Voorlopig verslag - Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr.6

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 23 november 1979

De vaste Commissie voor Sociale Zaken' heeft de eer als volgt verslag uit te brengen over haar voorlopige bevindingen betreffende dit wetsontwerp.

I. INLEIDING

' Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels (D'66), Hermsen (CDA), voorzitter. Van Dis (SGP), Van Dam (CDA), Keja (VVD), Van Zeil (CDA), Poppe (PvdA), ondervoorzitter, Hartmeijer (PvdA), Van der Doef (PvdA), Weiiers (CDA), Meijer (PvdA), Knol (PvdA), Beckers-de Bruijn (PPR), Nijpels (VVD), De Hamer (PvdA), Moor (PvdA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), Buikema (CDA), Toussaint (PvdA).

De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid waren van oordeel dat het onderhavige wetsontwerp van ver strekkende betekenis is en naar strekking en aard een grondige behandeling door het parlement vergt, waarbij voldoende maatschappelijke inspraak een voorwaarde is. Het tijdstip waarop het wetsontwerp is ingediend maakt het naar hun oordeel onmogelijk het zo tijdig te behandelen dat het nog per 1 januari 1980 in werking kan treden. Nu deze leden door een meerderheid van de Kamer tot een onverantwoorde procedure zijn gedwongen waren zij van mening dat bij de behandeling van het wetsontwerp door de Kamer onvoldoende recht zal worden gedaan aan de verschillende aspecten. Een nog wezenlijker bezwaar is dat uiteindelijk besloten kan worden tot een niet foutloze wetgeving. Door deze overhaaste behandeling worden de direct betrokkenen, actieve minimumloners en sociale uitkeringstrekkers, geconfronteerd met een zeer ingewikkeld wetsontwerp, waarop zij geen enkele invloed hebben kunnen uitoefenen. Hoe denkt de Regering de sociale onrust, die deze wijze van behandeling ongetwijfeld met zich meebrengt, te kunnen begeleiden? Deze leden waren van mening dat de Regering door in te stemmen met deze wijze van behandeling een toch al precair sociaal klimaat verder verziekt. Zij stelden daarvoor nadrukkelijk ook de Regering verantwoordelijk, waar deze grote druk, met kennelijk effect, heeft uitgeoefend op de Kamer om het wetsontwerp nog in de eerste helft van december te behandelen. Deze leden betreurden het buitengewoon dat het voor een aantal niet in de SER vertegenwoordigde organisaties niet mogelijk is geweest het wetsontwerp van commentaar te voorzien, tijdig voor de fracties een voorlopig standpunt moeten innemen. Een deel van de organisaties die belangen van mensen met sociale uitkeringen behartigen is feitelijk monddood gemaakt, hetgeen zij niet aanvaardbaar vinden. Weliswaar is een uitvoerig SER-advies uitgebracht, maar, zo moesten deze leden vaststellen, ook de SER heeft over enkele aspecten uit het wetsontwerp geen advies kunnen uitbrengen, zoals het vraagstuk van verschillen in uitkeringsniveau tussen oude en nieuwe ge-

12 vel

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

vallen, alsmede de voorstellen betreffende de bejaardenaftrek en arbeidsongeschiktheidsaftrek. De in de SER vertegenwoordigde organisaties waren zodoende al evenmin in staat om tijdig op het wetsontwerp te reageren, in het bijzonder waar het nieuwe elementen betrof. Ook al waren de beleidsvoornemens al geruime tijd bij maatschappelijke organisaties en bij de Kamer bekend, de weerslag ervan in een feitelijk ontwerp vraagt een eigen en zeer zorgvuldige beoordeling en behandeling, waarvan in dit geval geen sprake kan zijn. Deze leden hadden zich overigens goed gerealiseerd hoeveel werk verzet is door ambtenaren van het departement van Sociale Zaken, in het bijzonder nu zij onder buitengewoon hoge druk hebben moeten werken, gelet op de door de Regering gewenste ingangsdatum, en zij spraken graag hun waardering voor dit vakwerk uit. Zij meenden echter dat zeker deze ambtenaren zullen begrijpen dat de volksvertegenwoordiging aan dit wetsontwerp recht moet doen en niet mag afzien van zorgvuldige behandeling. De hier sprekende leden hadden de indruk dat de Regering behalve aan deze overbelasting voor de ambtenaren van het departement ook vrijwel geheel voorbij gaat aan de uitvoeringsproblematiek van het onderhavige wetsontwerp. Kan meegedeeld worden, hoe het staat met de voorbereiding van de uitvoering door de uitvoeringsorganisaties? Op welke wijze kan nog ingespeeld worden op wijzigingen in het ontwerp? Is de Regering bereid de in-gangsdatum van het wetsontwerp op te schorten indien blijkt dat de uitvoeringsorganisaties de hun toegemeten taken niet op tijd aan kunnen? Alvorens op de inhoud van het wetsontwerp in te gaan zouden deze leden de Regering willen vragen wat nu precies de samenstelling is van het 1 januaripakket, waarvan het onderhavige ontwerp een onderdeel is. Welke maatregelen op fiscaal gebied zijn te verwachten? En welke maatregelen ten aanzien van ambtenaren en trendvolgers en voor werknemers die niet onder een ca.o. vallen? Is de Regering bereid een overzicht te verstrekken van de te treffen maatregelen, respectievelijk in te dienen wetsontwerpen en van de beoogde strekking, alsmede aan te geven op welke wijze en wanneer de Kamer zich daarover kan uitspreken? Het was deze leden opgevallen dat de Regering nagenoeg geheel voorbij gaat aan dat deel van de volumeontwikkeling van de laatste jaren dat moet worden toegeschreven aan de toename van het aantal uitkeringsgerechtigden. Zij heeft aan dit aspect van de volumeontwikkeling nog volstrekt onvoldoende aandacht besteed, hetgeen door hen als een ernstig verzuim werd beschouwd. Discussies daarover worden al sedert jaren gevoerd. Door het vorige kabinet zijn ter zake ook plannen voorbereid. De Regering heeft het echter nog niet verder kunnen brengen dan een notitie ter voorbereiding van een discussie met de Kamer. Door dit aspect te verwaarlozen lijkt de ontwikkeling van het volume vooral te moeten worden toegeschreven aan verhoging van de uitkeringsniveaus, en lijkt het beleid dat zich primair richt op de neerwaartse beïnvloeding van deze niveaus meer gerechtvaardigd. De leden van de PvdA-fractie herinnerden eraan dat zij zich al lang op het standpunt hebben gesteld dat er alle aanleiding is de aanpassingsmechanismen in de sociale verzekering kritisch te bezien en te corrigeren voor zover er sprake zou zijn van systeemfouten, dubbeltellingen en overcompensaties. Zij protesteerden echter tegen de indruk die het wetsontwerp wekt, namelijk dat dit uitgaat van een soort gemeenschappelijke opvatting wat onder systeemfouten moet worden verstaan en dat opheffing ervan een soort politiek neutrale bezigheid zou zijn. De Regering corrigeert bepaald niet alleen systeemfouten, maar wijzigt de bruto-en netto-indexeringsmechanismen voor het minimumloon en de sociale uitkeringen op zeer ingrijpende wijze, waarbij in het verleden gegroeide verhoudingen, welke bepaald niet als systeemfouten kunnen worden gezien, ingrijpend worden gewijzigd. Deze leden onderstreepten nog eens dat de bestaande nettoverhoudingen in het algemeen berusten op politieke keuzen. De op zich legitieme behoefte om in die verhoudingen wijzigingen te brengen mag niet worden ge-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

presenteerd onder de vlag van het corrigeren van systeemfouten, maar dient met de werkelijke argumenten te worden omkleed. Het wilde deze leden voorkomen dat de Regering van oordeel is dat de bestaande nettoverhoudingen tussen actieven en niet-actieven niet meer aanvaardbaar zijn, en dat op grond daarvan niet alleen voorstellen worden gedaan om toekomstige verschillen te voorkomen, maar ook voorstellen die diep in de bestaande verhoudingen ingrijpen. Zij nodigden de Regering uit nader uiteen te zetten hoe wordt geoordeeld over de bestaande verhoudingen, en op welke gronden deze worden gewijzigd, dit goed onderscheiden van maatregelen die beogen te voorkomen dat bestaande verhoudingen in één of andere richting kunnen wijzigen. Wil de Regering op basis van bovenstaande beschouwing aangeven welk deel van de voorgestelde maatregelen naar haar overtuiging getroffen wordt vanwege systeemfouten en welk deel berust op duidelijke politieke keuzen? Het is de hier aan het woord zijnde leden uiteraard niet onbekend welke financiële ombuigingen in de sociale zekerheidssector in Bestek '81 waren voorzien. Nu zij de argumentatie van de Regering zien, zouden zij graag nader uiteengezet zien in hoeverre nu financiële overwegingen een rol hebben gespeeld bij het indienen van deze maatregelen, dan wel de behoefte systeemfouten weg te werken. Zij hadden de indruk dat tegenvallende financiële ontwikkelingen door de Regering worden toegeschreven aan zogenaamde systeemfouten, terwijl het alleen gaat om gevolgen van in het verleden gedane keuzen en besluiten. Waar de Regering in de inleiding van de memorie van toelichting spreekt van «maatschappelijke implicaties van de aanpassingssystemen» vroegen deze leden of de Regering van oordeel is -want zij meenden dat dit wordt gesuggereerd -dat de netto-ontwikkeling van sociale uitkeringen een belemmering vormt voor het niet goed functioneren van de arbeidsmarkt. Zij zouden dit graag nader zien toegelicht. De Regering stelt dat gekozen wordt voor een evenwichtige, en even later voor een parallelle inkomensontwikkeling tussen mensen met sociale uitkeringen en werknemers in de particuliere sector (blz. 2, eerste alinea). Is de Regering bereid nader uiteen te zetten wat nu precies dient te worden verstaan onder evenwichtige inkomensontwikkeling? De hier sprekende leden waren van mening dat er alleen sprake is van een parallelle inkomensontwikkeling indien vergelijkbare inkomensniveaus van niet-actieven en actieven hetzelfde groeipercentage te zien geven. Gezien de nu reeds bereikte nettonetto gelijkstelling wordt door het wetsontwerp de parallelliteit doorbroken. Hier komt nog bij dat, gezien de in het wetsontwerp gekozen systematiek, de verschillen tussen het nettominimuminkomen van een actieve en een niet-actieve voortdurend zal toenemen. Het is tegen deze achtergrond dat zij bezwaar maakten tegen het onder een ander belastingregime brengen van de mensen met de laagste sociale uitkeringen en evenzeer tegen het voor toekomstige ontwikkelingen betrekken van wijzigingen van in het verleden gegroeide verhoudingen. Kan de Regering nu uitleggen, gezien de beschouwing van deze leden, wat zij nu in feite bedoelt met de zinsnede uit de memorie van toelichting «De bestaande aanpassingssystemen zijn getoetst aan de hand van het criterium dat zij een inkomensontwikkeling dienen te bewerkstelligen welke parallel loopt aan de inkomensontwikkeling van de werknemers in de particuliere sector» (blz. 2).

De leden van de CDA-fractie merkten op dat de gekozen en door hen aanvaardbaar bevonden wijze van voorbereiding van de plenaire behandeling van dit wetsontwerp met zich kan brengen dat in een later stadium van de schriftelijke of mondelinge voorbereiding door hen nog andere onderwerpen aan de orde worden gesteld dan in dit voorlopig verslag het geval is. Ook meenden zij, dat het in enigerlei stadium van die voorbereiding gewenst zou kunnen zijn om onderdelen van de problematiek in mondeling overleg met de bewindslieden door te spreken. Mogen zij ervan uitgaan, dat de Regering daartoe bereid is? Deze leden wezen er daarnaast op, dat zij -meer wellicht dan doorgaans gebruikelijk kan zijn -al in dit voorlopig ver-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 6

slag een aantal alternatieve suggesties op onderdelen doen, die zij dan ook met enige nadruk als «voorlopig» willen aanmerken. Deze leden merkten vervolgens op dat de Regering enkele adviesinstanties om advies heeft gevraagd, zoals het College van Advies voor de Algemene Bijstandswet en de Uitkeringsraad. Wil zij in de memorie van antwoord op die adviezen ingaan? Hierna ingaande op de inhoud van het wetsontwerp en de memorie van toelichting herinnerden de leden van de CDA-fractie allereerst aan de discussies -in de politieke sfeer, maar ook in de kring van de sociale partners -over de problematiek van het toenemend aantal niet-actieven en daarbij ook de wijze waarop hun inkomens zich in de loop der tijd ontwikkelen in vergelijking met de actieven. Opeenvolgende kabinetten zijn zich van die problematiek bewust geweest en er is dan ook een gedurig streven naar het scheppen van werkgelegenheid en het voorkómen dat bestaande werkgelegenheid verloren gaat. Dat beleid zal uiteindelijk -met vormen van herverdeling van arbeid -het fundament voor elke aanpak van dit probleem moeten leveren. Naar de mate dat zulks gelukt, is het zinvol en geboden om het voor zovelen als mogelijk is ook daadwerkelijk ertoe te doen leiden dat zij een arbeidsplaats bezetten. Dit nu betekent enerzijds dat in brede zin het aanbod van arbeidsplaatsen wordt georiënteerd op de verschuivende kwalificaties en ook voorkeuren van degenen die willen en kunnen werken, anderzijds dat van iedereen die kan werken, mag verwacht worden dat hij/zij meehelpt de gezamenlijke verantwoordelijkheid tot uitdrukking te brengen voor het elk jaar opnieuw voortbrengen van de welvaart, die -blijkens de praktijk van alledag -nog steeds zo ongaarne verminderd wordt, zelfs als dat ten goede komt aan veel minder bedeelden over onze grenzen. Het voeren van een volume-beleid met al die genoemde aspecten is derhalve essentieel. Terecht begint dat beleid handen en voeten te krijgen, aldus deze leden.

Wanneer men op basis van zulk een sociaal-economisch en arbeidsmarkt-beleid de inkomensverhoudingen beziet, betekent dat voor deze leden het in ogenschouw nemen van de inkomens van actieven en inactieven. Voor bei-de groepen mag naar hun oordeel -moet zelfs -nagegaan worden of de verhoudingen binnen die groepen, zoals die deels onder invloed van gevoerd beleid gegroeid zijn, nog als redelijk ervaren worden. Onredelijkheden, ongerechtvaardigde voorsprongen, maar ook achterstanden die men bij analyse van die verhoudingen tegenkomt, dienen -dat vergt een eerlijke opstelling -voor wijziging in aanmerking gebracht te worden. Die analyse mag en moet ook betreffen de onderlinge verhoudingen tussen de inkomens van actieven en inactieven. Wat de actieven betreft bestaan over een breed front beleidsacties, respectievelijk -voornemens. Valt iets naders mede te delen over de te nemen maatregelen inzake de topinkomens in de (semi-)publieke sector? Welke in-komensontwikkeling is in 1980 voorzien voor de vrijeberoepsbeoefenaren en welke voor ambtenaren? Zal de Regering verlenging van de Wet niet-c.a.o."inkomens voorstellen? Is de Regering voornemens in 1980 aftopping te bepleiten? Wat de inactieven betreft bestond er bij deze leden geen twijfel over, dat de Regering met het voorstellen van een welvaartsvaste koppeling -ook al in Bestek '81 genoemd -de juiste weg gekozen heeft. Op welke onderdelen men bij analyse tot wijzigingen zou willen komen, het was voor de leden van de CDA-fractie duidelijk, dat de positie van degenen die vaak jarenlang aan het toegekende inkomensniveau gewend konden raken, eigen kenmerken heeft die tot enige nuancering in de aanpak kunnen leiden. Zij zouden daarop later in dit verslag nog terugkomen. Als deze leden zich goed herinnerden, was de bereidheid om correcties aan te brengen enkele jaren terug zeer breed aanwezig. Zij hoefden daarvoor slechts de zogenaamde 1%-nota in herinnering te roepen. Uit de recentere discussies kan de indruk ontstaan, dat zulks nu minder het geval is. Niettemin is de problematiek grotendeels dezelfde. Op een enkel punt zelfs versterkt. Zo zijn bijvoorbeeld de hogere WAO-uitkeringen in sneller tempo blij-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 6

ven stijgen dan de lagere en minimumuitkeringen. De discussie in de Kamer zagen zij ook daarom met belangstelling tegemoet. Deze leden wilden er nadrukkelijk de aandacht op vestigen, dat met dit wetsontwerp ook beoogd wordt de inkomenspositie van zeer velen, die vaak gerekend moeten worden tot de zwaksten onder ons, in de wetgeving te verankeren. De rechtszekerheid die daarvan het resultaat is, betekent -hoe men ook verder staat tegenover de invulling daarvan -een groot goed. In de discussie mag dat gerust als zeer positief worden aangemerkt. Deze leden konden het evenzeer waarderen, dat het voorstel zich baseert op een nettonetto 100%-koppeling tussen de laagste sociale uitkeringen en het minimumloon. Het garanderen van een gelijkwaardige bestedingsruimte op minimumniveau voor actieven en inactieven is voor zeer velen van essentieel belang. Het is een uiting van solidariteit, die men -het zij gezegd -buiten onze grenzen niet of nagenoeg niet aantreft. Terecht is daarop aansluitend voor de bovenminima een welvaartsvaste koppelingsmethodiek voorzien. Dat voor het tegengaan van uiteengroeien onder andere het element van premiesolidariteit is ingebracht -op verzoek van de CDA-fractie door de bewindslieden aan de SER gesuggereerd -, leek deze leden juist. In het wetsontwerp is een mogelijke uitwerking van dat beginsel opgenomen. Zij zouden nog terug komen op de eigen kenmerken, die reeds lopende uitkeringen met zich brengen. Uit de becijferingen in de memorie van toelichting kregen deze leden tot hun genoegen de stellige indruk, dat in de nu door de Regering voorgelegde aanpak de hunnerzijds zo dringend aanbevolen systematiek van naar inkomensniveau gedifferentieerde stapjes een juiste systematiek is gebleken. Men kan zelfs constateren, dat op onderdelen een versterking van dat accent redelijk en gewenst is. Het voorstel strikt kwantitatiefopbrengstgewijs benaderend vertaalt zich dat in een grotere «opbrengst» vanuit de hogere uitkeringen, met een dienovereenkomstig lagere «opbrengst» vanuit de minimumuitkeringen. Dat wil zeggen: de gedachte «sterkste schouders, zwaarste lasten» vond aanwijsbaar toepassing. Deze duidelijke accentverlegging ten opzichte van Bestek '81 werd door de leden van de CDA-fractie gewaardeerd. Zij knoopten daaraan de volgende gedachtengang vast, waarop zij gaarne een reactie van de Regering ontvingen. Het voorstel brengt zowel een andere toedeling van premielasten over de Nederlandse bevolking met zich, als een iets andere toedeling van uitkeringen. Zo bezien is het gehele systeem een ogenblik «in beweging». Van hun kant hadden deze leden zich de vraag gesteld -ook gedachtig de discussies bij de invoering van diverse socialezekerheidswetten -of niet gestreefd zou moeten worden naar een systematiek waarbij onderin een 100 % nettonetto koppeling bestaat, terwijl aan de top de nettoverhoudingen zich rond de 100-80 zouden bewegen. In dat verband vroegen zij of de tabel op blz. 27 van de memorie van toelichting uitgebreid kon worden met een kolom getiteld «in de eindsituatie». De voorgestelde systematiek gaat, zo was hun voorlopige indruk, al wel in de bovengeschetste richting. Deze leden hadden wel enige zorgen over hetgeen de Regering mededeelt ter zake de koopkracht(ontwikkeling). Blijkens een persbericht is in het kader van het arbeidsvoorwaardenoverleg 1980 een verdere verlaging van de loon-en inkomstenbelasting van regeringszijde niet uitgesloten. Uiteraard werkt zodanige aanpassing ook door op de problematiek van minimumloon en uitkeringen. Leidt zulks in de visie van de Regering -indien die weg wordt opgegaan -tot verruiming van de koopkrachtnorm ook voor de inactieven, zoals dat toch feitelijk beoogd en behaald zou worden voor de actieven? Het was deze leden voorts opgevallen, dat de memorie van toelichting slechts een koopkrachtdoelstelling voor 1980 formuleert. Een doelstelling die overeenkomt met eerdere toezeggingen. Deze leden herinnerden eraan, dat hunnerzijds ook voor de jaren na 1980 een harde indicatie was gegeven, nl. een koopkrachtnorm die voor niet-actieven op overeenkomstig niveau Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

ligt als voor actieven. Is de Regering bereid ter zake bij deze gelegenheid een uitspraak te doen? De hier aan het woord zijnde leden realiseerden zich, dat het vragen van zo'n beleidstoezegging niet los kan staan van een appel op de sociale partners om hun gedrag óók op het bereiken van die doelstelling -die er in wezen een is van solidariteitte richten. Deze leden meenden, hetwetsontwerp in ogenschouw nemend en in aanmerking nemend de vragen die zij in dit verslag stelden, dat appel te mogen doen. Het gaat er immers om zowèl de collectieve sector, als de sociale voorzieningen als de koopkracht voor brede groepen van de bevolking veilig te stellen. In laatste instantie lukt dat slechts bij een gezamenlijk optrekken. Ter afsluiting van hun inleidende opmerkingen wilden de leden van de CDA-fractie een tweetal samenhangende elementen uit hun benaderingswijze naar voren brengen. Het gaat voor hen niet bij voorbaat om het halen van een bepaald budgettair doel. Vast dient te staan, dat een bepaalde voorshands beoogde «opbrengst» samenhangt met aanpassingen -ten gunste of ten ongunste van betrokkenen -die elk op zich en in onderling verband redelijk zijn. Bij de voorlopige «stapjes» bleek die redelijkheid een (betrekkelijk gering) «besparingsverlies» met zich te brengen. Wil de Regering nog eens aangeven om welk bedrag dat ging? Was daarvoor al geheel of gedeeltelijk alternatieve «dekking» gevonden? Een tweede element is te vinden in de onderlinge verhoudingen tussen groepen van onze bevolking en hun inkomensontwikkeling. Daarover spraken zij eerder in dit verslag. Dat gold ook de vraag of de koopkrachtverruimende effecten van verdere verlaging van de loon-en inkomstenbelasting ook in de socialezekerheidssector ervaren zullen worden. Zij herinnerden eraan, dat zij niet de redelijkheid inzagen -ook bij de afgesloten «voorschottenperiode» niet -van een eenmaal correct vastgestelde uitkering die niet parallel zou lopen met de ontwikkeling van actieve inkomens. Van die parallelliteit vanuit een correct vastgestelde verhouding bleven zij ook bij deze voorstellen uitgaan. Zij sigrtaleerden overigens, dat de koppelingopniveau onder omstandigheden een zeker vooruitlopen van de laagste/lagere uitkeringen en het minimumloon zou kunnen gaan inhouden.

De leden van de VVD-fractie stelden met voldoening vast dat het kabinet vóór het einde van het jaar met een wettelijke regeling is gekomen tot het corrigeren van de aanpassingsmechanismen voor minimumloon en sociale uitkeringen. Hoewel de tijd van parlementaire behandeling ongebruikelijk kort is, kwam uitstel van behandeling deze leden als zeer ongewenst voor. Dat zou nl. een derde V« %-stapje op voorschotbasis met zich meegebracht hebben. Daar hadden zrj zich reeds tijdens de behandeling in juni jl. van het tweede Va %-stapje vanwege de grove werking ten sterkste tegen gekeerd. Niet voor niets hadden deze leden van het kabinet garanties gevraagd om vóór het einde van dit jaar met een definitieve regeling te komen. Aan het begin van hun betoog wilden deze leden het kabinet graag prijzen voor de zorgvuldige wijze waarop de inkomensconsequenties van de voorgestelde correcties in de aanpassingsmechanismen in de tijd worden opgevangen en gespreid. Daarmee worden reeds lang gesignaleerde systeemfouten gecorrigeerd op een wijze, die ons socialezekerheidsstelsel recht doet en intrinsiek versterkt. Dit wetsontwerp betreft de inkomensontwikkeling van minimumloontrekkenden, en van uitkeringsgerechtigden op respectievelijk minimum-en bovenminimumniveau. Deze leden zouden graag een overzicht ontvangen van de groei van de aantallen van deze drie categorieën in relatie tot het totaal van de actieven in de afgelopen 10 jaren (1969 t/m 1979).

