Memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten (opneming in de Werkloosheidswet van werknemers in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

§ 1. Inleiding

De moeilijke economische situatie heeft ertoe geleid om bij brief van 28 augustus 1980 het oordeel van de Sociaal-Economische Raad (SER) te vragen over een pakket maatregelen om een beperking van de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid te bewerkstelligen. In § 1 van de memorie van toelichting bij het dezer dagen ingediende ontwerp van wet tot nadere wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet Werkloosheidsvoorziening (wijziging van het aantal dagen werken, vereist voor het recht op uitkering) is reeds ingegaan op de algemene uitgangspunten welke het kabinet in acht heeft genomen bij het in beschouwing nemen van de mogelijkheden tot beleidsombuigingen. In de adviesaanvrage is ook het oordeel van de SER gevraagd over het voornemen om op de lonen van de werknemers in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) een bedrag (verder te noemen: vereveningsbijdrage) in te houden in verband met het niet verschuldigd zijn van premie ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Dat met het oog op een meer evenwichtige ontwikkeling op nettobasis tussen het loon van een werknemer in het bedrijfsleven en het loon van een werknemer in de WSW. De SER heeft op 21 november 1980 ter zake geadviseerd. Overeenkomstig het SER-advies heeft het kabinet besloten: -op de WSW-lonen een vereveningsbijdrage in te houden ter grootte van het gemiddelde percentage van de WW-premie voor werknemers in het bedrijfsleven; -de WSW-werknemers onder de werkingssfeer van de WW te brengen, doch zonder premiebetaling.

Dit ontwerp van wet strekt ertoe de daarvoor nodige wijzigingen in de WW, de WWV, de Wet op de loonbelasting 1964 en de WSW aan te brengen.

§ 2. Motivering in de adviesaanvragen aan de SER om een vereveningsbijdrage in te voeren voor WSW-werknemers In de adviesaanvragen aan de SER van 28 augustus 1980 is in paragraaf 3.4.2 het volgende opgenomen als motivering om een vereveningsbijdrage in te voeren voor werknemers in de WSW.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

