Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen: Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid) (19256); Verlening van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, die één of meer personen tot hun financiële last hebben (Toeslagenwet) (19257); Wijziging van de Algemene Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of echtgenoten) (19258); Wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke behandeling van niet gehuwde personen met gehuw den (19259); Het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd (Wet inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers) (19260); Verzekering van werknemers tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid (Werkloosheidswet) (19261), en van de daarbij voorgestelde moties. De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

E. (Elske) ter VeldMevrouw Ter Veld (PvdA): Voorzitter! Ik hervat mijn algemene beschouwing bij het heel belangrijke onderdeel over de financiering van de sociale zekerheid. Ik maak hierover een aantal theoretische opmerkingen waarbij ik, zoals ik vandaag al vaker heb gedaan, gebruik maak van het rapport van de commissie Van Rijn. Ook daarin is dit onderdeel uitgebreid aan de orde gekomen. Aangegeven is dat besloten is om te adviseren dat de financiering van de sociale zekerheid zowel via de algemene middelen, de overheid, geschiedt als door middel van premieheffing voor werkgevers en werknemers. Ik deel dit voorstel volkomen. Waarom de overheid? Ik citeer: het doel van de sociale zekerheid is door een herverdeling van het maatschappelijk inkomen een deel van de inkomensstroom van hoge inkomens naar de lagere inkomens toe te voeren. Dat was niet de enige reden. Ik citeer wederom uit het rapport van de commissie Van Rijn: met de sociale zekerheid is een groot algemeen belang gemoeid; ook wordt hierdoor een te zware druk van het bedrijfsleven afgewend. De bijdrage aan de sociale zekerheid uit de algemene middelen (belastingen, te heffen over loon en inkomen, alsook over bedrijven) heeft het grote voordeel dat daarmee de inkomenseffecten van alleen inkomen uit premieheffing voor de financiering verschrikkelijk goed worden verdeeld. Immers -de staatssecretaris en ik hebben hierover al vaker gediscussieerd -wanneer de sociale zekerheid voor het grootste deel via premies over het looninkomen tot een bepaalde grens zou worden gefinancierd, zou dat te behoeve van de sociale zekerheid een zeer zware last leggen op de lage en de middenin komens. Ik moet constateren dat deze discussie er tot nu toe steeds toe heeft geleid dat de staatssecretaris het heeft verkozen om de last van de sociale zekerheid ook juist op die groepen met lage en middeninkomens te leggen. De mogelijkheid om zo een zware druk van het bedrijfsleven af te wenden, was onder andere de reden waarom tijdens het kabinet-Den Uyl werd besloten tot invoering van de rijksbijdragen. Immers, dan zou een deel van de loonkostenontwikkeling gebruikt kunnen worden voor bij voorbeeld herverdeling van arbeid. Volledige financiering van de sociale zekerheid via de algemene Regeling van werkzaamheden Sociale zekerheid (stelselherziening)

middelen zou echter ook nadelig kunnen werken. Want, aldus weer het rapport-Van Rijn, het gevaar is niet denkbeeldig dat bij een sterke aandrang tot algemene bezuinigingen ook de uitkeringen in een verlaging zullen worden betrokken; tot nu toe is dit in Nederland, mede door het geldende systeem van verzekering, nog nimmer geschied. Hiermee geef ik twee dingen aan: enerzijds dat het van belang is dat niet alleen de overheid bijdraagt, maar dat dit ook geschiedt via de premie-inkomsten; anderzijds wijs ik de staatssecretaris erop dat hij in de periode waarin hij verantwoordelijk is gesteld voor het stelsel van sociale zekerheid voor Nederland een historisch moment heeft bereikt. Het is namelijk de eerste keer dat in Nederland als gevolg van een sterke aandrang tot algemene bezuinigingen de uitkeringen zijn verlaagd. Ik betwijfel of hij op dit historisch gegeven erg trots kan zijn. Werkgevers en werknemers moeten ook betrokken worden bij de financiering van de sociale zekerheid. Natuurlijk worden zij dit indirect ook, wanneer men financiert uit de algemene middelen, de belastingen. Echter, ook een directe premie heeft voordelen. Ik wijs op het voordeel -en dat zal de VVD zeker ook aanspreken -dat door premiebetaling tijdens een premieplichtige arbeidsperiode een relatie wordt gelegd tussen premieheffing en uiteindelijke uitkeringsrechten. Het is ook niet zo slecht als die relatie inderdaad bestaat, zij het dat dit niet de enige reden kan zijn voor een uitkeringsrecht. Een veel belangrijker reden om de premie ook bij de werkgevers te leggen, is, dat daardoor een duidelijker relatie bestaat tussen de kosten van de sociale zekerheid en de kosten die daardoor worden uitgespaard, of omgekeerd. Hoe meer geld men in het bedrijfsleven aan preventie uitgeeft, hoe minder geld de sociale zekerheid zal kosten. Laat ik een voorbeeld geven. Door de huidige financiering van de WAO, die bijna volstrekt betaald wordt door de werknemers, is het feitelijk zo, dat de werknemers zelf de risico's van gevaarlijke arbeidsomstandigheden, van bedrijfsongevallen en van beroepsziektes volledig zelf betalen. Daardoor is de plicht tot preventie, die ook vanuit een kleine financiële prikkel zou ontstaan wanneer zij een groter eigen risico op dit terrein zouden dragen, voor de bedrijven feitelijk niet meer aanwezig. Hoewel ik er niet volstrekt van overtuigd ben, dat een financiële prikkel altijd de meest juiste prikkel is om een bepaalde gedragsverandering te bewerkstelligen, kan ik mij toch voorstellen dat, als de werkgevers een groter aandeel leveren in de financiering van de sociale zekerheid, er een minder groot risico bestaat dat zij de werknemers na gebruik als baaltjes meel aan de kant van de weg zetten. Dat is in feite gebeurd bij de WAO. De risico's van de arbeidsomstandigheden en de gevolgen van een slechtere arbeidsmarkt zijn volstrekt afgewenteld op de werknemers. Zij verloren eerst hun recht op arbeid, zij verloren hun gezondheid vanwege die arbeid en zij konden vervolgens ook nog zelf betalen om zichzelf van een inkomenspositie te voorzien. Nu de huidige situatie. Eén van de belangrijke argumenten voor de bezuinigingen die thans worden voorgesteld, is naar mijn mening dat het financieringstekort moet dalen. De verschuiving van de kosten van de WWV naar de premiefinanciering is in feite geen verandering van de totale kosten zonder meer, maar betekent wel dat het Rijk, de schatkist van minister Ruding, minder behoeft te betalen. De mensen, met name de mensen met de lage inkomens en de middeninkomens, moeten via de premieopbrengst precies hetzelfde betalen. In een discussie over die verschuiving van algemene middelen naar premiefinanciering heb ik de staatssecretaris al eens gevraagd, waarom de regering niet uitgaat van het tekort van de gehele collectieve sector, als dit zo belangrijk is. Dan immers zouden dit soort verschuivingen, die alleen maar een denivellerend effect hebben op de inkomens, niet noodzakelijk zijn. Ik zou nog iets meer zeggen over de collectieve lastendruk. Ik heb dat aan de heer Weijers beloofd. De collectieve lastendruk -en ik denk dat wij elkaar voor een groot deel voortdurend napraten -is volgens de heer Weijers van groot belang voor onze economische ontwikkeling. Ik geef hem een aantal argumenten aan de hand waarvan hij zijn eigen gedachten kan toetsen om wellicht tot een andere opvatting te komen. Is het nu werkelijk zo dat de collectieve lastendruk, macro-econo misch gesproken, voor de economische situatie van Nederland van een zo groot belang is? Als wij kijken naar de nota Sociale zekerheid, zien wij, dat onze collectieve lastendruk 3% daalt, wanneer wij de inkomens netto in plaats van bruto uitkeren. Wij berekenen de bruto-uitkeringen, maar een deel daarvan gaat via belastingen en premies weer terug. Er zijn meer voorbeelden die aantonen, dat een verschuiving van collectieve naar private lastendruk eigenlijk weinig uitmaakt, omdat de burgers hetzelfde moeten betalen. In de deelstaat Beieren is bij voorbeeld de brandverzekering door de regering van de deelstaat verplicht. Daardoor is de brandverzekering in de deelstaat Beieren onderdeel van de collectieve lastendruk. In Nederland is dit niet het geval. De meeste mensen in Nederland betalen echter een brandverzekering. Ook de mensen in Beieren doen dat. Als ik kijk naar het beleid van deze regering met betrekking tot de ziektekosten, in het kader van de sociale zekerheid, dan is er een duidelijk voorbeeld van een verschuiving van collectieve naar private lasten. Neem bij voorbeeld de ziektekostenverzekering. Het is geen bezuiniging, de mensen betalen evenveel, in ongunstige situaties zelfs meer, maar het gaat af van de collectieve lastendruk en het gaat over naar de private sector. De plannen van het CNV voor de sociale zekerheid kunnen eigenlijk als een dergelijke verschuiving worden gekenmerkt. Het CNV zegt immers: geef ons de sociale zekerheid, wij stellen de premies vast, dan houd je die premies buiten het koopkrachtplaatje. De mensen betalen dan evenveel premie, maar dan heet het geen collectieve lastendruk. Bij de pensioenen doen wij hetzelfde. Als een hoge collectieve lastendruk een gevaar zou zijn voor de economie, in welke sectoren is dat dan het geval en waarom? Er zijn theoretisch twee belangrijke bezwaren te noemen. Het eerste bezwaar is het gevaar van de afwenteling: een hoge collectieve lastendruk zal bij voorbeeld werknemers ertoe brengen van hun werkgever een hoger loon te vragen. Die situatie is niet volstrekt ireëel, maar bij een arbeidsmarkt als de huidige wel zeer onwaarschijnlijk. Het tweede, veel grotere bezwaar is het gevaar dat mensen te weinig gaan sparen als ze veel belasting en premie moeten betalen. Sparen is in een economisch systeem belangrijk, want spaargeld kan worden geïnvesteerd.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

In Nederland leidt de collectieve lastendruk op geen enkele wijze tot een te lage spaarquote. Integendeel, wij hebben een besparingsoverschot en wie met bedrijven spreekt, zal merken dat hun probleem bij investeren niet is dat ze er geen geld voor hebben, maar dat ze het niet doen omdat er geen afzet voor is. Wat dat betreft is wel een praktisch probleem, macro-economisch gezien, niet voor de collectieve lastendruk, maar voor de individuele lastendruk. Zoals ik al zei, is het beleid van deze regering erop gericht om juist die individuele lastendruk sterk te laten rusten op mensen met een laag tot midden inkomen. Dit komt door het systeem van premieheffing, dat lineair is, terwijl het systeem van belastingheffing progressief is. Ook de Partij van de Arbeid is een voorstander van daling van de individuele druk, bij voorbeeld door de kosten van de sociale zekerheid te laten betalen door arbeidsdeelname van velen als gevolg van korter werken. Op die wijze zouden wij een heel eind kunnen komen. Een andere opmerking van de heer Weijers was: mensen zijn goedkoper als ze in de marktsector gaan werken en ze zijn duur als ze in de collectieve sector verzeild raken. Nu weet ik dat niets zo moeilijk is als een discussie over wat nu eigenlijk de marktsector is. Simpel gezegd is waarschijnlijk de meest wezenlijke, de enige echte vorm van marktsector daar waar je in de landbouw iets produceert dat je verkoopt naar het buitenland. Wil de heer Weijers mij nu werkelijk proberen wijs te maken, of wil hij zichzelf proberen wijs te maken, dat mensen die werken in de wegenbouw verdienen en mensen in de gezondheidszorg niet? De wegenbouw wordt voor 90% tot 100% gefinancierd uit de collectieve sector, maar wij noemen het marktsector. Ik denk bovendien dat het hoe dan ook voor een economisch systeem altijd gunstiger is als mensen werken, ook als het in de quartaire sector is, dan dat zij een verplichte arbeidstijdverkorting tot nul uur krijgen met een uitkering. Ik vind het opvallend dat wij elkaar bij zo'n economische discussie allemaal napraten en elkaar allemaal geloven. Over dat napraten nog even dit: vier jaar geleden heb ik met de heer Weijers een discussie gehad -hij heeft het ook nooit meer herhaald -over opmerkingen als: 'Er zitten zoveel uitkeringsgerechtigden op de kar en anderen moeten haar trekken.' De heer Nijhuis herhaalde nu de opmerking van de heer Weijers van 1982. Ik wijs de heer Nijhuis er nog maar even op dat de mensen die op die kar zitten, daar zitten omdat dit beleid ze heeft verplicht erop te gaan zitten. De mensen die de kar trekken, zouden dolgraag willen dat die andere mensen meehelpen trekken. Maar wij stellen ze door het werkgelegenheidsbeleid niet in staat van die kar af te komen.

De heer Nijhuis (VVD): Dan heeft u mijn verhaal niet goed begrepen, mevrouw Ter Veld.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): U hebt nog een tweede termijn en aan de invoeringswet komen wij ook nog toe, dus u krijgt nog tijd genoeg om het uit te leggen. Mijnheer de Voorzitter! Na deze opmerkingen, die er vooral op gericht zijn om het idee, dat de economie van Nederland bedreigd zou worden door de collectieve lastendruk, in een wat ander daglicht te stellen, ga ik terug naar mijn constatering, dat de fixatie van de heer De Graaf en zijn collega's op het financieringstekort er in ieder geval toe leidt dat de lasten van de sociale zekerheid worden verschoven naar de fondsen. Het blijkt zelfs dat wij, doordat de stelselherziening nog niet is afgerond, in feite twee keer betalen voor één uitkering. De WWV wordt op dit moment gefinancierd uit de algemene middelen, maar met de WWV-premie betalen wij al belasting alsof de stelselherziening is doorgegaan. Er is dus een groot overschot in de fondsen. En wat doet nu de staatssecretaris? Gebruikt hij dit overschot in de fondsen op de goede manier? Kennelijk is de Nederlandse samenleving bereid de lasten voor de sociale zekerheid te dragen, althans als men hierbij van een 'iast' wil spreken. Ik heb namelijk nog nooit van een actiegroep gehoord die tegen het aragen van deze last is. Gebruikt de staatssecretaris het overschot in de fondsen nu voor verbetering van de sociale zekerheid? Merkwaardigerwijs doet hij dat niet. De stelselherziening kon niet doorgaan op het moment waarop de staatssecretaris dat wilde. Juist daarom gaat hij een premieverlaging voorstellen voor het eind van dit jaar. Tegelijkertijd komt hij met een bezuiniging op de uitkeringen van 1,2 miljard. De discussie daarover zal gevoerd worden in het kader van de desbetreffende brief. De grote fracties hebben voor dat debat een half uur spreektijd gekregen. Het is dus goed dat ik nu hierover iets zeg. Nogmaals, met het oog op de sociale zekerheid zou men uitroepen: wie het nu begrijpt, mag het zeggen! Misschien wil deze staatssecretaris werkelijk geloofwaardig overkomen en er daarbij blijk van geven dat hij bezorgd is over het behoud van het stelsel. Misschien maakt hij zich ook zorgen over de inkomens van de mensen die het aangaat. Ik begrijp dan echter niet hoe hij kan veronderstellen serieus genomen te worden met steen en been te klagen en te roepen 'Als ik het geld maar had! ', terwijl hij tegelijkertijd burgers geld teruggeeft en bezuinigt op de uitkeringen. Als premieverlaging mogelijk is zou dit gebruikt moeten worden voor volumebeleid en verlaging van het aantal mensen dat een beroep moet doen op uitkeringsregelingen. Dat zou noodzakelijk zijn. Wij hebben dit ook bij de algemene beschouwingen gezegd ten aanzien van de vorige premieverlaging ten laste van de uitkeringsgerechtigden. Als premieverlaging noodzakelijk is, zou deze op zijn minst gekoppeld moeten worden aan een beleid dat is gericht op arbeidstijdverkorting.

Staatssecretaris De Graaf: Ik herinner mij dat mevrouw Ter Veld enkele minuten geleden sprak over de collectieve lasten voor fondsen en de rijksbegroting. Naar mijn gevoel zijn de opmerkingen die zij nu maakt in strijd met haar eerdere opmerkingen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Wilt u dat uitleggen? Misschien kunt u dat beter nu doen. Straks hebben anderen bij de bespreking van genoemde brief een kans.

Staatssecretaris De Graaf: Ik heb hierbij verder niets uit te leggen. Ik heb alleen een opmerking gemaakt.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): U wilt er dus verder geen discussie over. U laat deze zaak verder over aan de heren Ruding en Wöltgens.

Staatssecretaris De Graaf: Mijn termijn komt nog. Ik wilde nu alleen een interruptie maken, omdat naar mijn gevoel uw redenering niet consistent is.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik kom hierop graag in mijn tweede termijn terug. U hebt dan in uw eerste termijn de kans gehad op dit punt Sociale zekerheid (stelselherziening)

nader in te gaan. Ik wil mij nu wel vrij direct tot u richten. Ik wil tot een samenvatting komen van mijn kritiek op de stelselherziening. Het stelsel van de sociale zekerheid veranderen is een zeer groot project. Deze staatssecretaris heeft er zijn ambtstermijn, evenals zijn vorige, aan besteed. Het is dan ook teleurstellend en voor uitkeringsgerechtigden afgrijselijk te moeten constateren dat deze voorstellen geen herziening van het stelsel behelzen, maar dat zij de wijziging van een aantal wetten beogen. Het gaat daarbij ook nog om een uitermate slechte wijziging. Mensen met een uitkering zullen er in hun inkomen aanzienlijk op achteruitgaan. Als zij ten minste al voor een uitkering in aanmerking komen! Het stelsel draagt niet bij tot -neen, het remt eerder af -het komen van een meer eerlijke verdeling van arbeid en tot creatie van nieuw werk. Het leidt tot een rigide arbeidsmarkt. De doelstellingen met betrekking tot de betaalbaarheid van het stelsel worden in het licht van de recente brief van het kabinet volstrekt ongeloofwaardig: 1,2 miljard meer bezuinigingen op de sociale zekerheid en premieverlichting. De sociale onzekerheid wordt vergroot en de inkomenszekerheid van de mensen verkleind. En dan zegt het CDA: 'Er moet rust komen op het uitkeringsfront'. Is die 1,2 miljard de laatste bezuiniging die het CDA accepteert? Het CDA heeft gezegd dat nu de koopkracht van de echte minima en de gewone minima echt zal worden beschermd. Hoe moeten wij die opmerkingen zien in het licht van eerdere toezeggingen over de bescherming van de koopkracht van minima? Zijn overigens alleen de inkomens van de minima beschermenswaardig. Moeten mensen met een uitkering eerst tot dat niveau zakken? Mijnheer de Voorzitter! Dit stelsel van sociale zekerheid ontneemt mensen hun recht op arbeid. Dat recht wordt afgekocht. Het is ook nog een verrot klein schijntje wat zij ervoor terug krijgen. Voorzitter! De Partij van de Arbeid kijkt anders aan tegen een stelselherziening. Ook voor ons is stelselherziening een proces. Het stelsel zal blijvend kunnen en moeten worden gewijzigd, omdat de samenleving nooit stilstaat. Zij blijft veranderen. Het is echter fout om bij een herziening van een stelsel uit te gaan van massawerkloosheid.

Het is onverstandig om uit te gaan van een slechte economische situatie en daarop alles aan te passen, omdat je dan het risico loopt dat de slechte economische situatie wordt bestendigd in plaats van verbeterd. Bij een goed beleid, zoals voorgestaan in het PvdA-verkiezingsprogramma, is het mogelijk een beter stelsel op te bouwen dan hier wordt voorgesteld. Ik geef graag toe dat ook dat stap voor stap moet gebeuren. Dat staat overigens ook in ons verkiezingsprogramma. Het moet hand in hand gaan met een beleid, gericht op investeringen, de creatie van werkgelegenheid en de arbeidstijdverkorting. Om de uitkeringskans, zoals wij deze voorstaan, kort te schetsen bij de wetsvoorstellen -wij gaan het daarna uitwerken -geef ik een overzicht in vogelvlucht. Eerst en vooral is de koppeling voor ons van groot belang. Inkomens van mensen die werken en mensen met een uitkering behoren gelijk op te gaan. Zoals mevouw Kraaijeveld ook zegt in een interview: de kosten van het bestaan horen gerelateerd te zijn aan de hele samenleving. De ontwikkeling van uitkeringen hoort gerelateerd te zijn aan de verbetering van de inkomens, de koopkracht en de welvaart in die samenleving. Wat de werkloosheid betreft, hopen wij een 75%-uitkering te bereiken op korte termijn. Van de ene op de andere dag gaat dat niet. Ook dat zien wij. Wij denken bij voorbeeld aan de mogelijkheid die de FNV voorstelt, namelijk 2 maal een 2,5% verhoging. De uitkeringsduur zal bij ons, op een basisuitkering van een half jaar stijgen met twee maanden per leeftijdsjaar voor degenen met een arbeidsverledeneis van twee uit vijf. Een kleine drempel overschrijden wij ook. Met twee uit vijf weten wij dat wij, in tegenstelling tot de voorstellen van het kabinet, niet ongeveer een derde van de werknemers eruit gooien maar dat wij een zeer groot deel van de werknemers zekerheid kunnen bieden. Dan zou dat leiden tot uitkeringen van bij voorbeeld op 30-jarige leeftijd 2,5 jaar (loongerelateerd), op 45 jaar 5 jaar (loongerelateerd) en vanaf 58 jaar of iets eerder tot 65 jaar. Voor mensen die op 50-jarige leeftijd nog werkloos zijn, zou dan een uitkering op het minimumniveau moeten plaatsvinden, met toeslagen ter bescherming van zowel gehuwden als ongehuwden met kinderen en echtparen op het 100%-niveau. Wij zijn niet voor een gelijkstelling van alle mogelijke relaties in het huwelijk. Wij willen geen afhankelijkheid creëren waar deze thans niet bestaat. Integendeel! Wij willen op termijn ook gehuwden als economisch zelfstandigen benaderen in meer opzichten dan alleen in de werknemersverzekering. Ook in ons model komt een vervolguitkering voor, een zogenaam-de tussenfase zoals wij deze in 1982 hebben bepleit. Verlenging van de uitkeringsduur zal afhankelijk zijn van de verdere sociaal, financieel-economische ontwikkeling. Want -ik citeer nog een keer de heer Van Rijn -duurzame sociale zekerheid is mede afhankelijk van een groot aantal andere factoren die deels binnen het machtsbereik van het Nederlandse volk liggen, deels daarbuiten. Hierbij is in de eerste plaats gedacht aan het algemeen sociaal-economisch regeringsbeleid. Dat leidt mij tot mijn laatste opmerking in deze algemene beschouwingen. Wij, de Partij van de Arbeid, willen niet alleen een ander sociaal zekerheidsstelsel. Wij willen dat ook in een ander sociaal, economisch en financieel beleid, een beleid waarbinnen de sociale zekerheid meer is dan alleen maar een magere inkomensbescherming, maar waarin het ook nadrukkelijk een instrument is in het kader van een actief arbeidsmarktbeleid. Wij zetten nu in op een beter stelsel en mocht dat niet gerealiseerd kunnen worden als gevolg van opvattingen van een kamermeerderheid, dan zal het herstel van de sociale zekerheid onderdeel uitmaken van formatie-onderhandelingen. De keuze is, óf nu verbetering door aanvaarding van onze amendementen, óf straks na 21 mei. Herstel van het stelsel is immers de inzet van de verkiezingen en de inzet van het beleid dat de Partij van de Arbeid in de komende periode gaat voeren. Na deze algemene beschouwingen rust dan nu op mij de taak om één van de zes wetten nader toe te lichten. Dat is de nieuwe werkloosheidswet. Voor de duidelijkheid zal ik even vertellen hoe wij de wetten verder afhandelen. Na mij zal de heer Buurmeijer ingaan op de Algemene Bijstandswet. Daarna zal mevrouw Van Nieuwenhoven de toeslagenwet behandelen. Dan komt mevrouw Dales voor de interimregeling oudere werknemers. Het is logisch dat mevrouw Van Nieuwenhoven daarna de AOW zal bespreken en als afsluiting zal ik wederom het woord Sociale zekerheid (stelselherziening)

mogen voeren over de wet op de arbeidsongeschiktheid en de AAW. Allereerst dus de nieuwe werkloos^ heidswet. Ik zal bij de artikelsgewijze behandeling uitgebreid op de meeste artikelen ingaan, maar wil nu op zijn minst aangeven hoe wij tegen deze wet aankijken en waar wij in technisch opzicht en natuurlijk ook zeker in de zin van uitkeringsduur en hoogte, veranderingen zullen voorstellen. Wij kunnen instemmen met de bedoeling om de WW en de WWV te integreren tot één uitkeringssysteem met één uitvoeringsorganisatie. Wij hebben echter de indruk, dat bij de ontwikkeling van de nieuwe Werkloosheidswet de wet die nu geldt voor het eerste halfjaar van de verzekering model heeft gestaan. Er is alleen dan uitgeweken naar de WWV als dat absoluut niet kon worden vermeden. Ik geef een voorbeeld. De kring van verzekerden van de nieuwe Werkloosheidswet komt precies overeen met de kring van verzekerden van de huidige Werkloosheidswet. De mensen die thans een beroep kunnen doen op de Wet Werkloosheidsvoorziening zonder een beroep te kunnen doen op de Werkloosheidswet blijven erbuiten. Het begrip 'verwijtbare werkloosheid' is door de staatssecretaris op advies van de Sociaal-Economische Raad overgenomen uit de WWV, maar niet met dezelfde bedoeling als de SER daarmee had. De SER adviseerde om bij de nieuwe WW niet het rigide begrip 'niet onvrijwillige werkloosheid' maar het begrip 'verwijtbare werkloosheid' op te nemen, om daarmee een soepeler afstemming van het uitkeringsbeleid op al of niet verwijtbaarheid van de werkloosheid te kunnen toepassen, zoals dat in de WWV het geval is en de gemeenten dit hanteren. De wetsvoorstellen die de integratie bewerkstelligen vonden wij in eerste instantie verontrustend slordig en onzorgvuldig. Dankzij kritiek van deskundigen uit het veld, dankzij overleg met mensen van de uitvoeringsorganisaties en niet in de laatste plaats dankzij onze inzet bij het mondeling overleg, is hier en daar soms vrij veel verbeterd. Toch zitten er nog rare dingen in. Ik noem bij wijze van voorbeeld de samenhang tussen de nieuwe Werkloosheidswet, de Toeslagenwet en de Ziektewet als het gaat om de betaling van het vakantiegeld. Het klinkt onbenullig, maar de wetteksten sluiten op dit punt niet op elkaar aan.

Dergelijke zaken behoren niet voor te komen, omdat er bij de opstelling van wetgeving rekening moet worden gehouden met de andere wetgeving. In de nieuwe Werkloosheidswet gaat men bij het minimumloon uit van het minimumloon inclusief vakantietoeslag. In de Ziektewet wordt de vakantietoeslag afgeleid van het rechtens geldend loon. Daar zit dus een gat tussen. Het is techniek, maar techniek betekent voor mensen met een uitkering soms precies het verschil tussen een laag en een redelijk inkomen. Die techniek, die voor ons soms zo weinig politiek lijkt, kan wel 5% tot 8% in je uitkering schelen en dat is niet niks. Wij zullen de nieuwe Werkloosheidswet niet op alle punten negatief benaderen. Wij achten het positief dat getracht is de positie van deeltijdwerkers te beschermen, zij het dat die poging niet overal geslaagd is. Wij wijzen vooral op de positie van de ongehuwde deeltijdwerkende met een laag inkomen. Bij de Toeslagenwet zullen wij hierop nader ingaan. De kring van verzekerden is in de nieuwe Werkloosheidswet kleiner dan de kring van verzekerden in de Wet werkloosheidsvoorziening. Door middel van de invoering van een vrijwillige verzekering wordt gepoogd een oplossing te bieden voor diegenen die niet kunnen vallen onder de nieuwe Werkloosheidswet. Desalniettemin blijven er mensen buiten de kring van verzekerden. Ik wijs op de offshorewerkers en zeelieden die dan weer onder de Nederlandse en dan weer onder een vreemde vlag varen. Het lijkt mij goed als bij algemene maatregel van bestuur de mogelijkheid wordt gecreëerd om deze mensen onder de kring van verzekerden van de nieuwe Werkloosheidswet te brengen. Een tweede groep is al zolang de sociale zekerheid in discussie als onderwerp van gesprek in dit Huis: het huishoudelijk personeel dat minder dan drie dagen werkt in een particuliere huishouding. Het is een eindeloze discussie. Het huispersoneel heeft in de Nederlandse wetgeving altijd al een bijzondere plaats ingenomen, niet alleen in de sociale zekerheid, maar ook in het buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen. Ik wijs erop dat het BBA op dit punt strijdig is met de Europese richtlijn. Waarom is deze groep nu weer uitgesloten? In 1905 werd door Kuyper in het kader van de Ziektewet als argument aangevoerd: 'omdat hare opneming in de verzekering, hoewel op zichzelve gewenst, te zeer in het huisgezin zou ingrijpen'. Bij de behandeling van het wetsontwerp-Talma sprak Patijn, de vader van mijn collega die nu commissaris van de Koningin in Zuid-Holland is

De Voorzitter: Dat moet zijn grootvader of oudoom geweest zijn.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Dat moet wel, want dit speelde in 1912. Patijn vroeg toen waarom grote categorieën werknemers, waaronder de dienstbodes, buiten deze wet bleven. Daarop antwoordde Talma: 'Maar de dienstbode is huisgenote.' Een verzekering voor huispersoneel bestond wel particulier. Al vanaf 1905 zien wij particuliere verzekeraars wetgevers verzekeringsaanboden doen om de werkgevers te beschermen tegen de uit de aansprakelijkheid voortvloeiende risico's van het in dienst hebben van huispersoneel, zoals bij voorbeeld in 1638y, eerste lid en 1638c van het Burgerlijk Wetboek staat. De sociale verzekering bleef echter achter. De Nederlandse vereniging van huisvrouwen zei dan ook in 1 928 dat het meebetalen van de werkgeverspremie en de administratieve moeilijkheden daarvan een te zware druk legden op de schouders van huisvrouwen. Sinds 1960 is huishoudelijk personeel wel verplicht verzekerd, als het op meer dan drie dagen in dezelfde huishouding werkt, maar niet wanneer het dat op minder dagen doet. Ik vind dit en met mij mijn fractie met name bezwaarlijk waar het gaat om situaties waarin feitelijk gebruik gemaakt wordt van deze uitzondering. Dit komt bij voorbeeld voor bij de Alfahulpen. Zij zijn wel in dienst van particuliere huishoudingen, maar werken nooit op meer dan drie ochtenden. Zij worden bemiddeld via een instelling voor gezinsverzorging, maar zijn niet verzekerd. Wij begrijpen niet waarom je wel sociaal verzekerd bent, als je één dag bij een groot winkelbedrijf werkt, maar niet als het gaat om huishoudelijke arbeid. Ook huishoudelijke arbeid is arbeid. Het heeft risico's. Ik kan er wel inkomen dat de administratieve rompslomp een bezwaar is. Die administratieve kant kan echter overgedragen worden aan de bemiddelende instelling. Ik zal hiertoe dan ook een amendement indienen. Ik kom vervolgens in de kring van verzekerden bij de ambtenaren. Wij Sociale zekerheid (stelselherziening)

zijn er niet tegen dat ambtenaren onder de kring van verzekerden worden gebracht. Vanzelfsprekend geldt hierbij de voorwaarde dat er een normale arbeidsverhouding moet zijn, waarin een normaal en open overleg mogelijk is, dat er eenzelfde vrijheid van onderhandeling bestaat, zoals wij die in het vrije bedrijfsleven kennen, dat er normale bovenwettelijke afspraken gemaakt kunnen worden en dat deze gerespecteerd worden. Wij hebben dan ook overwogen dat het in principe opnemen onder deze wet, zoals thans is voorgesteld, mogelijk is, maar dat de algemene maatregel van bestuur, waarmee dit in feite geregeld zal worden, niet zonder meer aan de regering kan worden overgedragen. De regering is namelijk niet alleen medewetgever, maar in dit geval ook nog werkgever. Wij hebben daarbij als Kamer niet alleen een medewetgevende taak, maar ook een controlerende functie. Wij moeten controleren of het overleg open en eerlijk is geweest en of de arbeidsverhoudingen ook verder gelijkwaardig zijn. Om die reden hebben wij een amendement ingediend. Een dergelijke algemene maatregel van bestuur moet, indien een vijfde deel van de Kamer dit wenst, als wet behandeld kunnen worden. Dan kunnen wij een dergelijke algemene maatregel van bestuur, als deze als wet wordt behandeld, ook gewoon amenderen. Het is zeer wel mogelijk dat de PvdA-fractie daar gebruik van gaat maken. Wij weten echter niet wat er in de algemene maatregel van bestuur zal staan. De mogelijkheid van deze zware procedure behoort dus in de wet te liggen. Ik kom op de positie van zelfstandigen. Het is terecht dat zij nog niet onder een loondervingsverzekering vallen. Even terecht is het om de mogelijkheid te overwegen dat zelfstandigen wel onder een minimum bescherming uit de algemene middelen zouden komen te vallen. Dat hoort thuis bij de discussie over de regeling voor oudere werknemers en zelfstandigen. In de nieuwe werkloosheidswet is er even terecht wel rekening gehouden met de situatie dat een werknemer in zijn werkloosheid overweegt te gaan starten als zelfstandige ondernemer en daaraan ook begint. Wanneer dit mislukt, kan zijn werknemersstatus herleven.

In het artikel wordt echter verwezen naar een uitkering op grond van de bijstandswet, die de zelfstandige zou moeten krijgen. Ik heb daar een vraag bij. Betekent dit dat, wanneer iemand onder deze regeling valt, maar geen uitkering krijgt in de zogenaamde RZ-regeling bij voorbeeld omdat een partner een inkomen heeft of omdat er een te hoog vermogen in de vorm van een eigen huis is, voor die persoon de werknemersstatus dan ook niet kan herleven? Is die termijn van drie maanden waarbinnen de status van een werknemer die getracht heeft als zelfstandige te beginnen, niet te kort? Verhoudt zich dat tot de hele discussie, ook vanuit het midden-en kleinbedrijf, over de mogelijkheden van herleving van de uitkeringssituatie voor startende zelfstandigen? Wij sluiten ons vanzelfsprekend aan bij de opmerking van het CDA over de produktiecoöperaties. Het betreft een eindeloze discussie. Het SER-advies en het SVR-advies liggen er al tijden. Het had inderdaad mogelijk moeten zijn dat het ambtelijk advies hier al had gelegen. Zouden wij ter zake niet een amendement kunnen maken, mijnheer Weijers?

De heer Weijers (CDA): Dat zou alleen interessant zijn als u ook met mij zou willen verklaren dat een dergelijk wetsontwerp eventueel behandeld kan worden tijdens een kabinetsformatie.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik kan dat moeilijk overzien. Ik wil daarop in tweede termijn best een antwoord geven. Ik heb zelf het gevoel dat het onverstandig is met een demissionair kabinet te onderhandelen. Je kunt het namelijk dan niet naar huis sturen.

De heer Weijers (CDA): Je bent niet verplicht een wetsontwerp als het je niet zint, aan te nemen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Het lijkt mij in ieder geval zeer verstandig als deze staatssecretaris, voordat wij nem demissionair maken, tracht de stukken hier te krijgen, zodat wij daarvan kennis kunnen nemen en eventueel hoorzittingen daarover kunnen houden. Het lijkt mij dat deze langdurige wens van de Kamer ons als Kamer niet zal moeten weerhouden -wij zijn immers na de verkiezingen weer zeer snel in functie -om als medewetgever de procedure te starten. Dacht u dat de onderhande lingen zolang zullen duren dat wij dit wetsvoorstel niet dit kalenderjaar kunnen afronden?

De heer Weijers (CDA): Wat er aan gedachten en wensen op dat punt leeft, is natuurlijk buitengewoon interessant, maar is op dit moment niet aan de orde.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik vind het al heel verheugend dat u mij een dergelijke vraag stelt. Het geeft in ieder geval enige indicatie van wat u zich van de komende onderhandelingen omtrent de kabinetsformatie voorstelt.

De heer Weijers (CDA): Ik zal proberen aan elke fractie die vraag te stellen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): De VVD is al geweest bij de behandeling. Mijnheer de Voorzitter! Ik sprak over de kring van verzekerden. Er is een onderzoek toegezegd over de positie van thuiswerkenden. Het lijkt mij dat de positie van thuiswerkenden -zij kunnen bij de sociale verzekering worden ondergebracht als zij meer dan 40% van het wettelijk minimumloon verdienen -helder moet worden geregeld. Heel vaak blijkt weer dat ze om redenen van fiscale aard net niet onder de regeling vallen. Vroeger waren er veel thuiswerkers. Ik denk aan de vlaggenstiksters, schoenmaaksters etc. De nieuwe thuiswerksituatie, die kan ontstaan door de automatisering, vereist dat wij op korte termijn duidelijkheid creëren over hun socialezekerheidspositie. De ervaringen met het steunpunt dat door de vrouwenbond FNV is opgezet, duiden er al op dat in het merkwaardige grijs/zwart circuit tegen wil en dank veel vrouwen onverzekerd een arbeidsinkomen verwerven. Er is al vaker gesproken over de positie van de directeur/eigenaar van de besloten vennootschap. De vragen daarover zijn reeds gesteld. Ik maak nog een opmerking -ik krijg daarop graag een reactie van de staatssecretaris -over het artikel in de nieuwe werkloosheidswet, waar het gaat over de overname van de bedrijfsvereniging van de loondoorbetalingsverplichting bij onmacht van betaling of surséance van betaling. In dat artikel is de bedrijfsvereniging gehouden het rechtens geldend loon door te betalen. Komt daar fraude voor wanneer het gaat om directeuren/eigenaren van een besloten vennootschap? Is daarin enig inzicht? Welke omvang heeft die fraude dan? Welke plannen zijn er om juist die vormen van oneigenlijk gebruik en misbruik te voorkomen? Ik stel Sociale zekerheid (stelselherziening)

overigens niet meteen voor, de bewijslast om te keren; ik krijg in ieder geval graag een reactie. Het lijkt mij dat de kring van verzekerden moet worden uitgebreid en dat die op het punt van de directeuren/eigenaren wellicht moet worden ingeperkt.

De heer Weijers (CDA): Als men gebruik maakt van een uitkering, is er conform de huidige constructie toch geen sprake van fraude? Je zou hoogstens kunnen spreken van oneigenlijk gebruik.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Het probleem is dat het hierbij niet gaat om een uitkering. Bij een onvermogen tot betaling of een surséance van betaling is de bedrijfsvereniging gehouden de werknemer in afwachting van ontslag het rechtens geldend loon te betalen. Het is dus nog geen uitkering. Er geldt ook geen maximumdagloonbepaling. Een directeur/enig eigenaar van een BV kan als premieplichtige loon betalen over het maximumdagloon, maar kan bij wijze van spreken per maand een inkomen claimen dat hij zichzelf rechtens geldend heeft toebedeeld, inclusief onkosten, van f 10.000. Juist bij onmacht tot betaling is er ook nog geen sprake van een curator. Ik wil dus weten of er in die gevallen sprake is van dat soort gebruik. Ik zou dat dan als misbruik willen betitelen.

De heer Weijers (PvdA): Dat ik dat het gaat om bedragen die boven de normale wettelijke uitkering liggen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Dat klopt. In het artikel waarin het gaat over overname van de betalingsverplichting in dergelijke gevallen staat dat dat geen uitkering is, maar het doorbetalen van loon. Voor werknemers is dit heel logisch. Maar als een werknemer tegelijk zin eigen werkgever is, dan opent dat naar mijn misschien slechte inborst, vele mogelijkheden tot oneigenlijk gebruik, misbruik en fraude. Ik hoor graag van de staatssecretaris of hij bij voorbeeld bij bedrijfsverenigingen hier navraag naar heeft gedaan en of hij enig inzicht in deze situatie heeft. Vervolgens ga ik in op het verzekerd risico. Bij een verzekering hoort een verzekerd risico. Hier is het verzekerd risico werkloos zijn en dit wordt afgemeten aan een urenverlies en tegelijkertijd aan het beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Ik vond dit begrip 'beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt' enigszins subjectief, maar die discussie hebben wij uitgebreid in de schriftelijke behandeling gevoerd. Ik ga nu vooral in op het urenverlies. Hoewel het voordelen heeft voor mensen die in deeltijd werken, lijkt het mij dat er bij hervatting van arbeid na een periode van werkloosheid heel merkwaardige situaties kunnen ontstaan. Als men uitgaat van een urenverlies, wat wordt daarbij dan als een volledige werkweek beschouwd? In de voorbeelden in de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt merkwaardigerwijze uitgegaan van een volledige werkweek van 38 uur. Het heeft wel mijn instemming dat de volledige werkweek minder uren telt, maar dit kan aanleiding geven tot onduidelijkheid bij de verrekening. Ik zie ook problemen ontstaan, wanneer een werknemer na een periode van werkloosheid de arbeid weer gedeeltelijk hervat met een onregelmatig arbeidspatroon, ledere keer opnieuw moeten er uren worden verrekend, terwijl in de huidige systematiek het inkomen wordt verrekend met de uitkering. Een belangrijke vraag die ik mede naar aanleiding van het betoog van de heer Linschoten wil stellen is, of het inkomen uit hoofde waarvan de werknemer niet als werknemer wordt beschouwd niet wordt verrekend wanneer het zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet zou belemmeren. Als dit de bedoeling is, dan is het mij niet duidelijk waarom pensioenen wel worden verrekend. Een pensioen kan namelijk op generlei wijze de beschikbaarheid van de werknemer voor het aanvaarden van werk belemmeren. Hoe worden de inkomsten die iemand als zelfstandige geniet verrekend? Wordt het omgezet in uren of wordt het als bedrag verrekend? Ik kom in dit verband weer terug op het voorbeeld van de gemeenteraadsleden. Wordt de vergoeding van f8.000 voor een gemeenteraadslid van een kleine gemeente omgerekend in uren of valt dit onder avondwerk en blijft dit vrij wanneer de betrokkene na aanvang van de werkloosheid tot een dergelijke functie is verkozen? Ik wijs er nog op dat er zich bij de verrekening een merkwaardige discrepantie voordoet tussen de verwerking van de kleine neveninkonv sten op grond van artikel 35 van de nieuwe werkloosheidswet en de verwerking op grond van de toeslagenwet. In de nWW wordt dit voor een deel vrijgelaten. Wordt het dan weer op de toeslag gekort? Was het dan veel logischer geweest om dit in de toeslagenwet vrij te laten? Dergelijke kruisverbanden tussen de wetten zijn naar mijn indruk te weinig goed doordacht. Het komt mij voor dat een verrekening van inkomsten die men heeft terwijl men nog gedeeltelijk werkloos is op basis van 70% vele malen eenvoudiger is. Ik hoor hier graag de reactie van de staatssecretaris op. Ik wil ook graag weten wat precies de adviezen ter zake van de uitvoeringsorganisatie zijn geweest. Ik kom nu op een ingewikkeld probleem in verband waarmee ik regelmatig ben aangehaald als zijnde een soort terriër op het spoor van de eerste werkloosheidsdag. Inderdaad, de eerste werkloosheidsdag is in de gekozen systematiek -er nog van afgezien dat ik het met die systematiek niet eens ben -van groot belang. Immers, als je eerste werkloosheidsdag na je vijftigste jaar valt, kom je in de systematiek van het kabinet in aanmerking voor een regeling conform de IOW. Ben je echter 49 jaar en 9 maanden op je eerste werkloosheidsdag dan kom je daar niet voor in aanmerking. De heer Linschoten constateerde in zijn betoog dat het criterium van de eerste werkloosheidsdag helder was. Maar toch zit daar iets vreemds aan. Ik noem hier enkele voorbeelden van. Een werknemer die gewoon in dienst van een werkgever is, wordt geschorst. Wij lezen wel eens in de krant dat zelfs bij bonafide en ons zeer dierbare organisaties het voorkomt dat een werknemer voor een week wordt geschorst. Zou in een dergelijk geval de betrokkene op de eerste dag van de schorsing, bij voorbeeld de maandag voor Pasen -ik noem maar een willekeurige datum -naar de bedrijfsvereniging moeten om een uitkering aan te vragen en zich bij het Gewestelijk arbeidsbureau moeten melden als werkzoekende, terwijl na die week schorsing het dienstverband doorloopt? Is de bedrijfsvereniging nu gehouden, wanneer de betrokken werknemer of werkneemster over bij voorbeeld 4 maanden wordt ontslagen de eerste dag van de schorsing, dus de maandag voor Pasen, als eerste werkloosheidsdag aan te merken? Dat lijkt mij een vreemde situatie.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Nu een andere situatie. Iemand werkt met een arbeidspartroon en heeft aansluitend tot nu toe bij elkaar, laten wij zeggen 2 jaar en 8 maanden, gewerkt. Hij heeft ontslag -wij hebben het er niet over op welke grond -en kan twee weken later -dit is bij voorbaat bekend -bij de volgende baas beginnen. Nu hoort zo iemand natuurlijk naar de bedrijfsvereniging te gaan om een uitkering aan te vragen en zich te melden bij het gewestelijk arbeidsbureau. Maar ja, betrokkene denkt: het zijn maar twee weken, over twee weken heb ik een nieuwe baan, bekijk het maar. Ik ga twee weken gewoon bij mijn moeder op bezoek of op het stand zitten. Hij begint twee weken later in de nieuwe baan en wordt vijf maanden later weer werkloos in de nieuwe baan. Hij gaat naar de bedrijfsvereniging -er was niet weer meteen een nieuwe baan in aantocht -en zegt: ik kom een werkloosheidsuitkering aanvragen. Ik heb recht op een uitkering van 6 maanden. Ik voldoe aan de arbeidsverledeneis. Ik heb immers 2 jaar en 8 maanden plus 5 maanden = 2 jaar en 13 maanden = 3 jaar gewerkt. Nee, zegt de bedrijfsvereniging, dat is niet waar. Uw eerste werkloosheidsdag lag namelijk 5 maanden geleden, toen u ontslagen was uit uw vorige baan en die 2 weken dat u op het strand hebt gezeten. Ja, zegt de man, maar ik heb helemaal geen uitkering aangevraagd. Ja, mijnheer, dat spijt mij vreselijk, maar de uitkering komt u toe van rechtswege. Ik kan dat mensen niet uitleggen, want de mensen begrijpen dat niet. Zij zeggen: ik heb geen uitkering aangevraagd. Ik ben nooit bij de bedrijfsvereniging geweest. Waarom doet u dat? Wat is nu ongeveer het antwoord van De Graaf? Ja, maar als ik dat niet zou doen, dan maak ik ruimte voor oneigenlijk gebruik. Stel nu, dat iemand in de situatie die ik net noemde, niet alleen maar voldeed aan een driejarig arbeidsverleden, maar net ook nog vijftig zou zijn geworden. Dan was zijn eerste werkloosheidsdag door die laatste 5 maanden werken verschoven. Dan krijgt hij zomaar een veel langere uitkering. Ik vind dat niet logisch. Die problemen met de eerste werkloosheidsdag zijn ontzettend ingewikkeld. De ambtenaren van Sociale Zaken hebben met medewerkers van het GAK op mijn verzoek zeer hard aan gewerkt. Ik heb een amendement op dit punt ingediend. Ik hoor daarop graag de reactie van de staatssecretaris. Het lijkt mij dat dit amendement een uitdrukkelijke verbetering van de wet is, al was het maar om de wet in het rechtsgevoel van mensen tot haar recht te laten komen. Dat is bij deze wet al moeilijk genoeg.

De heer Weijers (CDA): Het voorbeeld is natuurlijk erg smakelijk. Maar zit er in uw gegeven een tijdslimiet?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Wanneer iemand bij hervatting van het werk opnieuw na zes maanden weer werkloos wordt, is de bedrijfsvereniging niet gehouden te bekijken of er een eerste werkloosheidsdag zit voor die laatste zes maanden. Dit probleem doet zich alleen voor, wanneer iemand in zijn tweede baan binnen zes maanden weer wordt ontslagen. Met de drie-uitvijfeis is er in ieder geval een definitie om de arbeidsverledeneis te halen.

Staatssecretaris De Graaf: Hebt u het door uw niet ontkende misbruik ondervangen op die manier? Ik denk van niet.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): U vreest nog meer voor misbruik dan ik. Toch kom ik op een spoor, waaraan u nog niet had gedacht. Ik meen, dat hier niet zo vreselijk veel mogelijkheden voor misbruik inzitten. Bij de artikelsgewijze behandeling wil ik nader op mijn amendement ingaan. Mijn amendement is vanuit de door u gekozen systematiek en vanuit de huidige systematiek van de WW en de WW veel duidelijker. U hebt gekozen voor de nieuwe systematiek: toekenning van rechtswege. De WW kende de systematiek: ingang bij de aanvrage. Ik heb geprobeerd een goede tussenvorm te vinden.

De heer Linschoten (VVD): In mijn wijze van zien kan de situatie zich nooit voordoen, waarin iemand na van baan verwisseld te hebben, twee weken lang niet werkzaam is -en derhalve geen sprake is van een arbeidsovereenkomst -en vervolgens binnen een halfjaar in de door mevrouw Ter Veld geschetste situatie terecht komt. Dat behoeft niet per definitie te betekenen dat het verlies van arbeidsuren in de vorige dienstbetrekking bepalend wordt voor de eerste werkloosheidsdag.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik vind het wel leuk, dat dit uw visie is. Helaas is het niet de tekst van de wet. Mijn amendement zal er waarschijnlijk toe leiden, dat uw visie en de tekst van de wet weer met elkaar in overeenstemming worden gebracht.

De heer Linschoten (VVD): Ik begin ongeveer te begrijpen waar u het probleem ziet. Ik vraag mij af of, gegeven de uitleg in de stukken, dit probleem zich in de praktijk zal voordoen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Het probleem zal zich in de praktijk voordoen. De wet, waarover wij nu nog niet spreken, vergroot het probleem nog, maar daar komen wij later wel op terug.

De heer Linschoten (VVD): Als het probleem zoals u het weergeeft, bestaat is het misschien verstandig er in tweede termijn nog eens goed naar te kijken. Wat dit betreft, ben ik erg benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris. Ik dacht dat het probleem ondervangen was, maar wij merken dit wel in de tweede termijn.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Bovendien kunnen wij er in de artikelsgewijze behandeling uitvoerig op ingaan. Ik licht in grote lijnen de wijzigingsvoorstellen toe die ik heb ingediend. Ik denk dat wij dit soort juridisch politiek misschien wat minder interessante maar voor mensen uiterst belangrijke onderdelen bij de artikelsgewijze behandeling moeten toelichten. Ik kom tot het punten: Ziektewet, uitkering en werkloos zijn. Ook door de fracties van de VVD en het CDA is erop gewezen dat er een zekere verbetering zit in de systematiek. Tot nu toe is er alleen in het kader van de Ziektewet en de Werkloosheidswet sprake van verzekering. In het kader van de WW is men wel verzekerd, maar is er sprake van een anticumulatie. Dat kan in de bestaande situatie betekenen -reden voor een kleine stelselwijziging had dit zeker moeten zijn geweest -dat iemand in de WWV-periode ziek wordt en dan via de sociale dienst -bijstand -zijn wachtperiode voor de WAO moet doormaken. In de nu voorgestelde systematiek is dat probleem niet meer aanwezig. Iemand, die een korte loongerelateer-de uitkeringsduur heeft, wordt bijzonder zwaar getroffen als hij langdurig ziek is. Mijn amendement ter zake is in feite voorzien van een soortgelijke toelichting als het amendement van de heren Weijers en Linschoten. Ik heb echter zeer bewust gekozen voor een termijn van Sociale zekerheid (stelselherziening)

zes weken, waarbij als iemand langer dan zes weken ziek is de periode waarin hij ziek is geldt als uitsluitingstermijn; dat wil zeggen: hij krijgt een ziektewetuitkering; de werklooswetperiode wordt verlengd. Ik heb die termijn van zes weken bewust gekozen. Het betreft een langdurige ziekteperiode. Ook de heer Weijers merkte op dat een groot deel van de mensen -84% -binnen een maand hersteld is. Het is bovendien dezelfde periode als in de Ziektewet wordt gebruikt voor een ziekteperiode van korte duur, waarover de toeslagenwet zegt: laat de werkgever daarvoor zijn verantwoordelijkheid dragen. In die zin zit er een zekere consistentie in de wet. Misschien kan de staatssecretaris aangeven hoeveel mensen langer dan zes maanden ziek zijn en hoeveel mensen tussen drie en zes maanden ziek zijn. Ik neem aan dat veel mensen, die drie maanden of langer ziek zijn, in de WAO terechtkomen. Waarschijnlijk is dit een van de redenen, waarom de heer Nijhuis heeft bepleit om na drie maanden de WAO al actief te laten worden bij ziektegevallen. Ik vermoed dat mijn amendement beter voldoet aan de bedoelingen van de regering. Voorts zou ik van de staatssecretaris een toelichting willen hebben. Hoe denkt hij dat de bedrijfsverenigingen met het beschikbaarheidsvereiste in de wet met betrekking tot onbetaalde arbeid -het is positief dat het in ruime mate mag -zullen omgaan? Ik wil wat uitgebreider horen hoe dit het karakter van de wet onbeloonde arbeid met behoud van uitkering zal beïnvloeden. Immers, op dit moment mag je niets doen als je een WW-uitkering hebt. Straks mag er wel veel. Dat moet de inhoud van de WOAU, die wij een half jaar geleden in de Kamer in een mondeling overleg besproken hebben, vergaand beïnvloeden. Ik wil voorts graag weten of er nieuwe informatie is over de deelname aan scholing, waarvoor de bedrijfsverenigingen toestemming hebben gegeven. Ik meen mij te herinneren dat het onderzoek van een aantal jaren geleden de indruk wekte dat de bedrijfsverenigingen uitermate weinig soepel zijn om werklozen toestemming te geven, deel te nemen aan scholing. Ik kom dan bij de referteperiode. Deze is verbeterd voor deeltijdwerkenden. Ik heb het al gehad over de periode van ziekte. Ik heb nog een kleine vraag over de voorverlenging van ziekte. Het is een technische kwestie, die ik wellicht verder kan behandelen in het artikelsgewijze overleg. Het gaat om iemand die in de twaalf maanden, waarin wij de zes maanden gewerkt hebben moeten tellen -dat is die oude 130 dageneis -ziek is. Dan mag je terugkijken. Als hij in die periode ook weer ziek is geweest, mag je dan nog iets verder terugkijken? Ik wil verder weten -ik meen dat van de kant van het CDA die vraag al gesteld is bij de voorbereiding -hoe het gaat als iemand in de zogenaamde shorttime werkloosheid, dus de werkloosheid die is aangevraagd door de werkgever omdat het slecht gaat in zijn bedrijfssituatie, niet heeft voldaan aan de referteperiode. Het lijkt mij dat dit niet aan de persoon kan worden geweten en veel meer te maken heeft met het bedrijf. Het lijkt mij dat in zulke gevallen de referteperiode niet zou moeten gelden. Ik denk voorts dat ook wat de referteperiode betreft, afgeweken moet kunnen worden van de termijnen van 26 weken en 12 maanden voor bij voorbeeld beroepsgroepen zoals uitvoerende kunstenaars en filmers. Ik denk dat deze zaak door bij voorbeeld de desbetreffende bedrijfsvereniging dan wel de Sociale Verzekerings Raad zou moeten worden geregeld. Uitsluitingsgronden in de zin van de NWW zijn gronden, waarop men geen uitkering krijgt en de werkloosheidsperioc

Staatssecretaris De Graaf: Ik zei al tegen mijn collega dat ik als eerste in aanmerking kom voor uitzetting.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Zó ver wou ik niet gaan; ik weet we andere manieren: gewoon afzetten. Mijnheer de Voorzitter! Ook de vakantie blijft een rare zaak. Wij hebben al gediscussieerd aan de hand van de vraag, of het verblijf op een volkstuin nu wel of géén vakantie is. Graag verkrijg ik hierop een nadere reactie. Wat betreft de werkloosheid heb ik al gezegd dat het bij de voorstellen van De Graaf moeilijk is om in aanmerking te komen voor een uitkering. De niveaubegrenzing bij verwijtbare werkloosheid zal tot grote problemen leiden. Tijdens een mondeling overleg en bij de schriftelijke voorbereiding hebben wij hierover al uitgebreid van gedachten gewisseld. Aangezien ook CDA en VVD van oordeel zijn dat deze niveaubegrenzing moet worden geschrapt -wij hadden hierover al een amendement ingediend -komt hij mij voor dat ik hierover niet uitvoerig behoef te spreken. Voor de duidelijkheid zeg ik nog eens dat, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid en van de desbetreffende persoon, de bedrijfsvereniging met een sanctie kan komen, zoals dat ook het geval is bij het niet voldoen aan andere voorwaarden, zoals het tijdig ingeschreven zijn bij het GAB en het niet in voldoende mate trachten, passende arbeid te aanvaarden.

De heer Weijers (CDA): Het is niet: 'met een sanctie kan komen' maar: met een sanctie móet komen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Het lijkt mij in de eerste plaats een zaak voor de Federatie van Bedrijfsverenigingen, die aan de hand van richtlijnen van de SVR te werk kan gaan. Na een Sociale zekerheid (stelselherziening)

aantal jaren zien wij wat dit betreft wel een evaluatierapport. Mijn angst is overigens eerder dat de bedrijfsverenigingen te streng zijn dan dat zij te soepel zouden zijn. Wat betreft het begrip passende arbeid heb ik de indruk dat, na de laatste nota van wijzigingen, dit niet méér inhoudt dan nu het geval is. Van de staatssecretaris verneem ik graag, of het de bedoeling is, dat bestaande jurisprudentie op dit terrein gewoon wordt gehandhaafd. Overigens wordt vaak de indruk gewekt alsof werknemers niet bereid zouden zijn om te verhuizen. Ik las een tijd geleden in de NRC dat bij de heer Rang een klacht was binnengekomen van iemand, die bij de inspectie der belastingen solliciteerde maar daar niet werd aangenomen omdat hij niet in Utrecht naar in Gelderland woonde. Verhuizen is blijkbaar voor werknemers niet zo'n probleem maar de vraag is: mag je van tante Truus wel verhuizen? Met betrekking tot de positie van oudere werknemers neem ik aan dat, zoals thans gebruikelijk is, het begrip passende arbeid anders wordt toegepast dan bij voorbeeld bij jongeren. De omkering van de bewijslast speelt bij een aantal wetsvoorstellen een rol. Zoals de staatssecretaris heeft aangegeven, gaat het om een verzwaring van de bewijslast. Mevrouw Dales gaat hierop nader in maar mijn vraag is: wat doen wij eigenlijk met werkgevers, die nalatig zijn bij de premiebetaling? Laten wij er niet omheen draaien; zwart werken is alleen mogelijk als werkgevers bereid zijn, zwart arbeid aan te bieden. Als een werkgever zwart werk aanbiedt, draagt hij geen premie af, die noodzakelijk is om het sociale zekerheidsstelsel in stand te houden. Graag zou ik hierover meer informatie verkrijgen maar wat mij betreft kan dit ook gebeuren bij de nadere discussie over de ISMO-problematiek. Dan de verplichtingen van de werkloze werknemer. Die is verplicht, zich in te schrijven bij het gewestelijk arbeidsbureau, deel te nemen aan scholing en dergelijke. Is het ook de bedoeling dat een bouwvakker met vorstverlet zich inschrijft? Hierbij kom ik, ook naar aanleiding van de onlangs uitgekomen Vrij Nederlandbijlage, op het functioneren van het gewestelijk arbeidsbureau. Ik heb de indruk dat bemiddeling van het arbeidsbureau en eigenlijk ook de manier waarop het arbeidsbureau informatie over cliënten beschikbaar heeft, een pure toevalstreffer is. Ik verwijt dat niet de mensen die er werken, maar ik denk wel dat de marktgerichtheid, de benadering conform de vraag van het gewestelijk arbeidsbureau, waartoe in het beleid kennelijk is besloten -zo snel mogelijk voldoen aan de vraag van de werkgever -een belemmering voor werkloze werknemers oplevert. Ik denk ook dat die benadering problemen kan opleveren als het gaat om de vraag, wat de positie van het arbeidsbureau tussen de uitkeringsgerechtigde en de uitkerende instantie is. En wat is de positie van de GMD? Iemand die arbeidsongeschikt en werkloos is -dat is de systematiek die de staatssecretaris wil -wordt door de GMB bemiddeld. Hij schrijft zich in bij het gewestelijk arbeidsbureau. Heeft dan de GMD ook de plicht om dit aan de uitkerende instantie te melden als het om het NWW-gedeelte gaat? Dan kom ik nu niet alleen bij de vraag wanneer men een uitkering krijgt -de achterkant van de stelselherziening -maar ook bij de vragen hoe lang men een uitkering krijgt en hoe hoog die is. Bij het oorspronkelijke voorstel hadden wij al sterk de indruk dat groepen werknemers in bepaalde bedrijfstakken en vooral getrouwde vrouwen het risico zouden lopen, niet aan de 3-uit-5-eis te kunnen voldoen. Het gaat er hierbij om dat men 3 jaren moet hebben gewerkt in de afgelopen 5 jaar voordat men werkloos wordt. Het verzorgingsforfait -het meetellen van een periode die is doorgebracht met de verzorging van jonge kinderen -zal daar ook weinig aan af-of bijdoen, omdat veel vrouwen pas weer gaan werken als de kinderen al wat langer groot zijn. Bovendien moeten zij eerst werkloos zijn voordat zij voor de Werkloosheidswet in aanmerking komen. Uit de cijfers van de Sociale Verzekeringsraad en het GAK blijkt ook dat onze verontrusting bewaarheid is. Grofweg één derde van de werknemers haalt die eis niet. Ik wil heel duidelijk weten -ook bij interruptie heb ik hierom gevraagd -wat nu precies de verscherping betekent die er nu wordt aangebracht. Er is een onderscheid tussen 3-uit-5 en 5-uit-5: je krijgt een iets langere uitkeringsduur in sommige situaties bij 5-uit-5. Betekent dit niet dat mensen uit bepaalde leeftijdsgroepen extreem zwaar belast worden om te bewijzen dat zij waar mogelijk kunnen aantonen dat zij 5-uit-5 hebben gehaald, omdat dit juist een half jaar recht op uitkering scheelt? Ik doel hierbij op mensen van bij voorbeeld 23, 28, 33, 38, 43, 48, 53 en 58 jaar. Dit geeft dus een heel ongelijke bewijslast voor werknemers. Ik heb al gevraagd wat structureel de meerwaarde van de plannen van de VVD is. Als ik dat zelf zou moeten uitrekenen, ga ik uit van de door de regering aangehouden periode van werkloosheid. Het voorstel van de VVD, dat nog niet is gesteund door het CDA, houdt een structurele ombuiging in van 2 a 3 miljard. Die ombuiging wordt met name gehaald bij oudere werkloze werknemers. Zij zullen immers moeten voldoen aan de eis van een steeds langer, feitelijk arbeidsverleden. Ik vraag de VVD om voordat wij verder gaan met een tweede termijn, zo mogelijk -voor mijn part wordt de informatie bij de Sociale Verzekeringraad gehaald of waar dan ook -ons erover te informeren hoe haar variant op de regeringsvoorstellen uitwerkt naar verschillende groepen werknemers en verschillende leeftijden. De VVD krijgt dan zelf inzicht in de voorstellen die zij nu wel doet, maar waarvan zij naar mijn mening nog niet kan zeggen wat zij feitelijk betekenen.

De heer Nijhuis (VVD): Naar welke variant vraagt u?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): De variant van de regering kan ik overzien. Ik ben het daar niet mee eens. Maar de variant die u voorstelt en waarop u een amendement indient, hebt u ingediend zonder dat u zelf kunt overzien wat u daarmee aanricht. Dat vind ik onverantwoord en onverstandig.

De heer Nijhuis (VVD): Kan mevrouw Ter Veld de veronderstellingen waarop zij de 3 miljard die zij zo maar de lucht inslingert baseert, voorleggen aan de Kamer? Zij moet ervan uitgegaan zijn dat de arbeidsparticipatie van de vrouw op de arbeidsmarkt nul is geworden.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Neen, dat is zeker niet het geval. Ik ben uitgegaan van de veronderstelling: er moet ten minste 3-uit-5 gewerkt zijn. Daarna wordt het fictief arbeidsverleden langzamerhand omgezet in een feitelijk arbeidsverleden. Daarmee -dus na de 3-uit-5 -moet bij voorbeeld iemand over drie jaar aan een werkelijk arbeidsverleden voldoen dat geleidelijk aan langer wordt.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Volgens uw voorstel wordt het meest bespaard op oudere werknemers. Immers, in het huidige voorstel hebben zij de langste uitkeringsduur. Bij mijn voorstel zou dat nog langer zijn. U legt daarop een zeer zware leeftijdsbewijslast. Het is de vraag of zij aan de registratie die u in uw hoofd hebt, kunnen voldoen en feitelijk ook voldoen. Met uw uitkeringssystematiek wordt niet zozeer alleen op vrouwen bezuinigd als wel vooral op oudere werknemers. Ik adviseer u gewoon om voor de tweede termijn contact op te nemen met de opstellers van het desbetreffende rapport bij de Sociale Verzekeringsraad. Voorzitter! Ik kom nu te spreken over het model dat wij voorstaan. Wij kiezen voor een leeftijdsmodel met een korte arbeidsverledeneis van 2 uit 5 jaar. Hiermee wordt voor zeer grote groepen werknemers voldaan aan hun wijzen, zonder dat er volstrekt voorbij gegaan wordt aan de opmerking dat je anders iedereen die maar even een halfjaar heeft gewerkt een uitkering geeft. Onze plannen bevatten ook een geleidelijke uitbouw naar arbeidsverleden. De argumenten die ik op schrift aan de heer Linschoten heb gegeven, zijn voor ons aanleiding om daaraan nu niet te beginnen.

Mevrouw Brouwer (CPN): Gelden voor de 2-uit-5-eis niet dezelfde soort bezwaren als voor de 3-uit-5-eis?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Significant minder.

Mevrouw Brouwer (CPN): Waar haalt u dat vandaan?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Uit de resultaten van onderzoeken.

Mevrouw Brouwer (CPN): Uit het onderzoek waarover u zojuist sprak, blijkt dus dat met name vrouwen veel minder snel voldoen aan de arbeidsverledeneis. Dat jaartje minder kan weliswaar helpen, maar blijven zij daardoor toch niet in een slechtere positie verkeren?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Dat jaar eraf scheelt aanzienlijk. Bij voorbeeld seizoenwerkers kunnen nooit aan de eis van 3-uit-5 voldoen, maar vermoedelijk wel aan die van 2-uit-5. Bovendien bevat mijn amendement het voorstel om voor specifieke beroepsgroepen de termijn te verkorten. Met name de groepen waarbij nu problemen zijn met de 3-uit-5-eis worden gevormd door onder meer de horeca-sector en de uitzendkrachten. Voor die groepen scheelt een wijziging in 2-uit-5 aanzienlijk. Inderdaad zullen ook bij de 2-uit-5-eis groepen niet aan de arbeidsverledeneis voldoen. Dan is er altijd nog een uitkering van een halfjaar. Ik geef echter toe dat onze voorstellen ook hun beperkingen hebben. De referte-eis blijft bij ons voorstel exact dezelfde. Wat de opbouw in leeftijd betreft, krijgt men elk jaar dat men ouder wordt er twee maanden aan uitkering bij. Dit betekent een geleidelijke opbouw. Nogmaals, wij willen best een principiële discussie voeren over de vraag, of het uitkeringsrecht bij werkloosheid niet zo lang behoort te gelden als de werkloosheid duurt. Eigenlijk zou dat wel het geval zijn. In dit verband gaat het ook over de voor-en nadelen van de arbeidsver ledeneis. Eén ding is zeker: bij een betere spreiding van arbeid over mensen en bij de erkenning -dit heb ik al eerder tegen de heer Linschoten gezegd -dat bij voorbeeld educatief verlof, ouderschapsverlof, politiek verlof en scholingsverlof kunnen worden aangemerkt als maatschappelijk zinvol, maakt de keuze tussen leeftijd en arbeidsverleden weinig meer uit. Nu staan wij voor de keuze tussen een minder strenge eis inzake het arbeidsverleden, waaraan veel grotere groepen kunnen voldoen, en een opbouwvan twee maanden per jaar dat men ouder wordt.

Staatssecretaris De Graaf: Ik kom even terug op die twee maanden per jaar. Iemand kan bij voorbeeld tot zijn vijftigste niet verzekerd zijn geweest, door welke omstandigheden dan ook. Zo kan het zijn dat hij pas tegen die tijd Nederland binnenkomt. Heeft hij in dat systeem dan altijd 30x twee maanden aan loongerelateerde uitkering?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Hij voldoet aan de referte-eis en de arbeidsverledeneis. Nu vraagt u aan mij, of ik onderscheid maak tussen mensen die op hun vijftigste in Nederland aankomen en mensen die pas op hun vijftigste op de arbeidsmarkt treden omdat zij voordien hun ouders hebben verzorgd of iets dergelijks.

Staatssecretaris De Graaf: Of dat zij zelfstandige zijn geweest. Het gaat mij om de vraag, of men, als men 30 jaar niet verzekerd is geweest door welke oorzaak dan ook, dan toch 30x twee maanden meekrijgen aan loongerelateerde rechten. Ik kan mij voorstellen dat u zegt: ik heb ook nog een referte-eis van een halfjaar.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik heb een referte-eis van een halfjaar!

Staatssecretaris De Graaf: Oké, maar door die referte-eis van een halfjaar wilt u voldoen...

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Neen, neen, u begrijpt het niet. Mijn referte-eis is net zoals die u voorstelt en net zoals de huidige, maar is wel soepeler voor deeltijdwerkers van '26 maanden in een halfjaar'. Op grond daarvan krijgen de betrokkenen een uitkering van zes maanden. Net zoals u, maar minder stringent, zeg ik dan: wie een langere loongerelateerde uitkering krijgt, voldoet nog aan een criterium, en wel dat men in de afgelopen vijf jaar twee jaar heeft gewerkt. De staatssecretaris kan die vraag wel aan mij stellen, maar in zijn systeem rijst dezelfde vraag. Dat geldt wellicht ook nog voor het amendement van de heer Gerritse voor de oudere werknemers tegen de 50.

Staatssecretaris De Graaf: Maar dat is een tijdelijke zaak, omdat wij die verzekerdenadministratie nog niet hebben. Ik krijg de indruk, dat u ook in een blijvend systeem hiervoor wilt kiezen. Ook al voldoet iemand dan aan die twee uit vijf, het betekent toch dat voor iemand 30 jaar rechten worden gehonoreerd, loongerelateerd, zonder dat er een verzekering tegenover staat.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Voorlopig heb ik daarmee zeer weinig problemen. Er zijn twee situaties waarin zich dat zal kunnen voordoen. De ene situatie is die van de man of vrouw die de rest van zijn/haar leven heeft besteed aan het verzorgen van ouders of iets dergelijks. De andere situatie is die van de zelfstandigen. Ik heb er niet zulke grote bezwaren tegen, maar ik kan mij voorstellen dat u in tweede termijn zegt, dat u bereid bent mijn amendement over te nemen, maar dat u bepaalde bezwaren ziet. Dat zou dan een punt voor discussie kunnen zijn. De problemen die u noemt, zijn voorshands in mijn visie geen probleem. Ik ben echter bereid, de zaken ook van uw kant te bekijken als wij dit amendement bespreken. Voor de uitkeringshoogte was 75% het uitgangspunt. Bij invoering van de wet gaan ook wij uit van 70%. Wij willen dit dus geleidelijk opvoeren.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Voor die 75% geldt niet alleen een politiekideologische benadering. Wij hebben geconstateerd, dat 75% van het laatstverdiende loon voor jongeren, ook met het minimumloon, betekent, dat er geen behoefte is aan de toeslagen en kopjes erop, omdat zij ten gevolge van de belastingen feitelijk onder het voor hen geldende netto sociaal minimum komen. Het betekent bovendien, dat het grootste deel van de werknemers die werkloos of arbeidsongeschikt raken, niet te maken krijgt met de Toeslagenwet en, als gevolg daarvan, het gedoe van toeslagen, partnerinkomenstoetsen en dergelijke. Voor die 75% is dus niet alleen gekozen vanuit de ideologie dat het 80% was, dat het nu 70% is en dat wij er tussenin gaan zitten. Die keuze is ook beargumenteerd vanuit een aantal andere overwegingen. Ik heb al gezegd, dat handhaving van de koppeling voor ons uitermate essentieel is. Wat dat betreft heb ik nog wel een vraag aan het CDA. Alleen koopkracht. Dat is toch iets anders dan de WAM? Waarom acht het CDA dat voldoende? Waarom zegt het in zijn verkiezingsprogramma, dat er na de verwerking van de stelselherziening rust komt -ik moet dat overigens nog zien -en dat men de koopkracht garandeert? Wat valt er dan nog van de VVD te verwachten? De VVD heeft tegen ons gezegd, dat handhaving van de koppeling vele miljarden kost. Ik begrijp dat niet. Naar mijn stellige overtuiging moeten wetsvoorstellen berekend worden conform de inhoud van de wet en is in de berekening van de stelselherziening, conform de inhoud van de wet, uitgegaan van de koppeling. Dat kan niet anders. Anders zou De Graaf ook zelf met bezuinigingsvoorstellen kunnen komen, door de koppeling de laten vervallen en te bevriezen. Handhaving van de koppeling kost dus absoluut geen vele miljarden ten opzichte van de berekeningen, want de handhaving van de koppelingen zit in de berekeningen zelf. Het niet handhaven van de koppelingen levert echter vele miljarden op, mijnheer Nijhuis. Dat zijn de miljarden die u jaar in, jaar uit in uw verkiezingsprogramma wilt benutten. En waarom wilt u ze benutten? Voor verbeteringen elders? Voor scholingsprojecten? Welnee, u gebruikt dit voor denivellering, voor verbetering van de hoge inkomens. Voor mijn part laat u dat ook nog gebruiken voor investeren in het buitenland.

Staatssecretaris De Graaf: Welk koppelingsmechanisme kiest u? Ik meen mij te herinneren, dat er in uw kringen ook een zekere studie wordt verricht naar de opschoning van de huidige koppeling. Kiest u voor het oude systeem?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik kies op dit moment zeker voor het oude systeem, want die studie is nog niet afgerond. Hiervan weten wij samen vrij veel. Bij de invoering van de Wet aanpassingsmechanismen is er een discussie geweest over de vraag, welke elementen in de koppeling moesten worden opgenomen en hoe wij moesten omgaan met deze zaak. Op zichzelf is een discussie over koppelingen, zeker in relatie met arbeidstijdverkorting, een verstandige discussie. Ik wil die best eens voeren, hetzij met de staatssecretaris, hetzij met andere leden van de Kamer. Het kunnen ook andere leden van mijn fractie zijn, die dit doen. Laat de staatssecretaris uitgaan van zijn eigen wetsvoorstel. De Wet aanpassingsmechanismen is daarin verwerkt. Ik meen in artikel 30.

Staatssecretaris De Graaf: Dat is minder zuinig dan waaraan u dacht.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik heb daarvoor op dit moment ook nog geen enkel wijzigingsvoorstel gedaan. Misschien moeten wij bekijken of de koppeling inderdaad koppelt wat wij willen. Wij hebben bij de behandeling van het wetsvoorstel aanpassingsmechanisme een uitgebreide discussie gevoerd over de vraag of wij het niet directer moesten koppelen. Dat doen wij allemaal over. Ik denk dat wij daat dan best over kunnen praten. Het uitgangspunt behoort daarbij te zijn dat de welvaartsontwikkeling in Nederland, die doorgegeven wordt aan werknemers, ook plaatsvindt bij uitkeringen. En nogmaals, mijnheer Nijhuis, misschien geef ik u hiermee een fantastisch voorstel voor bezuinigingen: al de miljarden die u denkt dat het kost, zitten in de berekeningen, zelfs met deze slechte voorstellen. Tot slot nog enkele korte opmerkingen. Het verheugt mij dat de VVD aandacht heeft gegeven aan een zaak die wij in het mondeling overleg al hebben besproken, namelijk dat deelname aan scholing in een uitkeringsperiode zou moeten leiden tot de verlening van die uitkeringsperiode. Want als je door het arbeidsbureau wordt verplicht naar school te gaan, is het toch te gek als je uitkeringsperiode verloopt. Ik heb een amendement ingediend om in de wet de mogelijkheid van premiedifferentiatie te openen. Mijnheer de Voorziter! Ik kom tot mijn eindconclusie. Een ieder zal uit onze inbreng gemerkt hebben dat wij de wet zeer grondig en serieus bekeken hebben, omdat wij denken dat het belang van uitkeringsgerechtigden vereist dat wetten kloppen. Deze wetten zijn technisch nog niet volledig juist. De vraag of de wet echt uitvoerbaar is, is nog niet duidelijk beantwoord. Uitkeringsduur en uitkeringshoogte in de wetsvoor^ stellen zijn echter absoluut onvoldoende. Vanzelfsprekend bestaat er een absolute noodzaak voor het schrappen van de niveaubegrenzing. Er is een noodzaak tot verbetering van de rechtpositie van de uitkeringsgerechtigden. Wellicht kan de discussie over de redelijkheidstoets conform de voorstellen van de heer Weijers later plaatsvinden. Ik laat het amendement erover voorlopig even liggen. Ik acht die discussie over de redelijkheidstoets en over de rechtsbescherming van werknemers in de sociale verzekering zeer relevant.

De heer Weijers (CDA): En ik met u!

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Juist! In zijn huidige vorm is het wetsvoorstel voor ons niet acceptabel. Wij zijn nu bijna aan de verkiezingen toe. Een wet is geen wet zolang hij nog niet in het Staatsblad is gepubliceerd. Ik meen dan ook dat de voorbereiding van de invoering van deze wetsvoorstellen niet in gang gezet kunnen worden voordat de wetsvoorstellen echt tot wet zijn verheven. De wetten kunnen zeker niet worden voorbereid op een wijze waarop ze onomkeerbaar zouden worden. De Kamer heeft het recht -en moet daartoe dus de mogelijkheid hebben -om, zolang de wetsvoorstellen niet door beide Kamer zijns aanvaard, wijzigingen aan te brengen, ook als de Kamer na 21 mei in een andere samenstelling weer bijeenkomt. De grote zekerheid is immers dat na 21 mei, als onze amendementen niet worden overgenomen, de wetten alsnog zullen moeten worden gewijzigd.

©

J.F. (Flip)  BuurmeijerDe heer Buurmeijer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Mijn bijdrage aan dit debat heeft formeel betrekking op het wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene Bijstandswet (ABW). Het gaat daarbij om twee wijzigingsvoorstellen. Bij oppervlakkige Sociale zekerheid (stelselherziening)

waarneming kan men snel geneigd zijn om te denken dat het hierbij om simpele, weinig ingrijpende voorstellen gaat. Zo beschouwd, gaat het slechts om de splitsing van de uitbetaling in twee gelijke delen en om de gelijke behandeling van leefvormen, met name de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden. De betekenis van beide voorstellen is echter van een veel wijdere strekking. In wezen is de vraag aan de orde of er ook op het niveau van de minimumbehoeftevoorziening perspectief op economische zelfstandigheid aanwezig is. Deze vraagstelling staat centraal in mijn bijdrage aan dit debat. Ik zal mij in mijn bijdrage niet beperken tot de wijziging van de ABW, maar zal er ook andere wetten bij betrekken die ook te maken hebben met het minimumbehoefteniveau. De huidige uitvoeringspraktijk van de ABW heeft ons geleerd dat het invoeren van de gelijke behandeling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden niet zonder problemen verloopt. In de nota naar aanleiding van het eindverslag merkt de regering op, dat de in 1963 opgestelde memorie van antwoord bij het ontwerp voor de AAW, dat destijds aan de orde was, uitgangspunt is voor de jurisprudentie en de bijstandspraktijk tot nu toe. Ik heb die toelichting nog maar eens een keer doorgenomen. Daarin wordt gesteld dat het gezin onder het opzicht van economische eenheid als een realiteit wordt gehanteerd. Daaraan wordt toegevoegd, dat tot de middelen waarover een persoon beschikt ook behoren de reële en niet weg te denken middelen waarover hij in het verband van zijn gezin beschikt. De memorie van antwoord spreekt in deze passage over de algemeen aanvaarde functie van het gezien die met betrekking tot de algemene materiële verzorging van zijn leden de verantwoordelijkheid van de gezinsleden ten opzichte van elkaar mede tot uitdrukking brengt. Op basis van deze functie wordt de bijstandsverlening als gezinsbijstand gedefinieerd. Er wordt echter aan deze opmerking iets toegevoegd: 'De verlening van gezinsbijstand heeft betrekking op die gezinnen, die civielrechtelijk en doorgaans ook in financieel en huishoudelijk opzicht een gemeenschap vormen, te weten op de gezinnen van ouders met hun minderjarige kinderen'. Hier wordt verwezen naar de juridische aspecten van het gezin. Welnu, de juridische vorm van het samenlevingsverband tussen man en vrouw in het Burgerlijk Wetboek is het huwelijk. In deze vormgeving wordt onder meer geregeld welke verplichtingen de echtgenoten elkaar zijn verschuldigd. Vervolgens de wet zijn zij elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. De ABW sluit met het beginsel van de gezinsbijstand hierbij aan. Daarbij onderscheidt deze wettelijke sociale zekerheidsrege ling zich van een groot aantal andere. De bijstand is afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van het gezin en hij beperkt zich ook tot de allernauwste gezinsrelaties, te weten die tussen echtgenoten en die tussen ouders en minderjarige kinderen. In dat licht zeg ik tegen mevrouw Kraaijeveld, dat het volstrekt logisch is om verwanten in de eerste en tweede graad hiervan uit te sluiten. Uitsluitend op historische gronden dus! Ik vroeg mevrouw Kraaijeveld hier gisteren naar. Toen kon zij geen reden aangeven. Ik ben het nu nog eens nagegaan en wijs er op dat daar in feite één van de oorzaken ligt. Wij kunnen uit een door de regering aangehaalde memorie van toelichting niet de conclusie trekken dat andere vormen van huishouding dan het huwelijk hieraan gelijk worden gesteld. Integendeel! In de memorie van antwoord werd destijds heel concreet verwezen naar het concubinaat, waarbij de concubine door de andere partner vermoedelijk wordt gesteund. Ter toelichting werd gesteld in de memorie van antwoord Algemene Bijstandswet, zitting 61-62: ' ...Het gaat hierbij om gevallen van aanvragen van bijstand van personen, die deze, door inkomsten van andere zijde, in wezen niet nodig zou hebben, derhalve over gevallen van fraude zowel bij de aanvrage als tijdens het genieten van bijstand'. Daarbij wordt terecht opgemerkt dat hiertegen scherpe controle nodig is en dat dit aanleiding kan zijn de bijstandsverlening te weigeren dan wel te verminderen. Hier staat met zoveel woorden niet, dat een vorm van samenwonen, anders dan het huwelijk, gelijk is aan het huwelijk. Neen, hier staat dat bij een persoon die bijstand aanvraagt en die beschikt over inkomsten van derden -het kan zijn dat men met iemand samenwoont -dit inkomstenbestanddeel dient te worden betrokken bij de beoordeling van de aanvrage. Anders gezegd: er wordt rekening gehouden met de draagkracht van de persoon in kwestie om te bepalen in welke mate de noodzakelijke kosten van bestaan al dan niet gehaald worden, waardoor er al dan niet sprake is van het halen van het sociaal relevante minimum. Het is een principe van de ABW, als sluitstuk van de sociale zekerheid waarmee een minimumbehoefteniveau wordt geboden. De fractie van de Partij van de Arbeid is het steeds met dit principe eens geweest en zij is het er nog steeds mee eens. De toetsing van het hebben van een inkomen, buiten de formele situatie van het huwelijk is daarentegen niet eenvoudig. Wij sluiten ook geenszins uit dat er op dat punt, bij voorbeeld door schijnverlatingen, gefraudeerd wordt. Wij vinden -wij hebben dit ook altijd uitgesproken -dat daartegen dient te worden opgetreden. Wij constateren echter dat de eenduidigheid van het gezin, gebaseerd op de in het Burgelijk Wetboek verankerde huwelijk, zich niet zo eenduidig laat vertalen naar andere samenlevingsvormen. Ik heb die vertaling ook niet kunnen ontlenen aan de memorie van antwoord waarnaar de regering verwees. Voor de Bijstandswet is toch alleen relevant of de economische omstandigheden van de persoon in kwestie mede bepaald worden door van hem of haar afhankelijken en van anderen aan hem of haar toekomende middelen. Anders gezegd: indirecte financiële ondersteuning. Ik doel hierbij op enerzijds het behoefteaspect en anderzijds de draagkracht. Dat zijn twee essentiële elementen voor de bepaling van de omvang van de eventueel te verlenen bijstand. Het gaat hierbij zuiver en alleen om financieel-economische criteria. Bij het huwelijk wordt op basis van de formele betekenis hiervan zonder meer ervan uitgegaan dat tussen betrokkenen een economische band bestaat. De zorgplicht staat daar niet ter discussie en het is buiten kijf dat er sprake is van een economische eenheid. Let wel, een economische eenheid waarmee uitsluitend de financieel-economische relatie tussen betrokkenen voor de Algemene Bijstandswet relevant is. Niet aan de orde is de relatie. Het gaat er niet om hoe men met elkaar omgaat. Evenmin gaat het om vragen als hoe men zich gedraagt, hoe de vakantie wordt doorgebracht of men samen een pilsje drinkt en Sociale zekerheid (stelselherziening)

wie er dan betaalt, of men nu samen naar de bioscoop gaat of beiden van dezelfde auto gebruik maken. Voor de beoordeling van de financieel-economische relatie zijn dit type vragen volstrekt niet relevant. Al deze vragen blijven bij de beoordeling van wat is gaan heten 'gezinsbijstand' volstrekt buiten beschouwing. De verbale bevestiging van een vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand die daarvan akte neemt, was en is voldoende om beide partners voor de Algemene Bijstandswet als een economische eenheid te beschouwen. Uit de kroonjurisprudentie valt op te maken dat er een gelijkstelling aan gehuwden plaatsvindt wanneer de feitelijke situatie hiervan niet fundamenteel verschilt. Andere leefvormen zijn echter niet gebaseerd op het boterbriefje. De vanzelfsprekendheid van het huwelijk kon hier niet zo maar opgaan. Uit de jurisprudentie blijkt dat daarom werd uitgeweken naar een onderzoek van de samenlevingsvormen, om vast te stellen of er sprake is van een economische eenheid. De regering geeft van de dwalingen die daarvan toch het gevolg zijn, een levendige illustratie. In de UCV over de notitie leefvormen, is door vrijwel alle woordvoerders uit de Kamer duidelijk gemaakt tot welke karikatuur dit kan leiden. Wij hebben tijdens die UCV daarom gelachen. Ik moet echter wel constateren dat in de notitie leefvormen, de regering zich baseert op de jurisprudentie van de Kroon, die ontleend is aan criteria inzake de uitvoering van de Algemene Bijstandswet. Ik heb al eerder gewezen op een artikel van mevrouw Lenting, waarin duidelijk wordt geïllustreerd dat het door de regering voorgestelde derde beoordelingscriterium, de gedragingen naar buiten, direct aan deze jurisprudentie is ontleend. Ik heb getracht op deze wijze aan te geven dat het op basis van de Algemene Bijstandswet en de daarbij behorende stukken steeds ging om de financieel-economische situatie van de bijstandsgerechtigden. De gehuwden werden zonder meer beschouwd als economische eenheid, niet gehuwd samenwonenden moeten daarmee feitelijk overeenkomen. Dit heeft geleid tot een beoordeling van de relaties die zich ver uitstrekte buiten de feitelijke financieel-economische situatie van betrokkenen. Ik stel vast dat de jurisprudentie wat dat betreft geenszins rechtstreeks te ontlenen is aan de genoemde stukken die gezamenlijk de Algemene Bijstandswet zijn gaan vormen in de jaren zestig. Er zijn relationele aspecten in de jurisprudentie geslopen die geen betrekking hebben op de financieel-economische betrekkingen tussen mensen, maar die te maken hebben met de aard van de relatie in de emotionele sfeer. Ik noem dit een feilen in de uitvoeringspraktijk van de Algemene Bijstandswet. In feite hebben wij daarom bij de beoordeling van de notitie leefvormen gelachen. Ik constateer dat dit niet wordt gecorrigeerd door de bewindslieden, maar dat dit onverkort wordt uitgebreid naar andere wetten. Gisteren is uit de inbreng van de fracties van het CDA en de VVD duidelijk geworden dat deze partijen, evenals wij, dit een heilloze weg vinden. Ik waardeer het dat mevrouw Kraaijeveld gisteren ronduit zei, dat haar fractie in de schriftelijke procedure de regering op dit punt eigenlijk gelijk wilde geven, maar zover toch niet wilde gaan. Ik vind dat verstandig. Ik moet er wel bij zeggen, dat het ons een lief ding waard zou zijn als dat ook bij andere onderdelen van de wet het geval zou zijn geweest. Daarvan is nog geen blijk gegeven. Wij hebben in de schriftelijke procedure al te kennen gegeven aan de uitbreiding van de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden en gehuwden geen medewerking te willen verlenen. Wij onderschrijven wel dat bij de beoordeling van de bijstandsaanvrage rekening wordt gehouden met de behoefte en de aanwezige draagkracht van de economische eenheid. Uiteraard geldt dan ook dat, waar sprake is van vergelijkbare economische eenheden, deze ook gelijk beoordeeld moeten worden. Hier gaat het eenvoudig om 'gelijke monniken, gelijke kappen'. In deze redenering is echter de vorm, de aard van de relatie volstrekt niet relevant. Het gaat uitsluitend om de economische eenheid die bepalend is voor de vaststelling van de financiële behoefte dan wel draagkracht. Het is mij opgevallen, dat deze neutrale benadering, ontdaan van alle normatieve opvattingen over het huwelijk en het gezin, ook door de VVD gisteravond werd uitgesproken. Collega Linschoten sprak over twee relevante factoren op het niveau van de minimumbehoeftevoorziening.