De bijdrage aan dit voorlopig verslag van de leden van de fractie van D'66 is ditmaal, zo zeiden zij, «voorlopiger» dan ooit tevoren. De volledige bestudering van het wetsontwerp door deze leden zal waarschijnlijk voltooid worden geruime tijd na de plenaire behandeling op 5 en 6 december. Naar hun mening komt door de geforceerde behandeling in een te kort tijdsbestek van enkele weken de zorgvuldigheid van wetgeving ernstig in gevaar, het-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

geen des te erger is nu het een ingewikkeld wetsontwerp betreft dat belangrijke gevolgen heeft voor het minimumloon en de sociale uitkeringen. Dit verwijt treft overigens niet zozeer de Regering als de kamermeerderheid, die tot deze behandelingsprocedure heeft besloten. De Regering kon niet eerder tot indiening van het wetsontwerp komen, omdat het desbetreffende SER-advies niet eerder gereed gekomen was. Voor een correcte behandeling van dit wetsontwerp, waarbij een zorgvuldige bestudering door de fracties mogelijk zou zijn geworden, waren enkele maanden noodzakelijk. Het nadeel dat dan per 1 januari 1980 wellicht opnieuw een tijdelijke voorziening getroffen zou moeten worden, zou men als noodzakelijk en onvermijdelijk moeten beschouwen. Aan de parlementaire behandeling van zo'n tijdelijke voorziening zouden deze leden met begrip medewerking gegeven hebben. Een ernstige consequentie van de nu gevolgde behandelingsprocedure in de Kamer is verder dat de gedetailleerde opvattingen van de gehandicaptenorganisaties over de concrete voorstellen van het wetsontwerp niet of onvoldoende bekend zijn, zodat die onvoldoen-de kunnen worden meegewogen in de parlementaire besluitvorming. Deze leden hadden dus belangrijke bedenkingen tegen de behandelingsprocedure. Daarnaast konden zij slechts enkele onderdelen van het wetsontwerp steunen, tegen het merendeel der voorstellen hadden zij echter overwegen-de bezwaren.

De leden behorend tot de fractie van de SGP zouden vooraf willen opmerken dat zij zich destijds, ondanks hun kritische beoordeling op onderdelen en de principiële kritiek op de toonzetting, hebben kunnen vinden in het omvattende matigingsplan Bestek '81, dat in het teken stond van herstel en behoud van werkgelegenheid tegen de achtergrond van economisch minder rooskleuriger tijden. In de inleiding van de memorie van toelichting zeggen de indieners dat daarmede tevens de relatie is aangegeven tussen het ten aanzien van deze categorieën te voeren inkomensbeleid en het algemene in-komensbeleid. Met «deze categorieën» wordt dan gedoeld op de niet in het beroeps-of bedrijfsleven actieven, de minimumloontrekkenden, de ambtenaren en in het verlengde daarvan de zogenaamde trendvolgers. In dit verband rijst de vraag hoe de overige groepen in het matigingsbeleid zullen worden betrokken. Het gaat immers om een algemene inkomensmatiging, waarbij van alle inkomenscategorieën offers gevraagd dienen te worden. Op 9 augustus jl. werd bij de SER een adviesaanvrage ingediend met betrekking tot een verlenging van de Wet tijdelijke voorzieningen arbeidsvoorwaarden buiten collectieve arbeidsovereenkomsten. Is dat advies reeds binnen, en zo ja wanneer kan dan «tijdig» een wetsontwerp tegemoet worden gezien dat een redelijke kans van slagen heeft om de huidige wet die op 31 december afloopt zonder tijdspanne op te volgen? Zo nee, welke vooruitzichten kunnen dan worden geboden? Ondertussen is ook wel duidelijk geworden dat een Raamwet op de inkomensvorming nog wel enige tijd op zich zal laten wachten, zodat deze vragen des te meer klemmen. Deze leden zouden ook graag nader geïnformeerd willen worden over de komende inkomensontwikkeling van de ambtenaren en de trendvolgers. Zij zouden eveneens de vrije beroepsbeoefenaren daarbij willen betrekken. De solidariteitskwestie tussen actieven en niet-actieven kent, zo is inmiddels wel gebleken, vele varianten, maar dat hoeft geenszins in te houden dat van het rechte spoor moet worden afgeweken. De onderhavige herziening van de aanpassingsmechanismen nopen, zeker na betuigde instemming, tot een dringend appel op de sociale partners om het zo noodzakelijke beleid gericht op matiging in de ontwikkeling van de arbeidskosten de hoogste prioriteit te geven. In de brief van de Ministervan Sociale Zaken dd. 5 november jl. aan de Stichting van de Arbeid en Raad van overleg voor de Handel betreffende het arbeidsvoorwaardenoverleg (15899, nr. 2) staat: «Zowel voor werkgevers, die geconfronteerd worden met tekorten aan arbeidskrachten, als voor de vakbeweging, die in bepaalde sectoren in tegenstelling tot de algemene situatie wel degelijk ruimte voor loonstijging constateert, wordt daarmede de voort-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 6

zetting van dit beleid bijzonder moeilijk.» Gekoppeld aan een lichte stijging van de collectieve druk zijn hier inderdaad verzwarende factoren in het geding die alleen in gezamenlijk overleg gematigd kunnen worden. Misschien zou een verdere en nadere uiteenzetting van de zijde van de Regering omtrent haar zorg over deze (mogelijke) ontsporing apaiserend kunnen werken. Zij wordt daartoe door de leden van de SGP-fractie in elk geval uitgenodigd. Op welke wijze zal een verdere verlaging van de loon-en inkomstenbelasting -door de Regering opgeworpen tijdens het oriënterende gesprek met de sociale partners -haar weerslag vinden in de inkomensontwikkeling van de niet-actieven, mede in aanmerking genomen het geuite «dreigement» dat de dekking vooral gezocht zou moeten worden in de uitgaven ten bate van de sociale zekerheid? Deze leden zouden, vooral in het licht van wat zij zojuist hebben opgemerkt, deze «toezegging» uitgewerkt willen zien in de richting van een verbeterde koopkrachtgarantie van de niëtactieven. Immers de solidariteit tussen de werkenden en niet-werkenden zou erdoor verdiept kunnen worden, of juist meer op de tocht worden gezet. In het kader van een meer algemene beoordeling van de onderhavige herziening van de aanpassingsmechanismen zou deze actuele toespitsing qua uitwerking zeker niet misstaan, tenzij men op het ene altaar offert wat van het andere is weggenomen. Deze leden wilden niet onvermeld laten dat zij, ondanks hun min of meer loyale opstelling ten aanzien van het huidige gevoerde economisch beleid van dit kabinet, wellicht vanuit een ietwat andere optiek toch zorg hebben over de ontwikkelingen die van invloed zijn op het voorzieningensysteem op het gebied van de sociale voorzieningen. Op dit moment zouden zij niet in details willen afdalen, wel zouden zij bij dezen het recht willen voorbehouden om tijdens het plenaire debat hierop terug te komen.

In meer algemene zin zouden deze leden nog het volgende willen opmerken. Toen de discussie over het volumebeleid op gang kwam, werd van meet af aan met betrekking tot de opschoning van de relatie tussen actieven en niet-actieven en tussen de niet-actieven onderling gesproken over «systeemfouten» en «onbedoelde scheefgroei». Onjuiste beoordelingen, zo wordt nu van verschillende zijden dit kabinet verweten. Misschien zou het zinvol zijn om de terminologie die vorige kabinetten hebben gebezigd eens naast het thans gebezigde woord «correcties» te leggen? Zou dat niet zuiverend kunnen werken op kritiek achteraf? Zou het in dit verband niet tevens zinnig zijn om de nota Collectieve Voorzieningen en Werkgelegenheid van 9 juni 1976, een produktie van het kabinet-Den Uyl, als vergelijkingsmodel me-de in de beschouwing over deze problematiek te betrekken? Werd daar ook niet in uitgesproken dat het grootste deel van de ombuigingen in de sfeer van de sociale zekerheid moest worden gevonden? Hoe anders te oordelen na lezing van het citaat: «De noodzaak tot beheersing van de groei in aanmerking genomen, zal moeten worden gezocht naar aanvaardbare aanpassingen van de uitkeringen en voorzieningen, die structureel van aard zijn», waarbij tevens werd aangetekend dat daarbij prioriteit zou moeten worden gegeven aan ombuigingen, «die gericht zijn op het wegnemen van onevenwichtigheden in de stelsels onderling en op het elimineren van systeemfouten, die in de loop der jaren zijn gegroeid». Budgettaire overwegingen worden in de reacties op de voorstellen van de Regering doorgaans naar het tweede plan geschoven. Waarom, zo zouden deze leden willen vragen. Het is toch immers overduidelijk dat budgettering alles uitstaande heeft met het op redelijk peil houden van het niveau van de sociale voorzieningen? Kortingen op het totaal van de uitgaven heeft behalve met het stellen van prioriteiten in het uitgavenpatroon toch alles uitstaande met de beperkte financiële ruimte die nu eenmaal een gegeven is voor elk fi-nancieeleconomischsociaal beleid dat een overheid kan voeren? Tegenover uitgaven staan inkomsten, tegenover lusten lasten, bepaalde marges die er bestaan tussen beide polen zijn reeds overschreden en dreigen nog verder te worden overschreden, is het dan niet meer dan billijk dat op basis van redelijkheid scheefgroei wordt gesnoeid en weer in rechte banen wordt geleid, vooral met het oog op de doodlopende consequentie van een totale ont-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

wrichting van het hele stelsel van de sociale zekerheid? Vanuit deze optiek staan de leden van de fractie van de SGP beslist niet onverschillig tegenover de onderhavige problematiek. Koopkrachtgarantie in het komende jaar, herstel en behoud van bestaan-de werkgelegenheid, het terugdringen van de nettovoordelen van de niet-actieven ten opzichte van de actieven -mede met het oog op de arbeidsmotivatie geen te onderschatten zaak -de wettelijke verankering van de nettopositie (qua inkomen) van de zwakkeren in de samenleving -het zijn evenzovele zaken die bij de leden van de SGP-fractie een positief onthaal vinden. Zij realiseerden zich desondanks ook zeer wel dat hoe meer verfijnd de aanpassingssystemen zijn, hoe meer protest kan worden verwacht als aan dat weefsel wordt getornd. Hoe hoger welvaartsniveau, hoe minder geneigdheid tot stapjes terug. Optimistisch beoordeeld betekent dat een erkenning en voldoening van en over het huidige bereikte welvaartsniveau. Pessimistisch beoordeeld betekent het ook een verziekte reactie, die, als de nood aan de man komt, de verbondenheid met het lot van de naaste -een status die ons allen toekomt -op laat gaan in vermeend eigenbelang. Een solidair gedrag tussen loontrekkers en inkomensgerechtigden dient daarom te stoelen op wederzijdse her-en erkenning. Maar dan wel binnen het kader van een algemene inkomenspolitiek die de eigen verantwoordelijkheid niet onverlet laat. De leden van de SGP-fractie zouden een reactie van Regeringswege op deze door hen naar voren gebrachte beschouwing op prijs stellen.

De leden van de PPR-fractie constateerden dat de Regering met de indiening van dit wetsontwerp een (meer) evenwichtige ontwikkeling van het mini-muminkomen en een aantal sociale verzekeringsuitkeringen tot stand heeft willen brengen om vervolgens daaraan een wettelijke grondslag te geven. Op zichzelf is dit een ontegenzeggelijke verbetering ten opzichte van de zogenaamde V2 %-stapjes. Ook vanuit wetstechnisch oogpunt bekeken is verre de voorkeur te geven aan een éénmalige herziening van de aanpassingsmechanismen dan periodieke ad hoewetgeving. De vraag is echter of wel in alle gevallen de uitkomst zoveel beter is. Deze leden zeiden bij de besprekingen van de onderdelen van het wetsontwerp daarop terug te komen. Terecht maakt de Regering in de inleiding van de memorie van toelichting melding van het feit dat de herziening van de aanpassingssystemen zich voltrekt binnen het krachtenveld van de bestaande ongelijke inkomensverdeling, binnen het krachtenveld van de verhouding tussen collectieve en private sector en binnen het krachtenveld van de verhouding tussen inko"mensgroei en inkomensverdeling enerzijds en werkgelegenheid anderzijds. De voor de hand liggende conclusie, die hieruit getrokken moet worden is, aldus deze leden, dat niet volstaan kan worden met herziening van de aanpassingssystemen waarmee de laagste en lagere inkomens zijn gemoeid, doch dat min of meer tegelijkertijd de inkomensgroei van die categorieën die niet of nauwelijks de gevolgen van dit wetsontwerp ondervinden, op een even specifieke wijze wordt beoordeeld en in een wettelijk kader vastgelegd. Pas dan is er sprake van parallellie, alhoewel dit begrip in het onderhavige wetsontwerp een bepaalde invulling krijgt. De essentie van dit wetsontwerp vormt het waarborgen van een evenwichtige inkomensontwikkeling door het opheffen van onevenwichtigheden die aan de bestaande systemen zouden kleven (memorie van toelichting, blz. 2). Deze leden meenden dat in het kader van dit wetsontwerp slechts in een zeer beperkt aantal gevallen gesproken kan worden van systeemfouten. In het algemeen is de situatie echter dat achteraf wordt geconcludeerd dat een indertijd gewenst koppelingsmechanisme toch niet zo gewenst is. Het nettoaanpassingsmechanisme voor de sociale uitkeringen boven het mini-mum is daar een duidelijk voorbeeld van, zoals in § IV 2 van de memorie van toelichting nog eens tot uitdrukking wordt gebracht. «Scheefgroei» en «systeemfouten» zijn dan ook in feite inadequate en vaak onjuiste aanduidingen van opzettelijk gecreëerde ontwikkelingen. Het zou de zuiverheid van de discussie ten goede komen indien dergelijke kwalificaties worden voorbehouden tot die ontwikkeling met betrekking tot de aanpassingsmechanismen die zowel onverwacht als ongewenst zijn, aldus de leden van de PPR-fractie.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 6

De leden van de CPN-fractie wilden hun opmerkingen ten aanzien van dit wetsontwerp niet aanvangen zonder nogmaals hun bezwaren te uiten over de ongebruikelijke haast die bij de behandeling van een dergelijk diep ingrijpende wetswijziging wordt opgedrongen. Zij hebben zich bij het daartoe dienende debat in de Kamer over het voorstel van het lid Van der Doef in die mate ook uitdrukkelijk laten horen (zie Handelingen Tweede Kamer, blz. 1239 e.v.). Zij wilden dan ook de argumenten herhalen die in de desbetreffende brief van het lid Van der Doef namens de grootst mogelijke minderheid van de commissie waren aangevoerd. Als belangrijkste argument gold voor hen dat de mogelijkheid tot serieuze bestudering van de tekst van het wetsontwerp en van het SER-advies, alsmede kennisneming van de reacties van betrokkenen -hetzij persoonlijk, hetzij in vereniging -heeft ontbroken, hetgeen een verantwoorde en democratische meningsvorming over de voorstellen heeft bemoeilijkt. Deze leden waren daarbij van mening dat het op zo'n korte termijn behandelen van het onderhavige wetsontwerp vooral voor de kleinere fracties in deze periode van begrotingsbehandeling een onvoorstelbaar grote belasting meebrengt en als zodanig een aantasting vormt voor de meningsvorming in een parlementaire democratie. Zij konden dan ook niet anders oordelen -waarop later wordt teruggekomen -dan dat deze overrompelingstactiek bewust is uitgevoerd. De onderhavige voorstellen houden immers een reeks van verslechteringen in, met name voor de minimumloon-en uitkeringstrekkers. In het algemeen waren deze leden van mening dat enige onvolkomenheden in de regeling van het minimumloon worden gebruikt om de koopkracht van dat mini-mumloon aan te tasten maar vooral ook om de werkenden en hen die niet meer kunnen of niet meer hoeven te werken tegen elkaar op te zetten. Een suggestie als zouden de ontvangers van een sociale uitkering profiteren van alle (in de ruimste zin) in loondienst staande werkers, wijzen zij dan ook met kracht van de hand. De sociale wetten, die nu in het geding zijn, zijn tot stand gekomen door lange en taaie strijd, juist door diegenen die er nu van trekken en door diegenen die er nu nog voor werken. Zij zijn het die ook de kosten er-van door middel van premies en belastingen en door middel van doorberekening in de prijzen en belastingen, betalen. Hoewel ten aanzien van onderhavige voorstellen meer opmerkingen en vragen rijzen dan de korte termijn van bestudering toelaat, willen deze leden in hun inleidende beschouwing de aandacht vragen voor het standpunt van de werkgeversorganisaties zoals dat in het betreffende SER-advies van 5 oktober jl. onder punt 5.1.2 is verwoord. Daar staat onder andere «Dit deel wijst erop dat in de politieke besluitvorming over de verhoging van het minimumloon de zorg voor de sociaal zwakkeren, waartoe ook de minimumloners worden gerekend, steeds leidraad is geweest. Uit in het advies opgenomen gegevens blijkt evenwel dat ongeveer de helft van het totaal aantal mini-mumloners jonger dan 23 jaar is en dat de resterende helft voor het merendeel uit vrouwen bestaat (tweede gezinsinkomen)

Dit deel acht het niet langer aanvaardbaar dat een onevenredig deel van de -naar te verwachten -geringe welvaartsgroei aan jongeren en tweede gezinsinkomens wordt doorgegeven». De leden van de CPN-fractie vroegen de bewindslieden of dit de geest is van waaruit het geheel van sociale voorzieningen wordt benaderd. Zijn zij niet van mening dat de effecten van de onderhavige voorstellen, de eventuele effecten van dit werkgeversstandpunt angstvallig dicht benaderen? Gezien het technische karakter van de onderhavige voorstellen wilde het lid van de GPV-fractie volstaan met enige opmerkingen van meer algemene aard. Dit lid had reeds bij de behandeling van de nota Bestek ' 81 te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen noodzakelijk geachte aanpassingen van indexeringsmechanismen, maar hij betreurde het dat deze technische aanpassingen worden voorgesteld in het kader van de ombuigingsoperaties. Zullen de voorgestelde wijzigingen daardoor niet veeleer gezien wor-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

den als bezuinigingsmaatregelen dan als noodzakelijke aanpassingen? Overigens kon hij er zijn voldoening over uitspreken dat nu in één wetsontwerp de herziening van de aanpassingsmechanismen wordt geregeld. De twee maal per jaar terugkerende '/2%-stapjes brachten iedere keerde nodige onrust en droegen te veel het karakter van incrementalistische politiek.

Het lid van de DS'70-fractie zei grote waarde te hechten aan het verband tussen het op zich verdedigbare wegwerken van «systeemfouten» enerzijds en koopkrachthandhaving tot modaal en een soepele overgangsregeling anderzijds. Het lid herinnerde aan zijn opmerkingen bij de behandeling van het z.g. 1 julipakket aangaande de wenselijkheid af te stappen van het nemen van tijdelijke maatregelen, dit vanwege onzekerheid en onrust in maatschappelijk opzicht. Met dit wetsontwerp kan daaraan een einde komen. Dit lid betreurde het echter dat de Regering nog steeds geen instrumenten heeft ontworpen om een zo belangrijk deel van het sociaal-economisch beleid als de inkomensvorming aan te vatten om de centrale doelstellingen van dat beleid te bereiken. Het onderhavige wetsontwerp betreft slechts groepen die gemakkelijk onderwerp van wetgevende maatregelen zijn: een principieel moeilijke zaak. Het beleid ten aanzien van andere inkomensgroepen (niet CAO-inkomens) dient minstens even stringent onderwerp van wetgevende maatregelen te zijn. Delen de bewindslieden deze opvatting? Meent de Regering dat de stelling juist is dat minimumloontrekkers in het algemeen tot de sociaal zwakken moeten worden gerekend? Hoe beoordelen zij in dit kader het gegeven dat ca. 80% van de minimumloontrekkers niet de last draagt van een volledige gezinshuishouding? Zou het niet zinvol zijn een onderscheid te maken tussen de groep waarvan verwacht mag worden dat zij gedurende haar hele arbeidsleven op het niveau van het minimumloon moeten verkeren en de groep die op dit niveau tijdelijk verkeert bij de aanvang van het arbeidsleven? Hoe groot is eerstgenoemde groep (30% van de minimumloners?)?

II. BRUTO AANPASSINGSMECHANISMEN

11.1. Algemeen

De leden van de P.v.d.A.-fractie constateerden met instemming dat de Regering samen met de SER kiest voor een welvaartsvaste koppeling van de ontwikkeling van het minimumloon en van de sociale uitkeringen aan de ontwikkelingen van de lonen in het bedrijfsleven. Gezien de uiteenlopende uitwerking van het begrip welvaartsvaste koppeling van werkgevers, werknemers en Regering zouden deze leden graag van de Regering willen vernemen wat de Regering exact verstaat onder een welvaartsvaste koppeling. Is naar haar mening bij de uitwerking die de werkgevers aan dit begrip geven eigenlijk nog wel sprake van een welvaartsvaste koppeling? Gezien het principiële uitgangspunt van de Regering waren deze leden verbaasd dat de Regering bij een nadere uitwerking van het indexeringsstelsel zo gemakkelijk kiest voor een in de praktijk bewezen onvolmaakt systeem, namelijk indexering via de index van de regelingslonen. De hier sprekende leden waren zich ervan bewust dat een keuze voor de index van de verdiende Wet die veel beter aansluit bij het loonbegrip van de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag op een aantal grote technische bezwaren stuit. Op dit moment biedt alleen de index van de regelingslonen de technische mogelijkheid bepaalde elementen te elimineren en de technische verwerking van de index van de verdiende lonen duurt te lang. Desondanks meenden deze leden dat het CBS verzocht moet worden met prioriteit te gaan werken aan een verbetering van de index voor de verdiende lonen, waardoor bereikt kan worden dat een groot aantal technische bezwaren, die nu aan deze index kleven, weggenomen kunnen worden. Zij zouden graag van de Regering vernemen of zij bereid is mee te werken aan de spoedige ontwikkeling van een dergelijke index, welke blijkens het SER-advies tech-Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nr. 6

nisch mogelijk, maar eerst op enige termijn te realiseren is. Deze leden achtten dit een wezenlijk punt en van groot belang bij hun definitief oordeel over de concrete regeringsvoorstellen ten aanzien van het buiten beschouwing laten van bepaalde beloningselementen. De hier aan het woord zijnde leden waren van mening dat gekozen moet worden voor een index met de grootst mogelijke controleerbaarheid, eenvoud, zekerheid en zo gering mogelijke manipuleerbaarheid door partijen. Deze index moet de loonontwikkeling van de werknemers in het particuliere bedrijfsleven zo nauwkeurig mogelijk volgen, bij voorkeur op niet te grote afstand in tijd. In verband hiermee wilden zij de Regering er nog op wijzen dat het SER-advies aangeeft dat de index van de regelingslonen in veel sterker mate manipuleerbaar door partijen is dan de index van de verdiende lonen. Deze leden waren bereid mee te werken aan het eventueel elimineren van enkele onderdelen die nu in de index van de regelingslonen doorwerken en in de huidige index van de verdiende lonen niet zichtbaar te maken zijn, voor zover die elementen leiden tot een geleidelijke wijziging in de relatieve positie van het minimumloon. In deze paragraaf wilden deze leden ten aanzien van het elimineren van bepaalde beloningscomponenten de mening van de Regering hebben over de wenselijkheid van dit elimineren, ook indien hierdoor de manipuleerbaarheid van de index sterk vergroot wordt. Deze leden constateerden vervolgens dat de Regering het essentiële bezwaar van de index van de regelingslonen erkent dat schoksgewijs bepaalde ontwikkelingen zichtbaar worden en doorwerken. Hierdoor blijft het gevaar van manipuleren met indexcijfers en soortgelijk geknoei als nu met de doorwerking van de bouwc.a.o. bestaan. Ook in de toekomst moet dit zeker niet worden uitgesloten nu het waarschijnlijk is dat in de bouwnijverheid in het kader van arbeidsvoorwaardenoverleg zal worden besloten tot het opnieuw verwerken in de functieionen van een deel van de in het verleden ontstane of gegroeide toeslagen. Kan de Regering de garantie geven dat er niet opnieuw wordt gemanipuleerd met indexcijfers? Het handhaven van de index van de regelingslonen betekent ook dat de mogelijkheid van bijzondere verhogingen aanwezig moet zijn. Deze leden constateerden dat ook de Regering dit inziet. Uit de memorie van toelichting blijkt echter ook dat de Regering de mogelijkheid van een bijzondere verhoging slechts mondjesmaat wil laten plaatsvinden. De Regering wil deze me-de afhankelijk maken van de totale sociaal-economische en budgettaire situatie. Is dit standpunt eigenlijk wel consistent gezien de principiële keuze van de Regering voor een welvaartsvaste koppeling zoals bedoeld in de wet minimumloon en de keuze voor de index van de regelingslonen? De leden van de PvdA-fractie wilden nogmaals benadrukken dat het voor de rechtszekerheid van hen die financieel zijn aangewezen op de ontwikkeling van minimumloon en sociale uitkeringen van groot belang is als een systeem wordt gekozen, dat deze ontwikkeling niet voortdurend in een sfeer van manipulatie en onderhandelingen brengt. Is de Regering, zo vroegen deze leden ten slotte, bereid de berekeningen over de periode 1974-1977 te laten zien waaruit blijkt dat de positieve en negatieve effecten van de voorgestelde aanpassingen van het bruto-indexeringsmechanisme elkaar in evenwicht houden (blz. 7, voorlaatste alinea)?