«Ten einde te komen tot een meer evenwichtige ontwikkeling op nettobasis tussen sociale uitkeringen onderling en tussen sociale uitkeringen en vergelijkbare inkomens in de primaire sfeer is sedert 1 januari 1980 de premieheffing op inkomens van actieve en niet-actieve werknemers gelijkgetrokken. Daartoe is in de WAO, WW, WWV en enkele andere regelingen een z.g. vereveningsbijdrage ingevoerd, die gelijk is aan het deel van de premies voor de werknemersverzekeringen, dat uitkeringsgerechtigden op grond van die regelingen voordien niet behoefden te betalen. Een overeenkomstige situatie als vóór de invoering van deze vereveningsbijdrage doet zich ook voor bij de WSW-lonen ten opzichte van het loon van een werknemer in het bedrijfsleven. Op het WSW-loon wordt namelijk geen premie ingevolge de WW ingehouden, omdat WSW-werknemers niet verzekerd zijn ingevolge die wet. Voor een dergelijke verzekeringsplicht bestaat ook geen aanleiding, omdat vrijwel geen WSW-werknemer een beroep behoeft te doen op werkloosheidsuitkering (niet alleen is het werkloosheidsrisico verwaarloosbaar, veel WSW-werknemers hebben ook na ontslag recht op een AAW-of WAO-uitkering). Het handhaven van de consistentie van de onderbouwing van de vereveningsbijdrage leidt er dan toe, dat ook in dit geval het verschil in netto-ontwikkeling wordt gemitigeerd door het heffen van een vereveningsbijdrage. Deze vereveningsbijdrage zal gelijk moeten zijn aan het gemiddelde percentage van de WW-premie voor werknemers (thans 0,625%). Het kabinet heeft het voornemen de heffing van deze vereveningsbijdrage te doen aanvangen op 1 januari 1981.» § 3. Advies van de SER over invoering van vereveningsbijdrage voor WSW-werknemers In zijn advies van 21 november 1980 (paragraaf 3.5.2) heeft de SER het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot het kabinetsvoorstel tot de invoering van een vereveningsbijdrage voor werknemers in de WSW. «Aanvankelijk gingen de gedachten van de raad uit naar een opheffing van het door het kabinet gesignaleerde verschil tussen WSW-werknemers en werknemers in het bedrijfsleven door de WSW-werknemers onder de verplichte verzekering van de WW te brengen met de daaraan verbonden consequenties van premiebetaling. Langs deze weg zou het verschil in de nettosfeer ook kunnen worden opgeheven. Uit nader van het Ministerie van Sociale Zaken verkregen informatie is gebleken dat het werkloosheidsrisico voor WSW-werknemers nagenoeg niet bestaat en dat het onder de verzekering van de WW brengen van deze werknemers er voorts toe zou leiden dat de overheid een groot bedrag aan WW-premie verschuldigd zou worden, te weten f 12 min.'. Deze feiten nader in zijn oordeelsvorming betrekkend, alsmede de overweging dat de kosten van de WSW geheel ten laste van de overheid komen, is de raad tot het volgende oordeel gekomen over de concreet voorgestelde maatregel. De raad kiest hierbij als uitgangspunt, dat de WSW-werknemer zoveel als mogelijk is in rechten en verplichtingen gelijk behandeld dient te worden als de werknemer in het bedrijfsleven. Hij kan zich dan met het heffen van een vereveningsbijdrage over het WSW-loon ter compensatie van het niet verschuldigd zijn van de WW-premie verenigen, indien gelijktijdig zonder premieverplichtingen het werkloosheidsrisico van de WSW-werknemer -dat, hoewel beperkt, toch niet geheel afwezig blijkt te zijn -door de WW wordt gedragen. Mocht het onder de werkingssfeer van de WW brengen van deze werknemers op wetstechnische bezwaren stuiten, dan dient een andere wettelijke regeling die naar inhoud (hoogte van de uitkering, wijze van uitvoering) zoveel mogelijk gelijk is aan de WW, tot stand te komen. De raad tekent hierbij uitdrukkelijk aan dat het treffen van een voorziening voor de WSW-werknemers als hiervoor aangegeven, de overheid niet ontslaat van de in de WSW neergelegde verplichtingen.» ' Gezien de financieringsstructuur van de WW valt dit bedrag uiteen in f 4 min. uit hoofde van het werkgever zijn van de sociale werkplaatsen en f 8 min. uit hoofde van het dragen door het Rijk van de helft van de pr-~ie voor de werkloosheidsverzekering.

Tweede Kamer,zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

§ 4. Nadere standpuntbepaling kabinet Naar aanleiding van het door de SER uitgebrachte advies heeft het kabinet zich nader beraden over deze materie. Het volgende is daarbij overwogen. De WSW-werknemers zijn thans evenals andere werknemers verzekerd in-gevolge de ZW en de WAO. Ook de WWV is op hen van toepassing. Een verschil met de werknemers in het bedrijfsleven is echter, dat zij niet verzekerd zijn ingevolge de WW. In het oorspronkelijke ontwerp-Werkloosheidswet, zoals dat op 22 januari 1948 bij de Staten-Generaal werd ingediend, was in artikel 3, onder h, bepaald, dat voor de toepassing van die wet geacht werden in loondienst werkzaam te zijn: zij, die behoren tot door de Minister aangewezen groepen van personen, die bij wijze van werkverruiming tewerkgesteld zijn. In de memorie van toelichting werd opgemerkt, dat men hierbij in de eerste plaats moest denken aan hen, die in de DUW (Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken) waren te werk gesteld. De Regering nam een amendement over waarbij de figuur werd omgekeerd. In de WW werd bepaald, dat voor de toepassing van de wet geacht werden in loondienst werkzaam te zijn: zij, die bij wijze van werkverruiming of werkverschaffing tewerk gesteld zijn, met uitzondering van door de Minister aangewezen groepen van personen. Bij ministeriële beschikking van 28 maart 1952 werden vervolgens uitgezonderd van de WW degenen, die te werk gesteld waren ingevolge de Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Handarbeiders. Degenen, die te werk gesteld waren ingevolge de Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Hoofdarbeiders vielen wèl onder de WW. Bij invoering van de WSW (1 januari 1969) werd besloten alle WSW-werknemers (ook de vroegere categorie hoofdarbeiders) van de WW uit te zonderen. In 1976 zijn de brutolonen in de sociale werkvoorziening structureel bijgesteld en daarmee op hetzelfde niveau gebracht als de lonen die elders rechtens geldend of gebruikelijk zijn. In het brutonettotraject is evenwel een onevenwichtigheid blijven bestaan doordat van de lonen van de werknemers in het bedrijfsleven het werknemersaandeel in de WW-premie wordt ingehouden, terwijl, dit voor de WSW-werknemers thans niet het geval is. Hierdoor zijn de nettolonen van de WSW-werknemers hoger dan van vergelijkbare werknemers elders. Het inhouden op de WSW-lonen van een vereveningsbijdrage ter grootte van het gemiddelde percentage van de WW-premie van werknemers heeft tot doel dit verschil in nettolonen op te heffen. De aanvankelijke keuze van het kabinet voor een vereveningsbijdrage in plaats van opneming in de WW was ingegeven door de volgende overwegingen: -het risico van onvrijwillige werkloosheid in de zin van de WW voor de werknemers in de sociale werkvoorziening is zeer gering; -een verzekering ingevolge de WW (deze wet bevat een wachtgeld" en een werkloosheidsverzekering) zal derhalve voor het wachtgelddeel niet tot enige substantiële premieheffing leiden en voor het werkloosheidsdeel -zoaIs nader zal worden toegelicht -tot contraire financiële consequenties; -het zeer geringe werkloosheidsrisico is een gevolg van de bescherming van werkgelegenheid en daarmee van het inkomen die de collectieve sector via de WSW aan daar werkzame werknemers biedt; in feite worden via de WSW de met de WW vergelijkbare lasten ter zake van werkloosheid reeds collectief gedragen door de overheid; het ligt daarom niet in de rede dat de overheid nogmaals voor datzelfde risico de normale WW-premie zou gaan betalen voor het zeer geringe resterende werkloosheidsrisico dat de WSW-werknemers via de WW gedekt zouden hebben.

