De behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de kinderbijslagwetten en enkele belastingwetten (beperking recht op meervoudige kinderbijslag en kinderaftrek ten aanzien van 16-en 17-jarige k... - Handelingen Eerste Kamer 1978-1979 20 maart 1979 orde 5


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de kinderbijslagwetten en enkele belastingwetten (beperking recht op meervoudige kinderbijslag en kinderaftrek ten aanzien van 16-en 17-jarige kinderen, alsmede beperking in het recht op kinderbijslag en kinderaftrek ten aanzien van eerstgeboren kinderen, welke jonger dan drie jaar zijn) (15344).

De beraadslaging wordt geopend.

©

J.H. (Jan)  ZoonDe heer Zoon (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Het wetsontwerp dat wij vandaag behandelen, heeft tot nog toe zowel in zijn eerste als in de geamendeerde versie zware kritiek ontmoet. Onder voorlopig voorbijgaan aan hetgeen in de Tweede Kamer is gezegd, herinner ik eraan dat de meerderheid van de Sociaal Economische Raad in het advies van 15 september 1978 de eerste versie van de voorgestelde maatregelen onaanvaardbaar achtte.

Over de geamendeerde versie heeft de voorzitter van het CNV blijkens een verslag in de NRC van 8 januari jl. gezegd dat men heeft gepoogd de ene onjuistheid met de andere op te vangen. Het halveren van de kinderbijslag voor het eerste kind, zo moet hij gezegd hebben, treft de laagstbetaalden het meest. Hij voegde daar nog enkele kritische opmerkingen aan toe aan het adres van het CDA, maar die laat ik maar achterwege. Zij zijn niet aan de orde en bovendien heeft het CDA het al moeilijk genoeg. Het wetsontwerp is ook een merkwaardig ontwerp, want in zijn uiteindelijke vorm lijkt het erop dat het vrijwel alles bevat wat het kabinet verboden heeft: leeftijdsgedifferentieerde bijslagen, inkomensafhankelijke toeslagen en een aantasting van de inkomenspositie der laagstbetaalden. Over deze drie aspecten wil ik enkele opmerkingen maken. Doordat dit ontwerp in de Tweede Kamer zeer uitvoerig is behandeld, zit de kans op herhalingen erin. Ik zal proberen die kanszo klein mogelijk te maken door enkele punten onbesproken te laten. Ten ein-de de indruk te vermijden dat mijn fractie die punten onbelangrijk zou vinden, merk ik op dat wij het betoog dat de heer Van Kemenade in de Tweede Kamer heeft gehouden onderschrijven. Mijnheer de Voorzitter! Het kabinet is geen principieel tegenstander van leeftijdsgedifferentieerde kinderbijslag, maar vindt dat een oordeel daarover pas kan worden gegeven als een grondige studie is verricht naarde grondslagen van het kinderbijslagstelsel. Die studie is nog niet verricht. Het is dus duidelijk dat naar het oordeel van het kabinet leeftijdsafhankelijke kinderbijslag in dit ontwerp niet thuishoort. Is de halvering van de kinderbijslag voor eerste kinderen geduren-de de eerste drie levensjaren dan geen leeftijdsgedifferentieerde bijslag? Ik zou zeggen van wel, maar wat zegt het kabinet? Na lezing van blz. 15 van de nota naar aanleiding van het eindverslag van wetsontwerp nr. 14184, dat betrekking heeft op de eerste fase van de herstructurering zou ik geneigd zijn te denken dat het kabinet het met mij eens moet zijn, want daar staat: 'Het verlagen -er staat 'verlangen', maar dat is, gegeven de context, een drukfout-van kinderbijslagen voor jongste kinderen is -hoe men het ook wendt of keert -een (eerste stap op weg naar) differentiatie naar leeftijd.'. Tot een zelfde conclusie kom ik, wanneer Minister Albeda op blz. 2523 van de Handelingen zegt, dat men met Algemeen burgerlijk pensioenfonds Gemeentefonds Provinciefonds Staatsdrukkerij" en Uitgeverijbedrijf het accepteren van een lagere kinderbijslag voor de laagste leeftijdsgroepen gaat in de richting van een leeftijdsafhankelijke kinderbijslag, want lager dan nul tot drie jaar kan toch haast niet dacht ik. Maar nee hoor, op blz. 1 van de memorie van antwoord aan deze Kamer zeggen de bewindslieden: 'Wij zijn van oordeel dat een halvering van de kinderbijslag voor eerste kinderen niet aangemerkt mag worden als een eerste stap op weg naar een positieve differentiatie van de kinderbijslag naar leeftijd.' Ik heb nog even nagekeken of hier wel steeds dezelfde bewindslieden aan het woord waren, maar dat was wel degelijk het geval. Ik ben natuurlijk benieuwd hoe zij hun wenden en keren verklaren, maar het was mij wel wat waard geweest als zij aan hun oorspronkelijke standpunt hadden vastgehouden. Dan waren zij tenminste niet meegegaan met de allerongelukkigste amendementen-De Korte-Hermsen, waardoor de verhoging en grotere spreiding van de studiefinanciering moet worden betaald door gezinnen die hun eerste kind krijgen. Er was toch alle reden voor de bewindslieden het been stijf te houden, want op blz. 2542 van de Handelingen noemt Staatssecretaris De Graaf de nadelen allemaal en naar hij zegt ' zeer nadrukkelijk' op. Ook in de memorie van antwoord aan deze Kamer worden de bezwaren nog eens herhaald. Ik begrijp dan ook werkelijk niet waarom er niet is gezocht naar een andere oplossing en waarom de bewindslieden zich bij een onderonsje van de heren Hermsen en De Korte hebben aangesloten. Is dat om de coalitie coüte que coüte bij elkaar te houden, koste wat kost voor de jonge gezinnen dan? Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nu enkele opmerkingen maken over de inkomensaspecten van het wetsontwerp. In de memorie van antwoord wordt gesteld, dat verwachtingen ten aanzien van een inkomensvermeerdering minder sterk zijn naarmate het moment waarop de inkomensverhoging ingaat verder in de toekomst ligt. Ik geloof dat deze 'perspektivische Verkleinerung' door de bewindslieden terecht wordt gesignaleerd. Het is echter wat merkwaardig dat zij dit verschijnsel niet tevens betrekken op de te verwachten levensduur van het ingediende wetsontwerp. Zij zeggen dat ook degenen die nu kinderen van tien jaar hebben op den duur tot de ombuigingen bijdragen, een opmerking die getuigt van een zonnige visie op de levensduur van hun ontwerp. Dat lijkt mij, gelet op de vraag van de CDA-fractie in deze Kamer -Autovervoer Personen Gevaarlijke stoffen Arbeidsvoorwaardenbeleid Kinderbijslag