Wij delen zijn visie op dit punt. Het gaat om de besparingsfactor en de kostwinnersfactor. Ik lichtte dat reeds toe. Deelt de regering deze opvatting? Komen deze factoren overeen met de in de notitie Leefvormen geformuleerde vraagstelling? Deze vraagstelling kwam, kort samengevat, neer op de vraag naar de besparingsfactor en de vraag naar de zorg voor anderen. Als de regering en een meerderheid van de Kamer zover nog op één lijn zitten, dan tekent zich de mogelijkheid van een oplossing af. Wij staan dan namelijk voor dezelfde opgave: het geven van een heldere en strakke omschrijving van het begrip 'economische eenheid'. In het voorlopig verslag hebben wij de regering de vraag voorgelegd of hiervoor het bewonen van een woning en het voeren van een huishouding geen relevante criteria zouden kunnen zijn. Als met één of meer anderen gezamenlijk een huis wordt bewoond, is sprake van een besparende werking, hetgeen ook het geval is als met anderen een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd. In de schriftelijke procedure heeft de regering naar onze mening onvoldoende gereageerd. Is de staatssecretaris op deze suggestie niet ingegaan, omdat daarmee de zogenaamde samenwonende alleenstaanden niet als partner worden aangemerkt maar als woningdelers worden beschouwd? Ik meen dat uit de stukken te kunnen opmaken. Welke reden heeft hij gehad om dat niet te doen? Wij hebben de indruk dat de regering evenals de fracties van CDA en VVD op niet beredeneerde gronden verwanten die samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren niet als economische eenheid wensen te beschouwen. Kan hierop een inhoudelijke toelichting worden gegeven? Wij zijn er niet op uit de samenwonende verwanten in een lagere uitkering te brengen, maar je moet wel redenen hebben om deze groep bewust uit te sluiten. In een dergelijke situatie is sprake van een onderlinge verhouding. In feite is ook sprake van een zorgverhouding ten opzichte van elkaar, als die tenminste ook voor anderen geldt, waarbij in deze termen de economische eenheid wordt gedefinieerd. Die vraag geldt ook bij een groot aantal andere samenwonenden. De regering komt hier niet uit en hanteert daarom het uiterst kwetsbare partnerbegrip. Uit de toelichting van Sociale zekerheid (stelselherziening)

de heer Linschoten begreep ik, dat hij de besparingsfactor hanteert om onderscheid te maken tussen alleenstaanden en samenwoners. Daarbij definieerde hij samenwoners met de eerder door mij genoenv de elementen samenwonen en het tegelijkertijd samen voeren van een huishouding. Het eerste was daarbij naar zijn oordeel alleen niet voldoende. De zorg voor anderen typeerde hij als een factor binnen de groep samenwoners. Het laatste kan toch alleen maar slaan op de inkomens-en vermogenstoets, zo stel ik nu nog eens vast. Daarmee impliceert hij een zorgplicht die niet is gebaseerd op civiel recht. Het voorstel -mevrouw Kraaijeveld merkte dit al op -was niet van toepassing op woningdelers. De toelichting zou de heer Linschoten geven. Ik heb deze echter gemist in zijn termijn op dit punt. Ik wil dus graag dat hij dit in tweede termijn alsnog doet. De zoeven door mij genoemde zorgplicht wordt dan dus ontleend, zo redeneer ik op basis van de helaas summiere toelichting, aan het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Toen ik bij interruptie een toelichting vroeg op dit begrip, kreeg ik geen duidelijke reactie. Mijn fractie twijfelt daarom of wij in staat zijn om heldere criteria aan te geven inzake het voeren van die gemeenschappelijke huishouding. Als wij dit helder kunnen omschrijven, zouden wij er misschien uit zijn. Wij hebben ons ook wel eens afgevraagd of de belastingwetgeving ons zou kunnen helpen. Hebben wij het juist, zo vraag ik de regering, dat er in de tweeverdienerswet sprake is van het gezamenlijk gebruik van een wooneenheid en het samen op dat adres voorzien in huisvesting en voeding? Als dat zo is, dan koppel ik daar de volgende vraag aan de regering aan. Is er zekerheid dat de verschillende inspecteurs van belastingen het begrip gezamenlijke huishouding eenduidig interpreteren? Het komt mij voor dat de voorstellen van mevrouw Kraaijeveld en de heer Linschoten, die mogelijk hieraan zijn ontleend, niet kunnen voorkomen dat ook dezelfde interpretatieproblemen gaan ontstaan. De bij de bijstandswet dan al bestaande jurisprudentie zal vervolgens een veel wijder beleidskader gaan krijgen, omdat zij nu onverkort in alle aan de orde zijn wetten, waar het minimum behoefteniveau aan de orde is, dit als zodanig geamendeerd hebben. Ofschoon ik waardering heb voor hetgeen zij bedacht hebben, vraag ik mij af of wij daar veel mee opschieten. Wij vinden het op dit moment nog een onvoldoen-de aantrekkelijk perspectief om te kunnen suggereren dat wij de oplossing in huis hebben. Ten aanzien van de regering zeggen wij dat wij geen andere conclusie kunnen trekken dan de volgende. De regering is te overhaast te werk gegaan. Dat blijkt uit de reacties van alle zijden, ook hier uit de Kamer. Het is van belang dat de regering het huiswerk dat zij zichzelf in het verleden opgelegd heeft, nu eens echt gaat maken. Ik citeer hierbij uit de adviesaanvrage bij de stelselherziening. Op bladzijde 34 staat: 'Bezien zou kunnen worden in hoeverre een vorm van officiële registratie van samenlevingsverbanden hierbij een functie zou kunnen hebben. Daarbij moet wel worden bedacht dat acceptatie van de rechtsgevolgen van vrijwillige registratie in beginsel ook moet betekenen acceptatie van de rechtsgevolgen van niet-registratie. Het gaat hierbij om een uiterst gecompliceerde problematiek, waarvan de oplossing voor een veel wijder gebied dan dat van de sociale zekerheid moet gelden.' Waarom heeft de regering deze problematiek eigenlijk niet zodanig aangepakt dat zij met de minister van Justitie en zijn medewerkers naar een oplossing kon zoeken? Ook een tweede citaat maakt duidelijk dat de regering zichzelf voorbijgelopen is. Dit citaat komt uit de memorie van toelichting op het nog niet zo lang geleden behandelde wetsontwerp gelijke behandeling in de AOW. 'Een juridisch afsluitende afgrenzing van het begrip samenwonenden vergt een diepgaande studie, waar niet lichtvaardig nu al een voorschot op kan worden genomen.' Welnu, die beduchtheid voor lichtvaardigheid was snel voorbij. Bij de wetsvoorstellen die wij nu al een aantal maanden in behandeling hebben, wist de regering dit al. Ik roep hierbij nog eens in herinnering de motie die ik heb ingediend en die toen ook de steun van de meerderheid van de Kamer heeft gekregen. Daarin werd gevraagd om juist deze problematiek eens uitvoerig te bestuderen. Een en ander heeft geleid tot de notitie leefvormen. Dit gedeelte van mijn betoog afrondend, kan ik echter niet concluderen dat daarin het antwoord werd gegeven.

De fractie van de Partij van de Arbeid bepleit in dit stadium van de discussie een moratorium af te roepen inzake de complexe problematiek van gelijkstelling van samenwonenden met gehuwden. Het kabinet moet de door mij geciteerde verstandige uitlatingen zelf ter harte nemen en zich nog eens ernstig bezinnen op deze problematiek. De notitie Leefvormen was hiervan geen aanvaardbaar resultaat. Evenmin voldeed deze aan door anderen ook eerder al geformuleerde uitgangspunten. Ik denk dan tevens aan hetgeen door het college Algemene Bijstandswet is geformuleerd. Zoals gezegd, wij hebben er ernstige twijfels over of er geen interpretatieproblemen zullen rijzen ten aanzien van de voorstellen en de gedachten die gisteren van de zijde van de regeringsfracties in termen van het meedenken, naar voren zijn gebracht. Ook wij hebben dat getracht, maar ik wil eerlijk zeggen: die scherpe en heldere omschrijving hebben wij niet kunnen formuleren.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Gezamenlijk in die verlegenheid verkerend, vraag ik toch of er op een gegeven moment niet iets gedaan moet worden. De tijd schrijdt voort. In de tweeverdienerswet moest een en ander op een bepaalde manier geformuleerd worden. Ik herinner wat dat betreft aan uw motie. Het gaat erom dat op allerlei fronten inzake het inkomensbestel, bij voorbeeld bij de eenmalige uitkeringen, steeds opnieuw de vraag wordt gesteld wie er gelijk wordt gesteld aan wie en wie uitkeringsgerechtigd is of belastingplichtig. Juist uw motie, die wij van harte hebben gesteund, was erop gericht dat gegeven in één formule om te zetten. Als u nu van mening bent dat u de tijd nog niet rijp acht, dan wijs ik erop dat wij de ontwikkelingen niet kunnen stoppen. Wij zouden dan door blijven gaan met het voeren van adhocbeleid.

De heer Buurmeijer (PvdA): Ik heb tot nu toe duidelijk gemaakt waar bij ons de aarzeling zit. Tevens hebben wij aangegeven wat wij in ieder geval niet willen, namelijk een uitbreiding van de huidige situatie naar andere vormen van wetgeving, buiten de Algemene Bijstandswet. Ik wil niet ontkennen dat wij tegelijkertijd voor de opgave staan om na te gaan of dit voldoende is, of dat er verder moet worden gegaan. Ik zeg hier in alle openheid: wij hebben op dit moment Sociale zekerheid (stelselherziening)

die heldere strakke omschrijving niet kunnen realiseren. Ik heb voorstellen gedaan. Ik heb een reactie gevraagd van de regering op dat punt. Ik sluit het niet uit dat wij in de loop van dit debat zeggen: akkoord, nu denken wij dat wij het hebben gevonden. Ik heb net echter uitgesproken dat wij twijfels hebben ten aanzien van de invulling van uw voorstellen. Het is niet zo dat wij daarover uitermate kritisch zijn. Naar onze mening zullen daardoor echter toch weer jurisprudentieproblemen ontstaan. Dan zijn wij via een cirkel weer terug bij het uitgangspunt, namelijk dat de oplossing in de jurisprudentie moet worden gevonden. Daarom zeg ik ook dat dit punt in dit debat nog wel even centraal staat. Als wij er niet uitkomen, bepleiten wij vooralsnog de moratoriumgedachte en keren wij ons tegen een verdergaande uitbreiding. Wij accepteren dan vooralsnog de huidige uitvoerings praktijk van de Algemene Bijstandswet, die is gebaseerd op jurisprudentie van de Kroon. In de richting van de regering zeg ik, dat wij het wel op prijs stellen als zij zou verklaren op grond van deze interim-situatie bereid te zijn er bij de gemeenten op aan te dringen zich terughoudend op te stellen op dit punt. Ik heb uitvoerig stilgestaan bij de voorstellen van de regering inzake de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden; een problematiek die ons op het niveau van de minimumbehoeftevoorziening bezig zal blijven houden zolang hier geen individualisering van uitkeringsrechten is gerealiseerd. Ik zeg dit ook in de richting van mevrouw Kraaijeveld. Het perspectief op lange termijn kan maar in één weg zijn gelegen, namelijk die van de individualiseringslijn. Anders blijven wij met dit soort problemen bezig. Het voorstel de uitbetaling van de uitkeringen volgens de Algemene Bijstandswet te splitsen, komt hieraan niet tegemoet. Immers, het recht op de uitkering blijft ongedeeld gekoppeld aan de economische eenheid met alle problemen van dien. De fractie van de Partij van de Arbeid heeft steeds bepleit dat economische zelfstandigheid bij voorrang moet worden bereikt via de band van arbeid. Wij willen een begin maken met de individualisering van de RWW voor hen die voldoen aan een bepaalde mate van arbeidsprestatie.

Deze geïndividualiseerde uitkeringsrechten sluiten aan bij de individualiseringslijn van de loondervingsregelingen. Daar ligt ons eerste aangrijpingspunt en ook dat van vele anderen in deze Kamer. Maar daarmee is niet gezegd dat wij ons daartoe moeten beperken. De fractie van de PvdA realiseert zich dat deze benadering, als wij ons daartoe beperken, met zich brengt dat vooral de intreders, de jongste generatie op de arbeidsmarkt, en de herintreders blijvend in een situatie van economische afhankelijkheid terecht kunnen komen. Vooral voor de jongste generatie vinden wij dit een ongewenst perspectief. Juist bij hen is het tweeverdienerspatroon in de generatie als zodanig ver doorgedrongen. Wij staan hier zeer positief tegenover.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Voorzitter! Begrijp ik het goed dat de heer Buurmeijer ervoor pleit de RWW als werkloosheidsvoorziening af te schaffen? Iedereen krijgt dan onder welke voorwaarden dan ook een verzekeringsrecht en de bijstandswet wordt uitsluitend gebruikt voor die gevallen waar een vangnet voor nodig is. Dat is de consequentie van zijn benadering waarbij het accent wordt gelegd op het uit de bijstand houden van de intreders en herintreders. De bijstandswet heeft in die benadering slechts een functie als vangnet.

De heer Buurmeijer (PvdA): Zo kijken wij er niet tegen aan. Ik heb uw opmerking gisteren ook gehoord toen u met de heer Linschoten in discussie was. Ik heb aangegeven dat ons eerste punt is via de herverdeling van arbeid mensen aan de slag zien te krijgen om op basis daarvan uitkeringsrechten te kunnen opbouwen. Voor nieuwe intreders willen wij een toegang tot een geïndividualiseerde RWW-regeling, zij het dat hierbij een referteperiode in acht moet worden genomen. Zoals bekend is de huidige RWW-regeling niet geïndividualiseerd. Wij staan een volstrekt geïndividualiseerde RWW op basis van een 50%-redenering voor. Maar ik heb erbij gezegd dat wanneer wij ons daartoe beperken, zal blijken dat voor degenen die geen toegang tot de arbeidsmarkt krijgen of niet aan de referteperiode kunnen voldoen ook geen beroep op de geïndividualiseerde RWW kunnen doen. Om het in uw termen te zeggen: deze mensen blijven hangen in het Sociale zekerheid (stelselherziening) vangnet van de niet-geïndividualiseer-de bijstandswet. Daarom zeggen wij dat wij moeten blijven doordenken over een verdere verzelfstandiging, ook in het kader van de Algemene bijstandswet.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Dat is precies mijn probleem Iedereen denkt daar almaar over na, daarmee suggererend dat individualisering binnenkort een keer gerealiseerd zal worden. Ik ga met uw betoog mee tot en met degenen die aan de referte-eis kunnen voldoen. De RWW is oorspronkelijk in het leven geroepen omdat schoolverlaters die nog geen arbeidsverleden hadden tot de arbeidsmarkt moesten toetreden. Op dat moment waren de abituriënten nog niet oud genoeg om als volwassen werknemer te worden aangemerkt. Toen kwamen zij als het ware in een voorportaal terecht en dat was de RWW. Dat nu veel meer mensen onder de RWW vallen, is een andere zaak, die wij met zijn allen zeer betreuren. Wij moeten via de herverdeling van arbeid en dergelijke hard aan de oplossing van dit probleem werken. Er blijft echter over dat je bijstand nodig hebt om de mensen die geen beroep op een verzekering kunnen doen, op te vangen. Wij staan nu voor de vraag, die na lang nadenken in principe beantwoord moet worden, of er volledig geïndividualiseerd moet worden of niet. Naar mijn mening kan dit niet. Het moet ook niet gebeuren, want het is een vangnetvoorziening. Anders moet je ook de mensen die nu in de bijstand terecht komen in de nieuwe werkloosheidswet onderbrengen. Ik stel u nu maar eens voor deze hamvraag. Ik discussieer al jaren met u over de vraag of er in steeds verdergaande stappen geïndividualiseerd moet worden. Er komt niets van. De een zegt dat het te duur is en dat wij in de tijd gezien een prioriteit moeten stellen. De ander zegt dat hij over het probleem nadenkt en dat hij kleine stapjes wil zetten. Ik neem dit nog niet eens u zozeer kwalijk, maar meer het kabinet. In de officiële stukken van het kabinet komt die tweeslachtigheid zelfs naar voren. Bij dit debat wil ik graag duidelijkheid over deze kwestie.

De heer Buurmeijer (PvdA): Dat had ik ook begrepen, zowel uit de schriftelijke gedachtenwisseling, als uit uw eerste termijn van gisteren, die u zojuist wat heeft verlengd. U

vond dat het kabinet met zinsneden als ' nu nog niet' en 'thans nog niet' eigenlijk al te ver ging. Ik kom hier straks op terug. Ik heb mij op dit punt voorbereid, omdat ik juist enige hoop put uit de teksten die u bestrijdt. Want wat is het probleem waarvoor wij staan? Als antwoord op uw uitgebreide interruptie wil ik toch nog wel het volgende zeggen. Juist bij de jonge generatie komt het voor dat schoolverlaters geen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Dan komen zij nu in de RWW. Nu komen twee jonge mensen in een bepaalde vorm tot samenwonen. Een van hen heeft het geluk gehad om op de arbeidsmarkt te komen, maar de ander niet. Onverkort en onverbiddellijk -of zij dit willen of niet -ontstaat er in zo'n geval een situatie van economische afhankelijkheid voor degene die niet de kans heeft gehad die toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, maar rechtstreeks in de RWW is gekomen ten opzichte van degene die het geluk heeft gehad wel een baan te krijgen. Als wij willen dat dit juist bij jongeren op een andere manier gaat verlopen, dan moeten wij niet doorgaan mensen in een dergelijke afhankelijkheidspositie te brengen. Wij weten allemaal dat grosso modo de meisjes, de jonge vrouwen in een dergelijke afhankelijkheidspositie komen. Wij mogen dan niet zeggen dat wij niet verder gaan, omdat het te veel geld zou kosten -ik zal daarover straks nog spreken -en dat wij het nog eens apart gaan bekijken. Wij zullen ons eerst de hersenen moeten verzwikken of het mogelijk is dat wij een geïndividualiseerd systeem kunnen krijgen. Ik erken ten volle dat de weg daarheen niet eenvoudig is. Dat is echter geen legitimatie om er maar vanaf te zien en over dit punt niet meer na te denken. Ik heb daarom vanuit onze fractie bij de schriftelijke procedure een model voor een dergelijke langetermijnbenadering trachten te schilderen. Wij zeggen niet dat dat nu hét model was, maar ik moet tot mijn spijt constateren dat de regering hierpp niet of nauwelijks is ingegaan. Als de regering zich op deze wijze blijft opstellen, wordt het perspectief op de economische zelfstandigheid op dood spoor gezet. Wij dreigen dan te komen in een situatie, dat beter opgeleiden -de mensen met de toegang tot de arbeidsmarkt -die economische zelfstandigheid wel kunnen krijgen en dat zij onderling wel relaties kunnen aangaan. Diegenen echter, voor wie meer drempels aanwezig zijn en die meer 'onderaan' blijven hangen, komen dan opnieuw, bijna natuurwendig, in deze economische afhankelijkheidspositie. Daarmee is er dan naast een generatietegenstelling ook bijna sprake van een klassetegenstelling op het punt van het bereiken van economische zelfstandigheid. Dit zint de fractie van de PvdA niet. Dit spreekt ons niet aan. Daarom vinden wij dat wij toch het doel moeten blijven nastreven. Ik put daarbij enige hoop uit woordjes als: 'thans nog niet', 'voorals nog niet', dat er met de regering nog over valt te praten.

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik begrijp niet waarom de PvdA niet kiest voor een bepaalde invulling van het begrip 'economische eenheid'. De heer Buurmeijer zegt, dat er privaatrechtelijk alleen een economische eenheid is in het huwelijk, anderszins niet. Waarom is de conclusie van hem niet dat er alleen maar een economische eenheid kan zijn, als twee mensen -of meer -dat vrijwillig met elkaar afspreken? Dat zou dan alleen de basis moeten zijn voor de beoordeling van de economische eenheid. Dat is in feite de conclusie van zijn verhaal, maar hij trekt haar niet.

De heer Buurmeijer (PvdA): Dat klopt. Wij hebben het wel overwogen. Hoe moet je overgaan tot die vrijwillige registratie? Wij hebben de regering verzocht daar nog naar te kijken en het niet uit te sluiten. Maar stel, dat mensen gaan zeggen: nu past het mij niet om mij te melden. Bij de omschrijving van dat geheel zou buiten de eerste beoordeling van wat mensen zelf vinden een begin kunnen worden gemaakt. Nu nemen wij genoegen met de verbale bevestiging van één ambtenaar, die het opschrijft. Het is ook mogelijk, dat mensen het melden. Dan gaat het wel om degenen die zelf de onderlinge zorgplicht wensen te effectueren. Dat wil niet zeggen, dat in alle andere situaties geen onderlinge economische verstrengeling aanwezig kan zijn. Daar zit het dilemma.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dat begrijp ik ook wel. Met uw definitie ontkomt u niet aan de conclusie, dat ook zogenaamde tandenborstelcontrole en dergelijke tot de mogelijkheden behoren. U geeft geen enkel criterium voor het begrip 'economische eenheid'. Als u zoudt kiezen voor vrijwillige economische eenheid, kan verder worden gedacht over de vraag, of het verder in alle wetten consequent moet worden toegepast, in de overgangssituatie naar een verdere individualisering. Zo komt u niet uit het probleem.

De heer Buurmeijer (PvdA): Mevrouw Brouwer kan niet staande houden dat wij geen criteria hebben aangegeven. In de schriftelijke procedure hebben wij een aantal elementen naar voren gebracht en ik heb die in dit debat herhaald. Ik doel op de elementen die ook in de belastingwetgeving voorkomen. Ik denk aan het samen bewonen van een woning, met daaraan toegevoegd het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Dan is er geen sprake meer van de beperkende definitie van woningdelers, maar gaat het om meer. Ik wil ook zeggen waar onze twijfel zit. Dat is het geval bij dat tweede element. De vraag is of je op basis van objectieve criteria de zaak voldoende helder hebt afgeschermd. Op grond van die twijfel zeg ik nu niet: wat is voorgesteld van de zijde van de regeringspartijen vind ik fantastisch. Wij hebben een en ander ook overwogen. Wij zijn niet zover gekomen om tot die amendering over te gaan. Wij sluiten niet uit, dat dan dezelfde soort vragen opkomen om tot vaststelling te kunnen komen. Het lijkt mij niet onverstandig in deze buitengewoon ingewikkelde problematiek om dat erkennen. Ik heb, voordat ik geïnterrumpeerd werd, dit al gedaan. Dat vraagstuk hebben wij nog niet tot een eindoplossing kunnen brengen. Toen kwam mevrouw Brouwer met dat andere perspectief op de proppen door te zeggen: eigenlijk is er maar één weg waarlangs je eruit kan komen, namelijk door uit te gaan van een geïndividualiseerd uitkeringssysteem. Als wij die weg verder niet meer wensen te bewandelen, ook op het punt van de minimumbehoeftevoorziening, dan sluit ik niet uit dat wij rond die economische eenheid continu in de problemen blijven. Vandaar, dat de PvdA-fractie de discussie op beide sporen wil voortzetten, maar geenszins de pretentie heeft, een sluitende formulering te kunnen geven op dat ene onderdeel. Daarom zeg ik ook dat er zeker geen uitbreiding van de werkingssfeer mag komen. Voorzitter. Ik keer terug tot het element van de verzelfstandiging in de zin van individualisering van uitkeringsrecht op het niveau van de minimumbehoeftevoorziening.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Gisteravond heeft mevrouw Kraaijeveld namens de CDA-fractie gezegd -en ik heb begrepen dat het vandaag herhaald is -dat dit niet kan vanwege de zogenaamde gezinsbenadering. Zij keert zich op grond daarvan principieel tegen een verdergaande individualisering. Wij delen die opvatting niet. Mevrow Kraaijeveld-Wouters (CDA): Nee, vanwege behoefte en draagkracht in het kader van het begrip 'voorziening'. U kunt zeggen: dit is gezinsbenadering. Wij hebben dat van ouds 'gezinsbijstand' genoemd. Ik zeg dit met u, om dit soort discussies maar even te ontlopen, hoewel wij het gezin hoog achten. Ik wijs op economische eenheid, draagkracht en behoefte.

De heer Buurmeijer (PvdA)undefined: Mijnheer de Voorzitter! De economische eenheid begint bij een alleenstaande, die zelfstandig een huishouding voert en zelfstandig zijn zaken regelt. Daarom zei ik dat wat ons betreft als het gaat om het minimumbehoefteniveau ook voor de alleenstaande wel de toets blijft op vermogen en inkomen. De heer Linschoten gaf daaraan een bepaalde interpretatie en deed net alsof het element van de individualisering te maken zou hebben met het gegeven van de bodemvoorziening, waarbij gevraagd wordt om wat men heeft aan middelen primair aan te spreken voordat de overheid haar rol gaat vervullen. In die zin blijven wij de co.mplementaire werking van de Algemene Bijstandswet onderschrijven, ook ten aanzien van de alleenstaande; als deze over vermogen beschikt, zal hij dat moeten aanspreken voordat de Algemene Bijstandswet kan worden aangesproken. Dat heeft op zichzelf niets te maken met individualisering, want ook voor de alleenstaande behoort dat te gelden. Is het de opvatting van de regering dat de Algemene Bijstandswet ten principale niet geïndividualiseerd kan worden? Ik vind de reactie van de regering daarop gewenst, omdat de regering -dat moet ik mevrouw Kraaijeveld toegeven -een wat ambivalente reactie heeft gegeven aan de Kamer, Ik heb begrepen dat de regering een en ander niet uitsluit. Mevrouw Kraaijeveld heeft gezegd: u hebt te veel gesuggereerd; u zou terug moeten gaan. Als wij samen kunnen regelen dat de regering in ieder geval uitspreekt wat haar visie is op dit punt, zou ik dat erg aardig vinden. Men herinnert zich misschien dat ik al eens eerder heb uitgesproken, dat vermoed kan worden dat er ook gelet op de politieke kleur van beide bewindslieden enig verschil is. Wij menen ook, te hebben kunnen constateren dat uit de lijn van het emancipatiebeleidsplan mogelijkheden voor verdergaande individualisering kunnen voortkomen. Ik nodig daarom de bewindslieden nogmaals uit, een duidelijke reactie te geven. In het door ons geschetste denkmodel gaan wij uit van een individueel uitkeringsrecht van 50% van het huidige sociale minimum voor een echtpaar. Hieraan kunnen, in tegenstelling tot de huidige redenering, geen kostenbesparende effecten worden ontleend. Het is juist andersom. Er kan sprake zijn van draagkrachtbelastende factoren voor een alleenstaande met kinderen, van kostenverzwarende factoren voor de alleenstaande in de zin van het zelfstandig voeren van een huishouding. Wat in de huidige benadering leidt tot verlaging van de uitkering als gevolg van samenwonen en het hebben van een gemeenschappelijke huishouding, is in onze redenering een reden voor niveauverhoging als het gaat om een alleenstaande. Langs deze lijn redenerend, kiezen wij voor een opbouwmodel en niet voor een model, waarmee de zaak wordt verlaagd. In ons denken zou gerechtigde moeten aantonen dat hij of zij zelfstandig woont en een eigen huishouding voert, dan wel uitsluitend een eigen huishouding voert. Overigens is de basisuitkering, de kale 50%, in deze redenering volledig geïndividualiseerd en niet afhankelijk van een partnerinkomen. Om misverstanden te voorkomen, hecht ik eraan, hierbij op te merken dat de PvdA steeds een open oog heeft gehad voor de bescherming van bestaande economische afhankelijkheid. Ik doel hierbij op een oudere generatie, voor wie het een bevrijding was, niet langer te behoeven werken. Toen ik zelf in het begin van de jaren zestig naar Twente kwam en daar kennismaakte met de jeugdige medewerksters in de textiel-en confectie-industrie, begreep ik hun verlangen om te huwen en kinderen op te voeden. Anders dan bij mijn plaatsgenoot, collega Weijers, die dit beeld gisteren ook gebruikte, heb ik dat verlangen altijd gezien tegen de achtergrond van weerzin tegen de slechte arbeidsomstandigheden, het geestdodende werk en het gebrek aan perspectief op de arbeidsmarkt voor deze vaak laag geschoolde vrouwen. Anderzijds erken ik dat degenen, die toen aan de arbeidsmarkt zijn ontvlucht, binnen het voor Nederland kenmerkende kostwinnersmodel bescherming hebben gevonden. Zij mogen thans van de verdergaan-de en noodzakelijke individualisering geen hinder ervaren, waarmee hun gevoelsmatige veiligheid zou worden aangetast. Vandaar dat wij de gedachte over een leeftijdsgebonden invoering van economische zelfstandigheid, zoals door de Emancipatieraad bepleit, alleszins bespreekbaar achten. De regering is in dit opzicht ambivalent. De voorstellen, opgenomen in het emancipatiebeleidsplan, sporen niet met de reactie, die wij kregen op onze voorstellen en die is aangegeven in de memorie van antwoord en in de nota naar aanleiding van het eindverslag. Uit die reactie begreep ik overigens, dat het ging om een vermoede uitgavenstijging ten aanzien waarvan de regering zich terughoudend opstelde. Ik vind dat, vóór wij nagaan of wij deze weg willen volgen, het niet verstandig is om te zeggen dat het miljarden gaat kosten. De regering heeft gesuggereerd aan de hand van een vraag van mevrouw Kraaijeveld, dat dit meer dan 20 mld. zou kosten. Ook de minister van Sociale Zaken heeft mij dit tijdens een UCV voor de voeten gegooid. Als dit het bezwaar is, constateer ik dat er geen principiële bezwaren zijn en dat de bezwaren van het CDA, als zou de volledige individualisering niet aansluiten bij de maatschappelijke werkelijkheid, niet door het kabinet worden gedeeld. Aan het CDA vraag ik met nadruk om in dit debat nader te verduidelijken over welke maatschappelijke werkelijkheid het hier gaat. Ik heb niet op het oog, te stellen: voor allen in één keer. Echter, juist gelet op de leeftijdsgebonden introductie hiervan kan het niet zo zijn dat met name voor een jongere generatie, waarbij een sterk gewijzigd leefpatroon aanwezig is, niet zou kunnen gelden dat wij deze weg zouden volgen. Ook is het niet juist, te stellen dat er sprake zou zijn van verzet uit de samenleving omdat dit niet zou passen in de maatschappelijke werkelijkheid. Ik geloof er niets van;

Sociale zekerheid (stelselherziening)

gelukkig maar. Het beleid moet juist anticiperen op wat er nu bij de mensen leeft; het mag er niet achteraan lopen waardoor een nieuwe generatie gefrustreerd dreigt te worden. Voorzitter, resumerend stel ik voor, het denken inzake individualisering niet stop te zetten als de voorziening in de minimale behoeften in het geding is. Ik moet erkennen dat het een niet geringe opgave is om enerzijds bescherming te moeten bieden aan de oudere generatie en tegelijkertijd perspectief op vergroting van economische zelfstandigheid aan de nieuwe generatie te moeten bieden. De fractie van de Partij van de Arbeid verzet zich er nadrukkelijk tegen dat het streven naar economische zelfstandigheid door de regering conform de opvatting van het CDA toch eigenlijk op dood spoor is gezet. Nogmaals, wij pretenderen niet dat wij er al uit zouden zijn met het geschetste model. Het is een denkraam, waarover wij graag verder willen discussiëren, ook over de leeftijdsgewijze introductie. Is de regering bereid, hierover verder haar gedachten te laten gaan, de voor-en nadelen af te wegen en een poging te ondernemen om een weg te vinden die perspectief biedt? Als de regering in dit debat de bereidheid daartoe toont, dan denken wij graag mee, uitgaande van de opvattingen die ik nu globaal naar voren heb gebracht. Voorzitter! Mijn allerlaatste opmerkingen hebben betrekking op de wijze waarop de Algemene Bijstandswet bij deze stelselherziening is betrokken. Wij hebben de indruk dat met name de huidige beheerder van de portefeuille waarin de bijstandwet zit, in onvoldoende mate alert is op de functie van de Algemene Bijstandswet. Hij is in onvoldoende mate alert om al diegenen die op die Algemene Bijstandswet zijn aangewezen, integraal bij dit stelselherzieningsgebeuren te betrekken. Collega Bosman hield gisteren zijn maidenspeech. Hij zal het zo niet bedoeld hebben, maar als hij hier met enige furore meldt dat de WAO'er niet in de bijstand zal komen, is dat voor WAO'ers van groot belang. Wij dienen ons tegelijkertijd echter te realiseren dat al die mensen die geen andere mogelijkheid hebben dan rechtstreeks in de bijstand te komen, zo langzamerhand door dit soort opmerkingen van de zijde van de regering -de heer De Graaf sprak hierover -het gevoel krijgen dat zij wel echt aan zichzelf overgeleverd zijn en dat zij helemaal achter in de rij staan. Dat zou de regering zich veel meer moeten realiseren als het gaat om de allerkwetsbaarsten in onze samenleving. Dat zijn diegenen die rechtstreeks de bijstandswet zijn ingesluisd. De regering heeft eigenlijk niets ondernomen op het punt van de immateriële betekenis van het moeten rondkomen van de bijstand. Deze regeringscombinatie heeft getoond dat zij daar geen oog voor heeft en ik vind dat zij ook op die gronden niet terug zou moeten komen. In een rapport van het OSA, van prof. Köbben van het onderzoeksinstituut uit Leiden, werd nog eens geïllustreerd, welke uitwerking het op de samenleving heeft dat de regering niets heeft ondernomen op dit punt. De beheerder van de portefeuille heeft wel mensen achter de gemeenten aangestuurd om na te gaan, of zij de voordeurdelersmaatregelen uitvoerden. Hij heeft zijn ambtenaren wel belast met nadenken over de omgekeerde bewijslast en met het nader omschrijven van sancties. Op zichzelf mag dit natuurlijk wel, maar heeft de staatssecretaris zijn ambtenaren ook het land ingestuurd om met gemeenten te praten over beleidsinitiatieven en over het bieden van nog enig perspectief aan de mensen aldaar die op de bijstandswet zijn aangewezen? Dat hebben wij de laatste jaren sterk gemist. Daardoor twijfelen wij ook ernstig aan de wijze waarop deze portefeuille immaterieel is beheerd. Wij hebben daarover al eerder opmerkingen gemaakt. Ik meen echter bij dit probleem van de stelselherziening ook op te moeten merken dat de bijstandswet veel meer integraal in dit hele denken aanwezig hoort te zijn.

©

J. (Jeltje) van NieuwenhovenMevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Voorzitter! De toeslagenwet strekt ertoe, de huidige minimumdagloonbepalingen in de huidige sociale zekerheidswetten te vervangen. In die huidige minimumdagloonbepalingen geldt het kostwinnersbeginsel voor gehuwden. Er vindt geen gelijkstelling van ongehuwden aan gehuwden plaats. Dat die minimumdagloonbepalingen een kostwinnersbeginsel bevatten, vindt mijn fractie goed. Ik behoor niet tot degenen die bereid zijn om met een spandoekje de straat op te gaan en te roepen 'weg met het kostwinnersbeginsel'. Het kostwinnersbeginsel in de sociale zekerheid is net zo goed een verworvenheid als heel veel andere maatregelen in de sociale zekerheid. Als wij die verworvenheid willen afschaffen, moeten wij daarover heel goed nadenken en heel goed nagaan welke groepen wij daarmee eventueel kunnen treffen en zelfs onnodig zouden treffen. Ik zei al dat er op het ogenblik in de minimumdagloonbepalingen ongehuwden niet gelijk worden gesteld aan gehuwden. Mijn fractie vindt het ook niet nodig om ongehuwden onder die bepalingen te brengen. In het verlengde daarvan vindt mijn fractie de toeslagenwet ook niet nodig. U hebt dat ook al uit de schriftelijke behandeling kunnen opmaken. Daarmee -het zij nogmaals gezegd -willen wij niet uitspreken dat wij tegen het verlenen van toeslagen zijn op individuele loondervingsuitkeringen. Daarvoor geldt namelijk dat wij de bescherming van het minimum dagloon wel degelijk waarderen. Wij denken echter dat het verlenen van toeslagen vooral op de korte termijn heel noodzakelijk is. Wij hopen dat vanwege deelname aan betaalde arbeid die kostwinnersbepalingen op zichzelf op een gegeven moment kunnen worden vervangen. De argumentatie voor een aparte toeslagenwet lijkt veel meer te berusten op de financiering dan op een werkelijk principiële standpuntbepaling. Toeslagen zijn volgens de regering veel meer een vorm van solidariteit, terwijl bij de individuele loondervingsuitkeringen het equivalentiebeginsel vooropstaat. De regering vindt het ongewenst, met name de solidariteit tussen degenen die wel en degenen die geen andere personen tot hun financiële last hebben, tot uitdrukking te brengen. Mijns inziens vindt deze vermenging in dit voorstel ook plaats via de financiering uit de algemene middelen (solidariteit van de belastingbetalers). Zo argumenteert de regering ook in de nota naar aanleiding van het eindverslag: behoefte en draagkracht worden niet bepaald door het al dan niet formaliseren van een samenlevingsverband, maar door de feitelijke situatie. Vermogen en inkomen uit vermogen blijven buiten beschouwing voor de Sociale zekerheid (stelselherziening)

toeslagenwet. De regering stelt echter in nadere regels voor de bepaling van inkomen, in artikel 5 van de toeslagenwet op te nemen dat bij voorbeeld beurzen niet buiten beschouwing blijven. Ik neem aan dat het in de meeste gevallen zal gaan om de beurs van de partner. Die beurs wordt dus in een nieuwe situatie voor 100% gekort. Inkomen uit arbeid, zo komt in de wet te staan, wordt gedeeltelijk gekort. Dat lijkt mij een zeer vreemde situatie voor studerenden die nu nog een beurs hebben en eventueel gaan samenwonen en onder deze bepalingen kunnen gaan vallen. In onze ogen is dit ook een zeer merkwaardige uitwerking van de minimum-behoefte-uitkering. Wij hebben in de schriftelijke behandeling ook aan de hand van argumenten naar voren gebracht, dat de uitkering van de toeslag aan de partner bij voorbeeld via de ABW kan lopen, zodat er een begin gemaakt wordt met individuele uitkeringsrechten voor iedereen. Wij hebben erbij gezegd, dat het ons vooral gaat om de systematiek. Het gaat ons er niet om, op dit moment de hoogte ervan vast te stellen. Dat hangt ook samen met het verhaal van mijn collega Buurmeijer. Wij erkennen, dat voor het minimumbehoefteniveau een andere regeling zou moeten kunnen gelden op dit moment. Wij zien ook dat dit een nadeel heeft, omdat er in de ABW wel een middelentoets is, wat nu niet voorkomt in de minimumdagloonbescherming. Het wordt ook niet voorgesteld in de Toeslagenwet. Het is echter een model, waarbij je een zekere verzelfstandiging van de partner kan krijgen. In die zin zijn wij ook enigszins teleurgesteld, dat de regering daarop weinig is ingegaan.

Staatssecretaris De Graaf: U heeft liever geen Toeslagenwet. Als een toeslag nodig is op grond van individuele behoeften in concrete situaties, zou men zich in uw visie tot de bijstand kunnen wenden. Zegt u in feite dan ook 'neen' tegen de minimumdagloongaranties in loongerelateerde uitkeringen? De consequentie is dan dat men naar twee loketten moet gaan om een totaal inkomen te krijgen.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Ik kom daarop nog terug. U begrijpt het in elk geval nog niet goed.

Ik heb al gezegd, dat voor ons die Toeslagenwet niet nodig was geweest. Met die constatering heeft u dus gelijk. Wij stellen, dat de kostwinnersbepaling in de minimumdagloonbescherming veel te hard nodig is geweest. Volgens ons zal dit op termijn minder worden. Wij willen die in elk geval op dit moment niet afschaffen. Aangezien wij echter de werkingssfeer van de minimumdagloonbescherming niet willen uitbreiden door ongehuwden ook daaronder te laten vallen, hebben wij de Toeslagenwet niet nodig, omdat de minimumdagloonbescherming voor gehuwden naar onze mening gewoon kan blijven bestaan in de huidige wetten. Wij zijn dus niet tegen toeslagen. Wij zijn ertegen om ongehuwden onder dezelfde werkingssfeer te brengen. Dat is het hoofdpunt van onze kritiek. Daarom hebben wij tijdens de schriftelijke voorbereiding een aantal modellen naar voren gebracht, waarvan de zojuist genoem-de er één was. Aanvullende loondervingsuitkeringen kunnen volgens de regering niet anders worden uitgekeerd dan bij de loonderving. De aanvulling voorziet echter in de miniumbehoeftefunctie. Als zodanig is er mijns inziens al sprake van een ander karakter dan bij pure loonderving. Dat is de regering ook van mening, gezien haar argumentatie ten aanzien van de financiering van de Toeslagenwet. Zij stelt voor om die, op grond van die gedachte, uit de algemene middelen te laten plaatsvinden en niet langer uit de fondsen ten aanzien van de loondervingsuitkering, zoals nu de minimumdagloonbescherming gefinancierd wordt. Ik wil nog spreken over een aantal verslechteringen die naar onze mening het gevolg zijn van de Toeslagenwet. Voor één-oudergezinnen, die van 100% naar 90% gaan, wordt een overgangsregeling voorgesteld voor de bestaande rechten. Daarbij wordt echter een herbezinning aangekondigd in verband met mogelijke lange overgangstermijnen. Noem dat maar rust. Er zou toch rust komen op het gebied van de sociale zekerheid? Dit lijkt mij voor één-oudergezinnen toch een aankondiging die weinig met rust te maken heeft. Al verschillende malen is door de regering aan de ene kant gezegd, dat er wijzigingen van de AWW komen. Daarbij gaat het ook om één-oudergezinnen.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Aan de andere kant wordt door de regering gezegd, dat men het nog eens goed moet bekijken. Vooral in de AAW kan men heel lange overgangstermijnen krijgen. Men weet niet of men die lange overgangstermijnen wel wil. De regering zal dus nog met nadere voorstellen komen. Het lijkt ons dus, dat er in de komende jaren voor de één-oudergezinnen weinig rust zal zijn. Mocht ik dit verkeerd zien, dan lijkt mij dat niet alleen belangrijk voor mij, maar ook voor de categorie één-oudergezinnen. Ik hoop dat de staatssecretaris hieraan aandacht wil besteden. Het is overigens ook nog zo, dat de overgangsregeling niet voor iedereen lijkt te gelden. Bij de laatste wijzigingen van de invoeringswet, lijkt het er op dat dit weer veranderd is. Die laatste wijziging heeft ons in een laat stadium bereikt. Daarom ben ik niet in de gelegenheid een en ander na te kijken. Daarom vraag ik de staatssecretaris in zijn antwoord enige opheldering over dit punt te verschaffen. Het lijkt ons ook een verslechtering dat buitenlanders met een gezin in het thuisland die onder de minimumdagloonbescherming vielen, niet onder de toeslagenwet zullen vallen. Daar ziet het althans naar uit. Ik doel nu op gehuwde buitenlanders. Als het geen gehuwde buitenlanders waren, konden zij ook niet onder de minimumdagloonbescherming vallen. Hier wordt dus het feitelijke criterium van het huwelijk niet erkend. Er is hierbij als het ware sprake van een omkering van de doelstelling die gold bij de situatie waarover collega Buurmeijer zojuist sprak. Het zou bijzonder vreemd zijn als wij buitenlanders de minimumdagloonbescherming die zij in de vorm van de toeslag op hun loondervingsverzekering ontvangen, onthielden. Wij zouden nu tegen de buitenlanders zeggen: 'U kunt niet meer onder die regeling vallen omdat u zich feitelijk niet als een huwelijk binnen de Nederlandse grenzen presenteert'. Dat is namelijk het nieuwe criterium in artikel 1, lid 3. Wij hebben op dit punt grote zorgen. Wij willen graag in dezen een toezegging van de staatssecretaris. Wij willen graag van hem horen dat hetgeen nu dreigt te gebeuren, niet doorgaat. De vrijlatingsbepalingen verslechteren ook. Die zullen volgens het 'magere' ABW-systeem gaan werken. Hierover kom ik nog te spreken.

De toeslagenwet behelst ook verbeteringen. Dat moet in alle eerlijkheid gezegd worden. Daarmee krijgen ongehuwd samenwonenden te maken. Zij hebben nu geen rechten. Sommigen hebben misschien rechten ingevolge de ABW. Het beschermingsniveau ligt ook op ABW-niveau. Het verschil is alleen: geen vermogenstoets. Voor betrokkenen betekent dit misschien een verbetering, maar wij achten dit uit het oogpunt van een verantwoorde aanwending van collectieve middelen geen juiste prioriteitsstelling. Mede om die reden, maar vooral vanwege de principiële reden en de praktische uitwerking, zeggen wij: ongehuwden zouden niet onder de werkingssfeer van deze wet moeten vallen. Vervolgens wil ik iets zeggen over de uitvoering van de toeslagenwet. Die wordt in handen van de bedrijfsverenigingen gelegd: geen directe overheidscontrole op uitgaven van de algemene middelen. De algemene bijstand wordt nu ook uit de algemene middelen betaald. Door de uitvoering door de gemeenten is het mogelijk dat dit democratisch gekozen orgaan hierop controle uitoefent. De eigen bijdrage van 10% die gemeerfen nu verschaffen, lijkt wel een prijs te zijn voor het mogen uitoefenen van die democratische controle. De zeggenschap van de toeslagenwet berust in de nieuwe voorstellen geheel bij de sociale partners. De regering zegt dan: de bedrijfsvereniging behoeft niet op leefeenheid te controleren. Ik vraag mij af hoe dat dan zit met één-oudergezinnen die om een toeslag vragen. Dan zal de bedrijfsvereniging toch moeten controleren of er al dan niet sprake is van enige vorm van leefeenheid. Het simpele feit dat iemand om toeslag verzoekt, kan toch ook op dat moment niet voldoende zijn! Misschien vergis ik mij daarin. De GSD zal bij aanvragen om algemene bijstand eerst kijken of er een geschikte voorziening is. Als die voorziening geweigerd wordt, komt pas de ABW aan de orde. Die wet vormt het sluitstuk van ons stelsel. Wij kunnen dan met zeer vreemde situaties te maken krijgen. Uitkering ingevolge de ABW kan geweigerd worden omdat het vermoeden bestaat dat men op enigerlei wijze in aanmerking komt voor de toeslagenwet. In dat geval moet verwezen worden naar de bedrijfsverenigingen.

