Inhoudsopgave

Tekst

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal

's-Gravenhage, 24 april 1981

Hierbij bied ik u aan de notitie, die ik heb toegezegd tijdens het overleg op 16 maart 1981 in de uitgebreide commissievergadering van de vaste Commissie voor Financiën en de vaste Commissie voor het Emancipatiebeleid over de nota «Op weg naar gelijke fiscale behandeling van de (werkende) gehuwde vrouw en haar man, en van deelgenoten aan vormen van samenleving en samenwonen» (zitting 1979-1980,15835).

De Staatssecretaris van Financiën, M. J. J. van Amelsvoort

4 vel

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

NOTITIE Aan het slot van het overleg op 16 maart jl. in de uitgebreide commissievergadering van de vaste Commissie voor Financiën en de vaste Commissie voor het Emancipatiebeleid over de nota «Op weg» heb ik gezegd, dat ik onbeantwoorde vragen graag schriftelijk zal beantwoorden en dat ik dit zal doen in het kader van een korte notitie waarin ik een samenhangend beeld schep. Ter voldoening daaraan en ten vervolge op mijn brief van 23 maart 1981 -stuk nr. 25 -bericht ik U het volgende. Ik doe dit mede in overleg met mijn ambtgenoot van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, mevrouw Kraaijeveld-Wouters.

SAMENHANGEND BEELD

Algemeen Het in de nota «Op weg» ontwikkelde systeem is getypeerd als een stelsel van gelijke behandeling met als uitgangspunt de heffing van loon-en inkomstenbelasting van de individuele persoon. Geen onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen en, wat betreft het tarief, evenmin een onderscheid tussen gehuwden en met hen in vergelijkbare omstandigheden verkerende ongehuwden, te weten zij die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren. Een voorwaarde voor de neutraliteit van het systeem van de nota is de zelfstandige behandeling van partners. Deze houdt naar mijn interpretatie een zodanige belastingheffing in, dat de belasting die de ene partner betaalt niet mede afhangt van het inkomen van de andere partner. Voor deze verzelfstandiging heb ik weinig weerklank gevonden. Naar veler oordeel kunnen door de verzelfstandiging te grote verschillen ontstaan tussen de belastingdruk op een alleenverdienen-de partner en de gezamenlijke belastingdruk op twee verdienende partners met een even groot inkomen als de alleenverdienende partner. Toch is de algemene opinie, dat individualisering een goede zaak is. Dit streven naar verzelfstandiging werkt evenwel in tegengestelde richting van het draagkrachtbeginsel; dit laatste betekent immers dat er op de een of andere wijze rekening wordt gehouden met het gezinsinkomen c.q. het inkomen van een leefeenheid als maatstaf voor de gezamenlijke draagkracht. Beide uitgangspunten hanteren bij het zoeken naar een goed stelsel van inkomstenbelasting zal niet anders kunnen dan door middel van compromis. Daarbij mag geen al te zware wissel worden getrokken voor wat betreft de uitvoerbaarheid. Met dit alles voor ogen wil ik omtrent de geopperde mogelijkheden het volgende opmerken.

Gelijke belastingvrije sommen

Gelijktrekking van de belastingvrije sommen in deze zin, dat in het stelsel van de nota de algemene, individuele belastingvrije som de helft zou bedragen van die van de alleenverdiener, is denkbaar in twee richtingen. De ene is, dat de individuele belastingvrije som niet wordt gesteld op f 6042, maar op f 5035, zijnde de helft van de voor een alleenverdienende partner voorziene belastingvrije som van f 10070. De andere richting is, dat de belastingvrije som van de alleenverdiener het dubbele gaat bedragen van de in de nota voorgestelde individuele belastingvrije som ad f 6042 en daardoor zou worden gebracht van f 10070 op f 12084. Ongeacht de richting waarnaar de gelijktrekking wordt uitgevoerd, zal daarvan het gevolg zijn, dat voor de niet zo grote gezinsinkomens de bestaande verschillen in belastingdruk tussen een alleenverdienende partner en twee verdienende partners aanmerkelijk worden gereduceerd. Anders Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 15835, nr. 26

dan in het huidige stelsel, waarin de belastingvrije som van f 10070 van de man ongewijzigd blijft indien zijn echtgenote arbeidsinkomsten gaat verwerven, en eveneens anders dan in het in de nota ontwikkelde stelsel, waarin de belastingvrije som van de man pas een verlaging ondergaat indien het arbeidsinkomen van zijn vrouw meer dan f 2014 bedraagt, houdt een stelsel van gelijktrekking van de belastingvrije sommen in vorenbedoelde zin in -ongeacht of de individuele belastingvrije som f 5035 of f 6042 bedraagt -, dat iedere aanbreng van arbeidsinkomen door de gehuwde vrouw tot een verlaging van de belastingvrije som van de man leidt. Aanbreng van een in-komen tot aan het bedrag van de individuele belastingvrije som levert dan geen enkele reductie meer op. Daarentegen blijven voor de hogere gezinsinkomens in zo'n stelsel aanzienlijke belastingverschillen voorkomen als uitvloeisel van het progressieve tarief. Zo daalt het absolute maximum van de belastingreductie door gescheiden heffing, dat volgens het huidige stelsel f 26206 bedraagt en bij een individuele belastingvrije som van f 6042 in het stelsel van de nota nagenoeg gelijk blijft -f 26203 -bij een individuele belastingvrije som van f 5035 met niet meer dan f 1453 tot f 24753.

Bijlage A bevat een overzicht van belastingreducties door gescheiden heffing bij een belastingvrije som van f 5035 met een even grote toeslag voor een alleenverdiener als de in de nota opgenomen overzichten in bijlage IX voor het daarin ontwikkelde stelsel met een belastingvrije som van f 6042 en een toeslag van f 4028 voor een alleenverdiener en in bijlage III voor het bestaande stelsel (belastingvrije sommen van f 2017 en f 10070 voor onderscheidenlijk de gehuwde vrouw en man). Ter vergemakkelijking van de vergelijking van de uitkomsten volgens deze bijlagen geef ik voor een aantal in-komensposities de daarbij behorende reducties. Om mogelijk misverstand te voorkomen wijs ik erop, dat de reducties die in de middenkolommen zijn opgenomen de reducties weergeven, die voortvloeien uit het in de nota voorgestelde stelsel. De belastingreducties door gescheiden heffing bij de in dit onderdeel behandelde variant waarin de individuele belastingvrije som van f 6042 gepaard gaat met een toeslag van f 6042 voor de alleenverdiener waardoor diens belastingvrije som f 12084 bedraagt, heb ik niet vermeld. De bij deze variant behorende reducties liggen ongeveer in dezelfde orde van grootte als die, welke zijn vermeld in de derde kolom voor een individuele belastingvrije som van f 5035 met een toeslag van f 5035 voor een alleenverdiener.