ook de voorzitter van het CNV zit op die lijn -of de Staatssecretaris bereid is desnoods binnen een jaar op de nu aan de orde zijnde rechtenbeperkingen terug te komen om tussentijds beraad mogelijk te maken, een erg optimistische prognose. Mocht dit ontwerp wet worden, dan is de kans groot dat de levensduur kort zal zijn. Degenen die nu, dan wel over een enkel jaar, kinderen van 16 en 17 jaar hebben en het niet doorgaan van de inkomensverhoging het sterkst voelen, hebben dan de last gedragen. Degenen met de kleinste verwachtingen blijven buiten schot. Nu we ons toch eenmaal met de psyche van kinderbijslaggenieters zijn gaanbezighouden, ga ik graag nog even verder. Er is een categorie gezinnen met 16-en 17-jarigen kinderen die buiten de bepalingen van deze wet valt en een categorie met net iets jongere, maar ook 16-en 17-jarige kinderen waarop de bepalingen van toepassing zullen zijn. Dat kan van één dag afhangen. Dat wil zeggen dat gezinnen, die tot nog toe gelijke inkomens hadden, verschillende inkomens krijgen. Aangezien de eigen welvaart wordt beoordeeld aan hetgeen anderen, het referentiekader, hebben, mogen we zeggen dat de tweede categorie gezinnen, ook al is er geen sprake van een feitelijke daling van het inkomen, er in weivaart op achteruit gaat. Kinderbijslag wordt door het kabinet terecht gekarakteriseerd als een aanvullende bron van inkomsten. Het lijkt mij alleszins denkbaar-en de bewindslieden zullen dat blijkens hun opmerkingen op blz. 5 van de memorie van antwoord aan deze Kamer wel met mij eens zijn -dat het aanvullend, in de zin van extra, karakter meer spreekt, naarmate het inkomen hoger is. Misschien is het wel zo dat boven een bepaald inkomen kinderbijslag nauwelijks meer wordt gewaardeerd. Bij wijze van uitzondering wil ik van mijzelf uitgaan. In de tijd dat ik enkel-, twee-en drievoudige kinderbijslag kreeg -ik heb alle fasen meegemaakt -had ik een redelijk inkomen. Ik heb de kinderbijslag altijd als puur extra beschouwd. Ik rekende er nooit op en vergat bijna altijd mijn aanvraagformulier in te vullen. De boekhouder moest er mij dan aan herinneren. Het zou van arrogantie getuigen als ik mijzelf maatgevend zou achten, maar ik heb willen illustreren, dat ik de kinderbijslag niet nodig had. Zou ik in dezen een eenling zijn, of mogen wij aannemen dat dat voor een aantal anderen met redelijke inkomens en in het bijzonder voor de genieters van hoge in-komens ook zal gelden? Is de gedachte zo onjuist om boven een bepaald inkomen, afhankelijk van het aantal kinderen, geen bijslag meer te geven en de bijslag beneden dat inkomen geleidelijk te laten oplopen? Het kabinet noemt bij herhaling -ik wijs op de memorie van antwoord bij wetsontwerp nr. 14184, de memorie van toelichting bij stuk nr. 15344 en de blzz. 2545 en 2583 van de Handelingen van de Tweede Kamer -een drietal argumenten tegen zo'n inkomensafhankelijke kinderbijslag. Het eerste argument is, dat het een te rigoureuze aantasting van het fiscale draagkrachtbeginsel is; het tweede , dat het te gecompliceerd is en het derde, dat het de positie van de middengroepen te veel zal aantasten. Een fiscaalprincipieel, een fiscaaltechnisch en een politiek argument derhalve. