Nota naar aanleiding van het verslag - Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 6 juni 1980

Mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, J. G. Kraaijeveld-Wouters, deel ik u mede dat wij met belangstelling kennis hebben genomen van de reacties van de fracties van P.v.d.A., C.D.A., V.V.D., D'66 en C.P.N, op het wetsontwerp inzake de herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981.

Oe koopkrachtontwikkeling

Door alle fracties zijn opmerkingen gemaakt en vragen gesteld over de koopkrachtproblematiek. Daarbij is ook een recent persartikel ter sprake gebracht. Wij menen dan ook dat het van belang is uitvoerig in te gaan op de systematiek van de koopkrachtmeting. De koopkracht neemt toe, wanneer het netto-inkomen meer toeneemt dan de stijging van de prijzen van de goederen en diensten die met het inkomen worden gekocht. De netto-inkomensstijging hangt af van de brutoverhoging en van de verandering van de uit het bruto-inkomen te betalen sociale premies en loon-en inkomstenbelasting. Belasting-en premiemaatregelen worden in het algemeen voor een heel jaar getroffen. De ontwikkeling van de koopkracht gemeten over de periode van een halfjaar, bij voorbeeld op basis van de netto-ontwikkeling per 1 juli, geeft dus een onvolledig beeld. In het tweede halfjaar ondervindt men ook nog de effecten van maatregelen per 1 januari die het gehele jaar van toepassing zijn. Aan de prijszijde zijn er vergelijkbare elementen, zoals bij voorbeeld verhogingen van accijnzen en huren. Bovendien wordt de prijsontwikkeling beïnvloed door seizoensfactoren en zijn ook de bestedingen voor een deel afhankelijk van het seizoen. Het aan het prijsindexcijfer ten grondslag liggende wegingsschema is gebaseerd op het bestedingspakket over een geheel jaar. De ontwikkeling van de koopkracht moet dan ook worden gemeten door de stijging van het netto-inkomen in een jaar ten opzichte van het voorafgaande jaar te stellen tegenover de prijsstijging van het bestedingspakket in dezelfde periode. In dat tijdsbestek hebben zich alle voor een volledige vergelijking relevante feiten voorgedaan. De berekening is derhalve niet gebaseerd op vergelijking van peildata of perioden korter dan een jaar. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat het inkomen op transactiebasis, dus gebaseerd op rechtens geldende aanspraken, wordt berekend. Deze methodiek is reeds vele jaren in gebruik.

3vel

TweedeKamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 5

Zou men, zoals in een artikel in Vrij Nederland van 30 mei jl., toch becijferingen maken waarin de netto-inkomensverbetering op een bepaald aanpassingstijdstip wordt gesteld tegenover de prijsontwikkeling in de periode waarop de brutoaanpassing is gebaseerd, dan zouden op 1 januari en 1 juli 1980 de volgende uitkomsten resulteren voor het minimumloon, inclusief vakantie-uitkering, van gehuwden, zonder kinderen:

Stijging netto inkomen

Stijging prijzen'

1 januari

+ 4,4%

+ 2,4% 1 juli

+ 2,4%

+ 3,6%

' Gecorrigeerd voor stijging van prijzen voor medische goederen en diensten die worden gedekt door de ziekenfondsverzekering. Afgemeten naar bovenstaande cijfers zou er op 1 januari sprake zijn van een forse stijging van de koopkracht en op 1 juli van een daling. Per saldo nog een stijging met bijna 1 %. Zou een vergelijking per halfjaar op deze wijze zijn gemaakt bij de beoordeling van de maatregelen per juli 1976, dan zou tegenover een netto-inkomensverbetering van de minima met 3,5% een prijsstijging van ongeveer 5% zijn in gesteld en dus een koopkrachtverlies van 1,5% zijn becijferd. Niettemin was er op jaarbasis sprake van een koopkrachtverbetering van ca. 2%. Zoals uit het voorgaande duidelijk zal zijn, kunnen de becijferingen en conclusies van het eerdervermelde persartikel niet worden onderschreven. Ook de hierna nog volgende becijferingen zullen dit aantonen. Dit in antwoord op de vraag van de fracties van de P.v.d.A. en van het C.D.A. naar ons oordeel hierover.

De fractie van de P.v.d.A. heeft gevraagd naar een vergelijking van de prijsontwikkeling over de periode januari 1978 tot 31 december 1980 en defeitelijke plaatsgevonden hebbende verhogingen voor enkele veel voorkomende situaties van toepassing op het minimumloon respectievelijk een sociale minimumuitkering. Ook de fractie van de C.P.N, heeft dergelijke becijferingen gevraagd. Zoals hierboven aangetoond, dient de berekening van de koopkrachtontwikkeling op vergelijking van jaarinkomens en niet van niveaus op peildata te worden gebaseerd. Gebruikelijk is daarbij voor wat betreft de sociale minima de berekening uit te voeren voor gehuwden zonder kinderen. Van de betrokken uitkeringsgerechtigden heeft slechts een beperkt deel kinderen ten laste. Door de koppeling van de minima onderling gelden de te berekenen koopkrachtmutaties ook voor andere groepen ontvangers van mini-mumuitkeringen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de netto-inkomens, op basis van verworven rechten, in de jaren 1977 tot en met 1980 voor enkele groepen gehuwden (op basis van loonbelasting):

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16212, nr. 5

Netto beschikbare inkomens per jaar Minimumloon'

AOW

ABW

Gehuwden zonder kinderen 1977

14488

14373

14488 I978

15640

15525

15640 I979-incl. voorindexering 1-10

n.v.t.

16251

16372-excl. voorindexering 1-10

16392

16215

16388 I980

17460

17196

17328

Gehuwden met 2 kinderen 1977

16693

16578

16693 I978

18036

17921

18036 I979-incl. voorindexering 1-10 n.v.t.

18910

19030 -excl. voorindexering 1-21501-51

18874

18998 I980

20193

19929

20061

1 Het betreft hier het nettominimumloon van een werknemer, niet het nettominimumloon dat de koppelingsgrondslag voor de minima vormt.

Ten einde de koopkrachtontwikkeling te berekenen zijn dezelfde bedragen in onderstaande tabel weergegeven in prijzen van 1977. Daarbij is uitgegaan van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie, gecorrigeerd voor de stijging van de prijzen van medische verzorging voor zover deze zijn verzekerd ingevolge de verplichte ziekenfondsverzekering. Deze prijsstijging manifesteert zich in de ziekenfondspremie waarmee rekening is gehouden bij de becijfering van het netto-inkomen. Zonder de correctie op de prijsstijging zou er sprake zijn van een dubbeltelling. De in de berekeningen toegepaste correctie is ca. 0,3%.

Reële' beschikbare inkomens per jaar in prijzen 1977

Minimumloon

AOW

ABW

Gehuwden zonder kinderen 1977

14488

14373

14488 I978

15082

14971

15082 I979-incl. voorindexering

n.v.t.

15082

15194-excl. voorindexering

15213

15049

15163 I980

15331

15099

15215

Gehuwden met 2 kinderen 1977

16693

16578

16693 I978

17392

17282

17392 I979-incl. voorindexering

n.v.t.

17550

17661-excl. voorindexering

17681

17516

17631 I980

17730

17498

17614

1 Prijsstijging na correctie: 1978: 3,7% 1978: 3,9% 1980: 5,7% (volgens raming in Centr. Economisch Plan 1980).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 5

Ter completering van het beeld zijn onderstaand nog de procentuele reële mutaties per jaar cumulatief vermeld:

Ontwikkeling reëel beschikbaar inkomen, in %

Minimumloon

AOW

ABW

Gehuwden zonder kinderen 1978/77

+ 4,1

+ 4,2

+ 4,11979/78 incl. voorindexering

n.v.t.

+ 0.7

+ 0,7 excl. voorindexering

+ 0,9

+ 0,5

+ 0,5 1980/79 incl. voorindexering

n.v.t.

+ 0,1

+ 0,1 excl. voorindexering

+ 0,8

+ 0,3

+ 0,31980/77

+ 5,8

+ 5,0

+ 5,0

Gehuwden met 2 kinderen 1978/77

+ 4,2

+ 4,2

+ 4,21979/78 incl. voorindexering

n.v.t.

+1,6

+1,5 excl. voorindexering

+1,7

+1,4

+1,4 1980/79 incl. voorindexering

n.v.t.

  • 0,3
  • 0,3 excl. voorindexering

+ 0,3

  • 0,1
  • 0,11980/77

+ 6,2

+ 5,5

+ 5,5

Met bovenstaande cijfers is naar ons oordeel voldoende duidelijk gemaakt, dat de koopkracht van de minimuminkomens sinds het optreden van dit kabinet niet alleen is gehandhaafd doch zelfs nog aanzienlijk is verhoogd. Dit jaar zal pas op de plaats moeten worden gemaakt. Bij verschillende gelegenheden is de noodzaak daartoe aangetoond en hebben verschillende fracties dit standpunt onderschreven.