De leden van de CDA-fractie wilden de Regering vragen in te gaan op de functie van het minimumloon. In aantallen mensen die aan de vaststelling van dat loon hun inkomensontwikkeling ontlenen, is die functie vooral aanwijsbaar in de sociale voorzieningensector. Niettemin vervult het minimumloon wel degelijk ook een functie op de arbeidsmarkt. Is van de samenstelling van dié groep mensen iets naders te zeggen? Is redelijkerwijs te stellen, dat slechts een minderheid van de «echte» minimumloners kostwinner is?

De leden van de VVD-fractie onderschreven het uitgangspunt, waarover ook overeenstemming bestaat in de Sociaal-Economische Raad, dat de loonontwikkeling in het bedrijfsleven -hoe ook nader ingevuld -bepalend moet zijn voor de ontwikkeling van minimumloon en sociale uitkeringen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Daarbij is het gewenst dat de regelmatige bijstellingen van deze inkomens zoveel mogelijk via in de wet vastgt egde aanpassingscriteria worden geregeld. Niet de verdiende lonen, maar de ontwikkeling van een -van oneigenlijke elementen geschoonde -regelingsloonindex dient naar hun oordeel de grondslag te zijn voor de halfjaarlijkse automatische aanpassingen. Bijzondere verhogingen kunnen dan onderwerp van politieke keuze zijn, uiteraard nadat de sociale partners daarover hun opvattingen kenbaar hebben gemaakt. Wat betreft de invulling van de aanpassingscriteria waren deze leden het met de bewindslieden eens dat het element herstructurering, de componenten met cumulatieve werking (de zogenaamde haasjeovereffecten) en de elementen die tot overcompensatie (onder andere de vakantiebijslag) leiden, sowieso geweerd moeten worden. De bewindslieden stellen verder als in-grijpend verschil met de bestaande systematiek voor om een aantal andere beloningselementen op niveau door te geven. Deze leden vroegen zich af of de regelingsloonindex daardoor niet voor nog slechts weinigen controleerbaar en doorzichtig wordt. De bewindslieden spreken als hun mening uit dat het hun als verstandig voorkomt de relatie tussen de ontwikkeling van de regelingslonen en die van de verdiende lonen aan de orde te stellen bij gelegenheid van de over de wenselijkheid van bijzondere verhogingen periodiek te voeren discussies. Moet bij de genoemde bijzondere verhogingen dan gedacht worden, vroegen deze leden, aan verhogingen volgens bepaalde rekensystematieken of aan verhogingen op grond van politieke beleidskeuzen, zo daar de economische mogelijkheden toe zijn? Bij een te eng loonbegrip als aanpassingsmaatstaf vrezen de bewindslieden dat het aantal werknemers dat feitelijk een loon heeft gelijk aan het mini-mum(jeugd)loon in relatieve zin zal afnemen. Wat is daarvan het bezwaar, wilden deze leden weten. Kunnen de bewindslieden aangeven hoeveel personen in 1979 minimumloon verdienen? Hoeveel van hen verdienen het minimumjeugdloon? Hoeveel van hen zijn mannelijke werknemers in de leeftijdscategorie van 23-64 jaar en hoeveel zijn vrouwelijke werknemers in dezelfde leeftijdscategorie? Zijn de percentages per categorie toe-of afgenomen vergeleken met de eerdere jaren, die in het SER-advies zijn weergegeven? De leden van de fractie van D'66 stonden op het standpunt, dat de sociale uitkeringen en het minimumloon in het algemeen de nettowelvaartsontwikkeling van de actieve beroepsbevolking behoren te volgen. Het aanpassingsmechanisme zou daarom afgestemd moeten worden op de werkelijk verdiende inkomens in plaats van op de regelingslonen, onder aftrek van belastingen en sociale premies. Tevens zou op den duur ook de ontwikkeling van de secundaire arbeidsinkomens in het indexeringsmechanisme opgenomen moeten worden. Evenals bij de sociale minima zou bij de bovenminima in de sociale uitkeringen een nettokoppeling aan de arbeidsinkomens van de actieve beroepsbevolking het uitgangspunt behoren te zijn. Dit kan men in principe ook bereiken door van bruto grootheden uit te gaan als uit die bruto grootheden dezelfde belastingen en sociale premies betaald worden. De regeringsvoorstellen zouden, indien nader op een bepaalde wijze uitgewerkt, een stap in deze richting kunnen zijn. Kern blijft echter dat het aanpassingsmechanisme voor de sociale uitkeringenen het minimumloon op den duur een nettokoppeling moet gaan inhouden, waarbij de werkelijk verdien-de totale arbeidsbeloning (primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden samen) het uitgangspunt is. Gestreefd dient te worden naar het verzamelen van de daartoe vereiste gegevens, aldus deze leden.

De wijzigingen in het brutoaanpassingsmechanisme stuitten bij de leden van de fractie van de SGP bepaald niet op verzet; integendeel, zij konden zich er voor wat betreft de hoofdlijnen geheel mee verenigen. Wel restten er nog enkele vragen, die zij graag beantwoord zouden willen zien. Voor zowel het aanpassingsmechanisme van het minimumloon als dat van de sociale uitkeringen is kenmerkend dat deze inkomens voor de ont-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

vangers ervan als enig danwei als hoofdinkomen moeten kunnen functioneren. Waarom kan dit gegeven er niet anders toe leiden dan dat als basisbeginsel in de aanpassingsmechanismen het beginsel van de welvaartsvaste koppeling wordt verankerd? Welke verschillen zouden er optreden als zou worden gekozen voor het beginsel van de waardevastheid met een tweejaarlijkse bijstelling achteraf? Waarom verdient voorts het systeem van de automatische halfjaarlijkse aanpassingen methodisch vanuit de na-ijlingsproblematiek eigenlijk verre de voorkeur? Hoe beoordeelt de Regering in dit verband de suggestie van de FNV, dat, indien het CBS de mogelijkheid werd geboden om op korte termijn meer mankracht voor de opstelling van de index van de verdiende lonen in te zetten, dit bezwaar geëlimineerd zou kunnen worden? Bepaalde beloningscomponenten dienen naar het oordeel van de Regering bij een adequate invulling van het aanpassingscriterium buiten beschouwing te blijven. Het betreft hier componenten die een specifiek sectorgebonden of specifiek functiegebonden karakter hebben, alsmede componenten die naar hun aard een cumulatieve werking hebben. Daar komen vervolgens nog bij die componenten die bij doorwerking leiden tot overcompensatie. De leden van de SGP-fractie zeiden zich in principe te kunnen verenigen met het buiten beschouwing laten van deze componenten.

Vasthoudend aan het beginsel van de welvaartsvaste koppeling van het minimumloon en sociale uitkeringen aan de ontwikkeling van de regelingslonen, besluit de Regering vervolgens een aantal correcties op dat beginsel aan te brengen. De leden van de PPR-fractie zagen hierin enige analogie met de grondprijsvaststelling. Of nu de verkeersdanwei de gebruikswaarde van de grond als beginsel wordt genomen maakt in feite weinig verschil uit, in-dien vervolgens tal van correcties op het uitgangspunt worden aangebracht. Door het aanbrengen van correcties ontstaat onvermijdelijk een welvaartsvaste koppeling of afstand, zowel wat betreft de koppeling regelingslonen -minimumloon, als wat betreft de koppeling minimumloon -sociale uitkeringen. Doordat de regelingslonen de grondslag blijven vormen voor de halfjaarlijkse -nu automatisch plaatsvindende -aanpassingen is de incidentele in-komenscomponent reeds uit het aanpassingssysteem geëlimineerd. Vervolgens gaat de Regering er toe over om dan ook nog de zogenaamde sector en/ of functiespecifieke elementen uit de koppeling te halen, wordt het mini-mumlooneffect geëlimineerd en worden de elementen die tot overcompensatie aanleiding (kunnen) geven uit het aanpassingssysteem geschrapt. De vraag die zich hierbij voordoet is de volgende. Is het niet waarschijnlijk dat bovenstaande beloningscomponenten -welke buiten de automatische halfjaarlijkse aanpassingen gaan vallen -op een min of meer toevallige, in ieder geval historisch bepaalde, keuze berusten, en dat na verloop van een aantal jaren nieuwe beloningscomponenten zich zullen voordoen waarvan het minder wenselijk wordt geacht dat deze in de welvaartsvaste koppeling worden waargenomen? Moet dan niet gebruik worden gemaakt van de moge-Iijkheid het aanpassingssysteem periodiek bij te stellen, zodat na verloop van tijd blijkt dat de definitieve regeling helemaal niet zo definitief is? Verkeren we dan in feite niet in dezelfde situatie als waarin we nu zitten, nl. het wettelijk vastleggen van het aanpassingssysteem? Deze leden wezen in dit verband vooral op de voorgestane herstructurering in de beloningssfeer op grond van de herwaardering van vuil, zwaar en onaangenaam werk. Naar hun mening kan een dergelijke herstructurering niet goed plaatsvinden in-dien niet het gehele functiewaarderingssysteem, dus niet alleen voor deze beperkte groep van werknemers, ter discussie wordt gesteld en daaraan opnieuw en gestructureerd vorm wordt gegeven. Het is niet ondenkbaar dat daaruit een aantal beloningscomponenten voortvloeien, waarvan het door de Regering niet wenselijk wordt geacht dat die in het aanpassingssysteem worden opgenomen.

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nr. 6

De voornaamste argumenten die de Regering aanvoert voor de wijziging van het aanpassingsmechanisme zijn gebaseerd op de berekeningswijze van de minimumlonen. De Regering erkent dat een aantal van deze elementen niet van toepassing zijn op de sociale uitkeringen. De leden van de CPN-fractie waren echter van mening dat de berekeningswijze van de sociale uitkeringen, zoals die tot dusverre geschiedt, met argumenten onderbouwd tot stand is gekomen en dat de door de Regering als ongewenst beschouwde «uiteenlopende ontwikkeling» zou kunnen worden voorkomen door de sociale minima aan te passen. Achten de bewindslieden het niet gewenst bij het bepalen van de sociale minima niet alleen te letten op het minimumloon maar ook rekening te nouden met de verschillende budgetonderzoeken die zijn uitgevoerd en waaruit is gebleken dat de sociale minima niet in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud kunnen voorzien? Zijn zij niet van mening dat de onderhavige voorstellen de nood van deze groepen zal doen toenemen? De door de bewindslieden voorgestelde maatregelen tegen de door hen als ongewenst beschouwde «uiteenlopende ontwikkeling» zal hierdoor plaats maken voor een nog meer ongewenste uiteenlopende ontwikkeling tussen verdiende lonen en sociale uitkeringen en -minima. De leden van de CPN-fractie stelden echter met nadruk dat de gedachte die ten grondslag ligt aan de sociale verzekeringen gericht was op het compenseren van het verlies aan inkomen dat een werknemer zou ondervinden bij het wegvallen van werkgelegenheid of van de capaciteit tot werken. Zijn de bewindslieden niet van mening dat de gevolgen van de voorgestelde maatregelen erop duiden dat deze grondgedachte wordt losgelaten? Hebben de bewindslieden zich dit gerealiseerd? En waarop baseren zij het loslaten van deze -essentiëlegrondgedachte? Behalve de reeds door hen naar voren gebrachte bezwaren tegen de haast waarmee de onderhavige voorstellen moeten worden behandeld, hadden deze leden grote moeite met het op zijn juiste waarde beoordelen van het wetsontwerp zonder precies te weten welke de effecten ervan op de uitkeringen en op de hoogte van het minimumloon zullen zijn. Kunnen de bewindslieden in belangrijke mate aangeven welke de effecten zijn op de hoogte van de uitkeringen in elke categorie? Daar waar door deze leden is opgemerkt dat naar hun mening de berekeningswijze van de sociale uitkeringen met argumenten onderbouwd tot stand is gekomen, vroegen zij de bewindslieden ten slotte nog of zij niet van mening zijn dat dit ook geldt voor de stijging van de post incidenteel en dat als gevolg van deze zorgvuldigheid de exponent incidenteel loon moet worden opgenomen in het aanpassingsmechanisme van minimumloon en sociale uitkeringen.

Het lid van de GPV-fractie stemde in met het voornemen om minimumloon en sociale uitkeringen gekoppeld te houden aan de ontwikkeling van de regelingslonen. Koppeling aan het prijsniveau, zoals om budgettaire redenen wel wordt bepleit, wees dit lid af omdat de ontwikkeling van het prijsniveau te veel toevalligheidsfactoren kent en omdat inkomens met inkomens dienen te worden vergeleken. De voorgestelde aanpassingen in de brutosfeer die elementen betreffen met een al te specifiek karakter, leken dit lid verbeteringen van het thans geldende systeem.

Het lid van de DS'70-fractie kon zich in het algemeen verenigen met het uitgangspunt, dat bij de vaststelling van aanpassingsnormen voor mini-mumloon en minimumvakantietoeslag aansluiting wordt gezocht bij de loonontwikkeling in het bedrijfsleven. Dit geldt evenzeer voor de sociale uitkeringen. Dit lid vroeg vervolgens het oordeel van de Regering over de stelling, dat de aanpassing van het minimumloon het eertijds gestelde uitgangspunt van het volgen van de algemene welvaartsontwikkeling te boven is gegaan. Zouden de bewindslieden dit als een «systeemfout» willen kwalificeren? Kunnen de bewindslieden informatie verstrekken of en zo ja welke sectoren in hun voortbestaan zouden worden bedreigd bij handhaving van het huidige brutoaanpassingssysteem? Om hoeveel minimumloontrekkers en overige loontrekkers gaat het daarbij precies?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Zien de bewindslieden in het door hen voorgestane beleid handhaving of een relatieve verslechtering van de positie van het minimuminkomen in het loongebouw?

II. 2. Het wijzigingsvoorstel

A. Voortaan buiten beschouwing te laten

beloningscomponenten

Naar aanleiding van de toelichting bij het regeringsvoorstel betreffende de zogenaamde herstructurering vroegen de leden van de PvdA-fractie naar een nadere uiteenzetting over het in hun ogen bestaande verschil tussen sectorgebonden herstructureringen en functiegebonden herstructureringen. Wanneer is naar het oordeel van de Regering sprake van herstructurering van de beloning? Is de Regering er zich van bewust dat bepaalde gewenste veranderingen, verhogingen meestal, van lonen worden overeengekomen onder de noemer van structuurveranderingen, terwijl het in feite gaat om de verdeling van een deel van de initiële verhoging? De Regering is ter zake zeer aangewezen op de informatie van c.a.o.-partijen, waarbij zelden ook inzicht in de werkelijke bedoelingen wordt verschaft. Heeft de Regering zich al een voorstelling gemaakt van de wijze waarop in ca.o.'s uitvoering gegeven zal kunnen gaan worden van de door haar gewenste verbetering in beloning voor vuil, zwaar en onaangenaam werk? Hoe kan worden voorkomen dat onder deze uitnodigende benaming verhogingen worden overeengekomen voor grotere groepen, en deze verhogingen toch niet doorwerken in de index? Kan de Regering aangeven in welk geval functiegebonden herstructureringen naar haar mening niet mogen doorwerken? Wat dient er te gebeuren bij een totale functiewaardering met financiële gevolgen in een bepaalde bedrijfstak? Daar de begrippen sectorgebonden en functiegebonden herstructureringen niet eenduidig vastliggen, hadden deze leden de volgende principiële vraag aan de Regering: Is het juist dat een technisch uitvoeringsorgaan als het CBS zich moet bezighouden met het interpreteren van c.a.o.-gegevens? Acht de Regering het gevaar dan niet erg groot dat het werk van het CBS hierdoor in een politiek vaarwater komt? Voor wat betreft de zogenaamde minimumlooneffecten vroegen de leden van de PvdA-fractie of de Regering nader cijfermatig inzicht kan geven in opgetreden directe en indirecte effecten van de opstuwende werking van verhogingen van het minimumloon. Hoeveel ca.o.'s zijn de laatste vijf jaren gepasseerd waarin de laagste loonschalen werden opgetrokken tot het niveau van het minimumloon en hoeveel werknemers betrof dat? Deze leden zouden hetzelfde willen weten voor zover sprake is geweest van het hanteren van het minimumloon als schaalloon. Met betrekking tot het zogenaamde indirecte effect, namelijk verhoging van naastliggende hogere loonschalen, zouden deze leden graag meer in-zicht hebben in de feitelijke ontwikkelingen ter zake gedurende ook bij voorbeeld de laatste vijf jaar. In hoeverre meent de Regering dat kan worden aangetoond dat de verhogingen van deze schalen het gevolg zijn van de verhoging van het minimumloon? Zullen partijen niet altijd een argumentatie weten te vinden als zij van mening zijn dat bepaalde lagere loonschalen moeten worden opgetrokken? Hoe kan de argumentatie en dus de doorwerking in de index worden uitgesplitst in het effect van minimumloonverhogingen enerzijds en andere overwegingen anderzijds? Deze leden meenden dat echte haasjeovereffecten zo enigszins mogelijk moeten kunnen worden geëlimineerd. Zij meenden echter dat met die intentie niet ook andere ontwikkelingen in lagere loonschalen buiten de index mogen worden gehouden, anders dan die controleerbaar het gevolg zijn van de verhoging van het wettelijk minimumloon zelf. Deze leden konden op zich instemmen met het buiten beschouwing laten van verhogingen van de vakantiebijslagen. Zij meenden echter dat daartoe niet kan worden besloten zonder zekerheid dat voor de zelfstandige ontwikkeling van het wettelijk minimumloon een bevredigende indexering is vastgelegd in de wet en de achterstandsproblematiek is opgelost.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Het was de leden van de CDA-fractie nog niet volstrekt duidelijk geworden of effecten van herstructureringen nu wel of niet bleven doorwerken via de brutoaanpassingsmechanismen. Daarbij dachten zij bij voorbeeld aan herstructureringsinspanningen die primair met arbeidsomstandigheden van doen hebben. Het kan toch niet de bedoeling zijn om als effect daarvan een verhoging van uitkeringen en minimumloon te verkrijgen. Juist een positieverbetering van zulk een aard wordt beoogd. Hoe kiest het wetsontwerp hier positie? Deze leden realiseerden zich overigens wel, dat het niet laten doorwerken van deze effecten veronderstelt, dat ook bepaalde soorten arbeid in benedenwaartse of bovenwaartse richting verschuiven. In feite doet zich dat ook voor. Ook dan is het toch niet de bedoeling bij voorbeeld een lagere salarië-ring van academici tot lagere uitkeringsbedragen en lager minimumloon te doen leiden?

De leden van de VVD-fractie onderschreven de stellingname dat het om een consistent verloop binnen de categorie sociale uitkeringen te waarborgen noodzakelijk is alle componenten, die bij de aanpassing van het mini-mumloon buiten beschouwing worden gelaten, ook bij de sociale uitkeringen niet te laten doorwerken. Het schonen van de regelingsloonindex van sectorgebonden respectievelijk specifiek functiegebonden herstructureringen leek hun logisch. Maar dergelijke herstructureringen kosten tijd. Wanneer in de tussentijd met toeslagen wordt gewerkt, dienen die bij latere verwerking dan ook niet uit de regelingsloonindex te blijven? De eindejaarsuitkeringen dienen evenals de vakantietoeslag buiten de automatische halfjaarlijkse aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen gehouden te worden. Dit had de volle instemming van deze leden. Als sluitstuk willen de bewindslieden de eindejaarsuitkering ook formeel uit het begrip loon in de zin van de Wet minimumloon elimineren. Is het wel juist de eindejaarsuitkering daarbuiten te brengen, wanneer aan het einde van het jaar het totaal in dat jaar verdiende loon getoetst wordt aan het minimumloon? Verdraagt zich dat met het garantiekarakter van het minimumloon? Hoe is dat met overwerkvergoedingen? Alhoewel de bewindslieden van mening zijn dat het beginsel van gelijke beloning voor vrouwen en mannen buiten de aanpassing zou moeten worden gehouden zien zij van effectuering af. Kan aangegeven worden wat het stijgingspercentage in de afgelopen jaren van deze component in de regelingsloonindex is geweest? Wat maakt effectuering van het buiten de aanpassing houden van deze component zo gecompliceerd?

De leden van de fractie van D'66 vonden dat loonsverhogingen met een specifiek sectorgebonden karakter in het kader van herstructurering niet buiten de indexatie voor de sociale uitkeringen gelaten behoren te worden. Uitgaande van de gedachte dat koppeling aan de werkelijk verdiende lonen op haar plaats is, achtten zij het logisch dat ook zulke loonsverhogingen in de in-dexbepaling worden meegewogen als welvaartsverhoging, zoals dat ook gebeurt bij de verbeteringen in arbeidsvoorwaarden bij één bepaalde ca.o. Herstructurering zou verder alleen bij de aanpassing van het minimumloon buiten beschouwing kunnen blijven, aldus deze leden, als de herstructurering geen betrekking heeft op groepen in de minimumloonsector. Deze leden konden er begrip voor hebben dat ernaar gestreefd wordt door de Regering om een zelf opstuwende werking van het minimumloon ongedaan te maken. Het aanpassingsmechanisme moet garanderen dat de relatieve plaats van het minimumloon in het loongebouw gehandhaafd wordt en dat het minimumloon zichzelf niet opstuwt. Op die grond ondersteunden zij het voorstel de directe effecten van het optrekken van het minimumloon uit het aanpassingsmechanisme te verwijderen. Het gaat hier om de effecten van het optrekken van de schaalloonbedragen tot het minimumloon en het verhogen van het minimumloon wanneer dit als schaalloon in sommige Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

ca.o.'s is opgenomen. Deze leden maakten echter bezwaar tegen het gelijktijdig uitzuiveren van het indirecte effect, de verhogingen van de schaallonen om de afstand tot het minimumloon te handhaven. Deze dienen huns in-ziens bij de aanpassing van de sociale uitkeringen meegewogen te worden. Deze leden gingen akkoord met het voorstel om de vakantietoeslag buiten de automatische halfjaarlijkse aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen te houden. Zij maakten echter bezwaar tegen de eliminatie van de eindejaarsuitkeringen aangezien deze als integrale onderdelen, zij het van wisselende betekenis, van de totale arbeidsbeloning beschouwd moeten worden. De leden van de SGP-fractie vroegen wat nu eigenlijk precies verstaan wordt onder het begrip herstructurering. Is inderdaad de gewekte suggestie onjuist dat een dergelijke maatregel altijd een grotere loonstijging dan gemiddeld zal betekenen? Worden dergelijke maatregelen in een groot aantal gevallen niet juist doorgevoerd om een bij de c.a.o.-onderhandelingen overeengekomen initiële loonsverbetering op een gedifferentieerde wijze in de loonschalen te verwerken? Met betrekking tot de zgn. eindejaarsuitkering het volgende. Overcompensatie vindt idem plaats wanneer in een bepaalde ca.o. of individuele arbeidsovereenkomst tot invoering van een eindejaarsuitkering wordt besloten. Om tot een juiste beoordeling te komen, is volgens deze leden de vraag legitiem of laatstgenoemde invoering van de eindejaarsuitkering veel voorkomt. De leden van de CPN-fractie vroegen de bewindslieden een nadere uitleg te geven van wat zij bedoelen met «een specifiek sectorgebonden karakter». Kunnen de bewindslieden voorts op basis van een realistisch cijfervoorbeeld aangeven hoe in de laatste twee jaar zgn. «cumulatieve effecten» zijn opgetreden? Zijn de bewindslieden niet van mening dat een «consistent verloop» nauwelijks een aanleiding is om ook ten aanzien van de sociale uitkeringen de directe en indirecte minimumlooneffecten buiten de aanpassing te houden, wanneer zij zelf al constateren dat het «zelfopstuwend effect van het minimumloon» daartoe geen reden is? Deze leden verwezen hierbij ook naar hun in de vorige paragraaf gemaakte opmerkingen. De leden van de CPN-fractie waren voorts van mening dat vakantiebijslag, eindejaarsuitkeringen en spaarloon behoren tot het normaal verdiend loon. Naar hun mening zijn door de Regering op geen enkele wijze steekhoudende argumenten aangevoerd waarom deze factoren buiten de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen zouden dienen te worden gehouden. In de memorie van toelichting wordt slechts geconstateerd dat dit «voor de hand ligt», of -zoals ten aanzien van het spaarloon -dat «het niet wenselijk is dat via de aanpassingsmechanismen ontwikkelingen op het terrein van het spaarloon bij deze inkomenscategorieën zouden leiden tot toeneming van het besteedbare inkomen» (blz. 11, bovenaan). Kan de Regering met name die laatste mededeling duidelijker verklaren?