In artikel van de WSW worden de ontslaggronden limitatief opgesomd. Per ontslaggrond zal worden aangegeven waarom het risico van onvrijwillige werkloosheid van de WSW-werknemers zo gering is.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

Lid! a. De werknemer heeft zijn werk verzuimd gedurende twaalf maanden achtereen. In deze situatie zal de werknemer gedurende zijn arbeidsongeschiktheid een uitkering krachtens de Ziektewet hebben genoten. Aansluitend op de ziekengelduitkering zal betrokkene als regel in aanmerking komen voor een AAW/WAO-uitkering; hierdoor komt de vraag naar een WW-uitkering als regel niet aan de orde. b. Het arbeidsbureau laat aan het gemeentebestuur weten dat voor betrokkene passende arbeid beschikbaar is in het bedrijfsleven (de z.g. «doorstroming»). In deze situatie wordt de dienstbetrekking door het gemeentebestuur verbroken. Aanvaardt betrokkene vervolgens niet het door het arbeidsbureau passend geachte werk, dan is hij niet onvrijwillig werkloos in de zin van de WW en kan derhalve geen uitkering in het kader van deze wet worden toegekend. c. De werknemer bereikt de leeftijd van 65 jaar. Het spreekt vanzelf dat in dit geval niemand voor een WW-uitkering in aanmerking komt. d. De werknemer neemt vrijwillig ontslag. De WW-uitkering wordt slechts toegekend in geval van onvrijwillig ontslag. e. De werknemer verliest de Nederlandse nationaliteit, behoudens dat hij gelijksgesteld is met een Nederlander ingevolge artikel 47 WSW. Voor zover bekend heeft deze ontslaggrond nimmer toepassing gevonden.

