nodig hebt, zijn specifieke maatregelen gericht op de positie van vrouwen, maar ook op de positie van buitenlanders en jongeren, want ook hun positie is zwak op deze arbeidsmarkt. Scholingsmogelijkhe den in de bijstand moeten dus verruimd worden. Sociale zekerheid moet bovendien ruimte hebben voor verlofregeling. Een recht om onbe taald ouderschapsverlof op te nemen, zoals door dit kabinet voorgesteld is volstrekt onvoldoende. Wij pleiten voor iets anders. Wij pleiten ervoor om je niet neer te leggen bij het feit dat honderdduizenden in de bijstand blijven zitten en er niet meer uitkomen. Wij pleiten juist nu voor een herintredingsregeling die mensen het recht geeft op een individuele uitkering wanneer zij zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt. Als je de zaak aan twee kanten aanpakt, drastische arbeidstijdverkorting en herbezetting, het scheppen van werk en stimulerende maatregelen voor uitkeringsgerechtigden, zou deze maatschappij er binnen een aantal jaren wel eens heel wat vrolijker kunnen gaan uitzien. Natuurlijk dat kost geld. Wij hebben het ook uitgerekend. Onze plannen kosten negen miljard. Dat is aanzienlijk. Het is ook aanzienlijk omdat er sprake is van een zo omvangrijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Het levert echter ook iets op. Het zou betekenen dat er in 1990 nog maar 400.000 werklozen zijn. Het levert ook iets op aan de inkomstenkant. Het zal namelijk betekenen dat de inkomens van een grote groep mensen omhoog gaan, zodat men meer premies en meer belastingen zal afdragen. Het levert ook iets op als je de grondslag van de financiering van de sociale zekerheid nog eens even gaat bekijken en aan gaat passen aan de huidige structuur van de economie, dat wil zeggen andere financierings bronnen, kapitaalintensieve sectoren en de overheid zelf zullen moeten bijdragen. Het is een kwestie van andere prioriteiten stellen. Het is een kwestie van nu geld uitgeven, maar het is ook een kwestie van kosten voorkomen, namelijk sociale, economische en democratische kosten voor de toekomst. Ik heb de staatssecretaris vorige week glunderend zien rondlopen. Het leek alsof hij zo ongeveer het idee had: die klus hebben wij voor de verkiezingen toch maar even geklaard, mijn levenswerk zit erop. Nu is het met een politicus net als met een pauw, van pronken houden ze allebei. Bij een pauw levert dat nog een prachtig schouwspel op, bij een politicus denk je echter al gauw: wat zal daar achter zitten? Glunderen is niet verboden maar als de staatssecretaris wijs is, laat hij het achterwege. Als je ziet dat hij vooral denkt dat hij hiermee bezuinigingen binnenhaalt en dat denken ook het CDA en de VVD, als je ziet dat het stelsel verkocht wordt met het argument dat wij daarna echt een solide, sociaal verzekeringsstelsel zullen hebben dat jaren mee kan en als je tegelijkertijd ziet dat deskundigen zeggen dat het maar helemaal de vraag is of die bezuinigingen zullen binnenkomen en dat daarnaast de controle niet te overzien is en de bureaucratie en de ondoorzichtigheid zullen toenemen, is de regering bezig met illusiepoli tiek. Dan komen de echte bezuinigingen die de regering hier denkt te verkopen, er niet maar zal er wel iets anders gebeuren; de mensen zullen er namelijk de dupe van worden Wij weten al precies wat er zal gebeuren. Als de bezuinigingen niet zo omvang rijk zijn, zal dat natuurlijk voor het CDA en de VVD een nieuw argument worden om hetzelfde recept, dat gefaald heeft, nog eens te hanteren. In sociaal en democratisch opzicht kan dat niet. Wat is het maatschappelijk draagvlak van de stelselherziening die wij nu bespreken? Het sociale stelsel is niet