Naar het oordeel van het lid van de DS'70-fractie stelt de Regering in principe terecht voor sectorgebonden of functiegebonden herstructurering niet meer in de berekening op te nemen. Het is in dit verband echter wel sterk de vraag of sectordan wel functiegebonden elementen altijd op principieel en operationeel verantwoorde wijze te onderkennen zijn. Kunnen de bewindslieden een meer concreet inzicht verschaffen in wat zij verstaan onder sectorspecifieke elementen? Dit lid vroeg zich af hoe de indieners het uitzuiveren van de zgn. indirecte effecten -te weten het verhogen van de schaallonen om de afstand tot het minimumloon te handhaven -kunnen verdedigen. Het gaat hier toch om een door de contractpartners vrijwillig aangegane overeenkomst waarvan de consequenties bekend zijn?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

B. Het toerekenen naar niveau

De leden van de PvdA-fractie konden instemmen met de intenties van de Regering om de effecten van vloeren, vaste bedragen en van aftopping op niveau toe te passen. Gezien de voorgestelde techniek vroegen zij zich echterwel af, of deze minimumloners en uitkeringstrekkers nog wel de mogelijkheid hebben om de hun toekomende verhogingen na te rekenen. Tevens is het de vraag of alle bestaande nivelleringstendenties van de in-komens ook wel op een rechtvaardige manier worden doorgegeven aan het minimumloon. In dit verband vroegen deze leden zich af of de effecten van aftopping wel voldoende zichtbaar zullen worden omdat deze zich voor een groot deel afspelen in lonen die niet in ca.o.'s worden geregeld. Hoe kan dan toch een juiste toerekening plaatsvinden naar minimumloon en sociale uitkeringen? Deze leden waren er verbaasd over dat de Regering ervan heeft afgezien ook de toeslagverwerking naar niveau toe te rekenen. Is niet juist in het algemeen sprake van toeslagverwerking voor een bepaald aantal groepen en niet voor alle loongroepen? Moet dan niet gekozen worden voor doorrekening naar niveau? Deze leden erkenden uiteraard de technische moeilijkheden die met de toerekening samenhangen. Kan de Regering echter uitleggen waarom deze toerekening zoveel moeilijker is dan bij voorbeeld een in-terpretatie van het begrip herstructurering, minimumlooneffecten, etc? In dit verband wilden deze leden weten of de commissie analyse van het CBS niet een belangrijk hulpmiddel kan zijn voor het oplossen van de technische problemen die samenhangen met het toerekenen naar niveau.

Een viertal beloningscomponenten willen de bewindslieden in principe naar niveau toerekenen, te weten de initiële verhogingen in vaste bedragen, de vloeren in de prijscompensatie, de toeslagverwerkingen en de loonsverbeteringen als gevolg van stijging van het werknemersdeel van de pensioenpremie. Met de toerekening naar niveau van initiële verhogingen in vaste bedragen hadden de leden van de VVD-fractie geen enkele moeite. An-ders ligt dat met de niveautoerekening van de vloeren in de prijscompensatie. Worden vloeren niet veelal overeengekomen om de afstand tussen het minimumloon en de daarboven gelegen loonschalen te handhaven? Zou verwerking van de vloeren in het minimumloon dit niet weer teniet doen, vervolgens uitstralingseffecten oproepend? Zijn vloeren op zich geen uitstralingsverschijnselen, wanneer ze overeengekomen worden om afstand te houden tot het minimumloon? Zo ja, dienen ze dan niet per definitie buiten het aanpassingsmechanisme gehouden te worden als consequentie van de ingenomen stelling dat uitstralingseffecten vermeden dienen te worden? Vraagpunt voor de aan het woord zijnde leden was of toeslagverwerkingen in beginsel dienen doorte werken in minimumloon en sociale uitkeringen. Heeft nu juist de verwerking van de bouwca.o."toeslagen niet overduidelijk aangetoond wat voor disproportionele uitwerking dit element op de regelingsloonindex kan hebben? Zou het daarom niet juister zijn om toeslagverwerkingen in beginsel niet door te laten werken en ten tijde van bijzondere verhogingen daarvoor compensaties te bieden indien het ontstane verschil tussen verdiende lonen en geschoonde regelingsloonindex daar aanleiding toe geeft? Deze leden begrepen niet hoe zij de zinsnede moesten interpreteren «Toeslagverwerkingen zijn, waar de toeslagen op het moment van verwerken hun differentiërend karakter geheel verliezen, juist daardoor met recht te karakteriseren als loonsverbeteringen meteen algemeen karakter» (blz. 11, voorlaatste alinea). Kan dit met een voorbeeld verduidelijkt worden? Zij zagen niet in hoe bij voorbeeld gevarentoeslagen of vuil-en onaangenaam werktoeslagen voor werkzaamheden die daar aanleiding toe geven na verwerking als loonsverbetering met een algemeen karakter dienden te worden aangemerkt. Kan een overzicht gegeven worden van alle bekende, nog niet verwerkte toeslagen? Hoe omvangrijk is het toeslagendeel dat dateert van Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

respectievelijk vóór en na de inwerkingtreding van de Wet minimumloon en dat nog voor verwerking in aanmerking komt? Welk stijgingseffect kan dit op de regelingsloonindex nog hebben? Wat gaat het kabinet doen, indien de bouwsector opnieuw tot toeslagverwerking overgaat? Wat gaat het kabinet doen met de verwerking van toeslagen, die voortvloeien uit een specifieke sectorsituatie zoals de verwerking van gevarentoeslagen in de chemische in-dustrie? Vraagpunt voor deze leden was verder de toerekening naar niveau van de aanpassing van schaallonen als gevolg van looncompensaties voor gestegen werknemersbijdragen in de pensioenpremie. Indien een achterstand op dit punt bestaat in een bepaalde bedrijfstak kan bij het c.a.o.-overleg een in-haal worden bedongen via een verhoging van de werknemerspremie met gelijktijdige looncompensatie. Komt deze inhaaloperatie als zodanig in de regelingsloonindex dan bevoordeelt dat werknemers in bedrijfstakken, die reeds goede pensioenvoorzieningen kennen. Zijn we nu juist niet bezig dit soort oneigenlijke elementen te elimineren? Met betrekking tot de door het kabinet voorgestelde «geschoonde» regelingsloonindex vroegen deze leden zich ten slotte nog af in hoeverre met deze nieuwe regelingsloonindex voorkomen kan worden dat in de toekomst in de zwakkere bedrijfstakken het minimumloon de schaallonen inhaalt.

De leden van de fractie van D'66 waren erover verheugd dat de Regering nu voorstelt om beloningselementen die in de lonen duidelijk naar niveau verschillend werken, zoals vloeren in de prijscompensatie en verhogingen in de vorm van vaste bedragen, ook naar niveau toe te rekenen. Zij zagen hierin een vorm van toepassing van de gedachte van zogenaamde «deeltrends», een gedachte die zij met name bij de berekening van de ambtenarentrend reeds geruime tijd hadden bepleit, maar die tot nu toe door de Regering was afgewezen. Het toerekenen naar niveau riep bij de leden van de SGP-fractie één enkele vraag op. Blijkens de memorie van toelichting komt het sporadisch voor dat een toeslagverwerking slechts op een beperkt aantal loonklassen in een ca.o. betrekking heeft. Zou zich echter een zo beperkte toeslagverwerking voordoen, dan zou desniettemin toerekening naar niveau gewenst zijn. Maar, zo lazen zij, bij de nadere uitwerking is gebleken dat voorshands de toerekening van deze component zodanige complicaties met zich brengt dat van het effectueren van deze toerekening moet worden afgezien, mede gelet ook op de marginale materiële betekenis. Dat zij zo, maar zou nader ingegaan kunnen worden op deze te verwachten technische complicaties?

C. Technische

aspecten

De leden van de PvdA-fractie waren onder de indruk van de ingewikkeldheid van de technische uitwerking van het systeem van toerekening. Graag zouden zij een aantal rekenvoorbeelden van de Regering willen hebben aan de hand waarvan zij de rekentechniek beter zouden kunnen beoordelen. Uitgaande van de principiële grondgedachte dat zoveel mogelijk een parallelle inkomensontwikkeling voor de verschillende inkomensniveaus moet worden nagestreefd, vroegen deze leden zich af, of het voor de bovenminima mogelijk is de index van de regelingslonen of de index van de verdiende lonen zo in te richten, dat er indexcijfers voor verschillende loonniveaugroepen ontstaan, waarvan de ontwikkeling bepaald wordt door de ontwikkeling van de vergelijkbare inkomensniveaus van werkenden in de particuliere sector, zodat direct toerekening naar niveau plaatsvindt en niet eerst een stijging volgens het indexcijfer en vervolgens een correctie naar niveau. Gezien de ingewikkeldheid van het systeem wilden deze leden graag het standpunt van de Regering weten over mogelijke aanknopingspunten voor Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

de opzet van een andere toerekeningstechniek, die de studie van de heer Van den Doel kan bieden om nivelleringseffecten toe te rekenen. De Regering veronderstelt dat door interpolaties en extrapolaties op aanvaardbare wijze toerekening naar niveau kan worden bereikt. De verantwoordelijkheid voor de te hanteren methodiek ligt bij de Minister van Sociale Zaken. Naar het oordeel van deze leden doet zich hierbij de vraag voor of hier niet sprake is van een aantasting van de onafhankelijkheid van het CBS. Kan de Regering het CBS dit soort voorschriften geven zonder dat sprake is van overschrijding van de grens tussen wetenschappelijke toepassing en politieke beslissingen? Kan de Regering uitleggen waarom zij voor de toerekening van vloereffec ten voor de bovenminima kiest voor een bepaald loonniveau en waarom dan juist het loonniveau dat 15% hoger is dan het wettelijke minimumloon? Indien wordt besloten tot een systematiek waarbij in een algemene maatregel van bestuur de gehele uitvoering van het globale beginsel van het aanpassingscriterium wordt vastgelegd, meenden deze leden dat een dergelijke algemene maatregel van bestuur twee maanden voor inwerkingtreding zou dienen te worden gepubliceerd, zodat een nadere discussie daarover mogelijk is. Is de Regering bereid om ook de SER advies te vragen alvorens een dergelijke algemene maatregel van bestuur wordt gepubliceerd?

Wat betreft de technische aspecten van de voorgestelde «geschoonde» regelingsloonindex merkten de leden van de VVD-fractie nogmaals op dat de toerekeningsmethodiek zo ingewikkeld en verfijnd wordt dat die door slechts weinigen te volgen en te controleren zal zijn. Kan aan de hand van in het verleden liggende gegevens een rekenvoorbeeld van deze toerekeningsmethodiek inclusief interpolatie en extrapolatie voor de bovenminimale uitkeringen worden gegeven? Zullen in de toekomst ook de ca.o.'s van de trendvolgers -met name die van het omvangrijke ziekenhuiswezen -weer worden meegenomen? Dienen, gezien het volgende karakter van de ca.o.'s van de trendvolgers, deze ca.o.'s daar niet buiten gehouden te worden? De beschreven toerekeningsmethodiek zal door het CBS worden uitgevoerd. De verantwoordelijkheid voor deze methodiek ligt bij de Minister van Sociale Zaken. Waarom ligt de verantwoordelijkheid in dezen niet mede bij de Ministervan Economische Zaken, onder wiens toezicht het CBSfunctioneert?

II. 3. De aanpassing van de premieplichtige inkomens De leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de beschouwingen over effecten van het optreden van complicaties als gevolg van onder meer het niet doorwerken van de bouwc.a.o. Zij zouden graag inzicht hebben in de effecten op de premieplichtige inkomens en de toelatingsgrens van het niet-doorwerken van bouw-en uitzendca.o.'s. Tevens vernamen zij gaarne tot welke premiestijging wel doorwerking en toerekening naar niveau, waarvan blijkens de regeringsvoornemens wordt afgezien, zou hebben geleid.

Wanneer zal de interdepartementale werkgroep haar studie over heffingsgrondslagen afronden, en wanneer kan publicatie daarvan door de Minister worden tegemoet gezien?

De leden van de VVD-fractie vroegen zich af of de bewindslieden niet in-consequent waren op dit punt. Enerzijds stelden zij een geschoonde naar niveau toegerekende regelingsloonindex voor bij de aanpassing van mini-mumloon en sociale uitkeringen. Anderzijds willen zij de premie-inkomensgrenzen voor de volksverzekeringen en de toelatingsgrens jaarlijks verhogen of verlagen met de geschoonde, niet naar niveau toegerekende regelingsloonindex. Dit is opnieuw een voorbeeld dat in het gebied van de middengroepen met twee maten wordt gemeten.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Verder vroegen deze leden waarom bij de aanpassing van de premie-inkomensgrenzen in 1979 de effecten van bouw-en uitzendc.a.o.'s niet geëlimineerd zijn.

Met betrekking tot de aanpassing van de premieplichtige inkomens zouden de leden van de fractie van de SGP het volgende willen vragen. Thans wordt voorgesteld in afwachting van een interdepartementale studie inzake de heffingsgrondslagen van de sociale verzekeringen de premie-inkomensgrenzen voor de volksverzekeringen en de toelatingsgrens jaarlijks te verhogen of te verlagen met de geschoonde, niet naar niveau toegerekende regelingsloonindex. Wat betekent dit voor de voormelde genoemde hogere premiepercentages?

II. 4. De aanpassing van de rijksbijdragen in de sociale fondsen De leden van de CPN-fractie vroegen of de bewindslieden kunnen meedelen wat de «opbrengst» is van de hier voorgestelde jaarlijkse aanpassing van de rijksbijdrage in de sociale fondsen met de geschoonde regelingsloonindex. Op welke fondsen heeft dit precies betrekking en welke zijn de budgettaire consequenties per fonds?

II. 5. Bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels van het gebruikelijke aanpassingsmechanisme De leden van de PvdA-fractie vroegen of uit de mededeling van de Regering, dat thans niet wordt overgegaan tot het creëren van een bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties de werking van de aanpassingmechanismen in negatieve zin te doorbreken, mag worden afgeleid dat de Regering, zolang niet een ander SER-advies is uitgebracht, zal afzien van het in negatieve zin doorbreken van het aanpassingsmechanisme als zich een uitzonderlijke situatie voordoet. De hier aan het woord zijnde leden meenden uit de toelichting van de Regering te mogen opmaken dat, indien zich in de bouwc.a.o. een soortgelijke ontwikkeling voordoet als zich in 1978 en 1979 voordeed, dan niet besloten zal worden tot het doorbreken van de aanpassingsmechanismen. Kan de Regering bevestigen, dat het afzien van de bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties de werking van het aanpassingsmechanisme in negatieve zin te doorbreken, ook betekent dat zij tevens afziet van deze bevoegdheid, die in de verschillende afzonderlijke wetten zoals AOW, WAO etc. wordt geboden? De leden van de V.V.D.-fractie waren het ermee eens dat het kabinet in uitzonderlijke situaties de bevoegdheid moet hebben, gehoord de SER en gecontroleerd door het parlement, van de gebruikelijke aanpassingssystematiek af te wijken. De zwaar verstorende effecten van de bouwtoeslagverwerkingen en de uitzendc.a.o. op het algemeen sociaal-economisch beleid spreken voor zich. Toch dient het aantal voorzienbare gevallen tot een mini-mum beperkt te worden. Daarom bleef het voor deze leden een groot vraagpunt of toeslagverwerkingen in beginsel dienen door te werken in mini-mumloon en sociale uitkeringen. Op dit punt zullen zich immers de grootste verrassingen kunnen blijven voordoen. Doorbreking van de werking van de aanpassingsmechanismen mag geen op zichzelf staande, geïsoleerde maatregel zijn, schrijven de bewindslieden. Daarom overwegen zij dit vraagstuk nader schriftelijk aan de SER voor te leggen. Heeft de SER hier echter niet reeds op 5 oktober over geadviseerd, zo vroegen deze leden?

Met betrekking tot de bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties een neerwaartste afwijking van de loonontwikkeling mogelijk te maken wordt opgemerkt dat daartoe alleen in uitzonderlijke situaties mag worden overgegaan.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Met welke nadere overwegingen, zo vroegen de leden van de S.G.P.-fractie zal dit vraagstuk aan de SER worden voorgelegd?

Ten aanzien van de bevoegdheid van de Regering om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels van het gebruikelijke aanpassingsmechanisme vroegen de leden van de CPN-fractie zich af of dit de bedoeling heeft de Regering een mandaat te geven voor een afwijking van de regels die betrekking hebben op de voorgenomen geschoonde index. Zijn de bewindslieden niet van mening dat de uitvoering van de sociale wetgeving en de bepaling van de sociale minima vooral een zaak is van werknemers en werkgevers en dat het voornaamste aandeel van de Regering hierin moet bestaan uit het regelen van de financiering van de sociale wetgeving? Het verzet tegen het afwijken van het gebruikelijke aanpassingssysteem is tot uiting gekomen in het standpunt van de werknemersorganisaties in de SER. Zijn de bewindslieden niet van mening dat het niet de taak van de Regering is om -ondanks de daar gebleken verschillen van inzicht tussen werkgevers-en werknemersorganisaties, waarbij de belangrijkste verantwoordelijkheid berustonderhavige voorstellen er door te drukken?

II. 6. De na-ijlingsproblematiek De leden van de PvdA-fractie meenden dat bij de keuze van de indexeringssystematiek mede gelet moet worden op de na-ijlingsproblemen die ontstaan en die verschillend zijn bij de twee bestaande systemen. Zij hadden zich bij hun voorkeur voor een index van verdiende lonen mede laten leiden door de overweging dat na-ijling voorkomen kan worden door de resultaten van deze index minder ver te laten achterlopen bij die van de index der regelingslonen alsmede door de mogelijkheid open te houden om met voorindexering te werken. Hun voorkeur wordt vooral bepaald door de overweging dat schoksgewijze ontwikkelingen, zoals optreden bij de verwerking van toeslagen, zo mogelijk moeten worden voorkomen, en overigens de ontwikkeling van de verdiende lonen moet worden gevolgd, uiteraard na eliminering van een enkel element.

Het leek de leden van de VVD-fractie alleszins gewenst de kwestie van de na-ijling -welke ook aan het gewijzigde aanpassingssysteem is verbonden -grondig te bezien. Vooral onder omstandigheden, waarbij de koopkrachtontwikkeling voor de uitkeringstrekkers op en boven het minimum wordt gegarandeerd, vraagt het na-ijlingseffect van de regelingsloonindex ten opzichte van de loonontwikkeling om compensaties (zoals de voorindexering van de uitkering met 1 % per 1 oktober) die in een later jaar onbedoelde nieuwe compensaties kunnen uitlokken.

III. MINIMUMVAKANTIEBIJSLAG

III. 1. Bijstelling van het wettelijke minimumpercentage onder gelijktijdige correctie van het minimumloonniveau De leden van de PvdA-fractie konden instemmen met een verhoging van de minimumvakantiebijslag van 7 naar 8%. Zij waren echter voorshands niet overtuigd van de argumenten voor de noodzaak van een vermindering van het minimumloon met 1 % en het feit dat de Regering het niet nodig vindt de vakantiebijslag ook te indexeren. Kan de Regering uitleggen waarom er een discrepantie bestaat tussen de tekst in de memorie van toelichting, waarin ten aanzien van de bovenminima in de WAO gesproken wordt van een verschuiving van 1 % van de maandelijkse uitkering naar de vakantiebijslag, terwijl voor de overige groepen sprake is van gelijktijdige en evenredige correctie van het wettelijk mini-mumloon en de tekst in de artikelgewijze toelichting (Artikel III), Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

waarin sprake is van een niveaucorrectie van het minimumloon met 1 % met een gelijktijdige verhoging van de minimumvakantiebijslag met 1 %? Deze leden vroegen zich ook af in hoeverre de voorgestelde operatie door mensen met sociale uitkeringen kan worden begrepen. Zij moeten de redenering volgen, dat ten einde hun vakantietoeslag op het niveau van het bedrijfsleven te brengen, hun maandelijkse uitkering eerst moet worden verlaagd om vervolgens later in het jaar de achtergebleven, maar dan verhoog-de vakantietoeslag uitbetaald te krijgen. Realiseert de Regering zich ook dat de korting van 1 % reeds per 1 januari ingaat en de verhoogde toeslag pas een paar maanden later wordt uitbetaald? Hierdoor verliezen de uitkeringstrekkers méér dan zij via de verhoogde toeslag terugkrijgen. Het wilde deze leden voorkomen, dat dit alles te veel van het goede is. Deze leden zouden graag een nader inzicht willen hebben in de aantallen werknemers die in het bedrijfsleven een vakantietoeslag hebben die lager is dan 8% en met name hoeveel nog 7% hebben. Zij wilden de Regering er ook op attent maken, dat bij de voorgestelde mutaties zich de situatie kan voordoen dat een bepaalde groep mensen zeer nadrukkelijk in inkomen achteruit gaat. Actief werkenden met het minimumloon, maar met 8% vakantietoeslag in het bedrijf waar gewerkt wordt, zullen een verlaging van het mini-mumloon ondergaan ten behoeve van een vakantietoeslag die voor hen al op het te bereiken niveau ligt. Deze leden vroegen zich af of de Regering in dit geval niet ingrijpt in verworven rechten en wel met terugwerkende kracht. De Regering heeft nog middelen ter compensatie van ongewenste effecten ter beschikking. Kan medegedeeld worden hoeveel middelen er eigenlijk nog zijn? Deze leden waren zich ervan bewust dat de hele redenering van de Regering om de verhoging van de minimumvakantiebijslag te korten op de uitkering staat of valt met het al dan niet bestaan van een achterstand van het minimumloon. Zij zijn op de hoogte van de berekeningen en conclusies van de twee grote minderheden van het SER-advies van juni 1978. Zij wisten echter niet tot welk oordeel de Regering gekomen is. Het gaat daarbij niet om de vraag of een eventuele achterstand van het minimumloon tot gevolg kan hebben dat budgettair moeilijk te dragen effecten optreden, maar uitsluitend om de vraag of, en zo ja in hoeverre, heel feitelijk sprake is van een achterstand. Deze leden zouden het op prijs stellen het standpunt van de Regering over deze kwestie te vernemen. Kan het kabinet uitleggen waarom het op blz. 17 van de memorie van toelichting teruggrijpt op het standpunt van zijn voorganger, terwijl het zelf verantwoordelijk is voor het scheppen van een geheel nieuwe situatie ten gevolge van zijn eigen correctievoorstel? Is bovendien dit teruggrijpen niet in strijd met de grondgedachte van het onderhavige wetsontwerp, dat uitgaat van een welvaartsvaste koppeling door middel van de index van de regelingslonen inclusief bijzondere verhogingen? Hoe groot zijn precies de door de Regering «ongewenst groot» geachte repercussies bij niet gelijktijdige correctie van minimumloon en sociale mini-ma? De ledenvan de CDA-fractie vroegen of zij het juist zagen dat het verhogen van de vakantietoeslag in het minimumloon ( en de sociale uitkeringen ) van 7 tot 8% gebaseerd is op de praktijk ter zake. Is die praktijk bij de minimumloners in feite al zeer wijd verbreid? Betekent dan -zo dit zo zou zijn -dat de «compenserende» maatregel in de maandelijkse minimumloonbedragen weliswaar vanuit de definities van het wettelijk minimumloon rondloopt, maar in de praktijk nogal eens een feitelijke ondercompensatie met zich zal brengen? De leden van de VVD-fractie ondersteunden het voorstel van het kabinet om tot een correctie van plaatsgevonden dubbeltellingen met betrekking tot de minimumvakantiebijslag te komen en voorts verder gaande dubbeltellingen in de toekomst te vermijden. Met de voorgestelde systematiek om enerzijds de effecten van verhogingen van vakantiebijslagpercentages in de col-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

lectieve arbeidsovereenkomsten niet meer door te laten werken in het mini-mumloon en anderzijds de minimumvakantiebijslag als apart beloningsonderdeel aan te passen aan de ontwikkelingen in het bedrijfsleven, waren zij het eens. Zij achtten het eveneens wenselijk om het wettelijk minimumpercentage van de vakantiebijslag te verhogen van 7 naar 8. Dit onder gelijktijdige correctie van het minimumloon en minimumuitkeringsniveau, waarin tot nu toe het gemiddelde effect van de verhogingen van de vakantiebijslagpercentages in het bedrijfsleven zijn verwerkt, en onder gelijktijdige correctie van de uitkeringen boven het minimum. Achterwege laten van beide correcties zou in strijd zijn met de nieuwe systematiek en bovendien onaanvaardbare budgettaire gevolgen hebben.

De leden van de fractie van D'66 waren evenals de Regering van mening dat het gewenst is de minimumvakantiebijslag voor de werknemers en de sociale uitkeringen te brengen van 7 op 8%. Zij konden het billijken dat in verband daarmee gelijktijdig een correctie wordt aangebracht op de brutoaanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen, ten einde dubbeltelling te voorkomen als gevolg van het feit dat de verhoging van de vakantiebijslag in het bedrijfsleven tot nu toe onderdeel uitmaakte van het aanpassingssysteem. De leden van de PPR-fractie informeerden of zij het goed begrepen hadden dat er naar de mening van de Regering een volstrekt nieuwe onevenwichtigheid zou ontstaan, indien er geen correctie van het minimumloonniveau zou plaatsvinden nadat het wettelijke minimumvakantiebijslagpercentage op 8 is gebracht. En acht de Regering het nu geboden, ten einde deze nieuwe «onevenwichtige» situatie te vermijden, deze evenredige correctie wettelijk vast te stellen? Of heeft deze «onevenwichtigheid» zich reeds eerder in het verleden voorgedaan, bij voorbeeld toen voor het laatst het mini-mumpercentage werd verhoogd? Zo ja, wat was toen het effect op het wettelijk minimumloon, de bovenminima in de WAO en het budgettair effect?

Verhoging van het wettelijk minimumpercentage naar 8 had de volle in-stemming van de leden van de CPN-fractie, hoewel zij van mening zijn dat dit percentage voor vele werknemers in de praktijk reeds overschreden wordt en dat met het oog daarop bezien zou moeten worden of niet een hoger percentage meer met de actuele situatie in het bedrijfsleven overeenkomt. Wat is de mening van de bewindslieden hierover? Ten aanzien van de hieraan verbonden correctie van het minimumloonniveau zouden deze leden de bewindslieden willen verzoeken met een op realiteit berustend cijfervoorbeeld aan te tonen hoe de dubbeltelling ontstaat. Zijn de bewindslieden niet van mening dat met de door hen voorgenomen correcties in de WAO en het minimumloon een duidelijke aantasting van de koopkracht ontstaat?

De voorgestelde wijziging ten aanzien van de minimumvakantiebijslag had volgens het lid van de GPV-fractie een enigszins kunstmatig karakter. Hij had er echter oog voor dat deze wijziging als eenmalige ingreep nodig was bij het ingaan van het nieuwe systeem waarin voor overcompensatie geen plaats meer zal zijn. Wel vroeg hij of de Regering wilde ingaan op het commentaar van de FNV dat de voorgestelde wijziging van het minimumloon en de sociale minima voor het eerste halfjaar van 1980 een duidelijk negatieve koopkrachtontwikkeling te zien zal geven.

Dat de Regering bij het verhogen van de minimumvakantietoeslag van 7 naar 8% dubbeltellingen in minimumloon en sociale uitkeringen wil voorkomen was volgens het lid van de DS'70-fractie niet meer dan logisch.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

III 2 De aanpassingssystematiek voor de minimumvakantiebijslag De leden van de PvdA-fractie hadden in het geheel niet begrepen waarom het bij de minimumvakantiebijslag niet zou moeten gaan om het volgen van de ontwikkeling van de gemiddelde vakantiebijslag in het bedrijfsleven. Kan de Regering hun dat nog eens uitleggen? Kan de Regering uitleggen wat zij verstaat onder «het volgen van een op grote schaal gehanteerde ondergrens»? Wat is eigenlijk op grote schaal? Onder welke omstandigheden is naar het oordeel van de Regering een verhoging van de minimumvakantiebijslag rechtvaardig? Op hoeveel ca.o.'s zou een gerechtvaardigde verhoging volgens haar betrekking moeten hebben? Deze leden stonden vooralsnog op het standpunt dat dat nu juist wèl de bedoeling is of zou moeten zijn en dat daarom het volgen van een in de wet op te nemen indexering voor de hand ligt. Zij vroegen de Regering of zij bereid is een dergelijk indexeringsmechanisme in de wet op te nemen ertoe leidend dat eenmaal per jaar een bijstelling plaatsvindt, afgeleid van de ontwikkeling in het bedrijfsleven. Gezien het standpunt van de Regering op blz. 17 van de memorie van toelichting over bijzondere verhogingen vroegen deze leden zich ook af, welke garantie uitkeringsgerechtigden eigenlijk van de Regering kunnen verwachten, dat zij ook na een positief advies van een meerderheid van de SER de verhoging daadwerkelijk zullen ontvangen?

Wat betreft de aanpassingssystematiek van de minimumvakantiebijslag achtten de leden van de VVD-fractie de door het kabinet voorgestelde procedure -zoals die reeds geldt voor bijzondere verhogingen van het minimumloon -juister dan een automatische aanpassing.

Om te voorkomen dat de vakantiebijslag voor de minimumlonen en de sociale uitkeringen geruime tijd zal achterblijven bij de gemiddelde ontwikkeling in het bedrijfsleven, sloten de leden van de fractie van D'66 zich aan bij die helft van de SER, die zich uitsprak voor een automatische aanpassing. Wanneer dit bij de gewone halfjaarlijkse aanpassingen wordt beoordeeld, zal voorkomen kunnen worden dat de betrokkenen drie jaar of langer verstoken blijven van opgetreden verbeteringen in het bedrijfsleven. Dit achterblijven is immers mogelijk als eens in de drie jaar de SER advies wordt gevraagd over een bijzondere verhoging, zoals de Regering voorstelt.

Het lid van de DS'70-fractie had bezwaar tegen het in het leven roepen van een apart aanpassingsmechanisme voor de vakantietoeslag. Hoe meent de Regering zo nog een evenwichtige ontwikkeling te kunnen bevorderen?

III.3 Een wettelijke minimumvloer?

Met betrekking tot een wettelijke minimumvloer vroegen de leden van de PvdA-fractie de Regering nader cijfermateriaal te verschaffen met betrekking tot de feitelijke situatie in het bedrijfsleven. Op welk niveau, zo wilden zij weten, ligt in guldens de gemiddelde vloer in het bedrijfsleven? Hoeveel vakantietoeslag heeft de 37 % voor wie geen vloer in de vakantiebijslag geldt? Hoe hebbende vloeren zich na 1974 ontwikkeld, gelet op het feit, dat uitsluitend in 1974 een half procent verhoging van het minimumloon is beargumenteerd vanuit de ontwikkeling van vloeren in de vakantiebijslagen, en kan worden voorgerekend tot welk percentage van het minimumloon de gemiddelde vloer in het bedrijfsleven leidt, zonder rekening te houden met het deel van het bedrijfsleven dat geen vloer kent? Hoeveel betekent de genoemde 8,5% verhoging nu? Kan de Regering bevestigen, dat er geen dubbeltelling heeft plaatsgevonden voor vloerverhogingen na 1974, behalve wellicht voor actieve mini-mumloners, die ook recht hadden op deze vloeren? Over hoeveel actieven gaat het hier eigenlijk?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Deze leden moeten gezien de laatste zin van deze paragraaf constateren dat de Regering niet bereid is alle consequenties zelfs van haar eigen wetsvoorstel voor haar rekening te nemen. Kan de Regering uitleggen wat nu voorop staat, het te behalen financiële resultaat of een consequente wetgeving? De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of de beschouwing die in de memorie van toelichting ertoe strekt géén vloer in de vakantietoeslag op het niveau van de minimumuitkeringen te leggen, voor het betrekken van die stelling voldoende grond biedt. Wanneer degenen die het wettelijk mini-mumloon verdienen wel over het algemeen zo'n vloer kennen, leidt de in het voorstel gekozen systematiek in beginsel toch tot doorwerking daarvan? Of heeft die doorwerking in diffuse vorm al plaatsgevonden?

De invoering van een wettelijke minimumvloer in de vakantiebijslag achtten de leden van de VVD-fractie minder gewenst. Invoering van zo'n vloer zonder gelijktijdige correctie op het minimumloonniveau achtten deze leden -evenals het kabinet -vanuit een oogpunt van systematiek en gezien de ex-tra lasten, die een zodanige regeling voor bedrijfsleven, sociale fondsen en rijksbegroting met zich mee zou brengen, niet aanvaardbaar.

De leden van de SGP-fractie vroegen wat voor de grootst mogelijke minderheid van de SER precies de overwegingen zijn geweest om de invoering van een wettelijke minirtriumvloer niet gewenst te achten. Alleen dat dat aanleiding zou geven tot een dusdanige extra ophoging dat die in de huidige omstandigheden als onwenselijk zou moeten worden beschouwd? Of zijn er ook mogelijk andere verklaringen denkbaar? Welk bedrag zou gemoeid zijn met het inbouwen van een minimumvloer in de wet?

De leden van de PPR-fractie vroegen of er vanwege het feit dat de Regering niet de suggestie heeft overgenomen om een wettelijke minimumvloer in te voeren, geen sprake is van het doen ontstaan van een nieuwe achterstand van het minimumloon en de sociale uitkeringen op de vakantiebijslag voor de regelingslonen. Op blz. 18 van de memorie van toelichting wordt gesteld dat invoering van een wettelijke minimumvloer tot effect zou hebben dat de feitelijke minimumvakantiebijslag voor het minimumloon op 8,5 % wordt gebracht. Omdat voor het overgrote deel van de werknemers een minimumvloer van toepassing is en een dergelijke vloer niet op het niveau van het minimumloon van toepassing wordt verklaard, ontstaat er een nieuwe onevenwichtigheid, maar dan één waarbij het minimumloon op achterstand wordt gezet ten opzichte van de regelingslonen. Is dit een juiste conclusie? IV. DEFINITIEVE ELIMINERING VAN DE EFFECTEN VAN DE BOUWTOE-SLAGVERWERKING VAN 1 JULI EN 31 DECEMBER 1978 EN VAN DE CAO. VOOR UITZENDKRACHTEN IN DE KANTOOR-EN ADMINISTRATIEVE SEC TOR VOOR HET CONTRACTJAAR 1978

De leden van de PvdA-fractie waren verbijsterd over het feit dat de Regering nog cijfers presenteert, waar het gaat om de effecten van doorwerking van bouw-en uitzendc.a.o., waarbij geen rekening is gehouden met de totaal andere uitkomsten die ontstaan, indien niet wordt uitgegaan van de veertig ca.o.'s waarop het trendbeleid voor ambtenaren is gebaseerd maar op 200 ca.o.'s waarover in het georganiseerd overleg inmiddels overeen-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 6

stemming is bereikt. Zij hadden sterk de indruk dat sterk overdreven cijfers worden gepresenteerd ten einde de onmogelijkheid van doorwerking aan te tonen, een doorwerking waar ook de Regering ten principale voorstander van is. De Regering omzeilt in de toelichting ook het probleem van de tijdstippen waarop de diverse te onderscheiden toeslagen in de bouw zijn ontstaan, zodat beoordeeld kan worden of, en zo ja, in hoeverre, deze in het verleden eerder hebben meegeteld in de ontwikkeling van de index. Zij zouden daarover alsnog door de Regering willen worden ingelicht. Het ontbreekt vooralsnog aan exact cijfermateriaal waaruit blijkt wanneer toeslagen, die nu zijn verwerkt in functieionen, zijn ontstaan en welk deel ervan is of kan zijn verwerkt in de index. Is de Regering bereid hierover alsnog een notitie te produceren? Deze leden stelden zich uitdrukkelijk op het standpunt dat zolang voor de aanpassing van minimumloon, sociale uitkeringen en de vaststelling van de trend voor ambtenaren en trendvolgers wordt uitgegaan van de index van de regelingslonen, de consequentie daarvan is dat verwerking in functielonen van toeslagen, waarvan de introductie of verhoging in het verleden niet van invloed is geweest op de hoogte van de loonindex, op het moment van verwerking zou moeten leiden tot doorwerking in de loonindex. Kan de Regering, zo vroegen zij vervolgens, de laatste zin op blz. 21 van de memorie van toelichting «Die doorwerking is immers strijdig met de algemene matigingsgedachte» nader uitleggen? De hier sprekende leden zagen niet in hoe een bijdrage aan de matigingsgedachte, hetgeen volgens hen in-houdt matiging van toekomstige looneisen, geleverd kan worden door uitkeringsgerechtigden en actieve minimumloners. Dezen vragen immers niets extra's. Zij hebben alleen een achterstand opgelopen. Ook zouden deze leden graag willen weten, of er verschillen zijn in de mate waarin de bouwtoeslagen reeds hebben doorgewerkt in de trend van de ambtenaren, die van de trendvolgers en die van het minimumloon. Kunnen deze eventuele verschillen gespecificeerd worden? Deze leden wezen er vervolgens op dat inderdaad, zoals de memorie van toelichting vermeldt, de Minister van Binnenlandse Zaken een overeenkomstig voorstel in het Centraal Georganiseerd Overleg voor Ambtenarenzaken aan de orde zal stellen. Blijkens een toespraak die de Minister van Binnenlandse Zaken op 12 november in Oostvoorne heeft gehouden, is wat de Minister van Binnenlandse Zaken betreft sprake van een bespreekbaar voorstel. Deze leden meenden dat dit een juist uitgangspunt voor overleg is, er moet reëel overleg mogelijk zijn, en niet een dictaat worden opgelegd. Daarom vroegen zij zich af hoe de mededelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken zich verhouden tot de stelligheid waarmee de Minister van Sociale Zaken stelt en voorrekent dat van doorwerking in het geheel geen sprake kan zijn. Kan de Regering, vroegen deze leden ten slotte, een indicatie geven van het percentage waarmee de index van de regelingslonen is achtergebleven, omdat de uitzendc.a.o. in de periode 1972-1978 verantwoordelijk geacht kan worden voor een neerwaartse druk?

De leden van de CDA-fractie hadden ter zake de definitieve eliminering van de effecten van de uitzendc.a.o. voor het contractjaar 1978 twijfels behouden, ook na lezing van de memorie van toelichting. Zagen zij het goed, dan baseert de argumentatie zich -anders dan bij de beide bouwtoeslagverwerkingen -op de kosten die verwerking met zich had gebracht, c.q. zou hebben. Zoals zij al eerder in dit verslag opmerkten, is dat niet het beginpunt van hun benadering van voorstellen die een correcte en verdedigbare systematiek voor de toekomst beogen te geven. Bovendien waren zij er niet zeker van of dezelfde ca.o. in een eerder stadium niet wel eens een tegengesteld effect kon hebben opgeroepen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Als deze leden vanuit hun beginpunt de voorstellen ter zake benaderden, zouden zij allereerst willen vragen aan te geven hoe tabel III.1 voor wat die ca.o. betreft eruit zou zien, indien al voorafgaand aan die doorwerking de uitzendc.a.o. op het juiste «gewicht» zou zijn ingebracht. Acht de Regering een dergelijke benadering -zeker in het kader van dit wetsontwerp en gelet op de considerans -niet correcter?

De leden van de VVD-fractie herinnerden eraan dat zij bij de behandeling van de voorlopige wettelijke voorzieningen op 1 januari en 1 juli 1979 ter voorkoming van de doorwerking van de bouwtoeslag en de uitzendc.a.o. reeds te kennen hadden gegeven dat deze maatregelen een definitief karakter dienen te krijgen. De beoogde parallellie in inkomensontwikkeling van werknemers in het particuliere bedrijfsleven, ambtenaren en uitkeringsgerechtigden zou immers ernstig worden doorkruist door een maatregel in de bouwsector die voor de betrokkenen geen enkel materieel voordeel betekent. Bovendien zouden de consequenties voor rijksbegroting en sociale fondsen volstrekt onaanvaardbaar zijn in het licht van de centrale werkgelegenheidsdoelstelling van dit kabinet. Daarbij komt dat -wat de bouwsector betreft-de in 1978 verwerkte toeslagen reeds vóór de inwerkingtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van kracht waren. Hetzelfde kan gezegd worden van het merendeel van de onderhavige sociale uitkeringen. Wat de uitzendc.a.o. betreft, mag volgens deze leden gewezen worden op het verstorende effect dat deze ca.o. een aanmerkelijk groter gewicht in de regelingsloonindex wordt toegekend dan overeenkomt met de loonsom van de werknemers die eronder vallen. Juist in deze tijd is het onaanvaardbaar dat een op zich zelf reeds uitzonderlijk grote schaalloonverhoging in de uitzendc.a.o. als gevolg van een onvolkomen wegingsmethodiek extra zwaar doorwerkt in de te indexeren inkomens. Daarom begrepen deze leden niet waarom de Regering er niet tegelijkertijd voor zorgt dat de uitzendc.a.o. voortaan haar eigen gewicht krijgt in de systematiek van de regelingsloonindex zodat een dergelijke verstoring zich niet kan herhalen. Wat betreft de bouwsector onderstreepten de VVD-leden de woorden van de bewindslieden: «Partijen hebben met de toeslagverwerking in feite een vorm van verbetering van arbeidsvoorwaarden gekozen welke zeer goed past in een op matiging van de loonontwikkeling gericht ca.o.-beleid». Hiermee geven de bewindslieden te kennen dat de bouwonderhandelaars goed gehandeld hebben op dit punt. Maar wat is de reactie van het kabinet als de bouwonderhandelaars deze argumentatie verdere eer aandoen en overeenkomen om nog meer bouwtoeslagen te verwerken? Wat gaat het kabinet doen als dat opnieuw tot strijdigheid met de algemene matigingsgedachte en via doorwerking in de nieuw voorgestelde regelingsindex tot een opwaartse druk van de collectieve lasten leidt? Toont dit niet opnieuw aan, hoezeer het wenselijk is om de toeslagverwerkingen in beginsel uit de regelingsloonindex te elimineren?

De leden van de fractie van D'66 konden zich verenigen met het elimineren van de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli en 31 december 1978 en van de ca.o. voor uitzendkrachten voor het contractjaar 1978, zij het dat hun argumentatie ten dele anders luidt dan die van de Regering. Wat de toeslagverwerking in de bouwca.o. betreft sloten deze leden zich aan bij de meerderheid van de SER volgens welke deze toeslagverwerkingen niet dienen doorte werken in de niveaus van het minimumloon en de sociale uitkeringen, omdat deze toeslagen dateren van vóór de inwerkingtreding van de wettelijke regeling van het minimumloon. Dezelfde redenering geldt volgens dit deel van de SER voor de individuele sociale uitkeringen waarvan het merendeel een nog recentere ingangsdatum heeft dan het minimumloon. Ook onderschreven deze leden het argument van de meerderheid van de SER dat het minimumloon de afgelopen jaren enige malen bijzonder is verhoogd mede op grond van het feit dat de verdiende lonen meer waren gestegen dan de regelingslonen. De ingevoerde toeslagen werden op die Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

wijze in feite ook reeds in de verhogingen van het minimumloon opgenomen. Bij deze argumentatie is allereerst als uitgangspunt genomen de vraag naar de billijkheid van een eventuele doorberekening op grond van de doelstelling van het indexmechanisme in het algemeen, namelijk het geven van een garantie voor een gelijke inkomensontwikkeling van de niet-actieven ten opzichte van de actieven en het aanpassen van het wettelijk minimumloon aan de feitelijke loonontwikkelingen. Daarbij werd afgezien van de problemen bij het vinden van een dekking voor de ± f 1,6 mld. in 1979 en in 1980 die dan benodigd zal zijn (als we ook de gevolgen voor de ambtenarensalarissen meerekenen) en de effecten van de sterke stijging van de uitgaven in de collectieve sector op lange termijn. Ten aanzien van de effecten van de uitzendc.a.o. op het indexmechanisme spelen ten dele andere factoren dan bij de bouwc.a.o., constateerden deze leden. Tegen doorwerking wordt bij voorbeeld een verkeerde weging in het totaal der ca.o.'s als argument aangevoerd. Hier tegenover staat echter dat in het verleden deze «verkeerde» weging feitelijk ook een matigende invloed heeft gehad op de hoogte van de index, namelijk in de periode 1972 tot 1978 wegens de geringe loonstijgingen volgens de uitzendc.a.o.'s in die tijd. Bij herwaardering van het aandeel der uitzendc.a.o.'s in de totale loonontwikkeling dient daarom gewaakt te worden tegen willekeur, aldus deze leden. Bij de weging zou in de toekomst naar hun mening de totale loonsom -zoals de SER-meerderheid aangeeft -inderdaad een goede objectieve maatstaf kunnen zijn. Behalve op grond van twijfel over de representativiteit van de uitzendc.a.o. voor de indexberekening wordt de doorberekening door de meerderheid van de SER afgewezen in verband met aangebrachte correcties wegens de te hoge inschaling van de diverse functiegroepen en de verwerking van het minimumloon in de schalen. De leden van de fractie van D'66 twijfelden eraan of deze argumenten te zamen voldoende reden opleveren om de wijziging in de uitzendc.a.o. volledig in de aanpassingsindex buiten beschouwing te laten. Met name wezen zij erop dat op het moment dat de betrokken functiegroepen hoger werden ingeschaald er een loonsverhoging plaatsvond die niet in index der regelingslonen tot uitdrukking kwam. Latere verwerking van deze loonsverhoging in de schaallonen zou derhalve wel in de index meeberekend behoren te worden. Deze leden konden echter toch akkoord gaan met het regeringsvoorstel om de effecten van de wijziging in de uitzendc.a.o. volledig buiten beschouwing te laten, opgrond van het feit dat er sprake was van een aanpassing aan de feitelijk verdiende lonen, die reeds een doorwerking gehad hebben in het minimumloon door middel van de bijzondere verhogingen.

De definitieve eliminering van de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli en 31 december 1978 en de ca.o. voor uitzendkrachten in de kantoor-en administratieve sector voor het contractjaar 1978 kon de volledige instemming van de leden van de SGP-fractie wegdragen. Zijn deze effecten echter exclusief, met andere woorden blijft het hierbij en zijn er mogelijk niet meer toeslagverwerkingen die onaangename repercussies met zich meebrengen? De SER heeft beide elementen in samenhang willen bezien met het algemene en tevens gecompliceerde en tijdrovende vraagstuk van de inhoud en opzet van de brutoaanpassingsmechanismen. Kunnen de voorgestelde wijzigingen echter dan wel op zo'n korte termijn worden behandeld? Ten aanzien van de uitzendc.a.o. liepen de meningen in het advies van de SER wederom uiteen. Een grote minderheid zegt dat de uitzonderlijke situatie welke zich nu heeft voorgedaan het gevolg is van een bepaalde systematiek, waarvoor in het verleden is gekozen, met de daaraan verbonden voor-en nadelen. Zijn er trouwens wel eens nadelen van dit systeem in het verleden geconstateerd? Of moet het op ad hoebasis afwijzen van deze systematiek vooral gezocht worden in de richting van de daaraan verbonden continue voordelen? Hoe kan, wellicht ten overvloede, de grote plaats van de ca.o. voor uitzendkrachten in de wegingssystematiek worden verklaard, terwijl klaarblijkelijk de loonsom in deze sector vrij laag is?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

De leden van de PPR-fractie constateerden dat'in de adviesaanvraag van 9 januari 1979 inzake de gevolgen van de doorwerking van de toeslagen in de bouwc.a.o. en van de ca.o. voor uitzendkrachten, nadrukkelijk is verwezen naar de huidige sociaal-economische en financiële situatie waardoor doorwerking in het minimumloon niet rechtvaardig wordt geacht. Naar aanleiding van dit wetsontwerp krijgt de niet-doorberekening echter een permanent en definitief karakter. Moet hieruit geconcludeerd worden dat de Regering verwacht dat de huidige sociaal-economische en financiële situatie eveneens een permanent karakter zal hebben? Hoe moet in dit verband de passage van de memorie van toelichting (blz. 22) worden begrepen waar wordt gesteld dat het hier een uitzonderlijke maatregel met een incidenteel karakter betreft, noodzakelijk geworden in een algemene sociaal-economische en financiële situatie die eveneens door de Regering als uitzonderlijk wordt gekarakteriseerd? Is het niet te verwachten, aldus deze leden, dat steeds weer opnieuw zal worden afgewogen of de verwerking van bepaalde toeslagen in de betreffende ca.o., al of niet haar doorwerking krijgt in het minimumloon via het aanpassingsmechanisme? Zo ja, kan het onderhavige wetsontwerp wat dit onderdeel betreft (evenals de uitsluiting van bepaalde beloningscomponenten uit het brutoaanpassingsmechanisme), dan niet gekarakteriseerd worden als ad hoewetgeving? Is het in dit verband niet veel zinvoller de systematiek van de regelingslonen in dezen zodanig te wijzigen dat, bij voorbeeld wat de uitzendc.a.o. betreft, aan de betreffende ca.o.'s geen groter gewicht wordt toegekend dan overeenkomt met de loonsom van de onder deze ca.o. vallende werknemers? Is het niet mogelijk periodiek een herijking te doen plaatsvinden van de doorwerking van de ca.o.'s in de regelingslonen in dezen? Is dat ook niet veel rechtvaardiger dan de financiële consequenties van de niet-doorwerking van de bouwtoeslagen en de uitzendc.a.o. af te wentelen op de minimumloners en uitkeringsgerechtigden?

De leden van de CPN-fractie waren van mening dat er op dit moment geen redenen zijn om de eliminering van de effecten van de bouwtoeslagverwerking van 1 juli en 31 december 1978 en van de ca.o. voor uitzendkrachten in de kantoor-en administratieve sector definitief te maken. De bijzondere omstandigheid dat de in 1978 verwerkte toeslagen reeds voor de inwerkingtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van kracht waren is nu niet meer relevant. Deze leden waren dan ook van mening dat het hier gaat om normaal verdiend loon waarvan de doorwerking in het mini-mumloon en de sociale uitkering gerechtvaardigd is.

Het lid van de GPV-fractie had enige moeite met het definitief niet laten doorwerken van de bouwtoeslagverwerkingen van het tweede halfjaar 1978 en van de uitzendca.o. 1978. De Regering beklemtoont dat het hier een uitzonderlijke maatregel met een incidenteel karakter betreft die noodzakelijk is geworden in een algemene sociaal-economische en financiële situatie die eveneens als uitzonderlijk gekarakteriseerd moet worden. Dit lid wilde dit allemaal wel aannemen, maar vond toch dat een dergelijke handelwijze te veel elementen van willekeur in zich bergt. Als er een afspraak is over een trendbeleid en het laten doorwerken van de ca.o.'s in de sociale uitkeringen en ambtenarensalarissen, dan moet naar de mening van dit lid een dergelijke afspraak ook worden nagekomen. Als van bestaande afspraken kan worden afgeweken, op een moment dat dit de Regering goeddunkt of als dat uit sociaal-economische overwegingen goed uitkomt, raakt daarmee dan niet een gedeelte van de rechtszekerheid zoek? Kan dan niet veel beter met open vizier de ontwikkeling van de sociale uitkeringen op enkele procenten (bij voorbeeld 5) achterstand worden gesteld bij de ontwikkeling van de regelingslonen terwijl dan wel alle toeslagen worden verwerkt? Is dat geen eerlijker methode?

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nr. 6

V. HET NETTO-AANPASSINGSMECHANISME

VI Inleiding

Het leek de leden van de PvdA-fractie van doorslaggevende betekenis voor de beoordeling van de regeringsvoorstellen op dit punt of uitgegaan wordt van de bestaande nettoverhoudingen tussen actieven en niet-actieven, danwei dat wordt uitgegaan van een waardeoordeel over die verhouding, welk oordeel ertoe leidt dat, alvorens voor de toekomst die verhouding wettelijk te regelen, eerst eeen wijziging daarin moet worden aangebracht. Voor een dergelijke wijziging zijn dan altijd wel argumenten aan te voeren. Het maakt uiteraard nogal wat uit of sprekend over het systeem van premiebetalingen voor de sociale verzekering en vaststellend dat dat systeem heeft geleid tot bepaalde netto-ontwikkelingen, vervolgens wordt geconcludeerd dat het systeem zó moet worden gewijzigd dat zich geen verdere wijziging in de nettoverhoudingen voordoen, danwei dat wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling zoals gegroeid in het verleden als zodanig moet worden gecorrigeerd. De Regering volgt de laatste redenering en beroept zich dan op de veronderstelling dat de wetgever zulks niet heeft beoogd, en déarom de over een reeks van jaren gegroeide verhoudingen moeten worden gewijzigd. De eveneens door de Regering gedane constatering dat de wetgever geen gebruik heeft gemaakt van in de wet aanwezige mogelijkheden om in de ontwikkeling die voortvloeide uit het systeem van premiebetaling in te grijpen, zou voldoende moeten zijn om uit te gaan van de status quo en alleen te werken aan zodanige wijzigingen in het systeem dat de thans bestaande nettoverhoudingen verder ongewijzigd blijven. Er zijn naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie in het verleden op tal van momenten politieke keuzen gedaan, die bepaalde netto-ontwikkelingen hebben mogelijk gemaakt, danwei uitdrukkelijk hebben gewild. In elk geval is om inkomenspolitieke redenen gekozen voor een nettonettokoppeling waarbij de sociale minima aftrek genieten voor kosten van verwerving en reiskosten in de vorm van de forfaits in de loonbelasting. Op deze keuzen kan uiteraard worden terug gekomen. Maar het kan niet zo worden voorgesteld dat er uitsluitend sprake is van systeemfouten, en dat niet méér aan de orde is dan de correctie daarvan. Het grote verschilpunt tussen de Regering en de leden van de PvdA-fractie lijkt te bestaan in het waarderen van de bestaande netto-nettoverhoudingen. Deze leden meenden dat de Regering volstrekt onvoldoende argumenten aanvoert om tot aanvaarding van de wijzigingsvoorstellen te komen. De financiële uitkomst lijkt meer leidraad te zijn geweest dan de zindelijkheid van de aangevoerde argumenten. De overgelegde tabel van percentages van het nettoloon voor bepaalde inkomensniveaus in 1967 en 1980 heeft dan ook niet de minste overtuigingskracht. Zij geeft feitelijke ontwikkeling weer, die op zich geen argument opleveren dat gegroeide verschil op welke wijze dan ook te kunnen terugdraaien. Als door de Regering gesproken wordt van parallelle inkomensontwikkelingen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden, wordt dat door de leden van de PvdA-fractie alleen gevolgd voorzover het gaat om regels die de toekomstige ontwikkeling bepalen.

De leden van de VVD-fractie benadrukten nog eens hoe onwenselijk zij een derde V2%-stapje achtten als voorschot op een definitieve correctie voor systeemfouten. Het nu voorliggende wetsontwerp mag met recht een «hervormingsvoorstel» van de eerste orde genoemd worden, omdat het onevenwichtigheden, systeemfouten en misgroei -die reeds jaren de gemoederen van velen in ons land beroert -wil corrigeren. Wat betreft de in 1979 opgenomen voorschotten op de definitieve wettelijke regeling vroegen deze leden nog naar de omvang van de in 1979 op dit onderdeel opgelopen «gaten» in het Bestekprogramma.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

De aan het woord zijnde leden vonden het van primair belang om met het kabinet te constateren dat de onevenwichtigheden, systeemfouten en misgroei in de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen vooral zijn terug te voeren op het verschil in inhoudingen (met name premies) op inkomens van actieven en niet-actieven. Door het groeiende aantal niet-actieven groeide de premielast voor de actieven en kropen de met premies onbelaste of minder belaste inkomens van de inactieven op nettobasis naar die van de actieven toe. Het door de bewindslieden afgedrukte staatje voor de bovenminimum-WAO uitkeringen laat dit duidelijk zien. Kan ter completering van het beeld ook de netto-WAO uitkering op het minimumniveau per 1 juli 1967 en per 1 januari 1980 worden weergegeven? Kan tevens worden weergegeven om welke aantallen het gaat voor de vier categorieën: minimum, iets boven minimum, modaal dagloon en maximum dagloon in 1967 en 1980? Kan voorts voor deze vier categorieën worden aangegeven op welke netto-uitkeringspercentages wordt uitgekomen in 1980 voor de nieuwe gevallen bij volledige realisering van de voorgestelde aanpassingssystematiek? Op het niveau van het modale inkomen zijn de uitkeringspercentages in België 75, in Denemarken 80, in W-Duitsland 65, in Engeland 45 en in Ierland 70 %. Gaat het in al deze gevallen om netto-uitkeringspercentages? Welke netto-uitkeringspercentages kent men in de betrokken landen op het mini-mumniveau? Zijn deze ver uiteenlopende percentages wel eens onderwerp van discussie geweest in EEG-verband op regeringsniveau bij de plannen tot harmonisatie van het sociaal-economische kader binnen de EEG? Zo neen, zou dat niet eens moeten gebeuren?

Dat de Regering het bestaande tweesporenbeleid, waarbij de minimumuitkeringen in de sociale sector op nettobasis zijn gekoppeld aan het mini-mumloon en de uitkeringen boven het minimum op brutobasis de regelingslonen volgen principieel ongemoeid laat, had de instemming van de leden van de SGP-fractie. Deze leden konden zich eveneens verenigen met de voorstellen tot eliminatie van onevenwichtigheden en systeemfouten, die alle zijn terug te voeren op de ongelijkheid van aftrekposten op uitkeringen en lonen, waardoor de netto-inkomensontwikkeling in het gedrang komt. Zij zagen de in dit hoofdstuk uitgesproken beleidsvoornemens liggen in het verlengde van datgene wat zij ook niet ongemoeid zouden hebben gelaten. Deze leden zeiden slechts één -wat zij noemden tegenstrijdig -vraagje te willen stellen. Wat zou het hebben uitgemaakt als men het minimumloon niet had gelijkgesteld met de sociale minima? Is daardoor de zaak niet erg in-gewikkeld geworden? Voor wat betreft de huidige netto-ontwikkeling van de uitkeringen met die van de nettolonen zouden deze leden in het bijzonder willen onderstrepen de passage die op blz. 27 van de memorie van toelichting aan het SER-advies is gegund.

De leden van de PPR-fractie constateerden dat vanaf de aanvang van de indexeringspraktijk (1957) de wettelijke mogelijkheid bestaat om de netto-inkomensontwikkeling van actieven en niet-actieven evenwichtig te doen verlopen. Van deze mogelijkheid is ook enige malen, zowel in negatieve als in positieve zin, gebruik gemaakt. In dit licht is het toch ten minste weinig correct om te spreken van onevenwichtigheden en systeemfouten. Toen het beroepop de WAO onverwacht explosief toenam, kwam één van de gevolgen van de premiefinanciering nadrukkelijk aan het licht: de premielast voor de actieven werd steeds hoger, terwijl de inkomenspositie van de niet-actieven daar niet onder leed. Op deze manier zijn we nu in de positie gebracht dat er een beroep wordt gedaan op de solidariteit van de niet-actieven op de actieven. Hebben deze leden het goed begrepen dat ook de Regering dit een gezocht en ongewenst beroep vindt op de solidariteit van niet-actieven voor de actieven en dat daarom een vereveningsbijdrage wordt gevraagd om te vermijden dat premie wordt betaald over die verzekering die reeds is ingetreden, dan wel niet kan intreden? Maar betekent die vereveningsbijdrage iets anders dan dat de facto de uitkeringsgerechtigde wel degelijk een bijdrage Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

levert aan de financiering van sociale verzekering waarop de uitkeringsgerechtigde op dat moment een beroep doet?

Het lid van de DS'-70-fractie vond het noodzakelijk dat er een eind wordt gemaakt aan de ontstane scheefgroei tussen de nettosociale uitkeringen en het nettominimumloon. Dat betekent volgens dit lid dat veranderingen in het brutonettotraject moeten worden aangebracht. Achten de bewindslieden het overigens juist, zoals in Bestek'81 gebeurt, met betrekking tot de scheefgroei tussen vergelijkbaar loon en netto-uitkering te spreken van systeemfouten? Dit lid verwees in dit verband naar de bedoeling van artikel 15 van de WAO. Wat is naarde mening van de Regering de reden dat van dit artikel nimmer gebruik is gemaakt? Dient achteraf niet op dit Bestekstandpunt te worden teruggekomen?

V. 2. Uitgangspunten bij de wijziging van de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen en voorzieningen Wat betreft de uitgangspunten bij de wijziging van de aanpassingsmechanismen (paragraaf IV, 4 van de memorie van toelichting) hadden de leden van de PvdA-fractie de volgende vragen. Voor welke groepen en voor welke periode wordt nu precies door de Regering koopkracht gegarandeerd? Wat is het onderscheid dat ter zake van koopkrachtgarantie wordt gemaakt tussen actieven en niet-werkenden? Als zich benedenwaartse koopkrachtontwikkelingen bij actieven zouden voordoen, welke gevolgen zal dat hebben voor de koopkrachtontwikkeling van niet-actieven en heel in het bijzonder klemt de vraag hoe en in welk tempo het resterende deel van de vereveningsbijdrage dan zal worden gerealiseerd. Als de vliesdunne koopkrachtgarantie wordt doorbroken opent zich de mogelijkheid om ineens de resterende bijdrage te vragen, met uiteraard vergaande gevolgen voor de welvaart van mensen met een tóch al verminderd inkomen.

De leden van de V.V.D.-fractie gaven als hun uitgangspunten weer, dat: -de loonontwikkeling in het bedrijfsleven -hoe ook nader ingevuld -bepalend moet zijn voor de ontwikkeling van minimumloon en sociale uitkeringen; -de nettonettokoppeling tussen minimumloon enerzijds en de sociale minimumuitkeringen anderzijds wettelijk geregeld wordt; -de koopkracht voor in ieder geval de laagste uitkeringen gegarandeerd wordt zolang het niveau van de economische groei dat op enigerlei wijze toelaat.

V. 3. Aanpassing minimumuitkeringen De leden van de PvdA-fractie konden instemmen met het regeringsvoorstel te kiezen voorde rekenpremie ZW/Wg 1,8% op basis van gewogen gemiddelde om zo te komen tot een «eenduidig vrij besteedbaar netto bedrag».Zij meenden echter dat deze gedachtengang ook gevolgen dient te hebben bij de behandeling van het fiscale regime. Verderop wensten zij hierop terug te komen. Onder verwijzing naar opmerkingen, die deze leden terzake eerder in dit verslag maakten stelden zij zich op het standpunt, dat weliswaar door hen niet principieel gekozen wordt voor deze bestaande fiscale aftrekmogelijkheden voorde sociale minima, maar dat voor hen bepalend is de netto-uitkomst. Nettoverhoudingen zijn niet wild gegroeid, maar uitdrukkelijk gewild, ook als dat niet altijd langs de meest fraaie fiscale methode tot stand komt. Gezien het onloochenbare feit dat er door het regeringsvoorstel een duidelijk verschil gaat ontstaan tussen het nettominimuminkomen van een actieve minimumloner en een uitkeringstrekker begrepen deze leden niets van de Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

redenering van de Regering dat er geen sprake is van koppeling of afstand. Kan de Regering dit nog eens uitleggen? Gezien de gekozen methodiek zal de afstand tussen het nettominimumloon van een actieve en die van uitkeringsgerechtigde ook steeds groter worden. Zij worden immers fiscaal anders behandeld. Kan de Regering aan de hand van een aantal rekenvoorbeelden, uitgaande van de veronderstelling dat er geen compensaties worden gegeven, aangeven in welk tempo dit verschil per jaar toeneemt en met welke bedragen? Rekening houdend met deze methodiek waren de hier sprekende leden ook van mening dat er geen sprake meer is van volledige koppeling. Deze leden waren niet overtuigd door de argumenten van de Regering om het fiscale regime te veranderen. Het feit, dat er een forfaitaire regeling bestaat voor verwervingskosten en reiskosten betekent toch niet, dat mensen, die onder deze regeling vallen ook identieke uitgaven moeten maken? Deze leden waren ervan overtuigd dat actieven een ander uitgavenpatroon hebben dan niet-actieven. De Regering zal echter toch niet willen ontkennen dat ook niet-actieven geconfronteerd worden met aanzienlijke uitgaven. Zij wilden er ook op wijzen dat een deel van de verwervingskosten, bij voorbeeld vakbondcontributies, voor niet-actieven dezelfde zijn als voor actieven. Hetzelfde geldt voor reiskosten (bij voorbeeld bezoeken aan GAK, GAB, sollicitaties etc). Uitgangspunt is en blijft voor deze leden dat hetzelfde besteedbare inkomen aanwezig moet zijn, ook als actieven met het minimumloon voor reizen en verwerving van inkomen meer kosten maken. Nietactieven met een minimuminkomen hebben mogelijk weer andere meerkosten. Deze leden wilden ook wijzen op het feit dat het kabinet zich als het ware verschuilt achter het begrip «de fiscus». In de memorie van toelichting wordt gesproken over «fiscus» alsof deze dienst los staat van de overheidsdienst en de wetgever geen zeggenschap heeft over de door deze dienst te hanteren regels. Het is naar de mening van deze leden echter zo dat het kabinet verzuimd heeft bij de thans aan de orde zijnde koppelingsproblematiek het gehele fiscale regime, ook ten aanzien van de actieven te bezien. In hoeverre acht het kabinet de fictie juist dat een genieter van inkomsten uit tegenwoordige arbeid verwervingskosten maakt? Kan er wel, zoals het kabinet doet, van een «eenduidig vrij besteedbaar netto bedrag» gesproken worden als vergeleken wordt een actieve minimumloner, die geen verwervingskosten en reiskosten heeft, maar wel de aftrekken krijgt met een uitkeringsgerechtigde, die in elk geval een deel van de bedoelde kosten moet maken? Is de indruk juist dat een groot aantal van de actieve minimumloners geen 4% verwervingskosten heeft? Waarom wordt wel een fiscale tegemoetkoming gegeven aan actieven en niet aan niet-actieven? Dient hier niet het principe «gelijke monniken, gelijke kappen» gehanteerd te worden? Kan de Regering aangeven wat de gemiddelde verwervingskosten van de actieve minimumloners zijn en welk deel van de 4%-regeling als fiscale tegemoetkoming kan worden beschouwd? Dient er niet eerst meer inzicht te komen in de werkelijke kosten te maken door niet-actieven, voordat er gesproken kan worden van een «eenduidig vrij besteedbaar nettobedrag» en overgegaan kan worden tot een ander fiscaal regime? Wil de Regering, vroegen deze leden ten slotte een reactie geven op het advies van het college van advies voor de Algemene Bijstandswet?

De leden van de CDA-fractie konden zich met de voorstellen verenigen, zoals die er nu -rekening houdende met het SER-advies -uitzien. Zij waren van oordeel, dat in de nettonettokoppeling wat betreft de fiscale regimeaanpassing terecht de SER-meerderheid gevolgd werd. Dat laat onverlet, dat het nuttig kan zijn na te gaan of de fiscale draagkrachtgedachte bij betrokkenen als groep bezien toch niet tot enige eigensoortige behandeling moet leiden. Is de Regering bereid daarop later terug te komen?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Kan, vroegen deze leden tevens. Tabel IV.5ook verstrekt worden -voor zover zinvol toepasselijk -voor een gezin met 2 kinderen, alsmede uitgebreid met een regel minimumloon?

Het blijkt dat in het verleden de hoogte van het minimum bestaansniveau niet is bepaald op grond van onderzoekingen naar minimale behoeften, maar dat men veeleer heeft gekozen voor een praktische oplossing: een relatief minimum. Zou het -vooral met het oog op de nog steeds verminderende economische groei -niet raadzaam zijn, zo vroegen de leden van de VVD-fractie, om alsnog te besluiten tot het doen van onderzoekingen naar de minimale behoeften? Het kabinet handhaaft het nettominimumloon als koppelingsbasis voor de sociale minimumuitkeringen. Op drie punten stelt het kabinet vervolgens correcties in opwaartse of neerwaartse richting voor. In neerwaartse richting betreft het correcties voor het tot nu toe berekenen van een te lage calculatiepremie krachtens de Ziektewet en Wachtgeldverzekering en voor het tot nu toe toepassen van een fiscaal regime dat voor een werknemer in dienstbetrekking geldt. In opwaartse richting betreft het de overbrugging van de nog steeds bestaande netto afstand van f 9,50 per maand tussen AOW-en AWW-uitkering enerzijds en minimumloon anderzijds. Hoewel zij bij de nieuw gekozen calculatiepremie twijfels uitten, waren zij het met de gekozen aanpak voor de wettelijke koppelingsgrondslag als zodanig eens. Dat door de genoemde correcties -zoals wel wordt beweerd -sprake zou zijn van een loslaten van de nettonettokoppeling leek hun volledig uit de lucht gegrepen. Sterker nog, het kabinet heeft, volgens deze leden, met het gestand doen van zijn eerdere belofte om de bestaande netto afstand van f 9,50 per maand tussen AOW/AWW-gerechtigden en het minimumloon te overbruggen de laatste ontbrekende steen in het nettonettokoppelingsbouwwerk in-gemetseld. Ter berekening van de koppelingsbasis voor de sociale minima werd tot nu toe gerekend met een gewogen gemiddelde premie krachtens de ZW/Wg van 1,65%. Belangrijke groepen minimumloners dragen feitelijk een zwaardere premielast en komen netto gerekend lager uit. In Bestek '81 is voorgesteld voortaan uit te gaan van een calculatiepremie van 2,5%. Dit komt globaal overeen met het gemiddelde van de hoogste premiepercentages zoals die betaald worden door een groep van 25000 volwassen minimumloners met een volledige werkkring. Wanneer het kabinet deze gedachten nog steeds onderschrijft, waarom gaat het dan nu plotseling op een calculatiepremie van 1,8 % zitten? Is het eerste bezwaar, dat de CBS-minimumloonenquête een momentopname was, niet simpelweg te ondervangen door die momentopname tot een periodieke peiling te maken, waaruit een fraai voortschrijdend gemiddelde is te berekenen? Vervalt het tweede bezwaar van de hogere vakantie-uitkering voor de bedoelde 25000 minimumloners niet heel eenvoudig wanneer per 1 januari 1980 de minimumvakantiebijslag op 8% komt te liggen? Blijft daarentegen het grote nadeel van de 1,8% niet, dat opnieuw grote aantallen minimumloners met een volledige werkkring netto minder verdienen dan de laagste uitkeringen op netto basis opleveren? Het kan toch niet wenselijk zijn dat de laagste sociale uitkeringen op netto basis uitgaan boven het netto minimumloon van werknemers? Hoeveel minimumloners (in aantal en percentagegewijs) zullen bij een calcula tiepremie van 1,8% beneden het netto sociale minimum uitkomen, hoeveel bij de huidige premie van 1,65%? Om welke nettoverschilbedragen gaat het maximaal per jaar? In welke bedrijfstakken (met derhalve de hoogste ZW/Wg premies) telt dit het sterkst? Het kabinet had naast twee expliciet genoemde bezwaren nog enige andere bezwaren tegen zijn oorspronkelijke calculatieniveau van 2,5%. Kunnen de bewindslieden die andere niet genoemde bezwaren ook geven? Welke extra structurele ombuiging (voor de sociale fondsen en rijksbegroting) komt in respectievelijk 1980 en 1981 tot stand indien niet 1,8% maar 2,5% wordt gehanteerd in de koppelingsgrondslag? Welke aanpassing zouden de netto-uitkeringsbedragen bij gefa-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

seerde invoering per 1 januari 1980, zoals weergegeven in tabel IV.7, ondergaan bij het hanteren van 2,5% in plaats van 1,8%? De aan het woord zijnde leden onderschreven de opvatting dat -met uitzondering van de WW-en ZW-uitker "den, waarvoor de band met de vervul-de dienstbetrekking nog duidelijk aanwezig is -sociale uitkeringen als in-komsten uit vroegere arbeid moeten worden gezien. Bij de bovenminimumuitkeringen wordt formeel en materieel dan ook het adequate fiscale regime (f 150 als forfaitaire tegemoetkoming voor aftrekbare kosten) toegepast. Deze leden vonden het vanuit het oogpunt van gelijke behandeling volledig te billijken dat ook voor de minimumuitkeringen een zelfde fiscale regime wordt toegepast. Zij stemden daarbij in met de neerwaartse correctie van de koppelingsgrondslag voor dit gegeven. Tot slot vroegen deze leden een vergelijkend overzicht tussen de netto-inkomens per 1 januari 1980 bij respectievelijk ongewijzigd beleid en het voorgestelde aanpassingsbeleid voor: de sociale minima (WWV, WAO), de mini-mumuitkeringen krachtens de WW, de nettominimumloners in het particuliere bedrijfsleven in respectievelijk de laagste en de hoogste ZW/Wg premiecategorie, de minimumloners in overheidsdienst en de minimumloners in het trendvolgende ziekenhuiswezen.