De fractie van het C.D.A. heeft het vermoeden uitgesproken dat de per 1 oktober 1979 op uitdrukkelijk verzoek van het parlement gegeven voorindexering van 1 % achteraf bezien niet nodig was ter handhaving van de koopkracht in 1979 ten opzichte van 1978. Daarbij zij opgemerkt, dat aan die beslissing het koopkrachtbeeld medio 1979 voor gehuwden zonder kinderen ten grondslag heeft gelegen. Zoals blijkt uit bovenstaande tabellen is, doordat de prijsontwikkeling in 1979 ca 0,4 % gunstiger is geweest dan verondersteld ten zijde van de beslissing, de koopkracht inclusief voorindexering voor gehuwden zonder kinderen ruimschoots gehandhaafd. Ook zonder de voorindexering zou dit het geval zijn geweest. Tegelijkertijd echter heeft deze voorindexering een nadelig effect op de mutatie in 1980 ten opzichte van 1979. De totale mutatie over 1979 en 1980 bedraagt +0,8%, ongeacht de voorindexering. Doordat echter een stuk koopkrachtverbetering van 1980 naar 1979 is gehaald is de mutatie in 1979 0,2% hoger en in 1980 0,2% lager dan zonder deze maatregel. In dat geval zouden de mutaties wel anders zijn verdeeld, maar zou toch hetzelfde koopkrachtniveau zijn bereikt. Nu achteraf de voorindexering voor de minimumuitkeringen niet nodig blijkt te zijn geweest, kan deze feitelijk bij de beoordeling van de koopkracht voor 1980 buiten beschouwing blijven. Het kabinet is dan ook van mening, dat op basis van de in het Centraal Economisch Plan 1980 geraamde prijsontwikkeling aan de toegezegde handhaving van de koopkracht ook bezien over de jaren 1979/1980 is voldaan. Met betrekking tot het effect van de voorindexering op de WAO-uitkeringen boven het minimum kan in antwoord op een desbetreffende vraag van de fractie van de P.v.d.A. nog het volgende worden opgemerkt.

Tweede Kamerzitting 1979-1980,16212, nr. 5

De voorindexering vooralle uitkeringen per 1 oktober 1979 bedroeg 1 %, het jaareffect hiervan was 0,25 %. Voor de minimumuitkeringen en de uitkeringen ingevolge de WWV is deze per 1 januari volledig beëindigd met de hiervoor nader toegelichte gevolgen voor de koopkrachtbecijferingen. Voor de WAO-uitkeringen boven het minimum is de voorindexering met het oog op de op jaarbasis te verwachten koopkrachtontwikkeling per 1 januari 1980 voor 0,5 % voortgezet. Beëindiging per 1 juli leidt dan tot een jaareffect van 0,25%, dus gelijk aan 1979. In de koopkrachtmutatie dit jaar speelt de voorindexering dus geen rol, wel in het koopkrachtniveau dat ca 0,2% hoger is dan zonder deze maatregel. Voor de modale WAO-uitkering van gehuwden zonder kinderen resulteert een koopkrachtmutatie in 1980 ten opzichte van 1979 van -0,6%. In geval van gehuwden met twee kinderen is dit -0,9%. De ontwikkeling loopt aldus parallel met de uitkomsten voor modale werknemers, ambtenaren en trendvolgers. Deze zijn vermeld in de brief van 13 maart 1980 over het arbeidsvoorwaardenbeleid voor 1980, kamerstuk 15899, nr. 23, zitting 1979/1980. Elders in deze memorie is nog toegelicht dat het pakket van maatregelen per 1 juli voor de modale WAO-uitkeringen inclusief het niet verlengen van de tijdelijke voorindexering, per saldo geen voor-of nadeel oplevert. Tot slot van deze paragraaf nog een opmerking over de prijsontwikkeling in 1980. Van verschillende zijden zijn begrijpelijkerwijze vragen gesteld over de prijsontwikkeling in 1980 in relatie tot de koopkrachtontwikkeling voor de minimuminkomens. Zoals hierboven reeds is uiteengezet, wordt met de per 1 januari 1980 getroffen en de voor 1 juli 1980 voorziene maatregelen en koopkracht voor de minima gehandhaafd, uitgaande van een ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de kosten van levensonderhoud van 5,7 % op jaarbasis, zoals in het Centraal Economisch Plan voor 1980 geraamd. Het CPB acht een bijstelling van de raming van de prijsontwikkeling voor 1980 op dit moment nog niet opportuun. Hiervoor is een aantal redenen aan te voeren. De sedert de vaststelling van het CEP bekend geworden ontwikkelingen verschaffen een onvoldoende basis voor een nieuwe raming die meer aanspraak kan maken op zekerheid dan de beschikbare. Ook het prijsindexcijfer over de maand mei dat een dezer dagen beschikbaar komt, kan op zich zelf die basis niet verschaffen. Voorts studeert het CPB over het verloop van de prijsontwikkeling in 1980 dat vanwege de invloeden van de energieprijzen en de loonmatiging een op dit moment nog niet met zekerheid te voorspellen patroon zal hebben. Ten slotte vormt de internationale prijs-en koersontwikkeling een bron van onduidelijkheid die elke aanspraak op meer zekerheid van een eventuele nieuwe raming illusoir kan maken. Om deze redenen mag vóór de tweede helft van juni geen nadere raming van de prijsstijging voor het jaar 1980 worden verwacht en wellicht zelfs niet eerder dan vóór de maandwisseling. Het bovenstaande sluit aan bij hetgeen hierover is opgemerkt tijdens het in-terpellatiedebat in mei. Dat er geen nieuwe raming over de prijsontwikkeling in 1980 beschikbaar is, is op 5 juni jl. in het debat over de ombuigingen ook al gesteld door de Minister van Financiën. Hij heeft daaraan toegevoegd zelf wel met een hogere prijsstijging rekening te houden. De onzekerheden over het prijsverloop in 1980 maken het onmogelijk om in dit stadium definitieve uitspraken over de koopkrachtontwikkeling te doen. Overigens merk ik op, dat het gezien de nauwe samenhang tussen de ontwikkeling van het minimumloon en die van de overige lonen noodzakelijk is de voorgestelde uitschuifoperatie dorgang te doen vinden. Het niet doorgaan van deze operatie zou een sterke aantasting met zich brengen van de doelstelling van het kabinet de algemene loonontwikkeling in 1980 in betekenende mate te matigen. Het verheugt mij dan ook dat de leden van de C.D.A.-fractie er begrip voor hebben, dat het voorstel op dit uitgangspunt steunt.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 5