alleen van belang voor de uitkeringsgerechtigden van nu. Het is een basis waarop iedereen moet kunnen terugvallen. Daarom betalen mensen ook belasting en premies. Je hoort het altijd zeggen: Wij brengen het met z'n allen op. Vele mensen werkten ook jarenlang voor 'de oude dag', de sociale voorzieningen. Anderen willen dat ook, maar krijgen geen kans. Herziening van een stelsel dat zo'n diepe betekenis heeft, is natuurlijk niet alleen een zaak van het parlement. Daarbij zijn zoveel mensen betrokken dat het een zaak is van de hele maatschappij. Zo'n stelsel, zeker als je wilt spreken van een houdbaar stelsel waarvoor mensen bereid zijn jarenlang te betalen, heeft een brede maatschappelijke basis nodig. Er moet dus een zekere consensus bestaan over de gevolgen die verzekerd moeten zijn, hoe lang, hoe hoog en over wie betaalt. Overduidelijk is gebleken dat deze plannen zo'n basis niet hebben. Ik geef even het beeld van het verzet aan. Bij de bijeenkomst vorige week in Amicitia waren uit vrijwel alle belangrijke maatschappelijke sectoren mensen aanwezig: vakbeweging, de linkse, progressieve politieke partijen, maar vooral de groeperingen die er mee te maken hebben, van bijstandsvrouwen tot en met de Katholieke Bond van Ouderen, veel CDA-stemmers, vertegenwoordigers van de 174 door de minister-president tot asociaal bestempelde 'prominenten', vooraanstaande deskundigen, politici van CPN tot en met CDA en zelfs van VVD huize. Het zegt natuurlijk wel iets dat de vormgever van de WAO, de christendemocraat professor Veldkamp, argument na argument tegen deze plannen levert. Dat kan je toch niet zo maar aan de kant zetten? Rege ringspartijen moeten het natuurlijk zelf weten, maar is dat wijze politiek? Dat zal de toekomst wel leren. Ik sprak ook over andere organisaties: de Raad van Kerken, gemeenten, sociale diensten, kortom, bijna iedereen is tegen deze plannen, behalve de werkgevers. Op wie denkt het kabinet dan te kunnen bouwen bij de uitvoering van de plannen? Wie zet zich nu vol vertrouwen achter dit afbraakwerk? Het is toch niet voor niets dat een tiental WAO'ers, de zogenaamde Coronagroep juristen, artsen en economen, dit debat van minuut tot minuut volgen en persberichten uitgeven. Zij willen nu aantonen wat

de maatschappelijke gevolgen van dit stelsel zijn. Zij willen nogmaals aantonen dat die niet doordacht zijn. Hoe is het dan mogelijk dat CDA en VVD hier plannen durven te forceren die behalve door henzelf, door niemand worden gesteund, nu ja, door de werkgevers. Zij doen dat met alle middelen. Ik ben de vorige week nogal boos geworden met name over het hele gehannes rond de invoerings wet. Deze middelen gaan de parlemen taire zorgvuldigheid verre te buiten. Hoe is dit te rijmen met de noodzaak dat een stelsel van sociale politiek niet een politiek maar ook een maatschappelijk draagvlak nodig heeft? Was het niet de heer Weijers die dat zei? Ik meen dat ik hem hiermee citeer: van eminent belang is een maatschappelijk draagvlak. Wel, die is er niet voor deze plannen. Hoe is het dan mogelijk dat het CDA desondanks deze plannen zo forceert? Wat betekent dat? In dit parlement isoleert men zich van het maatschap pelijk draagvlak dat er zou moeten zijn. Ik heb de laatste jaren heel wat meegemaakt, maar ik kan er niet bij dat werkelijk wordt gedacht dat op deze wijze een houdbaar sociaal verzekeringsstelsel kan worden bereikt, dat op deze wijze een stelsel kan worden doorgevoerd dat nu al zo'n maatschappelijk verzet kent. Wij vinden dan ook dat deze plannen niet alleen geamendeerd moeten worden. Zij moeten worden verworpen. Zij moeten in de ijskast. Er moet op gestudeerd worden. Wij moeten