De betrokkene kan ook eerst in beroep gaan in het kader van de ABW. In de toelichtingen bij de wetgeving staat echter dat de ABW de laatste voorziening in dezen is en dat de andere voorzieningen eerst in aanmerking komen. Het komt ons daarom voor, dat hiermee bedoeld wordt dat men door de bijstand verwezen wordt naar de bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging kan dan concluderen dat men niet in aanmerking komt voor de toeslagenwet. In dat geval is beroep mogelijk. Dat is keurig bij de wet geregeld. Stel dat het beroep wordt afgewezen, dan gaat de betrokkene terug naar de GSD die weer beoordeelt of betrokkene voor ABW in aanmerking komt volgens de ABW-criteria. Voor de toeslagenwet is er op dat moment geen sprake van een leefeenheid. Er moet echter wel uitgezocht worden volgens welk criterium men onder de ABW valt. Het lijkt ons dat daarmee een lange periode gemoeid is. Dat is ook al weer het gevolg van het feit dat het begrip 'economische eenheid' geen vaste omschrijving in deze wetgeving krijgt. In de invoeringswet wordt voor de controle op bepaalde categorieën, de hiervoor in aanmerking komende verwezen naar de normen van de toeslagenwet. In artikel 21 van de invoeringswet wordt zeer terecht een toeslag verleend voor de nWW. Een categorie jongeren tussen 21 en 27 jaar krijgt vanwege het zogenaamde 'kopje' op hun uitkering een toeslag van 5% uit de nWW. Hetzelfde geldt overigens voor de categorie in de AAW die voor dit zelfde 'kopje' in aanmerking kunnen komen. Kennelijk is het mogelijk om direct binnen de nWW toeslagen te blijven geven. In de stukken staat dat dit eerst getoetst moet worden aan de normen van de toeslagenwet. Kan de staatssecretaris dit uitleggen? Bij de toeslagenwet kan het alleen maar om twee mensen gaan. Alleenstaanden kunnen niet onder de toeslagenwet vallen anders dan dat zij een eenoudergezin zijn. De staatssecretaris wil dat niet maar wij zouden dat wel willen. De staatssecretaris moet mij eens uitleggen hoe ik deze formuleringen in de invoeringswet moet begrijpen. Iemand die bij voorbeeld zes weken onder de Ziektewet en onder het voor hem of haar relevante sociale minimum valt, moet aankloppen bij de bedrijfsvereniging. Deze vereniging zal moeten controleren of een toeslag in verband met de leefsituatie terecht is.

Alweer gaat het om de bedrijfsvereniging, terwijl de regering zegt dat deze geen taak heeft. Een probleem hierbij is dat in dit geval meteen al zes weken nadat deze wetten ingevoerd zijn, een en ander geheel georganiseerd moet zijn, omdat het heel goed mogelijk is dat er op dat moment al gevallen zijn die ik zojuist schetst. Ook hierop ontvangen wij graag een toelichting van de staatssecretaris. De beoordeling van de inlichtingen die de uitkeringsgerechtigden geacht worden over hun eventuele partners te verstrekken, blijft voor mijn fractie een probleem. Allereerst noem ik de privacybescherming. Ik heb indertijd een discussie gevoerd met staatssecretaris Van Amelsvoort over het bevolkingsregister. Deze antwoordde op vragen van de Kamer dat juist vanwege de privacybescherming, maar ook omdat hij geen juridisch formeel criterium kon formuleren in het bevolkingsregister niet opgenomen kon worden dat mensen op een bepaalde manier wensen samen te leven. Dat probleem is mijns inziens nog niet opgelost. Indien de partner waarover ik zojuist sprak, onjuiste inlichtingen heeft verstrekt aan de uitkeringsgerechtigde -dat zou kunnen gebeuren door de voortdurend voorkomende vage beschrijving in deze wet -lijkt het ons heel moeilijk bepaalde sancties toe te passen. Uitkeringsgerechtigden zouden voor een onder hetzelfde dak wonende zogenaamde partner, ook een toeslag kunnen claimen zonder dat betrokkene daarvan weet. Zoals uit de stukken blijkt hebben wij al eerder gezegd dat wij dit een inbreuk vinden op de privaatrechtelijke vrijheden van mensen op formeeljuridisch niet hard te maken gronden. Mensen die in dezelfde omstandigheden verkeren en zich zodanig naar buiten presenteren, worden vergeleken met gehuwden. Al met al blijven wij van mening dat in verband met privacy en fraudegevoeligheid, deze wet grote onrust zou kunnen veroorzaken onder de betrokkenen. Maar ook is de praktische uitvoerbaarheid van de wet allerminst verzekerd. Het amendement van VVD en CDA lost deze problemen helaas niet helemaal op. Omdat wij uit de schriftelijke behandeling menen te mogen opmaken dat de kamermeerderheid van CDA en VVD de regeringsvoorstellen zal steunen, menen wij een poging te moeten doen de Toeslagenwet acceptabeler te Sociale zekerheid (stelselherziening)

maken. Vandaar onze constructieve opstelling, met concrete amendementen om verbeteringen in de wet aan te brengen. De bedrijfsvereniging stelt de controlevoorschriften vast. Deze voorschriften behoeven de goedkeuring van de SVR en mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is. In de memorie van toelichting wordt nader uitgelegd, dat bij voorbeeld in beginsel van dag tot dag moet worden bezien of en, zo ja, in hoeverre recht op toeslag bestaat. Wijzigingen in de inkomenssituatie dienen eveneens te leiden tot een onmiddellijk ontstaan, eindigen of wijzigen van het recht op toeslag. Ook in deze wet zal het in verband met de beroepsregelingen beter zijn als men altijd schriftelijk in kennis wordt gesteld van de genomen beslissingen. Voorzitter! Waarom laat u dit lichtje branden? Ik raak daarvan een beetje in de war.

De Voorzitter: Had u niet ongeveer 20 minuten spreektijd voor dit onderdeel?

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Nee, 40 minuten en dan nog 1 5 minuten voor het andere onderdeel. Ik had een uur opgegeven.

De Voorzitter: Ik merk op dat de totale spreektijd van uw fractie de opgegeven tijd te buiten gaat.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Ik moet toch nog even doorgaan ...

De Voorzitter: Er is geen officiële spreektijdbeperking, maar ik vind het prettig als men zich aan de zelf opgegeven spreektijd houdt.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Ik heb 40 minuten opgegeven, dus ik kwam in verwarring door het branden van het lichtje.

De Voorzitter: Uw fractiegenoten hadden ook wat opgegeven!

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Daar kan ik ook niets aan doen. De omschrijvingen in de nieuwe Werkloosheidswet en in de Toeslagenwet van wat onder het minimunv loon moet worden verstaan zijn niet identiek. In de Toeslagenwet moet het minimumloon exclusief de minimumvakantiebijslag worden genomen. Wij begrijpen niet waarom de tekst van de Toeslagenwet op dit punt de tekst van de nieuwe WW niet volgt. Er moet nu een aantal ingewikkelde berekeningen in de Toeslagen wet worden toegepast. Financiering van het relevante sociale minimum via algemene middelen of via premieheffing heeft voor-en nadelen. In het kader van de verdere individualisering van inkomens moet de discussie in de toekomst gaan over de politieke keuze voor afbouw van toeslagen. Ik kom op de vrijlatingsregeling. Wij vinden dat die niet moeten aansluiten bij de ABW. Op zichzelf is de ABW-vrijlating eerder aan verbetering toe. Een beperking in de duur van de vrijlating is in verband met de huidige werkloosheid naar onze mening niet reëel. Bij het inkomen van een partner uit arbeid staat daar ook een arbeidsprestatie tegenover. Wij moeten ertegen waken de arbeidsdeelname van kleine tweeverdieners tegen te gaan. Wij hebben daarmee nogal onaangename ervaringen bij de belastingwetgeving. Eigenlijk zou vrijlating alleen van toepassing moeten zijn op eigen nadere inkomsten en zou het inkomen van de partner ook bij gehuwden niet in aanmerking moeten komen. Bij herverdeling van arbeid zal deze situatie nader herzien moeten worden. Daar staat natuurlijk tegenover dat de Partij van de Arbeid juist afwil van toeslagen voor mensen die beide werken. Ons voorstel is dan ook, 10% van het wettelijk minimumloon als vrijlatingsvoet te hebben en 30% van het meerdere tot een maximum van 15%. Door invoering van die drempel blijven de kleine tweeverdieners enigszins buiten schot. In verband met de vrijlatingsregeling in de diverse wetten wordt geen verworvenrechtenregeling vastgesteld door de regering. De AAW en de WW hebben nu een betere regeling dan voorgesteld wordt in de stukken. Eerlijkheidshalve voeg ik daaraan toe: ook een betere regeling dan wij op dit punt voorstellen. Wij wilden afwijken van de ABW-norm die door de regering wordt voorgesteld. Wij waren zeer aangenaam verrast door de opstelling van de CDA-fractie bij de schriftelijke behandeling. Zij bepleitte de AOW-vrijlatingssystematiek over te nemen voor de Toeslagenwet. Hierbij moet nog worden opgemerkt dat de amendementen van CDA en VVD over de vrijlatingsregeling, zoals deze nu verschenen zijn, een verbetering zijn ten opzichte van de kabinetsvoorstellen, maar nog steeds een verslechte ring ten opzichte van de huidige bepalingen. Ik kom op de bovenwettelijke uitkeringen. In verband met CA0-afspraken kunnen er -wij hebben dat in de schriftelijke behandeling ook opgemerkt -twee categorieën werknemers zijn. Ik moet erbij zeggen dat het kabinet mij wel enigszins overtuigd heeft van zijn argumentatie in de schriftelijke behandeling. Naar zijn mening zou het niet zo behoeven te zijn. In het gesprek dat wij met de SVR gevoerd hebben, werd echter gewezen op de mogelijkheid dat dit zich zou kunnen voordoen. Wij vinden het heel moeilijk om te voorspellen hoe dat zal gaan. Wij zouden op dat punt van de staatssecretaris willen horen of hij zich daarover nog nader een mening gevormd heeft en of hij daarover iets uiteen wil zetten. Wat de eenoudernorm betreft, hebben wij een amendement ingediend om de verlaging naar 90% weer terug te draaien. Wij willen op dat punt namelijk aansluiten bij de minimumdagloonbescherming, zoals die op dit moment geldt. De argumentatie van de regering dat het ooit een afleiding was van het AWW-pensioen en dat dit nu niet meer als criterium genomen behoefde te worden, heeft ons er niet van overtuigd dat wij niet weer die verhoging naar 100% moeten voorstellen. Collega Buurmeijer heeft al een heleboel gezegd over de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwden. Ik wil hierover nog één ding zeggen in verband met de wet gelijke behandeling. De regering ziet geen kans een wet gelijke behandeling te maken, waarin rechten geregeld kunnen worden, maar zij ziet wel kans om homoseksuele partners onder deze wetstekst te brengen, zelfs met de formulering dat zij daarmee feitelijk gelijkgesteld worden aan het huwelijk. Sterker nog, het CDA vindt het goed dat de homoseksuele samenlevingsvorm gelijkgesteld wordt aan het huwelijk, als dit geld oplevert voor de schatkist. Ik constateer dat aan CDA-beginselen op dat punt kennelijk een prijskaartje hangt. Minister-president Lubbers heeft vorig jaar tijdens een congres over arbeidstijdverkorting in de RAI in Amsterdam enkele uitspraken gedaan inzake de derde EG-richtlijn. Ik haal nu het stuk aan dat uitgetikt is aan de hand van de band die op dat congres is opgenomen. Ik moet dat wel doen, omdat de staatssecretaris, Sociale zekerheid (stelselherziening)

ook op het herhaalde verzoek hierom, steeds ontkend heeft dat de minister-president daar bepaalde dingen gezegd had. Mevrouw Zonderop heeft een vraag gesteld aan de minister-president. Zij zei: 'Er komt een richtlijn waaraan Nederland verplicht is te voldoen, de derde richtlijn. Daarbij gebeurt het volgende. Meewerkende vrouwen in het bedrijf worden weer weggewerkt, omdat het voor hun bedrijf zo ingewikkeld is. Tegelijkertijd worden er volgens de meest recente cijfers van het ministerie van Sociale Zaken vermoedelijk honderden miljoenen guldens gewonnen op de derde richtlijn, omdat er zoveel bezuinigingen zijn doorgevoerd dat die meer geld opleveren dan wat vrouwen aan rechten hebben verkregen. Hoe kunt u -dat is de minister-president -nu zeggen dat het zoveel geld kost? U verdient op emancipatie.' Toen zei de minister-president: 'Ja, het is ronduit. Ronduit moet worden toegegeven dat, als je een tijd lang de emancipatie en de verdeling van het werk volhoudt, dit grote voordelen geeft, ook voor belastingen en premies. Het is dus best mogelijk, ook tussendoor als je een vergelijking maakt van cijfers, dat er zo nu en dan dingen ook weer meevallen, omdat er meer mensen aan de slag komen. Dan vind ik, en daarmee doe ik een principe-uitspraak, dat die voordelen niet ten laste moeten komen van de schatkist, maar in het proces van individualisering en gelijke rechten aan iedereen toegekend moeten worden. Vervolgens kan daar dan weer een volgend stapje in gedaan worden.' Mevrouw Zonderop preciseert een en ander en zegt: dus dit is een toezegging dat het geld dat nu wordt verdient met de derde richtlijn wordt ingezet voor de verdere individualisering. De minister-president zegt daarop: 'Ik heb al eens eerder gezegd, dat wij grenzen gesteld hebben, in die zin dat wij niet vinden dat de kosten van de hele sociale zekerheid en dergelijke moeten uitdijen, maar dat de principiële blik erop gericht is om binnen die ruimte de mogelijkheden te verruimen naar de individualisering. Dus als u mij niet op postje X tegenover postje Y vangt, maar de principiële vraag stelt, dan krijgt u een principieel antwoord. Ik heb het eerder gegeven en ik herhaal het nog een keer'.

Ik vond dit een alleszins mooie bijdrage aan het emancipatieproces zoals wij dat voorstaan. Maar het schijnt of lijkt dat deze regering -ik zou bijna zeggen 'ook als de minis-ter-president het zegt', maar de regering spreekt altijd met één mond zegt staatssecretaris Kappeyne van de Coppello altijd -zich niet aan deze door haar gedane uitspraken houdt. Ik vind dat erg jammer. Ik krijg daarop graag een reactie van de staatssecretarissen. De verlengde vervolguitkeringen worden in verband met de individualisering een belangrijke stap genoemd op weg naar individualisering en naar economische onafhankelijkheid. In dit verband heb ik nog een vraag over de antwoorden 138 en 141 die zijn gegeven bij het beleidsplan Emancipatie. Kortheidshalve lees ik ze maar niet voor. Ik vraag de bewindslieden te kijken naar de antwoorden, omdat die volgens mijn fractie ingaan op het tijdelijke karakter dat de toeslagenwet zou hebben. Enerzijds wordt het tijdelijk karakter van de toeslagenwet aangegeven, terwijl anderzijds wordt gesproken over het bereiken van een gelijkwaardiger arbeidsdeelname. Wij denken dat door de uitbreiding van de werkingssfeer van deze wet dat juist weer tegengegaan wordt. Natuurlijk bestaat het traditionele huwelijk met zijn economische afhankelijkheid en zorgplicht nog. De politieke keuze moet zijn of alle andere leefvormen daarmee gelijkgesteld mogen en kunnen vormen. Dat lijkt ons niet juist in verband met de maatschappelijke ontwikkeling. Bij de alimentatie-en echtscheidingswetgeving ontdek je dat aan de zorgplicht die mensen onderling aangaan met het sluiten van het huwelijk, steeds nauwere grenzen worden gesteld. Dat is niet iets autonooms van de wetgever maar een reactie op de maatschappelijke ontwikkeling. Die gaat in de richting van een steeds grotere economische onafhankelijkheid ten opzichte van elkaar en het niet langer accepteren van een onderlinge onderhouds-en zorgplicht. Die ontwikkeling wordt doorkruist voor een nieuwe groep, namelijk de ongehuwd samenwonenden, door een onderlinge zorgplicht in economisch opzicht te veronderstellen. Mensen worden zo gedwongen in een keurslijf van de economische afhankelijkheid, zoals die bestaat binnen het huwelijk. Mensen gaan vaak ongehuwd samenwonen en trouwen niet, zo blijkt uit onderzoek, omdat ze juist geen economische en juridische afhankelijkheid aan willen gaan, maar alleen een emotionele en affectieve band. Over dat laatste moeten wij eerder verheugd zijn, dan dat wij nu proberen via gelijkstelling de mensen uit elkaar te jagen. Voor ongehuwd samenwonenden gaat er een element van ontmoediging van deelname aan de arbeidsmarkt van uit. Ik denk daarbij met name aan de kleine tweeverdieners die in de toekomst 'gratis' een toeslag van 30% kunnen claimen, terwijl ze met 20 uur hard werken wellicht 50% of 60% van hetminimumloon kunnen verdienen. Ik kom nog even terug op de tijdelijkheid van de regeling in verband met het amendement dat ik heb ingediend over de zogenaamde cohorteproblematiek. In dit geval gaat het erom dat jongeren die na 1990 18 jaar worden, niet meer in aanmerking zouden komen voor kostwinnerstoeslagen op hun uitkering. In het kader van het beleidsplan Emancipatie en de nota Leefvormen hebben wij daarover al gesproken. Ook collega Buurmeijer heeft dat nu gedaan. Wat betreft de inhoud van het amendement, behoef ik verder weinig toe te lichten. Ik merk wel op dat wij het een stap terug zouden vinden als het praten en discussiëren over een oplossing voor deze problematiek nu ophoudt met het verschijnen van het beleidsplan Emancipatie. Deze nota is door de Kamer voor kennisgeving aangenomen. Over een aantal moties is gestemd. Sommige zijn aangenomen en andere zijn -gelukkig, zeg ik erbij -verworpen. Dit mag toch niet betekenen dat er geen voortgang meer in zit. Ik ben heel benieuwd wat de verdere plannen van de staatssecretaris zijn. Natuurlijk wordt een dergelijke nota niet echt vastgesteld, maar de Kamer heeft er wel haar goedkeuring over uitgesproken. Ik ga nog even in op de werkingssfeer van de wet. Het aantal alleenstaanden dat in deeltijd werkt, is ruim 80.000. Dit blijkt uit het onderzoek. Als zij werkloos worden, kan hun inkomen onder het relevante sociale minimum komen. Dan hebben zij de ABW nodig om rond te komen. Dit is meteen al een 'tweelokettenproblematiek' die los staat van welke nieuwe regeling je ook zou ontwerpen om via de ABW toeslagen te verstrekken. Deze problematiek komt in de aan de orde zijnde wetgeving voor.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Daarom hebben wij voorgesteld de alleenstaanden onder de werkingssfeer van de toeslagenwet te brengen. Voor zover zij niet aan het sociaal minimum komen, moeten zij alsnog een toeslag op hun inkomen krijgen. Wat de regelingen van bezwaar en beroep betreft, krijgen wij van het kabinet graag duidelijkheid, wanneer dit goed geregeld wordt. Het belang van de rechtsbescherming voor betrokkenen neemt immers door het gecompliceerde karakter van de toeslagenwet toe. Uit de antwoorden van het kabinet, ook op de vragen naar aanleiding van de nWW, kan goede wil worden afgeleid, maar geen concreet schema en geen concrete voornemens.

©

C.I. (Ien)  DalesMevrouw Dales (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! In de jaren van recessie die achter ons liggen -wij hopen dat het dieptepunt van de recessie thans achter ons ligt en de werkloosheid durend verder zal kunnen afnemen -was er één vast baken voor oudere werkloze werknemers: sinds 1976 was er in de WWV de regeling voor werknemers van 57 jaar en 6 maanden. In de volksmond werd dit de verlengde WWV genoemd. Die jaren zijn bij tijd en wijle zeer zwart geweest. Gemeentelijke sociale diensten kwamen in grote problemen door de grote toevloed van werklozen. Het ministerie van Sociale Zaken werd vrijwel gebombardeerd met verzoeken om werktijdverkorting. Ik herinner mij dat in een arbeidsbureau in een van de grote steden de grafiek die het verloop van de werkloosheid aangaf, vrijwel loodrecht omhoog ging. Hierbij deed zich het hoogst ongewone feit voor dat er een vel papier boven moest worden geplakt. Ik zou dit niet vermelden, als ik dit destijds niet met huiver had opgemerkt. Mijnheer de Voorzitter! In die tijd was er één vast baken en dat is mogelijk het meest bekende element uit het stelsel van sociale zekerheid geweest, namelijk als je je werk kon behouden totdat je 57V2 jaar was, dan was je eigenlijk veilig. Behalve de immateriële narigheid die velen van de werkloosheid ondervonden, beperkte de schade zich tot een eigenlijk geringe terugval in inkomen. Verder behoefde men geen angst te hebben. In de ontwerpen die nu voorliggen, is dat vaste baken weg. In 1 976 stond de desbetreffende wet in het Staatsblad en in 1984 nam de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer De Graaf, een voorschot op de stelselherziening, want 'het duurde allemaal zo lang', en dat was ook zo. Zijn motivering was dat de bescherming van oudere werkloze werknemers uitgebreid diende te worden. Hij nam op zodanige wijze een voorschot, dat men vanaf de leeftijd van 17 jaar en zes maanden tenminste op een minimumniveau in de WWV kon blijven. Dat gaf hoop. Je kon erover twisten -wij hebben dat in de Kamer ook gedaan -of dat voorschot niet wat royaler had gekund. Daarover hebben wij het nu niet meer. Het was een feit dat een voorschot werd genomen, dat aan het veilig baken van 57 jaar en zes maanden een uitbreiding gaf, waardoor de leeftijd verlaagd werd, waarop je in een zekere rust kon weten: erger kan mij niet gebeuren en dit is te dragen. Niet voor niets -tot vandaag steggelen wij daarover -meenden niet alleen diverse fracties in de Kamer, maar ook betrokkenen en belanghebbenden in de samenleving dat dat voorschot -omdat het betreurenswaardig zou zijn als mensen schade zouden lijden, als dat toen niet genomen was -mocht worden gezien als een teken dat dit in de nieuwe stelselwijziging die nog lang zou duren, overeind zou blijven. Dat nu, mijnheer de Voorzitter, is niet het geval. De thans voorgestelde bescherming van de oudere werkloze wernemers is slechter dan de bescherming van de oudere werkloze werknemers op dit moment. Ik noem een paar punten. De leeftijd waarop de bescherming ingaat ligt lager; de uitkering ligt op het minimumniveau. Door de recent genomen beslissingen met betrekking tot het vereiste arbeidsverleden in de nWW zullen minder mensen hiervan gebruik kunnen maken. In de loop van mijn betoog zal ik over andere nadelige verschillen nog spreken. Zeker, mijnheer de Voorzitter, wij wisten allen dat het de bedoeling was, dat de 'interimregeling in de WWV' van tijdelijke aard zou zijn. Daarover is helemaal geen twist geweest. Wij waren dat ook helemaal niet vergeten, zoals de staatssecretaris in de schriftelijke gedachtenwisseling suggereert. De staatssecretaris betoogt steeds, dat er geen sprake is van een verslechtering. Die discussie, die alle kenmerken van een wellesnietes discussie dreigt te gaan dragen, trekt hij naar het niveau van de verworven rechten voor ouderen, die thans reeds in de WW zitten of daarop zeker aanspraak zouden kunnen maken. De verworven rechten of de rechtmatige verwachtingen laten ons natuurlijk niet koud. Uit de schriftelijke gedachtenwisseling en de nota naar aanleiding van het eindverslag bij de Invoeringswet blijkt, dat de regering inderdaad haar best doet de verwachtingen voor de mensen, die er thans inzitten of er vlak voor staan, waar te maken. Dat valt op zich zelf, ook al lukt het nog niet helemaal, te prijzen. Wel valt het op, dat bij de indiening van de wetsontwerpen dat nog niet het geval was. Tot voor eergisteren waren er wijzigingen nodig om te regelen dat de verwachtingen van die mensen niet beschaamd zouden worden. Was het toen de wetsvoorstellen werden ingediend niet de bedoeling om die mensen althans niet in hun verwachtingen te beschamen en is -ik voer het niet in; de heer Weijers heeft het al gedaan -er op electorale gronden voor gekozen om dat ijlings alsnog te doen, of was het bij de indiening van de wetsvoorstellen wel de bedoeling en was er simpelweg onvoldoende over nagedacht, zodat er, onbedoeld, gaten in zaten die diverse nota's van wijzigingen nodig hebben gemaakt? Als de veronderstelling van slordigheid en haast door de coalitiepartners zo krachtig wordt verworpen, blijft mij slechts de conclusie over dat het aanvankelijk niet de bedoeling was, de mensen die er nu in zitten of er vlak voor staan niet in hun verwachtingen te beschamen. Ik wil hierop een reactie horen van de staatssecretaris. Misschien heeft hij nog een andere verklaring. Voorzitter! Wij behandelen thans niet het overgangsrecht. Wij beoordelen thans een stelsel. Als wij een stelsel beoordelen, is daarbij het overgangsrecht natuurlijk een onderdeel, ook niet zonder betekenis, maar is het geenszins de voornaamste toetssteen. Het gaat dan ook helemaal niet meer om de mensen die er thans in zitten. Het stelsel is bedoeld, als het aan de regering ligt, voor geruime tijd. Dan kunnen wij niet anders dan constateren dat die bescherming in het stelsel zoals het bedoeld is en nu door ons behandeld wordt slechter is dat op het ogenblik het geval is. Ik daag de staatssecretaris uit, nu in alle openbaarheid mondeling in de Kamer alsnog duidelijk te Sociale zekerheid (stelselherziening)

maken dat er geen sprake is van een verslechtering maar wie weet zelfs van een verbetering. Naar mijn mening hebben de voortdurend herhaalde voornemens tot verbeterde rechtsbescherming van de oudere werkloze werknemers een scharminkel van een wet tot resultaat gehad. En de staatssecretaris gaat rustig door tot in de info, die naar ik meen gisteren is gekomen. Hij stelt met betrekking tot de IOW: 'Om de positie van langdurig werklozen te verbeteren wil het kabinet'... enz.. Hij maakt niet eens gebruik van de handreikingen, door leden van de CDA-fractie gedaan. De heer Weijers sprak al tijden geleden in een mondeling overleg over een relatieve verbetering, een kleine vondst. De heer Gerritse maakte gisteren de prachtige formulering: de intentie onder de noodzaak van afslanking. Ik zou zeggen tot de staatssecretaris: neem die handreiking aan; misschien komt u daarmee door de bocht. Er is nog een andere mogelijkheid, namelijk dat de staatssecretaris de bescherming van de oudere werkloze werknemers, zoals die nu al in de verlengde WWV geruime tijd geldt, helemaal niet ziet. Hij heeft gezegd op een verkiezingsbijeenkomst in de Brabanthallen toen hij een overzicht gaf van de sociale zekerheid: 'En dan de RWW volgens de normen van de bijstandswet', een wat merkwaardige uitzondering voor mensen van 57,5 jaar en ouder laat ik nu buiten beschouwing. Ik vrees dat de staatssecretaris die voortdurend buiten beschouwing heeft gelaten. De wat merkwaardige uitzondering voor mensen van 57,5 jaar en ouder vinden wij in de considerans van de wetswijziging van destijds anders en meer in de richting van onze bedoelingen geformuleerd, namelijk: 'dat het wenselijk is, de financiële positie van oudere werknemers die langdurig werkloos zijn te verbeteren'. Ik noemde al enkele elementen, waarop de huidige wetsvoorstellen en met name dat inzake de IOW gebaseerd zijn. Ik noem er nog een, waarmee ik overga van mijn oordeel over de wet als geheel naar de beschouwing van een aantal onderdelen. Onder de huidige regeling hebben vrouwen een zelfstandig uitkeringsrecht als zij gewerkt hebben. Dat hebben wij niet zonder moeite weten te bewerkstelligen. Wij zullen ons allen wel herinneren dat een oorspronkelijk voorstel, dat dit moest verwerkelijken, door de regering moest worden teruggenomen. De derde richtlijn was echter dwingend en dus werd toch bereikt dat in de WWV de populatie, waarover wij nu spreken, een eigen uitkeringsrecht kreeg. Dat is in de onderhavige wet niet het geval. Daarin wordt, in artikel 4, heel misleidend gesteld: de werkloze werknemer en de echtgenoot hebben gelijkelijk recht op uitkering. Mijnheer de Voorzitter! Dat is niet juist. Zij hebben in elk geval geen gelijkelijk recht. Op zijn allerbest zou men kunnen zeggen dat de werkloze werknemer een eigen recht heeft en dat de echtgenoot een daarvan afhankelijk recht heeft. Nu probeert de staatssecretaris zich hieruit te redden door te zeggen dat de rollen kunnen worden verwisseld. Dat maakt echter niets uit. De derde richtlijn gaat over gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Wat hier feitelijk aan de hand is, is dat de echtgenoot in de situatie waarin beiden een recht hebben -dit wordt nu in de WWV erkend en kan ook worden geëffectueerd -ten hoogste een 'alternerend' recht heeft. Er is geen sprake van een gelijk recht. Graag verneem ik van de staatssecretaris voor emancipatiezaken hoe zij deze gelijkheid van rechten wil verdedigen. Het beste wat men hiervan kan zeggen, is dat er immer een gelijk recht is op uitbetaling van de helft van het bedrag dat krachtens het recht van één van beiden tot stand is gekomen. Eigenlijk is dit wat misleidend voor zover er over een recht wordt gesproken. Het gaat hier zelfs om een plicht. Wanneer de man wenst dat de uitbetaling gescheiden plaatsvindt, gebeurt dat zo, zelfs al zou de vrouw dit verschrikkelijk vinden. Die gescheiden uitbetaling kost de uitvoeringsorganisatie alleen maar extra geld. Ik zou graag vernemen, om welk bedrag het hier gaat. Elke uitbetaling kost een bepaald bedrag zodat gemakkelijk kan worden aangegeven hoe dit uitpakt. Van staatssecretaris Kappeyne van de Coppello zou ik graag horen, of zij het met mij eens is dat de hele emancipatoire oogst in dit wetsvoorstel bestaat uit de mogelijkheid tot gescheiden uitbetaling. Of kan zij dit weerleggen? Kan zij mij vertellen, hoe dit zich verhoudt tot de derde richtlijn, waarvan de regering tot mijn verrassing schriftelijk terstond en helder verklaarde dat naar het oordeel van de regering dit wetsvoorstel daaronder viel. Ik vrees, Voorzitter, dat er in feite helemaal geen emancipatoire oogst is en dat de gescheiden uitbetaling slechts emancipatoir beoogt. Ik heb nog een vraag te stellen aan de staatssecretaris. Er is de verplichting, zich voor de arbeidsmarkt beschikbaar te stellen met alles wat daarbij hoort. Het woord 'sollicitatieplicht' vind ik in dit verband zo slecht dat ik het niet wil gebruiken. Toch maakt het duidelijk wat hiermee in de wandeling wordt bedoeld. Ontegenzeggelijk gaat het hierbij in overwegende mate om vrouwen van rond 50 jaar. De regering heeft -ik verwijs nu naar de beleidsnota inzake de emancipatie maar het is ook eerder aan de orde geweest -de gedachte ontwikkeld dat men bij de jongste leeftijden moest beginnen met gelijke rechten. In dit geval begint de staatssecretaris met de ouderen, en wel met ongelijke rechten. Als een van beide echtgenoten niet voldoet aan de verplichtingen voor het behoud van de uitkering, dan kan daarop gekort worden. Stel nu dat beide echtgenoten gewerkt hebben. Dan zouden beiden in ieder geval in onze filosofie recht hebben op een eigen uitkering. Het zou tenminste nog van enige creativiteit getuigd hebben als de uitkeringsrechten in zo'n geval van elkaar gescheiden waren, zodat niet een van beiden onmiddellijk de gevolgen ondervindt van de misdragingen van de ander. Interessant is ook het geval waarin de vrouw geen arbeidsverleden heeft en de man de hort op is. Dan verliest die vrouw haar recht op uitkering. Daarmee komt zij in de verleiding om alle schijn te wekken dat die man nog wel bij haar woont. Dat is een heel interessante omgekeerde variant op de schijnverlating. Ik zal hier verder niet op ingaan, maar ik ben op dit punt ook in staat om op technisch gebied een paar heel leuke ballonnetjes op te laten. Kan de staatssecretaris uitgebreid ingaan niet alleen op het schrijnend gebrek aan het realiseren van zelfstandigheid in het geval dat beide partners gewerkt hebben, maar ook op de praktische 'ongelukkigheden' die dit inhoudt voor echtgenoten die niet beiden hebben gewerkt. Mijnheer de Voorzitter! Ik stel overigens dat een dergelijke oplossing onze voorkeur helemaal niet heeft. Wanneer de regering dit voorstel zo presenteert -het moet haar natuurlijk ernst zijn, anders had zij het niet Sociale zekerheid (stelselherziening)

gedaan -is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het geen onderdeel zou kunnen uitmaken van de Algemene Bijstandswet. Daarover kunnen wij nog lang steggelen en dat wil ik in tweede termijn ook graag doen als ik het antwoord van de staatssecretaris heb gehoord, want er is geen goede grond voor die veronderstelling te vinden. Ik ben overigens collega Nijhuis van de VVD dankbaar, die herinnerd heeft aan mijn uitdrukkelijke wens om een en ander eenvoudig te houden. Hij had ook dezelfde kritiek: dit is weer een veelheid van regels. Bovendien brengt een aparte wet in de uitvoering voor de uitvoeringsorganisaties extra kosten met zich mee. In de schriftelijke voorbereiding staat nogal vinnig dat de leden van de fractie van de PvdA deze opvatting niet hebben onderbouwd. Goed, ook door de ambtenaren is waanzinnig gehaast, dus zij zullen er overheen gelezen hebben. De staatssecretaris kan natuurlijk niet ontkennen dat twee systemen, waarbij sprake is van overloop vanwege bijzondere uitkeringen voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan of van het feit dat men de rollen wisselt of van het feit -en dat komt nogal eens voor -dat de echtgenoot zich gedurig minder gelukkig gedraagt en dat de echtgenote dan haar uitkeringsrecht verliest, wel meer geld kosten. Wij hadden overigens geen voorkeur daarvoor.

Staatssecretaris De Graaf: Mevrouw Dales sprak over een overloop. Ik wil het graag begrijpen. Zij zegt dat het bestaan van een aparte IOW naast de Bijstandswet extra geld kost. Omdat men echter normaliter onder de ene of onder de andere regeling valt is de opzet van de IOW op zijn minst op één niet onbelangrijk onderdeel eenvoudiger. Uit andere stukken weet mevrouw Dales wel dat de uitvoeringskosten van bij voorbeeld de RWW en de WWV niet verschillen. Het is mij dus nog niet helemaal duidelijk waarin die extra kosten zouden schuilen.

Mevrouw Dales (PvdA): Dat zijn administratiekosten.

Staatssecretaris De Graaf: Er moet een dossier gemaakt worden; het maakt toch niets uit of dat een dossier is voor de bijstandswet of voor...?

Mevrouw Dales (PvdA): Bij alle overloopsituaties moeten nu twee dossiers worden gemaakt ingevolge uw eigen administratieve regelen voor de bijstand. Laten wij dan ook maar even in de dagelijkse praktijk duiken. Daarin moeten er ook twee computerbestanden zijn. Een aantal mensen zullen in een overloopsituatie een uitkering hebben vanwege extra bijstand voor bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan en er zullen mensen zijn die heen en weer hippen. Immers, die vrouw verliest haar recht op uitkering, wanneer die man in het gevang zit, in het buitenland vertoeft of iets dergelijks. De staatssecretaris heeft al die gevallen opgeschreven, dus die behoef ik nu niet te herhalen. Die vrouw moet dan toch naar de bijstand of had de staatssecretaris zich voorgesteld dat zij dan niets meer kreeg?

Staatssecretaris De Graaf: Dat soort mutaties vinden ook plaats in het kader van de bijstandswet. Ik heb het gevoel dat u nu over een aantal uitzonderingen praat. Ik moet eerlijk zeggen dat ik het niet kan volgen. Ik denk dat het merendeel van de gevallen sowieso eenvoudiger zullen zijn, omdat daarbij geen vermogenstoets is. Moet u eens kijken wat dat betekent! De IOW heeft exact de bedoeling dat de betrokkene niet doorloopt naarde bijstandswet. In het algemeen kan het dus hooguit om enkele uitzonderingsgevallen gaan in een overloopsituatie.

Mevrouw Dales (PvdA): Hebt u een schatting van die uitzonderingen gemaakt tegen de achtergrond van uw opvatting over passende arbeid?

Staatssecretaris De Graaf: U poneert een stelling. Ik heb dan graag dat u die onderbouwt.

Mevrouw Dales (PvdA): Neen, wacht even, nu vraagt u iets anders, ik onderbouw de stelling door te zeggen dat het hanteren van twee systemen en van twee bestanden duurder is dan één systeem en één bestand. Dit behoeft helemaal niet problematisch te zijn, gegeven het feit dat de IOW bijzonder grote mate van overeenkomst met de bijstandswet vertoont. Voorts heb ik gezegd dat de daar bovenop komende mutaties vanwege het periodiek verliezen van het recht in sommige gevallen en vanwege de mogelijke samenloop met bijstand voor bijzondere kosten van bestaan dit verergeren. Dit is de onderbouwing.

Nu vraagt u mij: wat kost dat? Neen, neen, ik vroeg u dit zelf eerst. Dit heb ik ook in de schriftelijke behandeling bij herhaling gedaan. Ik kan het nu dus ook niet zo maar zeggen. Ik kan daarvan wel een benadering geven, maar nu niet. Het ligt bovendien allereerst op uw weg, tenzij u zegt dat de onderbouwing die ik heb gegeven niet juist is of geen onderbouwing is. Welnu, dat heb ik u nog niet horen zeggen. Voorzitter! Onze voorkeur gaat uit naar het opnemen van deze oudere werkloze werknemers in een doorlopende vervolguitkering. Daarvoor bestaat een term, maar die weet ik niet zo gauw; u weet wel wat ik bedoel: het staartje van de nieuwe werkloosheidswet. U zult deze gedachte ook tegenkomen in een aantal amendementen. Dat zit veel dichter bij de huidige mate van bescherming. Anderszins heeft dit ook grote voordelen. De omgekeerde bewijslast komt in meer wetten voor. Die is inderdaad geïntroduceerd in de NWW en de IOW en pas opgevallen toen die in de ISMO-brief stond. Toen is er een storm van artikelen en commentaren geweest; in ieder geval was het een heel gedoe. In de ISMO-brief werd ook meegedeeld met toch iets van een juichtoon, dat het een geheel nieuw middel betrof, een geheel nieuw middel -het is herhaald in die brief -dat grote effecten kon hebben. Het was duidelijk dat het in het ontwerp van de zijde van de staatssecretaris over de omgekeerde bewijslast van meet af aan ging over fraudeurs. Het ging dus over mensen van wie was vastgesteld, eerder of op het moment dat de zaak diende, dat er inlichtingen niet gegeven waren, in het ergste geval met het oogmerk om een hogere uitkering te verkrijgen of te behouden. Welnu, dat is een misdrijf; ook geldt hiervoor artikel 49. Beide gevallen zijn zonder enige twijfel strafbare feiten. Aanvankelijk viel dit niet zo op, omdat het via wat moeilijke en meer algemene strafrechtsartikelen moest worden benaderd. Dit is nu echter door niemand meer te loochenen; ook niemand kan dit over het hoofd zien. Immers, in de IOW, zoals al eerder in andere wetten, zijn specifieke strafbepalingen opgenomen. Wij hebben het over die mensen die vergrijpen plegen in het kader van die bepalingen. Die mensen zijn op enigerlei wijze veroordeeld. En nu kun je het Sociale zekerheid (stelselherziening)

vermoeden hebben dat het al wat langer aan de orde was. Je kunt je daar ook fors aan ergeren. Je kunt een sterk vermoeden hebben. In dat geval vindt de staatssecretaris het recht en billijk in een geheel nieuw en te rechtvaardigen instrument, dat de uitvoeringsorganisatie dan het recht krijgt, te zeggen dat zij dat aanneemt en wel vanaf de eerste dag van uitkering. Als een uitvoeringsorganisatie een vermoeden heeft, behoort zij zulk een vermoeden na te gaan. Wij spreken natuurlijk over een gegrond vermoeden. Ik wil niet eens spreken over het denkbeeld, dat je zomaar een idee hebt. Er moet een gegrond vermoeden zijn. Er moet een aanwijzing zijn. Op grond daarvan moet een vermoeden zijn ontstaan dat het eerder is gebeurd. De uitvoeringsorganisatie kan dan niet zeggen dat het een vermoeden is. In een normaal fraudeonderzoek behoort dan een eventueel nader onderzoek plaats te vinden. Wij hebben hier te maken met een machteloosheidsconstructie. Wij gaan ervan uit -en dat komt ook voor -dat het vermoeden blijft, maar dat je het bewijs niet kunt leveren. Dan moet de verdachte -want dat is men inmiddels geworden -maar aangeven dat het niet zo is. Mijnheer de Voorzitter! In het strafrecht is het een heel oud en buitengewoon wezenlijk gegeven, dat de bewijslast niet mag worden omgedraaid. Dat is natuurlijk heel iets anders dan dat je niet mag trachten je vermoedens te verifiëren, dat je een cliënt niet mag bevragen of er niet achterheen zitten met de middelen die je ter beschikking staan. Dit mag niet alleen, dit hoort zo. Onder geen enkel beding mag je echter die bewijslast omdraaien. Dat is in het strafrecht strijdig met het Verdrag van Rome. En hier is niets anders aan de orde dan het strafrecht. Voor wie dit nog niet wist: dit is door de minister van Justitie tijdens de ISMO-UCV's nog eens uitvoerig uitgelegd. In het gewoel dat ontstaat, is de VVD gelukkig meteen tegen. Dat heeft mij niet eens verwonderd. Nog niet zo lang geleden, ook ter gelegenheid van de ISMO, is door staatssecretaris Koning van de VVD over de internationale fraude, inzake de problematiek van de belastingparadijzen, gezegd, dat hij elke variant van een dergelijke beleidsoptiek afwees.

Het lange verhaal dat hij toen heeft gehouden, zal ik nu niet herhalen. Van het CDA begreep ik... Nou nee, zo mag ik dat niet zeggen. De heer Weijers heeft gezegd dat, als je op je klompen kan aanvoelen dat je met een notoire fraudeur te maken hebt, je dit eigenlijk wel mag doen. Nu moet ik toegeven, dat mij gisteren niet geheel duidelijk werd of hij voor zijn fractie sprak. Ik durf de fractie van het CDA dus hierin niet direct te mengen. De heer Weijers sprak dus over 'een notoire fraudeur' en 'als je het op je klompen kunt aanvoelen'. Vervolgens heeft de staatssecretaris gezegd, dat het verkeerd begrepen is, dat men dit anders moet zien.

De heer Weijers (CDA): Voordat de klomp een eigen leven gaat leiden: ik heb dit in de stukken gezegd.

Mevrouw Dales (PvdA): Dank u zeer! U heeft het opgeschreven. Het was dus geen opwelling. Juist. U heeft het dus ook namens de fractie van het CDA opgeschreven?

De heer Weijers (CDA): Ja, dat is meestal het gebruik.