Belastingreductie door gescheiden heffing

Gezins-

Bel. inkomen

T.g. 4

Reductie indien de vrouw in het gezinsinkomen bi|draagt voor 5000

10000

thans

bei. vi. som

thans

bel. vr. sor

thans

6042

5035

6 042 5035

15000

bel. vr. sor

6 042 5035

25000

3 457 734

554 30000

5 057 1004

664 35000

6 657 1004

644 40 000

8 650 1397

806 45 000

10658 I4I2

814 50 000

13158 I904

1007 60 000

18158 I904

1007 70 000

24014 2354

1188 80 000

29914 2354

1188 90 000

36291 2604

1289 100 000

42 691 2604

1289 120 000

56 008 2754

1350 140 000

69 700 2904

21501-60 000

83 700 2904

21501-80 000

97 700 2904

21501-00 000

11199 5 3004

1450 =max.

  • max

" Rekening is gehoude n met voetoverheveling. 1 Rolwissel mg.

0 o o o o o o o o o o o o o o o 851 1310 1580 1973 2381 2888 3380 4236 4280 4757 4780 5080 5372 5380 5380 5580 ^max.

7921092 I 120 1 513 1 606 2 106 2 195 2 732 2 7323031 30313 2II 3 389 3 389 3 389 3 508 = max.

32859 6 596 989 1001 1490 1490 21501-93 6 2184 2184 21501-48 32483 2483 2581 =max.

851 ' 1151 1610 2273 2681 3581 4580 5436593 0 6407 6680 7130742 27580 7580 7875 = max. 7880

7921309 I 609 2 030 2 438 3 023 3612 4 468 4 599 5 076 5 148 5 478 5 770 5 806 5 806 6 025 =max.

32878 5I053 1446 1854 2358 2847 3703 3743 4120424 I 4541 4833 4840 4840 5038 = max.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 15835, nr. 26

Uit vorenstaand overzicht blijkt, dat overgang van het huidige stelsel van belastingvrije voeten -man f 10070, vrouw f 2 017 -naar een stelsel in vorenbedoelde zin met een gelijke belastingvrije voet voor man en vrouw ad f 5035 in een aantal situaties een veel grotere teruggang in belastingreductie meebrengt dan overgang naar het in de nota beschreven stelsel (de bij overgang naar dat stelsel optredende verschillen blijken uit het in bijlage VII van de nota opgenomen overzicht). Zo'n overgang zou met name in de gevallen, waarin de door één van de partners geleverde bijdrage aan het gezinsinkomen van bescheiden omvang is, relatief grote schokken opleveren. Evenals was voorzien voor de invoering van het stelsel van de nota, zou ook hier met een gefaseerde invoering een zekere geleidelijkheid kunnen worden bereikt, namelijk door de wijzigingen in de belastingvrije sommen in stappen te laten verlopen. Evenwel zal de overgangsperiode betrekkelijk kort moeten worden gehouden, omdat een geleidelijke overgang met name op het gebied van de loonbelasting problemen geeft. Daardoor valt er niet aan te ontkomen, dat de partiële schokken bij invoering van dit systeem van belastingvrije sommen, in tegenstelling tot het systeem van de nota, voor gehuwden gevoelig zullen zijn. Zou de individuele belastingvrije som worden gesteld op f 6042 en zou de belastingvrije som van de alleenverdiener van f 10070 zonder verdere tariefaanpassing worden gebracht op f 12084, dan zouden de bij het verlaten van het huidige stelsel optredende nadelige overgangseffecten voor echtparen waarvan beide partners arbeidsinkomsten aanbrengen beperkt blijven tot de in bijlage VII van de nota becijferde bedragen. Voor de alleenverdiener zou dan de verhoging van zijn belastingvrije som tot f 12084 leiden tot een belastingverlaging die bij de inkomens van f 25000 tot f 200 000, welke in de overzichten zijn vermeld, varieert van f 554 tot f 1450. Een dergelijke optrekking van de belastingvrije som voor de alleenverdieners zou evenwel een budgettair verlies van f 1800 a 1900 min. betekenen. Maar welke richting van gelijktrekking van belastingvrije sommen ook wordt gekozen -een individuele belastingvrije som van f 5035 dan wel een van f 6042 met een even grote toeslag voor een alleenverdiener -de belastingreducties door gescheiden heffing zijn, in gevallen waarin beide partners meer dan additioneel bijdragen aan het gezinsinkomen en het gezamenlijke inkomen groter is dan 1V2 a 2 maal het modale inkomen, van dien aard dat zij, naar ik verwacht, te hoog blijven in de ogen van hen die van oordeel zijn dat de verschillen moeten worden terruggebracht.

Ander tarief voor partners die beiden inkomen hebben Ten einde vooral voor de hogere inkomens de verschillen in belastingdruk op een alleenverdienende partner en de gezamenlijke belastingdruk op twee verdienende partners met te zamen een even groot inkomen als de alleenverdienende partner in meer betekenende mate te doen verminderen dan mogelijk is door gelijktrekking van de belastingvrije sommen, is tijdens de commissievergadering naar voren gebracht, dat voor de niet alleenverdienende parners een verzwaard tarief zou moeten gelden. Dit zou echter betekenen, dat daarmee wordt teruggekomen van één algemeen geldend schijventarief dat bij invoering op 1 januari 1973 vrijwel unaniem werd gewaardeerd. De belastingreducties door gescheiden heffing vinden hun oorzaak in de toepassing van het algemeen geldende schrijventarief op de twee inkomens van de partners afzonderlijk. Voor hen gelden hierdoor globaal genomen dubbele schrijflengtes met als gevolg een mindere progressie voor hen gezamenlijk. Een verzwaard tarief zou kunnen worden gevonden in een tabel met verkorte schijflengtes, bij voorbeeld 3/4 van de bestaande lengtes. De partners, die ieder voor zich aan het verzwaarde tarief worden onderworpen, hebben dan gezamenlijk globaal genomen 1V» maal zo grote schijflengtes als de alleenverdiener.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 15835, nr. 26