reacties hebben op de rapporten van de deskundigen en wij moeten de alternatieven bekijken. Alleen dan kun je spreken over het opbouwen van een consensus die noodzakelijk zal zijn voor het sociaal zekerheidsstelsel van de toekomst. Voorzitter! Ik wil ook nog iets zeggen over de politieke basis. Minister De Koning heeft eigenlijk erkend, dat er geen maatschappelijke basis is, maar volgens hem is er in ieder geval een politieke basis. Toch is deze ook nog niet zo hecht. Van de VVD is bekend, dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid haar niet ver genoeg gaan. Het liefst zouden deze 'verlichte denkers' teruggaan naar het begin van deze eeuw en een minimale bemoeienis van de staat tot stand brengen, als het gaat om de sociale zekerheid. Al bepleit de VVD een terugtredende staat, bij de tweeverdieners, de voordeurdelers, de bijstandsvrouwen en de uitkeringsgerechtigden doet zij dit niet. Naast iedere uitkeringsge rechtigde, vindt de VVD, een waakzame buurman of, als het betaalbaar is, een controleur. Gelijke behandeling en emancipatie, zijn er vooral voor de rijken, maar niet voor de uitkeringsgerechtigden. CDA en VVD vinden elkaar zo, tussen de keuken en de verwanten in de tweede graad, waarover ik het zojuist heb gehad, als het gaat om de economische eenheid. Voor een echte, wezenlijke gelijke behandeling, waaraan de laagstbetaalde mensen ook iets hebben, wil de VVD niet vechten. Ik zou de directieleden van Philips of ambtenaren van de desbetreffende ministeries of de Kamerleden zelf wel eens willen horen, als het principe van de economische eenheid ook zou gelden bij de uitbetaling van salarissen. Ik denk dat wij hier dan een andere discussie zouden hebben, maar als het om uitkeringsgerechtigden gaat, mag het kennelijk wel. De conclusie is, dat de VVD bereid is een heel eind mee te gaan in 'Amerikaanse richting', namelijk een sociale zekerheid die te weinig is om van te leven en te veel om van dood te gaan. Economisch herstel zegt op zichzelf niets. Kijk maar naar de Verenigde Staten. Het CDA zegt een ander principe te huldigen. Deze partij ging in deze regeringsperiode mee in de meest vergaande bezuinigingen sinds de Tweede Wereldoorlog. Het zijn hun bewindslieden en niet te vergeten de ministarpresident, die de afbraak vorm gaven en zich minachtend uitlieten over het brede verzet ertegen. Het CDA is kennelijk bereid de fundamenten aan te tasten, maar laat nog enkele brokken staan. De roep om rust lijkt, zo heb ik de indruk, minder een verzekering aan de uitkeringsgerechtigden als wel een noodkreet van de fractie van het CDA zelfs aan het adres van de heer Lubbers om de gepijnigde fractie zelf nu maar eens met rust te laten. Dit schijnt nodig te zijn om nog iets van het sociale gezicht van het CDA te redden voor de verkiezingen. Ik heb al gezegd, dat die rust er niet komt, ook niet als wij het programma van het CDA lezen. Daar staat: 'Wij gaan ervan uit, dat na de afronding van de stelselherziening, welke voor de kabinetsperiode 1982-1 986 is voorzien, de uitkeringsniveaus in de komende jaren gewaarborgd kunnen worden.' Ik lees hieruit dat er voorlopig dus geen verlaging naar 65 procent zal zijn. Maar hoe zit het met de toepassing van de WAM? Hoe zit het met de tijdelijke kortingen? Hoe zit het met de verandering in de toeslagen? Alles blijft mogelijk of niet? Welke garanties bestaan er eigenlijk, zelfs volgens het program van het CDA? En welke garanties zijn er en wat is die 1,2 miljard? Nogmaals, zijn wij dan nu, in de volgende periode na deze stelselherziening toe aan het verrassingspakket voor verschillende groepen? Hoe moet ik de uitspraak van de heer Ruding