Lid 2

  • De werknemer kan ontslagen worden als hij zich bij de vervulling van zijn dienstbetrekking ernstig misdraagt. In deze situatie zal betrokkene evenmin voor een WW-uitkering in aanmerking kunnen komen, omdat hij zelf aan zijn ontslag heeft bijgedragen; derhalve is hij niet onvrijwillig werkloos in de zin van de WW. b. De werknemer kan ontslagen worden als hij in ernstige mate de hem bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen heeft verwaarloosd. Voor deze situatie geldt hetzelfde als onder lid 2 onder a is vermeld. c. De werknemer kan worden ontslagen indien arbeid in de zin van de WSW niet langer beschikbaar is. In dat geval zou de WSW-werknemer formeel in aanmerking kunnen komen voor een WW-uitkering. Van deze ontslaggrond wordt echter -gelet op de doelstelling van de WSW -in beginsel geen gebruik gemaakt. Immers, op grond van artikel 7 van de wet heeft het gemeentebestuur de plicht om te bevorderen dat personen die in het bedrijfsleven om bij hen gelegen factoren geen arbeid kunnen vinden, in dienst worden genomen om arbeid onder aangepaste omstandigheden te verrichten. Onverlet latend deze plicht, kan het voorkomen, dat, als gevolg van een economische teruggang, niet altijd voldoende werk voorhanden is. Het ligt dan in de rede om primair de toelating van werknemers tijdelijk af te remmen en secundair voor de in dienst zijnde werknemers naar ander (desnoods tijdelijk minder passend) werk te zoeken. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat deze tot nu toe gevolgde gedragslijn ook zal gelden bij voortzetting en intensivering van het volumebeperkend beleid. Aangenomen mag worden dat reeds in dienst zijnde werknemers hiervan geen nadelige gevolgen ondervinden. Gezien het bovenstaande is het kabinet met de SER van oordeel, dat het risico van werkloosheid in de zin van de WW voor de WSW-werknemer nagenoeg niet bestaat. Wat betreft de financiële consequenties van het volledig opnemen in de WW van WSW-werknemers, inclusief premiebetaling, wordt het volgende opgemerkt. Gegeven het feit dat het werkloosheidsrisico, zoals boven aangegeven, verwaarloosbaar klein is, zal de premie wachtgeldverzekering
  • onder de plausibele veronderstelling dat voor de WSW een afzonderlijk wachtgeldfonds zou worden ingesteld -op nihil uitkomen. Bij de raming van de lasten Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

kan dan worden uitgegaan van de premie werkloosheidsverzekering welke voor V4 deel door de werknemer, voor :

k deel door de werkgever en voor de helft door het Rijk wordt gedragen. Bij een totale WSW-loonsom voor 1981 van f 1,7 mld. en een premiepercentage (1980) van 0,9 zou de verdeling van de lasten als volgt zijn.

V, werknemer

(0,225%)

4 min. Vt werkgever

(0,225%)

4 min. ViRijk

(0,45%)

8 min.

Ervan uitgaande dat de financiering van de gemeentelijke uitgaven in de sociale werkvoorziening met ingang van 1981 geheel via de begroting van het Departement van Sociale Zaken zal lopen, zou verzekering van WSW-werknemers tegen werkloosheid via de WW derhalve een meerlast voor het Rijk van f 12 min. (werkgeversaandeel plus rijksaandeel) betekenen. Daartegenover zou, wegens het nagenoeg ontbreken van werkloosheidsrisico in de zin van de WW en daarmee van een uitgavenstijging voor het Algemeen Werklocsheidsfonds (AWF), een daling van de premie denkbaar zijn, doch in het door het AWF gehanteerde systeem wordt zo'n daling niet op korte termijn geëffectueerd. De consequenties voor de rijksuitgaven van het verzekeren van WSW-werknemers met inbegrip van premiebetaling op grond van de WW zouden derhalve -zeker op korte termijn -negatief zijn. Bovendien zou de premiebetaling door WSW-werknemers uiterst gering zijn (op basis van het premiepercentage 1980: 0,225%), zodat geen evenwicht ten opzichte van vergelijkbare werknemers in het bedrijfsleven zou worden bereikt waar het gemiddelde premiepercentage in 1980 0,625% is. Met het zonder meer in de WW betrekken van de WSW-werknemers zou het beoogde doel dus niet worden bereikt. Dat zou immers leiden tot een stijging van de overheidsuitgaven in plaats van een beoogde vermindering terwijl bovendien het verschil in het brutonettotraject niet wordt weggenomen. Het kabinet is bij nadere overweging van mening, dat de verschillende aspecten van deze aangelegenheid het beste tot hun recht komen door: invoering van een vereveningsbijdrage voor WSW-werknemers wegens het niet verschuldigd zijn van WW-premie en opneming van deze werknemers in de WW-verzekering, doch zonder premiebetaling. Dit is in feite een compromis tussen de twee genoemde alternatieven van: volstaan met invoering van een vereveningspremie voor WSW-werknemers om het niet verschuldigd zijn van WW-premie en een daaruit voortvloeiende onevenwichtigheid in het brutonettotraject weg te nemen of het volledig in de WW betrekken van deze werknemers.