Strekking van het wetsontwerp

Door de leden van de fractie van de P.v.d.A. wordt gesteld dat het wetsontwerptot strekking heeft in het jaar 1980 door mensen met het minimumloon dan wel een sociale uitkering een grotere bijdrage aan een beheerste inkomensontwikkeling te doen leveren dan van andere inkomensgroepen wordt gevraagd. Zij hadden bovendien de indruk dat de minima moeten «matigen» met terugwerkende kracht. Immers, zo stellen deze leden, de hen krachtens de wet toekomende verhoging is gebaseerd op loonontwikkelingen in de periode 31 oktober 1979-30 april 1980, waarin dan een periode ligt waarop geen loonmaatregel van toepassing was. Daarnaast vragen deze leden of er niet toch sprake is van een structureel afstaan van een deel van de rechtens toekomende verhoging, als moet worden aangenomen, dat het niet in de bedoeling ligt het ingehouden deel over het laatste halfjaar 1980 later te compenseren en alleen het niveau wordt hersteld.

Voor de leden van de fractie van D'66 is de verschuiving alleen aanvaardbaar als het bedrag dat de betrokkenen gedurende de tweede helft van 1980 minder zullen ontvangen, zal worden ingehaald in 1981. Wanneer dit niet gebeurt isernaarhun mening sprake van een dubbele matiging, namelijk via de «normale» matiging die tot uiting komt in de loonindex alsmede via de incidentele tijdelijke extra aanpassing volgens dit wetsontwerp.

De leden van de C.D.A.-fractie meenden op zichzelf dat het te betreuren was dat reeds zo spoedig na het van kracht worden van de Wet Aanpassingsmechanismen op 1 januari jl. een maatregel werd voorgesteld welke beoogt -zij het slechts tijdelijk -van de in die wet neergelegde aanpassingsmechanismen af te wijken.

In reactie op deze vragen en opmerkingen zou ik eerst nog eens willen herhalen dat voor het voeren van een evenwichtig beleid enige flexibiliteit binnen de aanpassingssystemen noodzakelijk is. Dat heeft ertoe geleid dat in de wet de mogelijkheid is opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur het minimumloon en de sociale uitkeringen tijdelijk te verhogen, dat wil zeggen vóórindexering toe te passen wanneer daar een bijzondere aanleiding voor is. Onder een bijzondere aanleiding wordt onder meer verstaan een naar verhouding sterk versnelde opwaartse loonbeweging in het bedrijfsleven. Ook koopkrachtoverwegingen kunnen een rol spelen. De tegenhanger hiervan, te weten de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur in neerwaartse zin tijdelijk af te wijken van de wettelijke aanpassing bijvoorbeeld bij een naar verhouding sterk vertraagde opwaartse loonbeweging en met het doel om een te sterk uiteenlopen van minimumloon en overige lonen te voorkomen is bewust niet in de wet opgenomen. Daarvoor geldt terecht de zware procedure van een wettelijke voorziening, waarmede in feite tevens de mening van de leden van de fractie van D'66 is onderschreven, dat voorzichtigheid betracht moet worden bij het knabbelen aan het mechanisme. Anderzijds, het zij nog eens herhaald, moet worden bedacht, dat de mogelijkheid van vóórindexering bij algemene maatregel van bestuur in het aanpassingssysteem is opgenomen. Het middel van vóórindexering werkt weilicht minder opvallend omdat het daarbij gaat om een voorschot of een vooruitlopen op de toekomstige aanpassing die bij algemene maatregel van bestuur plaatsvindt. Nadelen waarover deze leden spraken worden juist met dit middel opgevangen. Het is duidelijk dat de naijling welke inherent is aan het aanpassingsmechanisme, in dit geval de oorzaak is van de noodzaak om tijdelijk in neerwaartsezin van de wettelijk voorgeschreven aanpassing af te wijken. Ik kom op de naijlingsproblematiek in een afzonderlijke paragraaf nader terug. Wat er bij het realiseren van het kabinetsvoorstel gebeurt is dat de mini-mumloner en de sociale-uitkeringstrekker een deel van de verhoging welke Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16212, nr. 5