Mevrouw Dales (PvdA): Dat was ook nu het geval? U praat wel meer niet voor de microfoon en dan kan de helft van de zaal u niet verstaan. U zei: 'Ja, dat is meestal het gebruik'. Ik vraag u nu, of dat ook op dat moment zo was. U schreef namens de CDA-fractie op dat, wanneer je op je klompen kon aanvoelen dat je met een notoire fraudeur te maken had, je dan die omgekeerde bewijslast best kon voorstellen. Juist! De staatssecretaris trachtte ons duidelijk te maken dat het allemaal helemaal verkeerd begrepen was. Zijn verhaal was niet erg aannemelijk, want ook dat was allemaal opgeschreven en voorzien van een respectabel aantal parafen. De staatssecretaris zei dat de uitvoeringsorganisatie niet meer verplicht is om de omgekeerde bewijslast aan te nemen, maar wel bevoegd. Als de uitkeringsorganisatie van de bevoegdheid gebruik maakt, behoeft ze het niet beslist aan te nemen vanaf de datum waarop de eerste uitkering plaatsvond, maar kan ze ook een wat dichterbij gelegen datum kiezen. De uitkeringsorganisatie kan dan zeggen: Je hebt de uitkering nu vijf jaar. Ik heb een stevig vermoeden, maar ik kan het niet bewijzen en dat is ook niet nodig. Wij nemen gewoon twee jaar, geen vijf. Dat is niets anders dan, om met de woorden van staatssecretaris Koning Sociale zekerheid (stelselherziening) te spreken, 'een variant van de beleidsoptiek' met betrekking tot de omgekeerde bewijslast. Wij hebben gisteren de reactie van het CDA hierop kunnen vernemen: Zij weten het nog niet zo heel erg zeker. En helaas, dat viel me werkelijk bitter tegen, ook de VVD vond dat je er toch over moest kunnen spreken. Er waren wel veel bezwaren -de heer Linschoten sprak terecht van 'het duivels bewijs' -, maar ook de VVD zei niet: Daarvan kan geen sprake zijn! Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn principieel niet in voor enige discussie over de vraag of je wat rustiger kan omgaan met het verdrag van Rome. Maar ik wil ook nog op iets anders wijzen. Het is zo, dat in tijden van recessie er altijd een verharding optreedt. Het is zo, dat dit in de sociale zekerheid, die altijd, ongeacht het niveau en de reikwijdte en wat dies meer zij, altijd begint met de duidelijke oogmerken en ook de handelwijze van echte bescherming, ondersteuning, stimulansen om weer te kunnen meedoen. Dat wijzigt zich dan langzaam in recessietijd tot een houding die ik vanuit het Amerikaanse begrip zou willen vertalen als ' het maatregelen van de armen'. In die drift van het maatregelen onder invloed van de recessie raken mensen wel eens in de war. Dan kunnen zij wel eens een pad opgaan zoals dat van de omgekeerde bewijslast, waarmee wij als leden van een sociaal-democratie op geen enkele wijze willen worden geïdentificeerd. Over omgekeerde bewijslast valt met ons niet te spreken en die zal met onze medewerking ook niet worden geïntroduceerd, ook niet met een deur die op een kier staat. In feite zou je er dus nu niets meer over moeten zeggen, maar ik kan toch niet de lust weerstaan om ook nog iets praktisch aan de staatssecretaris te vragen. Dit type misdrijven en overtredingen dient ten principale te worden aangegeven. Wij hebben om redenen van de belasting van de rechtelijke macht uitvoeringsorganisaties de bevoegdheid gegeven om dat onder bepaalde omstandigheden na te laten. Er moet wel altijd aangifte worden gedaan bij recidive. Interessant is de vraag of, wanneer er iets bewezen is -en er valt dan nog wat te bewijzen -, men al dan niet van recidive moet spreken. In ieder geval is er toch wel sprake van een tweede keer. Ook moeten kleine bedragen aangegeven kunnen 4428

worden indien er sprake is van bijzonder boze opzet, hardnekkigheid enzovoorts. Wanneer je ertoe zou overgaan de periode waarin het gebeurd is te verlengen met een periode waarin je slechts méént dat het gebeurd is, kom je bij dat vergrijp zeer snel in de bedragen waarbij moet worden aangegeven. Daarvoor zijn richtlijnen. Daarmee wordt de belasting van de rechtelijke macht weer verzwaard. Dat zou mij overigens in dit geval deugd doen. Heeft de staatssecretaris erover nagedacht wat met een dergelijke aangifte, op basis van een vermoeden, door de rechter wordt gedaan? Ik vind het uiterst ongelukkig en uiterst regelzuchtig als men ten aanzien van mensen ver boven de vijftig zo kinderachtig optreedt. Ik denk hierbij aan het geven van permissie voor vrijwilligerswerk en dergelijke activiteiten. Ik kan mij iets dergelijks voorstellen in andere tijden, bij voorbeeld bij een goede economie. Ik zou er dan ook toe bereid zijn om ten aanzien van bepaalde groeperingen die in een goede arbeidsmarktpositie verkeren te zeggen: 'Dat moet je niet doen, zoek maar werk'. Dat is natuurlijk wel de hoofdzaak. Wij hebben nu echter met een slechte arbeidsmarkt te maken. En dan voor mensen van boven de vijftig een speciale bepaling te maken met dit soort kinderachtigheden! 't Is niet te geloven! De tekst bevat trouwens een heleboel betuttelingen. Ik denk hierbij aan de betalingstermijn. Laat toch wat ruimte op dat punt! Er is hier toch weer sprake van zoveel centralisme dat de honden er geen brood van lusten. Voorzitter! Opvallend is dat burgemeester en wethouders nu weer met een andere commissie te maken krijgen. lOW-commissie zal, naar men aanneemt, de functie van de RWW-commissie vervullen. Dat gebeurt gemakshalve. Er is iets voor te zeggen. Opvallend is ook, dat een expliciete uitspraak over een landelijke adviesstructuur ontbreekt. Wij vrezen dat men meer naar centralisme zal neigen. Gegeven het feit dat de IOW zeer verwant is met de systematiek van de ABW en gegeven het feit dat er in de wet als het ware nog ruimte zit -ik denk daarbij aan de algemene maatregelen van bestuur en de ministeriële besluiten; die geven de staatssecretaris veel ruimte, terwijl er sprake is van weinig 'tegenwicht' -menen wij dat het goed zou zijn als het college voor de Algemene bijstandswet wordt aangemerkt als de landelijke adviesinstantie voor de IOW. Deze wens is in een amendement neergelegd. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil graag nog iets meer van de staatssecretaris horen met betrekking tot de opvatting dat 10% door de gemeente moet worden betaald. De staatssecretaris zegt dat de gemeenten op dit punt vrij veel beleidsruimte hebben. Dit is een extra reden voor aanneming van het amendement dat ik zojuist heb genoemd. Wij zijn er echter nog niet zo van overtuigd dat hetgeen de staatssecretaris zegt, ook waar is. Ik wil hierover nu niet te verstrekkende uitspraken doen. Ik wil echter wel zeggen dat wij sterk neigen naar de mening dat het voorgestelde niet kan. Het gaat hierbij om een nieuwe taak. Zou er een vergoeding van 100% moeten zijn? Door vele sprekers is gezegd dat het niet aangaat de oudere zelfstandigen, die voor een belangrijk deel ten gevolge van de recessie niet meer in staat zijn de kosten voor levensonderhoud met arbeid te verdienen, er buiten te laten. Wij zijn het daarmee eens. De argumenten van de heer Linschoten met betrekking tot schoonheid en zuiverheid van deze wet delen wij absoluut niet. Wat ons betreft mag het hele ding als het ware wel onder de ABW geschoven worden of op een andere manier worden ingevuld. Ik vind het, met permissie mijnheer Linschoten, ook heel onbenullige argumenten. Wij hebben een amendement voorbereid. Tijdens de artikelsgewijze behandeling moeten wij maar over de details stoeien. Wederom komt in deze wet het kroonberoep voor. Dat wordt zo zoetjes aan een wat merkwaardige zaak. Een zeer verontruste minister van Justitie heeft hier tijden geleden gezegd dat de regering het hoogst ernstig opneemt wat er ter zake van het Kroonberoep is ingebracht. Men meende dat dit verstrekkende gevolgen heeft. In samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft men onmiddellijk de werkzaamheden in gang gezet. Ik ben ervan overtuigd dat de gehele Kamer vindt dat het natuurlijk onzin is, te veronderstellen dat je dat met terugwerkende kracht, in alle wetten in korte tijd kunt verbeteren. Dat de regering bij herhaling in nieuwe wetten de onderbepaling voor op neemt en zij de Kamer totaal in het ongewisse laat van haar vindingen, brengt mij tot de vraag of de staatssecretaris kan verdedigen dat het kroonberoep zonder nader commentaar opnieuw wordt ingevoerd. De opvattingen die ik namens mijn fractie heb weergegeven, vinden hun weerslag in allerlei amendementen die ik niet heb genoemd, amendementen die reeds zijn verspreid of die nog verspreid worden. Mijns inziens kan de rest in detail worden besproken bij de artikelsgewijze behandeling.

De Voorzitter: Het Presidium heeft met eenparigheid van stemmen besloten, te stellen in handen van: de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken: -het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en enige andere wetten in verband met een aantal wijzigingen in de Algemene burgerlijke pensioenwet (19473). De vergadering wordt van 18.15 uur tot 19.45 uur geschorst.

©

J. (Jeltje) van NieuwenhovenMevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Bij de wetswijziging in de AOW gaat het om het onderbrengen van de ongehuwden in het wetsvoorstel gelijkgesteld met gehuwden. Ik zal daartegen een aantal bezwaren formuleren. Het eerste bezwaar is, dat wij principieel tegen de voorgestelde gelijkstelling zijn. Op deze manier worden namelijk steeds pluriforme samenlevingsvormen aan het traditionele huwelijk gelijkgesteld. Dat is opmerkelijk omdat juist in deze leeftijdscategorie nog het meest kan worden uitgegaan van het traditionele huwelijksmodel. Bij de wetswijziging vorig jaar hebben wij ook al gewezen op het merkwaardige verschijnsel dat met individualisering begonnen wordt bij de hoogste leeftijdscategorie. Het tweede bezwaar is, dat als gevolg van de vorige wetswijziging de uitvoeringsproblematiek voor de uitkeringsgever gigantisch is geweest. Ik zie dan nog af van de gevolgen voor individuele uitkeringsgerechtigd den. Naar onze informatie zijn de problemen als gevolg van de vorige wijziging nog steeds niet geheel opgelost. Wij hebben hierover herhaaldelijk vragen gesteld. De staatssecretars heeft voortdurend gezegd dat het wel meevalt en dat het alweer opgelost is. Ook in de toekomst zullen de pensioenfondsen heel veel moeite ondervinden. Hoe Sociale zekerheid (stelselherziening)

moet de problematiek van de inkomensafhankelijke toeslag worden verwerkt? Er liggen nog vragen van mevrouw Groenman en van mevrouw Ter Veld. Juist door de uitvoerder van deze wet is gezegd, dat een nieuwe wetswijziging op dit moment nieuwe problemen op de oude zal stapelen. Het derde bezwaar is de praktische onuitvoerbaarheid vanwege de al eerder genoemde criteria. Het wijzigingsvoorstel van het CDA en de VVD lost volgens ons de problematiek op dit punt niet op. De uitvoeringskosten van deze wet schijnen, ondanks herhaalde vragen van onze kant, niet te kunnen worden opgegeven. Op langere termijn -op korte termijn kost het namelijk alleen maar geld -schijnt er 190 min. aan bezuiniging bereikt te worden. Ik vraag de staatssecretaris toch nog een keer of hij kan aangeven op welke termijn dat dan precies plaatsvindt. Denkt hij niet dat juist gezien die termijn de uitvoeringskosten in de voorafgaande jaren evenredig groot geworden zijn? Naast de al eerder genoemde problemen is er de juridische controleerbaarheid. Ik denk daarbij aan het zogenaamde overwinteren van bejaarden in het buitenland. In de afgelopen jaren is het een bekend verschijnsel geworden, dat bejaarden in goedkopere Zuideuropese landen zogenaamd overwinteren. Ontstaat niet een probleem als zij dat langer dan drie maanden doen? Niemand kan toch vanuit Nederland controleren hoe twee bejaarden in één flat aangemerkt moeten worden: als leefeenheid of niet? Dat lijkt ons een heel moeilijke zaak. Er zijn dus grote verschillen in deze wet tussen het theoretisch vaststellen waar het om gaat en de praktijk van alledag. Er wordt hier evenals in de Toeslagenwet financiële afhankelijkheid gecreëerd waar deze eerder niet verwacht kon worden. Ik wil nog eens verwijzen naar de problematiek die wij in de schriftelijke behandeling naar voren gebracht hebben. Wij hebben de staatssecretaris daarbij het volgende voorbeeld voorgehouden. Drie vriendinnen van boven de 65 jaar besluiten op enig moment, samen in één huis te gaan wonen. Zij hebben dus, ook volgens deze wet, recht op drie maal een uitkering van 70%. Als één van de vriendinnen komt te overlijden en er dus twee overblijven, zou er volgens deze wet gecontroleerd moeten worden welke leefeenheid de overgebleven vriendinnen vormen. Zij zouden anders nog wel eens terug kunnen gaan naar 100%. De staatssecretaris zei in de schriftelijke behandeling dat dit geen goed voorbeeld was. Als die drie vriendinnen eerder aangemerkt zijn als drie individuele uitkeringsgerechtigden, dan blijven zij dat ook op het moment dat één van de drie komt te overlijden. Mijn vraag daarop is hoe de staatssecretaris die nu uitlegt aan twee vriendinnen die nooit met z'n drieën samengewoond hebben en die volgens de criteria van de wet om welke reden dan ook -het is namelijk erg subjectiefsamen maar 100% krijgen. Dit lijkt ons een heel grote ongelijkheid, los van de bezwaren die ik al eerder genoemd heb, waar individuele mensen in de samenleving na hun vijfenzestigste nog mee te maken krijgen.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Mevrouw Van Nieuwenhoven noemt een heleboel bezwaren die aan het ontstaan zijn in de uitvoeringspraktijk van de AOW. Ik deel een groot deel van die bezwaren. Dat was ook uit mijn verhaal op te maken. De bezwaren die zij noemt, zijn evenwel niet het gevolg van het wetsontwerp dat wij vandaag behandelen, maar van het financieel afhankelijk maken van partners in de AOW vorig jaar. Dat wetsontwerp is aangenomen met steun of dankzij de steun van de Partij van de Arbeid. Staat mevrouw Van Nieuwenhoven nu op het standpunt dat wij daarvan af moeten en terug moeten naar de situatie die voor vorig jaar bestond?

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): In mijn tweede bezwaar heb ik vooral geformuleerd dat de uitkeringsgevolgen van wetsontwerp 18515 zo uitvoerig en problematisch geweest zijn voor de uitkeringsgever dat wij wat dat betreft grote bedenkingen hebben tegen weer een nieuwe wijziging. Inhoudelijk ging het bij de vorige wetswijziging om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Het punt dat de heer Linschoten vanuit zijn uitgangspunten misschien terecht tot het grootste punt maakte om tegen het wetsontwerp te zijn, was de vraag of de inkomensafhankelijke partnertoets erin mocht zitten voor partners beneden de 65 jaar. Op dat punt hebben wij toen met het CDA een amendement ingediend. Ik meen dat de heer Weijers en mevrouw Ter Veld dit gedaan hebben. De regering stelde voor dat er na drie jaar getoetst zou worden. Ik meen dat wij die termijn met vijf jaar verlengd hebben tot acht of dat deze toen op vijf jaar is gesteld. Dat weet ik niet precies meer. Dit bood in ieder geval enige oplossing. Bovendien hebben wij tegen die partnertoets veel minder bezwaren dan tegen het feit dat nu alle ongehuwden onder de wet gebracht worden. Bij de vorige wetswijziging ging het om gehuwden die hun eigen individuele inkomensrechten moesten hebben.

De heer Linschoten (VVD): Dat betekent dus dat u met mij constateert dat alle problemen van uitvoeringstechnische aard die u aangegeven hebt als buitengewoon ernstige bezwaren, het gevolg zijn van het wetsvoorstel van vorig jaar. Zeker tegen de achtergrond van de gelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden en het voorkomen van problemen daarbij, zou het voor de hand liggen om te kiezen voor een oplossing, waardoor de wijziging van vorig jaar die inderdaad erg veel problemen heeft veroorzaakt, teruggenomen wordt. Dan doet zich ook bij het huidige wetsontwerp dat dan integraal aangenomen zou kunnen worden, deze problematiek zich niet voor.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Dan hebt u mij niet goed begrepen. Het grote verschil tussen uw opvatting en mijn opvatting is dat ik grote bezwaren heb tegen het onderbrengen van ongehuwd samenwonenden in deze wet. Uw bezwaar richt zich vooral op de inkomensafhankelijke partnertoets, die in het vorige wetsontwerp was opgenomen. Ik heb al voluit erkend dat de uitvoeringsproblematiek die dat oplevert veel gigantischer is dan wij hadden voorzien. Voor zover ik het begrepen heb, is er nog steeds geen adequate oplossing voor de pensioenproblematiek gevonden. Naast het feit dat wij er principieel tegen zijn, hebben wij ook om die reden grote bezwaren een nog grotere groep onder de werkingssfeer van die wet te brengen. Onze bezwaren tegen de uitvoeringsproblematiek lopen in die zin gelijk. Principieel verschillen uw bezwaren wel degelijk met de onze. Wellicht kunnen wij elkaar wat dit betreft nog vinden in dit debat. Daarover wil ik dan best wel praten. Op dit moment constateer ik echter dat er een zeer principieel verschil van mening is.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Volgens mijn fractie zou de wijziging van de AOW het logische gevolg moeten zijn van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en de individualisering in de sociale zekerheid. Ik heb in mijn eerdere bijdrage over de toeslagenwet al gezegd, toen ik de minister-president citeerde, dat juist door het niet meer terugbetalen van de premieheffing, dus door de gelijkstelling van mannen en vrouwen in de AOW, honderden miljoenen in de schatkist terechtgekomen zijn. Ik zie de staatssecretaris 'neen' schudden. Ik hoor graag zijn reactie. Ik neem aan dat die zal sporen met hetgeen de minister-president heeft gezegd op het vorige congres. Wat betreft het alternatief dat VVD en CDA in hun amendement aanleveren inzake de AOW, constateer ik dat er gigantische problemen blijven met die controle. Ik denk daarbij onder andere aan het overwinteren in het buitenland. De vraag blijft wat er nu verstaan moet worden onder een gezamenlijke huishouding en hoe de SVB dat moet controleren. Dat geldt overigens ook voor het punt van de twee of drie vriendinnen waarover ik al eerder sprak. Het alternatief opent grote mogelijkheden tot oneigenlijk gebruik. Er zijn 880.000 ongehuwde bejaarden in Nederland. Als een ongehuwde bejaarde in een huis gaat wonen met iemand anders, ongeacht het karaktervan een relatie, dan kan hij of zij onafhankelijk van het inkomen van de ander, een toeslag claimen. Er moet dus gecontroleerd worden of men daarvoor werkelijk in aanmerking komt. Ik ben gekomen tot de passage waarin ik zou constateren dat de VVD geen inkomensafhankelijke toetsing van de toeslag wilde. Daarover hebben wij zoeven echter al gesproken. Ik constateer dat wij wat dat betreft een verschillende principiële benadering hebben. Volgens de nota naar aanleiding van het eindverslag zouden de voorstellen die de VVD tijdens de schriftelijke behandeling naar voren bracht, structureel 3,5 mld. per jaar hebben gekost. Wij zijn zeer benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op hetgeen de heer Linschoten in zijn bijdrage heeft gezegd over de varianten. Wellicht kan de staatssecretaris daarbij het volgende betrekken. De heer Linschoten heeft gezegd dat wat betreft variant 1 de kosten zullen oplopen van 35 min. in 1988 tot structureel 295 min. Is daarbij uitgegaan van de nu gehuwden of is daarbij meteen al rekening gehouden met alle ongehuwden die onder deze wet zouden moeten vallen? Als dat laatste niet het geval is, dan komen de kosten van die eerste variant veel hoger uit dan het zich op dit moment laat aanzien. De heer Linschoten kan mij misschien duidelijk maken dat de eerste variant in feite het oude AOW-systeem is. Ik neem aan dat het dan gaat om het oude AOW-systeem, zonder toetsing.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Er doet zich een complicatie voor. Ik heb in mijn verhaal niet aangegeven wat de structurele effecten zijn. In de nota naar aanleiding van het eindverslag en ook in de memorie van antwoord heeft het kabinet enige bespiegelingen gegeven over de mogelijke structurele effecten. Het materiaal waar mevrouw Van Nieuwenhoven zich op baseert, is van de regering afkomstig. Ik heb in mijn verhaal vermeden om bij de varianten in deze fase van de discussie een financiële beschouwing te geven.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Ik neem aan dat u die varianten genoemd heeft, omdat het heel goed mogelijk is dat er voor een van die varianten wordt gekozen. Het lijkt mij goed dat ook de Kamer van de 'ins en outs' op de hoogte is, voor zover de staatssecretaris ons deze informatie kan verschaffen. De staatssecretaris heeft ongetwijfeld gehoord wat ik aan u heb gevraagd. Ik neem aan dat de staatssecretaris bereid is mee te delen of bij de berekening van de kosten van de eerste variant alleen van de gehuwden is uitgegaan of dat hier ook de ongehuwden die onder werkingssfeer van deze wet gebracht worden, bij zijn betrokken. De tweede variant is voor de staatssecretaris zeer aanlokkelijk, omdat dit geld oplevert. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op de varianten die de heer Linschoten heeft genoemd. Nadat de heer Linschoten de tweede variant naar voren had gebracht -uit zijn argumenten bleek dat hij op dit moment niet zo gelukkig met deze wijziging van de AOW is en voor een deel steunen wij hem daarin -voegde hij eraan toe dat voor de fractie van de VVD de huidige wet niet acceptabel is, vanwege de problematiek van de toeslagregeling.

Hij vond dat daar eerst een aanvaardbare oplossing voor moet komen. Volgens hem kon dit ook op een later tijdstip gebeuren, als het maar voor 1 januari 1988 gebeurt. De heer Linschoten was van mening dat de behandeling na het antwoord in eerste termijn wel kan worden geschorst totdat de voorstellen op tafel liggen, omdat budgettaire argumenten ons in dit verband niet nopen. Mijnheer de Voorzitter! Het moet mij van het hart dat ik dat een heel vreemde opmerking vind, gezien in het totale kader van de stelselwijzing waar wij mee bezig zijn. Als een van de wetsvoorstellen 'toevallig' geld oplevert, dan zegt de VVD dat de behandeling na de eerste termijn geschorst kan worden, omdat er geen budgettaire argumenten zijn die tot haast nopen. Kennelijk is dit niet het geval bij de zeer ingewikkelde problematiek van de nWW, van de TW en van de WAO. Bij die wetsvoorstellen heeft niemand van uw fractie geconstateerd dat er geschorst kan worden. Ik geef overigens ruiterlijk toe dat de budgettaire argumenten bij deze wetsvoorstellen een andere uitkomst geven. Er kan dan kennelijk niet geschorst worden, terwijl bijna het hele land vraagt om de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen nog eens rustig te bekijken.

De heer Linschoten (VVD): U maakt toch een fout.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Ik heb letterlijk uit uw betoog geciteerd. Ik heb dat voor mij liggen.

De heer Linschoten (VVD): Dan heeft hij een deel vergeten. In mijn betoog is het cruciaal dat de effecten van het inkomensafhankelijk worden van de AOW, zowel in financieel als in andere opzichten, de komende jaren niet naar voren zullen komen. Pas op 1 januari 1988 wordt dat geëffectueerd. Met andere woorden: wij hebben enige tijd voor de inhoudelijke invulling. Dan blijft nog over of er mogelijkerwijs een financieel argument te vinden is op grond waarvan je nu wel tot besluitvorming moet overgaan. Zelfs dat is er niet, omdat er in het eerste jaar zeker nog geen sprake is van opbrengst, maar wel van kosten. Ik heb dus niet alleen maar over de financiële kant gesproken. De kern van mijn verhaal was dat wij tot 1 januari 1988 de tijd hebben, voordat er zich überhaupt enig effect voordoet als gevolg van de inkomensafhankelijkheid.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Wat u zegt is op zich niet strijdig met wat ik gezegd heb. U vergeet echter één ding -daarover hebt u mij met uw eerdere opmerking geïnterrumpeerd -namelijk dat het bij dit wetsontwerp niet meer gaat om de inkomensafhankelijke partnertoets, maar over de gelijke behandeling van ongehuwden en gehuwden. Daarom is het juist heel merkwaardig dat u zegt dat u toen verloren hebt, maar dat uw hoofdbezwaar tegen deze wetgeving nog steeds geldt. U hebt dus geen bezwaar tegen het onderbrengen van de ongehuwden onder deze AOW-systematiek, waarvan in het wetsontwerp sprake is. U hebt echter nog steeds een aantal argumenten, op grond waarvan u tegen de inkomensafhankelijke partnertoets bent. Volgens mij -en u hebt dat ook zelf nog eens uitgesproken -bent u om die reden tegen de verdere behandeling van dit wetsvoorstel en wilt u met de andere voorstellen over de stelselherziening verder gaan. De AOW blijft op dit moment dan buiten de behandeling. Behandeling daarvan moet dan op enig moment voor 1988 gebeuren. Voor mij blijft dit een zeer merkwaardige opstelling van de VVD.

©

E. (Elske) ter VeldMevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu aan de wijzigingsvoorstellen op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene arbeidsongeschiktheidswet. Bij de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering was het uitgangspunt, dat ook rekening wordt gehouden met de als gevolg van de handicap verminderde mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan het arbeidsproces. Staatssecretaris Mertens zei destijds bij de invoering van de AAW, dat terecht niet alleen wordt gekeken naar de resterende verdiencapaciteit, maar ook naar de mate, waarin deze benut kan worden. In de hele discussie speelt voortdurende een rol wat de PvdA tot nu toe gezegd heeft over de verdiscontering. De PvdA wil de discussie over de verdiscontering zeker niet uit de weg gaan. Laat ik echter voorop stellen dat voor ons in de discussie de mogelijkheid tot verdiscontering, tot het rekening blijven houden met de mate waarin de verdiencapaciteit kan worden benut, een belangrijk onderdeel is van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

Zeker, wanneer de werkloosheidswetgeving anders zou zijn, bij voorbeeld zoals de FNV voorstelt, zou het veel minder interessant zijn om te kijken of iemand arbeidsongeschikt en gedeeltelijk werkloos was, of werkloos, omdat in beide gevallen het inkomen, zolang deze calamiteit zich voordoet, verzekerd is. In de Nederlandse situatie, waarin de werkloosheidsuitkering -ook in onze voorstellen -niet automatisch doorgaat tot het 65ste jaar, blijft de noodzaak om iemand die arbeidsongeschikt is en als gevolg daarvan loonschade lijdt, op een andere wijze te benaderen dan iemand, die, hoe akelig het ook is, alleen werkloos is. Vanuit die stellingname past absoluut geen instemming met de voorstellen van de staatssecretaris. Het is een goede zaak om de positie van de arbeidsongeschikten op de arbeidsmarkt, de mogelijkheden van re-integratie en de rol van de GMD uitdrukkelijk en grondig te bestuderen. Voorkomen moet worden, dat bijna 700.000 mensen met een WAO-uitkering moeten wachten, totdat wellicht de arbeidsmarkt aantrekt of totdat de Wet arbeid gehandicapte werknemers met een goed quoteringssysteem hen in staat stelt deel te kunnen nemen aan de arbeidsmarkt. Wij wijzen de wetsvoorstellen op het punt van de afschaffing van de verdiscontering en verplichting om geen rekening te houden met de arbeidsmarkt, af. Naar ons oordeel behoort de mogelijkheid tot verdiscontering, evenals trouwens het voorstel van de VVD, waar ik straks op terugkom, namelijk de mogelijkheid van een opstapje, wel degelijk tot de mogelijkheden die de WAO en de AAW behoren te bieden voor de reïntegra-tie-activiteiten ten behoeve en ten gunste van een arbeidsongeschikte werknemer met een gedeeltelijke, zoals het zo raar heet, restcapaciteit. Voor alle duidelijkheid: de WAO is een loonschadeverzekering. In de schriftelijke voorbereiding is dit een aantal keren duidelijk naar voren gekomen en ik meen ook dat dit noodzakelijk is, omdat voortdurend in de discussie de idee een rol speelt dat de WAO een verzekering zou zijn, die niet zozeer de loonschade verzekert, maar op enigerlei wijze een vergoeding geeft voor de handicap. Lang geleden, in het begin van deze eeuw, hebben wij zoiets in onze ongevallen-en invaliditeitsverzekering gehad. Er was sprake van een soort schaal in de trant van: arm eraf 10%. Gelukkig kennen wij dat systeem sinds lang niet meer. Ook voordat de WAO werd ingevoerd, waren wij al voor een groot deel van dat soort systemen af. Immers, arbeidsongeschiktheid en de loonschade als gevolg daarvan hangen wel samen met de handicap, maar men kan bepaald niet zeggen dat de aard van de handicap per definitie bepalend is voor de loonschade, die iemand lijdt. Hoe moeten wij dan tegen de WAO aankijken? Eigenlijk zoals die is ingevoerd. Die wet is enerzijds ingevoerd om de loonschade te vergoeden en anderzijds, waarschijnlijk vooral ook, om reïntegratie van arbeidsongeschikte en ten dele werkloze werknemers mogelijk te maken. Naar mijn stellige opvatting zouden wij de WAO nog een stap terug moeten bekijken, namelijk niet in de zin van 'hoe herstellen wij de schade en hoe vergoeden wij de schade', maar in de zin van 'hoe voorkomen wij de schade'? Ik vind dat in Nederland veel te weinig aandacht ismisschien hangt dit ook samen met de WAO -voor preventie, voor uitbreiding van de bedrijfsgeneeskunde. Ik denk dat dit samenhangt met het feit dat door de invoering van de WAO, waarbij gelukkig de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid niet meer relevant is, niet meer wordt nagegaan voor de statistiek én om een goed preventief beleid te kunnen voeren wat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is. Het is opvallend dat in sommige bedrijfstakken en in bepaalde bedrijven in sommige sectoren van die bedrijven het aantal arbeidsongeschikten aanzienlijk groter is dan in andere. Een goed preventiebeleid vereist dat men op de hoogte is van de oorzaken van de ziekte, van de arbeidsongeschiktheid. Het SER-advies van 1982 over het voorkomen van vermijdbaar verzuim geeft een groot aantal maatregelen aan. Ik wijs -de heer Nijhuis verwees er al naar -op de actieve bemoeienis van de GMD met de reïntegratie-activiteiten na drie maanden ziekte. Bij zo'n termijn moet je er bijna van uitgaan dat een verdere inpassing in en terugkeer op de arbeidsmarkt zonder speciale activiteiten al moeilijk wordt. In dit kader wil ik erop wijzen, hoewel wij nu niet spreken over de organisatie van de sociale verzekering, dat naar mijn stellige indruk de reïntegratie-activiteiten voor een deel Sociale zekerheid (stelselherziening)

worden belemmerd door de veelheid van organisaties, die zich bezighouden met een arbeidsongeschiktrakende werknemer. Wij zullen bij de behandeling van de organisatiewet sociale verzekering zeker moeten ingaan op de verhouding tussen bedrijfsverenigingen en de GMD en over de wijze waarop de ziektewetuitkeringsperiode overgaat naar de WAO en haar uitwerking heeft op betrokkenen. Op dit moment loopt men de kans vele malen gekeurd te moeten worden. Als het gaat om de herstelkant komt vooral de Wet gehandicapte werknemers in beeld. Ik denk dat, als die wet goed werkt en dat als werkgevers diegenen in dienst nemen of houden die slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, de discussie over verdiscontering volstrekt overbodig is, omdat dan bijna per definitie iemand die nog een restcapaciteit -het blijft een rotwoord -heeft in die arbeidswereld blijft. Ik vind ook dat de ontslagbescherming -dit is ook in het kader van de behandeling van de WAGW aan de orde geweest -in casu de bijna automatische ontslagtoestenv ming, die wordt gegeven als iemand twee jaar arbeidsongeschikt is veel kritischer moet worden beoordeeld. Ik denk dat de uitspraken in het kader van artikel 1638d van het Burgerlijk Wetboek in dit verband zeker een bijdrage zullen leveren. Vandaag gaat de discussie vooral over het vergoeden van de schade. Mensen verliezen als gevolg van ziekte of gebrek hun arbeidsinkomen. Allereerst rijst de vraag, wie eigenlijk de mensen zijn, waarover wij het nu hebben. Ik zou in dit verband de heer Boersma, directeur van de GMD, willen citeren. Hij zegt -en dat is ook een waarschuwing -: ' Er ontstaat hier en daar een beeld van de WAO'er, die geheel onterecht en ten koste van anderen mooi profiteert van zijn veel te hoge uitkering, een soort slechterik, die eigenlijk gewoon werkloos is maar het beter heeft weten te verkopen. Dit beeld is onjuist en unfair. Zo ziet de gemiddelde GMD-cliënt er niet uit'. Mijnheer de Voorzitter! De meeste mensen in de WAO zitten daar volstrekt terecht maar tegelijkertijd is als gevolg van de economische benadering hun inkomenspositie fors op een achterstand gezet. Als wij zien naar hun positie op de arbeidsmarkt, is het goed te kijken naar het rapport van Sociale Zaken van januari 1985: Wenselijkheid en mogelijkheid van reïntegratie van gehandicapten in het arbeidsproces. Uit dat rapport blijkt dat de achterstand van gehandicapte werknemers op de arbeidsmarkt onweerlegbaar is, vergeleken met alle andere werklozen. Zien wij naar de financiële positie van de mensen in de WAO dan moeten wij er voortdurend bij bedenken -iedereen, die WAO-bijeenkomsten bijwoont, krijgt het ook steeds chronologisch voorgeschoteld -dat het regeringsbeleid van de afgelopen periode al grote gaten in de inkomens van mensen met een WAO-uitkering heeft geslagen. Ook op het terrein van de reïntegratie-activiteiten en voorzieningen hebben de bezuinigingen hun tol geëist. Mensen in de WAO zijn duidelijk in een andere positie dan mensen die werkloos zijn. Is er sprake van vergoeding van de schade, die ontstaat als gevolg van ziekte of gebrek, dan kan het niet zo zijn dat wordt gesteld: daar moet ongeveer dat tegenover staan. Neen, Voorzitter, daar zit een goed systeem achter, dat bepaald niet gemakkelijk is. Dat systeem gaat ervan uit dat mensen worden beoordeeld op enerzijds ziekte of gebrek en anderzijds de mogelijkheden, die zij nog hebben om arbeid te kunnen verrichten. In dit verband moet worden bedacht dat arbeidsongeschiktheid geen medische of juridische term is. Arbeidsongeschiktheid hangt per definitie samen met de maatschappelijke realiteit. Daarmee is, zelfs als men zou overgaan -de staatssecretaris doet dit gelukkig niet in zijn wetsvoorstellen -op een puur medisch-geneeskundige toetsing van de arbeidsongeschiktheid, er sprake van verdiscontering omdat het woord 'arbeidsongeschiktheid' een maatschappelijke realiteit inhoudt. Vervolgens rijst de vraag, hoever men hiermee wil gaan. Mijnheer de Voorzitter! Het lijkt mij onjuist om mensen, die arbeidsongeschikt zijn, puur te beoordelen op hun theoretische mogelijkheden en beperkingen. Daar moet inderdaad concreet rekening worden gehouden met de realiteit. Die houdt in dat de arbeidsmarkt, zeker de onze met een groot aantal werklozen, een vrij harde markt is, die zeker moeilijk toegankelijk is voor arbeidsongeschikten. De eerder genoemde heer Boersma zegt hierover: 'Arbeid wordt gekocht en verkocht op een markt.'. Je kunt wel vinden dat arbeid geen koopwaar moet zijn maar de realiteit geeft aan, dat arbeid wèl koopwaar is. Op die markt is een andersgeschikte, een anders inzetbare, minder waard, zeker tegen de achtergrond van het overschot aan arbeid. Er is geen spontane vraag naar en een eis van rechtvaardigheid is dat, waar de vrije markt gebreken vertoont die zo funest uitwerken voor zo'n grote groep, de gebreken waar mogelijk gecorrigeerd worden. Naar mijn stellige opvatting bieden juist de huidige WAO en de AAW mogelijkheden om deze correcties aan te brengen. Daartoe dient het verdisconteringsartikel. Als je de uitwerking van de voorstellen van de staatssecretaris tot afschaffing van het verdisconteringsartikel in de praktijk wilt bekijken, moet je een arbeidsongeschikte eigenlijk als twee personen in één zien, als het ware als dr. Jekyll en mr. Hyde: dr. Jekyll is arbeidsongeschikt en mr. Hyde is werkloos. Een merkwaardige situatie. Een mens is in z'n totaliteit arbeidsongeschikt of niet, maar toch vindt men dat de ene helft in de WAO thuishoort en de andere in de werkloosheidsverzekering, die volstrekt van elkaar verschillen in regime, uitkeringssystematiek en eisen en voorwaarden. Uitgaande van deze door de staatssecretaris voorgestelde benadering moeten wij ons afvragen, of de voorstellen van de VVD-fractie om tot een opstapje te komen, een verbetering vormen of wellicht toch een risico in zich bergen. Ook wij hebben in de schriftelijke voorbereiding voor een opstapje gepleit. Ook in de oude Ongevallenwet waren er opstapjes. Stel dat een arbeidsongeschikte wordt geschat op een aantal functies, terwijl de gemiddelde loonwaarde voor die functies wordt gezien als het loon dat hij theoretisch zou kunnen verdienen. Daarop vindt afschatting plaats, met als gevolg dat de betrokkene voor een deel in de WAO en voor een deel in de Werkloosheidswet terechtkomt. Nu vindt hij voor zijn werklozendeel een nieuwe baan. In het voorstel van de VVD krijgt hij dan om zijn oude loonniveau te behouden of dicht te benaderen gedurende twee jaar een soort opstapje. Ik zou het een soort loonsuppletie noemen. Dat kan op zichzelf een heel zinvol reïntegratie-instrument zijn. Eén ding moet echter niet vergeten worden. Als die suppletie wordt gestaakt, rijst de vraag, of er uitgegaan wordt van de theoretische schatting of van de werkelijkheid. Gaat men na afloop van die periode waarin het loon kunstmatig, Sociale zekerheid (stelselherziening)

in ieder geval vermoedelijk zodanig dat de reïntegratieactiviteit wordt beloond, wordt aangevuld, nu uit van het werkelijk verdiende loon en wordt dan de arbeidsongeschiktheidscomponent opnieuw beoordeeld? Of blijft men op dat moment uitgaan van de theoretische schatting? Ik denk dat dit een heel belangrijke vraag is: gaan wij uit van de werkelijkheid of wordt de theorie tot praktijk verheven? Het lijkt mij dat de mogelijkheid van een opstapje ook in de huidige WAO, wanneer bij voorbeeld met een administratieve termijnstelling en met een andere uitvoeringspraktijk de verdiscontering anders wordt benaderd, een zeer zinnig instrument kan zijn om tot herinschakeling van arbeidsongeschikten en gedeeltelijk werklozen op de arbeidsmarkt te geraken. Nog een vraag in dit verband. Als in de Wet arbeid gehandicapte werknemers een quotering werd ingevoerd, zou ook in dat geval een loonkostensuppletieregeling -zo zou het opstapje kunnen uitwerken -terecht zijn. Ik zou graag de opvattingen van de staatssecretaris daarover willen horen. Mij dunkt dat het, als wij komen tot een verplichting voor werkgevers om arbeidsongeschikte werknemers in dienst te nemen, de vraag is of het in die gevallen verantwoord is om een soort loonsuppletieregeling in te stellen. Hoe zou zoiets zich naar de mening van de staatssecretaris verhouden tot de artikelen 6, 7 en 8 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers. Wellicht kan ook de VVD-fractie hierop nader ingaan. Vervolgens de werklozenkant. Het is niet nieuw dat mensen die arbeidsongeschikt zijn en 'herafgeschat' worden, zoals dat heet, en dan voor minder dan 15% arbeidsongeschikt blijken te zijn, in de bijstand geraken. Dat gebeurt ook thans. Verleden week nog was ik bij een cursus voor vrouwelijke ambtenaren van gewestelijke arbeidsbureaus. Ik kreeg te horen -ik neem aan dat het om een uitzondering ging -dat men te maken had gehad met een arbeidsongeschikte die zich moest laten inschrijven bij het gewestelijk arbeidsbureau omdat zij was afgeschat, maar dat dat onmogelijk was omdat zij tot aan de nek in het gips zat. Over het algemeen lopen ook thans met name mensen die van oorsprong een laag inkomen hadden, een grote kans om afgeschat te worden. Verdiscontering is 'het voorrecht' van de iets hogere inkomensgroepen. Als je het mini-mumloon verdiende, kan je, ondanks je handicap, al zeer snel opnieuw het minimumloon verdienen. Dan ben je niet meer arbeidsongeschikt. Ook zonder de stelselwijziging is dat het geval: ook nu komen die mensen in de bijstand. Dat is inderdaad vervelend. Ik wijs erop dat in 1921, toen het verdisconteringsartikel in de ongevallenwet werd opgenomen, het betoog daarvoor ongeveer volgens dezelfde lijnen verliep als dat van de heer Nijhuis vandaag voor zijn voorstel om te voorkomen dat deze mensen in de bijstand komen, aangezien deze mensen vermoedelijk geen kans zouden hebben om ooit op de arbeidsmarkt terug te komen. In 1921 werd ervoor gepleit om hen met verdiscontering onder de ongevallenwet te laten vallen. Het voorkomen dat mensen een bijstandsuitkering houden, betekent als zodanig voor individuele personen een verbetering. Mevrouw Kraaijeveld heeft ook al gezegd: weet wel wat je doet, als je met steeds meer regelingen steeds meer groepen uit de bijstand houdt. Uiteindelijk maak je van de bijstandswet dan een soort regeling voor degenen die nergens meer goed voor zijn en op wie het vrij schieten wordt. Uit een oogpunt van de individuele burger is het echter bijzonder plezierig dat, wanneer het inkomen toch al achteruitgaat, via een bijzondere regeling de bijstandswet met de toetsing van vermogen het opeten van het eigen huis niet aan de orde komt. Toch wijs ik erop dat er juist bij de groep mensen van onder de 35 jaar een aantal problemen zijn. Ik acht het dan ook een doekje voor het bloeden, het vergoedt de wet geenszins en het verbetert slechts iets. Maar dan nog: juist mensen van onder de 35 jaar zullen zeer vaak, als zij samenwonen of gehuwd zijn, een partner met een eigen inkomen hebben. Enerzijds is dat logisch gezien de noodzaak om het 'gezinsinkomen' te verbeteren, maar anderzijds geldt ook het volgende. Ook ieder van ons zou, als je met z'n tweeën woont en voor één van de twee sprake is van een uitzichtloze situatie op de arbeidsmarkt, zeggen: dan gaat de ander werken; je zit dan ook niet voortdurend op eikaars lip; dat lijkt goed te zijn voor een huwelijk. Juist in die gevallen komt partnerinkomen vaak voor, alsook wel een eigen huis. Dat eigen huis is dan geen vermogen, maar een schuld. Immers, het gaat dan om een eigen huis met een hoge hypotheek. Vooral als je jong bent, is de hypotheek namelijk niet afgelost. Als je dan te maken krijgt met de aanvullende bijstand, dan helpt de IOAW heel weinig. Je krijgt dan ook opnieuw te maken met de krediethypotheek, de vermogenstoets. Het blijft naar mijn opvatting een doekje voor het bloeden. Wanneer los daarvan mensen uit de bijstand dienen te worden gehouden, boven de voorkeur om de bijstand te verbeteren, dus als dit laatste niet direct kan, acht ik het een goede zaak om de mensen die uit de WAO komen, te vrijwaren van al te grote aanslagen op hun vermogen. Het zou mij liever geweest zijn, als de VVD ook het partnerkomen daarbij had betrokken. Het was mij overigens nog liever, als zij deze wetsvoorstellen niet aanvaardde. Welke mensen vallen nu in het CDA/VVD-voorstel toch buiten de boot? Ik zei al tegen de heer Nijhuis: je kunt nu wel mooi een regeling treffen, maar welke mensen vallen nu eigenlijk in de categorie 'minder dan 1 5% arbeidsongeschikt'? Vermoedelijk zijn dat toch degenen die met een laag inkomen arbeidsongeschikt geworden zijn. Immers, voor hen kan de restcapaciteit bij een wettelijk minimumloon het eerst weer worden benut. Ik heb dan ook aan de heer Nijhuis gevraagd wat wordt bedoeld met de in het verkiezingsprogramma van zijn partij opgenomen passage, dat de laagste arbeidsongeschiktheidsklasse uit de WAO zou kunnen of zou moeten vervallen. Om hoeveel mensen gaat het? Zijn dat niet juist de mensen met de laagste inkomens, gezien het huidige WAO-bestand en de huidige situatie van afschatten en herbeoordelen, die dan buiten de WAO en daarmee buiten de vrijwaring van het opeten van het eigen huis en buiten de opstapjesregeling komen? Als door deze Kamer een opstapjesregeling wordt aanvaard, moet die naar mijn overtuiging gelden voor ten minste twee jaar. Tevens moet die regeling gelden voor degenen die bij afschatting weliswaar voor minder dan 1 5% arbeidsongeschikt zijn, maar toch uit de arbeidsongeschiktheidsregeling 'komen'. Een aantal speciale opmerkingen over de positie van enkele groepen van WAO-ers lijken mij geboden. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan Sociale zekerheid (stelselherziening)

de positie van de buitenlandse werknemers. Wij hebben de stellige indruk, dat buitenlandse werknemers vanwege de aard van hun arbeid -wellicht vaak wisselende beroepen -en vanwege hun inkomensniveau niet alleen regelmatig arbeidsongeschikt raken, maar ook zeer snel en zeer vaak weer volledig worden afgeschat. Heeft de staatssecretaris daarover informatie? Het kan voorkomen dat een buitenlandse werknemer met behoud van zijn WAO-uitkering terugkeert naar het land van herkomst. Het is mij nog steeds niet duidelijk, hoe in dat soort gevallen de eventuele herbeoordeling al of niet plaatsvindt. Eerst had ik de indruk, dat herbeoordeling in zulke gevallen niet plaatsvond, omdat de staatssecretaris -eigenlijk het CDA -mij meedeelde, dat voor iemand die naar het land van herkomst terugkeert, de werkloosheidscomponent immers al uit de uitkering is gehaald. Toch komt het voor dat mensen in Turkije, mensen in Spanje of mensen in Marokko worden geconfronteerd met een herbeoordeling. Daaruit komen problemen voort, ook nu al. Het lijkt mij, dat die problemen vergroot worden als het wetsvoorstel wordt aangenomen. Vervolgens is er de relatie met de pensioenproblematiek. De RPF-fractie heeft daarover ook al vragen gesteld. Deze kwestie speelt voor iedere WAO-er die minder arbeidsongeschikt raakt. De meeste pensioenfondsen hebben een regeling dat iemand die volledig arbeidsongeschikt is, vrijstelling krijgt van pensioenpremie. Wordt hierdoor geen nieuwe pensioenbreuk gecreëerd? Heeft de staatssecretaris in zijn pensioennota hieraan aandacht besteed? Heeft hij dan deze pensioenbreuk, die wordt gecreëerd als zijn wetsvoorstel wordt aangenomen, meteen meegenomen? Het lijkt mij, als je behalve je gezondheid en je inkomen, ook nog je pensioenopbouw verliest, dat je dan wel helemaal de klos bent. Wij hebben kamerbreed vragen gesteld over de positie van de vrouwen in de WAO. Ook bij die groep komt het veel vaker voor, dat afschatting vrij snel en vrij direct plaatsvindt. Het interim-rapport bevestigde onze indruk, maar wat wordt daaraan gedaan? Wat zullen de wetsvoorstellen vervolgens betekenen, niet alleen voor de huidige arbeidsongeschikten, maar ook voor de toekomstige werkwijze van de GMD's?