§ 5. Hoofdlijnen van uitwerking De hoofdlijnen van dit ontwerp van wet kunnen als volgt worden samengevat. De WW wordt zodanig gewijzigd dat werknemers in de zin van de WSW tot de kring van verzekerden gaan behoren. Over de WSW-lonen is geen WW-premie verschuldigd noch door de werkgever, noch door de werknemer. De WSW-werknemer zal bij intredende onvrijwillige werkloosheid tegenover de bedrijfsvereniging waarbij zijn laatste werkgever is aangesloten dezelfde aanspraken hebben als een werknemer in het bedrijfsleven. Het Rijk zal aan het AWF vergoeden, hetgeen dat fonds betaald heeft aan uitkeringen ingevolge de WW, administratiekosten en sociale verzekeringspremies die niet op de uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, aan onvrijwillig werkloos geworden WSW-werknemers. In verband met deze vergoeding is het gewenst dat alle uitgaven in het kader van de WW ter zake van de WSW-werknemers, die onvrijwillig werkloos worden, ten laste van het AWF komen. Daarom zullen de aanspraken van betrokkenen uitsluitend via de wer/r/ooshe/dsverzekering van de WW worden gerealiseerd. De voorgestelde wijzigingen van de WWV, de Wet op de loonbelasting 1964 en de WSW zijn van technische aard.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

Voor wat betreft de vereveningsbijdrage is het volgende op te merken. Op de lonen van de WSW-werknemers zal een vereveningsbijdrage worden in-gehouden ter grootte van het gemiddelde WW-premiepercentage dat bij werknemers in het bedrijfsleven wordt ingehouden op de lonen. Hierbij wordt gehanteerd de rekenpremie, zoals die geldt in het kader van de wet van 20 december 1979 (Stb. 711) inzake herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum. De invoering van deze vereveningsbijdrage zal worden gerealiseerd door wijziging van het Besluit arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening (Stb. 1968, 518). Het streven is erop gericht de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen van de WW, de WWV, de Wet op de loonbelasting 1964, de WSW en het KB tot wijziging van het Besluit arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening op 1 januari 1981 in werking te doen treden. Voor wat betreft de met deze maatregelen te verkrijgen besparingen is het volgende op te merken. Het bedrag dat in 1981 aan vereveningsbijdrage op de lonen van de WSW-werknemers zal worden ingehouden is op basis van gegevens over 1980 te stellen op ca. f 12 min. Dat bedrag betekent een besparing in de sfeer van de rijksuitgaven. Het bedrag dat het Rijk aan het AWF zal moeten vergoeden ter zake van WW-lasten ten aanzien van onvrijwillig werkloos geworden WSW-werknemers zal vanwege het zeer geringe risico minimaal zijn en is voorshands op nihil te stellen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Onderdelen A en B. Zoals in § 4 is toegelicht dienen de werknemers in de zin van de WSW in de kring van verzekerden van de WW te worden opgenomen. Betrokkenen zijn thans op grond van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW, uitgezonderd van de verzekeringsplicht. In onderdeel B wordt daarom voorgesteld die uitzondering te laten vervallen. De WSW-dienstbetrekking is als een dienstbetrekking «sui generis» aan te merken. Het is daarom gewenst uitdrukkelijk in de wet te regelen, dat ook als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die bij wijze van sociale werkvoorziening is te werk gesteld. Onderdeel A strekt daartoe. De redactie is gelijk aan die van artikel 4, eerste lid, onder e van de ZW en de WAO.

Onderdelen C en H. In het bestaande tweede lid van artikel 7 van de WW is onder meer voor de werknemer, die een dienstbetrekking ingevolge de WSW aangaat, geregeld dat hij na afloop daarvan de hoedanigheid van werknemer in de zin van de WW in beginsel herkrijgt en behoudt. Nu wordt voorgesteld de werknemers in de zin van de WSW onder de kring van WW-verzekerden te brengen is in het nieuwe tweede lid van artikel 7 de bepaling met betrekking tot WSW-werknemers overbodig geworden. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in navolging van de WWV degenen, die wegens erkende gewetensbezwaren op grond van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst in plaats van militaire dienst vervangende dienst vervullen voor de toepassing van de WW formeel gelijk te stellen met degenen, die zich als dienstplichtige in militaire dienst bevinden.