In de gevallen waarin de inkomens van beide partners elkaar niet al te veel ontlopen, beantwoordt zulk een tariefstelling aan haar doel. Bij relatief grote verschillen in aanbreng van inkomen gaat echter de aan zo'n tarief ten grondslag liggende veronderstelling niet op, te weten, dat de partners gezamenlijk 1 Va maal zo grote schijflengtes hebben als de alleenverdiener. Daardoor kan zo'n tarief tot uitkomsten voeren die de voorstanders niet voor ogen staan, omdat voor de partners gezamenlijk de gescheiden heffing leidt tot een hogere belastingverplichting dan die, welke drukt op een alleenverdiener met een even groot inkomen als van beide partners te zamen. Ter illustratie worden hierna voor een aantal inkomens de resultaten van zulk een tarief met 3/4 schijflengtes vermeld; zowel bij toepassing van een individuele belastingvrije som van f6042 als bij toepassing van een individuele belastingvrije som van f 5035. Voor de onderlinge vergelijking zijn deze resultaten geplaatst naast die van het huidige stelsel en die van het in de nota voorgestelde stelsel.

Gezinsinkomen

Belasting

Inkomen

Arbeids-

Totale belasting van man en vrouw t.g. 4

man

inkomen (alleenverdiener)

vrouw

huidig

stelsel nota

verzwaard tarief systeem

bel. vr. som f6042

bel. vr. som f5035

25000

3457

15000

10000

2606

2665

2779

3 243 30000

5057

20000

10000

3747

3965

4268

4 792 15000

15000

3906

3748

3976

4 500 40 000

8650

30000

10000

6677

7137

7883

8 488 25000

15000

6377

6620

7080

7 745 20000

20000

6561

6348

6954

7 598 50 000

13158

40000

10000

10270

11052

12665

13371 * 35000

15000

9577

10135

11362

21501-30 000

20000

9491

9520

10569

21501-25 000

25000

9491

9492

10184

21501-60 000

18158

50000

10000

14778

15963

18218*

19014* 45 000

15000

13578

14546

16465

21501-40 000

20000

13084

13435

15351

21501-30 000

30000

12928

12692

14184

21501-80 000

29914

70000

10000

25634

27182

30576*

31423* 65 000

15000

23984

25315

28573

21501-60 000

20000

22592

23665

26862

21501-50 000

30000

21029

21518

24519

21501-40 000

40000

20834

20522

23748

24756 I00 000

42691

90000

10000

37911

39660

43 709*

44 685* 85 000

15000

36011

37543

41556

42 592 80 000

20000

34348

35643

39695

40 791 70 000

30000

31885

32737

36877

21501-60 000

40000

30342

30752

35259

21501-50 000

50000

30342

30344

34854

36042

  • De belasting bedraagt meer dan de in de tweede kolom vermelde belasting voor een alleenverdiener.

Er is geen vaste grens waar toepassing van zo'n verzwaard tarief voor de partners gezamenlijk een hogere belastingdruk doet ontstaan dan die voor een alleenverdiener met een even groot inkomen. De grens verschuift namelijk naarmate het gezamenlijke inkomen toeneemt. Bij toepassing van een belastingvrije som van f 5035 ligt de grens Bij een gezamenlijk inkomen van Indien een van de partners een inkomensaanbreng levert van f 15746 f 22908 f 32109 f 34609 f 42 786

f

5 000 en f 6000 f

7 000 f

8 000 f

9 000 f 10000

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

De onevenwichtige uitkomsten waartoe zulk een tariefstelling voert, blijken uit het verloop van de reducties door gescheiden heffing bij een bijdrage van een bepaalde omvang in gezinsinkomens van verschillende hoogte. Zo levert toepassing van vorenbedoeld verzwaard tarief en een belastingvrije som van f5035 bij een aanbreng van f 15000 door een van de partners een reductie op van

f

557 bij een gezamenlijk inkomen van f

30000 f

905 bij een gezamenlijk inkomen van f 40 000 f 1030 bij een gezamenlijk inkomen van f

50 000 f

837 bij een gezamenlijk inkomen van f

60 000 I

434 bij een gezamenlijk inkomen van i

80 000 f

99 bij een gezamenlijk inkomen van f 100 000

Bij een gezamenlijk inkomen van f11067 0 wordt voor een inkomensaanbreng van f 15000 de grens bereikt, waarna toepassing van het verzwaarde tarief voor de partners gezamenlijk een hogere belastingdruk doet ontstaan dan die voor de alleenverdiener met een even groot inkomen. De uitkomst van de gescheiden heffing bij toepassing van een dergelijk tarief hangt dus in sterke mate af van de onderlinge verhouding van de inkomensaanbreng door beide partners. De onevenwichtigheden die daarvan het gevolg zijn, kunnen in een systeem van individuele heffing niet worden ondervangen. Een andere moeilijkheid die kleeft aan een verzwaard tarief in vorenbedoelde zin vormt de hoogte van de inkomensaanbreng van de zijde van de andere partner, waarbij dat tarief voor beiden moet gaan gelden. Mede in verband met voetoverheveling is er technisch bezien geen reden het verzwaarde tarief reeds toe te passen ingeval de inkomensaanbreng door een van de partners beperkt blijft tot een niveau dat de individuele belastingvrije som niet te boven gaat. Mede gelet op het hiervoor vermelde inkomensniveau waarbij gescheiden heffing naar het verzwaarde tarief nadeliger wordt dan het voor een alleenverdiener geldende tarief, zal het niveau van inkomensaanbreng waarboven het verzwaarde tarief geldt, relatief beduidend hoger moeten worden gesteld dan het niveau van de individuele belastingvrije som. Maar waar dat aanvangsniveau ook wordt gelegd, niet te voorkomen valt dat dan schokeffecten ontstaan bij de overgang naar het verzwaar-de tarief. Hierdoor kleeft aan een stelsel van een verzwaard tarief voor echtparen waarvan beide partners inkomen aanbrengen, in versterkte mate het volgens velen reeds aan het stelsel van de nota klevende bezwaar, dat het de toetreding van de gehuwde vrouw tot de arbeidsmarkt belemmert. De man raakt dan namelijk niet alleen zijn alleenverdienerstoeslag kwijt, maar bovendien wordt zijn inkomen aan een verzwaard tarief onderworpen. Invoering van een verzwaard tarief voor twee verdienende partners moet erop neerkomen, dat dit tarief gaat gelden als basistarief, met de mogelijkheid, dat men ervan wordt ontheven indien men voldoet aan bepaalde voorwaarden. Deze opzet van een verzwaard tarief zou echter een aanzienlijke verzwaring van de uitvoering meebrengen. Niet alleen alle alleenverdienen-de partners, maar ook alle alleenstaanden, de jongere ongehuwden daaronder begrepen, zouden zich dan moeten melden als niet voor het verzwaarde tarief in aanmerking komende personen. Ten slotte wijs ik erop, dat het naar mijn oordeel niet te verwezenlijken is, een verzwaard tarief mede van toepassing te doen zijn op ongehuwd samenwonenden. Het spanningsveld, waarvoor al beduchtheid bestaat bij het zoveel mogelijk neutrale systeem van de nota, zou sterk worden vergroot naarmate het door de tariefstelling lucratiever wordt onvolledige of onjuiste opgave te doen omtrent de feitelijke situatie van samenwoning met een ander die eveneens inkomen heeft. De privacy zou in gedrang komen, doordat handhaving daarvan in de uitvoering van zo'n systeem moeilijker wordt naarmate voor ongehuwden de verschillen in belastingdruk tussen de ene of de andere leefsituatie groter zouden zijn.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 15835, nr. 26

