Brief van De Minister van Sociale Zaken - Nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-Gravenhage, 8 februari 1977

Onder verwijzing naarde brief van de Minister-President van 19 januari 1977 (kamerstuk 13951, nr. 26) en mijn brief van dezelfde datum (kamerstuk 13951, nr. 27) inzake de uitvoering van de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid, alsmede in aansluiting op het gevoerde overleg in de bijzondere commissie, deel ik u het volgende mede. Met betrekking tot de onderwerpen, weergegeven onder II van de laatstbedoelde brief heeft het kabinet de hierna weergegeven beslissingen genomen.

  • Herziening uitkeringsniveau WAO

Een wetsontwerp zal worden ingediend waarbij het uitkeringspercentage ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer zal worden verminderd met een half procent per 1 juli 1977 alsmede meteen half procent per 1 januari 1978. Voorts zal dit wetsontwerp ertoe strekken om bij algemene maatregel van bestuur dit uitkeringspercentage verder aan te passen met een half procent per halfjaar tot uiterlijk 75%, indien en voor zover daartoe aanleiding bestaat. Deze maatregel houdt niet in een verlaging van de nominale uitkering doch slechts een geringere verhoging. Voor de goede orde merk ik nog op dat de sociale minima niet onder de werking van deze maatregel vallen (zie onder punt 4).

  • Invoering begrip niet-kostwinner

In verband met de studie van het kostwinnersbegrip in de sociale verzekeringen en daarmee verband houdende onderwerpen, zoals de gelijkberechtiging van man en vrouw in de sociale zekerheid, worden de voorstellen tot in-voering van het begrip niet-kostwinner in de werknemersverzekeringen en de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) opgeschort.

3.

Kinderbijslag/kinderaftrek

De memorie van antwoord op het voorlopig verslag van het wetsontwerp tot vervanging van kinderaftrek van de loon-en inkomstenbelasting door Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 28

verhoging van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkendenen de Algemene Kinderbijslagwet voor het jaar 1977 (kamerstuk 14184) wordt zo spoedig mogelijk ingediend. In afwijking van het gestelde in mijn brief van 19 januari 1977 zal een nota van wijzigingen worden bijgevoegd die beoogt de ingangsdatum te verschuiven van 1 januari 1977 naar 1 juli 1977.

4.

Indexering

Hoewel de premieontwikkeling per 1 januari 1977 geen aanleiding geeft om de ontwikkeling van de sociale uitkeringen te corrigeren in verband met overcompensatie handhaaft de Regering haar voornemens inzake de correctie van de regelingsloonindex (opschoning). In het kader van de indexatie van sociale uitkeringen heeft het kabinet voorts besoten om de koppeling van de uitkeringsnormen ingevolge de AI-gemene Bijstandswet alsmede de minima in de sociale voorzieningen (AOW/ AWW/AAW/WAO/WWV) aan het nettominimumloon te handhaven. Voor zoveel nodig zullen wettelijke maatregelen worden voorbereid om deze koppeling te formaliseren. De ontwikkeling van deze minima zal op overeenkomstige wijze plaatsvinden als de ontwikkeling van het nettominimumloon. Daarbij zal worden nagegaan of bepaalde elementen bij de vergelijking buiten beschouwing zouden moeten blijven.

  • Vorenstaande besluiten laten onverlet de doelstellingen tot beperking van de groei van de collectieve voorzieningen, zoals deze in de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid zijn aangegeven. Ter toelichting mogen onderstaande becijferingen dienen. In mijn brief van 19 januari jl. is aangegeven de geschatte ontwikkeling van de premiedruk tot 1980, onder zekere veronderstellingen. De beslissingen die het kabinet thans heeft genomen en hiervoor zijn vermeld, geven wederom aanleiding tot bijstelling van de ramingen. De voorgenomen besparingen zullen immers in mindere mate tot stand komen (ten opzichte van situatie aangegeven in kamerstuk 13951 onder! IV.4.), als volgt:

werknemersvoorzieningen

1977

1980

WAO (80-75)

50 kostwinnersbeginsel

PM

De PM-post in 1980 kan een maximale waarde van 150 min. vertegenwoordigen, nl. in het geval de maatregel in het geheel geen toepassing zou vinden. Zoals onder 2 gesteld, wordt het vraagstuk van het kostwinnerschap nader bestudeerd. Het maximaal te derven bedrag aan besparingen zou 200 min. kunnen zijn in 1980. De premiedruk in 1980 zou dan 20,8 bedragen tegenover eveneens 20,8 in 1976, tenzij nadere maatregelen zouden kunnen worden getroffen o.a. in de volumesfeer. De studie hieromtrent vindt uiteraard voortgang. Nogmaals zij erop gewezen dat deze uitkomsten geheel los staan van de extra premie-inkomsten die in 1976 en 1977 ontstaan als gevolg van hogere premieplichtige inkomens dan geraamd. Zoals ook in de brief van 19 januari jl. gesteld, dient zulks uiterlijk per 1 januari 1978 te leiden tot verlaging van de premiepercentages. Een zodanige verlaging zal dan zo dienen te geschieden dat een geleidelijk premieverloop in 1978 en volgende jaren ontstaat. In 1980 mag verwacht worden dat de premies zich op het structurele niveau bevinden. Voor de rijksbegroting resulteren vorengenoemde besluiten tot minder besparingen in 1977 van 150 min., voornamelijk door minder opbrengst van de afschaffing van de kinderaftrek.

De Minister van Sociale Zaken, J. Boersma Tweede Kamer, zitting 1976-1977,13951, nr. 28

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.