voor de tweede helft van 1980 voortvloeit uit toepassing van hetaanpassingsmechanisme niet ontvangt over die periode maar eerst vanaf 1 januari 1981 met achterwege laten van een nabetaling in 1981. De vraag of zulks in het huidige stadium aanvaardbaar is, wordt door de Regering positief beantwoord, gelet op de aanvulllende maatregelen en op de inkomenspolitieke verhoudingen zoals die uit het geheel van maatregelen voor 1980 voortvloeien. Bovendien wil ik er in dit verband op wijzen, dat de nettoverbetering welke uit het thans voorgestelde pakket maatregelen per 1 juli voortvloeit gunstiger is dan bij ongewijzigd beleid. Ik ga hierop in de volgen-de paragraaf nader in. De noodzaak tot het doorvoeren van de uitschuifoperatie ten slotte, het zij nogmaals herhaald, is gelegen in het voorkomen van en al te sterk uiteenlopen van minimumloon en overige lonen per 1 juli 1980, waardoor het welslagen van het gehele loonmatigingsbeleid voor 1980 groot gevaar zou gaan lopen. Ten aanzien van de vraag ten slotte van de leden van de C.D.A.-fractie hoe de maatregelen met betrekking tot het minimumloon en de sociale uitkeringen zich verhouden ten opzichte van het beleid ten aanzien van de vrije beroepen en de ambtelijke en semi-politieke topinkomens wil ik volstaan met te verwijzen naar hetgeen dezer dagen van de zijde van het kabinet schriftelijk respectievelijk mondeling aan de Kamer is meegedeeld over het ten aanzien van deze inkomenscategorieën te voeren beleid.

De maatregelen per 1 juli 1980

Door een aantal fracties zijn vragen gesteld over de omvang van de aanpassing per 1 juli 1980 bij het achterwege laten van de uitschuifoperatie. In de memorie van toelichting is meegedeeld dat deze verhoging werd geraamd op circa 3%. Inmiddels zijn alle voor die aanpassing relevante gegevens beschikbaar. De voor de aanpassing maatgevende regelingsloonindex, te weten de z.g. «aanpassingsreeks», is tussen 31 oktober 1979 en 30 april 1980 met 2,95% gestegen. Medegedeeld kan worden dat de achterstand welke bij de vaststelling van het indexcijfer van ultimo oktober 1979 werd geconstateerd als gevolg van het feit dat opdat moment nog niet alle ca.o.'s voor het contractjaar 1979 waren ingediend en geregistreerd, inmiddels geheel is ingelopen. Dit in antwoord op een vraag van de leden van de S.G.P.-fractie. In samenhang met het Loonpauzebesluit en het algemeen loonmatigingsbesluit betekent deze constatering tevens dat er in het indexcijfer van eind april 1980 geen vertragingseffect zit opgesloten. De leden van de fractie van de P.v.d.A. hebben een vraag in deze richting gesteld. Uitgaande nu van bovengenoemd stijgingspercentage van de aanpassingsreeks leidt toepassing van de bij de Wet herziening aanpassingsmechanismen geregelde eliminatie en toerekening naar niveau tot een verhoging van het minimumloon met 2,89% en een bedrag van 37 cent per maand en tot een verhoging van de uitkeringen boven het minimum met 2,86% en een bedrag van 37 cent per maand. De fractioneel lagere verhoging van de bovenminima vloeit voort uit het afnemend toerekeningseffect van de component vloeren in de prijscompensatie. Na toepassing van de voorgeschreven afrondingsregels stijgt het mini-mumloon bij normale toepassing van het wettelijk systeem met 2,91 %. De uitschuifoperatie leidt ertoe dat de feitelijke verhoging van het mini-mumloon beperkt wordt tot 2% en dat 0,9% wordt toegevoegd aan de omvang van de aanpassing per 1 januari 1981. Voor de bovenminima betekent de uitschuifoperatie aangezien de aanpassing per 1 juli 1980 beperkt wordt tot een vast bedrag van f 36,40 per maand, dat het gedeelte van de wettelijke aanpassing van 1 juli dat wordt doorgeschoven naar 1 januari 1981 toeneemt naarmate de uitkering hoger is.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16212, nr. 5

Door de fracties van het C.D.A., de S.G.P. en de V.V.D. zijn nadere gegevens gevraagd met betrekking tot de maatregelen per 1 juli en de samenhang daartussen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de netto effecten van de verschillende maatregelen met betrekking tot minimumloon en sociale uitkeringen (bedragen afgerond op f 1,-).

Netto effect op niveau 1 juli 1980 voor:

Minimumloon

Sociale minima

WAO modaal

  • beperking bruto aanpassing, incl. niet verlengen voorindexering

-f9

  • f9
  • f 11-belastingmaatregel

+f12

+f12

+ f 11-niet afbouwen tijdelijke toeslag ingevolge Wet aanpassingsmechanismen

n.v.t.