opvatten? Was dat een slip of the tongue, toen het ging over de gescheiden vrouwen? Of is er zelfs een gedachtengang, dat bepaalde groepen gescheiden vrouwen verder uit de sociale zekerheid moeten worden uitgeschreven? Ik weet het niet, en stel derhalve de vraag, wat dat bedrag van f 1,2 mld. in de kaderbrief betekent. Als dit alles het geval is, dan is de stelselherziening niet meer dan een aanklachttussenstation, nodig om de kortingen definitief vast te leggen en daarna gaat deze coalitie met de bezuinigingen door. De PvdA heeft dan ook volledig gelijk, als zij zegt, dat ze de sociale zekerheid -wij doen dat ook -als een hoofdpunt in de verkiezingen zal opnemen. Voortdurende afbraak van de sociale zekerheid moet worden gestopt. Terecht maakt de PvdA de sociale zekerheid tot inzet van een mogelijke formatie. Toch hebben wij ook bij de opstelling van de PvdA vraagtekens, voornamelijk omdat wij de indruk hebben, dat die opstelling duidelijker lijkt dan ze is. De uitkeringspercentages moeten weer omhoog, maar niet tot 80%. Accepteert de PvdA een deel van de verslechteringen, die door dit kabinet tot stand zijn gebracht? Het optrekken van de percentages tot 75 gebeurt in twee stappen, maar niet duidelijk is, wanneer dat gebeurt. In 1 987 of 1989? Wat gebeurt er als de economische groei uitblijft? Blijft het percentage dan 70? De PvdA hamert op herstel van de koppeling, en terecht. Wij zijn het daarmee eens. Maar is het niet noodzakelijk, zo vragen wij ook de PvdA, het minimum te verhogen en te herstellen wat de mensen met de minimumuitkeringen de laatste vijf jaar is aangedaan? Is dat niet nodig, om de echte armoede aan te pakken en terug te dringen? In het PvdA-rapport 'Geloof me, dit is armoede', is met schrijnende

voorbeelden aangetoond, dat de regeringspolitiek inderdaad armoede heeft gebracht. Nu al kunnen mensen niet rondkomen. Herstel van de koppeling zal dus onvoldoende zijn. Het zal moeten gaan om een herstel van hetgeen de afgelopen jaren is aangebracht, een herstel van het minimum. Ook als het over de WAO gaat is de PvdA niet geheel duidelijk. Wij zijn het ermee eens dat de verdisconteringnu niet moet worden afgeschaft. Misschien gebeurt dat wel als er een goede werkloosheidsregeling is. Wat is dat dan? Is ook de PvdA bereid, gedeeltelijk arbeidsongeschikten via de WW in de bijstand te laten verdwijnen? Nogmaals, de afwijzing nu is terecht. Met veel voorstellen van de PvdA zijn wij het eens. Maar als het gaat om het herstel van de schade die het kabinet heeft aangebracht, moeten wij verder gaan. Dan is het noodzakelijk, een toeslagenmaatschappij niet als gegeven te accepteren. Dan is het noodzakelijk, het minimum en de uitkeringen te herstellen. Op basis daarvan is niet alleen een economisch, maar ook een sociaal herstel mogelijk. Dat zal dan ook onze inzet zijn. Er zijn nog twee punten waarover ik aan het slot van mijn betoog vragen wil stellen. Vrijdag heeft de heer Lubbers gezegd, dat de verslechteringen maar voor 2% van de uitkeringsgerechtigden gelden. Dat zou dan de groep van arbeidsongeschikten beneden de 35 jaar zijn. Ik wil daarover een aantal vragen stellen. De mensen die in Corona zitten hebben het nog eens netjes voor ons uitgerekend en zijn tot een geheel andere conclusie gekomen. Zij zeggen dat er nog andere groepen zijn. Zij noemen bij voorbeeld de interimregeling voor WWV ers boven de 50 jaar. Die zullen vanaf de dag dat de IOW wordt ingevoerd onder die wet gaan vallen. Dat wil zeggen dat zij als voorheen een minimumuitkering krijgen, maar wel onderworpen worden aan korting van inkomsten binnen het gezin. Die groep krijgt er dus ook mee te maken; naar schatting