Op grond van het vorenstaande zal een heffingssysteem met een verzwaard tarief voor partners die beiden inkomen hebben, niet beantwoorden aan de kernpunten 4, 5 en 6 van de nota, omdat: -wat het tarief betreft, er onderscheid zal zijn tussen gehuwden en ongehuwden; -het stelsel minder goed uitvoerbaar zal zijn; -er bij invoering grote schokken zullen kunnen optreden voor de echtparen waarvan beide partners verdienen, zij het dat de vooropgezette doelstelling van dit stelsel is, de in het bestaande stelsel voorkomende belastingreducties door gescheiden heffing vooral voor de hogere inkomens aanmerke-Iijk te verminderen.

Delingstelsel Als mogelijkheid om de gezamenlijke belastingdruk op twee verdienende partners dichter bij de belastingdruk op een alleenverdienende partner met een even groot inkomen te brengen, is tijdens de commissievergadering ook naar voren gebracht een delingstelsel voor alleenverdieners. Zo'n stelsel leidt tot een belastingverlichting voor alleenverdieners, waardoor de met de gescheiden heffing van twee verdienende partners gepaard gaande reducties worden verkleind. Het delingstarief wordt afgeleid uit het algemeen geldende schijventarief. Als zo'n delingstelsel zou worden gebaseerd op de tijdens het overleg genoemde deler 1,8 zou dat voor de alleenverdieners een belastingverlichting betekenen voor inkomens tot ruim f 300 000. Ik verwijs naar het overzicht, voorkomende op bijlage VI van de nota. Een dergelijke belastingverplichting zou evenwel een budgettair verlies met zich brengen van 13Ata 2mld. Voor de praktijk noopt zulk een delingstelsel tot het opstellen van een apart tarief naast het algemeen geldende schijventarief. Voor de alleenverdiener zal het namelijk moeilijk te aanvaarden zijn, dat een delingstelsel met 1,8 als deler erop neerkomt, dat een inkomen van bij voorbeeld f36000 wordt belast als waren er twee inkomens van elk f 20000 (dus in totaal f40000). Een apart tarief brengt tevens aan het licht, dat toepassing van de deler 1,8 tot een hoger maximum van de marginale druk leidt dan het huidige maximum, namelijk tot 80% in plaats van tot 72%. Ik verwijs hiervoor naar het onderdeel «Splitting» in hoofdstuk III van de nota. Bij invoering van een delingstelsel zullen er situaties ontstaan waarin ten aanzien van twee verdienende partners de gescheiden heffing op basis van het algemeen geldende schijventarief tot een hogere gezamenlijke belastingdruk leidt dan toepassing van het delingstelsel op hun gezamenlijke inkomen. Bij toepassing van de deler 1,8 zal dit zich voordoen bij een onderling sterk verschillende inkomensverhouding. Met het oog op die gevallen zal een delingstelsel voor alleenverdieners gepaard moeten gaan met een mogelijkheid voor twee verdienende partners te opteren voor toepassing van het delingstelsel op het gezamenlijke inkomen ingeval dat voor hen voordelig is. Nog daargelaten de weerstand tegen een algemeen tarief dat een zwaardere gezamenlijke belastingdruk kan opleveren dan het voor alleenverdieners voorziene delingstarief, kleven aan een optiestelsel niet geringe bezwaren van uitvoeringstechnische aard. Dit geldt te meer indien, zoals tijdens de commissievergadering naar voren is gebracht, het verschil in uitkomst tussen de twee tarieven inkomensevenredig zou moeten worden verdeeld over de twee verdienende partners. De voor de inkomstenbelasting als onontkoombaar geschetste mogelijkheid om te opteren voor het delingstelsel, zal voor de loonbelasting moeten worden vertaald in een grens van inkomensaanbreng van de zijde van de andere partner, tot waar de ene partner aan het tarief van de alleenverdiener kan blijven onderworpen. Ook deze grens vormt een moeilijkheid, doordat deze een schokeffect teweegbrengt bij overgang van het ene naar het andere tarief. Daardoor kan ook dit stelsel de toetreding van de gehuwde vrouw tot de arbeidsmarkt belemmeren.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

