Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 4

LIJST VAN ANTWOORDEN Ontvangen 8 juli 1980

De vragen, gesteld door de vaste Commissie voor Financiën, beantwoord ik, met instemming van mijn ambtgenoot van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, mevrouw Kraaijeveld-Wouters, als volgt. Voor zover de vragen andere bewindslieden aangaan, geschiedt de beantwoording in overeenstemming met hen. Waar nodig is, ister wille van de onderlinge vergelijking -in deantwoorden dezelfde tariefstelling gebezigd als waarop de voorbeelden van de nota zijn gebaseerd.

De Staatssecretaris van Financiën, M. J. J. van Amelsvoort

8 vel

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 4

Inleiding (blz. 4 t/m 8)

1 De inkomensstatistiek bevat geen specifieke gegevens over de inkomensverhoudingen van echtparen waarvan de vrouw een hoger inkomen heeft dan de man. Daarom kan de vraag of meer dan de helft van deze gevallen voorkomt bij echtparen met een gezamenlijk inkomen boven f 60 000 niet worden beantwoord. Voor de veronderstelling van een zodanig sterke concentratie van vrouwen met een hoger inkomen dan dat van hun echtgenoot bij de hogere inkomens lijken de gegevens die wel aan de inkomensstatistiek kunnen worden ontleend overigens weinig of geen steun te bieden. Van de werkende echtparen had (in 1975) nog geen 8% een gezamenlijk in-komen van meer dan f 60 000. In deze laatste categorie was het aandeel van het inkomen van de vrouw in het gezamenlijke inkomen gemiddeld lager dan dat in het inkomen van de totale groep werkende echtparen. Voorts daalde het gemiddelde aandeel naarmate het gezamenlijke inkomen hoger was. Een en ander blijkt meer in details uit het volgende overzicht, dat is ontleend aan de inkomensstatistiek 1975.

Inkomensklasse

Aantal werkende

Percentage van het inkomen x f 1 000

echtparen

van de vrouw in het gezamenlijke inkomen

Alle klassen te zamen

997367

22,88 50-60

56244

25,42 60-70

27865

22,89 70-80

16052

20,89 80-90

9751

20,31 90-100

6129

17,89 100 en meer

19472

12,49 Totaal 60 en meer

79269

17,73

2 Gelet op de budgettaire situatie van thans en op de toekomstverwachtingen dienaangaande zie ik geen reële mogelijkheid de herziening van het bestaande stelsel per saldo te laten uitkomen op een budgettair nadeel van enige omvang. Anderzijds acht ik het niet gewenst dat de herziening van het stelsel per saldo een aanzienlijke budgettaire bate oplevert, omdat een dergelijke bate niet in de bedoeling gelegen heeft bij de aanzet tot de herziening van het stelsel. Over de wijze van aanwending van de op de bladzijden 8 en 96 vermelde budgettaire bate van 155 min. zijn in de nota suggesties opgenomen.

3 Bij de opzet van het stelsel is gezocht naar een zo evenwichtig mogelijk samenstel van maatregelen. De twee voor een budgettaire neutraliteit gepresenteerde opties zijn ingegeven door de wens te komen tot een zo verantwoord mogelijke tariefstructuur. Binnen deze doelstelling zie ik geen andere mogelijkheden ter bereiking van een budgettaire neutraliteit voor de hand liggen.

I. Historisch overzicht (blz. 9 t/m 18)

Sociale

verzekeringswetgeving

Bij Wet van 20 december 1979, Stb. 708, is de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1977, 496) zodanig gewijzigd dat aan mannen en vrouwen bij inkomensderving wegens langdurige arbeidsongeschiktheid onder Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

dezelfde voorwaarden recht op uitkering wordt toegekend. Zoals in de memorie van toelichting op het betreffende wetsontwerp is te kennen gegeven, kan deze regeling worden beschouwd als een eerste stap ter realisering van hetgeen op 19 december 1978 door de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen is vastgesteld in de richtlijn betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (zitting 1978-1979, 15706, nr. 3, blz. 34).

Inkomensbeleid Door de Wet van 1 maart 1980, Stb. 86, houdende aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen), is het de werkgever verboden in de arbeidsvoorwaarden verschil te maken tussen mannen en vrouwen; ook bij de uitoefening van het vrije beroep mag geen onderscheid tussen mannen en vrouwen worden gemaakt.

Pensioen De gelijkberechtiging van mannen en vrouwen op het gebied van de pensioenen zal aan de orde komen bij de algemene pensioenvoorziening voor werknemers, over welke voorziening thans het eindadvies van de Stichting van de Arbeid wordt afgewacht.

Erfrecht In zijn brief van 16 maart 1978 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (zitting 1977-1978, 12863, nr. 5) heeft de Ministervan Justitie aangekondigd een regeling te zullen ontwerpen krachtens welke de langstlevende echtgenoot van rechtswege het vruchtgebruik van de nalatenschap zal hebben. Het ontwerp-invoeringswet Boek 4, waarin deze regeling een plaats zal krijgen, is in een vergevorderd stadium van voorbereiding.

Huwelijksvermogensrecht Op 1 januari 1957 trad inwerking de Wet tot opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw (doorgaans aangeduid als de Wet Von Oven). Kernpunten uit deze wet zijn het handelingsbekwaam worden van de gehuwde vrouw alsmede de -thans in artikel 97 Boek 1 BW vervatte -regeling omtrent de verdeling van het bestuur over de goederen der gemeenschap die, kort samengevat, erop neerkomt dat ieder der echtgenoten het bestuur heeft over die goederen die van zijn of haar zijde in de gemeenschap zijn gevallen. Voorts kunnen voor een in de gemeenschap gevallen schuld van een echtgenoot zowel de goederen der gemeenschap als de eigen goederen van die echtgenoot worden uitgewonnen (zie het huidige artikel 95 Boek 1 BW).

5 Bij het wetsontwerp tot wijziging van de vermogensbelasting (zitting 1979-1980,15905) is, zoals in de memorie van toelichting is vermeld, niet vooruitgelopen op de oordeelsvorming in het kader van de nota «Op weg» over problemen als individualisering en de fiscale behandeling van samenlevingsvormen. Wel is, waar mogelijk, de wettekst sekseneutraal geredigeerd. Het wetsontwerp tot wijziging van de Successiewet (zitting 1979-1980, 16016) voorziet voor samenwoningsvormen buiten huwelijk onder bepaal-de voorwaarden in een vrijstelling en in een matiging van het tarief.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

6 De opmerking is een aanhaling uit de Nota-Grapperhaus (zitting 1969-1970,10515). Aldaar (blz. 21 r.k.) werd van de in de vraag bedoelde kosten het volgende gezegd: «Deze kosten nu zullen in het algemeen hoger zijn naarmate het inkomen van man en vrouw en in het bijzonder dat van de vrouw hoger is, een verschijnsel dat ook wordt gesignaleerd in het rapport van de Vereniging van Inspecteurs van 's-Rijks belastingen». In haar algemeenheid kan deze opmerking ook thans nog juist worden geacht. Om twee redenen mag men aannemen dat het inkomen van de gehuwde vrouw een correlatie met die kosten vertoont. Globaal genomen zal er namelijk een zekere verhouding bestaan tussen inkomen en de daarvoor gewerkte tijd en wel in deze zin dat het inkomen hoger zal zijn naarmate langer wordt gewerkt. Hoe meer tijd het betaalde werk van de vrouw vergt, hoe groter de behoefte zal zijn om bepaalde kosten te maken (bij voorbeeld op het terrein van huishoudelijke hulp en kinderverzorging). Voorts worden bij toeneming van het inkomen de mogelijkheden verruimd om bepaalde kosten te maken. Behalve aan kosten in het huishoudelijke vlak kan daarbij worden gedacht aan de meer persoonlijke kosten van de vrouw, welke in de nota-Grapperhaus worden aangeduid als kosten die «betrekking hebben op de extra-uitgaven waarvoor een vrouw zich geplaatst ziet als zij buiten de gezinshuishouding gaat werken en die zij niet of in mindere mate heeft als zij zich geheel aan haar gezinstaak thuis kan wijden». Overigens werd in de nota wel opgemerkt dat de noodzaak van de gemaakte kosten in alle gevallen niet even groot zal zijn.

7 In vergelijking tot een stelsel van (beperkte) verzelfstandiging van de gehuwde vrouw is het stelsel van vóór 1973 alleen beter te motiveren vanuit die draagkrachtgedachte waarin het gezinsinkomen wordt gerekend maatstaf van draagkracht te zijn. Met name in de periode waarin het inkomen als regel door één huwelijkspartner -de man -werd aangebracht, werd de gedachte dat het gezin eenheid van draagkracht is, algemeen aanvaard. Die gedachte ontmoet in toenemende mate bezwaren door de maatschappelijke ontwikkeling dat huwelijkspartners meer en meer ieder een inkomen gaan verwerven. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid, dat van 1962 af het stelsel van onverkorte heffing over het gezamenlijke inkomen van h u wel ijkspa rt-ners is verlaten. Aanvankelijk gebeurde dat door toepassing van een inkomensaftrek op hun gezamenlijke inkomen; in verband met de daaraan verbonden bezwaren (zie blz. 14 van de nota) van 1973 af door een zelfstandige heffing van de gehuwde vrouw voor wat betreft haar arbeidsinkomen. Zulk een gescheiden heffing is in overeenstemming met het in brede lagen van de bevolking heersende rechtsgevoel. Zo wordt als vanzelfsprekend aanvaard dat iemand die een huwelijk gesloten heeft minder belasting verschuldigd is indien zijn partner geen arbeidsinkomen verdient; daarin vindt met het traditionele fiscale draagkrachtprincipe terug. Het wordt echter niet vanzelfsprekend gevonden dat twee werkende ongehuwden, die bij voorbeeld elk f 25000 verdienen, zodra zij met elkander huwen ene hogere, laat staan een aanzienlijk hogere, belastingdruk ondervinden doordat zij de progressie zouden ervaren die past bij een inkomen van f 50 000.

II. Analyse van het wettelijke systeem (blz. 19 t/m 28) 8 In de voorgestelde regeling zal het bedoelde knelpunt van de hypotheekrente zich niet voordoen door de toerekening van de negatieve opbrengst eigen woning aan de meest verdienende partner. Verwezen zij naar hetgeen is vermeld op de bladzijden 77 en 78 van de nota onder het opschrift «maritale verliescompensatie». Zoals onderaan op bladzijde 74 van de nota is vermeld, blijven er evenwel bezwaren aanwezig indien het arbeidsinkomen van beide partners van wezenlijke betekenis is en wel indien die twee inkomens elkaar niet veel ontlopen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

9 De produktieve waarde van de huisvrouw (of man) in de betekenis van de waarde van de onbetaalde huishoudelijke arbeid is niet een afzonderlijke rekengrootheid in de onderlinge draagkrachtverschillen. De hogere belastingvrije som van de alleenverdienende partner, vergeleken met de algemene belastingvrije som van de individuele belastingplichtige, kan worden beschouwd als de resultante enerzijds van de draagkrachtverminderende factor welke is gelegen in de omstandigheid dat de partners getweeën van het inkomen moeten leven en anderzijds van de draagk c'itvermeerderende werking, waarbij in het verleden drie factoren werden onderscheiden: 1. de besparing op verschillende uitgaven wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding; 2. het kostenbesparende effect van de huishoudelijke arbeid; 3. de geringere kosten vergende bevrediging van met name immateriële behoeften. Kortheidshalve zouden deze draagkrachtvermeerderende factoren kunnen worden ondergebracht onder de volgende twee noemers: a. besparing door samenwoning; b. besparing door huishoudelijke arbeid. De betekenis welke afzonderlijk aan de besparing door huishoudelijke arbeid is toe te kennen, valt niet te becijferen. Wel is langs de weg welke is aangegeven in hoofdstuk 6.4 van de nota-Grapperhaus (zitting 1969-1970, 10515) voor het totaal van de draagkrachtverhogende factoren een (met het inkomen oplopende) waarde te berekenen.

Inkomen

Belasting bij

Door alleen-

Draagkracht splitting

verdiener de-

verhogende (vrije som

zelfde belas-

factor f6 042)

ting verschuldigd bij een inkomen van

30000

3748

25909

4 091 40 000

6348

34034

5 966 50 000

9492

42105

7 895 60 000

12692

49068

21501-80 000

20522

64080

15920 I00 000

30344

80708

19292

Zowel bij als na de invoering van de huidige tariefstructuur (per 1 januari 1973) heeft een budgetonderzoek als onderbouwing van de onderscheidene belastingvrije sommen en/of de verschillen van die sommen niet plaatsgevonden.

10 Bij het opstellen van de nota is ervan uitgegaan dat -voor zover bekend -in niet meer dan ongeveer 25 % van alle huwelijken beide partners betaalde arbeid verrichten. Hoewel er geen specifieke gegevens beschikbaar zijn, lijkt het mij niet verantwoord te veronderstellen dat in andere samenlevingsverbanden dan het huwelijk het relatief veel minder voorkomt dat de een geheel of nagenoeg voorziet in het levensonderhoud van de ander. Dit in aanmerking nemende en voorts ervan uitgaande dat de samenlevingsverbanden buiten huwelijk ongeveer 7 % uitmaken van het totaal aantal «gezinnen» en gegeven de omstandigheid dat het aantal huwelijken waarin beide partners betaalde arbeid verrichten een groei blijkt te vertonen, schat ik het aantal in de vraag bedoelde «gezinnen > op ongeveer een derde van het totaal.