+ f

n.v.t.

Totaal

+ f

+ f

f

Zoals blijkt heeft het totale pakket maatregelen per saldo een positief effect voor de minima terwijl er voor de modale WAO-uitkering geen verschil is. Netto schieten de mensen er dus per 1 juli a.s. in vergelijking met ongewijzigd beleid niets bij in, dit in tegenstelling tot de situatie per 1 juli 1976. Met het oog op de parallelliteit -voor zover technisch mogelijk -tussen de ontwikkeling van de inkomens van uitkeringsgerechtigden en die van andere groepen en tevens tussen de uitkeringsgerechtigden onderling beoogt de voorgestelde maatregel de verhoging metf 36,40 te doen gelden vooral-Ie uitkeringsgerechtigden boven het minimum. Het totale complex van maatregelen leidt inderdaad tot een voor de verschillende groepen parallelle inkomensontwikkeling. Dit in antwoord op een desbetreffende vraag van de fractie van de V.V.D. Verwezen zij in dit verband naar eerdergenoemde brief van 13 maart.

De leden van de V.V.D.-f ractie vragen naar wat is voorzien met betrekking tot de aanpassing van de minimumjeugdlonen. Dit mede in het licht van het loonbesluit van het kabinet, dat anders dan voor werknemers van 23 jaar en ouder (aan wie slechts een halve periodieke verhoging mag worden toegekend) voor werknemers jonger dan 23 jaar een volledige periodieke verhoging mag gelden. Ten aanzien van de minimumjeugdlonen wordt per 1 juli de gebruikelijke methodiek toegepast. Dat wil zeggen van het met f 36,40 per maand en met f 8,40 per week verhoogde minimumloon worden met de bestaande mini-mumjeugdloonstaffeling de minimumjeugdlonen voor de verschillende categorieën afgeleid. Reeds tijdens het kamerdebat op 21 maart over de brief van 13 maart inzake het arbeidsvoorwaardenbeleid heb ik mijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen het wijzigen van de staffeling in de minimumjeugdloonregeling op grond van koopkrachtoverwegingen. Naar mijn mening dienen de relatieve beloningsverhoudingen tussen jeugdigen en volwassenen in ca.o.'s maatgevend te zijn en te blijven voor de minimumjeugdloonstaffeling. Het hanteren van de bestaande staffeling spoort eveneens met het onderdeel van het algemene loonmatigingsbesluit dat voorziet in het volledig laten doorgaan van de leeftijdsverhogingen voor jeugdige werknemers. Ik wil vooropstellen dat noch de beslissing tot halvering van periodieke verhogingen en dienstjarentoeslagen voor werknemers van 23 jaar en ouder, noch de beslissing om deze halvering niette laten gelden voor jeugdigen enige relatie heeft met koopkracht" of draagkrachtoverwegingen. Het gaat hier immers om indirecte beïnvloeding van de component incidenteel en ook in het beleidspakket voor 1980 is de koopkrachtontwikkeling gebaseerd op de loonontwikkeling exclusief incidenteel. Naar mijn mening nu zijn de leef-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16212, nr. 5

tijdsverhogingen van jeugdige werknemers niet zonder meer vergelijkbaar met periodieken en dienstjarentoeslagen. Indicatief daarvoor mogen zijn de verschillen in omvang van de verhogingen. Bij de jeugdlonen gaat het gemiddeld genomen om stapjes van 7,5% en meer, bij de periodieke verhogingen om stapjes van gemiddeld 1,5 a3%. Dat moge ook blijken uit deconsequenties die het halveren van de leeftijdsverhogingen voor jeugdigen zou hebben, ervan uitgaande dat de halvering een permanent effect dient te hebben. Dat permanent effect kan in de sfeer van de minimumjeugdlonen slechts bereikt worden door hetzij de minimumloonleeftijd met een halfjaar te verhogen tot 231/2 jaar, hetzij het minimumloon voor werknemers van 23 jaar en ouder met de helft van 7,5% te verlagen. Beide uitkomsten komen mij ongewenst voor. Voor de jeugdloonsystemen in ca.o.'s geldt uiteraard hetzelfde. Door de fractie van de P.v.d.A. is gevraagd naar berekeningen met betrekking tot de ontwikkelingen die zouden zijn opgetreden zonder de wijzigingen in de bruto-en nettoaanpassingsmechanismen als tot stand gebracht krachtens de Wet Aanpassingsmechanismen. In antwoord hierop menen wij te moeten stellen, dat dergelijke becijferingen niet op zinvolle wijze zijn te maken. Immers een situatie van ongewijzigd beleid ter zake vereist kennis van het alsdan resulterende premiebeeld en fiscale beleid, welke uiteraard ontbreekt. Overigens zijn wij van mening dat de beoordeling van het beleid binnen het thans bestaande wettelijke kader moet plaatsvinden op basis van de feitelijke uitkomsten en in het licht van de huidige zeer moeilijke omstandigheden.