Ik keer terug naar het effect voor de afschatting of herbeoordeling van de mensen beneden 35 jaar. Die herbeoordeling moet voor mensen onder de 30 binnen één jaar plaatsvinden en voor de mensen tussen de 30 en de 35 binnen twee jaar. Wie daarna wordt herbeoordeeld, komt kennelijk niet in aanmerking voor de premie die er staat op afschatting van een dubbele uitkering in de werkloosheidsperiode. Wat is de achtergrond van dit onderscheid in premiëring van afschatting voor jongere werklozen? Naar mijn stellige overtuiging kan de afschatting die de staatssecretaris voorstelt -het afschaffen van de verdiscontering -juist voor deze groep alleen maar een merkwaardige doorkruising van het huidige beleid betekenen. Hoe ziet die groep van mensen onder de 35 er immers uit? Ongeveer 50% van de mensen onder de 35 die arbeidsongeschikt zijn, worden nu al na verloop van enige tijd hersteld verklaard. Als wij kijken naar de gehele periode, dan zien wij, dat de mensen van 35 jaar en jonger in zeer grote mate een herstelkans hebben en in zeer grote mate terugkeren. Het is ongeveer 70%. Bij 50 a 55 jaar is het ongeveer 20%. Wat probeert de staatssecretaris hiermee nu te bereiken? Een stringenter uitvoeringsbeleid van de arbeidskundigen? Legt hij hiermee een last op de socialeverzekeringsgeneeskundigen om iets te beoordelen wat eigenlijk niet te beoordelen is? Ik verwacht, dat dit voorstel grote onrust teweegbrengt en dat het op korte termijn een zeer klein bezuinigingseffect teweegbrengt. Nogmaals: waarom wordt juist die 14% van het aantal WAO-ers dat wordt herbeoordeeld, wel herbeoordeeld buiten de normale systematiek om? Ik vrees dat de WAO haar karakter als verzekering voor arbeidsinkomensschade daardoor in sterke mate gaat verliezen. Ik ben ervan overtuigd dat de herkansing op de arbeidsmarkt voor deze groepen kleiner zal zijn dan ooit, zeker nu de Wet arbeid geandicapte werknemers, die onlangs is ingevoerd, in de aanloopperiode zeer zeker een negatief effect zal hebben op de reïntegratie van reeds arbeidsongeschikten. Naar mijn stellige mening wordt deze mensen geen uitzicht geboden. Natuurlijk, de toeloop naar de WAO was te groot. Men dient dan echter wel de oorzaken weg te nemen.

Als werkgevers misbruik, oneigenlijk gebruik van de WAO hebben gemaakt, zoals ook wordt gesuggereerd, dan zal dat moeten worden voorkomen. Ik heb al gezegd: Premie bij de werkgevers, preventie in de arbeidswereld. Het lijkt mij dat het voor de gehele Kamer onaanvaardbaar behoort te zijn dat wij de lasten van een bezuinigingsbeleid afwentelen op degenen die niet alleen hun gezondheid, maar ook nog hun inkomen zijn kwijtgeraakt.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (PSP): Voorzitter! Ik werd even opgehouden omdat er bij het departement blijkbaar tijd tekort is om te voldoen aan alle verzoeken om amendementen op tijd, tijdens de plenaire behandeling gereed te hebben. Mijn excuses dat ik een aantal amendementen die ik in mijn eerste termijn aankondig, nog niet in de zaal heb kunnen laten verspreiden. Maar het tekent ook de wijze van behandeling die de meerderheid van de Kamer gewenst heeft. Het kost geen enkele moeite om een zeer uitgebreide bloemlezing te geven van kritische, afwijzende en ronduit vernietigende commentaren op de wetsvoorstellen die nu aan de orde zijn. Laat ik daar enkele uit pikken: Kroonlid Hilda Verwey-Jonker: Wat staatssecretaris De Graaf wil, vind ik verwerpelijk. Zo iemand, nota bene afkomstig uit het CNV, moet toch weten hoe de mensen lijden onder de jarenlange bezuinigingen. De theoloog prof. Schillebeeck: De menselijke waardigheid is in het geding. Als noodzakelijke verbeteringen dan iets meer kosten, is dat redelijk. Er zijn altijd alternatieven mogelijk, bij voorbeeld geld bij de oorlogswapens weghalen en wat meer naar de minima toeschuiven. Dr. Mulder, voorzitter van de Raad van Kerken: Wij betreuren het dat uit de voorliggende stukken onvoldoende een visie naar voren komt hoe een stelsel dat sociaal rechtvaardig is, eruit dient te zien. Wij pleiten er dan ook voor dat de discussie over de vormgeving van een nieuw stelsel van sociale zekerheid wordt voortge zet en geïntensiveerd, alvorens nu zeer diep ingrijpende beslissingen worden genomen. Mevrouw Hannie van Leeuwen namens de Initiatiefgroep bescherming sociale zekerheid: De leden van de initiatiefgroep, inclusief de ondertekenaars, hebben elkaar Sociale zekerheid (stelselherziening)

gevonden in hun gezamenlijke verontrusting met betrekking tot de voorliggende ingreep in het stelsel van sociale zekerheid. Een verontrusting die wel tot daden moest leiden, gelet op de zeker tot begin oktober gebleken onverzettelijkheid van het kabinet en de partijen die zich aan het regeerakkoord hebben gebonden. Stel de huidige stelselwijziging uit en ga op korte termijn een fundamentele discussie aan over een sociaal-zekerheidsstelsel voor de langere termijn, maar dan wel op grond van juiste vooronderstellingen en doelstellingen. Van den Bos, voorzitter van de Sociale verzekeringsraad: De tijdsdruk waaronder het departement van Sociale Zaken heeft moeten werken, heeft ertoe geleid dat de voorstellen die er nu liggen, volstrekt onvoldragen zijn. Het Breed platform vrouwen voor economische zelfstandigheid, waarin praktisch alle vrouwenorganisaties, ook die van CDA en VVD, zijn vertegenwoordigd: Een ontwikkeling in een volstrekt verkeerde en voor het breed platform niet te accepteren richting. Jaap Boersma: Deze stelselwijziging is asociaal voor iedereen: bijstandsmoeders, AOW-ers, WAO-ers en ga zo maar door. Laat men liever het zwarte geld aanpakken. Prof. Veldkamp: De plannen zijn ingegeven door bezuinigingen en niet door de noodzaak tot aanpassing van de wetgeving. Mijnheer de Voorzitter! De uitspraken van vertegenwoordigers van werkgevers-en werknemersorganisaties zijn niet minder pittig. Ook van deze uitspraken en selectie: NCW-voorzitter Van Eijkelenburg: De voorstellen zijn op tal van onderdelen onvoldragen. De innerlijke consistentie is niet overal aanwezig en de uitwerkingen zijn soms onvolledig of ontbreken zelfs. CNV-voorzitter Van der Meulen: Het is onbegrijpelijk dat de koopkrachtverbetering van de een wordt gecreëerd door verlaging van de uitkering van de ander. VNO-voorzitter Van Lede: De kabinetsplannen getuigen van doemdenken; de werkloze moet zo snel mogelijk naar de bijstand, want er is toch geen plaats meer. En als laatste FNV-voorzitter Hans Pont: Deze miljardenbezuiniging van het kabinet-Lubbers is voor ons onaanvaardbaar en zeer schadelijk voor grote groepen mensen, en ik zal met genoegen de vindplaatsen van deze kritiek laten weten. Zij is verschenen in kranten en weekbladen. Zij is ook geuit tijdens manifestaties en interviews. Ik zal met genoegen de regering de verschillende stukken overleggen. Dan kunnen zj ook de niet door mij aangehaalde kritiek er nog eens op na lezen. Ik beveel deze literatuur ook van harte aan bij het CDA en de VVD. De duizenden brieven, manifesten, rapporten van de kant van WAO-groepen, maatschappelijke en kerkelijke organisaties en instellingen, organisaties van werklozen, vrouwen, jongeren, gehandicapten en van gemeenteraden en overlegplatforms, maken de vrijwel algemene weerzin en weerstand tegen de voorgenomen herziening van de sociale zekerheid compleet. Gelet op de ongehoord brede kritiek is het toch ongelooflijk dat de regering en de regeringspartijen nog vlak voor de verkiezingen dit varkentje even willen wassen. Nog afgezien van het feit dat het pakket dat voor ons ligt zeer complex en zeer omvangrijk is -hierover kom ik later nog te spreken -moet het toch voor iedereen in dit land duidelijk zijn dat het CDA en de VVD lak hebben aan een zorgvuldige en breedgedragen wetgeving. Een soms minimale meerderheid in het parlement drukt op hooghartige wijze haar kiezers besluiten door de strot waar zij niet om hebben gevraagd. De door de FNV eerder deze week in Amicitia bekend gemaakte enquêteresultaten bevestigen dat nog eens helder. Zoals het ging met de kruisraketten en de kerncentrales, zo moet het blijkbaar nu ook met de uitkeringsrechten gaan. Via een salamitactiek wordt het massale verzet genegeerd. En als vakbonden, sociale diensten, uitkeringsgerechtigden vervolgens, zoals de afgelopen maanden voortdurend het geval is geweest, deze regeringscoalitie van ondemocratisch handelen beschuldigen, dan klimmen Lubbers en de zijnen in de hoogste boom en verschuilen zij zich achter hun parlementaire meerderheid. Zij beroepen zich dan op het financieringstekort en het regeerakkoord. Zij verwijzen daarbij naar vermeende, jarenlange discussies over de noodzakelijke aanpassing van de sociale zekerheid die nu dringend afronding behoeft. ' Er moet duidelijkheid en zekerheid komen voor de uitkeringsgerechtigden', hoorde ik vertegenwoordigers van het CDA en de VVD regelmatig verklaren. De zekerheid van een bestaan op bijstandsniveau zullen zij bedoelen. En zelfs die zekerheid wordt veel WAO-ers en werklozen onthouden door het grovere sanctie-beleid en door de grotere afhankelijkheid van partners. Met andere woorden: ook de PSP heeft geen goed woord over voor deze verdere afbraak van de sociale zekerheid. In ons verdere betoog zullen wij onze kritiek op de verschillende onderdelen van het pakket voorstellen uitwerken. Wij zullen daarbij ingaan op de mogelijke alternatieven en verbeteringen. Allereerst zal ik echter een aantal centrale thema's behandelen, te weten de inconsistentie, de onsamenhangendheid van het voorgestelde pakket, de door het kabinet aangedragen argumenten: optimistisch soms 'visie' genoemd, de samenhang met de ontwikkeling op de arbeidsmarkt, de gevolgen voor uitvoering en cliënten en ten slotte: de alternatieven van de PSP voor een andere benadering. Over de wijze waarop de regering het vraagstuk van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid heeft aangepakt, kom ik bij de behandeling van de toeslagenwet uitvoerig te spreken. Voorzitter! Vormen de voorstellen voor stelselherziening echt een samenhangend pakket en horen zij bij elkaar? De regering doet haar uiterste best om het pakket wetsvoorstellen inzake WW, WAO, ABW en AOW te presenteren als een samenhangend geheel dat een vernieuwd sociaal zekerheidsstelsel moet opleveren dat bestand is tegen de toekomst. Er zou zelfs een visie achter zitten, al geeft de regering hier en daar toe dat ook de budgettaire situatie van het Rijk enige beperkingen heeft opgelegd. In de eerste adviesaanvrage aan de SER van 25 mei 1983 wordt het terugdringen van de collectieve uitgaven uitdrukkelijk als één van de drie redenen voor de stelselwijziging aangegeven. Het is ook wel logisch, dat de regering nu, vlak voor de verkiezingen, probeert om het sezuinigingselement wat te verdoezelen. Daarvoor moet zij echter wel de geschiedenis geweld aandoen, want wezenlijk voor het nieuwe stelsel zijn de verlagingen van de uitkeringspercentages van respectievelijk 80% en 75% naar 70% van het laatstverdiende loon, de afschaffing van de minimumdagloonbepalingen en de rigoureuze Sociale zekerheid (stelselherziening)

Wiilems beperking van uitkeringsrechten voor jongeren, die in de loop van 1984 en 1985 al zijn doorgevoerd. Deze maakten destijds ook onderdeel uit van de adviesaanvrage aan de SER en de Emancipatieraad. Zij ontbreken nu in de voor ons liggende wetsvoorstellen, omdat zij als het ware al zijn binnengehaald. Zij worden dus stilzwijgend ingebed in het nieuwe stelsel. Alsof WAO'ers niet nog maar drie jaar geleden uitkeringen hadden van 80%, met daarin een minimumdagloonbescherming om te voorkomen dat men op bijstand zou zijn aangewezen. Maar ook in de Bijstandswet zijn door middel van de voordeurdelerskorting, in de AOW door middel van de zogenaamde individualisering en in de Ziektewet door de kortingspercentages, al de nodige verslechteringen aangebracht. Dank zij de inventiviteit van het parlement is er inmiddels wel een verbetering in de WWV aangebracht, waaidoor werkloze vrouwen hun recht op een uitkering konden realiseren. Hiervoor moest juist het tegenovergestelde beogende wetje van de regering worden afgestemd wat overigens een unicum is in de afgelopen recente parlementaire geschiedenis en werd de dekking weer bij de verkeerde gezocht, namelijk bij de jongere WWV'ers. De regering kwam met een interimwetje om de vermogenstoets voor oudere werklozen deels buiten werking te stellen. Dat was overigens een verbetering die nu weer ongedaan wordt gemaakt. Met het samenhangende pakket valt het voorlopig dus wel mee. Maar ook als wij zien wat ons de komende jaren nog te wachten staat, kunnen wij slechts verbaasd zijn over de inhoud van het pakket dat wij nu behandelen. Als de tijd er rijp voor is, wil de regering ook de WAO voor oudere gehandicapten ter discussie stellen. Dat lees ik althans in de memorie van toelichting bij de WAO-wijziging. Over de arbeidsverledeneis wordt opgemerkt, dat wij op dit moment maar genoegen moeten nemen met een leeftijdsnorm en dat hopelijk in een later stadium een sluitend systeem voor de opbouw van WW-rechten ontwikkeld kan worden. Alsof dat dan een beter systeem oplevert. De grondslagen voor een betere financiering van het sociale zekerheidsstelsel zijn uitbesteed aan een studieclub en de regering waagt zich in de nota naar aanleiding van het eindverslag zelfs niet aan een voorspelling over een tijdschema voor die club. Over de toekomst van de AWW worden verder nog enkele dreigende opmerkingen gemaakt. Ten slotte moeten wij wachten op betere tijden om tot echte individualisering van ons sociaal zekerheidsstelsel over te gaan. Dat zal dan wel sintjuttemis worden. Ik hoor CDA-en VVD-woordvoerders overal in het land roepen dat er rust en duidelijkheid nodig is op dit front. Ik zou dat het sussen van het geweten willen noemen. Juist op het moment dat het trio Lubbers, Van Aardenne en Ruding weer een bezuiniging van 1,2 mld. aankondigen op de uitkeringen van 1987 en dat er op 1 oktober weer 1,8 mld. kinderbijslaggelden van de ouders naar de bedrijven zal worden overgeheveld in het kader van het nieuwe studiefinancieringsstelsel, moeten wij erop vertrouwen dat er nu een degelijk onaantastbaar toekomstbestendig uitkeringssysteem zal ontstaan! Het mag duidelijk zijn dat de PSP daaraan net zo min als vakbeweging, de uitkeringsorganisaties en de vrouwenbeweging, enig geloof hecht. Mocht dat perspectief ons wel worden gegund, dan zullen wij zelf daarmee geen genoegen nemen, omdat het nu voor ons liggende stelsel zo snel mogelijk weer van tafel moet worden geveegd, om te worden vervangen door een werkelijk geïndividualiseerd en toekomstbestendig systeem. Misschien dat dan ook pas weer de wat plotseling verdwenen regeringsdoelstelling van vereenvoudiging en stroomlijning van de wirwar van uitkeringsregelingen boven de horizon verschijnt. Bovendien wil de PSP daaraan nog een doelstelling toevoegen, namelijk de democratisering van de sociale zekerheid. Van meet af aan heeft de PSP aandacht gevraagd voor het thema cliëntenparticipatie in de sociale zekerheid. Waarom mogen wij daarover wel praten als wij het hebben over het volkshuisvestingsbeleid, het milieubeleid, het arbeidsvoorwaarden" en arbeidsomstandighedenbeleid, de welzijnssector en de gezondheidszorg, maar moet de besteding van 100 mld. sociale zekerheidsuitgaven, ongeveer 30% van het nationaal inkomen, het doen met een uitvoeringsorganisatie waar de cliënten vrijwel uitsluitend met plichten worden opgezadeld en nauwelijks rechten hebben? De regering maakt zich daarvan af door te wijzen op de werknemersorganisaties die een belangrijke stem hebben in de werkwijze van de bedrijfsverenigingen. Maar ook op hun invloed valt nog wel iets af te dwingen. Door de nieuwe taken die de bedrijfsverenigingen krijgen in de nieuwe werkloosheidswet, wordt het gemis van een directe inbreng van de uitkeringsgerechtigden zelf nog sterker voelbaar. De WAO'ers kunnen daarover overigens volop meepraten. Ik behoef maar te verwijzen naar de jarenlange discussies die nodig waren om een recht op inzage te krijgen in de eigen medische dossiers bij de GMD's. Mijnheer de Voorzitter! In het voorgaande heb ik naar mijn overtuiging voldoende duidelijk aangegeven hoe weinig consistent het nu voor ons liggende pakket wetsvoorstellen is. Ik wil nu nog een paar opmerkingen maken over de relatie van deze stelselwijziging met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Die relatie is simpel. Bij een hoog aantal werklozen en WAO'ers gaan de kosten van de sociale zekerheid omhoog. Het niveau en de duur van de uitkering moet dus omlaag, aldus de regering. WAO'ers worden zoet gehouden met de WAGW, waarvan de werking alom wordt betwijfeld en die het hoge aantal WAO'ers in ieder geval niet zal terugbrengen, maar slechts mogelijkerwijs de instroom zal beperken. Dat heeft de staatssecretaris bij de behandeling van WAGW moeten toegeven. Jongerenuitkeringen werden drastisch verlaagd of afgeschaft ook met het argument dat het de werkloosheid onder jongeren zou verlagen. Overduidelijk is gebleken, dat de jeugdwerkloosheid er niet kleiner op is geworden. Het tegendeel is eerder het geval. In de regeringsvoorstellen wordt berust in een blijvend zeer hoog niveau van de werkloosheid en de arbeidsongeschiktheid. Met een niveau van beneden de 500.000 werklozen in 1990, over vier jaar, wordt door geen enkele van de grote drie partijen rekening gehouden. Mijn fractie vindt dat onaanvaardbaar. De consequentie is dan toch dat honderdduizenden nog vele jaren lang op een absoluut minimumniveau worden gehouden. Alleen een drastische arbeidstijdverkorting kan daarvoor soelaas bieden, want dan zou het ook voor dit kabinet geen enkel financieel probleem meer zijn om de uitkeringshoogte op 80% te houden. Wij zien echter dat dit kabinet bitter weinig concrete Sociale zekerheid (stelselherziening)

initiatieven en maatregelen neemt ten bate van dat herverdelingsproces. Ik wijs ook op de grotere flexibilisering van de arbeidsrelaties. Zouden wij daarover van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de heer De Graaf niet nog voor deze plenaire behandeling een notitie krijgen? In de Eerste Kamer heeft hij daaromtrent tijdens de begrotingsbehandeling toch een toezegging gedaan? Met de omvang van dit verschijnsel -steeds kortere, laag betaalde, wisselende baantjes voor een grote groep werkenden met daarnaast een beperkt aantal hooggekwalificeerde, goed betaalde banen met veel faciliteiten en een prima rechtspositie -wordt in de nieuwe Werkloosheidswet geen rekening gehouden. De wet sluit absoluut niet op die ontwikkelingen aan. Alvorens ik tot de bespreking van de systematiek en de uitwerking van de nieuwe Werkloosheidswet kom, sta ik nog even stil bij de vele alternatieven die voor de regeringsplannen zijn aangedragen. Het meest prikkelende alternatief was misschien wel het in mei vorig jaar uitgebrachte rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid 'Waarborgen voor zekerheid'. Dit rapport veegde de vloer aan met de kabinetsplannen. Zij waren te kortzichtig, besteedden te weinig aandacht aan de relatie tussen arbeidsmarkt en sociale zekerheid en gaven geen aansluiting op de toenemende behoefte van vrouwen aan een eigen inkomen uit arbeid of uitkering. 'De problematiek van de hoge arbeidskosten, de gebrekkige flexibiliteit op de arbeidsmarkt en de noodzakelijke vereenvoudiging van het stelsel zijn tot nu toe onderbelicht gebleven.' Ook de PSP heeft forse kritiek geleverd op het door de raad voorgestelde gedeeltelijke basisinko men en de vrijwillige inkomensdervingsverzekering. Voor ons vormde het rapport echter wel een nuttig handvat om de discussie over de sociale zekerheid op een fundamentelere wijze te voeren dan door de regering is gedaan. Helaas hebben ook de vakcentrales aan het rapport weinig aandacht besteed, al moet gezegd dat zij unaniem met de WRR van mening waren, dat de huidige voorstellen ontoereikend en onvoldoende doordacht zijn. De FNV bepleit een hogere en levenslange werkloosheidsuitkering. Het CNV ziet meer heil in een grotere privatisering van de loondervingsuitkeringen. Sommige bonden bepleiten de invoering van een basisinkomen, al of niet gekoppeld aan radicale arbeidstijdverkorting. De vrouwenorganisaties verenigd in het breed platform 'Vrouwen voor economische zelfstandigheid' leggen een grotere nadruk op de noodzaak om iedereen, mannen en vrouwen, volwaardige uitkeringen te verstrekken, onafhankelijk van het samenlevingsverband waarin men woont. De PSP heeft haar eigen keuzes gemaakt. Deze sluiten nauw aan bij de twee laatstgenoemde alternatieven. In ons rapport 'Omdat ieder mens er één is en niet de helft van een stel, komen wij tot een zeer doorzichtig stelsel, bestaande uit slechts twee uitkeringssystemen: een loondervingsuitkering van 80% van het laatstverdiende loon voor iedereen die door ziekte, handicap of werkloosheid buiten zijn schuld geen betaald werk kan verrichten en een geïndividualiseerde bijstandsuitkering van 80% van het huidige netto minimumloon voor alle overige mensen zonder werk en boven de 16 jaar. Ook de financiële onderbouwing daarvan is erbij geleverd. Het wordt gemakkelijker betaalbaar naarmate de invoering van een 25-urige werkweek naderbij komt. In die zin wil ook de PSP de nadruk leggen op het volumebeleid. Laten wij de betaalde arbeid over zoveel mogelijk personen verdelen, maar straf degenen die daarbuiten staan en doorgaans het onbetaalde werk op zich nemen, niet door hen financieel terug te werpen op hun partner of een te laag bijstandsniveau. De individualisering van de bijstand is geen utopie en is niet in strijd met de maatschappelijke werkelijkheid, zoals mevrouw Kraaijeveld beweerde. Het is een maatschappelijke noodzaak en een gewenste ontwikkeling, ook onderschreven door de CDA-vrou wen. Voor individualisering van uitkeringen zal zeker een forse herverdeling van inkomens noodzakelijk zijn, met name van kostwinners naar niet-kostwinners De PSP kiest daar dan ook bewust voor. Duidelijk moet zijn dat het door die forse nivellering van inkomens inderdaad mogelijk is om te komen tot een volledig geïndividualiseerd stelsel dat mannen en vrouwen in een gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar brengt; een systeem waarbij het niet nodig is met toeslagen en kostwinnersbepalingen te werken, waarmee mensen nodeloos van elkaar afhankelijk worden gemaakt. Naar mate een beleid gericht op drastische herverdeling ook door de overheid tot een hoofdpunt wordt gemaakt, wordt die individualisering des te gemakkelijker te realiseren. Pas dan is het mogelijk een werkelijk sociaal zekerheidsstelsel te creëren op een hoog niveau, waarin bovendien het perspectief bestaat dat men er niet al te lang gebruik van behoeft te maken. Vanuit dat perspectief doet de PSP-fractie haar voorstellen. Ik dien hierbij dan ook een motie in, waarin ik de regeringsvoorstellen afkeur en waarin ik vraag om tot een geïndividualiseerd stelsel te komen. Verderop in mijn betoog zal ik aangeven hoe dit aansluit op de diverse amendementen.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Willems wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; constaterende, dat het door de regering voorgestelde stelsel van sociale zekerheid gekenmerkt wordt door partnerafhankelijke regelingen en geen perspectief biedt op volledige individualisering van het stelsel van sociale zekerheid; keurt de voorstellen af; verzoekt de regering, wetswijzigingen voor te bereiden waardoor uiterlijk in 1990 een volledig geïndividualiseerd sociaal zekerheidsstelsel kan zijn gerealiseerd, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 51 (19261).

De heer Willems (PSP): Ik hoor de heer Wöltgens vragen of hetgeen in de motie gesteld wordt, niet in amendementen vervat kan worden. Dat is een interessante vraag. Ik zou dat graag gedaan hebben. Ik heb in mijn betoog echter aangegeven dat daar heel andere uitgangspunten voor nodig zijn dan in het huidige pakket wetsvoorstellen gehanteerd worden. Het is dan ook vrij ondoenlijk -je maakt dan in feite destructieve amendementen -om een stelsel op individualisering te willen baseren, terwijl het stelsel dat ons nu wordt aangeboden, juist probeert de tegenovergestelde richting in te gaan.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Willam*

De heer Wöltgens (PvdA): Alles op 50% en dan individualiseren.

De heer Willems (PSP): Dan heeft u niet goed geluisterd. Voorzitter! Ik ga over op de bespreking van de werkloosheidswet. Het meest in het oog springende onderdeel van de stelselherziening is de opheffing van de WWV. Die WWV was een uitkering van 75% gedurende twee jaar na afloop van de WW-uitkering, uitgekeerd door de sociale diensten en gefinancierd uit de algemene middelen, de begroting dus. Daarvoor in de plaats wordt nu de WW variabel in duur en deels naar het minimum niveau teruggebracht. Een van de hoofdmotieven voor de regering om de sociale zekerheid te reorganiseren en dus ook de werkloosheidswet in elkaar te schuiven, was de grote toeloop van werklozen en bovendien de steeds langere duur van hun werkloosheid. Inderdaad, dit kabinetsbeleid kan op dit moment een totaal van ruim 725.000 geregistreerde werklozen op zijn naam schrijven. Bijna 20% van de vrouwelijke beroepsbevolking is werkloos en bijna 15% van de mannelijke beroepsbevolking. In het huidige stelsel vindt nu al een enorme verschuiving plaats van het aantal WW-en WWV-gerechtigden naar de RWW. Dat is ook logisch, als blijkt dat ruim een derde van de werklozen al langer dan een jaar werkloos is. Het kabinet heeft op dat punt ook volstrekt gelijk. Onze werkloosheidswetgeving is verouderd, omdat die nog uitgaat van kort durende werkloosheid, waardoor de financiële teruggang voor werklozen niet alleen in duur, maar ook in hoogte zeer beperkt kon worden gehouden in het verleden. Nu daarvan geen sprake meer is, zou het dan ook logisch zijn om de duur van de werkloosheidsuitkering, de loondervingsuitkering, te verlengen en in principe voor de gehele tijd dat men werkloos is, zo nodig tot zijn vijfenzestigste jaar. Daarvoor is men immers verzekerd, net als voor de arbeidsongeschikten gold en voor de meesten van hen ook blijft gelden. De loondervingsuitkering is juist bedoeld om voor de gehele tijd dat men onvrijwillig werkloos is een redelijk vervangend inkomen te ontvangen. Voor de oudere werklozen werd daar al een begin mee gemaakt door de WWV door te laten lopen tot de pensioengerechtigde leeftijd. Er is echter geen reden om jongeren minder rechten te geven.

Natuurlijk, het liefst zouden de meesten van hen weer een betaalde baan hebben en daarmee van het gezeur van de uitkeringsinstanties af zijn. Maar, evenals het equivalentiebeginsel in de WAO en de ABW, waarbij geen sprake is van een beperking in de duur van de uitkering, zou het vanzelfsprekend moeten zijn om zeker in tijden van grote en langdurige werkloosheid de uitkeringen daaraan aan te passen. Het is natuurlijk een absurde redenering zoals de VVD die hier gisteren ten beste gaf en die in wezen ook de filosofie van dit kabinet vormt, dat werklozen blij moeten zijn dat ze nog wat mogen inleveren en terug mogen naar het bijstandsniveau omdat daardoor de economische groei meer kansen krijgt en dus de werklozen weer aan een baan worden geholpen. Deze hulpvaardigheid ten aanzien van de uitkeringsgerechtigden welke in tegendeel door het koopkrachtverlies de economische groei sterk afremt, zal zeker met dit kabinetsbeleid niet tot meer banen leiden. De groei gaat dan veeleer zitten in hogere arbeidsproduktiviteit, hogere winsten, hogere exportcijfers en meer arbeidsbesparende investeringen. De automatiseringsgolf van de laatste 1 5 jaar heeft ons natuurlijk wel wat wantrouwender gemaakt. Bovendien blijken de lagere uitgaven voor de collectieve sector -dat is toch de uitkomst van de gehele operatie -niet probleemloos doorgesluisd te kunnen worden naar arbeidsbevorderende investeringen in het particuliere bedrijfsleven. Sterker nog, het is heel wel denkbaar dat hogere collectieve uitgaven sneller tot economische groei, meer banen en minder werkloosheid zullen leiden dan de weg die dit kabinet aflegt. Het was niet mijn bedoeling een wat vervroeg-de algemene beschouwing te geven over het door het komende kabinet te voeren sociaal-economisch herstelbeleid, maar wel wilde ik even stilstaan bij de ongewenste vanzelfsprekendheid waarmee de meerderheid van deze Kamer de lasten van het herstelbeleid legt bij de meest gedupeerden, de uitkeringsgerechtigden. Als je zoals de PSP doet, kiest voor een bescherming en zelfs een uitbreiding van de uitkeringsrechten van werklozen ten tijde van grote werkloosheid, dan zijn daarvoor economisch gezien geen belemmeringen aanwezig. Zo nodig kun je dezelfde structurele besparingen

-het kabinet spreekt van 445 min. -binnenhalen door een verlaging van de defensie-uitgaven, een lichte verhoging van het staatsaandeel in de NAM en een beperking van de WIR, om maar eens enkele prioriteiten van ons naar voren te halen. De regering kiest voor de nieuwe, crisisbestendige werkloosheidsuitkering een niveau van 70% van het laatst verdiende loon; dus niet voor de 75% van de WWV, noch voor de 80% van de vroegere WW en de WAO, maar voor een puur budgettair bepaald niveau van 70%. Bij de eerdere discussies over de kortingen op deze uitkeringen hebben wij ons al verzet, ook al omdat daardoor een groot aantal uitkeringsgerechtigden door de vloer van het bijstandsminimum zou vallen en er van de loondervingsverzekering weinig zou overblijven. Bovendien vergroot dat de afhankelijkheid van partners, ouders en kinderen, omdat de bijstand niet geïndividualiseerd wordt. Nu definitief het niveau van de uitkeringen moet worden vastgelegd, zou die discussie opnieuw gevoerd moeten worden. Willen wij naar een lokettenmaatschappij met steeds meer financiële verplichtingen van individuen ten opzichte van elkaar of willen wij een systeem van loondervingsuitkeringen waar een individu in principe een redelijke compensatie voor zijn loonderving ontvangt, zonder dat hij daarvoor een beroep op anderen of de staat behoeft te doen? De heer Nijhuis heeft gisteren in theorie dat laatste bepleit. Ik zeg hem dat na, maar in daden steunt hij een systeem dat het tegenovergestelde resultaat heeft. FNV en CNV komen in hun alternatieve stelsel tot een herstel van de WW-uitkeringen naar 75%. Ook de Partij van de Arbeid doet een voorzichtige stap in die richting. Wij vinden die stap niet ver genoeg gaan. Hebben de vakbonden en de maatschappelijke organisaties zich destijds dan voor niets verzet tegen de verlaging van 80% naar 75%? Zijn onze argumenten en wensen van toen nu minder waard of zijn ze nu duurder dan twee jaar geleden? Als het FNV-plan 3 mld. durft in te zetten van een economische groei van omgerekend 30 mld., dan neem ik de vrijheid om dat zeer bescheiden te noemen; een terugkeer dus naar het niveau van 80%, wat bovendien een aanzienlijke verbetering inhoudt ten opzichte van het oude WWV-niveau, mag dan misschien een dure Sociale zekerheid (stelselherziening)

wens lijken, de voordelen ervan lijken mij onweerlegbaar: minder afhankelijk van andere inkomens, hogere bestedingen, minder kostwinnersuitkeringen middels toeslagen, eenmalige uitkeringen of huursubsidie uit de algemene middelen en even crisisbestendig als welk ander niveau dan ook. Op dit punt hebben wij een tweetal amendementen in voorbereiding. In het ene hebben wij het niveau van 80% voor de verschillende wetten vastgesteld. In het andere hebben wij onder het motto ' voor alle zekerheid' het niveau van 75% vastgelegd. Voorzitter! Over de duur van de werkloosheidsuitkering en de relatie daarvan met leeftijd en arbeidsverleden kan ik kort zijn. Ik herinner mij dat koningin Beatrix in haar kersttoespraak de oudere generatie opriep om hun verantwoordelijkheid voor het heden niet te ontvluchten en daarmee te voorkomen dat een hele generatie verloren zou gaan. Zij wist toen al hoe de plannen van het kabinet eruit zagen. Ik sluit dan ook niet uit dat haar oproep ook deze ministersploeg gold. Wellicht heeft ook zij het niet kunnen verkroppen dat juist de jongere werklozen het meest getroffen worden door de regeling die nu wordt voorgesteld. Ook vrouwen met veelal kleinere baantjes en langere onderbrekingen van baanloosheid, worden door de arbeidsverledeneis in het nieuwe stelsel gedupeerd. De heer Weijers suggereerde in zijn bijdrage aan dit debat dat er brede overstemming over zou bestaan dat iemand die langer gewerkt heeft en dus langer premie heeft betaald ook automatisch langer een uitkering krijgt. Deze opvatting over verzekeringen is toch niet ontleend aan het systeem van de brandverzekering, de ongevallenverzekering, de overlijdensrisicoverzekering, de opstalverzekering, de WAO-verzekering en zo kan ik er nog wel enkele noemen. Blijkbaar komt deze uitleg van het verzekeringsbeginsel het CDA goed uit. Wij kiezen voor de systematiek die ook in de WAO vastligt. Wij kiezen dus voor een uitkeringsduur zolang de loonderving buiten schuld optreedt. In plaats van de WAO verder af te breken in de richting van de bijstand, kiezen wij juist voor de omgekeerde weg: het oprekken van de WW in de richting voor de WAO-normering. Hierdoor kan er -zoals ik al in mijn inleiding heb betoogd -één geïntegreerde loondervingsregeling ontstaan voor alle mensen die buiten hun schuld van betaalde arbeid zijn uitgesloten. Voorzitter! Ik ben niet van plan de hele NWW op onderdelen te bespreken en te beoordelen. Veel is bovendien al ter sprake geweest in de mondelinge overleggen en in de schriftelijke voorbereiding. Het aantal geschilpunten is bovendien onoverzichtelijk groot gebleken en gebleven. Ik beperk mij nu dan ook tot enige saillante aspecten daarvan. Wat de personenkring betreft, sluit ik mij aan bij diegenen die ervoor gepleit hebben geen extra bepalingen op te nemen voor buitenlanders. Het ingeschreven zijn bij het arbeidsbureau en bij het bevolkingsregister, zoals voor iedere werkloze geldt, acht ik ook voor buitenlanders meer dan voldoende. Voorkomen moet worden dat buitenlanders ook bij het loket van de bedrijfsvereniging hun verblijfstitel moeten overleggen. Het minderhedenbeleid is er toch juist op gericht om de verschillen tussen Nederlanders en buitenlanders zoveel mogelijk en zo snel mogelijk weg te nemen. Nu wordt een onderscheidende bepaling opgenomen die ertoe leidt tot alleen al de huidskleur van iemand extra controle tot gevolg heeft. Het is treurig dat de werkloosheidswet niet wordt toegepast op thuiswerkers, werkneemsters met zeer kleine deelcontracten en oproepcontracten en alfahulpen. Doorgaans zullen dit vrouwen zijn. De staatssecretaris die belast is met het emancipatiebeleid lijkt zich de belangen van deze groep niet bijzonder aan te trekken. Een verbetering van hun rechtspositie en van hun uitkeringsrechten, acht de fractie van de PSP dringend geboden. De positie van de oudere werkloze wordt er door de IOW ook niet beter op, vergeleken met de huidige regeling. Zij komen dan wel niet formeel in de bijstand, maar feitelijk verschilt hun situatie daar nauwelijks van. Dat het eigen huis buiten beschouwing wordt gelaten, is niet meer dan billijk, maar daarom nog niet voldoende. Het is bepaald geen verfraaiing om voor de groep ouderen een geheel eigen wet in het leven te roepen, terwijl mijns inziens hetzelfde doel bereikt kan worden door de langere uitkeringsduur van de bovenvijftigjarigen in de werkloosheidwet te regelen. De voorgestelde nieuwe werkloosheidswet is er zeker niet eenvoudiger op geworden. Bovendien krijgen veel werklozen ook te maken met aanvullende toeslagen. De eisen die aan werklozen gesteld worden zoals sollicitatieplicht, verhuisplicht en een mogelijke scholingsplicht stuiten op veel verzet voor zover zij van toepassing zijn. Bij een voortduring van de huidige massale werkloosheid zal de animo om zich te onderwerpen aan vaak als zinloos ervaren verplichtingen niet toenemen. In dit licht is het straffe sanctiebeleid dat in het wetsvoorstel wordt voorgesteld en de verzwaring van de bewijslast een ongewenst en voor de PSP onaanvaardbaar antwoord op deze ontwikkelingen. Wij moeten nog maar afwachten wat er straks onder het hoofdstuk voorzieningen aan nieuwe verplichtingen voor werklozen wordt verzonnen. Het is duidelijk dat ik de amendementen waarin een milder sanctiebeleid wordt voorgesteld van harte zal steunen. Voorzitter! Ik kom nu op de gelijkstelling van ongehuwden in de bijstandswet aan gehuwden en de toeslagenwet. Ik ga nu dus in op de wijze waarop het kabinet de individualisering in de sociale zekerheid vorm wil geven. Ik pak eerst de principiële uitgangspunten die het kabinet hanteert aan. Het gaat daarbij uiteraard om de wijze, waarop de regering de derde EG-richtlijn van toepassing verklaart. Het blijkt dat zij deze straks op een zeer beperkte wijze uitvoert. Op diverse plaatsen in de schriftelijke voorbereiding heb ik beklemtoond dat door de onderhavige wetsvoorstellen de noodzakelijke individualisering van het uitkeringssysteem geen stap dichterbij wordt gebracht. Eerder is het tegendeel het geval. De financiële afhankelijkheid die vooral in de Bijstandswet al ver was doorgevoerd, wordt nu ook in alle andere regelingen vastgelegd. Op alle niveaus wordt nu de leeféénheid van individuen een centraal gegeven in de sociale zekerheid. De verzelfstandiging van de loondervingsuitkeringen speelt wat dat betreft slechts een marginale rol. Men moet immers nogal wat verdient hebben in een baan om boven het minimumniveau uit te komen. Een kostwinner bij voorbeeld zal toch altijd meer dan 2000 gulden netto per maand moeten verdienen om niet al direct bij werkloosheid met zijn uitkering onder het minimum te zakken. Praktisch iedereen krijgt vroeg of laat, maar meestal al heel vroeg, te maken met de Toeslagenwet, waarin de leefsituatie van cruciaal belang is.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

In de Bijstandwet werd sowieso allereerst de gezinssituatie bekeken, voordat men een recht op bijstand te gelde kon maken. Nu dreigt zich dit ook structureel te gaan voordoen bij alle werklozen en de meeste arbeidsongeschikten. Het huidige stelsel is, wat de loondervingsuitkeringen betreft, nog meer geïndividualiseerd dan het nieuwe stelsel. Onder het motto: 'even slecht is ook gelijk' worden vrouwen die ongehuwd samenwonen, hetzelfde behandeld als vrouwen die gehuwd samenwonen. Ditzelfde geldt overigens voor mannen, maar voor hen is het effect geringer, daar zij in de meeste gevallen nog steeds de kostwinner zijn. Altijd wordt er eerst gekeken of er iemand anders is, die eventueel voor je kan zorgen: ouders, kinderen, partners, huisgenoten of familie. Het kabinet heeft besloten dat het gezin, het huwelijk, wat de sociale zekerheid betreft, nu echt het kernpunt of de hoeksteen van het sociale zekerheidsgebouw moet worden. Alle andere samenlevingsvormen worden, indien dat maar enigszins mogelijk is, aan het huwelijk gelijkgesteld. Het kabinet beargumenteert zijn voorstellen door steeds te verwijzen naar het minimumbehoeftekarakter van de voorstellen, maar naar mijn mening wordt bij de argumentatie echter stelselmatig de minimumbehoefte en de draagkracht door elkaar gehaald met als uiteindelijk effect, dat mensen twee keer worden gepakt. Eerst door de belastingen, waar de draagkracht vanzelfsprekend een belangrijke rol speelt en vervolgens bij de Toeslagenwet, waar deze draagkracht nogmaals een rol speelt. Er volgt een soort impliciete heffing, doordat op de toeslag gekort wordt, wanneer de partner eigen inkomsten heeft. Dat is ook rechtstreeks het gevolg van het feit, dat de draagkracht niet alleen een rol speelt aan de kant van de besteding van het inkomen, maar ook bij de inkomensverwerving. Erkent de regering, dat de draagkracht zo een dubbele rol speelt en daarom feitelijk sprake is van een dubbele belasting? Ik verwijs hiervoor naar de opmerkingen, die de Emancipatieraad op dit punt heeft gemaakt. Door die financiële afhankelijkheid in alle regelingen vast te leggen, worden vrouwen extra benadeeld. Hun toch al slechte positie op de arbeidsmarkt wordt nu nog eens extra benadrukt, doordat wanneer zij bepaald werk gaan verrichten, dit grotendeels ten koste gaat van de toeslag. Betaald werken wordt zo zinloos, brengt nauwelijks of voor zeer korte tijd extra inkomsten op. Dat geldt des te meer, nu het betaald werk, dat er is, voor vrouwen voornamelijk bestaat uit kleine deeltijdbaantjes, afroepwerk, uitzendwerk en dergelijke. Alleen een volledige baan zou nog soelaas bieden, maar volledige banen zijn eerder uitzondering dan regel. Het te trage proces van arbeidstijdverkorting, zoals op dit moment plaatsvindt, versterkt deze ontwikkeling. Hoezeer de maatschappelijke ontwikkelingen ook juist tenderen in een richting, waarin steeds meer mensen, vooral ook vrouwen, betaald werk zouden willen verrichten, de kabinetsvoorstellen op het gebied van de sociale zekerheid zetten daar juist een rem op. In die zin beschouw ik de opmerkingen van het kabinet, dat 'sociale zekerheid eerder moet reageren op ontwikkelingen dan die te vertragen of te versnellen' en 'dat barrières, die het sociaal zekerheidsstelsel opwerpt ten aanzien van de gewenste maatschappelijke ontwikkelingen gesloopt moeten worden' als volstrekt loze beweringen. Overigens, die opmerkingen worden telkens weer van harte door het CDA onderschreven. Duidelijk is, dat door deze kabinetsvoorstellen geen enkele stimulans uitgaat naar het bevorderen van de economische zelfstandigheid. Als wij het Beleidsplan emancipatie mogen geloven, is dit toch een gewenste maatschappelijke ontwikkeling. Duidelijk is, dat deze voorstellen die ontwikkelingen gewoon vertragen, hoe hard men ook het tegendeel beweert. Op nog een ander punt blokkeert de regering maatschappelijke ontwikkelingen. Hier is sprake van een poging conservatieve en ouderwetse normen aan de mensen op te leggen. Dat zijn het centraal stellen van het huwelijk als het middelpunt van de sociale zekerheid en de pogingen om alle andere samenlevingsvormen te behandelen als ware ze een huwelijk. Alle maatschappelijke ontwikkelingen ten spijt waaruit steeds meer de afnemende betekenis van het huwelijk blijkt, ondanks het feit dat nu al niet eens meer de helft van de huwbare bevolking daadwerkelijk gehuwd is, ondanks het feit dat zelfs als tot een huwelijk wordt overgegaan mensen vaak aangeven daar een andere inhoud aan te willen geven dan die, welke het kabinet veronderstelt en ondanks het feit dat het percentage gehuwden vooral onder jongeren in de komende jaren drastisch zal afnemen, houdt het kabinet vast aan het opleggen van die oude waarden en normen. Ik zou graag willen dat de regering nog eens inging op het maatschappelijke gegeven, dat steeds meer mensen er juist voor kiezen om in allerlei relatievormen zelfstandigheid ten opzichte van elkaar te bewaren, dat juist expliciet niet gekozen wordt voor een zorgplicht jegens elkaar, maar voor een relatieve onafhankelijkheid, dat steeds meer mensen afzonderlijke woonruimte en privacy willen hebben, ook al deelt men een woning met een ander. Vaak worden deze zaken tot uitdrukking gebracht door juist bewust niet voor een huwelijk te kiezen. Maar ook binnen een huwelijk doen zich die tendensen steeds meer voor. Aansluiten op deze ontwikkelingen zou betekenen dat dit gegeven in de sociale zekerheid erkend zou worden. Ik constateer dat het kabinet precies de tegenovergestelde weg bewandelt dan welke bewandeld zou moeten worden als het tenminste de eigen opmerkingen over het volgen van die maatschappelijke ontwikkelingen serieus neemt. Als dat gebeuren zou, zou veel meer het zelfstandige individu centraal moeten staan in een nieuw stelsel van sociale zekerheid en zou een min of meer consistent beleid ontwikkeld moeten worden om eerst degenen, die expliciet voor die zelfstandigheid kozen, van zelfstandige socialezekerheidsuitkeringen te voorzien. Er zou aangegeven moeten worden hoe binnen een bepaald tijdsbestek iedereen, dus ook gehuwden, in het socialezekerheidsstelsel als individu behandeld zou kunnen worden. De voorliggende kabinetsvoorstellen blokkeren die maatschappelijke ontwikkeling. Men kan kiezen voor zelfstandigheid of niet, men kan kiezen geen huwelijk te sluiten omdat men geen huwelijk wil, het maakt absoluut niets uit. Sterker nog: men kan door de wet zelfs belemmerd worden een huwelijk te sluiten, zoals twee samenwonende homofielen, om toch in de sociale zekerheid als een huwelijk behandeld te worden. Op zichzelf genomen is het al absurd dat het kabinet er niet in slaagt, een wet gelijke behandeling af te leveren, terwijl het zich er blijkbaar wel verantwoordelijk voor Sociale zekerheid (stelselherziening)

voelt, in de sociale zekerheid zonder enige wettelijke basis tot een gelijkstelling van alle samenlevingsvormen met het huwelijk over te gaan. Zou de regering op die logica eens willen ingaan? Voorzitter! Daarmee ben ik aangeland bij de criteria die voorsteld worden om die vergelijking met het huwelijk mogelijk te maken. Het kabinet hanteert daarvoor een mengelmoes van zogenaamde objectieve en subjectieve criteria. VVD en CDA doen in dat kader heftige pogingen, alleen tot zogenaamde objectieve criteria te komen om het uiterst subjectieve criterium dat de regering voorstelt -het zich naar buiten toe presenteren als ware men een huwelijk -te vermijden. Het laatste is op zichzelf een volstrekt onhanteerbaar criterium. Sinds wanneer gedraagt men zich als een huwelijk wanneer men samen boodschappen gaat doen of samen op vakantie gaat? Hoe vaak moet men dan samen boodschappen doen? Interessanter wordt het nog als gehuwden zich in dit opzicht niet gedragen als het kabinet van gehuwden verwacht. Op de wedervraag of deze mensen dan ook als individuen beschouwd worden in het kader van de gelijkstelling blijft het kabinet natuurlijk met de mond vol tanden zitten. Er kan natuurlijk geen sprake van zijn om in dergelijke gevallen deze gehuwden als individuen te behandelen. Het zal wel weer geld kosten. Naar de mening van de PSP-fractie geeft men alleen door middel van een huwelijk aan dat men aan die relatie een zekere duurzaamheid wil geven. Ik ken immers geen mensen die gingen trouwen met het idee dat het maar even zou duren. Door niet te trouwen, geeft men aan dat die duurzaamheid niet als een vanzelfsprekendheid beschouwd wordt. Toch is die duurzaamheid een cruciaal criterium in de kabinetsvoorstellen om die gelijkstelling mogelijk te maken. Ronduit belachelijk maakt het CDA zich door eerst een pleidooi te houden voor meer objectievecriteria, dan naar de problematische uitvoeringspraktijk van de bijstandwet te verwijzen, om de noodzaak ervan aan tonen en vervolgens het begrip 'economische eenheid' voor te stellen als te hanteren begrip. Het zal het CDA toch niet zijn ontgaan dat dit begrip nu juist de oorzaak is van de problemen in de bijstandwet?

Ook de VVD maakt het wat dat betreft bont. Men zit natuurlijk in grote problemen, want hoe moet men een liberale visie, die vertrekt vanuit zelfstandige individuen, rijmen met een sociaal-zekerheidsstelsel dat het huwelijk zo centraal stelt? Ook de VVD komt er niet uit en doet een wat doorzichtige poging om niet de vorm maar de feitelijke omstandigheden centraal te stellen. Het huwelijk is dan opeens een formeel briefje geworden, zo lees ik in het voorlopig verslag, waar verder blijkbaar weinig betekenis aan gehecht behoeft te worden. Ook de VVD komt uiteindelijk uit bij de economische eenheid als onderscheidend criterium.

De heer Linschoten (VVD): Misschien weet de heer Willems niet precies wat er in de jurisprudentie onder het begrip 'economische eenheid' wordt verstaan maar het gegeven dat onder de huidige omstandigheden ook in de jurisprudentie dit begrip wordt gedefinieerd aan de hand van de drie criteria, die het kabinet voorstel, heeft inderdaad in de afgelopen jaren voor problemen gezorgd. Als nu de wetgever de jurisprudentie in die zin corrigeert dat niet dat subjectieve element een rol speelt in de wetstektst, zal het probleem zich ook in de jurisprudentie zelf niet meer voordoen. Vanzelfsprekend heeft de rechter zich in de afgelopen jaren moeten aansluiten bij de bestaande wetstektst. Met andere woorden: als de wetstekst wordt vastgesteld zoals door CDA en VVD wordt voorgesteld, zullen zich in de jurisprudentie rond het begrip 'economische eenheid' de door u gesignaleerde problemen niet meer voordoen.

De heer Willems (PSP): Dat bestrijd ik nu juist omdat naar mijn idee ook het begrip 'economische eenheid' dezelfde onduidelijkheid oproept ten aanzien van feitelijke omstandigheden als bij voorbeeld het begrip 'duurzaamheid van een relatie' en de wijze, waarop men dingen samendoet en verantwoordelijkheid voor elkaar draagt. De beroepsrechter zal natuurlijk bijzonder veel met gesteggel over die zaken te maken krijgen. De vraag rijst steeds wie nu wel als een economische eenheid worden beschouwd en wensen te worden beschouwd en wie niet.

De heer Linschoten (VVD): Dat is volstrekt onjuist, mijnheer Willems.

Met de invulling van het begrip 'duurzaamheid' kunt u het eens zijn of niet maar er is een absolute rechtszekerheid over dat criterium omdat het daarbij om drie maanden gaat. De rechtszekerheid is beslist aanwezig. Als u meent dat drie maanden onvoldoende zijn en dat het zou moeten gaan om zes maanden of één week, kan men daar verder over discussiëren maar het is onzin om te veronderstellen dat hier rechtsonzekerheid zou bestaan. Dat moet ik tegenspreken.

De heer Willems (PSP): Men kan er inderdaad van uitgaan dat onder duurzaamheid een periode van drie maanden moet worden verstaan, waarna men voortaan als economische eenheid kan worden beschouwd. Ik beweer echter nu juist dat, als mensen drie maanden of twee jaar samenwonen, dit geen teken is van de economische eenheid, waarvoor zij zelf hebben gekozen. Het is dan ook niet juist dat de wetgever in het stelsel van de sociale zekerheid, los van de burgerlijke wetgeving, hen op dat moment een samenlevingsvorm en een zorgplicht oplegt, waarvoor zij zelf juist niet hebben gekozen. In die zin is de duurzaamheid inliet huwelijk natuurlijk iets heel anders dan de duurzaamheid, die in de jurisprudentie rond de economische eenheid vorm heeft gekregen.

De heer Linschoten (VVD): Uw verhaal zou helemaal juist zijn wanneer de duurzaamheid het énige criterium zou zijn maar dat is niet het geval. Het is één van de twee criteria. Dat wil zeggen dat het probleem, door u geschetst, zich absoluut niet voordoet op het moment dat men aan de hand van objectieve criteria vaststelt wat een economische eenheid of een leefeenheid is.

Mevrouw Kraaijveld-Wouters (CDA): Het gaat bovendien niet om zorgplicht maar om de vraag, of in die economische eenheid de overheid met middelen moet bijspringen en of daar middelen aanwezig zijn.

De heer Willems (PSP): Als men uitgaat van de veronderstelling dat, waar er vermeende voordelen gelden, er altijd gekort kan worden op de individuele uitkering, dan geldt dat, óók als dit feitelijk niet het geval is en als men daar feitelijk niet voor kiest, men gedwongen wordt om een gedeelte van het inkomen over te hevelen naar de partner. De rechter kan dan wel zeggen dat er een Sociale zekerheid (stelselherziening)

duidelijk criterium is, waaraan er getoetst kan worden -een en ander is dan in de wet duidelijk omschreven -maar men verplicht hiermee toch de mensen om elkaar gedeeltelijk te onderhouden op het moment dat er wordt gekozen voor gezamenlijk wonen, huishouden enz. Dan is er geen sprake meer van een keuze die men zelf in een zorgrelatie wil omzetten. De bedrijfsvereniging zal er heel wat moeite mee hebben om aan te tonen dat men feitelijk voordeel ondervindt van het samenwonen. Als men dan aangeeft dat men twee abonnementen heeft op een krant, of twee telefoonabonnementen, dan zou dat een bewijs kunnen zijn van een gescheiden huishouding. Bij één abonnement zou men dan ineens aan elkaar gebonden zijn.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): De bedrijfsvereniging heeft het betrekkelijk eenvoudig omdat zij alleen te maken krijgt met mensen, die een toeslag komen vragen.

De heer Willems (PSP): In die toeslag zit nu juist het probleem. Het gaat toch om de wijze, waarop die toeslag wordt ingevuld.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Neen, als die mensen niet te zamen als economische eenheid worden beschouwd, kan er niet eens een toeslag worden gevraagd.

De heer Willems (PSP): Dat moet dan toch vastgesteld worden?

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Daar kan men zelf alle argumenten voor aandragen om de bedrijfsvereniging te overtuigen. U hebt hier blijkbaar problemen met de bijstand in het hoofd maar die zijn niet op deze wijze van toepassing op de toeslagenwet.

De heer Willems (PSP): Volgens mij is de kwestie van de economische eenheid in de toeslagenwet wel aan de orde als het om ongehuwden gaat, omdat die daarin als gehuwden beschouwd worden. Nu zegt u: die kunnen dan mooi een toeslag aanvragen. Ik vind dat onjuist, omdat daarmee de een afhankelijk wordt gemaakt van de ander die de toeslag moet aanvragen. De partner krijgt niet de toeslag, maar degene die de uitkering krijgt. Het is dus een niet-geïndividualiseerd systeem. Je krijgt een toeslag omdat je een partner hebt, het is dus een systeem dat financieel afhankelijk maakt.

Staatssecretaris De Graaf: Maar men hoeft de toeslag niet aan te vragen.

De heer Willems (PSP): Maar men krijgt ook geen eigen uitkering.

Staatssecretaris De Graaf: Dat is een andere zaak.

De heer Willems (PSP): Neen, daar gaat het juist om. Ik beweer dus dat de partners zowel in de toeslagenwet als in de bijstandswet geen eigen rechten opbouwen en dat hooguit via die toeslagen het kostwinnersprincipe in stand gehouden wordt. Dat is in strijd met het streven naar individualisering en het roept bovendien de problematiek op van de jurisprudentie rondom de economische eenheid.

Staatssecretaris De Graaf: Men bouwt wel eigen rechten op geduren-de de tijd dat men individueel verzekerd is. Het is heel simpel, het gaat alleen om een toeslag voor degene die geen rechten heeft opgebouwd. Dat is een pluspunt.

De heer Willems (PSP): Dat is mij volstrekt duidelijk, maar het gaat mij erom dat die mensen geen recht op een eigen uitkering hebben, terwijl ze niet gehuwd zijn maar wel bij een ander in huis wonen. Iemand die geen economische relatie wenst, wordt nu wel afhankelijk gemaakt van de ander die een uitkering heeft. Dat was al zo in de bijstand, en dat wordt nu versterkt voor ongehuwden via de toeslagenwet.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Die ongehuwden komen toch alleen in aanmerking voor de toeslag als ze iets met de ander te maken willen hebben? Anders blijft het zoals het is, u behoeft geen enkele zorg te hebben.

De heer Willems (PSP): Wij sluiten ons dan ook aan bij het voorstel om ongehuwden uit te sluiten van toepassing van de toeslagenwet. De Partij van de Arbeid heeft dat al duidelijk in een amendement vastgelegd. Wij willen de partner daar tegenover recht op een eigen uitkering geven, waardoor hij of zij wel degelijk een zelfstandig bestaan kan handhaven, ook als hij of zij met een ander samenwoont. Voorzitter! Nog afgezien van het feit dat de rechtsgrond ontbreekt om niet-gehuwden gelijk te stellen aan gehuwden, is het begrip 'economische eenheid' nu wel het laatste dat wij als oplossing, als objectief, feitelijk gegeven naar voren zouden willen schuiven. Het is naar mijn idee ook niet te vatten in duidelijke, te onderscheiden criteria. Derhalve zal het tot rechtsongelijkheid en willekeur leiden. Wie de discussie hierover van de laatste jaren gevolgd heeft en de standpunten van talloze maatschappelijke organisaties en uitvoeringsorganen kent, kan daar echt niet meer omheen. Om vast te stellen of er sprake is van een economische eenheid, is immers een onderzoek binnen de leefsituatie noodzakelijk. Er zal diepgaand in het privéleven van de betrokkenen gewroet moeten worden om dat vast te stellen. Hoe verhoudt zich dat ook alweer tot het principe van de terugtredende overheid, waarvan de regeringspartijen telkenmale de mond vol hebben? De huwelijkse staat wordt door de gelijksteling in de bijstand nu ook opgedrongen aan samenwonenden van hetzelfde geslacht. Hoe voortvarend en slagvaardig is het kabinets-beleid als het gaat om de gelijkstelling in de gevallen waarin er geld te halen is, en hoe conservatief en reactionair, traag en afhoudend is het als het gaat om het vastleggen van die rechten in een wet gelijke behandeling. Een schrille tegenstelling, die nog eens duidelijk maakt, hoezeer de kabinetsvoorstellen door bezuinigingsdrift zijn ingegeven en hoe weinig principieel en ideologsich gemotiveerd ze zijn. Bij de eerste discussies in deze Kamer, in 1983, heb ik uitgebreid aan de orde gesteld, hoe inbreuk op de privacy voorkomen zou kunnen worden -met een eenvoudiger stelsel -en vooral hoe een begin zou kunnen worden gemaakt met de individualisering van het stelsel. Het zal niet onbekend zijn dat de PSP-fractie zo'n volledig geïndividualiseerd stelsel van sociale zekerheid voorstaat, dat wij op korte termijn een dergelijk stelsel zouden willen realiseren en dat wij bereid zijn, de daarvoor noodzakelijke politieke keuzes te maken. Maar volledige individualisering van het stelsel is geen sinecure; een fikse herverdeling van inkomens zou noodzakelijk zijn. Dat is mogelijk -daarover bestaat bij ons geen twijfel -en het is ook noodzakelijk om veel meer tot een gelijkwaardige positie van vrouwen in de maatschappelijke verhoudingen te komen. Het kabinet en feitelijk alle grote partijen belijden die individualisering met de mond, maar zetten op dat gebied geen enkele stap voorwaarts.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Het enige wat daarover in de gehele schriftelijke voorbereiding te vinden was, zijn wat opmerkingen over een minimaal begin daarmee, nota bene in 1990, en dan nog "oor een zeer beperkte groep! Maar zelfs daarop -en ik verwijs daarvoor volledigheidshalve nog eens naar de behandeling van het beleidsplan emancipatie in een UCV van februari jongstleden -bestaat tot op dit moment geen enkel zicht, zoals ook de woordvoerster van het CDA, mevrouw Kraaijeveld, gisteren nog eens onderstreepte. In afwachting van wat in een verre toekomst misschien ooit eens komt, worden intussen steeds meer mensen financieel van elkaar afhankelijk gemaakt. Men ontloopt zijn verantwoordelijkheid door de uitvoeringsorganisaties geen goede handvatten te geven voor de bepaling van de afhankelijkheid van individuen. Zij moeten het maar uitzoeken aan de hand van wat aandachtspunten van het kabinet. Dat is een onverantwoorde handelwijze. Vandaar dat ik naast de motie die ik zojuist heb ingediend om tot een volledige individualisering te komen, voorstellen wil doen om daarmee een begin te maken in de onderhavige wetgeving. In de schriftelijke voorbereiding heb ik voorgesteld om de toeslagenwet uitsluitend van toepassing te verklaren op de gehuwden om op die manier een begin te maken met de individualisering. Ik zou het alleszins redelijk vinden om ongehuwden in ieder geval in het nieuwe stelsel van sociale zekerheid als individuen te blijven beschouwen in plaats van als de helft van een stel. Een dergelijk systeem wordt nu toch ook gehanteerd in de AOW. Dat betekent in dit geval zelfstandige rechten, op de eerste plaats voor de ongehuwde. Het individualiseren van ook de ongehuwden kan vervolgens in de komende jaren gefaseerd volgen. Immers, ook voor gehuwden streven wij naar die zelfstandige uitkeringsrechten. Een amendement op de toeslagenwet alleen van toepassing te verklaren op de gehuwden is al door de PvdA ingediend. Maar met dat amendement alleen bereik je nog geen individualisering. Immers, de bijstand, waarop de ongehuwden aangewezen blijven, kent dan nog steeds de partnertoets. Mijn voorstel is dan ook om in het wetsvoorstel over de bijstandswet een fundamentele wijziging aan te brengen.

Daartoe heb ik een amendement ingediend, waarin geregeld wordt dat ongehuwden in de bijstand als alleenstaanden beschouwd moeten worden, zodat zij recht krijgen op een individuele uitkering. Men kan dit amendement beschouwen als een aanvulling op dat van de PvdA over de toeslagenwet. Het voordeel daarvan is dat het in één klap alle uitvoeringsproblemen voor sociale diensten en bedrijfsverenigingen oplost. Er is immers geen controle meer noodzakelijk; slechts een trouwboekje is het feitelijke criterium, dat ook de VVD zo graag wil hanteren. De leefsituatie speelt verder geen rol en zo hoort het ook. Over de kosten van deze operatie, die dus beoogt om de ongehuwden nu te individualiseren en gehuwden in de komende jaren en dus juist gehuwden aan ongehuwden gelijkstelt in plaats van andersom, heb ik in de schriftelijke voorbereiding uitvoerig gecorrespondeerd met het kabinet. Naar aanleiding van het voorlopig verslag kwam het kabinet op een extra bedrag dat noodzakelijk is van 135 miljoen. Dat wat echter alleen het bedrag dat naast de toeslagenwet extra uitgetrokken zou moeten worden. Ik heb echter om de totale kosten gevraagd, inclusief die voor de bijstand. Immers, iedere ongehuw-de komt, wanneer de toeslagenwet niet van toepassing is, voor een individuele bijstandsuitkering in aanmerking. In het eindverslag komt het kabinet dan ook tot een herziene berekening. Nu zouden de totale kosten, dus inclusief zelfstandige bijstandsuitkeringen voor alle ongehuwden en het laten vervallen van de woningdelersregeling, 300 miljoen tot 350 miljoen bedragen. Het komt mij haast als ongelooflijk voor dat met een zo gering bedrag een zo belangrijke stap op het gebied van de individualisering van uitkeringsrechten gezet kan worden. Naar mijn mening worden dan ook opnieuw enkele dingen over het hoofd gezien. Desalniettemin zal ik het kabinet aan deze berekening houden. Ik heb de vraag toch duidelijk genoeg geformuleerd. Wanneer mag blijken dat er opnieuw iets niet aan deze berekening klopt, illustreert dat nog eens overduidelijk hoe haastwerk slordigheid in de hand werkt en hoe een zinvolle discussie, inclusief het voorleggen van alternatieven, in zo'n korte tijd onmogelijk is. Ik maak tot slot in dit verband nog enkele opmerkingen over de woningdelersregeling. Naar mijn mening hebben alleen CDA en VVD door welke cruciale rol de woningdelers spelen in de discussie over economische eenheden en gelijkstelling van ongehuwden aan gehuwden. Zij zijn er tijdens de behandeling van de voordeurdelersmaatregel indertijd terecht steeds van uitgegaan dat woningdelers in principe 'alleenstaanden' zijn en dat een korting op deze alleenstaanden plaatsvond vanwege de vermeende besparende werking van het delen van een woning met een ander. Maar het onderscheid tussen deze alleenstaanden en degenen die samen een huishouding delen, is moeilijk. Niet voor niets besteedden de regeringsfracties in de schriftelijke voorbereiding veel aandacht aan deze zaak. Niet voor niets pleiten zij steeds voor het versneld verstrekken van de resultaten van de evaluatie van de woningdelersmaatregel om inzicht te krijgen in de moeilijkheden die zich met de invoering daarvan hebben voorgedaan en zich op dit moment voordoen met de uitvoering. Het is namelijk bepaald niet onwaarschijnlijk, dat dezelfde moeilijkheden zich in verhevigde mate zullen voordoen bij de gelijkstelling in de Algemene Bijstandswet en bij de toepassing van de Toeslagenwet. Toch gaf de bijdrage van mevrouw Kraaijeveld gisteren over de Toeslagenwet, waarbij een uitzondering werd gemaakt voor verwanten in de eerste en tweede graad, mij de indruk, dat het CDA die evaluatie van de voordeurdelersmaatregel al heeft gezien en als gevolg daarvan wijzigingen wenselijk acht. Ik ben echter benieuwd hoe het CDA anders de samenhang tussen de woningdelersmaatregel en de Toeslagenwet wil realiseren. n Waarom is die evaluatie er nog niet, ondanks herhaald aandringen van de commissie? Ik behoef daar niet naar te gissen, want volgende week verschijnt ook de evaluatie van een paar bureaus voor rechtshulp en de andere organisaties, die ook, maar op een veel indringender manier dan het ministerie, die woningdelersmaatregel hebben geëvalueerd.

Mevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Gisteren ging het bij de amendering met betrekking tot het begrip 'economische eenheid' of 'gemeenschappelijke/gezamenlijke huishouding' over het uitsluiten van verwanten daarbij, onverlet latende de woningdelers waaronder zich verwanten kunnen bevinden.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

De heer Willems (PSP): Juist uw betoog op dat punt maakte voor mij duidelijk, hoe belangrijk het is dat wij ook de evaluatie van de woningdelers-regeling bij dit debat betrekken. Wij kunnen dan bezien of het juist is, dat er een zo merkwaardig onderscheid tussen twee toch dicht bij elkaar liggende regelingen wordt gecreëerd. U maakt nu een uitzondering voor de economische eenheid in die situatie. Wij zouden die discussie ook bij de behandeling van de woningdelersmaatregel moeten voeren. Dan is het buitengewoon pijnlijk dat wij de evaluatie daarvan nog steeds niet hebben. Anders hadden wij onze conclusies daarover meteen in dit debat kunnen trekken. De evaluatie van die bureaus voor rechtshulp is in elk geval vernietigend. Willekeur en rechtsongelijkheid zijn hoofdbestanddeel van de woningdelersmaatregel. De woonplaats zal een veel onderscheidender criterium blijken te zijn voor de vraag wanneer en onder welke voorwaarden je voor korting in aanmerking komt, dan welk objectief, quasiobjectief of subjectief criterium dan ook. Ik zal nu niet verder vooruitlopen op de inhoud van de evaluatie. Ik hoop dat ik in de loop van het debat hierop nog uitgebreid terugkom. Mijn vraag aan de staatssecretaris is wel, wanneer zijn evaluatie nu eindelijk gereed komt. Ik herinner hem nogmaals aan de door een grote kamermeerderheid uitgesproken wens om die kort na de jaarwisseling -de jaarwisseling van 1986 -te laten verschijnen. Waarom toch de onwil om die evaluatie voor de behandeling van de stelselwijziging af te ronden en bij ons te presenteren? Mijnheer de Voorzitter! Woningdelers zijn alleenstaanden. Dat was en is de stelling van CDA en VVD. Het kabinet is echter systematisch bezig, daarover een geheel ander idee te ontwikkelen. Op diverse momenten waarschuwt het dat, wanneer de regeringspartijen doorgaan met het hanteren van het begrip 'economische eenheid' in plaats van hetgeen het kabinet voorstelt, dan een groot deel van het huidige aantal woningdelers tot de economische eenheden gerekend zal worden. Het lijkt mij echter goed om vast te stellen, dat dit toch nooit het geval kan zijn. Voor de woningdelersmaatregel werd indertijd het argument gehanteerd, dat deze alleenstaanden een relatief voordeel zouden hebben ten opzichte van andere alleenstaanden.

Ik heb dit in alle toonaarden bestreden en doe dat nu nog. Vaststaat in elk geval, dat woningdelers in geen enkel opzicht zijn te vergelijken met gehuwden. Voor hen ontbreekt namelijk de wettelijke zorgplicht voor de ander. Er is geen duurzaamheid van een relatie, omdat er geen relatie is. Zij delen doorgaans geen huishouding. Zij delen slechts de huur of de voordeur. Dit laat onverlet, dat het vaststellen of iemand woningdeler dan wel onderdeel van een economische eenheid is, een gigantische en praktisch onuitvoerbare klus voor de sociale diensten is. Dit heeft ertoe geleid, dat in de afgelopen maanden willekeur en rechtsongelijkheid standaardonderdeel van de uitvoering van de Algemene Bijstandswet zijn geworden. Praktisch vergelijkbare situaties worden nu immers vanwege subtiele verschillen ongelijk behandeld. In de ene gemeente wordt je sneller tot woningdeler bestempeld dan in de andere, waar het lot je tot economische eenheid kan bestempelen. Het simpelweg vaststellen van je woonkosten in een huurcontract leidt ertoe, dat één van de twee door de uitkeringsinstanties als een volwaardig individu, als een alleenstaande, wordt beschouwd. Leg je dit niet in een contract vast, dan betekent dat een fikse korting. Toch heeft het bepalen van het woningdelerschap grote gevolgen. Ben je als woningdeler bestempeld door de sociale dienst, dan zijn daaraan automatisch individuele uitkeringsrechten gekoppeld. Er wordt geen toeslag aangevraagd. De medewoningdeler behoudt ook zijn eigen individuele woningdelersuitkering. ' In het geval het lot je anders gezind is en je met iemand anders tot economische eenheid bestempelt, ligt dat anders. Dan verliest een van beiden zijn uitkering en moet een toeslag worden aangevraagd. Relatief subtiele verschillen leiden er op deze manier toe dat men terechtkomt in een systeem van individuele rechten, dan wel in een toeslagensysteem. Kleine veranderingen in de leefsituatie kunnen tot overplaatsing van het ene naar het andere systeem leiden. De financiële gevolgen daarvan zijn voor de betrokkene enorm. Het gaat immers om honderden guldens per maand. Het onderscheid tussen woningdelen en economische eenheden is buitengewoon subtiel. Het kabinet geeft dat zelf ook aan. Er zijn immers woningdelers die naast de woonkosten een deel van de huishouding of de gehele huishouding samen delen. Het is relatief gemakkelijk om de woningdelerskorting te ontduiken of te ontwijken -wij weten daar alles van -, maar zelfs al lukt je dat niet, dan ben je als woningdeler in ieder geval vele malen beter af dan als de helft van een stel. Het is mij vooralsnog een raadsel hoe de staatssecretaris daarvoor een oplossing kan bieden met behulp van het aan de economische eenheid toegevoegde criterium 'het zich naar buiten toe presenteren als ware men een huwelijk'. Ook begrijp ik niet dat door het weglaten van dat criterium een grote groep woningdelers ineens als partners moet worden beschouwd. Evenmin zie ik in hoe er meer helderheid en onderscheid tussen woningdelers en economische eenheden zal ontstaan wanneer dit criterium wordt toegevoegd. Want woningdelers kunnen naar mijn mening per definitie niet als partner worden beschouwd, simpelweg omdat het alleenstaanden zijn. Misschien kan de regering hierover nog eens wat heldere gedachten formuleren. Hoe valt het bij voorbeeld te rijmen dat alleenstaande mensen eerst gekort worden omdat zij als alleenstaanden bevoordeeld zijn ten opzichte van anderen en vervolgens voor de vereenvoudiging van het stelsel plotseling partners zijn. Klopt er dan wellicht iets niet met de door het kabinet gehanteerde criteria? Aan de regeringsfracties de vraag of door het hanteren van het begrip 'zij die duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voeren' nu plotseling het onderscheid tussen woningdelers en economische eenheden gemakkelijker wordt. Als nu mocht blijken, onder andere uit de evaluatie van die voordeursdelersmaatregel, dat dit onderscheid door de uitvoeringsorganen moeilijk is vast te stellen, houden zij dan toch vol dat zij met hun systematiek meer objecteive en beter te hanteren criteria voorstellen? Hiermee ben ik bijna aan het einde van mijn betoog gekomen. Ik ben niet ingegaan op de voorstellen inzake de WAO. Ik zal er slechts een enkele opmerking over maken, omdat ik met mevrouw Brouwer heb afgesproken dat zij mede namens mijn fractie die wetgeving vrij indringend zal behandelen. Ik heb daarom wat meer aandacht besteed aan de behandeling van de werkloosheidswet en de individualiseringsaspecten van het stelsel.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Witlems Wat de WAO betreft, beperk ik mij tot een enkele hoofdlijn. De wens van de regering om enkele miljarden te bezuinigen op arbeidsongeschikten is werkelijk te gek om over te praten. Wat heeft dit wetsvoorstel om de zogenaamde werkloosheidscompo nent bij jongeren uit de WAO te halen, te maken met de uitgangspunten van deze stelselherziening, vereenvouding, individualisering en bezuiniging? Inderdaad, alleen met bezuiniging heeft het iets te maken. Alle fraaie opmerkingen in het wetsvoorstel over het weghalen van onbedoelde voordelen, de grotere prikkel voor gehandicapten om te gaan werken, komen bij ons en bij de gedupeerde arbeidsongeschikten wel erg hypocriet over. Opnieuw worden jongere uitkeringsgerechtigden het meest getroffen. Opnieuw zullen buitenlanders met een WAO-uitkering meer gedupeerd worden dan de afschatting als Nederlandse WAO-ers. Opnieuw wordt de financiële afhankelijkheid van partners, gehuwd of ongehuwd, vergroot. De door ons sterk becritiseerde trend in de werkloosheidswetgeving zet zich op dezelfde wijze voort in de WAO en zal daarom onze instemming niet hebben. Ook de door CDA en VVD aangeprezen wijzigingen hebben mij nog niet erg aangesproken. Voorlopig lijkt het erop alsof zij iemand eerst in het water gooien en vervolgens een plankje toewerpen waarmee het slachtoffer kan proberen zich alsnog drijvend te houden. Ik ben mijn betoog begonnen met te verwijzen naar de grote maatschappelijke onrust over de kabinetsvoorstellen en het ontbreken van een maatschappelijk draagvlak voor deze voorstellen. Ik sluit mijn betoog af met het uitspreken van mijn grote, oprechte zorg over het verdere verloop van dit debat en deinvoeringsproblematiek. Het advies van de Raad van State van medio vorig jaar repte al van tal van onopgeloste vragen en wetstechnische problemen. De nadere advisering van de Raad van State, de dikke rapporten van de Sociale verzekeringsraad, de technische mondelinge overlegrondes tussen de bewindslieden en de vaste kamercommissie voor sociale zaken leidden tot talloze bijstellingen en veranderingen. Ook de politieke gedachtenwisseling heeft tot een ongehoord groot aantal wijzigingsvoorstellen geleid, waarvan de gevolgen voor het totale stelsel en de uitvoerbaarheid nauwelijks zijn te overzien in het geval zij aangenomen worden. Toch wil de regering nog steeds het nieuwe stelsel op 1 oktober aanstaan-de laten ingaan. Dat betekent zelfs, dat de behandeling in de Eerste Kamer van het pakket slechts een formaliteit dreigt te worden en dat de dan inmiddels door de verkiezingen gewijzigde situatie geen reden mag zijn voor uitvoeringsorganen en cliënten om de volledige parlementaire behandeling af te wachten. De regering lijkt van plan te zijn alvast een voorschotje te nemen op datgene wat er uit de behandeling in de Eerste Kamer komt. Mevrouw Ter Veld heeft vandaag nog eens met nadruk gesteld, dat de Partij van de Arbeid deze stelselher ziening mede inzet van de kabinetsformatie zal maken, indien zij aan die formatie deelneemt. Dat laatste is haast vanzelfsprekend, als het CDA en de VVD bij de verkiezingen geen meerderheid in de Kamer zullen verkrijgen. Maar het dient dan toch de politieke hygiëne om de invoeringsdatum op te schuiven naar bij voorbeeld 1 januari volgend jaar, zodat de opvattingen van de kiezers over dit onderwerp nog een rol kunnen spelen voor Eerste Kamer en kabinet. Bovendien biedt uitstel van de ingangsdatum de gelegenheid om het gehele pakket nogmaals aan de Raad van State voor te leggen. Na de herhaaldelijke uitsteloperaties -ik meen dat als eerste ingangsdatum ooit 1 januari 1985 is genoemd -moet dat toch geen al te groot gezichtsverlies voor de regeringspartijen opleveren. Bovendien laat de vroege Voorjaarsnota ons een meevaller van vele miljarden in 1986 zien. De bezuinigingsdoelstelling van het kabinet is met een overhaaste invoering weinig gebaat, tenzij men de verschuiving van een betrekkelijk klein bedrag van de begroting naar de fondsen een bezuiniging noemt. De doelstelling van vereenvoudiging en stroomlijning komt toch al niet meer in het pakket tot zijn recht. De werkelijke individualisering komt geen stap dichterbij. Kortom: waarom verdedigen deze bewindslieden dit stelsel eigenlijk nog als men denkt aan de bij de start van deze discussie door hen zelf geformuleerde uitgangspunten?

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de Voorzitter! Het stelsel van sociale zekerheid is in Nederland zeer dringend toe aan een grondige revisie. Ik druk mij bewust, en niet vanwege het late avonduur, gedecideerd uit. Al vele, vele jaren is het duidelijk dat de sociale wetgeving waarin tientallen voorzieningen zijn geregeld, op de helling moet. Dat moet niet in de eerste plaats gebeuren vanwege de hoge lasten die met de uitvoering van de voorzieningen zijn gemoeid. In het geheel van de afwegingen die moeten worden gemaakt, vormen die kosten natuurlijk wel een belangrijk en niet te verwaarlozen aspect. De fractie van de RPF is echter van mening, dat het stelsel van sociale voorzieningen, zoals wij dat in Nederland kennen en dat in de gehele wereld uniek mag heten, in de eerste plaats om principiële redenen moet worden gewijzigd. De vele sociale regelingen die er in de loop van de tijd zijn gekomen, doen alles bij elkaar geen of onvoldoende recht aan de eigen verantwoordelijkheid van elk individu en de kring waarin elke man of vrouw, jongen of meisje zich in de samenleving bevindt. In de loop der jaren is de verantwoordelijkheid voor het voorzien in eigen levensonderhoud in het geval van ziekte, handicap of werkloosheid sluipenderwijs te veel verlegd van het individu naar het collectief: een socialistische trend in een sociaal beleid die mijn fractie afwijst. De burger is, in het geval een eigen inkomen ontbreekt, niet alleen te veel afhankelijk geworden van de staat, maar hij heeft ook de kans gekregen eigen verantwoordelijkheid af te schuiven en te gaan leunen op Vadertje Staat: verzorging van de wieg tot het graf, compleet met alle mogelijke extra voorzieningen. Voor elk risico is van lieverlee wel een collectieve dekking op grond van het veel geprezen solidariteitsprincipe. Waarom die solidariteit alleen via het collectief waargemaakt kan worden en niet, en vooral, op microniveau -daarbij denk ik aan gezin en familie, aan werkgevers en werknemers -is mij nog nooit duidelijk geworden. Hoe het ook zij, wij kennen in ons land een zeer uitgebreid, zeer ingewikkeld, zeer duur en zeer fraudegevoelig stelsel van sociale zekerheid. Het ontstane bouwsel wijkt duidelijk af van wat zelfs de grondleggers in de jaren vijftig -te denken valt aan de zeer gerespecteer-de socialistische voorman Willem Drees sr. -voor open stond. Het stelsel van sociale zekerheid is in Sociale zekerheid (stelselherziening)

Nederland -ik herhaal mijn eerste zin -dringend toe aan een grondige revisie. Na de vele, vele woorden die er over de stelselwijziging zijn gesproken en geschreven, is het dan eindelijk zo ver dat het parlement zich zet aan de besluitvorming. Het doet dat op grond van een aantal wetsvoorstellen die wij vangen onder het begrip 'stelselwijziging'. Het is met name staatssecretaris De Graaf, zonder daarbij overigens de nu afwezige mevrouw Kappeyne tekort te willen doen, die zich voor de stelselwijziging sterk heeft gemaakt. De kritiek is hem van alle kanten niet gespaard gebleven. Ik heb er behoefte aan hier mijn respect uit te spreken voor de evenwichtige en volhardende wijze, waarop deze staatssecretaris zich in de afgelopen jaren voor deze niet eenvoudige operatie sterk heeft gemaakt. Betekent dit dat de bewindslieden ons voor hun plannen op voorhand hebben gewonnen? Beslist niet. Dat zal uit de rest van mijn betoog ook wel duidelijk worden. Voorop wil ik echter stellen dat de kans lijkt te worden gemist in het sociale zekerheidsstelsel meer recht te gaan doen aan de eigen verantwoordelijkheid van elk individu en de beperkte taak van de overheid in dit geheel. De rollen worden in vergelijking met de huidige situatie niet omgekeerd, zoals wel noodzakelijk zou zijn naar de mening van mijn fractie. De overheid als dienares van God, heeft naar Bijbels uitgangspunt -en daaraan moeten wij ons voortdurend blijven vasthouden -de roeping, recht en gerechtigheid te betrachten. God is het die het recht der armen en de verdrukten gelden doet, zo luidt de bekende psalmregel. Dat heeft alles te maken met sociale voorzieningen. Als mensen buiten hun directe schuld niet in hun eerste levensbehoeften kunnen voorzien, is dat onrecht en moet dat als onrechtvaardig worden gezien. De overheid moet handelend optreden om de schande van de bittere armoede en verpaupering te voorkomen. Een dergelijk uitgangspunt legitimeert echter allerminst een sociaal stelsel zoals wij dat nu kennen, zeker De overheid zou zich moeten beperken tot het stellen van een sociale vloer, waarop iedereen kan terugvallen die geen eigen inkomen kan verwerven en die ook niet aan de zorg van andere kan worden toevertrouwd. De taak van de overheid in dr feer van de sociale voorzieningen blijit dan echter wel beperkt en de regelgeving kan eenvoudig en duidelijk zijn. Het is overigens misplaatst om een dergelijke situatie zonder meer af te schilderen als een nachtwakersstaatsituatie, waarin ieder aan eigen lot wordt overgelaten. Het gaat er echter om dat elk individueel mens in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid draagt voor zichzelf en voor hen die aan zijn of haar hoede zijn toevertrouwd. Daarnaast is de staat als collectief niet de verzekeraar van alle mogelijke tegenslagen die een mens nu eenmaal kunnen overkomen. Het treffen van maatregelen daarvoor moet aan een ieder zelf worden overgelaten, hetzij individueel, hetzij in de verbanden waarin mensen staan, zoals gezin, werkkring, maatschappelijke organisaties, enzovoorts. Aan die criteria voldoen die nu in bespreking zijnde voorstellen zeker niet en zij zouden daarom ook moeten worden afgewezen. Wij kunnen daarmee echter natuurlijk niet volstaan en willen dan ook graag de plannen van de regering van het nodige commentaar voorzien. Mijnheer de Voorzitter! Herziening en herbezinning op ons sociaal zekerheidsstelsel waren en zijn, zoals ik reeds opmerkte, om velerlei redenen nodig. De aan de orde zijnde wetsvoorstellen vormen in elk geval een poging, aan het een en ander gestalte te geven, zij het dat dit beperkt blijft tot voornamelijk de deelterreinen: arbeidsongeschikt-heids-en werkloosheidsverzekeringen. Daarbij moet worden aangetekend, dat de structurele voorstellen in deze kabinetsperiode zijn voorafgegaan door een aantal maatregelen ad hoc, zoals de generieke verlaging van uitkeringspercentages en een interimregeling voor oudere werklozen. Bovendien werd aan gehuwde niet-kostwinners, recht op een WWV-uitkering toegekend. Deze maatregelen dienen naar het oordeel van mijn fractie nadrukkelijk bij de stelselherziening te worden betrokken. Zij bepalen immers mede de inhoud van de huidige voorstellen, waarbij met name de verlaging van de uitkeringspercentages meer gericht was op het bereiken van snelle bezuinigingen dan op aanpassing van ons sociaal zekerheidsstelsel aan een terugtredende overheid. Voordat ik echter dieper op de hoofdlijnen van een nieuw stelsel inga, wil ik enkele meer algemene opmerkingen maken. De formulering van de huidige voorstellen heeft wellicht, mede door de voorbereiding van de maatregelen ad hoc en door de adviesronden, meer tijd gekost dan was voorzien. Eerlijk gezegd moet ik stellen dat deze staatssecretaris er toch in geslaagd is om voor de verkiezingen zijn voorstellen in het parlement te verdedigen. De tijd voor de noodzakelijke zorgvuldige parlementaire behandeling was daardoor met het oog op de snel naderende Tweede Kamerverkiezingen kort. Toch heeft een intensieve schriftelijke voorbereiding, omlijnd door mondeling overleg kunnen plaatsvinden. Hoewel dit geen absolute garantie vormt tegen wetstechnische onbedoelde gevolgen, is naar de mening van mijn fractie wel sprake van een zo zorgvuldig mogelijke voorbereiding in de gegeven omstandigheden. De integrale behandeling van de onderhavige wetsvoorstellen in dit debat kan daar nog het nodige aan bijdragen. Bovendien is het niet de eerste keer dat de stelselherziening in dit Huis ter sprake komt. De hoofdlijnen zijn in 1982 in ondeling overleg en begrotingsdebatten en tijdens andere gelegenheden aan de orde geweest. Het lijkt mij goed te zeggen, dat de thans aangehouden ingangsdatum van 1 oktober opnieuw een voorlopige streefdatum is. Veel zal afhangen van de verkiezingsuitslag en de daarop volgende formatieperiode. Anderen wezen daarop ook al. Dit betekent dat de onzekerheid over het nieuwe stelsel, onder het voorbehoud dat de voorstellen in dit Huis worden aanvaard, voorlopig nog wel zal voortduren. Welke gevolgen voor de start van de voorlichtingscampagne en de voorbereiding van de uitvoeringsorganen heeft het standpunt van de Eerste Kamer om niet over te gaan tot behandeling van de stelselherziening met een demissionair kabinet? Wordt met die zaken gewacht totdat de Senaat heeft gesproken of tot een nieuw kabinet is geformeerd? Het vervolg van mijn betoog is als volgt opgebouwd. Eerst ga ik in op de nog steeds bestaande noodzaak, het stelstel te herzien. Vervolgens zal ik enkele hoofdlijnen schetsen waaraan een nieuw stelsel naar de mening van mijn fractie moet voldoen. Dit biedt het kader om de uitgangspunten die het kabinet voor de herziening hanteert, te toetsen. Alvorens tot een afronding te komen, ga ik daarna kort in op enkele Sociale zekerheid (stelselherziening)

inhoudelijke aspecten van de afzonderlijke wetsvoorstellen. Mijnheer de Voorzitter! Ons stelsel van sociale zekerheid is niet van de ene op de andere dag ontstaan. Wel blijken de voornaamste uitbreidingen in de tijd van hoogconjunctuur en hooggespannen economische verwachtingen tot stand te zijn gekomen, namelijk de tweede helft van de jaren '60. Dit geldt voor de WWV (1965), de WAO (1967) en de AWBZ (1 968). De AAW is pas een tiental jaren in werking. De motieven voor de uitbouw van het stelsel, zoals het dienen van de rechtvaardigheid en de solidariteit, zijn op zichzelf te waarderen. Er is immers het Bijbels gebod naar onze naaste om te zien en gerechtigheid te betrachten. Dat neemt niet weg, dat het stelsel complex, onoverzichtelijk en anoniem is geworden. Er traden in de loop der tijd negatieve neveneffecten op, zoals een verminderd besef van persoonlijke verantwoordelijkheid en een afwenteling van de kosten van de zekerheid op de samenleving. Ruime interpretatie van begrippen door uitvoeringsorganen naast helaas geconstateerd oneigenlijk gebruik, gepaard gaand aan een verslechterende economische situatie, deden de kosten van het in stand houden van het stelsel onrustbarend stijgen tot maar liefst 107 mld. op dit moment. Het resultaat is een forse premiedruk ten laste van de arbeidskosten en het vrij besteedbaar inkomen. Zo bedraagt de marginale premiedruk 50% tussen minimum en modaal en 60% bij een modaal inkomen. Inclusief werkgeverslasten bedraagt het percentage zelfs 85. Mede hierdoor werd de verleiding om zwart te werken en uit te betalen sterk vergroot. Dat verzwaart de lasten indirect nog meer. Naar de mening van mijn fractie -ik zeg dit maar even tussen neus en lippen door -zou ook dit feit harder moeten worden aangepakt. Denk alleen al eens aan de vele zaterdaghulpjes die zwart worden betaald en zo al op jonge leeftijd vertrouwd raken met deze toch weinig fraaie praktijk. Wellicht geldt ook hier 'jong geleerd is oud gedaan'. Inmiddels is het aantal uitkeringsgerechtigden in 1985 opgelopen tot maar liefst 3,3 miljoen. Het hoge welvaartspeil dat wij in Nederland ondanks alles kennen, heeft ertoe bijgedragen, dat het uitgebreide stelsel van sociale zekerheid tot nu toe in stand kon worden gehouden.