Verder ontstaan door de onderscheiden tariefstellingen grotere verschillen tussen de loonbelasting en de inkomstenbelasting. Dit kan leiden tot in-haaleffecten indien men voor de loonbelasting aan het delingstarief voor alleenverdieners is onderworpen geweest, bij voorbeeld als gevolg van een onjuiste schatting van de inkomensaanbreng door de andere partner, terwijl dat tarief niet zou kunnen worden toegepast voor de inkomstenbelasting. Beide verschijnselen, zowel belemmering van toetreding van de partner tot de arbeidsmarkt als inhaaleffecten bij de inkomstenbelasting, zullen bij in-voering van een delingstelsel zich in sterkere mate doen gevoelen indien het tarief voor twee verdiende partners, dus het algemeen geldende schijventarief, zou worden verzwaard. Zo'n verzwaring ligt voor de hand gezien het budgettaire verlies, de invoering van een delingstelsel teweegbrengt. Uiteraard houdt verzwaring van het algemeen geldende schijventarief in, dat de lastenverzwaring mede geldt voor ongehuwden en doorwerkt in het delingstarief. Een delingstelsel zal mede kunnen gelden voor ongehuwde alleenverdieners die duurzaam met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren. De voor huwelijkspartners die beiden arbeidsinkomen hebben aan het delingstelsel verbonden mogelijkheid daarvoor te opteren, zal ook dienen te gelden voor ongehuwd samenwonenden die in zo'n situatie verkeren. Deze optiemogelijkheid zal evenwel problemen kunnen geven uit een oogpunt van oneigenlijk gebruik. Te denken valt aan het gevaar, dat ongehuwden ter verkrijging van een gezamenlijk belastingvoordeel zouden samenspannen tegenover de fiscus. Een delingstelsel stoelt in wezen op de gedachte, dat het inkomen van het gezin een gezamenlijk inkomen is. Dat blijkt zonder meer in de gevallen waarin twee verdienende partners voor hun gezamenlijke inkomen opteren voor het delingstelsel, maar het geldt evenzeer voor de situatie van de alleenverdiener: het inkomen van de alleenverdienende partner wordt, voor de tarieftoepassing, voor een deel geacht het inkomen van de niet verdienende partner te zijn. Een delingstelsel is daarom moeilijkte rijmen met kernpunt 3 van de nota, waarin een heffing van individuele personen naar een zoveel mogelijk geïndividualiseerd inkomen uitgangspunt vormt. Aan een delingstelsel voor alleenverdieners met een optiemogelijkheid voor twee verdienende partners, gedacht in het Nederlandse heffingssysteem waarin de loonbelasting zoveel mogelijk eindheffing moet kunnen zijn, kleven niet geringe uitvoeringsbezwaren. Daardoor beantwoordt zo'n stelsel ook niet aan kernpunt 5 van de nota dat als voorwaarde stelt, dat een herzien stelsel goed uitvoerbaar zal moeten zijn.

Toerekening van vermogensinkomsten en aftrekposten naar rato van arbeidsinkomens partners Uit verschillende gezichtshoeken is gepleit voor verder gaande individualisering, met name ook voor de vermogensinkomsten. In de nota «Op weg» is erop gewezen dat, ingeval er tussen de echtgenoten geen algehele goederengemeenschap is overeengekomen en een toerekening bij helfte dus niet op haar plaats is, de toerekening aan de echtgenoten van hun eigen vermogensinkomsten tot moeilijkheden aanleiding kan geven omdat, ondanks uitsluiting van een goederengemeenschap, in de onderlinge verhouding van de echtgenoten voor bepaalde bezittingen een registratie op naam kan ontbreken. De onzekerheid omtrent de rechthebbende op bepaalde vermogensbestanddelen zou mogelijkerwijs kunnen leiden tot ongewenste manipulatie met inkomenselementen met het oog op de belastingheffing. Mede ter voorkoming van manipulatiemogelijkheden is tijdens de commissievergadering geïnformeerd naar een stelsel, waarin de vermogensinkomsten en de overige niet tot het persoonlijke arbeidsinkomen behorende inkomenselementen zouden worden toegerekend aan de beide partners naar rato van ieders arbeidsinkomen.

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

Verder is ter wille van een zuivere draagkrachtbepaling van elk van de partners de mogelijkheid geopperd, de aftrekposten aan beiden toe te rekenen naar rato van ieders arbeidsinkomen. Als ik in dit verband tot de aftrekposten reken de door hypotheekrente veroorzaakte negatieve opbrengst van de eigen woning, dan dient daarbij te worden bedacht, dat deze negatieve opbrengst een saldopost is, namelijk na aftrek van het huurwaardeforfait als vermogensinkomst. Ter bepaling van die negatieve opbrengst blijft bij premiekoopwoningen de jaarlijks verstrekte bijdrage buiten beschouwing; deze wordt fiscaal gerekend tot de periodieke uitkeringen van publiekrechtelijke aard. Met dit voorbeeld voor ogen meen ik te moeten vaststellen, dat een afzonderlijk toerekeningssysteem voor aftrekposten niet reëel zou zijn. De toerekening dient naar mijn mening voor alle niet tot het persoonlijke arbeidsinkomen behorende inkomenselementen op dezelfde wijze te worden geregeld. In de nota is om pragmatische redenen gekozen voor toerekening van niet tot het arbeidsinkomen behorende inkomensbestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen. Een toerekening van die inkomensbestanddelen naar rato van ieders arbeidsinkomen kan naar mijn oordeel niet worden beschouwd als een verdere stap op de weg van verzelfstandiging. De onderlinge verhouding van arbeidsinkomens is immers volkomen willekeurig ten opzichte van het individuele vermogensbezit of, bij goederengemeenschap, de fiftyfiftyverhouding. Een toerekening naar rato van ieders arbeidsinkomen kan zich dan ook ver verwijderen van de realiteit van aanbreng van de niet tot het arbeidsinkomen behorende inkomenselementen. De omstandigheid dat van zo'n toerekening geen manipulaties zijn te verwachten, neemt niet weg, dat een omslag naar rato van de arbeidsinkomens belangrijke bezwaren van praktische aard oplevert. In gevallen waarin één van de beide arbeidsinkomens van bescheiden omvang is, zou een toerekening van positieve bestanddelen niet voorkómen en zou een omslag van aftrekposten in versterkte mate bewerkstelligen, dat administratieve ingrepen als voetoverheveling en maritale verliescompensatie moeten worden toegepast. Voorts vergt zulk een toerekening van jaar tot jaar veel rekenwerk. Daarbij valt te bedenken, dat noch de toe te rekenen bestanddelen, noch de arbeidsinkomens naar rato waarvan de toerekening zou moeten plaatsvinden, plegen voor te komen in ronde bedragen. Bovendien zou een correctie op het aangegeven arbeidsinkomen van één van de partners een verschuiving in toerekening bewerkstelligen. Het behoeft geen betoog, dat dit uitvoeringstechnisch zeer bezwaarlijk is. Mede in het licht van kernpunt 5 verdient het in de nota voorgestane stelsel van toerekening daarom mijns inziens verre de voorkeur, hoezeer ook aan dat stelsel het bezwaar kleeft, dat het de realiteit geweld aandoet.

Slotbeschouwing Voor een zuiverder benadering van de gezinsdraagkracht dan bij gescheiden heffing mogelijk is, zou eigenlijk moeten worden teruggekeerd tot het stelsel van vóór 1973. Wil men de gedachte van de verzelfstandiging niet prijs geven, dan ligt dat evenwel niet in de lijn van het denken, evenmin als een beperking van de verzelfstandiging in deze zin, dat zij niet verder gaat dan tot een bepaalde hoogte van het inkomen van de werkende gehuwde vrouw. Ter verkleining van de verschillen tussen de belastingdruk op een alleenverdienende partner en de gezamenlijke belastingdruk op twee verdienende partners met een even groot inkomen als de alleenverdienende partner is denkbaar het thans bestaande heffingssysteem zó te wijzigen, dat de belastingdruk op één van de verdienende partners wordt verhoogd. Dit zou zonder bezwaren van technische aard mogelijk zijn door invoering van een verzwaard tarief voor de partner met het geringste arbeidsinkomen. Deze partner zou moeten worden ingedeeld in tariefgroep 1, de tariefgroep met de lage belastingvrije som die thans geldt voor de werkende gehuwde Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

vrouw. Dit zou neerkomen op integrale rolwisseling, zij het, dat ook deze om uitvoeringstechnische redenen, evenals in het bestaande stelsel detariefgroepwisseling, afhankelijk zou moeten worden gesteld van een daartoe strekkend verzoek van het echtpaar. Op die manier zou zowel de toepassing van het verzwaarde tarief als de rolwisseling beperkt blijven tot duidelijk te onderscheiden gevallen. Uitbreiding van de verzelfstandiging tot het pensioen van de gehuwde vrouw zou bij zo'n tariefstelling minder bezwaarlijk behoeven te zijn uit een oogpunt van verschillen in belastingdruk tussen de alleenverdiener en twee verdienende partners met een even groot gezamenlijk inkomen. Tegen invoering van een verzwaard tarief voor tariefgroep 1 kunnen echter ook belangrijke bedenkingen worden aangevoerd. Door zo'n tarief zou de bestaande ongelijkheid in fiscale behandeling van huwelijkspartners onderling nog worden vergroot. Ook zie ik in zo'n systeem geen mogelijkheid het regime voor gehuwden door te trekken tot personen die als ongehuwden samenleven of samenwonen. Het beginsel van de gezinsdraagkracht kan daardoor op deze leefeenheden niet tot uitdrukking worden gebracht. Wel zou kunnen worden overwogen de voor daadwerkelijk alleenstaande ouders bedoelde toeslagen op de belastingvrije som en de mogelijkheid van buitengewonelastenaftrek voor één-oudergezinnen niet meer te doen toekomen aan degenen die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daardoor zou in dit opzicht wel een grotere gelijkheid ontstaan met gehuwden. Gezien de beperkte tijd die mij na de commissievergadering ter beschikking stond voor het uitbrengen van deze notitie, heb ik vorenstaande mogelijkheden nog niet in voldoende mate kunnen doordenken op alle pro's en contra's. Ik meende evenwel deze gedachten de leden van de vaste commissies niet te moeten onthouden als nadere bijdrage in de discussie over de nota «Op weg».

BEANTWOORDING VRAGEN

De heer Kombrink heeft gevraagd een uiteenzetting te geven over de praktische problemen die zouden ontstaan indien ten aanzien van ongehuwden voor de indeling in tariefgroepen zou worden aangesloten bij het criterium van zelfstandig wonen en leven in plaats van bij een leeftijdsgrens. Ik verwacht van zulk een aansluiting grote uitvoeringsmoeilijkheden. ledere ongehuwde die niet bij zijn ouders inwoont, leeft in zekere zin zelfstandig. In die situatie is het moeilijk na te gaan, of door die ongehuwde met een ander een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd. Dit zou zelfs in bepaalde situaties een vraagpunt kunnen zijn bij het wonen onder het ouderlijk dak. De heer Kombrink heeft in zijn betoog onder meer gewezen op de situatie van studenten die op één adres wonen, elk formeel met een eigen kamer, maar feitelijk misschien niet, of niet altijd. Op de problematiek rondom het al dan niet bestaan van een gemeenschappelijke huishouding heeft mijn antwoord op vraag 2.43 betrekking. Daar komt naar voren, dat in een heffingssysteem met in beginsel een voor ieder gelijke belastingvrije som waarop een toeslag wordt verleend aan de ongehuwde die geen gemeenschapelijke huishouding met een ander voert, het criterium van een leeftijdsgrens onmisbaar is.

De heer Kombrink heeft mij voorts verzocht het licht te laten schijnen over de vraag, of er per saldo tussen de alleenverdiener en de alleenstaande een draagkrachtverschil van slechts f 2185 mag worden verondersteld. In cijfers van de nota zal hij, naar ik aanneem, bedoeld hebben een draagkrachtverschil van f2014, zijnde het verschil tussen de belastingvrije som van tariefgroep 4 en die van tariefgroep 3 van onderscheidenlijk f 10070 en f 8056. In mijn antwoord op vraag 42 heb ik gezegd van mening te zijn, dat een alleenstaande ongehuwde niet te zwaar wordt belast in vergelijking tot een al-Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

leenverdienende partner in een huwelijk. Ik vind evenwel ook, dat hij verhoudingsgewijs niet te licht wordt belast. In de wetenschap dat het tot uitdrukking brengen van draagkrachtverschillen in de belastingvrije sommen niet dan met een zekere ruwheid kan geschieden, acht ik de belastingvrije som van tariefgroep 3 verhoudingsgewijs niet apert te hoog. Deze houdt namelijk het midden tussen de belastingvrije som van tariefgroep 4 en de algemene individuele belastingvrije som van f 6042 van tariefgroep 2. Niettemin zou ook een andere verhouding denkbaar zijn. Indien voor de belastingvrije sommen van dezelfde verhouding zou worden uitgegaan als gebruikelijk is voor het uitkeringsniveau van de pensioenen krachtens de volksverzekeringen, zou de belastingvrije som van een alleenstaande 70% in plaats van 80% bedragen van die van een alleenverdienende partner in een huwelijk, dus f 7049 in plaats van f 8056.

Mevrouw Rempt-Halmmans de Jongh heeft gevraagd, of er op het gedeeltelijk financieel zelfstandig worden van de gehuwde vrouw een remmende werking uitgaat van de omstandigheid, dat de man zijn hogere belastingvrije voet als alleenverdiener veriest wanneer zijn vrouw betaalde arbeid gaat verrichten. Ik meen dat zulks in het stelsel van de nota niet het geval is. Ik verwijs daarvoor naar mijn antwoorden op de vragen 69 en 2.42, waarin het effect is becijferd van het gaan verdienen van onderscheidenlijk f 2000, f 4000, f 6000 en f 10000 door de partner van iemand die een inkomen van f 30000 heeft en van het gaan verdienen van f 2000, f 5000, f 10000 en f 15000 door de partner van iemand die een inkomen van f 40 000 off 50 000 heeft. Als de gehuwde vrouw aan het arbeidsproces gaat deelnemen, begint zij in het voorgestelde systeem belasting te betalen wanneer haar inkomen de individuele belastingvrije som van f 6042 overschrijdt. De man wordt niet langer als alleenverdiener aangemerkt, zodra zijn vrouw meer dan f 2014 arbeidsinkomen aanbrengt. Dit acht ik een logisch logisch gevolg van het rekening nouden met draagkrachtverschillen. Mevrouw Rempt bleef het jammer vinden, dat geen analyse is gegeven van de vraag, in hoeverre het huidige belastingstelsel en het sociale voorzieningensysteem mede verantwoordelijk zijn voor de geringe deelname van de gehuwde vrouw aan de arbeidsmarkt. Ik ben van mening, dat met de in 1973 ingevoerde beperkte verzelfstandiging een mogelijke fiscale rem is weggenomen. Overigens zie ik geen kans haar de gevraagde analyse te geven. Wel wil ik als mijn mening te kennen geven, dat aan het door haar gesignaleerde verschijnsel debet is zowel de traditionele kijk op de plaats van de vrouw in het gezin als de hoogte van het arbeidsinkomen in Nederland, dat globaal genomen voor een volwassen werknemer met een volledige dagtaak een gezinsinkomen is. Ik deel dus haar mening, dat de beloning van de man in-vloed heeft op de bereidheid of de noodzaak voor het buitenshuis gaan werken van de gehuwde vrouw.

De heer Van Dis heeft mij een vraag gesteld over de aan een nieuw stelsel te verbinden eis, dat de invoering daarvan geen al te grote schokken mag veroorzaken. Hij vraagt, hoe deze eis zich verhoudt tot zijn bevinding, dat zulke schokken zich juist het meest blijken voor te doen waar zij het minst gewenst zijn, namelijk in situaties waarin het inkomen van de vrouw aanmerkelijk hoger is -naar ik aanneem wordt bedoeld: aanmerkelijk lager is -dan dat van de man. In de antwoorden 72 en 109, waarnaar de heer Van Dis verwijst, heb ik gezegd, dat de overgang naar het nieuwe stelsel voor echtparen waarvan bei-de echtgenoten betaalde arbeid verrichten gepaard zal gaan met enige verzwaring van het totaal aan belastingdruk op beide partners in situaties, waarin het vrouweninkomen minder bedraagt dan de helft van het gezinsinkomen. Bij invoering van het voorgestelde stelsel ziet de gehuwde man namelijk zijn huidige belastingvrije som dalen. Ik vind dit gevolg aanvaardbaar.

Tweede Kamerzitting 1980-1981, 15835, nr. 26

De schokken zijn niet bijzonder groot. In dit verband dient niet te worden voorbijgegaan aan het tegen het huidige stelsel aangevoerde bezwaar van ongelijke behandeling wat betreft de hoogte van de voor man en vrouw geldende belastingvrije sommen. In mijn antwoord op vraag 2.14, onder a, heb ik gezegd, dat het bestaande stelsel met zijn ongelijke voeten in de regel voordelig zal zijn in de gevallen waarin de man een volledige betrekking vervult en de vrouw in deeltijd werkt en dat het voorgestelde stelsel met in beginsel gelijke belastingvrije sommen neutraler staat tegenover gevallen waarin beide partners in deeltijd willen werken. Ook na herlezing van dit antwoord meen ik, dat het daarin gestelde juist is.

De heer Van Dis heeft mede gevraagd, welke betekenis de fiscale wetgeving toekent aan het feit, dat aanstaande echtgenoten meeren meer overgaan tot sluiten van huwelijkse voorwaarden. Het voorgestelde stelsel verbindt geen gevolgen aan het niet bestaan van het regime van algemene goederengemeenschap. Zoals is uiteengezet in de nota, wordt thans de tijd nog niet rijp geacht voor een volledige individualisering van alle inkomsten, waarbij met name valt te denken aan de vermogensinkomsten. De huidige maatschappelijke werkelijkheid is zo, dat in de meeste huwelijken één van de echtgenoten het gehele of nagenoeg gehele gezinsinkomen aanbrengt. Deze werkelijkheid maakt, dat een volledige individualisering niet kan worden verwezenlijkt. Ik verwijs ook naar mijn antwoorden op de vragen 14,16, 36, 45, 58, 59, en 2.35. Als het om verbroken relaties gaat, rijzen te dezen geen problemen. Echtgenoten die duurzaam gescheiden leven worden fiscaal behandeld als ongehuwden. Onder verwijzing naar bladzijde 67 van de nota informeert de heer Van Dis naar de positie van samenwonende familieleden. Deze personen worden in het voorgestelde stelsel ingedeeld in tariefgroep 2. Tariefgroep 3 blijft voorbehouden aan de daadwerkelijk alleenstaande ongehuwde, daaronder begrepen degene die uitsluitend samenwoont met eigen kinderen, aangehuw-de kinderen of pleegkinderen die minderjarig zijn dan wel meerderjarig zijn doch in de termen voor kinderbijslag vallen. In mijn antwoord op vraag 71 ben ik ingegaan op het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met zelfstandig verdienende kinderen. Vraag en antwoord 79 handelen over het feit, dat de rol van alleenverdiener ook kan worden vervuld door een zoon tegenover zijn moeder of vader, door de ene broer tegenover de andere, enz. Hetgeen op bladzijde 82 van de nota is te lezen omtrent een samenlevingsverband van meer dan twee personen komt er niet op neer, dat de fiscus eventueel wijkt voor manipulaties. Indien in een samenwoningsverband twee of meer personen een derde onderhouden, acht ik het in de gekozen opzet voor de belastingvrije sommen niet onredelijk, dat daarmee bij één van hen rekening wordt gehouden door toekenning van de alleenverdienerstoeslag. De heer Engwirda heeft een voorstel gedaan voor een systeem van gelijke belastingvrije sommen voor iedere belastingplichtige. Met name heeft hij daarbij het oog op het doen vervallen van het verschil in belastingvrije sommen voor ongehuwden. Hij zou het op prijs stellen de effecten van zo'n systeem te zien om daaraan te kunnen toetsen, of deze te grote schokken inhouden. Bij budgettaire neutraliteit zou een geldende belastingvrije som circa f 5500 bedragen. Vergeleken met het voorstel van de nota, dat voorziet in belastingvrije sommen van onderscheidenlijk f 6042, f 8056 en f 10070 voor de tariefgroepen 2, 3 en 4, zou dit voor degenen die in dat systeem zouden worden ingedeeld -in tariefgroep 2 een achteruitgang in belastingvrije som van ongeveer f 550 betekenen; -in tariefgroep 3 een achteruitgang in belastingvrije som van ongeveer f 2550 betekenen;