11 Thuiswerkende vrouwen zouden een vergeten groep worden indien bij een voortschrijdende individuele belastingheffing van huwelijkspartners steeds minder plaats zou worden ingeruimd voor de mogelijkheid om reke-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

ning te houden met de niet buitenshuis werkende partner. Dit is echter niet het geval. Zowel in het van 1973 af geldende stelstel van beperkte verzelfstandiging als in het voorstel van gelijke behandeling is duidelijk een plaats ingeruimd voor de kostwinner/alleenverdiener. Een analyse van het belang van de groep van thuiswerkende vrouwen voor ons economische bestel lijkt mij een ingewikkelde zaak. Ook is mij niet duidelijk in hoeverre zo'n analyse van een van de (vele) vormen van onbetaald werk relevant zou moeten zijn in het kader van de draagkrachtbepaling voor de loon-en inkomstenbelasting. Dit neemt uiteraard niet weg dat het belang van de groep van thuiswerkende vrouwen voor onder meer gezinsverzorging en kinderopvoeding evident is.

12 De verandering in rollenpatroon van mannen en vrouwen is een geleidelijk verlopend proces. Nog in ongeveer driekwart van alle huwelijken verricht een van de partners (als regel de vrouw) geen betaalde arbeid (blz. 70 van de nota). Deze partner is dan meestal degene die zich voornamelijk bezighoudt met huishoudelijke arbeid.

13 Uit de kernpunten 1, 2 en 3 (blz. 69 en 70 van de nota) volgt, dat het voorgestelde stelsel niet als doel heeft maatschappelijke ontwikkelingen te bevorderen of af te remmen. De opzet van het stelsel is tegemoet te komen aan gerechtvaardigde verlangens naar een gelijke behandeling van man en vrouw en, naast aansluiting bij de huidige maatschappelijke situatie, een zo goed mogelijk uitgangspunt te bieden voor aanpassing aan te verwachten maatschappelijke ontwikkelingen. Voor wat betreft het streven naar invoering van deeltijdarbeid kan worden opgemerkt, dat het voorgestelde stelsel een mogelijk in het huidige stelsel besloten liggende belemmering voor verwezenlijking van een ontwikkeling in die richting wegneemt door de introductie van gelijke belastingvrije sommen voor partners die beiden betaalde arbeid verrichten.

14 In de meeste huwelijken bestaat het huwelijksvermogensrechtelijke regime van de algemene goederengemeenschap. In een groot aantal van deze gemeenschappen zal het verschil tussen de niet tot het arbeidsinkomen behorende vruchten en lasten, vooral ten gevolge van rentelasten, nihil, vrijwel nihil of zelfs negatief zijn. Zoals ook is aangegeven op bladzijde 74 van de nota, zou in die gevallen individualisering van die vruchten en lasten toch moeten leiden tot administratieve ingrepen als overheveling van belastingvrije sommen en maritale verliescompensatie.

15 Het aantal gevallen, als is bedoeld op bladzijde 28 van de nota, waarin een via het zogenaamde ph-biljet verkregen teruggaaf van premie AOW/AWW belastingvrij blijft, bedraagt ± 25000. De totale teruggaaf kan worden gesteld op circa 25 min. Volledigheidshalve merk ik hierbij op, dat ook in gevallen waarin een teruggaaf van premie wordt verkregen via een T-biljet, de teruggaaf van premie niet tot heffing van inkomstenbelasting behoeft te leiden. Evenals bij de ph-biljetten zal dit zich voordoen indien in het jaar van ontvangst van de premieteruggaaf geen aanslag inkomstenbelasting (anders dan een nihilaanslag) wordt opgelegd. Over het aantal gevallen waarin dit zich voordoeten de omvang van de aldus niet tot heffing van inkomstenbelasting leidende premieteruggaven zijn geen gegevens aanwezig.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

III. Alternatieve stelsels

Volkomen gescheiden heffing (blz. 43 t/m 46) 16 Zoals in de nota is vermeld, gaat het hier om de mogelijkheid om -bij onzekerheid omtrent de rechthebbende op bepaalde vermogensbestanddelen -te manipuleren met de uit die bestanddelen voortvloeiende inkomenselementen (blz. 44). De neiging zou kunnen opkomen d ze inkomenselementen te presenteren als inkomensbestanddelen van de echtgenoot met het geringste arbeidsinkomen.

17 Een pondspondsgewijze toerekening neemt de bezwaren als zijn vermeld in het antwoord opvraag 14-waarbij het vooral gaat om situaties waarin een van de partners weinig of geen arbeidsinkomen heeft -niet weg, ongeacht of deze toerekening bij helfte dan wel naar rato van de inkomens van beide partners plaatsvindt. Doch ook in gevallen waarin de beide partners meer dan een onaanzienlijk inkomen genieten zal een pondspondsgewijze verdeling vaak niet aansluiten op de feitelijke financiële verhoudingen.

18 De door een gescheiden heffing bij echtparen optredende verschillen in belastingdruk bij een gezamenlijk inkomen dat even groot is als dat van een alleenverdienende partner zouden, in de zienswijze dat een echtpaar een eenheid van draagkracht is, een minder rechtvaardige verdeling van de belastingdruk kunnen inhouden. Sinds 1973 echter worden huwelijkspartners voor hun arbeidsinkomen niet meer beschouwd als eenheid van draagkracht. Bij vergelijking van de gezamenlijke belastingdruk op twee personen met die op één persoon met een even groot inkomen als dat van die andere twee te zamen openbaart zich in een systeem van individuele heffing geen onderling -individueel -draagkrachtverschil, doch de progressie van hettarief. Verwezen zij naar hetgeen is opgemerkt in hoofdstuk II van de nota van de voorbeelden 9 en 10 (blz. 26) 19 Ongeacht de voor een splitsingsstelsel gebezigde tariefstelling kan tegen zulk een stelsel als bezwaar worden aangevoerd dat het geen bijdrage vormt tot fiscale zelfstandigheid van de gehuwde vrouw die arbeidsinkomen geniet. Een splittingstelsel legt in beginsel een zelfde belastingdruk op een gezamenlijk inkomen van bepaalde omvang ongeacht de mate van aanbreng door ieder van de huwelijkspartners. Aan zulk een stelsel is inherent dat het -vergeleken zowel met het huidige stelsel van beperkte verzelfstandiging als met het voorstel tot een verder gaande gelijke behandeling van echtgenoten -de belastingdruk voor echtparen waarvan beide partners verdienen in relatieve zin verzwaart ten opzichte van echtparen waarvan een der partners het gehele gezinsinkomen aanbrengt. Een overgang naar zulk een stelsel op budgettair neutrale wijze zal voor echtparen waarvan beide partners verdienen in het algemeen tevens een absolute verzwaring van belastingdruk meebrengen als gevolg van de noodzakelijke wijziging van de tariefstelling. In een voor gehuwden geldend splittingstelsel veroorzaakt het hanteren van een zwaarder tarief dan het ongehuwdentarief tevens verschil in belastingdruk tussen een echtpaar waarvan beide partners verdienen en twee samenwonende ongehuwden met inkomens gelijk aan die van de echtelieden. Zulk een heffingsstelsel is het Amerikaanse; de bezwaren die bleken te gelden tegen dat stelsel zijn in de nota omschreven op de bladzijden 125 en 126.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

20 In Frankrijk wordt het gezinsinkomen voor de berekening van de verschuldigde belasting gesplitst met behulpvaneen gezinsfactor, een coëfficiënt familiale. Zonder al te zeer in details af te dalen kan worden gesteld dat, in het algemeen gesproken, deze factor is: 2 vooreen echtpaar zonder kinderen 2,5 voor een echtpaar met 1 kind 3 vooreen echtpaar met 2 kinderen 3,5 voor een echtpaar met 3 kinderen enz. Voor weduwen en weduwnaars uit wier huwelijk kinderen zijn geboren geldt dezelfde factor als voor echtparen. Voor de overige onvolledige gezinnen geldt als regel een factor die 0,5 lager is, dus 2 bij 1 kind 2,5 bij 2 kinderen 3 bij drie kinderen enz. Het systeem houdt derhalve voor een echtpaar zonder kinderen een zogenaamde fullsplitting op basis van het ongehuwdentarief in. De betekenis daarvan is uiteengezet in het onderdeel <Splitting» van hoofdstuk III van de nota (blz. 46 e.v.). Voor gezinnen met kinderen werkt het Franse systeem als regel beduidend gunstiger dan een systeem van fullsplitting met kinderaftrek doordat de progressie sterk wordt verminderd. Het komt erop neer dat een gezin met 2 kinderen over een inkomen van bij voorbeeld f 36000 evenveel belasting betaalt als 3 alleenstaanden met elkf 12000 inkomen.

21 In het Nederlandse heffingsstelsel is destijds bij de heffing over het gezamenlijk inkomen geen plaats ingeruimd voor de (werkelijke) kosten van vervanging van de moeder thuis bij aanwezigheid van jonge kinderen; gekozen is voor een forfaitaire aftrek (met een minimum en een maximum) naar rato van het arbeidsinkomen van de vrouw, zonder onderscheid naar de samenstelling van het gezin. Dit systeem is met ingang van 1973 vervangen door het huidige stelsel, waarin de gehuwde vrouw voor haar arbeidsinkomen zelfstandig in de belastingheffing wordt betrokken. Globaal genomen is dit stelsel van gescheiden heffing voor de gezinnen voordeliger naarmate de vrouw meer arbeidsinkomen geniet. Uitgaande van een zekere samenhang tussen de hoogte van het arbeidsinkomen en de daarvoor gewerkte tijd (zie vraag 6) kan men stellen, dat er een zekere relatie mag worden verondersteld tussen het voordeel van de gescheiden heffing en de kosten, verbonden aan de noodzaak of behoefte om de vrouw, gedurende de tijd dat zij werkzaamheden buitenshuis verricht, te doen vervangen door gezinshulp e.d. Om daarenboven, in een stelsel van gescheiden heffing, nog expliciet rekening te gaan houden met de werkelijke kosten van gezinshulp, acht ik niet nodig.

22 Het Oostenrijkse stelsel houdt het volgende in. Gehuwden worden ieder voor hun eigen inkomen in de belastingheffing betrokken, met dien verstan-de dat voor een alleenverdienende huwelijkspartner een aftrek (alleen verdienersaftrek) geldt in de vorm van een taxcredit. Met meewerken in de onderneming van de echtgenoot wordt rekening gehouden als dit in loondienst gebeurt, dit wil zeggen indien er een arbeidscontract is. Voor het geval beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten geldt geen aftrekmogelijkheid voor kosten van huishoudelijke hulp en dergelijke; deze uitgaven worden als bestedingen beschouwd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

De kernpunten van een nieuw stelsel (blz. 69 t/m 71) 23 Het aantal huwelijken waarin de vrouw arbeidsinkomen verwierf bedroeg volgens de beschikbare gegevens in 1975: a. in de categorie tot 30 jaar (leeftijd man) 248 000 b. in de categorie 30-40 jaar 269 000 c. in de categorie 40-50 jaar 25000 0 d. in de categorie 50 jaar en ouder

253 000 in totaal

10200 00In deze aantallen zijn begrepen de gevallen waarin de vrouw door incidentele deelneming aan het arbeidsproces inkomen heeft verworven, alsmede de gevallen waarin alleen de vrouw aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. Het aantal huwelijken waarin beide partners anders dan incidenteel werken is dan ook geringer dan de vermelde aantallen. Voor zover bekend werkten beide partners buitenshuis in niet meer dan ongeveer 25% van alle huwelijken, dat wil zeggen in een totaal aantal gevallen van 850 000 a 900 000; omtrent de verdeling daarvan over de leeftijdscategorieën zijn geen gegevens voorhanden.

24 Deze opmerking blijve voor rekening van het CNV. De aan het voorstel ten grondslag liggende gedachten zijn te vinden in de zes kernpunten, vermeld in de inleiding van hoofdstuk VI van de nota. Ik geef toe dat deze kernpunten niet geheel vrij zijn van pragmatische elementen. De gekozen benadering sluit aan op het bestaande systeem van beperkte fiscale verzelfstandiging van man en vrouw in het huwelijk, met wegneming, voor zover mogelijk, van de huidige minder evenwichtige behandeling van de huwelijkspartners.

25 De eerstvermelde stelling acht ik in theorie juist. Bij een praktische verwezenlijking van de daaraan ten grondslag liggende gedachte komt men echter voor ernstige problemen te staan. In dit verband herinner ik aan de bezwaren die kleefden aan het vóór 1973 bestaande heffingssysteem waarin het in-komen van de vrouw een bestanddeel vormde van het totale, bij de man in aanmerking te nemen, gezinsinkomen. De tweede stelling onderschrijf ik in de gekozen formulering niet. De draagkrachtgedachte heeft in haar oorsprong betrekking op het gezin als sociale en economische eenheid. Ik meen dat deze oorspronkelijke gedachte voor veel gezinnen nog een waarheidsgetrouwe typering inhoudt. In een groeiend aantal gevallen is het echter geen typering meer die de werkelijkheid geheel juist weergeeft.

26 De gezinsdraagkracht komt in het in de nota ontvouwde stelsel tot uiting in de belastingvrije som voor tariefgroep 4 en in de belastingvrije som voor diegenen in tariefgroep 3 die recht op kinderbijslag hebben.

27 Het komt zeker voor, dat partners hun inkomen samenvoegen en hun gezamenlijke kosten uit die samengevoegde inkomens bestrijden. Men ziet echter ook dikwijls dat de partners hun gezamenlijke kosten bestrijden uit het inkomen van de meest verdienende. Daarnaast komt een gedragspatroon voor, waarin partners afspreken een bepaald gedeelte van de individueel verworven inkomens te besteden aan hun gemeenschappelijke behoeftenbevrediging. In zo'n gedragspatroon ligt geen realiteitsbasis besloten voor een belastingheffing naar de samengevoegde inkomens van partners.

28 In het heffingssysteem van vóór 1973 is het niet denkbaar, het arbeidsinkomen van de vrouw tot een bepaald maximum afzonderlijk te belasten. Wel is het denkbaar het arbeidsinkomen van de vrouw tot een bepaalde hoogte Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

te verzelfstandigen. Aan zulk een systeem is aandacht besteed op blz. 30 van de nota. Zoals aldaar tot uitdrukking is gebracht, zou een dergelijk systeem de reeds bestaande ongelijkheid in fiscale behandeling van man en vrouw vergroten. In hoeverre het nadeel, dat samentelling van inkomens van man en vrouw een fiscale rem kan zijn op het verrichten van betaalde arbeid, zou worden weggenomen door verzelfstandiging tot zekere hoogte van het vrouweninkomen, hangt af van de voorzo'n verzelfstandiging te kiezen hoogte van het vrouweninkomen. Degenen wier arbeidsinkomen de voor verzelfstandiging te stellen grens zou overtreffen, zullen een dergelijk fiscaal systeem als een principieel niet te rechtvaardigen achteruitgang ervaren, hetgeen, zoal geen feitelijke, dan toch een psychologische fiscale rem op het verrichten van betaalde arbeid zal betekenen.

29 Zowel aaneen terugkeer tot het oude als aan een overgang tot een ander stelsel van heffing waarin de gezinsdraagkracht gestalte vindt, kleven niet geringe bezwaren. Ik herinner aan de in hoofdstuk I van de nota vermelde motieven die de grondslag vormden voor het verlaten van het heffingssysteem van vóór 1973, en verwijs naar de in de nota omschreven bezwaren die zijn verbonden aan de invoering van een splittingstelsel.

30 Zoals ik in het antwoord op vraag 25 al geprobeerd heb tot uitdrukking te brengen, geeft deze typering de werkelijkheid naar mijn mening niet meer in alle gevallen weer.

31 De fiscale positie van de ongehuwde die met een ander samenleeft of samenwoont, vertoont blijkens de daarvan in hoofdstuk V van de nota gegeven analyse, naar twee kanten onevenwichtigheden vergeleken met die van gehuwden. Aan de ene kant zijn er situaties van kostwinnerschap, die in het bestaande stelsel niet tot gelding komen (voorbeeld 35). Aan de andere kant zijn er situaties waarin ongehuwden in economisch opzicht in vergelijkbare positie verkeren als gehuwden, maar die thans fiscaal worden behandeld als alleenstaanden (voorbeelden 36b, 38b en 39b). Een aanpassing van het stelsel in deze zin dat de gehuwden in het vervolg op dezelfde wijze zouden worden behandeld als thans de ongehuwd samenwonenden, zou naar mijn mening niet beantwoorden aan de in de maatschappij heersende gevoelens omtrent een rechtvaardig systeem van belastingheffing. Uit de in hoofdstuk II van de nota opgenomen analyse van het bestaande wettelijke systeem ten aanzien van gehuwden kan noch mag naar mijn oordeel worden geconcludeerd dat er aanleiding zou bestaan de fiscale erkenning van het traditionele kostwinnerschap -dat zich voordoet in ongeveer75% van alle huwelijken -te laten vervallen of dat het totaal aan belastingvrije sommen verhoudingsgewijs te klein zou zijn in situaties waarin bei-de huwelijkspartners inkomen aanbrengen. Volledigheidshalve herinner ik eraan dat de voorgestelde aanpassing van het regime voor ongehuwd samenwonenden alleen geldt voor het tarief en niet een inkomenstoerekening inhoudt.

32 Vrijwilligerswerk kan evenmin als andere nuttige vormen van tijdbesteding worden aangemerkt als een draagkrachtbepalende factor; daarom is het niet opgenomen in de beschouwingen.

33 Degenen voor wie de loonbelasting eindheffing is kunnen, overeen reeks van jaren bezien, in het algemeen geacht worden niet in het nadeel te verkeren ten opzichte van degenen die in de inkomstenbelasting worden betrokken. Aan de loonbelasting als systeem van heffing per tijdvak van loonver-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

strekking is inherent dat rekening wordt gehouden met de omstandigheden welke bekend zijn op het inhoudingstijdstip. Deze omstandigheden kunnen afwijken van die welke, op jaarbasis bezien, relevant zouden zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting. Mochten zich, achteraf beoordeeld, te grote verschillen tussen beide belastingen voordoen, dan kan correctie plaatsvinden door middel van een verplichte aanslag in de inkomstenbelasting dan wel door middel van een aanslag op verzoek.

34 De geciteerde zin, voorkomend in kernpunt 4 voor het nieuwe stelsel, sluit aan op kernpunt 3 daarvan, luidend: het stelsel zal de heffing van individuele subjecten als uitgangspunt moeten hanteren. Zoals bekend is, is de nota met het daarin vervatte voorstel verschenen in het stadium van «Op weg naar gelijke fiscale behandeling van de (werkende) gehuwde vrouw en haar man, en van deelgenoten aan vormen van samenleving en samenwonen». Ten aanzien van gehuwden zet de nota de in 1973 in gang gezette, beperkte verzelf standiging van de gehuwde vrouw voort door de individualisering door te trekken tot pensioenen en daarmee gelijk te stellen inkomsten uit vroegere arbeid. Ik acht de tijd niet rijp voor een verder gaande individualisering, die ook de vermogensinkomsten, persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten e.d. omvat. Naarmate de maatschappelijke ontwikkeling voortschrijdt zal het stadium van volledige individualisering kunnen worden bereikt. Als tweede kernpunt voor het nieuwe stelsel is dan ook op bladzijde 69 van de nota vermeld, dat het stelsel naast aansluiting bij de huidige maatschappelijke situatie tevens een zo goed mogelijk uitgangspunt moet bieden voor aanpassing aan te verwachten maatschappelijke ontwikkelingen.

35 Zoals in de nota op bladzijde 70 bij het tweede kernpunt voor het nieuwe stelsel is vermeld, is de maatschappelijke situatie thans dat, voor zover bekend, in niet meer dan ongeveer 25% van alle huwelijken beide partners betaalde arbeid verrichten. Dit betekent, dat in een grote meerderheid van gevallen de ene huwelijkspartner mede voorziet in het levensonderhoud van de andere partner. Deze feitelijke omstandigheden maken het irreëel zich thans voorstander te betonen van een stelsel waarin het voorzien in het levensonderhoud van de partner geheel buiten beschouwing blijft. Verwezen zij nog naar het op dezelfde bladzijde van de nota opgenomen derde kernpunt.

36 In de tweede volle alinea op bladzijde 74 van de nota zijn de thans in het maatschappelijk bestel voorkomende rollenpatronen summier aangegeven. Daaruit blijkt dat niet van «het» rollenpatroon kan worden gesproken, maar dat zich voornamelijk drie patronen voordoen. Juist bij het nog in zeer grote mate voorkomende patroon waarin één partner het gezinsinkomen (arbeidsinkomen) aanbrengt, uit welk inkomen alle of nagenoeg alle lasten worden gefinancierd, betekent toerekening van alle overige inkomensbestanddelen aan de alleenverdiener geen miskenning van dat rollenpatroon. Bij heffing van individuele subjecten is een toerekening van de overige in-komensbestanddelen aan elk van de huwelijkspartners inderdaad een essentieel element van het stelsel. In de nota is evenwel aangegeven dat dan bij de partner die geen of slechts additioneel inkomen geniet een inkomen zou ontstaan, variërende van bijna nihil tot negatief (blz. 74). Zie ook het antwoord op vraag 14. Inbreuk op het principe van heffing van individuele sub-jecten in de vorm van voetoverheveling of maritale verliescompensatie zou in de praktijk dan ook niet achterwege kunnen blijven en derhalve in de meeste gevallen tot onpraktische gevolgen leiden. Op grond van deze overweging is toerekening aan de meestverdienende partner voorgesteld, waarbij niet is verheeld dat het voorstel in een beperkt aantal gevallen bezwaren ontmoet.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

37 Ik vind het geen tegenstrijdigheid, enerzijds de tijd gekomen te achten om voor de draagkrachtbeoordeling ook van feitelijke, nietformeel vastgelegde, relaties van samenleven of samenwonen uit te gaan, doch anderzijds niet zo ver te gaan dat ik voor de toerekening van inkomensbestanddelen samenlevende of samenwonende ongehuwden fiscaal op dezelfde wijze zou behandelen als gehuwden. Tegen de achtergrond van het nieuwe stelsel, dat de heffing van individuele subjecten als uitgangspunt hanteert, en het bestaan-de systeem voor ongehuwden, dat volledige individualisering kent, zou het een stap terug betekenen indien men daarvan voor deze categorie van personen zou afwijken. In het kader van de fiscale gelijkstelling van de gehuwde man en de gehuwde vrouw zou weliswaar een volledige individualisering van alle inkomensbestanddelen, zowel positieve als negatieve, passen, maar voor in-komsten uit vermogen, persoonlijke verplichtingen, buitengewone lasten en dergelijke acht ik de tijd tot individualisering niet rijp. Verwezen zij naar bladzijde 74 van de nota en het antwoord op vraag 36.

38 Ja. Zoals in de toelichting op kernpunt 4 (blz. 70 en 71) is aangegeven, zou, daar de heffing van het individu als uitgangspunt van het nieuwe stelsel geldt, toerekening van inkomensbestanddelen van ongehuwden die een gemeenschappelijke huishouding voeren aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen een stap terug betekenen.

39 Over de uitvoerbaarheid van het stelsel is bij de ontwikkeling daarvan overleg gepleegd met de beleidsafdelingen op uitvoeringsgebied (de onder de Directeur-Generaal der Belastingen ressorterende Directies Directe Belastingen en Organisatie van de Belastingdienst). Na het verschijnen van de nota is de belastingdienst gevraagd zijn visie kenbaar te maken met betrekking tot de in de nota behandelde problematiek. Algemeen is in de dienst de in-druk dat de voorgestelde behandeling van ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren, in de praktijk op moeilijkheden zou kunnen stuiten.

Het tarief in het nieuwe stelsel: belastingvrije sommen (blz. 72) 40 Voor de verhouding van de belastingvrije sommen en de logica in die verhouding is aansluiting gezocht bij het huidige bestand aan belastingvrije sommen. Daarmede wordt bereikt, dat het nieuwe stelsel bij invoering geen te grote schokken oplevert voor het merendeel van de contribuabelen. Voor de betekenis van een budgetonderzoek ter onderbouwing van de onderscheiden belastingvrije sommen en de verschillen tussen die sommen verwijs ik naar het antwoord op vraag 9.

41 Het zou theoretisch beter zijn, uitsluitend een materieel criterium te hanteren voor de indeling in tariefgroep 3. Toekenning van de in de vraag bedoel-de toeslag op de algemene belastingvrije som aan een ieder die -ongeacht de leeftijd -alleen woont in een als woning geregistreerde woonruimte, zou, ten opzichte van het in de nota vervatte voorstel, een extra budgettaire bate van meer dan honderd miljoen opleveren. Het aantal personen dat alleen woont in een als woning geregistreerde woonruimte is namelijk beduidend geringer dan het aantal personen dat geen gemeenschappelijke huishouding met een ander voert; tot de eerste categorie behoren immers niet kamerbewoners, bewoners van bejaardentehuizen en andere alleenstaanden die geen als woning geregistreerde woonruimte hebben.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

42 In de wetenschap dat het tot uitdrukking brengen van draagkrachtverschillen in de belastingvrije sommen niet dan met een zekere ruwheid kan geschieden, ben ik van mening dat een alleenstaande ongehuwde niet te zwaar wordt belast in vergelijking tot een alleenverdienende partner in een huwelijk. Alleenstaanden hebben een grotere draagkracht dan echtparen zonder kinderen. De uitgaven van een echtpaar zullen over het algemeen aanmerkelijk hoger zijn dan die van een alleenstaande. Voor het tot uitdrukking brengen van dit verschil in draagkracht acht ik een verse ! an f 2014 tussen de belastingvrije sommen van tariefgroep 4 en tariefgroep 3 verhoudingsgewijs niette groot.

43 De leeftijdsgrens (aanvankelijk 40, later 35 jaar) voor de oudere ongehuwden, bij wie een geringere draagkracht wordt verondersteld dan bij de jongere ongehuwden, vormt een globaal en praktisch, maar daardoor evenzeer arbitrair, criterium inzake een veronderstelde mate van zelfstandig leven, waarmee de geringere draagkracht samenhangt. Op dit globale criterium is voor twee situaties een uitzondering gemaakt waarvoor kan worden aangenomen dat daarin de bedoelde mate van zelfstandig leven eerder als algemene norm is te aanvaarden: gehuwd geweest zijn en kinderen hebben.

44 Ook in de nota is -mede in verband met de uitbreiding van de verzelfstandiging tot pensioenen -de vraag aan de orde gesteld, of onder het nieuwe stelsel nog wel een verschil in belastingvrije sommen moet blijven bestaan, met andere woorden of de belastingvrije som ad f 10070 voor tariefgroep 4 (de alleenverdiener) niet gelijk moet worden aan tweemaal de belastingvrije som ad f 6042 voor tariefgroep 2. Verwezen zij naar hoofdstuk VI, onderdeel B-H, sub b, bladzijden 73 en 74, en onderdeel F, bladzijde 98. Daaruit blijkt dat het aan twijfel onderhevig is of het in het voorstel besloten liggende verschil van f 2014 -dat is terug te voeten op de besparende werking van de huishoudelijke arbeid van één of beide partners -in de toekomst redelijkerwijs zal kunnen blijven gehandhaafd. Bij budgettaire neutraliteit zou de algemene belastingvrije som van tariefgroep 2 in plaats van f 6042 ongeveer f 5300 a f 5400 bedragen en die van tariefgroep4in plaats van f 10070 ongeveer f 10600 af 10800. Door de veelheid en verscheidenheid van belastingplichtigen bij wie zich drukverschuivingen zullen voordoen is het niet mogelijk exact aan te geven op welk niveau budgettair evenwicht valt te verwachten.

45 Zoals is vermeld in de antwoorden op de vragen 14 en 36, zou individualisering van de overige inkomensbestanddelen in verreweg de meeste gevallen leiden tot consequenties waaraan de wetgever door middel van voetoverheveling of maritale verliescompensatie tegemoet zou moeten komen. Daarmee zou dan evenwel veelal uiteindelijk hetzelfde resultaat zijn bereikt als in het voorgestelde stelsel rechtstreeks wordt verkregen door toerekening aan de meest verdienende partner. Voorts zij nog verwezen naar het antwoord op vraag 16.

46 Een systeem dat de overige bestanddelen van het inkomen toerekent aan de huwelijkspartner met het hoogste arbeidsinkomen kan ertoe leiden dat die bestanddelen niet jaarlijks bij dezelfde partner in aanmerking worden genomen. Dit ligt in het systeem besloten. De kans daarop is het meest reëel in situaties waarin de individuele arbeidsinkomens van de beide partners elkaar niet veel ontlopen en het arbeidsinkomen van de ene partner nu eens hoger, dan weer lager is dan dat van de andere partner. In het merendeel van de gevallen zullen de arbeidsinkomens evenwel zoveel veschillen, dat het aantal keren dat zij ten opzichte van elkaar in rangorde van hoogte zullen verwisselen, uiterst klein zal zijn.

Tweede Kamer, zitting 1979 1980, 15835, nr. 4

Dat het verschijnsel zich veelvuldig zal voordoen bij van jaar tot jaar wisselende ondernemingswinsten, acht ik niet waarschijnlijk. Het komt niet veel voor dat de ene partner een onderneming drijft en de ander in loondienst werkt, evenmin dat beide partners ieder voor zich een onderneming drijven waarvan de resultaten zodanig schommelen dat het ene jaar de ene partner en het andere jaar de andere partner het hoogste arbeidsinkomen geniet. In-geval de ene partner meewerkt in de onderneming van de andere partner bezorgt de fiscale toerekeningsregel aan de meewerkende echtgenoot altijd een lager winstaandeel dan de helft.

47 Uit het op vraag 46 gegeven antwoord volgt, dat het aantal aanslagen in de inkomstenbelasting door de eerder genoemde toerekening naar verwachting niet sterk zal toenemen. Aan loontrekkenden wordt een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd indien de overige inkomensbestanddelen een zekere omvang hebben aangenomen. Wanneer zich dat voordoet kan het, in aantallen aanslagen uitgedrukt, nauwelijks verschil maken of die overige bestanddelen tot een verplichte aanslag moeten leiden bij de ene dan wel bij de andere loontrekkende huwelijkspartner.

48 Bij het huidige systeem komt het inderdaad voor dat door de verplichte toerekening aan de man van de buitengewone lasten van het gezin, deze lasten drempelloos worden vergolden. Aan het «drempeleffect» is aandacht geschonken in hoofdstuk II van de nota op de bladzijden 24 en 25. Op het voorgestelde systeem is van toepassing hetgeen in het onderdeel «integrale rolwisseling» van het hoofdstuk III van de nota is opgemerkt omtrent een rechtstreekse toerekening van ziektekosten en dergelijke en van giften aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen: «De toerekening van deze uitgaven aan het hoogste arbeidsinkomen kan een hogere drempel (en voor de giftenaftrek een hoger plafond) betekenen, zodat integrale rolwisseling wat de buitengewone lasten betreft, kan leiden tot een lagere aftrekpost, maar wat de giften betreft zowel tot een lagere (in verband met de drempel van 1 %) als tot een hogere aftrekpost (in verband met de limitering van de aftrek tot 10% van het onzuivere inkomen)», (blz. 34) Waar in hoofdstuk VI in de laatste volle alinea op bladzijde 74 wordt gezegd dat de voorgestelde toerekening van overige inkomensbestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen bij aanwezigheid van per saldo negatieve inkomensbestanddelen voor belanghebbenden het voordeel oplevert van lagere drempels voor buitengewone lasten en giften, wordt dit vermeld niet als tegenstelling tot de huidige toerekening aan de man alleen, maar in vergelijking tot een toerekening aan beide partners in gevallen waarin hun beider inkomen van wezenlijke betekenis is.

49 In verband met de verzelfstandiging van de pensioenen van de partners is, zoals is opgemerkt in het antwoord op vraag 44, ook in nota de vraag aan de orde gesteld of er in de toekomst nog wel een verschil in belastingvrije sommen moet blijven bestaan, met andere woorden, of redelijkerwijs te handhaven valt het op de besparende werking van de huishoudelijke arbeid van één of beide partners terug te voeren verschil tussen de belastingvrije voet van de alleenverdiener (f 10070) en het totaal ad f 12084 van de belastingvrije sommen van twee verdienende partners (2 x f 6 042). Verwezen zij naar hoofdstuk VI, onderdeel B-ll, sub b, bladzijden 73 en 74. Zoals in onderdeel F (blz. 98) tot uitdrukking is gebracht, wordt in dezen echter niet gedacht aan een individuele belastingvrije som van f 5 035 (Va x f 10070) in plaats van de voorgestelde som van f 6 042, doch aan een optrekking van de belastingvrije voet voorde alleenverdiener van f 10070 tot f 12084.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

Een systeem van gescheiden heffing met individuele belastingvrije sommen die in hoogte verschillen al naar gelang inkomen uittegenwoordige arbeid door één of beide partners wordt genoten, is technisch gecompliceerd. Dit facet is in de nota behandeld in hoofdstuk III, onderdeel «Volkomen gescheiden heffing» (blz. 45).

50 In de gedachte opzet van het nieuwe stelsel zullen onder het persoonlijke arbeidsinkomen naast pensioenen ook worden bet; ,Hen lijfrente-uitkeringen die naar hun ontstaan fiscaal rechtstreeks zijn terug te voeren tot een door de betrokkene persoonlijk gedreven onderneming. Hieronder vallen dus ook de lijfrente-uitkeringen die door een vrouw zijn verkregen, hetzij met toepassing van de stamrechtvrijstelling van artikel 19 van de Wet op de in-komstenbelasting 1964, hetzij met aanwending van een persoonlijke fiscale oudedagsreserve. Dit is in de nota tot uitdrukking gebracht in het onderdeel «Inkomenstoerekening» voorkomende in de «Algemene toelichting op de opzet» van het nieuwe stelsel (blz. 73), waarbij is verwezen naar het onderdeel «Uitbreiding van de beperkte verzelfstandiging tot pensioenen» van hoofdstuk III, waarin op dit aspect uitvoeriger is ingegaan (blz. 42).

51 Een methode waarin particuliere lijfrentevoorzieningen mede verzelfstandigd zouden worden zou, naar ik vrees, een oneigenlijk gebruik van dit in-strument in de hand werken. Dit is in de nota uiteengezet in het onderdeel «Uitbreiding van de beperkte verzelfstandiging tot pensioenen» van hoofdstuk III (blz. 42). Ik acht het wel mogelijk, de verzelfstandiging door te trekken tot de in het antwoord op vraag 50 bedoelde voorzieningen die naar hun ontstaan fiscaal rechtstreeks zijn terug te voeren tot persoonlijke arbeid.

52 Het wettelijke systeem voorziet in toerekening van een winstdeel aan de echtgenoot die meewerkt in de onderneming die wordt gedreven voor rekening van de huwelijkspartner. De wettelijke toerekeningsregel beoogt op arbitraire wijze een redelijke beloning voor het meewerken in de onderneming van de echtgenoot vast te stellen. De beloning is afhankelijk van de normale jaarwinst en van de tijd gedurende welke de echtgenoot in het desbetreffen-de jaar heeft meegewerkt in de onderneming. De toerekeningsfactoren zijn zodanig gekozen dat de meewerkende echtgenoot niet deelt in de bedrijfswinst voor zover deze, globaal genomen, geacht kan worden te bestaan uit vergoeding voor ondernemersrisico en ondernemerskapitaal (nota-Grapperhaus, zitting 1969-1970,10515, hoofdstuk 9, blz. 27 l.k.). De in de regeling opgenomen maxima beogen te voorkomen dat aan de meewerkende echtgenoot een bedrag aan inkomsten wordt toegerekend dat hoger is dan in een redelijke verhouding staat tot diens bijdrage aan de winst. In deze gedachtengang past het, het aan de echtgenoot toe te rekenen arbeidsinkomen uitsluitend af te meten aan de volgens het gewone tarief te belasten winst van de huwelijkspartner (Tariefstructuur, zitting 1971-1972,11879, m.v.t. blz. 13 r.k.). Deze overwegingen liggen ten grondslag aan het huidige systeem. Zij bieden naar mijn oordeel geen ruimte om de meewerkende echtgenoot ook te laten delen in de overdrachts-of liquidatiewinst. In verband daarmee laat ik onbesproken de praktische moeilijkheid, dat in het jaar van overdracht of liquidatie van de onderneming niet op verantwoorde wijze kan worden vastgesteld in welke mate de echtgenoot van de ondernemer gedurende de bestaansduur van de onderneming heeft meegewerkt in die onderneming.

53 De in het antwoord op vraag 52 vermelde uitgangspunten van het wettelijke toerekeningssysteem voor juist houdend, acht ik het niet wenselijk huwelijkspartners -voor de gevallen waarin dat voor hen fiscaal voordelig zou zijn -de vrijheid te geven zelf een winstverdeling te kiezen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

54 In artikel 44k, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is vastgelegd dat de toevoeging aan de oudedagsreserve wordt berekend over de winst voordat deze is verminderd met het winstaandeel van de meewerken-de echtgenoot van de ondernemer. Het is begrijpelijk dat de vraag opkomt of deze regel herzien kan worden in die zin dat degene die een onderneming drijft een fiscale oudedagsreserve mag vormen op basis van de winst na aftrek van het deel dat wordt toegerekend aan de meewerkende echtgenoot en dat deze op basis van het eigen winstdeel een fiscale oudedagsreseive mag vormen. Ik wijs er echter op, dat de meewerkende echtgenoot geen onderneming heeft en derhalve ook geen ondernemingsvermogen. Van zelf reserveren van een gedeelte van het aan die echtgenoot toegerekende fictieve winstdeel met op de reserve een fiscale claim kan dan ook in de verhouding van die echtgenoot tot de fiscus geen sprake zijn; ondernemingsvermogen dat als «waarborg» kan dienen voor de fiscale claim ontbreekt bij deze belastingplichtige. Ik ben dan ook van mening, dat de mogelijkheid tot het vor men van een fiscale oudedagsreserve zich niet kan uitstrekken tot de meewerkende echtgenoot.

55 De opbouw en de afwikkeling van de fiscale oudedagsreserve zullen onder het nieuwe stelsel geen veranderingen ondergaan vergeleken met de gang van zaken onder het bestaande stelsel, afgezien van een mogelijke verzelfstandiging op dit punt van de partner die in deelgenootschap met de ander een onderneming drijft. De oudedagsreseive is aan de persoon gebonden en behoort derhalve tot het individuele inkomen, zoals dat met betrekking tot de gehuwde vrouw ook thans reeds uitdrukkelijk is geregeld in artikel 5, eerste lid, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

56 Voor de situatie waarin man en vrouw een even groot individueel arbeids inkomen genieten zal -evenals voor de situatie waarin beiden geen arbeidsinkomen hebben -een wettelijke norm moeten worden gesteld voor de toerekening van de «overige» inkomensbestanddelen. Zoals in de nota op bladzijde 75 is opgemerkt, zou een oplossing kunnen zijn de keuze aan de betrokkenen over te laten dan wel, bij gebrek aan een eensluidende keuze, aan de inspecteur.

57 De toerekening van de overige bestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen staat los van de vraag wie de beschikkingsmacht over die bestanddelen heeft Dat aan zulk een toerekening bezwaren kleven (die voorshands niet zijn te ondervangen) is in de nota tot uitdrukking gebracht in het onderdeel <inkomenstoerekening» van de «Algemene toelichting op de opzet» van het nieuwe stelsel, alwaar voor een situatie als is bedoeld in deze vraag het volgende is opgemerkt (blz. 75, eerste alinea): «In de gevallen van huwelijken waarin een huwelijksgoederenregime geldt dat gemeenschap van goederen uitsluit en één partner een groot vermogen bezit, doet het «gewrongen» aan dat de opbrengst van dat vermogen wordt toegerekend aan de andere partner, omdat die het hoogste of enige arbeidsinkomen geniet (dat bovendien in concreto zeer laag kan zijn). Het zal hier overigens om een gering aantal gevallen gaan. Hierom en gelet op het grote -praktische -nut van het voorgestelde stelsel, zal in dit bezwaar dienen te worden berust. Ook dit bezwaai gaat over bij een volledige individualisering » 58 Een relatie tussen het huwelijksgoederenregime en de belasting over vermogensinkomsten is op haar plaats bij een systeem van volkomen gescheiden heffing. In dat systeem worden bij iedere huwelijkspartner uitsluitend diens eigen inkomsten en uitgaven -c.q. diens aandeel in gemeenschappe-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

lijke inkomsten en uitgaven -in aanmerking genomen. Ik acht de tijd voor een volledig zelfstandige belastingheffing niet rijp. Ik verwijs naar hetgeen daarover is opgemerkt op bladzijde 74 van de nota en naar de antwoorden op de vragen 14, 36 en 45.

59 Een systeem waarin man en vrouw voor hun vermogensinkomsten zelfstandig belast worden, zou mede moeten omvatten een toerekening van de persoonlijke verplichtingen, de buitengewone lasten en de giften aan ieder van de echtgenoten. Individualisering van deze vier groepen van «overige» inkomen geniet (dat bovendien in concreto zeer laag kan zijn). Het zal hiersche gevolgen leiden. In alle gevallen namelijk waarin deze bestanddelen toebehoren aan een partner die weinig of geen arbeidsinkomen heeft en deze partner in verband met de geringe omvang van al diens inkomensbestanddelen de algemene belastingvrije voet niet voor ten minste f 4028 kan benutten, ontstaan voor de belanghebbenden nadelige consequenties, waaraan de wetgever door middel van voetoverheveling of maritale verliescompensatie tegemoet zou moeten komen. Het uiteindelijke resultaat zal dan veelal op hetzelfde neerkomen als de in de nota voorgestelde rechtstreekse toerekening aan de meestverdienende partner. Deze onpraktische gevolgen vormen dan ook een reden waarom ik de tijd voor een volledig zelfstandige belastingheffing niet rijp acht. Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 14, 36, 45 en 58. Het vorenstaande betekent dat volledige zelfstandige belastingheffing in verreweg de meeste gevallen alleen dan geen nadelig effect heeft voor de belastingdruk van het echtpaar, als administratieve maatregelen zoals voetoverheveling en maritale verliescompensatie worden genomen.

In de gevallen waarin de eigen «overige» inkomensbestanddelen per saldo positief zijn en de gehuwde de belastingvrije voet benut voor meer dan f 4028, zal het belasten van die bestanddelen bij de partner die niet het hoogste arbeidsinkomen heeft -in vergelijking tot het voorgestelde systeem -in het algemeen leiden tot vermindering van de gezamenlijke belastingdruk van het echtpaar. Daarentegen zal zulk een systeem in de gevallen waarin die «overige» inkomensbestanddelen per saldo negatief zijn en de belastingvrije voet wordt benut voor meer dan f 4028, in het algemeen een verhoging van de gezamenlijke belastingdruk voor het echtpaar tot gevolg hebben. De budgettaire gevolgen van deze wijzigingen in belastingdruk zijn bij gebreke aan relevante gegevens niet te ramen. Ik heb de indruk dat het effect per saldo niet van grote omvang zal zijn, hoewel de individuele verschillen in belastingdruk beduidend kunnen zijn.

60 De motivering van de in de vraag bedoelde op bladzijde 73 van de nota vermelde uitzondering op de individuele toerekening van inkomensbestanddelen is gegeven op bladzijde 42 van de nota in het onderdeel «Uitbreiding van de beperkte verzelfstandiging tot pensioenen». De ex artikel 34 van de Dienstplichtwet toegekende kostwinnersvergoedingen -waarvan de toekenning aan de vrouw op historische gronden alleszins begrijpelijk is -worden in feite genoten ter vervanging van de door de man gederfd inkomen.

61 Het zou naar mijn mening onjuist zijn onderverhuring anders te gaan behandelen dan verhuur van eigen bezit, daar wederverhuur van een gehuurd object zonder noemenswaardige" arbeidsprestatie pleegt plaats te vinden.

62 Ja.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

63 Als er in het nieuwe stelsel geen toeslag op de algemene belastingvrije som aan een alleenverdienende partner zou worden toegekend, zou dat een miskenning zijn van diens draagkracht. Het ligt dan ook niet in de bedoeling deze toeslag in een aantal jaren «af te bouwen». Integendeel, in de nota (blz. 73 en 74 en blz. 98) wordt juist rekening gehouden met de mogelijkheid dat de toeslag voor een alleenverdiener in de verdere toekomst het niveau zal moeten bereiken van de belastingvrije som van de individuele belastingplichtige.

64 Het is mij niet duidelijk hoe het in overeenstemming zou kunnen zijn met het draagkrachtbeginsel, de toeslag op de algemene belastingvrije som voor een alleenverdienende partner te beperken tot hen die kinderen tot hun last hebben. In de feitelijke situatie waarin beide partners van één inkomen leven zou het een miskenning zijn van de realiteit en van de draagkrachtgedachte de toeslag te onthouden aan hen die geen kinderen tot hun last hebben. Naar schatting zou een dergelijke beperking van de toeslag ongeveer 1 miljoen belastingplichtigen treffen en een bedgettair effect van 1 a 1 Vi miljard aan belastingopbrengst hebben. De gevolgen van zulks een maatregel voor het uitkeringsniveau van de sociale minima, bij voorbeeld de AOW-uitkeringen voor gehuwde bejaarden, zijn hierbij buiten beschouwing gelaten.

65 In het nieuwe stelsel wordt aan een alleenverdienende partner in feite alleen een toeslag op diens algemene belastingvrije som toegekend indien deze met de andere partner een eigen, dat wil zeggen een gemeenschappelijke, huishouding voert. Wanneer iemand als gehuwde voorziet in het levensonderhoud van zijn partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leeft, zal dat als regel neerkomen op de feitelijke toestand dat men zo'n huishouding voert. Ten aanzien van niet-gehuwden ligt het criterium «eigen huishouding» besloten in de vereiste duurzaamheid van de relatie, tot uiting komende in het feit dat men gedurende ten minste een bepaalde periode een gemeenschappelijke huishouding gevoerd heeft.

66 De invloed van het niet invoeren voor alleenverdienende partners van de toeslag op de algemene belastingvrije som op de koopkracht van deze personen bedraagt bij een inkomen gelijk aan: 1. het minimumloon

f1047 2. het modale inkomen

f1289 3. twee maal modaal

f2 014

67 De in de vraag bedoelde tariefgelijkstelling berust op de gedachte, dat in dat opzicht geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden die, afgezien van de huwelijksband, feitelijk in vergelijkbare omstandigheden verkeren, te weten: een gemeenschappelijke huishouding voeren (zie blz. 70 van de nota, kernpunt 4). Daarbij dient mede in aanmerking te worden genomen, dat in tal van gevallen waarin mensen een gemeenschappelijke huishouding voeren, een huwelijk niet mogelijk is (verwezen zij naar blz. 66 van de nota, laatste alinea, overlopend naar blz. 67). Naar mijn mening dient dan ook eerder te worden gesproken van een fiscale erkenning van in economisch opzicht in dezelfde situatie verkerende personen dan van een miskenning van de uit het huwelijk voortvloeiende rechten en verplichtingen.

68 Men kan naar mijn mening niet zeggen dat er een hoge marginale druk ontstaat als de voor een alleenverdienende partner bestemde toeslag op de algemene belastingvrije som wegvalt ingeval hij niet meer voldoet aan de Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

voorwaarde dat hij (nagenoeg) geheel voorziet in het levensonderhoud van de andere partner. In een stelsel waarin de heffing van individuele subjecten als uitgangspunt wordt genomen, past het niet om de toeneming van de belastingdruk bij de partner wiens toeslag op de algemene belastingvrije som vervalt, in rechtstreeks verband te brengen met het inkomen van de andere partner. In wezen gaat het bij de «kostwinnerstoeslag» om een overheveling van een (stuk) belastingvrije som, aangevend het gedeelte van het individuele inkomen van de partners waarover geen belasting wordt geheven. Men zou de belastingvrije som ook kunnen typeren als het inkomensdeel waarvoor een heffingspercentage van nul geldt. Als zodanig heeft een belastingvrije som geen verschillende waarde of deze nu bij ieder van de partners individueel dan wel tot een gezamenlijk bedrag bij een van beide partners alleen wordt «vergolden». Voor het boven de belastingvrije som uitgaande deel van het inkomen doet zich de progressie van het tarief gelden naarmate het inkomen hoger wordt. Een vermindering van de belastingvrije som manifesteert zich dan ook in een evenveel hogere belastbare som en bijgevolg in een met de inkomenshoogte toenemende belastingdruk. Zou men die toeneming van druk in relatie tot de afneming van de belastingvrije som te hoog of, zoals in het in de vraag bedoelde artikel wordt aangegeven, onbegrijpelijk groot vinden, dan geeft men in feite een oordeel over de progressielijn van hettarief.

69 Neen. Ter illustratie volgt een voorbeeld waarin de netto-inkomenspositie van de alleenverdiener wordt vergeleken met de situatie die ontstaat indien diens partner een arbeidsinkomen aanbrengt van onderscheidenlijk f 2000, f 4000, f 6000 en f 10000. Inkomen

Belasting

Netto

Alleenverdiener

f30000

f5 057

f24943 Twee verdienende f30000

f5 057

f24943 partners

f 2 000

-

f2 000

f 32000

f 5 057

f 26943 f 30000

f 5 693

f 24307 f 4 000

f4 000

f 34000

f5 693

f 28307 f 30000

f 6 333

f 23667 f 6 000

-

f 6 000

f 36000

f 6 333

f 29667 f 30000

f 6 346

f 23654 f10000

f 791

f 9 209

f40 000

f7 137

f32863

70 Om het verschil in draagkracht tot uitdrukking te brengen tussen de veelal maatschappelijk zelfstandige, oudere ongehuwden en de als regel maatschappelijk wat minder zelfstandige, jongere ongehuwden bij de belastingheffing, wordt voor de tariefgroepindeling een leeftijdsgrens als maatstaf aangelegd. Deze leeftijdsgrens dient aan te sluiten op de leeftijd waarvan men mag veronderstellen, dat op die leeftijd het merendeel van de ongehuwde belastingplichtigen maatschappelijk zelfstandig is geworden. Naar algemeen wordt aangenomen, is deze leeftijdsgrens na de verlaging in 1973 van 40 tot 35 jaar thans duidelijk lager te stellen dan 35 jaar. Een grens van 30 jaar zal dichter bij de realiteit aansluiten.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 4

71 Ik kan mij niet verenigen met de stelling dat het verdienende kind gedwongen medekostwinner wordt. Dat de toeslag ad f 2014 op de algemene belastingvrije som niet wordt toegekend aan een ongehuwde ouder wanneer een thuiswonend kind een zelfstandige inkomenspositie heeft verworven, sluit aan bij de op bladzijde 67 van de nota aangegeven realiteit, dat de voor indeling in tariefgroep 3 veronderstelde geringere draagkracht van de ouder zich niet voordoet. Immers, in zo'n situatie behoeft de ouder niet meer te voorzien in het levensonderhoud van dat gezinslid, zodat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding ook niet meer geacht kunnen worden volledig voor rekening van de ouder te komen. Dat de toeslag niet toegekend wordt is dan ook in overeenstemming met de draagkrachtgedachte waarvan het nieuwe stelsel uitgaat. Instandlating van de indeling van de ouder in tariefgroep 3 in situaties waarin een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd met zelfstandig verdienende kinderen, zou betekenen dat een draagkrachtverschil tot uitdrukking werd gebracht dat er in economisch opzicht niet is; met andere woorden, dat zou een miskenning zijn van de feitelijke situatie.

72 Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 heb aangegeven, is het niet de bedoeling geweest dat de herziening van het bestaande stelsel een budgettaire bate en dus een toeneming van de belastingdruk zou opleveren. Wel geeft het voorgestelde stelsel in vergelijking tot het huidige stelsel een verschuiving in belastingdruk te zien, welke voor bepaalde groepen een toeneming van belastingdruk zal inhouden. Zo zal de overgang naar het nieuwe stelsel voor echtparen waarvan beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten in situaties waarin het vrouweninkomen minder bedraagt dan de helft van het gezinsinkomen gepaard gaan met enige verzwaring van het totaal aan belastingdruk op beide partners. De gehuwde man zal immers bij de in-voering van het voorgestelde stelsel zijn belastingvrije som, waarvan de hoogte in het bestaande stelsel is gebaseerd op het zijn van alleenverdiener, zien dalen. Onderaan op bladzijde 97 van de nota is aangevoerd dat dit gevolg te aanvaarden is nu daartegenover staat opheffing van een aantal tegen het huidige stelsel aan te voeren bezwaren, met name waar het de ongelijke behandeling van individuele belastingplichtigen betreft.

73 Het eerste is een feitelijk gevolg van het voorgestelde stelsel, geen doel ervan. Ik denk dat de tweede vraag in veel gevallen bevestigend beantwoord moet worden. Ik zie echter niet in dat een vrouw die meer verdient dan haar man meer belasting zou moeten betalen dan een man die meer verdient dan zijn vrouw, noch dat de belastingdruk van het eerste echtpaar zwaarder zou moeten zijn dan die van het tweede.

74 Het in voorbeeld 41 op de bladzijden 80 en 81 van de nota becijferde belastingverschil van f 2704 houdt geen verband met het inkomensbeleid. Het verschil treedt op bij overgang van het huidige stelsel naar een meer evenwichtig stelsel. Dan verdwijnen namelijk de in het bestaande systeem als minder rechtvaardig ervaren verschillen in belastingdruk voor spiegelbeeldige situaties. Ook uit een oogpunt van inkomensbeleid lijkt het mij overigens verantwoord, dat het gezamenlijk besteedbare inkomen in een situatie waarin de man f 50 000 verdient en de vrouw f 30000 niet verschilt van de situatie waarin de man f 30000 inkomen heeft en de vrouw f 50 000.

75 Het belastingverschil dat in voorbeeld 41 is becijferd voor de overgang van het bestaande naar het nieuwe stelsel wordt niet almaar groter naarmate de aftrekpost hoger wordt. In de situatie van het voorbeeld, waarin de Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

man f 30000 arbeidsinkomen heeft en de vrouw f 50 000, wijzigt de gezamenlijke belastingdruk zich als volgt:

Bij een negatieve

Belastingdruk

Belastingdruk

Verschil opbrengst eigen

huidig stelsel

nieuw stelsel woning van

f 10000

f 19311

f 16607

f -2 704 f 15000

f 18170

f 14607

f -3 563 f 20000

f 14778*

f 12692

f -2 086 f 25000

f 13754*

f 11092

f -2 662

  • Tariefgroepwisseling.

Ter vergelijking vermeld ik de overeenkomstige cijfers voor de omgekeer-de situatie, waarin de man f 50 000 arbeidsinkomen heeften de vrouw f30000:

Bij een negatieve

Belastingdruk

Belastingdruk

Verschil opbrengst eigen

huidig stelsel

nieuw stelsel woning van

f 10000

f 16521

f 16607

f + 86 f 15000

f 14528

f 14607

f + 79 f 20000

f 12928

f 12692

f -236 f 25000

f 11328

f 11092

f -236

Voor beide (spiegelbeeldige) situaties is de belastingdruk onder het nieuwe stelsel gelijk. Het belastingverschil dat naar voren komt bij overgang van het huidige stelsel naar het nieuwe stelsel weerspiegelt de onevenwichtigheid van het huidige stelsel.

76 In de situatie waarin het arbeidsinkomen van de man f30000 bedraagt en dat van de vrouw f 80 000, gelden de volgende cijfers:

Bij een negatieve

Belastingdruk

Belastingdruk

Verschil opbrengst eigen

huidig stelsel

nieuw stelsel woning van

f 10000

f 37172

f 32736

f -4 436 f 20000

f 31534*

f 26836

f -4 698 f 30000

f 29914*

f 21517

f -8 397

  • Tariefgroepwissehng.

De overeenkomstige cijfers voor de omgekeerde situatie -arbeidsinkomen man f80 000, arbeidsinkomen vrouwf 30000-luiden:

Bij een negatieve opbrengst eigen woning van

Belastingdruk huidig stelsel

Belastingdruk

Verschil nieuw stelsel

f 10000 f 20000 f 30000

f 31885 f 26029 f 21029

f 32736

f + 851 f 26836

f + 807 f 21517

f + 488

In de situatie waarin het arbeid dat van de vrouwf 80 000 gelden sinkomen van de man f 50 000 bedraagt en de volgende cijfers:

Bij een negatieve opbrengst eigen woning van

Belastingdruk huidig stelsel

Belastingdruk

Verschil nieuw stelsel

f 10000 f 20000 f 30000

t 43 695 f 40 102 f 37172

f 41 561

f -2 134 f 35661

f -4 441 f 30342

f -6 830

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

De overeenkomstige cijfers voor de omgekeerde situatie -arbeidsinkomen man f 80 000, arbeidsinkomen vrouwf 50000-luiden:

Bij een negatieve opbrengst eigen woning van

Belastingdruk huidig stelsel

Belastingdruk nieuw stelsel

Verschil

f 10000 f 20000 f 30000

f 41 198 f 35342 f 30342

f 41 561 f 35661 f 30342

f + 363 f + 319 nihil

77 Bij verzelfstandiging van het arbeidsinkomen van de vrouw tot f 30000 zou voorbeeld 41 er als volgt uitzien:

  • als variant op het huidige stelsel

Arbeidsinkomen man Toegerekend arbeidsinkomen van de vrouw

Eigen woning negatief

Inkomen man Vrije som groep 4

Belasting over Belasting

f 30000

f 20000

Arbeidsinkomen vrouw

f 50 000 Toe te rekenen aan de man

f 20000

f f 50 000 10 000

f f 40 000 10 070

f 29930 f

8650

Inkomen vrouw

Vrije som groep 1

Belasting over Belasting

f 30000

f

2017

f 27983 f

7871

Totaal aan belasting voor man en vrouw f 16521 idem in huidig stelsel

f 19311

  • als variant op het nieuwe stelsel

Arbeidsinkomen man Toegerekend arbeidsinkomen van de vrouw

Eigen woning negatief

Inkomen man Vrije som groep 2

f 30000

f 20000

Arbeidsinkomen vrouw

f 50 000 Toe te rekenen aan de man

f f 50 000 10 000

f f 40 000 6 042

Belasting over Belasting

f 33958 f 10261

Inkomen vrouw

Vrije som groep 2

Belasting over Belasting

f 20000

f 30000

f

6042

f 23958 f

6346

Totaal aan belasting voor man en vrouw f 16607 idem volgens in nota opgenomen nieuw stelsel f 16607

Bij verzelfstandiging van het arbeidsinkomen van de vrouw tot f 50000 ondergaat voorbeeld 41 geen wijziging.

78 Een dergelijke inventarisatie is niet gemaakt omdat daaraan geen behoefte bestond, gelet op het in de nota gehanteerde criterium van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Bij de beoordeling of een gemeenschappelijke huishouding aanwezig is, wordt namelijk niet gelet op de aard van de relatie waarop het huishouden berust.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

Aangezien in het nieuwe stelsel voor de in het bestaande stelsel ondertariefgroep 2 vallende jongere ongehuwden (zonder kinderen) de tariefgroepindeling in het algemeen niet zal verschillen, behoefde voor deze categorie belastingplichtigen niet te worden geraamd welk aantal daarvan een gemeenschappelijke huishouding met een ander voert. Zoals in het antwoord op vraag 10 is te kennen gegeven, ga ik ervan uit dat de samenlevingsverbanden buiten huwelijk ongeveer 7 % uitmaken van het totaal aantal gezinnen in de ruime zin van het woord. Dit betekent dat het aantal samenlevingsverbanden buiten huwelijk in de orde van grootte van 250 000 ligt.

79 Zoals in de nota in hoofdstuk VI, onderdeel B-Hl, sub c (blz. 82) onder verwijzing naar hoofdstuk V is te kennen gegeven, kan de rol van alleenverdiener in een samenlevings-of samenwoningsverband ook worden vervuld door een zoon tegenover zijn moeder of vader, door de ene broer tegenover de andere, enz. Noch affectie, noch familieverwantschap is daarbij een factor van betekenis, doch louter het feit, dat bij een duurzaam samenleven of samenwonen de een voorziet in het levensonderhoud van de ander. De fiscale erkenning van het kostwinnerschap reikt derhalve verder dan hetgeen in het spraakgebruik onder partner pleegt te worden verstaan. Daarom lijkt het mij overbodig voor de belastingheffing het begrip partner in een definitie vastte leggen.

80 In de opzet van het stelsel geldt een algemene belastingvrije som van f 6042. Voor deze som behoeft een contribuabele zich niet te kwalificeren. Kan men aanspraak maken op een toeslag daarop, dan dient men de omstandigheden die deze aanspraak rechtvaardigen te vermelden. Het is een algemeen erkende regel, ook in het fiscale recht, dat wie iets stelt, dat ook dient te bewijzen. Van een vorm van omkering van de bewijslast is daarbij geen sprake. Een andere zaak is, hoe ver men dient te gaan met het leveren van het bewijs. Doorgaans zal de betrokkene kunnen volstaan met het opgeven van een aantal relevante feiten. Voor de indeling in tariefgroep 4 valt te denken aan de naam van de partner met wie de betrokkene samenwoont en het feit dat deze laatste voorziet in het levensonderhoud van de partner omdat deze geen inkomen heeft. De omstandigheid dat voor de indeling in tariefgroep 4 de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding voorop dient te staan brengt mee, dat bij verandering van samenlevingspartner in de loop van een jaar indeling in tariefgroep 4 het eerstvolgende jaar niet aan de orde kan komen. Voor wat de indeling in tariefgroep 3 betreft, is op bladzijde 68 van de nota opgemerkt dat het duidelijk is dat een inperking van tariefgroep 3 een spanningsveld zal doen ontstaan tussen belastingplichtigen en de fiscus in gevallen waarin een belastingplichtige het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding ontkent, terwijl hij toch met een ander op een gemeenschappelijk adres woont. Deze uitvoeringsmoeilijkheden, die door de belastingdienst niet gering worden geacht (zie ook het antwoord op vraag 39), zullen ter wille van een evenwichtiger belastingheffing moeten worden aanvaard.

81 De gelijkstelling van samenwonen met huwelijk roept naar mijn oordeel geen bedenkingen op wat betreft het tarief. De door Mobach naar voren gebrachte bedenkingen zijn niet van fiscale aard. Zoals hij schrijft, zou de beoordeling van samenwonenden, net als gehuwden, naar hun economische lotsverbondenheid het emancipatiestreven niet dienen, omdat het een belemmering zou zijn voor de wil financieel onafhankelijk te zijn, ongeacht de relatie tot een ander. Ik kan die opvatting niet delen. Het geschetste heffingsstelsel is naar zijn opzet zo neutraal mogelijk. Het sluit aan bij de economi-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 4

sche realiteit in deze in, dat op de algemene belastingvrije som een toeslag wordt gegeven ter grootte van f 4028 ingeval (nagenoeg) geheel wordt voorzien in het levensonderhoud van de persoon met wie men duurzaam samenwoont. Ik acht het weinig waarschijnlijk dat deze toeslag een partner zou stimuleren in een financieel afhankelijke positie te blijven. Bij huwelijkspartners is daarvan onder het nieuwe stelsel naar mijn mening ook geen sprake. Verwezen zij naar de antwoorden op de vragen 68 en 69.

82 Verwezen zij naai het antwoord op vraag 31.

83 De huidige draagkrachtbenadering van werkende ongehuwde ouders, dat wil zeggen van alleenstaande ouders tot wier huishouden jonge kinderen behoren, vormt naar mijn oordeel een verantwoord geheel van maatregelen en verdient daarom niet de aanduiding van «allegaartje van voordelen». Deze draagkrachtbenadering omvat, naast de belastingvrije som voor tariefgroep 3, de volgende drie elementen: 1. een verhoging van de belastingvrije som, waardoor deze wordt gelijk getrokken met die voor de gehuwde man; 2. een als «aftrek onvolledig gezin» bekend staande verhoging van de belastingvrijesom, welke een kwart van het arbeidsinkomen maar (voor 1979) niet meer dan f 3226 bedraagt; 3. de buitengewonelastenaftrek voor één oudergezinnen wegens hoge kosten van gezinshulp dan wel van kinderdagverblijven, namelijk kosten welke, in het algemeen gesproken, uitgaan boven 10% van het onzuivere in-komen. Voor een ombouw van deze voorzieningen, zodanig dat een gedifferenti-eerd stelsel van verlichting ontstaat, dat zou kunnen gelden voor alle werken de ouders met kinderen, zie ik geen aanleiding. Ten aanzien van gehuwden zouden maatregelen in die richting slechts passen in een systeem van heffing over het gezamenlijke inkomen van beide partners, doch niet in het sinds 1973 geldende stelsel van gescheiden heffing waarop in de nota wordt voort gebouwd. Verwezen zij naar de antwoorden op de vragen 21 en 31.

Voorbeeld nr.

84 Voetoverheveling bij samenwonenden levert niet meer uitvoeringsbezwaren op dan voetoverheveling bij gehuwden. De op bladzijde 85 van de nota geformuleerde hoofdregels voor de voetoverheveling kunnen in de praktijk worden toegepast volgens een eenvoudige formule: Het bedrag aan belastingvrije som dat maximaal kan worden overgeheveld, te weten f 4 028, wordt vermeerderd met het bedrag van het arbeidsinkomen van de partner, doch met geen hoger bedrag dan f 2 014, welke uitkomst wordt verminderd met het gehele inkomen van de partner. Deze praktische formule, toegepast op de in de ncta uitgewerkte voorbeelden 46 t/m 53, leidt tot de volgende opstellingen:

Maximumbedrag van voetoverheveling

f 4 023

f 4 028 Arbeidsinkomen partner f 4 000 (nr. 46)

f 2 014 f 500 (nr. 47)

f

500 f2 500 (nrs. 50-51) f 1 000 (nrs. 52-53)

Totaal

f 6 042 Totaal inkomen partner (arbeidsitv komen plus vermogensinkomsten)

f 4 000

Over te hevelen

f 2 042

500

f 4 028

t 4 028

f 4 028

f 4 028

f 2 014

f 2 014

f 4 028

f 4 028

f 1 000

f 1 000

f 4 528

f4 028

f 4 023

f 6 042

f6 042

f 5 028

f5 028

f 3 000

f 1 500

f 5 500

f 4 000

f4 000

f 2 500

f 4 028

f 1 028

f 2 528

f

542

f2 042

f 1 028

f2 528

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

85 Het verschijnsel dat de voor alleenverdienende partners voorziene toeslag op de algemene belastingvrije som kan worden verkegen met het oog op een bloed-of aanverwant met wie de belastingplichtige duurzaam samenwoont, zal niet op gespannen voet komen te staan met de huidige buitengewonelastenregeling, omdat deze regeling in het nieuwe stelsel dient te worden aangepast aan de dan geldende tariefgroepindeling (blz. 67 en 82 van de nota).

86 Bezien vanuit het uitgangspunt van de individualisering zou toekenning van de mogelijkheid van maritale verliescompensatie aan permanent samenwonenden, evenals een verplichte toerekening van inkomensbestanddelen aan één partner, een stap terug zijn. Zelfs past bij het uitgangspunt het instituut van de maritale verliescompensatie in feite niet voor gehuwden (blz. 77 van de nota). Dat niettemin is voorgesteld het voor gehuwden te handhaven, houdt verband met de verplichte toerekening van vermogensinkomsten en dergelijke in gevallen, waarin de partner van wiens zijde die in-komsten opkomen een negatief arbeidsinkomen heeft. Bij samenwonende partners kan, omdat voor hen detoerekeningsregel van de overige inkomensbestanddelen niet geldt, zo'n situatie zich niet voordoen.

87 Het antwoord op de eerste vraag luidt bevestigend. Zoals in de nota te kennen is gegeven en in de antwoorden op de vragen 37 en 38 is herhaald, zou het evenwel een stap terug zijn op de weg van de individualisering om de voor gehuwden geldende toerekeningsregels voor niet-arbeidsinkomsten mede van toepassing te verklaren op ongehuwden die een gemeenschappelijke huishouding voeren.

88 De toepassing van het huurwaardeforfait in situaties van gemeenschappelijke eigendom bij andere samenlevingsvormen dan het huwelijk wordt bezien in het kader van de studie over het huurwaardeforfait. In de nota «Op weg» is aan deze problematiek voorbijgegaan, omdat zij een kwestie is niet zozeer van toerekening van vermogensinkomen, doch van de individuele berekening van de opbrengst uit eigen woning.

89 In de studie over het huurwaardeforfait wordt ook aandacht geschonken aan de toepassing van het forfait in situaties waarin de mate van mede-eigendom niet gelijk is.

90 Op de successierechtelijke problematiek bij het overlijden van één van de partners in een niet-huwelijkse relatie is ingegaan in de memorie van toelichting op het wetsontwerp tot wijziging van de Successiewet (zitting 1979-1980,16016).

91 Het antwoord op de beide vragen luidt bevestigend voor het geval het gaat om een bijzondere bate die tot het inkomen van de man moet worden gerekend. Dit is het geval indien de bijzondere bate inkomen uit arbeid is dan wel, zo het een bate uit anderen hoofde betreft, indien de man een hoger inkomen uit arbeid heeft dan zijn echtgenote. Is evenwel de bijzondere bate niet afkomstig uit arbeid, maar bijv. uit vermogen, en heeft de echtgenote ook in dat jaar een hoger arbeidsinkomen dan haar man, dan zal de bijzondere bate bij de vrouw worden belast.

92 Voor de afstemming van de loonbelasting op de inkomstenbelasting zijn tot op heden geen andere oplossingen in concreto ontwikkeld dan die welke in onderdeel B-VII van hoofdstuk VI van de nota staan vermeld.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 4

93 Het appraat van de inspecties kan met de huidige bezetting geen noemenswaardige taakverzwaring opvangen. Door het in de nota ontvouwde stelsel zal het aantal gevallen waarin de loonbelasting geen eindheffing kan zijn, toenemen, zoals op bladzijde 93 van de nota is vermeld. De daarmee gepaard gaande uitbreiding van de personele bezetting zal als consequentie van het voorstel moeten worden aanvaard. Naar ik thans verwacht zal de uitbreiding van de personele bezetting, die samenhangt met de invoering van het nieuwe stelsel als totaliteit, niet onaanzienlijk zijn, hetgeen op zich problemen kan geven bij de werving en opleiding.

94 Ook voor de werknemersverklaring zal de voor alle individuele belastingplichtigen geldende algemene belastingvrije som (tariefgroep 2) het uitgangspunt kunnen zijn. Werknemers die voor een hogere belastingvrije som in aanmerking komen, zullen dit kenbaar moeten maken. Dit betreft: a. de op bladzijde 72 van de nota vermelde ongehuwde werknemers die als alleenstaande een eigen huishouding voeren (tariefgroep 3); b. de alleenverdienende partners in een huwelijk of in een duurzame gemeenschappelijke huishouding (tariefgroep 4). Ik zie niet in dat iemand inbreuk maakt op de privacy van zijn partner als hij opteert voor tariefgroep 4 door kenbaar te maken dat hij geheel of nagenoeg geheel voorziet in diens levensonderhoud, hetgeen zal inhouden dat die partner naar de bestaande vooruitzichten een geringer jaarinkomen zal hebben dan f 4 028, zijnde het verschil tussen de belastingvrije sommen van tariefgroep 4 en van tariefgroep 2.

95 Voor het gebied van de sociale zekerheid is, zoals bekend is, op 19 decenv ber 1978 een EG-Richtlijn vastgesteld betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Binnen een termijn van zes jaren na kennisgeving dient deze te zijn verwezenlijkt. Dit betekent dat vóór 22 december 1984 de nodige maatregelen moeten zijn genomen en in de diverse wetten zijn vastgelegd. In de memorie van antwoord op het wetsontwerp tot wijziging van de AI-gemene Arbeidsongeschiktheidswet met het oog op gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen is gesteld, dat de studie van een ambtelijke projectgroep -over onder andere gelijke behandeling bij de verplichting tot premiebetaling in de volksverzekeringen -zo tijdig zal zijn afgerond, dat de wijzigingen die de Regering alsdan noodzakelijk acht om aan de EG-Richtlijn te kunnen voldoen eind 1981/begin 1982 in min of meer grote lijnen aan de SER en de in te stellen Emancipatieraad om advies kunnen worden voorgelegd (zitting 1979-1980,15706, nr. 6, blz. 10).

96 De nota bespreekt de behandeling van de (werkende) gehuwde vrouw en haar man voor de loon-en de inkomstenbelasting. De positie van de gehuw-de vrouw bij de premieheffing volksverzekeringen is daarbij slechts zijdelings aan de orde gekomen. De reden hiervan is dat bij de gedeeltelijke verzelfstandiging van de werkende gehuwde vrouw met ingang van 1973 het niet mogelijk bleek de verzelfstandiging door te trekken tot de premieheffing voor de sociale volksverzekeringen (Tariefstructuur, zitting 1971-1972, 11879, m.v.t. blz. 13 Ik.). Inmiddels is aan de orde de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, in welk kader de positie van de gehuwde vrouw bij de premieheffing voor de volksverzekeringen zal worden bezien.

97 In beginsel is de individualisering op het terrein van de premieheffing volksverzekeringen zo nauw verweven met de individualisering op andere terreinen van sociale zekerheid, met name de uitkeringsrechten, dat het Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

doordenken van beide individualiseringen zich zal uitstrekken over ongeveer dezelfde tijdsruimte. In het antwoord op vraag 95 over het tijdstip waarop in min of meer grote lijnen de gedachtenvorming zal zijn afgerond over gelijke behandeling bij de verplichting tot premiebetaling in de volksverzekeringen, ligt besloten dat individualisering op fiscaal gebied niet zou mogen worden verwacht vóór 1984, indien deze geschiedt in samenhang met individualisering op het terrein van de premieheffing.

98 In het op 3 oktober 1979 aan de Kamer aangeboden rapport lnkomensprijzen (zitting 1979-1980, 15833, nr. 2) zijn de belangrijkste inkomensafhankelijke subsidie-en bijdrageregelingen aan een uitgebreide analyse onderworpen. Daaruit is onder meer naar voren gekomen dat er in opzet en uitvoering weinig eenvormigheid bestaat tussen de verschillende regelingen. Zo zijn voor de vaststelling van de hoogte van de subsidies en de bijdragen diverse draagkrachtmaatstaven van toepassing en wordt het inkomen van andere leden van het gezin niet steeds op uniforme wijze meegeteld. Bij de ontwikkeling van een gecoördineerd beleid inzake inkomensprijzen, dat het kabinet voorstaat, zal mede de wijze waarop de draagkracht wordt gemeten aan de orde dienen te komen. Het is denkbaar dat één draagkrachtmaatstaf vooral-Ie regelingen geen bevredigende oplossing zal zijn, omdat daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan de verschillen in opzet en karakter van inkomensbegrippen. Een regeling als de individuele huursubsidie is bij voorbeeld in sterke mate op het gezin gericht. Het lijkt niet gewenst daarbij te streven naar verzelfstandiging in die zin dat alleen het inkomen van de kostwinner in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van de hoogte van de subsidie. Voorts is van belang dat de argumenten die pleiten voorfiscale verzelfstandiging in de sfeer van de loon-en de inkomstenbelasting niet zonder meer van toepassing zijn op het stelsel van inkomensafhankelijke regelingen.

99 De vormgeving van een verzelfstandiging van de premieheffing voor de volksverzekeringen dient in een aanvaardbare verhouding te staan tot de prestaties. Op dit moment is de verzelfstandiging van de uitkeringsrechten van de AOW onderwerp van studie. In samenhang daarmee zal ook de premieheffing worden bezien. Het is thans dan ook niet mogelijk de eventuele premieverzwaring voor werkende echtparen bij verschillende inkomensniveaus aan te geven.

100 Zoals in het antwoord op vraag 95 is gesteld, zijn alle EG-landen door de aldaar vermelde EG-Richtlijn bij de realisering van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid gebonden aan een termijn van zes jaren, te rekenen vanaf 22 december 1978. De in dat antwoord vermelde ambtelijke projectgroep bestudeert tevens op welke wijze de AOW dient te worden aangepast, voor zowel wat betreft de uitkeringen als wat de premie betreft. Concrete resultaten zijn nu nog niet te vermelden. Wel heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken bij de mondelinge behandeling van het ontwerp van wet tot wijziging van de AAW in november Jl. toegezegd via de memorie van toelichting op de begroting van het Departement van Sociale Zaken elke keer te rapporteren hoe de stand van zaken op dit punt is.

Gefaseerde invoering (blz. 94 en 95) 101 Het Nederlandse belastingstelsel heeft nooit een onverkorte toepassing gekend van de gedachte van belastingheffing naar «gezinsinkomen». An-dere gezinsleden dan de echtgenote en kinderen voor wie kinderaftrek werd genoten hebben in fiscale zin nimmer bijgedragen tot dit gezinsinkomen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

Voor de kinderen is er van de aanvang af een belangrijke uitzondering gemaakt op de samenstellingsregeling, namelijk voor de looninkomens (art. 43, tweede lid, Besluit op de Inkomstenbelasting 1941). Onderde werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is de samenstellingsregeling nader beperkt, waardoor slechts de inkomsten uit vermogen en de persoonlijke verplichtingen van minderjarige kinderen kunnen behoren tot het gezinsinkomen (art. 5, derde en vierde lid). In 1973 is voor de fiscale behandeling van de werkende gehuwde vrouw een beperkte verzelfstandiging ingevoerd. De nota «Op weg» gaat in deze richting voort. Eén van de randvoorwaarden die in acht is genomen bij het ontwerpen van het in de nota geformuleerde systeem is, dat de fiscus zich zo neutraal mogelijk moet opstellen tegenover de door partners zelf gekozen situatie. Het huidige stelsel berust nog sterk op het denkpatroon dat de man de kostwinner van het gezin is, aan wie dan ook alle overige inkomsten worden toegerekend. Overgang naar een stelsel dat is gebaseerd op volledige individualisering en de gezinsrelatie dus geheel buiten beschouwing laat, zou met de hiervoor gestelde randvoorwaarde in strijd zijn. Zo behoort in gevallen waarin één der partners geen betaalde arbeid verricht er een fiscale erkenning te zijn van het feit dat de andere partner in het levensonderhoud van beiden voorziet. Deze fiscale erkenning vindt plaats door aan de alleenverdienende partner een hogere belastingvrije som toe te kennen dan aan degene wiens partner ook arbeidsinkomsten heeft. Weliswaar is het in de nota voorgestelde fiscale stelsel een voortzetting van het huidige stelsel, waarin niet het gezinsinkomen zonder meer de basis voor de belastingheffing is, doch in vergelijking met het vigerende stelsel wordt de positie van de alleenverdienende partner in het nieuwe stelsel niet slechter ten opzichte van die van gezinnen waarvan beide partners betaalde arbeid verrichten. Eerder is dit het geval bij laatstbedoelde gezinnen gezien het feit dat de voorgestelde maatregelen voor echtparen waarvan beide partners betaalde arbeid verrichten, 300 min. opleveren als gevolg van de opheffing van de onevenwichtigheden van het bestaande stelsel. Over het geheel genomen kan dan ook worden geconstateerd, dat door het in de nota voorgestelde systeem de inkomensverhoudingen in Nederland niet verder worden gewijzigd ten gunste van echtparen die kunnen beschikken over meer dan één inkomen.

102 Het door Renes bepleite optiestelsel komt er in wezen op neer dat de belastingplichtigen kunnen kiezen tussen het huidige stelsel met ongelijke belastingvrije voeten en een stelsel van integrale rolwisseling met gelijke belastingvrije voeten. De toerekening van de postactieve inkomsten aan de gerechtigde tot die inkomsten staat daarbuiten. De voor-en nadelen van een stelsel van integrale rolwisseling zijn aangegeven in hoofdstuk III van de nota (blz. 33 e.v.). Het in de nota voorgestelde stelsel is gekozen aan de hand van een zestal kernpunten (blz. 69 e.v.). Het door Renes bepleite optiestelsel staat een gelijke behandeling in alle gevallen van man en vrouw in de weg en beantwoordt aldus niet aan het als eerste geformuleerde kernpunt. Daarnaast geldt een sterk praktisch bezwaar, dat eigen is aan elk optiestelsel, vooral indien de keuze vooraf moet geschieden: in tal van gevallen zullen de contribuabelen achteraf bemerken niet de voor hen voordelige keuze te hebben gedaan. Die onjuiste keuze behoeft niet alleen een gevolg te zijn van onjuiste schattingen, maar kan ook voortvloeien uit niet voorzienbare feiten. Men zal dan achteraf gaarne de onjuiste keuze ongedaan maken. Zou dit niet mogelijk zijn, dan leidt dit tot grote onvrede bij de betrokkenen. Uitstel van de definitieve keuze tot na afloop van het belastingjaar zou een groot deel van dit bezwaar wegnemen, doch maakt dat het voordeel, dat de loonbelasting veelal eindheffing kan blijven, wegvalt. Het gelijktijdig werken met twee systemen is uit een oogpunt van uitvoering ongewenst. Het bepleite optiestelsel wijs ik dan ook af.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 4

Budgettaire aspecten (blz. 95 en 96) 103 Bij een volledige keuzevrijheid voor gehuwden van verdeling van belastingvrije som én inkomen zou een echtpaar een gezamenlijk belang hebben bij een toerekening voor gelijke delen van inkomens en belastingvrije sommen. Het effect daarvan stemt overeen met dat van splitsing gebaseerd op het ongehuwdentarief. Daarvan lopen de budgettaire consequenties, zoals is vermeld in de nota in het onderdeel «Splitting» van hoofdstuk III, in de miljarden (blz. 55).

104 Daargelaten dat zo'n keuzevrijheid niet in de optiek van het nieuwe stelsel past, kan deze vraag niet worden beantwoord omdat er geen gegevens voorhanden zijn over de onderlinge inkomensverhoudingen van belastingplichtigen die als ongehuwden duurzaam samenleven. In theorie hebben de partners gezamenlijk uit financieel oogpunt belang bij een zodanige toerekening van de belastingvrije sommen dat hun belastbare sommen zoveel mogelijk worden genivelleerd (afgezien van de «speelruimte» binnen dezelfde tariefschijf). Zulk een theoretisch voordelige keuze zal, naar mag worden verondersteld, evenwel niet zelden worden geblokkeerd door de praktijk des levens bij personen die in hun duurzaam samenleven juist voor een juridische onafhankelijkheid hebben gekozen. Deze zal namelijk in vele gevallen belemmeren dat de partner met het laagste inkomen, door (een gedeelte van) zijn belastingvrije som aan de ander af te staan, een hogere belastingdruk aanvaardt, terwijl de andere partner, door de verhoging van diens belastingvrije som, een vermindering van belastingdruk ontvangt die uitgaat boven de hogere belastingdruk van de eerste partner (bij voorbeeld 40 % tegenover 26 % van f 6 042).

105 Uitgaande van de inkomensstatistiek over het jaar 1975 zal het totale belastingvrije inkomen over 1977 -afgezien van de belastingvrije kinderbijslag en de verhogingen van de belastingvrije som wegens kinderaftrek en de zogenaamde aftrek onvolledig gezinvolgens globale raming in de orde van grootte van f 55 miljard hebben gelegen. Dit bedrag is samengesteld aan de hand van de volgende cijfers over aantallen belastingplichtigen en hun belastingvrije sommen.

Aantal

Individuele

Totaal belasbelasting"

tingvrije somvrije som

men (in min.)

f 1 818

f 1 999,8 f 5270

f 10013 f 7 085

f 9 919

f 9 083

f 32244,6

f 1 784

f 1 338 f 2 546

f 1 273 f 1 637

f 1 064

f 57 851

Dit totaal-generaal is meer dan het totale belastingvrije inkomen, doordat in een aantal gevallen het inkomen beneden de belastingvrije som blijft.

Tariefgroep 1

1,1

min. Tariefgroep 2

1,9

min. Tariefgroep 3 (zonder kinderen)

1,4

min. Tariefgroep 4 (incl. tariefgr. 3 met kinderen) 3,55 min. Toeslagen op de individuele belastingvrije som voor:-ongehuwde bejaarden 0,75 min.-gehuwde bejaarden

0,5

min.-Arbeidsongeschikten

0,65 min.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 4

106 Volgens de meest recente gegevens -te weten die over 1975 -waren er circa 13000 werkende gehuwde vrouwen met een inkomen uit arbeid van meer dan f 30000. Er zijn geen gegevens aanwezig omtrent het aantal gevallen waarin de echtgenoten van deze vrouwen eveneens een inkomen van meer dan f 30000 verdienen.

Slotopmerkingen (blz. 96 t/m 98) 107 Als gevolg van het in de nota voorgestelde stelsel kunnen inderdaad wijzigingen optreden in het recht op bepaalde inkomensprijzen. Deze wijzigingen zullen in het algemeen gering zijn. Voor zover het nettogezinsinkomen de maatstaf is voor de bepaling van de hoogte van een inkomensafhankelijke subsidie (o.a. bij de retributieregeling gezinsverzorging en de retributieregeling kinderdagverblijven) kan via een hogere of lagere belastingafdracht de subsidie toenemen respectievelijk afnemen. Voorts kan de afdracht van het school-en cursusgeld worden beïnvloed, omdat de hoogte daarvan samenhangt met de betaalde inkomstenbelasting en vermogensbelasting. De individuele huursubsidie, de rijksstudietoelagen en de tegemoetkomingen in de studiekosten worden vastgesteld aan de hand van het belastbare inkomen van het gezin. De in de nota voorgestelde inkomenstoerekening en tarieftoepassing brengen daarin, een enkele uitzondering daargelaten, geen wijziging.

108 Voor de verschuiving in belastingdruk, die het voorgestelde stelsel in vergelijking tot het huidige stelsel te zien geeft, verwijs ik naar het antwoord op vraag 72. Zoals in het antwoord op vraag 99 staat, is het thans niet mogelijk de eventuele premieverzwaring voor werkende echtparen aan te geven.

109 De verzwaring van de totale belastingdruk op een echtpaar waarvan beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten zal zich voornamelijk voordoen in de gevallen waarin de man beduidend meer arbeidsinkomen geniet dan zijn echtgenote. Ook zal deze verzwaring optreden in gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van rolwisseling. De verzwaring is het gevolg van de daling van de belastingvrije voet van de man. Dit gevolg wordt slechts ten dele gecompenseerd door de stijging van de belastingvrije voet van de vrouw, omdat in de geschetste situaties bij de man (c.q. bij de vrouw in geval van rolwisseling) de marginale belastingdruk zwaarder is dan bij de partner. De verzwaring van belastingdruk zou kunnen worden vermeden door een verhoging van de nieuwe algemene belastingvrije voet. Een dergelijke voetverhoging zou evenwel niette aanvaarden budgettaire offers met zich mee brengen, nog afgezien van de offers verbonden aan een overeenkomstige aanpassing van de overige tariefgroepen. Ten aanzien van de (onder het bestaande stelsel in tariefgroep 3 ingedeel-de) ongehuwden die een gemeenschappelijke huishouding voeren en beiden inkomen hebben, geldt dat gelijkstelling met een echtpaar waarvan beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten in het algemeen een verlaging van de belastingvrije voeten voor de samenwonende ongehuwden betekent. De daaraan verbonden verzwaring van belastingdruk zou alleen kunnen worden vermeden door verhoging van de algemene belastingvrije voet. Tegen deze mogelijkheid bestaan de reeds hierover vermelde onoverkomelijke bezwaren.

110 Het verschil in de belastingvrije som ad f 10070 voor een alleenverdienen-de partner en de belastingvrije som van 2 x f 6 042 voor twee buitenshuis werkende partners is tot nu toe gemotiveerd door te wijzen op de besparende Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 4

werking van de huishoudelijke arbeid van één of beide partners (zie blz. 76, punt e, van de nota). Bij doorvoering van het voorstel in de nota om voortaan niet alleen inkomsten uit tegenwoordige arbeid, maar ook de pensioenen in de verzelfstandiging te betrekken, zal zich de situatie gaan voordoen dat ook bij aanwezigheid van pensioen een belastingvrije som van 2 x f 6 042 aan de partners wordt toegekend, alhoewel geen sprake is van een verlies aan besparende arbeid door buitenshuis werken. Momenteel komen gevallen waarin beide partners pensioen genieten, nog betrekkelijk weinig voor. Daarom kan om praktische redenen worden berust in de toekenning van een te hoog totaal aan belastingvrije sommen in die gevallen. Zodra evenwel in veel gevallen beide echtgenoten pensioengerechtigd worden -en dat zal zich met name kunnen voordoen bij een verzelfstandiging van het AOW-pensioen -vervalt het praktische argument en zal de principiële onjuistheid duidelijk naar voren komen.

111 Met de aangehaalde woorden is bedoeld, dat de Staatssecretaris van CRM instemt met de principiële uitgangspunten van het voorgestelde stelsel.

112 In het voorgestelde systeem bedraagt bij een inkomen van elk der partners van f 61 450 in plaats van f 50 000 de gezamenlijke belasting evenveel als de belasting die een alleenverdienende partner verschuldigd is over een inkomen van f 100 000.

113 Dit is het geval bij een inkomen van f80708.

114 Zoals is opgemerkt bij de beantwoording van vraag 18, gaat het niet aan, bij een systeem van individuele heffing de gezamenlijke belastingdruk op twee personen te vergelijken met die op één persoon met een even groot in-komen als dat van die andere twee te zamen. Daarbij openbaart zich namelijk geen onderling draagkrachtverschil, maar komt het effect van de progressie van het tarief naar voren.

115 In het voorgestelde systeem bedraagt bij een inkomen van elk der partnersvanf 11595 8 in plaats van f 100 000 de gezamenlijke belasting evenveel als de belasting die een alleenverdienende partner verschuldigd is over een inkomen van f200 000. Over een inkomen van de alleenverdienende man ad f 16987 3 is de belasting gelijk aan die welke man en vrouw samen betalen indien zij ieder f100 000 uit arbeid verdienen. Het op vraag 114 gegeven antwoord is op bovenstaande situatie ook van toepassing.

116 Bij een verzelfstandiging tot op zekere hoogte van het vrouweninkomen gaat -zoals is vermeld op bladzijde 30 van de nota -de reductie ten gevolge van gescheiden heffing niet verder dan tot het bedrag dat correspondeert met het voor de verzelfstandiging van het vrouweninkomen gekozen maximum. Vooreen maximum van f30000 zou dit inhouden dat alle bedragen, vermeld in de kolommen onder inkomens van de vrouw van meer dan f30000, worden vervangen door de bedragen vermeld in de kolom onder f30000. Vooreen maximum van f50000 geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 4

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.