Als het aantal mensen dat op een uitkering is aangewezen hoog blijft -daar ziet het helaas voorlopig naar uit -zal dit op langere termijn niet meer mogelijk zijn. Dit is een van de redenen -ik wees al op de principiële noodzaak om tot wijziging over te gaan -om uit een oogmerk van gerechtigheid en goed en verantwoord financieel beheer te komen tot wijziging. Ook het draagvlak van het stelsel wordt te smal. In 1960 stond tegenover tien werkenden één uitkeringsgerechtigde, nu is de verhouding 2:1. Waar praten wij dan nog over? De continuïteit van het stelsel komt gewoon direct in gevaar. Dat kan toch een kind zien? Daarom acht ik het achenweegeroep van de vakbonden op zichzelf wel te plaatsen, maar niet te billijken. Waar niet is, verliest de kiezer toch zijn recht? Over welk recht praten wij? Verworven rechten? Op grond waarvan? Moeten wij niet veeleer vaststellen, dat ons stelsel niet houdbaar is en moet worden versoberd? Ik meen van wel, zij het met de nadrukkelijke kanttekening, dat zij die volkomen terecht op een uitkering zijn aangewezen, van een afslankingsoperatie niet de dupe mogen worden, vooral zij die van een uitkering een huishouding van een of meer personen moeten voeren. Dat de bedreiging van de continuï-teit een structurele en geen tijdelijke zaak is, zal niemand verbazen. Immers, zelfs als de werkloosheid afneemt, zijn de oorzaken die leiden tot de instroom in de AAW en WAO nog niet weggenomen en is de vergrijzingsproblematiek nog niet opgelost. Bovendien lijkt een daling van het aantal werklozen tot de omvang van slechts de frictiewerkloosheid de eerstkomende jaren een illusie, mede door het propageren van het recht en over enkele jaren zelfs de morele plicht van elk individu tot het verrichten van betaalde arbeid. Kortweg gezegd, het is nodig dat wij erkennen dat wij de lengte van onze sociale zekerheidspolsstok hebben overschat. Er dient een aan de huidige omstandigheden aangepast stelsel te komen. Die noodzaak wordt door zeer velen ook van regeringswege al een groot aantal jaren onderkend. Het belangrijkste probleem daarbij is echter de vormgeving van een nieuw soberder stelsel. Dit blijkt bij voorbeeld uit het sterk verdeelde SER-advies van juni 1 984. Dat dit kabinet het uiteindelijk heeft aangedurfd om een mogelijk alternatief aan het parlement aan te bieden, verdient daarom op zichzelf waardering. Ik zeg dit ook in de richting van de persoon van deze staatssecretaris. Snoeien is verre van populair. Daarmee is nog niet gezegd dat mijn fractie zich zonder meer bij de huidige voorstellen zou kunnen aansluiten, hoewel zij daarin een aantal positieve punten heeft aangetroffen. Ik noem de integratie van de WW en de WWV, de voorlopige handhaving van de minimum bescherming van gezinnen, een uitkering meer afgestemd op het arbeidsverleden, structurele regeling van de positie van de oudere werklozen, waarin geen vermogenstoets is opgenomen, aandacht voor de discrepantie tussen de uitkeringsrechten van werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten, beëindiging van de bevoordeling van ongehuwd samewonenden boven gehuwden in onder meer de AOW en een intensivering van de fraude bestrijding. Toch is het nog een open vraag in hoeverre deze uiteindelijk zullen opwegen tegen de negatieve aspecten van de voorstellen. Daarbij gaat het vooral om de grondmotieven die het kabinet hanteert voor de herziening, zoals individualisering en het streven naar economische onafhankelijkheid, de verhouding overheid en sociale partners, de toenemende gecompliceerdheid van de uitkeringsregeling en de inkomenseffecten. Ten slotte mag niet onvermeld blijven de stelselkeuze als zodanig. Om met het laatste punt te beginnen, mijn fractie denkt bij het spreken over een aangepast stelsel in de eerste plaats aan een uitkeringssysteem, waarbij in grotere mate dan in de huidige wetten rekening wordt gehouden met de inkomenspositie van de gehele huishouding, waarvan de uitkeringsgerechtigde deel uitmaakt. Hierdoor wordt de eigen verantwoordelijkheid van een samenlevingsverband benadrukten kan op de kosten van dubbele uitkeringen ten laste van de sociale fondsen worden bespaard. Dit kan weer leiden -dit is natuurlijk heel belangrijk -tot lagere permiestelling. Dit is zeker het geval wanneer al in de loondervingsfase rekening zou worden gehouden met het huidhoudinkomen. In feite zou dit betekenen de introduktie van een vorm van het tweetrajectensysteem, waarvan de onderbouw bestaat uit een minimum Sociale zekerheid (stelselherziening)

uitkering inclusief een inkomenstoets op inkomsten uit arbeid en de bovenbouw uit een individueel of collectief afgesloten bovenwettelijke verzekering die valt onder de vrijlatingsbepalingen van de inkomens toets. Op zichzelf is het tweetrajectenstelsel in het Nederlandse sociaal verzekeringssysteem aanwezig. Te denken valt aan de AAW/WAO, de AOW en aanvullende pensioenregelingen en in een wat andere opzet in de sfeer van de ziektekostenverzekeringen de ziekenfondsen en de particuliere verzekeringsmaatschappijen. Vanuit deze stellingname is de keus van het kabinet voor het loondervingssysteem met vangnet te betreuren, hoewel de opstelling van de sociale partners daar mede debet aan is en uiteraard ook de Kamer, gelet op het overleg dat de staatssecretaris in 1982 met haar heeft gevoerd. Nu wordt weliswaar het bestaande loondervingssysteem gehandhaafd en zelfs uitgebreid, maar tegelijkertijd gaan door de vormgeving van het vangnet weinig impulsen uit om op grond van persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef het inkomensniveau bij voorbeeld via bovenwettelijke uitkeringen te verbeteren. Zijn de bewindslieden het met ons eens? Erkennen zij dat in geval voor het tweetrajectenstelsel was gekozen, de wettelijke regeling beperkt had kunnen blijven tot het verplicht verzekeren van een uitkering op minimum niveau? Erkennen zij voorts dat in dat geval de sociale partners zowel qua vormgeving als qua uitkeringsniveau een grotere verantwoordelijkheid zouden kunnen dragen voor het bovenwettelijke traject dan in de huidige voorstellen had geval is? Mijnheer de Voorzitter! Dat brengt mij bij het volgende punt. In hoeverre draagt de overheid verantwoordelijkheid voor de totale inhoud van het sociaal zekerheidsstelsel? Uit de schriftelijke voorbereiding is duidelijk geworden dat de bewindslieden er weinig voor voelen om op dit moment de sociale partners beleidsverantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid te laten dragen, anders dan voor de uitvoering en het innen van de premies. Bij mijn fractie is in dit verband de vraag gerezen of de verdere verstrengeling van volks-en werknemersverzekeringen in de stelselherziening in de toekomst geen belemmering vormt om de sociale partners weer meer zelfstandige beslissingsbevoegdheid te geven voor de uitwerking van de sociale zekerheid. Hoe valt bovendien de toch vrij stringente invulling van de regelgeving te rijmen met de terughoudende opstelling die de overheid inneemt ten aanzien van een decentraal te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid? De bewindslieden hebben toegezegd op verschillende aspecten betreffende de relatie overheidsociale partners in te zullen gaan in het aangekondigde wetsvoorstel herziening van de organisatiewet sociale verzekering. Maar is dat niet te laat? De stap die wij nu zetten om te komen tot hervorming van het stelsel is richtinggevend voor de toekomstige realisatiemogelijkheden van een crisisbestendig stelsel waarin de overheid op afstand de ontwikkelingen volgt. Een belangrijke factor in dit verband is, dat er geen afgeronde toekomstvisie is met betrekking tot het toekomstige stelsel. Kan de staatssecretaris die nog schilderen? Zo is het nog onduidelijk of er wel of niet één loondervingswet zal worden uitgewerkt, of de glijdende schaal wellicht in de toekomst geïntroduceerd zal worden en welke betekenis de individualisering op den duur zal krijgen. Graag krijg ik een reactie op de door mij genoemde punten. Het begrip 'individualisering' is één van de grondslagen van het nieuwe stelsel te zamen met het streven naar economische zelfstandigheid voor elk individu. Door de begrippen 'individualisering' en 'economische zelfstandigheid' als vertrekpunten te nemen wordt er naar de mening van mijn fractie een wissel ten opzichte van het huidige stelsel omgezet, zonder dat de gevolgen daarvan nadrukkelijk uitgewerkt zijn. Er ligt een mens-en maatschappijvisie aan ten grondslag, welke niet meer gericht is op het teweegbrengen van een samenleving, maar veel meer op het teweegbrengen van een 'alleenleving'. Zijn de bewindslieden zich ervan bewust dat dit bij voorbeeld enorme gevolgen kan hebben voor het beroep op professionele welzijnshulp? Is het voor hen geen teken aan de wand, dat met name jongeren worstelen met psychische problemen, die in toenemende mate leiden tot arbeidsongeschiktheid? Op welke wijze hebben zij zich ervan overtuigd, dat het individualiseringsprincipe steun vindt in brede lagen van de bevolking? Rekent de overheid het niet langer tot haar taak te wijzen op Sociale zekerheid (stelselherziening) het feit dat persoonlijke ontplooiing alleen ten dienste van zichzelf leidt tot egoïsme en nauwelijks tot plichten aanspreekbare individuen? Naar de mening van de RPF-fractie wordt door het individualiseringsprincipe te verheffen tot waarde en norm op schromelijke wijze afbreuk gedaan aan de in de schepping neergelegde samenlevingsverbanden als huwelijk en gezin, waarin mensen elkaar tot een hand en een voet zouden moeten zijn. Diep gewortelde structuren worden op die manier op z'n minst ondermijnd, zo niet afgebroken. Wat overblijft is slechts economische eenzaamheid. Voldoende inkomen, maar geen mens om mee te spreken. In het verlengde van de individualisering ligt het streven naar economische zelfstandigheid, met name voortgekomen uit de emancipatiedoelstelling van dit kabinet. Het kabinet huldigt daarbij blijkens pagina 35 van de adviesaanvrage van mei 1983 onder meer de opvatting dat 'de maatschappij ten aanzien van de arbeidsverdeling binnen leefeenheden een evolutie doormaakt'. Daarbij wordt overigens nog opgemerkt 'dat de meest voorkomende verdeling echter ook nu nog is, dat binnen de leefeenheid één van de partners betaalde arbeid verricht en de ander in hoofdzaak onbetaalde (huishoudelijke) arbeid'. Dit laatste vormt ook thans nog de maatschappelijke realiteit. Is het dan wel reëel te spreken van een evolutie? Dit veronderstelt het opklimmen naar een betere situatie die nog niet eerder is bereikt. Betekent dit dat vrouwen in Nederland in de historie nog niet eerder noodgedwongen in het arbeidsproces zijn ingeschakeld? Waarin zou de huidige ontwikkeling verschillen van die ten tijde van de industriële revolutie? Ook hier past de vraag: realiseren de bewindslieden zich de gevolgen van de van overheidswege gepropageerde amancipatie? Te denken valt bij voorbeeld aan de gevolgen voor de gezondheidszorg door meer beroepsziekten van vrouwen en kinderopvang. Zullen grootmoeders weer meer moeten opdraaien voor de kinderopvang of zullen deze lasten volledig door de overheid worden overgenomen? Voor het stelsel van sociale zekerheid zijn de gevolgen op voorhand al duidelijk: het stelsel wordt door het propaganderen van tweeverdienerssituaties en de daarmee gepaard gaande individualisering van uitkeringsrechten nodeloos kostbaar en ingewikkeld, terwijl er innerlijke tegenstrijdigheden optreden.

Enerzijds wordt namelijk voorgesteld door ongehuwd samenwonenden gelijk te behandelen met gehuwden voor ongehuwd samenwonenden de minimumuitkering terug te brengen van 140% tot 100%, terwijl anderzijds in de tussenfase bewust het recht wordt gecreëerd op een uitkering van 140%. Kunnen de bewindslieden mij deze tegenstrijdigheid uitleggen, evenals de reden waarom de anti-cumulatiebepaling in de AAW wordt geschrapt? Hiermee, mijnheer de Voorzitter, ben ik aan het onderwerp vereenvoudiging gekomen. Juist dit was de reden voor de studie van de commissie-Veldkamp. Wij zijn die nog niet vergeten. Lijkt het er nu niet op dat wij precies het tegengestelde bereiken, doordat wij een stelsel van sociale zekerheid krijgen dat nog alleen toegankelijk is voor specialisten? Van diverse zijden is reeds gepleit voor een op zichzelf sympathieke regeling voor oudere zelfstandigen. Het gevolg is wel dat er een nieuwe aparte regeling moet komen, terwijl door de kabinetsvoorstellen het aantal structurele regelingen toch al wordt vergroot. Daarnaast zal in de toekomst veel vaker samenloop van diverse deeluitkeringen optreden, mede als gevolg van het uitkeringspercentage. Verder dragen de op zichzelf gerechtvaardigde arbeidsverledeneis en de inkomensvrijlatingsbepalingen bij aan een verdere complicering van het systeem. Voorts is het 'loketteneffect' wel verminderd, maar nog niet opgeheven. Bij overgang van de nWW naar de IOW en van de nWW naar de RWW heeft men met een andere instantie van doen. Bovendien kan het voorkomen dat men in geval van een aanvullende bijstandsuitkering, zowel met de bedrijfsvereniging als met de sociale diensten in aanraking komt. Is het wel verstandig met een dergelijk gecompliceerd systeem de toekomst in te gaan, zeker nu wij toch bezig zijn met een herziening van het stelsel? Mijnheer de Voorzitter! Door de complexiteit neemt de fraudegevoeligheid van de regelingen eveneens, naar moet worden gevreesd, toe. Zal een sterkere nadruk op fraudebestrijding dan wel een zozeer gewenste terugdringing van de fraude en van het oneigenlijk gebruik teweeg kunnen brengen? Hierbij teken ik aan dat de fractie van de RPF in het verleden voortdurend heeft aangedrongen op een strengere controle op de rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen. Wij constateren met enige tevredenheid dat er op dit punt vorderingen worden gemaakt, zowel wat de aanpassing van de regelgeving betreft en de introductie van strengere sancties als wat de de bemanning van de controleafdelingen bij de gemeenten betreft. Dit blijkt uit de brief van 29 januari 1980 aan de bijzondere commissie inzake ISMO. Toch is een intensivering van het beleid op haar plaats en is het onontkoombaar om door gerichte controle gelden vrij te maken voor degenen die wel recht hebben op een uitkering. Op een later tijdstip deze maand, zal er gelegenheid zijn met staatssecretaris De Graaf van gedachten te wisselen over het gemeentelijk sanctiebeleid. Het zal dan met name gaan over eventueel landelijk geldende richtlijnen, om op deze wijze meer eenheid in de toepassing van sancties te brengen. Op het eerste gezicht lijkt dit een goede zaak. Eén aspect in notitie heeft mij echter bijzonder getroffen, namelijk het feit dat bij een groot aantal van de onderzochte gemeenten de sancties aanmerkelijk zijn versoepeld na de algemene verlaging van de uitkeringspercentages. De staatssecretaris constateert terecht dat hiermee onvoldoende recht wordt gedaan aan de uitgangspunten van de werkloosheidsregelingen en het daarop te funderen sanctiebeleid. Is hem bekend in hoeverre eenzelfde trend zich bij de bedrijfsverenigingen heeft voorgedaan? Mijnheer de Voorzitter! Ik maak nog een enkele opmerking over de hoogte van het uitkeringspercentage. Ik wees er in mijn inleiding al op dat de hoogte van het uitkeringspercentage naar de mening van de fractie van de RPF, nadrukkelijk bij de stelselherziening betrokken dient te worden. Ik licht dit nader toe. Tot nu toe heeft mijn fractie de algemene verlaging van de uitkeringspercentages in 1983 en in 1 984 niet gesteund om de formele reden dat deze beslissingen genomen dienen te worden uit een langetermijnvisie en niet alleen om relatief gemakkelijk op korte termijn bezuinigingen te realiseren. Een volgende reden om niet akkoord te gaan met de verlaging van de uitkeringspercentages vormde de naar onze mening te rigoreuze uitwerking van die maatregel met name voor de alleenverdieners. De kortingen werden namelijk niet naar draagkracht gedifferentieerd. Bovendien werd het verwachtingspatroon ten aanzien van de inkomenspositie na het onverhoopt optreden van een zekere calamiteit doorbroken. Vervolgens waren wij van mening dat er andere mogelijkheden waren om te bezuinigen, althans om minder geld uit te geven voor de sociale voorzieningen. Wij hebben daarvoor in de desbetreffende debatten alternatieven aangedragen. Nu doet zich de gelegenheid voor het uitkeringspercentage in een meerjarenperspectief te plaatsen in het nieuwe stelsel. Hoewel wij om meer dan een reden bezwaar tegen de stelselkeuze hebben menen wij, dat wij wanneer wij over dit stelsel spreken, eveneens de mogelijkheid van verhoging van het uitkeringspercentage aan de orde moeten stellen. De fractie van de RPF heeft daarbij rekening gehouden met het kostwinnersprincipe. Dit is een belangrijk aspect, evenals het accentueren van de opvatting dat verantwoordelijkheden weer gelegd moeten worden waar zij horen. Uit de memorie van antwoord blijkt dat een algemene terugkeer naar een percentage van 75 in de WW, WWV, ZW en WAO een bedrag vergt van 1,4 miljard en een verhoging voor de 'oude' gevallen van 2 miljard. Het kabinetsstandpunt daarover wekt geen verbazing. Verhoging van het uitkeringspercentage zou slechts leiden tot verschuivingen tussen Toeslagenwet en loondervingsregelingen en vormt geen bijdrage aan het volumebeleid. Op zich zelf is dit juist, maar het is wel een kwestie van politieke voorkeur. Daarbij wil ik het volgende voorstel aan de bewindslieden voorleggen. Achten zij het mogelijk om alsnog het uitkeringspercentage te verhogen tot 75 van de uitkeringen van hen, die op het moment dat de kortingen hun beslag kregen, daarmee geen rekening konden houden in hun uitgavenpatroon? De kortingen veroorzaakten immers een extra belasting op het huishoudbudget, dat toch al werd getroffen door een forse daling vanwege werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Naarde mening van mijn fractie zou dit ook moreel rechtvaardiger zijn, omdat nu de beslissing moet vallen over een sociaal zekerheidsstelsel voor de komende jaren. In het nieuwe stelsel kan dan worden gekozen voor een uitkeringsniveau van 70% voor Sociale zekerheid (stelselherziening)

nieuwe gevallen. Het verwachtingspatroon van de nieuwe uitkeringsgerechtigden kan daarop dan worden gericht. Voor dat uitkeringsniveau en niet voor een hoger niveau worden de rechten opgebouwd. Het door mij gelanceerde voorstel is, dacht ik, ook te financieren. Het is een kwestie van politieke voorkeur ten aanzien van het te voeren volumebeleid. Immers, wordt bij voorbeeld door het creëren van een geïndividualiseerde uitkering gedurende de tussenfase van voorlopig één, maar voor uitbreiding vatbaar zijnde periode geen aanslag gepleegd op het aantal gerechtigden dat van een uitkering gebruik maakt. In hoeverre heeft het gepropagandeerde emancipatie-ideaal van betaald werk buitenshuis voor elk individu een aanzuigende werking op het volume? Welk bedrag zou gespaard kunnen worden, wanneer in de tussenfase eveneens een inkomenstoets, inclusief partnersinkomen, zou worden toegepast? Voorts zijn er andere mogelijkheden om de financiering rond te krijgen. Daartoe behoren naar de mening van mijn fractie zowel intensivering van de misbruikbestrijding, stringente toepassing van de regel, dat een gescheiden man zijn vrouw behoort te blijven onderhouden en niet ten laste van de samenleving moet laten komen als het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsvoorzieningenbeleid. Zien wij nu al niet, dan de dalende lijn in de werkloosheidscijfers zich doorzet? In hoeverre zouden de hierdoor vrijkomende opbrengsten voor de verhoging van het uitkeringspercentage van de oude gevallen kunnen worden aangewend? Een andere interimmaatregel hac1 betrekking op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de WW, mede onder invloed van de derde EG-richtlijn. Ook hiertegen heeft mijn fractie zich indertijd gekant, voornameiijk ingegeven door de wens om de kostwinnersbepaling in de WW op principiële gronden te handhaven en vanwege het feit, dat de WW niet door premies wordt gefinancierd. In het nieuwe stelsel heeft het kabinet gekozen voor een andere structuur van de werkloosheidswetten, die wat de nWW betreft, gefinanierd wordt door premieopbrengsten. Dat mannen en vrouwen daarin gelijke rechten en plichten hebben op grond van premiebetaling, mag voor zich zelf spreken. Onze formele bezwaren zijn daarmee verdwenen, al blijven wij voorkeur houden voor het kostwinnersprincipe als basis voor de sociale zekerheidswetgeving. Mijnheer de Voorzitter! De inkomenseffecten voor werkloze uitkeringsgerechtigden ten gevolg van de stelselwijziging hebben in de loop van de parlementaire behandeling een aantal wijzigingen ondergaan, onder meer als gevolg van het niet doorvoeren van de halfjaarlijkse verlaging van 70% van het laatst verdiende loon tot 70% van het minimumloon en als gevolg van wijzigingen in de formulering van de arbeidsverledeneis. Hoe deze effecten in de individuele situatie uitwerken, is van meer factoren afhankelijk dan in de huidige situatie. In de nota naar aanleiding van het eindverslag worden voor een aantal groepen verbeterde tabellen gegeven. Daarbij valt met name op, dat alleen voor oudere tweeverdieners die voldoen aan de arbeidsverledeneis, in de tussenfase positieve inkomenseffecten optreden. Ik wees daarop al eerder. Acht het kabinet deze uitbreiding van uitkeringsrechten gerechtvaardigd ten opzichte van de werkloze alleenverdieners met eenzelfde inkomen? Ik wil ook een enkele opmerking maken over de inkomenseffecten voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Op de inhoudelijke aspecten en de rechtvaardiging van het voorstel om de verdisconteringsbepalingen te schrappen, kom ik later in mijn betoog nog terug. De relatief omvangrijkste inkomenseffecten zullen optreden bij de gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Hiertegen is veel verzet gerezen. In eerste instantie is dit begrijpelijk. Het gaat in vele gevallen om mensen, die zich afgeschreven voelen, wier positie op de arbeidsmarkt bepaald niet rooskleurig is en die in de afgelopen jaren hun uitkering al fors hebben zien dalen. Toch meent de fractie van de RPF dat een andere kijk op het begrip 'arbeidsongeschiktheid' en de aanwendingsmogelijkheden van de restcapaciteit, zoals wij het zijn gaan noemen, het onontkoombaar maken om de AAW en de WAO bij de stelselherziening te betrekken. Meer dan bij andere verzekeringswetten geldt dat de relatief ruime opzet van de regeling grote aantrekkingskracht op zowel werkgevers als werknemers heeft uitgeoefend. In deze tijd van versobering is het dan gepast, de regeling weer af te stemmen op de oorspronkelijke doelgroep: zij die door volledige arbeidsongeschiktheid niet meer in staat kunnen worden geacht, in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Dat daarbij grote inkomensachteruitgang kan optreden, is een gegeven, dat een zorgvuldig overgangsregeling noodzakelijk maakt. In de visie van mijn fractie is dit ook gebeurd. Arbeidsongeschikten boven 35 jaar behouden de hen toegekende uitkering. Voor jongeren beneden 35 jaar is eveneens een overgangsregeling voorzien door verlenging van de periode, waarin een loongerelateerde werkloosheidsuitkering wordt verstrekt. Zoals het er nu voorstaat, zal tegen de tijd dat deze overgangsregeling is uitgewerkt een grote ervaring zijn opgedaan, naar wij hopen, met de WAGW. Dan kan beter worden bezien in welke mate gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de Algemene Bijstandswet terechtkomen en in hoeverre het noodzakelijk is, daarvoor een afzonderlijke regeling te treffen. Is de staatssecretaris dit met ons eens of acht hij het wellicht toch wenselijk dat deze categorie evenals de nieuwe instromers blijvend buiten de Algemene Bijstandswet worden gehouden? De RPF-fractie zou zich daarin wel kunnen vinden, mits dit ook voor andere werklozen het geval zou kunnen zijn. Dat lijkt echter op dit moment een te kostbare zaak. Of is de staatssecretaris een andere mening toegedaan? Mijnheer de Voorzitter! De plannen tot het bijstellen van 'verworven rechten' hebben in de samenleving veel negatieve reacties opgeroepen, met als kern dat de stelselherziening een afbraak van het tot nu toe opgebouwde stelsel tot gevolg heeft. Dit is ook niet verwonderlijk wanneer wij de ontstaansgeschiedenis van het stelsel in ogenschouw nemen, waarbij in vele gevallen de in de arbeidsvoorwaardensfeer getroffen regelingen op een later tijdstip zijn omgevormd tot wetten. Hoewel dit leidde tot een veelal betere bescherming, betekende het ook dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het gehele stelsel kwam te berusten bij de wetgever en dat sociale partners voornamelijk gingen functioneren als adviseurs. In de tijd van groeiende economische welvaart was het uit handen geven van de eindverantwoordelijkheid geen probleem. Het stelsel kon zelfs in sterke mate worden verbeterd. Nu het economische tij is gekeerd en Sociale zekerheid (stelselherziening)

structurele aanpassing van het stelsel noodzakelijk is, doen de nadelen van het uit handen geven van de eindverantwoordelijkheid zich veel sterker gevoelen. In de kritiek op de stelselwijziging is dan ook terecht de suggestie gedaan om de verantwoordelijkheid voor het stelsel van sociale zekerheid weer terug te leggen bij hen, die daardoor beschermd willen worden. In het voorlopig verslag is daaromtrent door mijn fractie gesteld dat de maatschappelijke prijs van het stelsel weer beter zichtbaar kan worden, omdat ook de sociale partners zullen merken dat er grenzen zijn aan de draagkracht van de verzekerden, tenminste wanneer zij hun verantwoordelijkheid werkelijk verstaan. Dit zal tevens tot gevolg kunnen hebben dat de negatieve kritiek uiteindelijk positief uitwerkt. Het is daarbij van belang de sociale partners voor te houden dat wij ook na de eventuele doorvoering van de stelselherziening nog een stelsel bezitten dat behoort tot een van de omvangrijkste ter wereld, een stelsel dat binnen de EG qua uitkeringsrechten en niveau zelfs de hoogste garantie biedt. In dit verband vraag ik de staatssecretarissen of binnen Europees verband wordt gestreefd naar uniformering of mogelijk zelfs integratie van landelijke stelsels. Achten zij dit een nastrevenswaardige zaak of zijn zij van mening dat anders dan bij voorbeeld op het terrein van emancipatie en gelijke behandeling binnen de sociale zekerheid geen verdere afstemming noodzakelijk is? Mijnheer de Voorzitter! Nadat ik een aantal hoofdlijnen van de voorgestelde maatregelen de revue heb laten passeren, wil ik een moment stilstaan bij de conclusie die de RPF-fractie aan het geheel van die hoofdlijnen vooralsnog verbindt. In de eerste plaats had het mijn fractie meer verheugd als was gekozen voor het tweetrajectenstelsel. De betrekkelijke eenvoud van de onderbouw spreekt ons bijzonder aan, evenals de mogelijkheden van differentiatie in de bovenbouw onder verantwoordelijkheid van de sociale partners. Nu evenwel voor het stelsel van loonderving met vangnet lijkt te worden gekozen, zal dit stelsel op zijn merites moeten worden beoordeeld. Een aantal daarbij door het kabinet gehanteerde uitgangspunten, die ik zoeven al heb genoemd, spreken ons aan. Toch zijn er ook negatieve aspecten, welke ik ook genoemd heb. Alles bij elkaar zal het duidelijk zijn dat enkele van de voorstellen, die zijn ingediend, onze steun zullen krijgen en andero niet. Mijnheer de Voorzitter! Na deze korte evaluatie op hoofdpunten ga ik over tot meer specifieke opmerkingen over de diverse wetsvoorstellen. In de eerste plaats enkele punten ten aanzien van de NWW. Positief is daarin te waarderen dat de WW en de WWV in één geheel zijn samengebracht. Dit geeft meer overzicht over de uitkeringsstructuur terwijl de uitvoering gedurende langere tijd in één hand blijft. Tevens stelt mijn fractie het op prijs dat is afgezien van de invoering van de uniforme halfjaarlijkse verlaging en de glijdende schaal. Het is rechtvaardig dat meer dan voorheen rekening wordt gehouden met het arbeidsverleden. Toch leven er bij mijn fractie nog enkele vragen. Uit het gehouden arbeidsverledenonderzoek kwam onder meer naar voren dat jongeren in grotere mate konden voldoen aan de arbeidsverledeneis dan werd verwacht. In de nota naar aanleiding van het eindverslag, pagina 121 van de gestencilde tekst, wordt naar aanleiding hiervan een aantal opties voor de aanpassing van deze eis naar voren gebracht en vervolgens verworpen. Daarbij zijn niet de varianten genoemd zoals die op dit moment voor jongeren worden gehanteerd. Wat is daarvan de reden? In de bijgestelde versie van de arbeidsverledeneis, de zogenaamde fictievariant, kent men meer waarde toe aan het arbeidsverleden dan in het oorspronkelijke voorstel het geval was. Betekent dit ook dat een toekomstige wijziging van artikel 42, lid 3, wanneer het arbeidsverleden in grotere mate kan worden afgeleid uit de verzekerdenadministratie, eenvoudiger zal zijn dan in het oorspronkelijke voorstel? Zal dan dezelfde berekeningssystematiek gehandhaafd worden of zal bij voorbeeld alsnog gekozen kunnen worden voor het systeem dat één gewerkt jaar wordt gehonoreerd met één maand uitkering ten einde de nu nog optredende schokeffecten als gevolg van de overgangen tussen leeftijdscategorieën te mitigeren? Zou dit systeem nu al mogelijk zijn? In het huidige systeem gaat men eraan voorbij dat er mensen zijn, die om plausibele redenen, zoals studie, verzorging van een familielid enz., pas op latere leeftijd aan het arbeidsproces deelnemen. Acht de staatssecretaris dit rechtvaardig? Lettend op het aspect van de verzorging en de slogan van het kabinet dat er een zorgzame samenleving moet ontstaan, waarin de mensen weer voor elkaar opkomen, moet dit weinig waarschijnlijk worden geacht. Mijnheer de Voorzitter! Een onderdeel van de arbeidsverledeneis wordt gevormd door het voorgestelde verzorgingsforfait. Bij de schriftelijke voorbereiding heeft mijn fractie haar bezwaren daartegen al duidelijk uiteengezet. Het gaat ons vooral om de principiële benadering van de opvoeding van kinderen. Daarvoor is twee jaar te kort, veel te kort. Willen de bewindslieden wat dit betreft hun oor niet alleen bij emancipatiegedrevenen maar ook bij kinderartsen en kinderpsychologen te luisteren leggen? Het verzorgingsforfait zou er naar ons oordeel toe kunnen leiden dat verzorgers om wille van het verkrijgen van een mogelijk langdurige werkloosheidsuitkering de kans aangrijpen om enkele jaren voor een kind te zorgen en vervolgens een jaar te werken om zich daarna als werkloze te melden. Naar ons oordeel biedt dit forfait in deze vorm de mogelijkheid van oneigenlijk gebruik van deze sociale verzekering. Mogelijk dat één van beide bewindslieden onze stellingname kan tegenspreken en duidelijk kan maken dat dit forfait een onmisbaar element is in de voorstellen, die zij nu verdedigen. Wat betreft de personenkring van de NWW merk ik op dat de RPF-fractie zich in het voorlopig verslag in kritische zin heeft uitgelaten over het opnemen van een delegatiebepaling ten aanzien van toetreding van het overheidspersoneel. Die opstelling werd onder meer ingegeven door de houding van het kabinet, dat een open en reëel overleg met de ambtenarencentrales voor ogen stond maar tegelijkertijd al een voorschot wilde nemen op de uikomsten daarvan. Dat gebeurde niet zozeer vanwege principiële bezwaren tegen de werknemersstatus van ambtenaren. Daarbij komt, dat het verzekeringstechnisch voordelen biedt om de ambtenaren in de personenkring van de NWW op te nemen. Hiermee wordt immers het premiedraagvlak verbreed. Hoever is thans het overleg met de ambtenarencentrales op dit punt gevorderd? Is er al zicht op de vermoedelijke uitkomsten? In afwachting van opheldering hierover Sociale zekerheid (stelselherziening)

houden wij aarzelingen ten aanzien van het opnemen van de delegatiebepaling. De overheid behoort op zorgvuldige wijze als werkgever op te treden en daarbij passen voorzichtigheid en duidelijkheid. Het opnemen van een mogelijk nooit te gebruiken bepaling in de NWW behoort daar niet toe. Mijnheer de Voorzitter! Ten aanzien van de uitkeringssystematiek is ons de ratio van de vervolguitkering niet geheel duidelijk geworden. Dit leidt tot verlenging van de uitkeringsduur maar dat is in de ogen van het kabinet niet het belangrijkste motief. Het gaat met name om het bevorderen van de individualisering. Wanneer het kabinet bereid zou zijn, die motivering te laten vallen, zou naar ons oordeel het argument om via de tussenfase de instroom naar de ABW te vertragen, beter tot zijn recht komen. Zou het mogelijk zijn om de tussenfase te verlengen door een inkomenstoets in te voeren? Een enkele vraag over de ziektewetuitkering tijdens werkloosheid. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt opgemerkt dat in geval van ziekte tijdens een loondervingsfase de uitkering doorloopt in de tussenfase, terwijl iemand die ziek wordt in de tussenfase, een lagere uitkering ontvangt. Kunnen de staatssecretarissen een nadere toelichting geven op dit onderscheid? Achten zij het rechtvaardig dat degenen die van dezelfde regeling gebruik maken, op grond van wettelijke normen verschillende uitkeringen ontvangen? Er is ook veel gesproken over de niveaubegrenzing, over een maximum uitkering van 70% van het minimumloon in de loondervingsfase in geval van verwijtbare werkloosheid. De RPF-fractie is wel van mening dat er onderscheid moet zijn tussen niet-verwijtbare en verwijtbare werkloosheid, maar zij vraagt zich af, of dit zo eenvormig moet. Pleiten de bewindslieden als het gaat om de toepassing van sancties niet voor meer recht doen aan de ernst van het feit en aan de individuele omstandigheden? Mogen wij de bewindslieden in overweging geven, die zelfde criteria in de context van de verwijtbare werkloosheid te hanteren, opdat een meer genuanceerde toepassing van de niveaubegrenzing mogelijk is? Overigens kan mijn fractie akkoord gaan met de aangepaste terminologie.

Hierdoor komt de persoonlijke verantwoordelijkheid beter tot haar recht. Dit zelfde geldt voor hetgeen thans de verzwaarde bewijslast wordt genoemd. Daarbij gaat het om gevallen waarin door de bedrijfsvereniging fraude wordt vermoed. Door een dergelijke bepaling in de wetgeving op te nemen kan naar de mening van de RPF-fractie worden voorkomen dat in evidente gevallen van uitkeringsfraude de zaak op z'n beloop moet worden gelaten wegens gebrek aan bewijs. Een dergelijke gang van zaken komt het normbesef van uitkeringsgerechtigden nietten goede en wekt irritatie bij de overige verzekerden. Mijnheer de Voorzitter! Ik ga over op het wetsvoorstel dat de verdisconteringsbepalingen in de WAO en de AAW beoogt te schrappen. In het kader van de stelselwijziging neemt dit wetsvoorstel een aparte plaats in. Het gaat hierbij immers niet zozeer om nieuwe wetgeving als wel om het herstellen van de oorspronkelijke bedoeling van met name de WAO. Bij inwerkingtreding was deze wet erop gericht, de vervallen ongevallenwet te vervangen en zo bescherming te bieden in geval van bedrijfsongevallen en beroepsziekten door middel van het verstrekken van een inkomensvervangende uitkering en van revalidatiemogelijkheden. Als de uitkeringen tot die categorieën beperkt waren gebleven, dan zou de WAO vermoedelijk niet de toestroom te verwerken hebben gekregen die zich de afgelopen jaren heeft voorgedaan. Hoewel ook arbeidsongeschikten op grond van andere factoren rechtmatig toegang tot de WAO hadden -het onderscheid naar oorzaak van de arbeidsongeschiktheid was immers vervallen -verklaart ook dat nog niet de zeer omvangrijke groep WAO-toetreders. Er was duidelijk sprake van een andere oorzaak, namelijk een te ruime interpretatie van het arbeidsongeschiktheidscriterium door de uitvoeringsorganen. Dit resulteerde in een te gemakkelijke toegang tot de WAO. Naar de mening van de RPF-fractie leggen de in de schriftelijke voorbereiding daaromtrent gereproduceerde stukken daarvan duidelijk getuigenis af. De gemakkelijke toegang is evenwel niet alleen te wijten aan de houding van de uitvoeringsorganen, ook werkgevers en werknemers zelf hebben hierbij een eigen rol gespeeld. Achteraf is die moeilijk precies te traceren, maar er was desalniettemin nadrukkelijk sprake van. Dat blijkt bij voorbeeld na vergelijking van de uitkeringsrechten in geval van arbeidsongeschiktheid en in geval van werkloosheid. Vormde de WAO niet een voorbeeld voor de toekomstige werkloosheidsregeling? Wat was er dan tegen om daar alvast enigszins op vooruit te lopen? Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat meer dan 670.000 mensen zijn aangewezen op een AAW/WAO-uitkering. Zijn al die mensen voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt? Het antwoord moet gelukkig ontkennend zijn. Velen van hen bezitten nog mogelijkheden om zich op velerlei wijze in te zetten. Velen van hen maken ook terecht gebruik van die mogelijkheden. Nu volgt echter een wat pijnlijke vraag. Als zij nog mogelijkheden hebben om hun restcapaciteit te gebruiken, is het dan rechtvaardig dat zij dit doen op kosten van de samenleving via een aan het loon gerelateerde uitkering tot het 65ste levensjaar? Het kabinet is tot de conclusie gekomen dat in dit verband aanpassing van de regelgeving noodzakelijk is. De RPF-fractie is dezelfde mening toegedaan. Dit is een pijnlijke beslissing, maar ten opzichte van de mensen die werkelijk geen kant meer uit kunnen, is het slechts rechtvaardig om voor de toekomst onbedoelde effecten uit de AAW/WAO-regeling te verwijderen. Het kabinet stelt voor, de huidige arbeidsongeschikten boven de 35 jaar ongemoeid te laten, terwijl jongeren in de komende twee jaar herkend zullen worden. Volgens de huidige schatting betekent dit dat na de stelselwijziging 245.000 mensjaren in de nWW/RWW terecht zullen komen. In deze gehele problematiek zijn nog de volgende aspecten van belang. Allereerst noem ik de mogelijkheden van de arbeidsongeschikten op de arbeidsmarkt van dit moment. In de ruime arbeidsmarkt van dit moment gooien zij geen hoge ogen. Om die positie te verbeteren, hebben wij enkele maanden geleden daarom in dit Huis de Wet arbeid gehandicapte werknemers met een ruime meerderheid aanvaard. Die wet zal stellig de arbeidsmarktperspectieven kunnen verbeteren. Maar daarnaast blijft naar de mening van mijn fractie de eigen verantwoordelijkheid van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten en, indien aanwezig, de verantwoordelijkheid van het gezin onverlet om zich in te zetten voor de voorziening in eigen levensonderhoud.

Sociale zekerheid (stelselherziening)

Daartoe kunnen wel de mogelijkheden vanuit bij voorbeeld de AAW/WAO worden aangereikt, onder meer via revalidatie, om-, her-en bijscholing. Naar het oordeel van mijn fractie zijn de revalidatie-aspecten, die in beginsel nadrukkelijk onderdeel van de wet uitmaken, in de praktijk onderbelicht gebleven. Is de staatssecretaris dat met mij eens? Dat na zes maanden de melding bij de GMD's plaatsvindt in plaats van na een jaar is in dit opzicht weliswaar een vooruitgang, maar het is niet voldoende. Daarom vraag ik de staatssecretarissen, of zij meer ruimte zullen scheppen voor de om-, her-en bijscholing. Ook de loonkostensubsidie, het opstapje, dient daarbij nadrukkelijk als mogelijkheid genoemd te worden. Als wordt vastgesteld dat door de uiterlijke kenmerken van een handicap in onvoldoende mate functies zijn aan te wijzen, blijft de arbeidsongeschikte ingedeeld in de hoogste arbeidsonge schiktheidsklasse. Dit sluit dan aan bij de maatschappelijke werkelijkheid dat degenen die ten gevolge van een handicap bij de sollicitatieprocedure zullen afvallen, als volledig arbeidsongeschikt dienen te worden beschouwd. Wij vernemen graag, of dit criterium bij het duiden van functies kan worden gehandhaafd. Aan het criterium functionele leeftijdsgrens wordt volgens de memorie van antwoord niet getornd. In concreto zal dit als consequentie hebben dat het thans gevoerde beleid wordt voortgezet. Dit zal inhouden dat personen van rond de 50 jaar geen reëel aanbod op de arbeidsmarkt zullen hebben. Uitzonderingen daargelaten, zullen personen van boven de 55 jaar niet meer voor een functie in aanmerking komen. Is de staatssecretaris het met deze gedachtengang eens? Hoe zal voorts gehandeld worden met arbeidsongeschikten bij wie reeds een beoordeling heeft plaatsgevonden? In veel dossiers zal men de aantekening kunnen vinden dat het theoretisch arbeidsongeschiktheidspercentage bij voorbeeld 25 tot 35 bedraagt, maar dat belanghebbende onder verdiscontering van de werkloosheid voor 80% tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Thans zal een buitenlander zijn vertrek naar het thuisland zien resulteren in de effectuering van indeling in de arbeidsongeschiktheids klasse, berekend zonder verdiscontering. Geldt voor deze groepen ook dat geen herbeoordeling zal plaatsvinden?

De middelen die de GMD ter beschikking krijgt bij de reïntegratie onderhandelingen zijn beperkt. In de memorie van antwoord onder 4.1.3 spreekt de staatssecretaris de verwachting uit dat in de WAGW voldoende mogelijkheden voor reïntegratie aanwezig zijn. Maar geldt dit ook voor de korte termijn, als onder 4.2 staat: 'gedurende de eerste jaren dat de WAGW van kracht is, zal de herintreding in het arbeidsproces vanuit de WAO/AAW naar verwachting gering zijn. Het accent zal in eerste instantie komen liggen op het in dienst houden? Zijn de bewindslieden er voorts van overtuigd dat de uitvoeringsorganen voldoende houvast hebben aan de voorliggende wettekst ten aanzien van het arbeidsongeschiktheidscriterium, zodat het niet nodig is om criteria in de wet of een algemene maatregel van bestuur vast te leggen? Achten zij het daarbij uitgesloten dat zich opnieuw een interpretatiestrijd zal voordoen? Ik maak nog enkele opmerkingen over de wet inkomensvoorziening oudere werknemers. Geen verlengde WWV, geen interimregeling, maar een structurele voorziening waarin wordt voorkomen dat oudere werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten terugvallen op de Algemene Bijstandswet, waarin een vermogenstoets is opgenomen! De fractie van de RPF kan zich met het principe van een aparte voorziening verenigen. Zo wordt in ieder geval het opeten van het eigen huis definitief voorkomen. Wij hebben daar altijd met klem voor gepleit. Toch plaatsen wij nogmaals de kanttekening bij de schokeffecten die zich voordoen door de gekozen vormgeving. Er ontstaat een wezenlijk verschil in de uitkeringsrechten op de eerste dag van het 50ste levensjaar. Word je één dag daarvoor werkloos, dan heeft dat toch verstrekkende consequenties. Tot nu toe heeft het kabinet mitigeringsvoorstellen afgewezen. Wij hebben daarvan met teleurstelling kennis genomen en wij hopen dat de staatssecretaris in dit debat alsnog bereid is tot een soepeler opstelling. Overigens is mijn fractie van mening dat de bepaling die voorwaarden stelt aan de (her)intreding van de partner op de arbeidsmarkt niet in het wetsvoorstel thuishoort. De introductie van een arbeidsplicht voor de partner van een alleenverdiener wijzen wij met kracht van de hand. Dat zal echter bekend zijn.

Over de Toeslagenwet kan ik eveneens kort zijn. Het principe van de minimumdagloonbescherming ondersteunen wij. De gekozen vorm roept echter ook hier vraagtekens op. Het strikt gehanteerde onderscheid loondervingminimumbehoeftefunctie bevredigt niet. Gaat de overheid niet een taak op zich nemen die principieel thuishoort bij de sociale partners, die voor de werknemers in eigen kring zorgdragen voor een minimumbescherming? Ik pleit daarom opnieuw voor financiering door de sociale partners. Het premie-effect is niet van een zodanige omvang, dat dit een belemmering behoeft te zijn, terwijl dit meer recht doet aan de eigen verantwoordelijkheid. De wijziging met betrekking tot het uitkeringsniveau van ongehuwd samenwonenden in de AOW maakt een einde aan de onterechte bevoordeling ten opzichte van gehuwden. Reeds in 1982 vroegen wij daarvoor de aandacht van de toenmalige staatssecretaris mevrouw Dales. Met de nu voorgestelde wijziging kunnen wij ons van harte verenigen. Wel vraag ik de staatssecretaris nogmaals in te gaan op de controle voor het vaststellen van het samenlevingsverband. Wanneer mensen uitsluitend op grond van eigen opgaven beoordeeld zullen worden, zullen zij mogelijkerwijs kiezen voor de voordeligste oplossing, die in veel gevallen zal inhouden, dat men geen toeslag aanvraagt, maar een alleenstaandenuitkering. Wat denkt de staatssecretaris daaraan te kunnen doen? Met betrekking tot de Algemene Bijstandswet zijn onze opvattingen niet veranderd sinds het mondeling overleg in december. De gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals in het voorstel verwoord, houdt in geen enkel opzicht een waardering in van het desbetreffende samenlevingsverband. Onder die conditie kunnen wij ons met het voorstel verenigen. Het gaat om het constateren van een feitelijkheid, die van belang is voor een rechtvaardige toekenning van uitkeringsbedragen Mijnheer de Voorzitter! Ik sluit mijn bijdrage in eerste termijn af. Het is bekend, dat de fractie van de RPF het kabinet op vele punten steunt in het beleid om de financiële huishouding op orde te brengen. Daarvoor zijn offers nodig, ook in de sfeer van het sociale zekerheidsstelsel. Het systeem dat wij nu kennen is om meer dan één reden ondeugdelijk. De Sociale zekerheid (stelselherziening)

voorstellen die nu zijn gedaan, roepen bij ons echter vele bedenkingen op. Achteraf zijn wij blij, dat wij indertijd geen instemming hebben betoond met de generieke kortingen op de diverse uitkeringen. Nu lijkt het erop dat het systeem eerder duurder dan goedkoper zal worden, al zullen de voordelen worden verdeeld op een wijze die ons niet als gepast voorkomt, lettend op de individualiseringsaanpak. Zoals ik reeds heb gezegd, zal de fractie van de RPF zeker niet voor het gehele pakket van maatregelen stemmen. Echter, aan een eindoordeel zijn wij nog niet toe. Het woord is wat mij betreft nu eerst aan de regering.

 
 

Meer informatie

 
 

Minidossiers

Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.