Budgettaire aspecten

Door de leden van de fractie van de P.v.d.A. wordt gevraagd naar de besparingen van de maatregelen voor de begroting, de sociale fondsen en het bedrijfsleven. Zoals hiervóór toegelicht leidt het totaal van de maatregelen op het niveau van minimumloon en sociale minima tot een hoger nettoresultaat dan zonder enige maatregel het geval zou zijn geweest. Voor de uitkeringen boven het minimum is er overeen groot bereik vrijwel neutraliteit. Uitsluitend voor boven het modale niveau gelegen uitkeringen is er sprake van een iets lagere netto-uitkomst. Over het geheel genomen is er dus geen besparing uit hoofde van de 1 julimaatregel. De belastingverlichting gaat ten laste van de algemene middelen. De beperking van de brutoaanpassing leidt tot lagere lasten van sociale fondsen (globaal 175 min.) en rijksbegroting (globaal 40 min.). Dit betekent echter niet dat de posities van de fondsen zijn verbeterd. Integendeel, de beperking van de loonontwikkeling leidt zelfs tot een iets grotere premiederving dan de daling van de lasten. Voor het bedrijfsleven betekent het feit, dat van de minimumloonaanpassing per 1 juli 1980 0,9% wordt doorgeschoven naarde aanpassing van 1 januari 1981, dat in de tweede helft van 1980 circa 50 min. gulden minder aan minimumloon en minimumjeugdloon behoeft te worden uitgekeerd.

De naijlingsproblematiek

Van meerdere zijden zijn vragen gesteld over het fenomeen naijling als zodanig. De naijling is inherent aan het bestaande brutoaanpassingsmechanisme. Door iedereen, ook door het kabinet, wordt onderschreven dat aan deze naijling bezwaren kleven en dat het een goede zaak zou zijn als we erin zouden slagen het mechanisme van dat element van naijling te ontdoen. Dat is dan ook de reden waarom opnieuw een poging wordt gedaan om voor de naijlingsproblematiek een oplossing te vinden. Er vindt momenteel een grondige analyse plaats van de werking van allerlei denkbare modaliteiten. Een bevredigende oplossing biedt alleen die modaliteit die aan de volgende voorwaarden voldoet. Er moet een reële zekerheid zijn dat hij inderdaad een verbetering oplevert in vergelijking met het bestaande systeem. Hij moet op aanvaardbare wijze in te passen zijn in de sedert de inwerkingtreding van Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 5

de Wet herziening aanpassingsmechanisme sterk verfijnde aanpassingssystematiek. Hij dient geen subjectieve elementen te bevatten. Ten slotte mogen er geen extra problemen voor het bedrijfsleven en de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid uit voortvloeien. Zo voldoet bij voorbeeld de trendmethodiek in elk geval niet aan laatstgenoemde voorwaarde. De leden van de C.D.A.-fractie vragen of die methodiek niet ook voor minimumloon en sociale uitkeringen te hanteren is. Binnen de trendsystematiek worden trendvoorschotten gegeven op momenten waarop voldoende zekerheid is verkregen over de loonontwikkeling in het bedrijfsleven en wordt de z.g. nacalculatie gegeven op het moment dat definitief vaststaat hoe de loonontwikkeling in de referentieperiode is geweest. Dit betekent dat binnen de trendsystematiek geen vaste data worden gehanteerd waarop de omvang van de verhogingen wordt vastgesteld. Een twee-de kenmerk van de trendsystematiek is de terugwerkende kracht. Trendvoorschotten en nacalculatie kennen het element van de terugwerkende kracht. Beide aspecten nu, te weten het ontbreken van vaste data waarop de omvang van de verhogingen wordt vastgesteld en de aanwezigheid van verhogingen met terugwerkende kracht, zullen het bedrijfsleven en meer nog de uitvoeringsorganen voor grote problemen stellen en zullen in het bedrijfsleven bovendien op zich zelf aanleiding kunnen geven tot het optreden van uitstralingseffecten. Het spreekt vanzelf dat we naarstig blijven zoeken naar oplossingen. Wij zijn het daarbij met de leden van de S.G.P.-fractie eens dat het nauwelijks realiseerbaar zal zijn de naijling geheel uit de systematiek uit te bannen en dat het reeds tot tevredenheid zou stemmen als we erin zouden slagen tot een uitbanning in betekenende mate te komen.