Onderdeel D. Dit onderdeel betreft de aanwijzing van degene, die voor de WW als werkgever van de WSW-werknemer wordt aangemerkt. De redactie is gelijk aan die van artikel 10, onder 1e, sub e, van de ZW en artikel 10, onder 1 e, sub e, van de WAO.

Onderdeel E. In het eerste lid van artikel 20 is geregeld, dat een werknemer verzekerd is door middel van een wachtgeldverzekering en een werkloosheidsverzekering. Zoals in § 5 reeds is gemotiveerd, wordt onder 1e Tweede Kamer,zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

voorgesteld de werknemers in de zin van de WSW uit te zonderen van de wachtgeldverzekering. De werkloosheidsverzekering geeft per uitkeringsjaar een recht op ten hoogste 130 dagen uitkering, onder aftrek van het aantal dagen dat uitkering werd genoten ingevolge de wachtgeldverzekering (maximaal 40). De wachtgeld" en werkloosheidsuitkeringen zijn even hoog. Het ontbreken van een wachtgeldverzekering heeft voor de WSW-werknemers, die onvrijwillig werkloos worden, dus geen nadelig financieel effect. In het derde lid van artikel 20 dient in de nieuwe situatie het voorbehoud te worden gemaakt dat het werkloosheidsrisico van de WSW-werknemer niet door het AWF wordt gedragen. Dit wordt voorgesteld onder 2e. Het huidige vierde lid van artikel 20 bepaalt dat de kosten van beheer en administratie, welke aan de uitvoering van de werkloosheidsverzekering zijn verbonden ten laste van het AWF komen. Ook op dit punt dient in de nieuwe situatie een voorbehoud gemaakt te worden voor wat betreft dergelijke kosten met betrekking tot uitkeringen, welke verleend worden aan WSW-werknemers, die onvrijwillig werkloos worden. De betreffende wijziging van het vierde lid is opgenomen onder 3e. Onder 4e wordt voorgesteld een nieuw vijfde lid op te nemen in artikel 20. Aangezien over de WSW-lonen geen WW-premie verschuldigd is, doch ten gunste van ' s Rijks kas wèl op de WSW-lonen een vereveningsbijdrage wordt ingehouden wegens het niet verschuldigd zijn van WW-premie, ligt het in de rede, dat de WW-lasten ter zake van WSW-werknemers, die onvrijwillig werkloos worden, door het Rijk worden gedragen. Het voorgestelde nieuwe vijfde lid van artikel 20 schrijft deze vergoeding door het Rijk ter zake van betrokkenen voor met betrekking tot alle uitkeringen krachtens de WW, de daaraan verbonden kosten van administratie en beheer en de premies, welke niet op de uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht. Ook eventuele loonsuppleties als bedoeld in hoofdstuk lllb van de WW vallen onder deze vergoedingsregeling. Hiervóór is de categorie van personen, die onder de vergoedingsregeling valt, omschreven als de WSW-werknemers, die onvrijwillig werkloos worden. Deze (hoofdcategorie) is opgenomen in het voorgestelde vijfde lid, onder a. Daarmee kan echter niet worden volstaan. Na inwerkingtreding van deze wet zullen de dagen, waarop arbeid is verricht in een WSW-dienstbetrekking, meetellen voor het in artikel 35 van de WW bedoelde aantal dagen werken voor het recht op werkloosheidsuitkering. Degene, die na afloop van de WSW-dienstbetrekking in het bedrijfsleven in dienstbetrekking is gaan werken kan onvrijwillig werkloos worden. Betrokkene is dan echter bij het intreden van de werkloosheid geen werknemer in de zin van de WW ter zake van zijn beëindigde WSW-dienstbetrekking (zoals omschreven in het vijfde lid, onder a) doch ter zake van zijn dienstbetrekking in het bedrijfsleven. Indien in een dergelijke situatie de werkloosheid intreedt vrij kort na afloop van de WSW-dienstbetrekking ligt het voor de hand de WW-lasten in zodanig geval ook ten laste van het Rijk te brengen. In het vijfde lid, onder b, wordt daarom voorgesteld ook de uitgaven in het kader van de WW door het Rijk te laten vergoeden, indien de werkloosheid intreedt binnen 2 maanden na afloop van de WSW-dienstbetrekking. Met deze 2 maandentermijn is aansluiting gezocht bij artikel 1639n van het Burgerlijk Wetboek. In dat artikel is bepaald, dat, indien een proeftijd is bedongen, zolang die tijd niet is verstreken, ieder der partijen bevoegd is de dienstbetrekking te beëindigen zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen. De proeftijd is ten hoogste 2 maanden. Is de WSW-werknemer doorgestroomd naar het bedrijfsleven en wordt hij tijdens de proeftijd ontslagen dan worden dus de eventuele WW-lasten van betrokkene door het Rijk vergoed.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

Onderdeel F. Voor de toelichting wordt verwezen naar § 4.