geldt dat voor 5% van de WWV-ontvangenden. WAO-ers boven de 35 jaar gaan er ook op achteruit. De vorige week heeft de heer Lubbers gezegd, dat het alleen om mensen onder de 35 jaar gaat. De overgangsregeling voor de mensen boven de 35 jaar houdt in, dat deze mensen niet volgens de nieuwe maatstaven zullen worden beoordeeld. Deze nieuwe maatstaven houden echter voor grote groepen WAO ers een verslechtering in. Het probleem is nu, zo wordt gesteld, dat de oude maatstaven, die veel realistischer zijn dan de nieuwe, uitsluitend bij de eerste herkeuring worden toegepast. WAO-ers kunnen net zo vaak herbeoordeeld worden. Theoretisch is het mogelijk dat een WAO-er ouder dan 35 jaar binnen een maand na de inwerkingtreding van de stelselherziening wordt herbeoordeeld en binnen een jaar daarna een nieuw heronderzoek volgens de nieuwe maatstaven ondergaat, en dus met een verslechtering te maken krijgt. Een andere groep waarvoor de inkomensachteruitgang geldt is die van de gedeeltelijk arbeidsongeschik ten boven de 35 jaar. Ook hierover zijn een aantal opmerkingen gemaakt. De VVD juicht het toe dat de staatssecretaris in zijn nota van wijziging stelt, dat de WAO-ers boven de 35 jaar niet zullen worden herbeoordeeld. Inderdaad is er een wijziging in de tekst van zijn voorstel aangebracht, maar met deze wijziging moest ervoor worden gezorgd, dat nu ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten onder de overgangsregeling zouden vallen. Het is tekenend voor de haast van het kabinet dat die wijziging, zoals door de deskundigen is uitgerekend, onzorgvuldig is. Zodoende vallen bij voorbeeld volgens de letterlijke tekst gedeeltelijk arbeidsongeschikten buiten de overgangsregeling. Voor de mensen zelf is dat een zeer dunne slordigheid. Voorzitter! Ik zou van de staatssecretaris een uitgebreid commentaar willen hebben, als het kan schriftelijk, op het vierde persbericht van het Kritisch Centrum Stelselherziening, van 1 5 april 1986, over de uitspraak van de heer Lubbers. Ik wil eindigen met een uitspraak van uitkeringsgerechtigden zelf. Om hen gaat het uiteindelijk. In de brochure van organisaties van uitkeringsgerechtigden: 'Met je kop tegen de muur' staat het volgende: Welk perspectief biedt het kabinetsrecept voor honderdduizenden mensen in Nederland, die naar de zijkant van de samenleving gedrongen worden, mensen voor wie de gebaande paden naar maatschappe lijk meetellen gesloten blijven? Wat is het sociale gehalte van een samenle ving die op een dergelijk smal spoor de toekomst tegemoet rijdt?

Ik constateer, dat na alle discussies de staatssecretaris, de regering en de regeringspartijen het antwoord op deze vragen schuldig blijven. Ik verwacht van de staatssecretaris in zijn antwoord dan ook niet alleen een technische uiteenzetting over de onderdelen en de wetsvoorstellen, maar ook een visie op grond waarvan hij ondanks dit verzet meent dat deze stelselherziening sociaal verantwoord is.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Brouwer wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; van mening, dat ingrijpende en fundamentele wijzigingen van het stelsel van sociale zekerheid dienen te berusten op een brede maatschap pelijke basis; constaterende, dat een dergelijk draagvlak ontbreekt voor de voorstellen van het kabinet; verwerpt de voorstellen tot wijziging van het stelsel van sociale zekerheid, en gaat over tot de orde van de dag Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 55 (19261). De algemene beraadslaging wordt geschorst. De vergadering wordt van 1 7.35 uur tot 1 9.05 uur geschorst. Voorzitter: Dolman

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.