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

-in tariefgroep 4, de alleenverdieners, een vooruitgang in belastingvrije som van ongeveer f 900 betekenen, ervan uitgaande dat voor deze personen een toeslag op de belastingvrije som geldt gelijk aan de niet door de partner benutte vrije som.

Vooral voor de thans in tariefgroep 3 vallende belastingplichtigen, globaal gesproken de oudere ongehuwden, zou de overgang naar zo'n systeem van gelijke belastingvrije sommen tot niet geringe verschillen in belastingdruk leiden. Ik laat hierbij thans in het midden, of in zo'n systeem nog plaats zou zijn voor de toeslag op de vrije som van tariefgroep 3, welke nu wordt gegeven in situaties waarin er recht op kinderbijslag bestaat als overbrugging van het verschil met de belastingvrije som van tariefgroep 4. Zoals bekend is, voorziet het voorgestelde systeem wel in deze toeslag.

Als systeem zou een stelsel met voor iedereen gelijke belastingvrije sommen eenvoudig zijn. Zoals ik het nu beoordeel, zou het niet tot constructies leiden. Wel wijs ik erop, dat zo'n systeem geen recht doet aan tussen belastingplichtigen aanwezige draagkrachtverschillen.

De Staatssecretaris van Financiën, M. J. J. van Amelsvoort Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 15835, nr. 26

o o

o

o o o o O) o o

o

o o o o

o o

o

o

o o

o o o in

o o o o

o o

O

o o o o

o o o in

o

o o

in <tf co r--n inoio ID o (D ro ID CO O r-«-T-CN

<f ID --^ CNO II Q co CN .-o r-o v co r-coincsoco * co CMCn>ïr--coai c «-t-,-<->-C CN •» O) 01 •" M UI O II O co o <-o r-o O „co ^ r-CS E <flO H) * CO MIO CN Ifl MOOI PO >-M CDCOCOCOO'-^-CD i| O) nnntnonco v co oioooc->r~cNor-~r-*-ma>c)mr~coco goi

CD'-CO.-CO^'JfCOil O

nionnnocinco ^ co

oininoimiocoiNKO £ *r T-mcoocoincDp~r^ p_ co

O<^'-'->-C0.-«T«-CD

cni'-i^-tfV'-^'oen ^coincjjcocoinoocoo >-*r~ci>-co>3-inmco ll O „ O) ra"3

or~-vin>-rco<-"tf*-cDi! O) ^rr^r^^-'acnooiooi „ a> cor^ocncococo^-ooo * in cNtncoa>»-CNco'T^am pin oomiflr-.-ai^j-'ï'-coi! a> D)rMl)ïn^«<tO01 v O "fOlDinOlQMOLOMO j; t r^ioiDoioiNnnnf f

£<T

r-cocDCDincNCMOinmcMi-^ n o omcvcoMDDnoO'-o „ <-ontiDof oiosnnic Jo) .-CN<3-COCOO>Cn>-'-CMCNCN C£CN OCn*3-CNCN>->-COCOCO'-COC0n coincNCNr^rnocNinooo

oicoococoininococicoco>-

10 o ^n»iOMOoicsooote: <-COCQCNICNC0*->-COCOCD'-COCOC">|| <0 Cn^CNICNICNr^r^COCOCN0000 „O in^-T-O^r-CDT-CDCNCOOLCTICN * CO r-cNO^-mcor^r^cococoeocï) gen

o c

o

O

o o o

o

o o in

« O) co

oiOfo^cNCNid'-'-coajai'-cococo a>m*-c\ic\]>-r^cocooininooo inor^*-oocococo*-incoooco T-*-cNco^l-*1-mmcnc0cor-*r^r-

comcosutiDMioO'-'-nooCi

iNcoifl^ioin^ofM^^cKt^n

coio^cococor--r--T-cNincococoo t-t-r-NNOCHtltlt^^jfll)

COCOLDOJ'-OOlDtO^'T^COCOCO^

CNoioicoooicnfincomMOjcococo

nuiifioioffaioit-^n^^^m T-*-*-<-T-CNCNCNCNCMCNCN

oooooooooooooooo

r-r-r~ocococO"tf<T<-'-cooooin inininmininin^T-aicnooooai <a-ocococo.-*-oocNcoor-r»i-en comcocoococoTO'>cocNCOo>cor-*-^r-^«CMM^irllDC00)'-oooooooooooooooo 000000000000000o 000000000000000o inoinomooooooooooo CNC1C1<}-flf)U)r-COO)OCN9l0000

.-v-.-T-<-CN

ra '

S •° n r~ -

ra »-•ö co .

D. •" <-O jï CO

F E 3 o

F

n

F 5 "0 3 .

¥ o 0) JD <c > f 8

t co

<-o

ai m

ra ^_

•o E B O _C0 Q CD OJ 0) "O "O *-

«-ra

±; o) c , CU > --

SS S aj QJ aj

o> CJ> a

LU c ra *-O c ^s Ï o S E o

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 26

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.