Onderdeel G. Het eerste lid van artikel 27 regelt het recht op wachtgeld. De WSW-werknemer wordt door de aan het eerste lid toe te voegen eerste volzin van dit recht uitgezonderd. Verwezen moge worden naar de in § 5 gegeven motivering. In de aan dat lid toe te voegen tweede volzin is bepaald, dat dagen, waarop betrokkene werknemer was in de zin van de WSW niet meetellen voor het recht op wachtgeld. Dit ligt geheel in de lijn van de uitzondering van WSW-werknemers van de wachtgeldverzekering.

Onderdeel I. Deze technische wijziging vloeit voort uit de voorgestelde nieuwe redactie van artikel 6.

Onderdeel J. Artikel 42f is opgenomen in hoofdstuk lila van de WW dat betrekking heeft op de overneming vanuit dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever om te betalen. Het huidige artikel 42f houdt in, dat de betalingen en administratiekosten welke uit dat hoofdstuk voortvloeien, ten laste komen van het wachtgeldfondsvan de betrokken bedrijfsvereniging. De bedragen welke in het kader van dat hoofdstuk bij de bedrijfsvereniging worden ontvangen van de werkgevers, moeten gestort worden in het wachtgeldfonds van de bedrijfvereniging. Een WSW-werknemer valt ook onder de bepalingen van hoofdstuk lila van de WW. Het is vrijwel uitgesloten, dat zich de situatie zal gaan voordoen dat een WSW-werknemer recht heeft op een uitkering krachtens artikel lila van de WW. Desalniettemin dient in de wet met zo'n situatie rekening te worden gehouden. In de lijn van het voorgestelde nieuwe vijfde lid van artikel 20 wordt in het derde lid van artikel 42f voorgesteld de lasten uit genoemd hoofdstuk met betrekking tot de WSW-werknemers in rekening te brengen bij het AWF. Het Rijk zal die lasten dan aan het AWF vergoeden.

Onderdeel K. Artikel 51 bepaalt dat de over werkloosheidsuitkeringen verschuldigde premies, die niet op de uitkeringen kunnen worden ingehouden, ten laste van het AWF komen. In het voorgestelde nieuwe vijfde lid van artikel 20 is reeds geregeld dat dergelijke premies door het Rijk aan het AWF worden vergoed als het uitkeringen betreft, welke zijn toegekend aan WSW-werknemers, die werkloos zijn geworden. Met de voorgestelde wijziging is beoogd duidelijk aan te geven, dat artikel 51 onverlet laat de in het vijfde lid van artikel 20 getroffen regeling op dit punt.

Artikel II

In het huidige artikel 3, onder a, van de WWV is bepaald dat voor de toepassing van die wet onder dienstbetrekking mede wordt verstaan een dienstverband ingevolge een door de Minister van Sociale Zaken aangewezen sociale werkvoorzieningsregeling. Bij beschikking van 29 december 1964(Stcrt. 1965, nr. 5) zijn als zodanig aangewezen de Gemeentelijke Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Handarbeiders (Stcrt. 1963, 248) en de Sociale Werkvoorzieningsregeling voor Hoofdarbeiders (Stcrt. 1953, 32). In de plaats van beide sociale werkvoorzieningsregelingen moet thans gelezen worden de WSW. Nu voorgesteld is de arbeidsverhouding van degene, die bij wijze van sociale werkvoorziening is te werk gesteld, in artikel 4 van de WW als dienstbetrekking te beschouwen dient de in artikel 3 van de WWV voorkomende bepaling met betrekking tot de WSW-werknemers te vervallen. Alle in de artikelen 4 en 5 van de WW met dienstbetrekkingen gelijkgestelde arbeidsverhoudingen in het kader van de WW worden ingevolge artikel 3 van de WWV ook in het kader van de WWV met een dienstbetrekking gelijkgesteld. Dat betreft dus ook de WSW-werknemers.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nrs. 1-3