De leden van de fractie van D'66 hadden waardering voor het feit dat de Regering het oorspronkelijke voorstel uit Bestek '81 om de Ziektewet" en Wachtgeldpremie voor het berekenen van het netto minimumloon als koppelingsbasis voor de minimumuitkeringen op 2,5% te stellen, heeft gewijzigd overeenkomstig de opvattingen van de meerderheid van de SER, waaronder de werknemersvertegenwoordigers. Bij de behandeling van de Bestekplannen in de Kamer hadden deze leden het oorspronkelijke voorstel reeds bestreden. Met de voorgestelde 1,8% (voor 1979) als gemiddelde premie voor Ziektewet en Wachtgeldregeling konden deze leden instemmen, evenals met de hieraan ten grondslag liggende methode tot weging van de verschillende voorkomende premies in de verschillende bedrijfstakken. Deze leden konden evenwel niet zonder meer akkoord gaan met de door de Regering voorgestelde wijziging in de fiscale behandeling bij de berekeningswijze van het nettominimumloon als koppelingsbasis voor de sociale minima. Uit het oogpunt van een consequente belastingsystematiek gezien hadden zij er begrip voor dat in de berekeningswijze van de koppelingsbasis het fiscale systeem voor inkomsten uit vroegere arbeid wordt gehanteerd in de plaats van berekening volgens inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Hierdoor zullen de aftrekposten voor de niet-actieven verminderen. Deze leden waren echter niet ongevoelig voor het argument van een minderheid uit de SER dat ook niet-actieven «verwervingskosten» hebben, zodat zij ernstig betwijfelden of deze beperking in de hoogte der sociale minima met ± 2 % wel te rechtvaardigen valt en of daarom geen compensatie vereist is. Het optrekken van de netto AOW-uitkering voor gehuwden tot het peil van het nettominimumloon door een verhoging van f 9,50 per maand juichten deze leden toe.

De leden van de PPR-fractie waren verheugd dat de Regering was afgestapt van het voornemen de gemiddelde premie krachtens de Ziektewet/ Wachtgeldverzekering op 2,5% te stellen. Ook deze leden meenden dat 1,8 een meer evenwichtig percentage is. Daarentegen waren deze leden minder ingenomen met de tweede correctie op de koppelingsmethodiek. Deze leden konden zich vinden in het oordeel van een minderheid in de SER, namelijk dat ook niet-actieven verwer-vings-en reiskosten (kunnen) hebben en dan met name kosten die gemaakt worden om weer werk te vinden. Om deze reden zagen zij dan ook geen reden om de koppeling in verband met het fiscale regime te wijzigen. Er is in deze redenering, zelfs veel te zeggen voor het toekennen vande4%-regeling (verwervingskosten met een maximum van f 800 per jaar) en de f 200 reiskostenforfait per jaar aan alle niet-actieven waarvan terugkeer op de ar-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

beidsmarkt nog reëel mogelijk is (al of niet gedeeltelijk). Wat zouden hiervan de budgettaire gevolgen zijn?

Ten aanzien van de wijzigingen in de fiscale sfeer, merkten deze leden van de CPN-fractie op dat dit ongeveer f 600 min. zal moeten opbrengen. Dat moet dus bij de laagstbetaalden in de maatschappij vandaan komen. Hoe is dit, zo vroegen zij, te rijmen met de beweerde opvatting van de Regering dat de laagstbetaalden dienen te worden ontzien?

Het lid van de GPV-fractie achtte het in deze tijd een goede zaak dat er een wettelijke koppeling komt tussen het nettominimumloon en de nettominimumuitkeringen. In een tijd waarin de regelingslonen geacht worden op een nulminlijn te blijven, zou het voor de genieters van sociale-minimumuitkeringen moeilijk verteerbaar worden als zij ook nog eens op achterstand werden gezet bij de verdieners van het minimumloon. Wel wilde dit lid aandacht vragen voor de negatieve aspecten van deze nettonettokoppeling. Immers iedere financiële prikkel ontbreekt nu toch voor iemand met een minimumuitkering om weer aan het werk te gaan? Op welke wijze denkt de Regering prikkels toe te dienen om het accepteren van werk weer aantrekkelijker te maken? Is de Regering niet van mening dat dergelijke prikkels nodig zijn nu de financiële prikkel ontbreekt? Dit lid was overigens van mening dat er in de toekomst wel degelijk de mogelijkheid moest worden opengelaten om door middel van een koppeling op korte afstand (2-5%) van nettominimumloon en nettominimumuitkering de financiële prikkels om werk te accepteren te vergroten. Dit lid vroeg vervolgens wat er de reden van is dat bij het berekenen van het nettominimumloon als koppelingsbasis moet worden uitgegaan van het gemiddelde van de betaalde premies krachtens de Ziektewet en de Wachtgeldverzekering. Immers door het nemen van het gemiddelde van deze premies kan het nog steeds voorkomen dat er mensen zijn die als uitkeringstrekkers meer ontvangen dan als verdieners van het minimumloon. Wat is de hoogste premie die werknemers met een minimuminkomen betalen voor Ziektewet en Wachtgeldverzekering? Wat zou het de genieters van een minimumuitkering netto per maand schelen indien de hoogste premie zou worden aangehouden als richtlijn bij het bepalen van het nettominimumloon? Hoeveel zou dit het Rijk opleveren aan extra ombuigingen?

Het lid van de DS'70-fractie zei grote waarde te hechten aan het voortbestaan van de koppeling tussen minimumloon en minimumuitkering, beide op nettobasis. Het lid wees op de zinsnede van blz. 36 van de memorie van toelichting: «Het was en is niet de bedoeling van de Regering om de welvaartsvaste ontwikkeling van de uitkeringen in het algemeen en de koppeling van de laagste uitkering in het bijzonder aan het minimumloon, te verlaten». Bij het vaststellen van het geldende nettominimumloonniveau heeft de Regering uiteindelijk een meerderheid van de SER gevolgd door de eerder voorgestelde 2,5%-premie Ziektewet en Wachtgeldverzekering te wijzigen in 1,8%. Dit lid zou graag meer inzicht verkrijgen in de drijfveren van de Regering in dezen. De indruk wordt gewekt dat deze opinieverandering niet is gebaseerd op principiële en/of rekenkundige overwegingen van de Regering. Dit lid herinnerde eraan bij de behandeling van het zogenaamd 1 julipakket te hebben gevraagd wanneer een wetsontwerp zou kunnen worden tegemoet gezien met betrekking tot het negatieve verschil van f 9,50 (ten nadele van de bejaarden) voor de netto-AOW-uitkering. De in het onderhavige wetsontwerp voorgestelde vereffening die hieraan een eind moet maken begroette hij dan ook met instemming.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

V. 4. De aanpassing van de uitkering boven het minimum De leden van de PvdA-fractie hadden met stijgende verbazing kennis genomen van deze paragraaf, waarin de Regering pogingen doet om haar voorstel om met terugwerkende kracht de bovenminima ook premies dan wel een «vereveningsbijdrage» te laten betalen, te verdedigen door te wijzen op systeemfouten of ontwikkelingen in strijd met de geest van de wet. Kan de Regering uitleggen wat zij verstaat onder het bewerkstelligen van een grotere solidariteit tussen actieven en niet-actieven? Neemt zij hiermee het door het VNO gehanteerde begrip van omgekeerde solidariteit over? Op blz. 34 van de memorie van toelichting geeft de Regering wel toe dat zuiver formeel juridisch beschouwd niet gesproken kan worden van systeemfouten, wanneer als gevolg van een wettelijk vastgelegd premieregime onevenwichtigheden optreden in de netto-inkomensontwikkelingen. Zij voegt eraan toe, dat de grondgedachte van de wetgever echter consequent is gevolgd. Volgens de Regering doet de formeel juridische benadering geen recht aan de geest van de wet. Kan de Regering dan uitleggen waarom bij wetswijzigingen van de WAO in 1972 en 1975 de wetstekst niet isaangepast aan de bedoelde «geest van de wet»? De hier sprekende leden waren er in tegenstelling tot de Regering van overtuigd, dat het ontwikkelde regime doelbewust door het parlement is aanvaard. De gevolgen van het gekozen systeem waren in beginsel bekend. Wel is het ook voor hen duidelijk dat de feitelijke effecten groter waren dan voorzien. Ook staat het voor hen vast dat tot dusver doelbewust geen gebruik is gemaakt van de bestaande correctiemogelijkheden. Er kan dan ook naar hun mening geen grond gevonden worden om de mensen met een sociale uitkering, welke netto mede wordt bepaald door het bestaande premieregime, een deel van hun rechten te ontnemen. Deze leden konden wel in overeenstemming met de mening van de meerderheid van de SER instemmen met een correctie van de inkomens van de uitkeringsgerechtigden met een inkomen boven het minimum voor toekonv stige premiestijgingen van de relevante werknemerspremies. Dit zal tot gevolg hebben dat de nettoverhouding tussen werkenden en niet-werkenden als gevolg van verschillen in premiebetaling in de toekomst zich niet zal wijzigen. Kan de Regering mededelen, welk bedrag op de rijksbegroting en de fondsen op de door hen voorgestane wijze bezuinigd wordt? Deze leden meenden eveneens dat niet gesproken kan worden van pre-mie-inhouding voor verzekeringen waarvan geen gebruik meer kan worden gemaakt en dat dus een ander begrip dient te worden gevonden. Het begrip «vereveningsbijdrage» duidt aan dat bestaande verschillen dienen te worden verevend. Om die reden hadden deze leden bezwaren tegen dit woord en suggereerden zij -mede omdat de relatie tussen premie en prestatie steeds losser wordt -het begrip «premiebijdrage» in te voeren. De middelen zullen immers ook in de sociale fondsen terecht komen en hebben sterk het karaktervan premie, zij het zonder te realiseren aanspraken. Overwegen-de bezwaren hadden deze leden evenwel tegen iedere gedachte aan terugwerkende kracht. Met betrekking tot de wijze van uitvoering en met name tot de compensatie hadden deze leden eveneens een aantal vragen. Hoe kan een verschil in netto-uitkeringsniveau tussen «oude» en «nieuwe» gevallen worden gerechtvaardigd? Hoe kan dat in al die gevallen worden aanvaardbaar gemaakt, bij voorbeeld in al die gevallen waar toevalligheden het tijdstip bepalen waarop vaststelling van een WAO-en WWV-uitkering plaatsvindt, terwijl dat toeval op termijn een groot verschil in netto-uitkering uitmaakt? Waarom moet iemand die normaal gesproken nog eind december 1979 een uitkering, mét compensatie, zou krijgen, maar die door buiten zijn schuld liggende oorzaken, eerst na 1 januari 1980 een besluit ter zake krijgt, dan ineens belangrijk minder krijgen dan waarop aanspraak mocht worden gemaakt? Hoe is dit moreel te verantwoorden tegenover al die tienduizenden die onderweg zijn naar een WAO-uitkering en mochten rekenen op het uitkeringsniveau dat de wet nu kent?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

Waarom is de Regering omgezwaaid en werd in de SER-adviesaanvrage nog niet uitgegaan van de mogelijkheid van onderscheid in oude en nieuwe gevallen? Waarom is de SER, toen de Regering tot andere inzichten kwam, niet alsnog om advies gevraagd? Deze leden stonden op het standpunt dat alleen voor toekomstige premiestijgingen een bijdrage moet worden gevraagd van niet-actieven. Zij wilden zich echter verplaatsen in de situatie dat de Regering volhardt in haar voornemen de gehele premie «zichtbaar» te maken, zij het de betaling ervan te faseren. Is de Regering bereid in die veronderstelling de compensatie ook toe te kennen aan de nieuwe gevallen? Kan de Regering de Kamer informeren over de kosten indien bij voorbeeld voor de jaren 1980,1981 en 1982 deze compensatie ook voor nieuwe gevallen wordt betaald, uitgaande van enkele koopkrachtveronderstellingen en een voorziene afbouw van de compensatie in bij voorbeeld vijf jaar?

De leden van de CDA-fractie vroegen de Regering aan te geven welke haar opstelling is tegenover de gedachte om de uitkeringsgerechtigden ingevolge de WWV -wanneer die materieel de ZW-premie gaan betalen -ook formeel in de kring der verzekerden ingevolge de Ziektewet op te nemen. Tevens vroegen deze leden of tabel IV.6. te verstrekken is voor de AWW-gerechtigde weduwen, zowel voor het «hoge» als het «lage» AWW-pensioen, en al dan niet verplicht verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet.

Krachtens de bedoelingen van de WAO, WW en ZW, zo zeiden de leden van de VVD-fractie, worden de uitkeringen bepaald op 80% van het dagloon, met een maximum. Voor de WWV bedraagt het uitkeringspercentage 75, eveneens met een maximum. Door verschil in premie-inhoudingen tussen lonen en uitkeringen en tussen uitkeringen onderling hebben gelijke bruto-uitkeringen geleid tot onbedoelde verschillende netto resultaten. Deze leden spraken daarbij van onbedoelde effecten, omdat zij zich nauwelijks konden voorstellen dat de wetgever van toen bedoeld had om de netto-inkomens van de uitkeringsgerechtigden sneller te laten stijgen dan de netto-inkomens van de werkenden. De bewindslieden leidden uit de lage premieverwachtingen voor de evenwichtssituatie van de zestiger jaren af: «dat het niet in de geest van de wet is geweest dat de netto uitkeringen sneller zijn gestegen dan de overeenkomstige netto lonen». Dat het van de aanvang af aanwezige correctiemiddel niet is gebruikt zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met de ruime economische groeimogelijkheden in de tussenliggende jaren. Nu de sociale premies een zeer hoge vlucht hebben genomen en de economische omstandigheden drastisch zijn verslechterd kunnen en mogen correcties ten aanzien van de systeemfouten niet meer uitblijven. In verslechteren-de omstandigheden, waardoor velen noodgedwongen gebruik moeten maken van de sociale voorzieningen en uitkeringen die daarvoor zijn geschapen, kan niet anders dan dat wordt teruggegrepen op de oorspronkelijke bedoelingen van de wet willen we de bedoelde zekerheden kunnen blijven garanderen. Tijdens de verschillende behandelingen van Bestek '81 in het parlement was reeds door de woordvoerders van de VVD-fractie instemming betuigd met het tweede alternatief om een geleidelijke volledige premieheffing over de uitkeringen boven het minimum in te voeren. Hiermee kan het beste de zo noodzakelijk geachte evenwichtigheid bewerkstelligd worden tussen de inkomensontwikkeling van actieven enerzijds en niet-actieven anderzijds tot instandhouding van ons sociale zekerheidssysteem en tot bevordering van de werkgelegenheidsdoelstellingen van Bestek '81. Deze leden konden zich niet aan de indruk onttrekken dat terugkeer tot het door de wet bedoelde uitkeringsniveau ook het zoeken en vinden van werk vanuit een uitkeringssituatie -voor zover er onvervulde arbeidsplaatsen voorhanden zijn -zal bevorderen. Zij misten node dat daaraan geen enkele beschouwing van de kant van de bewindslieden was gewijd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

De aan het woord zijnde leden ondersteunden de kabinetskeuze om voor de nieuw optredende gevallen direct over te gaan op volledige premieheffing over alle uitkeringen boven het minimum en voor de reeds in uitwerking zijnde gevallen gedurende een overgangsfase een aflopende compensatietoeslag op brutobasis te verstrekken. Deze leden achtten het aanvaardbaar dat er daardoor gedurende enige jaren sprake zal zijn van twee -overigens naar elkaar toegroeiende -uitkeringsniveaus voor bestaande en nieuwe gevallen boven het minimum. Dat is de consequentie van de terecht gehanteerde koopkrachtdoelstelling en de gestelde eis van zorgvuldigheid met betrekking tot de invoering van het nieuwe aanpassingsmechanisme bij reeds in uitkering zijnde gevallen. Deze leden trokken op het punt van het naast elkaar bestaan van twee categorieën nog een parallel met de schoningsoperatie voor de daglonen, die voor de nieuwe gevallen zal gelden en voorlopig de bestaande langlopende uitkeringen op de oude basis laat. Tegen het heffen van een vereveningsbijdrage, waarvan het materiële effect gelijk is aan formele heffing van de tot op heden niet verschuldigde premies, hadden deze leden geen bezwaar. Niettemin wilden zij graag nader vernemen op welke wijze deze bijdrage naar de desbetreffende fondsen en 's Rijks schatkist zal terugvloeien en zo tot premie-en belastingverlaging voor de actieven en de ondernemingen kan leiden. Deze leden deelden de overwegingen die het kabinet ertoe gebracht hebben om voorlopig de Ziektewet buiten de werkingssfeer van de voorgestelde maatregelen en dus buiten de heffing van de vereveningsbijdrage te laten. Omdat het kabinet bij de keuze van de ZW/Wg-premie voor de koppelingsgrondslag van de minima is uitgegaan van de gemiddelde premie van 1,8% is het logisch deze premiehoogte ook in rekening te brengen bij het vaststellen van de vereveningsbijdrage van de bovenminima. Maar ware uitgegaan van 2,5% bij het corrigeren van de koppelingsgrondslag van de minima, zou dan ook niet hetzelfde percentage moeten gelden voor de bovenminima? Welke extra structurele ombuiging (voor de sociale fondsen en de rijksbegroting) zou hierdoor via de vereveningsbijdrage van de bovenminima in respectievelijk 1980 en 1981 tot stand komen? Welke aanpassing zouden de netto-uitkeringsbedragen bij gefaseerde invoering, zoals weergegeven in tabel IV. 7, ondergaan bij hantering van 2,5%?

De leden van de fractie van D'66 veronderstelden dat het bekend is dat zij het billijk achten vanaf 1 januari 1979 door een herziening van het aanpassingsmechanisme te voorkomen dat overcompensaties worden gegeven in de verhogingen der sociale uitkeringen voor sociale premies die door de werknemers wel maar door de uitkeringstrekkers niet worden betaald. Dat betekent tevens dat deze leden het aanvaardbaar vinden dat vanaf die datum voorkomende stijgingen van sociale premies voor werknemers ook worden betaald door de uitkeringstrekkers waardoor de netto-uitkeringen niet sneller zullen stijgen dan de nettolonen. Technisch kan dit resultaat op meerdere manieren verkregen worden. Het is mogelijk alleen de bedoelde premiestijging in mindering te gaan brengen op de bruto-uitkeringen; het is ook mogelijk de volledige premies die werknemers betalen door middel van een vereveningsbijdrage op de sociale uitkeringen in te gaan houden, maar dan gelijktijdig een blijvende compensatie te geven in de bruto-uitkeringshoogte, zodat de netto inkomenspositie per 31 december 1978 behouden blijft. Deze leden vonden het namelijk onaanvaardbaar de inkomenspositie, die de sociale uitkeringstrekkers in de loop der jaren geleidelijk hebben verkregen, aan te tasten. Dit standpunt is gebaseerd op een politieke beoordeling en een politieke beslissing. Zij gaan ervan uit dat de «status quo» in de uitkeringen gehandhaafd behoort te worden, hetgeen voor hen betekent dat het netto-uitkeringspercentage ongewijzigd dient te blijven. Elimineren van overcompensaties uit het verleden door een verlaging van de netto-uitkeringen wezen zij daarom ten sterkste af. Deze afwijzing was gebaseerd op de bescheiden inkomenspositie die de overgrote meerderheid der sociale uitke-Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nr. 6

ringsgerechtigden ondanks de overcompensaties in het verleden nog steeds heeft, terwijl deze mensen daarnaast toch reeds getroffen worden door ziekte, invaliditeit of werkloosheid. Dat legt vrijwel altijd een grote last op de personen die dit treft en op hun gezinnen. Overwegende bezwaren hadden deze leden dan ook tegen het regeringsvoorstel om via een vereveningsheffing de uitkeringstrekker de volledige werknemerspremie te laten betalen zonder een blijvende compensatie waardoor de inkomenspositie van eind 1978 wordt hersteld. Deze leden merkten over dit onderwerp ten slotte op dat de uitkeringstrekkers veelal getroffen worden door een verlies van een verdere opbouw van aanvullende pensioenen naast de AOW. Zij vonden het nodig dat maatregelen genomen worden om in deze lacune te voorzien. Wanneer dat tot een ex-tra premie-inhouding zou moeten leiden, konden zij dat in principe aanvaarden. De leden van de PPR-fractie gingen er vooralsnog vanuit dat iemand die een beroep moet doen op een sociale verzekering, geen premie meer behoeft af te dragen voor het in stand houden van die betreffende verzekering. Zij sloten daarmee aan bij de grondgedachte van de toenmalige wetgever, dat indien het verzekerde risico is ingetreden geen verzekeringsplicht meer kan bestaan en dus ook geen premieplicht. De Regering bestrijdt dit formeeljuridische argument, met er op te wijzen dat dit principe niet consequent is doorgevoerd. Immers over de AAW-uitkering is wel premie verschuldigd. Zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen. Is de Regering in staat de gevolgen voor de onderscheiden sociale verzekeringen aan te geven, zowel wat de premiedruk betreft als voor de afdracht aan de fondsen en de gevolgen voor de rijksbegroting, indien bovengenoemd principe van de toenmalige wetgever consequent zou worden doorgevoerd? Daarbij maakten de leden de volgende kanttekening. Er dient, naar hun mening in dit verband onderscheid te worden gemaakt naar het karakter van de uitkering. De vraag die daarbij gesteld moet worden, is of sprake is van een inkomensdervingsverzekering danwei van een volksverzekering. In het eerste geval ligt het voor de hand dat een verzekerde geen premie meer betaalt indien het verzekerde risico is ingetreden. In het tweede geval ligt dat niet zo voor de hand en kan zeer wel op grond van de solidariteitsgedachte een vereveningsbijdrage worden gevraagd. Wil de Regering bovengenoenv de vraag beantwoorden in het licht van het door deze leden gemaakte onderscheid in het karakter van de sociale verzekering? Min of meer terloops maakt de Regering gewag van het gevolg van de keuze van het financieringssysteem voor de sociale verzekering (memorie van toelichting, blz. 35). Ook bij de schriftelijke voorbereiding van de derde fase van de herziening van de kinderbijslag/kinderaftrek (zie o.a. stuk 15683, nr. 6) hadden deze leden gepleit voor financiering uit de algemene middelen in plaats van een premiefinanciering (al of niet met een rijksbijdrage). Ook hier zouden zij deze keuze aan de orde willen stellen. Gezien het karakter van een inkomensdervingsverzekering ligt het, naar zij menen, voor de hand te kiezen voor premiefinanciering. Daarentegen ligt het tevens voor de hand dat in het geval van een volksverzekering de financieringsbijdrage uit de algemene middelen voortkomt. Is een dergelijke aanpak niet van veel structureler aard dan de onderhavige wijziging van het aanpassingsmechanisme? Kan de Regering aan de hand van bovenstaand onderscheid alsnog de voor-en nadelen naast elkaar zetten van premiedan wel belastingfinanciering? Daar waar de bewindslieden voorstellen de uitkering over een jaar en niet over 3 maanden vastte stellen vroegen de leden van de CPN-fractie of dit niet een zeer negatieve uitwerking zal hebben op de uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet. Het lid van de GPV-fractie was niet erg gelukkig met de voorgestelde vereveningsbijdrage, die erop gericht is de premieheffing van inkomens van werkenden en niet-werkenden gelijk te trekken. Zo zou het kunnen voorkomen dat iemand van een uitkering premie moet betalen voor die uitkering.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 6

Dit is niet logisch. Als de netto-uitkeringen boven het minimum zich anders hebben ontwikkeld dan de vergelijkbare inkomens, is het dan niet beter om de bruto bedragen met een paar procenten benedenwaarts bij te stellen en geen premies te heffen? Dit lid vroeg hoe groot een dergelijke bijstelling zou moeten zijn om hetzelfde effect te bewerkstelligen als de Regering beoogt.