Beleid 1981

De leden van de V.V.D.-fractie stellen de nog niet geregelde prijscompensatie eind 1980/ begin 1981 aan de orde. Het kabinet kan daar nog geen uitspraak over doen zoals deze leden reeds veronderstelden. Inderdaad bestaat nog onvoldoende inzicht in de economische ontwikkeling met betrekking tot 1981; voorts beraadt het kabinet zich nog over de mogelijkheden van tripartite overleg over de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in 1981. De overloop naar 1981 van de loonsomstijging '80 zal beperkt zijn; het in-cidenteel loon behoeft in 1981 geen extra stijging te ondergaan. Al met al een (gematigd) positief effect van de loonmaatregel op de economische ontwikkeling in 1981. Het is echter die ontwikkeling zelf die het kabinet voor moeilijkheden plaatst, met name ook ten aanzien van het bepalen van een oordeel over de inmiddels afgesloten 2-jaarscontracten bij Philips en Hoogovens. Daarin is zowel een reële verbetering als automatische prijscompensatie overeengekomen. Of deze contracten binnen het uitgangspunt van het kabinet dat het matigingsbeleid ook volgend jaar zal moeten worden voortgezet vallen, kan eenvoudigweg nog niet met zekerheid gezegd worden. Als de ontwikkeling enigszins meevalt zal dat het geval zijn; blijkt deze opnieuw tegen te vallen en daar zijn aanwijzingen voor, dan kunnen zelfs deze, op zich zelf niet excessieve c.a.o.-resultaten nog te hoog zijn. Zodra meer en meer betrouwbare economische gegevens voor 1981 beschikbaar komen zal het kabinet zich nader hierover met de centrale organisaties van werkgevers en van werknemers beraden. In dit verband dient nog een tweetal vragen in-zake de brutoaanpassing per 1 januari 1981 te worden beantwoord. De leden van de S.G.P.-fractie merken op, dat de verwachting is, dat de normale halfjaarlijkse aanpassing nagenoeg geheel beperkt zal blijven tot de doorwerking van de toeslag van f 26 per maand. Zij vragen een nadere cijfermatige toelichting op de zinsnede in de memorie van toelichting: «Naar verwacht mag worden zullen de overige lonen einde contractjaar 1980 een verhoging ondergaan, die uitstijgt boven het effect van de doorwerking van deze toeslag».

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 5

Doorwerking van de toeslag van f26 per 1 januari 1981 in het minimumloon betekent een aanpassing met 1,4%. Hoe de naaste toekomst ook met onzekerheden omringd mag zijn, het lijkt irreëel te veronderstellen dat de contractlonen eind 1980/begin 1981 met niet meer dan 1,5% zullen gaan stijgen. Ook de leden van de P.v.d.A.-fractie hebben vragen gesteld over de situatie per 1 januari 1981. Tezamen met het van de aanpassing per 1 juli 1980 doorgeschoven gedeelte gaat de aanpassing van het minimumloon per 1 januari 1981 naar verwachting circa 2,5% bedragen. Wordt eind 1980/begin 1981 voor de contractlonen volledige prijscompensatie gegeven, dan zal deze verhoging van het minimumloon naar alle waarschijnlijkheid daarbij achterblijven. Op de vraag of begin 1981 bijzondere maatregelen voor de minimuminkomens noodzakelijk, wenselijk en mogelijk zijn kan in het licht van het bovenstaande op dit moment uiteraard geen antwoord worden gegeven. Ik teken hierbij overigens aan, dat de uitschuifoperatie in elk geval de problematiek 1981 in dit opzicht verlicht. Ik teken er bovendien bij aan, dat voor afwijkingen naar boven van de uitkomsten van het wettelijk aanpassingsmechanisme geen wettelijke voorzieningen nodig zijn, zoals ik elders in deze nota reeds heb aangegeven.

Samenhang tussen loon-en prijsontwikkeling De leden van de fractie van de S.G.P. ten slotte zouden nader ingelicht willen worden over de deflatoire vooruitzichten als het gaat om de samenhang tussen de loonontwikkeling in een jaar en de prijsontwikkeling in een jaar. Bij het nemen van de maatregelen ten aanzien van de loonvorming heeft de Regering uitdrukkelijk het terugdringen van de inflatie voor ogen gehad. De toename van de loonkosten is een van de belangrijkste oorzaken van de prijsstijgingen. De prijsstijgingen op zich dragen via de indexatie weer bij tot hogere loonkosten. Met de loonmaatregel in samenhang met de andere getroffen maatregelen, meent de Regering een belangrijke aanzet te leveren om de spiraalwerking tussen nominale loonstijgingen en prijsverhogingen te doorbreken. De maatregelen zijn zeker niet getroffen om te komen tot een lager niveau van economische activiteit. Integendeel, de eventuele nadelige gevolgen van het voorgenomen beleid meent de Regering te kunnen voorkomen met het aan dit beleid toegevoegde pakket van flankerende maatregelen. Er kan zodoen-de niet gesproken worden van deflatoire vooruitzichten, slechts het terugdringen van de nominale ontwikkeling is het doel van de maatregelen. De matiging leidt tot verbetering van de concurrentiepositie. Verwacht mag worden dat een hogere uitvoer de trage ontwikkeling van deconsumptie ruimschoots opvangt.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 5

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.