Artikel III

Volgens de voorgestelde wijziging van artikel 2 van het Besluit arbeids-voorwaarden sociale werkvoorziening wordt op het loon en de vakantietoeslag van de werknemers in de sociale werkvoorziening een bedrag ingehouden, gelijk aan het bedrag dat zou zijn ingehouden indien over het loon premie zou worden berekend op grond van de Werkloosheidswet. De wijziging van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 strekt ertoe bedoelde inhouding in fiscaal opzicht op dezelfde wijze te behandelen als de premie ingevolge de WW. Daartoe wordt voorgesteld om deze inhouding niet tot het loon voor de loonbelasting te rekenen.

Artikel IV

Artikel 43a is een technische bepaling die nodig is om te bereiken dat de inhouding op het loon aan het Rijk ten goede komt. De wijziging van artikel 45 strekt ertoe het gemeentebestuur een beroepsmogelijkheid te geven in geval het gemeentebestuur zich niet kan vinden in een besluit genomen krachtens artikel 43a. Deze wijziging is alleen noodzakelijk indien het wetsontwerp inzake wijziging van de Wet Sociale Werkvoorziening (nr. 16429) op een later tijdstip in werking treedt dan dit wetsontwerp.

Artikel V

Voor het recht op uitkering ter zake van werkloosheid, welke intreedt na in-werkingtreding van deze wet, kan van belang zijn welke tekst van de WW geldt als bij voorbeeld de referteperiode van 12 maanden ten dele ligt vóór de dag, waarop deze wet in werking treedt. Artikel V houdt hiervoor een regeling in.

Artikel VI

Op de dag, waarop dit ontwerp van wet in werking treedt, worden de werknemers in de zin van de WSW voor het eerst verzekerd ingevolge de WW. De WSW-werknemer, die onvrijwillig werkloos wordt, zal -evenals alle andere werknemers -voor het recht op werkloosheidsuitkering moeten voldoen aan het in artikel 35 van de WW genoemde aantal dagen werken in de referteperiode. Ingevolge het bestaande artikel 35 van de WW moet betrokkene in de periode van 6 weken, aan het intreden van de werkloosheid onmiddellijk voorafgaande opten minste 30 dagen of in de periode van 12 maanden, aan het in-treden van de werkloosheid voorafgaande, op ten minste 65 dagen als werknemer in de zin van de WW gewerkt hebben. In het een dezer dagen ingediende ontwerp van wet tot wijziging van de WW en de WWV (wijziging van het aantal dagen werken, vereist voor het recht op uitkering) wordt voorgesteld artikel 35 van de WW in die zin te wijzigen, dat als voorwaarde voor het recht op uitkering zal gaan gelden: in de periode van 12 maanden, aan het intreden van de werkloosheid voorafgaande, opten minste 130 dagen als werknemer in de zin van de WW gewerkt hebben. Zonder nadere regeling zou de WSW-werknemer, die onvrijwillig werkloos wordt kort na het in werking treden van dit ontwerp van wet, niet voldoen aan het vereiste aantal dagen als bedoeld in artikel 35 van de WW. Artikel 5 regelt nu voor dergelijke gevallen, dat ook de dagen waarop arbeid in WSW-dienstbetrekking is verricht vóór het in werking treden van dit ontwerp van wet voor de toepassing van artikel 35 van de WW kunnen worden meegeteld als gewerkte dagen in de zin van de WW.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16527, nrs. 1-3

Artikel VII

Voorgesteld wordt de wet in werking te doen treden met ingang van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Het streven is erop gericht met ingang van diezelfde maand over te gaan tot inhouding van een vereveningsbijdrage op de lonen van werknemers in de zin van de WSW wegens het niet verschuldigd zijn van premie ingevolge de WW. In het Besluit arbeidsvoorwaarden sociale werkvoorziening (Stb. 1968, 518) zal de inhouding van deze vereveningsbijdrage op de WSW-lonen worden geregeld.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf De Staatssecretaris van Financiën, M. J. J. van Amelsvoort Tweede Kamerzitting 1980-1981,16527, nrs. 1-3

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.