Ook op het gebied van netto-uitkeringen boven het minimum heeft, zo sprak hierna het lid van de DS'70-fractie, scheefgroei plaatsgevonden, doordat de premie-inhouding niet overal dezelfde is. Met name is er verschil tussen de inhouding op uitkeringen en die op lonen. Met het beginsel van een vereveningsbijdrage, zoals door de Regering voorgesteld, kon dit lid zich dan ook verenigen. Hoewel hier geen sprake is van een systeemfout kan wel een onevenwichtigheid worden aangewezen. Dit lid zei wel zorg te hebben over de zware financiële effecten van de verevening voor betrokkenen. Temeer waarvoor na 1980 geen koopkrachtgarantie wordt gegeven. Zou niet een sterker gespreide invoering in de tijd de voorkeur verdienen? Zulks mede in relatie tot de ontwikkeling van de koopkracht in de komende jaren? Invoering van een systeem van minder beperkte premiebetaling doortrekkers van bovenminimale uitkeringen kan op verschillende manieren gebeuren. Inpassing in de toekomstige groei van de uitkeringen achtte dit lid noodzakelijk, in ieder geval waar het de huidige uitkeringstrekkers tot modaal betreft. Dit om de doelstelling van het kabinet, handhaving van de koopkracht tot modaal, te handhaven. Een geleidelijke volledige premieheffing over de uitkeringen boven het minimum wordt verdedigd door te wijzen op de solidariteit tussen actieven en niet-actieven. Dat moge zo zijn, doch dit neemt op zich niet weg dat de uitkeringsgerechtigden vanaf het moment dat zij niet meer aan het arbeidsproces deelnemen geen verdere loopbaanontwikkeling meer doormaken, met alle financiële gevolgen van dien. Dit betekent voor velen dat hun welvaartsniveau verhoudingsgewijs daalt ten opzichte van hun doorwerkende collega's. Hoe zien de indieners in dit verband het begrip solidariteit? De Regering stelt met betrekking tot de «nieuwe» uitkeringstrekkers van na 31 december 1979 voor een volledige premieheffing doorte voeren. Uiteraard verdwijnt het verschil in netto-uitkering dat dan ontstaat op den duur. Nadeel van deze maatregel is dat twee uitkeringsbestanden ontstaan met een (althans tijdelijk) ongelijkwaardige financiële positie. Betekent dit niet dat het beginsel van gelijke rechtsbedeling geweld wordt aangedaan? Wat zijn de budgettaire gevolgen -in bedragen respectievelijk premiepercentages -indien het nieuwe bestand een gelijke behandeling zou krijgen als het oude bestand?

V.5. De bejaardenaftrek en de arbeidsongeschiktheidsaftrek Voor dit gedeelte verwezen de leden van de PvdA-fractie naar hun bijdrage aan het eindverslag inzake het wetsontwerp Wijziging van de inkomstenbelasting en loonbelasting in het kader van het belastingplan 1980 (15849).

Voor wat betreft de bij het belastingplan «ondergebrachte» voorstellen ter zake de bejaarden-en invaliditeitsaftrek, merkten de leden van de CDA-fractie het volgende op. Voor 1980 stelt de Regering slechts voor om de bestaan-de bedragen van deze beide aftrekken te handhaven. Voor 1981 voorziet de Regering een verlaging in fasen van de bejaardenaftrek tot het vastliggende niveau van de invaliditeitsaftrek. Intussen vordert een studie ter zake de uiteindelijke oplossing. Hoewel deze leden geenszins uitsloten, dat deze studie tot aanmerkelijke vermindering van het belang van beide aftrekken zou leiden, hadden zij zich de vraag gesteld of het zinvol was nu reeds het interim-regime voor 1981 vastte leggen. Wanneer verwacht de Regering conclusies aan haar studie te verbinden? Waarom zou nu niet volstaan kunnen worden met hetgeen de Regering voor 1980 voorstelt -waarbij deze leden opmerkten, dat ook in 1979 de bejaardenaftrek al op het toenmalig bereikte bedrag was vastgelegd -waarbij Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

aan de hand van de studieresultaten een beslissing voor 1981 zou kunnen vallen? De leden van de VVD-fractie vroegen zich af of de bewindslieden met hun keur van argumenten niet in feite de geleidelijke, volledige afschaffing van beide aftrekken bepleiten. Zou over een langere periode gemeten daartoe moeten worden overgegaan? Wat zouden de inkomenseffecten zijn van geleidelijke, volledige afschaffing van beide aftrekken op verschillende jaarinkomenniveaus boven het minimum? Wat zullen de netto-effecten per maand zijn voor bejaarden met neveninkomsten als gevolg van de nu voorgestelde verlaging van de bejaardenaftrek in twee stappen tot het niveau van de arbeidsongeschiktheidsaftrek?

De leden van de PPR-fractie vroegen of de Regering bereid is af te zien van bevriezing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek en het voornemen met betrekking tot de bejaardenaftrek pas in beleid om te zetten, als het onderzoek naar de modaliteiten van de hardheidsclausule is afgerond (zie laatste zin van blz. 38 van de memorie van toelichting).

Hoewel het lid van de DS'70-fractie de op de bladzijden 37 en 38 van de memorie van toelichting met respectievelijk 1 t/m 3 en 1 t/m 4 genummerde argumenten kon aanvoelen en als feiten beschouwde, was het hem niet duidelijk welke concrete beleidsdoeleinden de Regering met de vastgestelde verlaging in twee stappen respectievelijk bevriezing nastreeft. Hij achtte het van belang dat de Regering in dezen duidelijkheid verschaft, aangezien op deze basis geen standpuntbepaling kan plaatsvinden. Dit lid kon zich niet verenigen met het voornemen van de Regering de studie van het Ministerie van Financiën met betrekking tot de bejaardenaftrek niet te publiceren. Hij verzocht de Regering op dit standpunt terug te komen-Dit is zijns inziens vereist voor een goede beoordeling van de thans gedane voorstellen.

V 6 Fasering

Aansluitend aan hetgeen de leden van de PvdA-fractie al in hoofdstuk V. van dit verslag stelden, moesten zij ook bij het hoofdstukje fasering constateren, dat de opstelling die de Regering in het onderhavige wetsontwerp heeft gekozen, leidt tot een zeer ongelijke behandeling van nieuwe en oude gevallen. Met nadruk wilden deze leden erop wijzen, dat dit «probleem» zich niet zou voordoen indien gekozen zou worden voor de voorstellen van de hier sprekende leden. Zij toonden zich vooral geschokt door de vaststelling door de Regering dat eerst in de door de Regering voorziene eindfase sprake zal zijn van rechtvaardige verhoudingen tussen nettoloon en netto-uitkering. Zij meenden dat hier de aap uit de mouw komt en de Regering heel nadrukkelijk de VNO-opvatting volgt, namelijk dat de bestaande verhouding onrechtvaardig is en moet worden gecorrigeerd op basis van een verhouding uit het verre verleden. Tegen die achtergrond is het niet verbazingwekkend als de Regering stelt voor nieuwe gevallen niet te denken aan een compensatieregeling. Deze moeten immers snel naar het rechtvaardige niveau. Het wilde deze leden voorkomen dat de Regering zich niet realiseert wat in persoonlijke situaties de terugval met extra twintig tot honderdtwintig gulden netto per maand betekent. Deze leden vroegen zich af waarom de Regering alleen een koopkrachtgarantie voor 1980 wil geven. Is zij bereid in overeenstemming met een parallelle inkomensontwikkeling met die van de actieven, ook een garantie voor volgende jaren te geven? De leden van de PvdA-fractie hadden geprobeerd zich een voorstelling te maken van hetgeen er per 1 januari 1980 gebeurt met een lopende uitkering. Deze uitkering gaat per 1 januari 1980 omhoog met het percentage Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

dat uit de wettelijk vastgelegde indexering voortvloeit. Dan wordt erop in mindering gebracht het op 1 oktober 1979 genoten voorschot van 1 %. Dit voorschot wordt echter weer gedeeltelijk voortgezet vanwege koopkrachteffecten. Dan wordt er 1 % afgehaald en overgeheveld naar de vakantietoeslag. Vervolgens wordt ingehouden een vereveningsbijdrage, welke ten slotte gecompenseerd wordt met een soort gewenningstoeslag. De hierbij betrokken WAO-ontvanger met een modaal uitkeringsniveau moet maar aannemen dat deze hele operatie hem een koopkrachtverlies oplevert van 0,3%, of dank zij de gefaseerde terugbetaling van het op 1 oktober ontvangen voorschot op de wettelijke verhoging van 1 januari, helemaal geen koopkrachtverlies. Het wilde deze leden voorkomen, dat een en ander voor mensen met een uitkering volstrekt niet meer te volgen is, hetgeen de vervreemding nog meer in de hand zal werken, alsmede de daarmee verband houdende onverschilligheid ten opzichte van het hele gebeuren rond de sociale zekerheid. Is de Regering bereid voor een WAO-minimum en maximum een volledig overzicht te geven van alle plussen en minnen, waaruit uiteindelijk de verhoging per 1 januari 1980 voortvloeit?

De leden van de CDA-fractie zeiden eerder in dit verslag dat de positie van degenen die vaak jarenlang aan het toegekende inkomensniveau gewend konden raken eigen kenmerken heeft, die tot enige nuancering in de aanpak kunnen leiden. Alvorens daarop nader in te gaan, wilden zij de aandacht van de Regering vragen voor een groep van gevallen die -zo kwam het hun voor -in de voorstellen van het ontwerp als «nieuwe gevallen» behandeld zouden worden. Het betreft degenen die op de ingangsdatum van de nieuwe regeling in een van de uitkeringsregelingen verblijven, maar na de ingangsdatum weliswaar een uitkering behouden, maar op grond van een andere sociale voorziening. Het leek deze leden op het eerste gezicht redelijk om deze groep -bij voorbeeld degenen die van Ziektewetuitkeringsgerechtigde tot uitkeringsgerechtigde op grond van de WAO worden -tot de «oude» gevallen te rekenen. Hoe beoordeelt de Regering zulks? Is een aanduiding van de omvang van deze groep te geven? Welke andere «overgangen» binnen het systeem zijner? Wat betreft de honorering van de eigen kenmerken van de positie van degenen die men als «oude» gevallen kan aanduiden, wilden deze leden een aantal alternatieve suggesties doen, zoals zij eerder in dit verslag zeiden: van voorlopige aard. Zij hadden die suggesties in overweging genomen, omdat naar hun oordeel het regeringsvoorstel te zeer voorbijgaat aan die eigen kenmerken. Het betreft hier lopende uitkeringen, derhalve de situatie dat van het opgebouwde recht vóór de ingangsdatum van dit wetsvoorstel -indien tot wet verheven -gebruik moest worden gemaakt. De betrokkenen hebben zich op dat inkomensniveau -netto bezien -kunnen instellen. Juist ook vanuit die constatering waardeerden deze leden het op zich, dat het voorstel een geleidelijke afbouw van het verschil tussen correct vastgesteld nieuw niveau en bestaand niveau -waar dat ook actueel is in de vorm van een lopende uitkering -inhoudt. Er waren, zo meenden zij, in voorgaande jaren wel eens minder gelukkige gedachten op papier gezet. Niettemin behielden zij principië-le moeite met het wegnemen van een bestaande, tenminste toegelaten in-komensuitloop. Zij hadden zich afgevraagd of het niet mogelijk zou zijn dat men de per de ingangsdatum bestaande «uitlopen» vastlegt in een bedrag, dat vervolgens als een afzonderlijk element meeloopt in de uitkering van betrokkenen. Discussiepunt kan zijn of op dat bedrag begrippen als premiesolidariteit van toepassing zouden zijn. Is deze variant nader te onderzoeken en wil de Regering erop een reactie geven? Kan daarbij zowel op de techniek als op de financiering worden ingegaan?

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nr. 6

Een variant hierop kan zijn, dat men per ingangsdatum hetzij voor elk individueel geval -zoals dat zich per ingangsdatum of gedurende bij voorbeeld de volle twee maanden daaraan voorafgaand voordoet -hetzij bij wijze van een gemiddelde, de toegelaten inkomensuitloop op een bepaald bedrag per die datum bepaalt, wat vervolgens al of niet in termijnen aan betrokkenen zou worden uitgekeerd. Uiteraard zou hun uitkering exclusief die «kop» in het op correcte basis vastgestelde systeem meelopen. Deze leden hadden zich op dit punt vervolgens afgevraagd of het juist is de stelling te verdedigen, dat elke premiestijging welke slechts door de actieven werd opgebracht vóór de ingangsdatum als bewust bij de uitkeringstrekkers gelaten voordeel beschouwd mag worden, laat staan moet worden. Zij zouden dat met name voor de premiestijging sinds de invoering van de WAO niet zonder meer met die stelligheid willen beweren. Met name was het deze leden opgevallen, dat het relatieve voordeel van inactieven ten opzichte van actieven, dat ontstond doordat de WAO-premie veel hoger doorsteeg dan eertijds algemeen verwacht en geraamd werd, des te groter bleek naarmate het hogere niveaus van uitkering betrof. Juist dit waarneembare effect riep bij hen vraagtekens op, wanneer met al te veel stelligheid gesproken wordt van een bewust laten van voordelen aan de uitkeringstrekker. Is, vroegen deze leden ten slotte, in de tabellen IV.7 t/m IV.10 het effect van het in de komende jaren voorgenomen ter zake de arbeidsongeschiktheidsaftrek al verwerkt?

De leden van de VVD-fractie steunden de Regering in haar streven om de uitvoering van de maatregelen zodanig gefaseerd te doen plaatsvinden dat de koopkracht van de laagste uitkeringen, en zo mogelijker hoger, blijft gehandhaafd. Daarom gaven zij hun instemming aan de voorgestelde -in de tijd af te bouwentoeslag voor de minimumuitkeringen en de bestaande uitkeringen boven het minimum. Deze leden hadden zich hierboven (V, 4) reeds uitgesproken voor de kabinetskeuze om met betrekking tot de nieuw optredende uitkeringen boven het minimum direct over te gaan op een volledige heffing van de vereveningsbijdrage zonder compenserende toeslag. Voor de modale uitkeringen leidt de gekozen hoogte van de toeslagen tot licht koopkrachtverlies in 1980. De oorzaken hiervan liggen mede in de voorindexering met 1 % per 1 oktober en een negatief na-ijlingseffect van de regelingsloonindex ten opzichte van de loonontwikkeling. Ter oplossing stelt het kabinet voor de voorindexering van 1 oktober 1979 gefaseerd af te bouwen. In dit verband vroegen deze leden naar het beeld van de koopkrachtontwikkeling op de inkomensniveaus van tabel IV.8 over de jaren 1979 en 1980 gezamenlijk. Verder vroegen zij naar de omvang van de tijdelijke extra lasten voor de sociale fondsen en de rijksbegroting als gevolg van een eventuele gefaseerde afbouw van de voorindexering. Gezien de onzekere economische vooruitzichten acht de Regering het onmogelijk om voor een langere periode het niveau van de koopkrachtgarantie aan te geven. Daarbij hoopt de Regering dat zoveel mogelijk inkomens boven het minimumniveau hun koopkracht kunnen blijven behouden. Veel hangt af van het groeiniveau van de economie. Beneden welk groeipercentage van ons nationale inkomen zal ook de koopkrachtgarantie voor de laagste uitkeringen niet meer te handhaven zijn?

De leden van de D'66-fractie stelden vast dat er geen problemen zouden bestaan met oude en nieuwe gevallen wanneer, zoals zij bepleiten, alleen een correctie van het aanpassingsmechanisme voor de toekomst aangebracht zou worden om overcompensaties uit te sluiten. Alle gevallen, oud en nieuw, worden dan gelijk behandeld. De Regering wil echter het nettoniveau van alle uitkeringen verlagen om de overcompensaties uit het verleden te laten verdwijnen, maar stelt alleen voor de nu bestaande uitkeringsgerechtigden een tijdelijke compensatietoeslag te geven om een inkomensterugval te voorkomen. Omdat voor de nieuwe gevallen geen toeslagen gege-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

ven zullen worden, ontstaan tegelijkertijd verschillende uitkeringsrechten tussen oude en nieuwe gevallen, die in gelijksoortige omstandigheden verkeren. Deze ongelijke rechten voor mensen in gelijksoortige omstandigheden vonden deze leden onaanvaardbaar. Ook in de opzet van de Regering, waarin naar een ver gaande vorm van sanering der sociale uitkeringen gestreefd wordt, zou naar hun mening het beginsel van rechtsgelijkheid als uitgangspunt genomen moeten worden, door dan ten minste de nieuwe gevallen dezelfde toeslagen te geven als de oude. Ook vroegen deze leden zich verder af of de inkomensgarantie door middel van de tijdelijke toeslagen alleen maar voor 1980 gegeven wordt of dat deze ook na 1980 zal gelden.

De leden van de PPR-fractie vroegen de Regering een uiteenzetting te geven hoe het onderscheid tussen «nieuwe» en «oude» uitkeringen, valt te rijmen met het grondrecht dat iedere burger onder gelijke bepalingen recht heeft op sociale uitkeringen. Kan de Regering tevens meer inzicht geven van de gefaseerde uitvoering van de regeringsvoorstellen, ook voor na 1 januari 1980? Is de indruk van deze leden juist dat de gehele operatie 4 a 5 jaar in beslag zal nemen en met welke nettotoeslagen, respectievelijk correcties, zal dat steeds geschieden? Deze leden vroegen nog of er niet meer valt te zeggen over de aanwending van de vereveningsbijdragen dan dat daarnaar een nadere studie zal worden ingesteld. Door wie zal deze studie verricht worden en wanneer zal deze afgesloten moeten zijn?

Het lid van de GPV-fractie was bekend met de doelstelling van koopkrachthandhaving tot en met modaal, die het kabinet hoog in het vaandel heeft geschoven. Dit lid zou echter nog graag zien een nadere rechtvaardiging van het feit dat er door het geven van inkomenscompensaties aan bestaande genieters van sociale uitkeringen twee soorten uitkeringsgerechtigden ontstaan, nl. zij die volgens het oude en zij die volgens het nieuwe systeem worden behandeld. Betekent deze handelswijze niet dat er inbreuk wordt gemaakt op het leidende rechtsbeginsel van gelijkheid voor de wet? Dit lid vroeg tevens wat de rechtvaardiging is van het feit dat de minimumuitkeringen in 1980 nog een reële positieve inkomensmutatie te wachten hebben van 0,3%.

Het lid van de DS'70-fractie vroeg zich af op welke wijze de Regering de koopkrachtgarantie voor 1980 wil nakomen, indien de huidige veronderstellingen (zie blz. 42 van de memorie van toelichting) niet uitkomen. Hij wees in dit verband op het feit dat de Regering in de afgelopen jaren voortdurend is uitgegaan van veronderstellingen die naderhand te optimistisch bleken te zijn geweest. Koopkrachtgarantie voor een langere periode acht de Regering onmogelijk te geven gezien de onzekere economische vooruitzichten. Uit de formulering van de memorie van toelichting (blz. 42) meende dit lid te kunnen afleiden dat wel een garantie wordt gegeven voor het minimumniveau. Is deze interpretatie juist?

V.7. Financiering

De leden van de PvdA-fractie waren belangstellend naar de ideeën die de Regering ontwikkeld heeft over het tempo van afbouw van de voorf inanciering van 1 oktober. Kan medegedeeld worden met welke meerkosten de gefaseerde afbouw gepaard gaat? Tevens zouden deze leden op de hoogte gesteld willen worden van de gevolgen voor de koopkrachtontwikkeling van niet-actieven ten gevolge van het feit dat de prijscompensatie per 1 januari lager uitvalt dan in de MEV geraamd was. Op welke wijze denkt de Regering haar beleid aan te passen? Kan de Regering een uitputtend overzicht geven van de gevolgen voor de verschillende sociale premies voor ieder van de onderdelen van het wetsontwerp, indien deze geen doorgaang zouden vinden?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

De leden van de CDA-fractie vroegen of in Tabel IV.12 rekening is gehouden met de effecten van zowel de voorgestelde herziening van het nettomechanisme als die van het brutomechanisme? Is in Tabel IV.13 het effect van de voorstellen ter zake van de arbeidsongeschiktheidsaftrek verwerkt?

V 8 Besparingen

De leden van de VVD-fractie memoreerden dat de ombuigingsmaatregelen in Bestek '81 met betrekking tot de sociale uitkeringen en voorzieningen tot een besparingseffect van 1050 min. in 1981 zouden moeten leiden. Welk besparingseffect voor 1980 komt daarmee overeen? Hoe nauw spoort dat bedrag met de feitelijke ombuiging van 590 min. in 1980 als gevolg van de maatregelen van dit wetsontwerp? In hoeverre dekt deze feitelijke ombuiging de «gaten» die in 1979 in dit deel van het Bestekprogramma zijn gevallen?Welk ombuigingsbedrag in 1980 zou resulteren bij het werken met de aanvankelijk voorgestelde rekenpremie van 2,5% in plaats van 1,8% voor de ZW/Wg voor zowel minimumals bovenminimumuitkeringen? De bewindslieden stellen dat het ondoenlijk is om de besparingen met enige mate van nauwkeurigheid aan te geven in een nader te bepalen eindjaar. Desondanks heeft een globale berekening uitgewezen dat het huidige pakket evenveel besparingen in 1981 teweegbrengt als het aanvankelijke, in Bestek '81 gepresenteerde pakket. Mag derhalve geconcludeerd worden dat de taakstelling van 1050 min. in 1981 volledig wordt gehaald? Tot welke collectieve drukverlaging geven de maatregelen van dit wetsontwerp ten opzichte van ongewijzigd beleid aanleiding in 1980 en 1981?

Ook het lid van de GPV-fractie vroeg een nadere onderbouwing van de stelling dat een globale berekening heeft uitgewezen dat het huidige pakket evenveel besparingen teweegbrengt als het aanvankelijke in Bestek '81 gepresenteerde pakket. Kan deze globale berekening aan de Kamer worden bekendgemaakt?

VI. ARTIKELEN

De leden van de CDA-fractie vroegen of de Regering bereid is om de algemene maatregelen van bestuur ingevolge de voorgestelde nieuwe tekst van de volgende artikelen vóór inwerkingtreding in de Staatscourant te publiceren, bij voorbeeld twee maanden tevoren: -nieuw artikel 14, lid 2 Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag; -nieuw artikel 15, lid 2 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering; -nieuw artikel 9a, lid 2 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering; -nieuw artikel 5a, lid 2 van de Wet Werkloosheidsvoorziening; -de algemene maatregel van bestuur ex artikel XXIX, lid 2 van het onderhavige wetsontwerp; -nieuw artikel 18, lid 2 van de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers; -nieuw artikel 31a, lid 2 van de Wet buitengewoon Pensioen 1940-1945; -nieuw artikel 28a, lid 2 van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers. De leden van de PvdA-f ractie vroegen de Regering uit te leggen op welke wijze zij (memorie van toelichting, blz. 48, onder b) tot het indexcijfer van 187,3 komt. Betekent dit dat met terugwerkende kracht ook de herstructurering reeds wordt doorgevoerd? Zij constateerden dat de feitelijke index in april 187,7 bedroeg.

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie, Eikerbout Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 6

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.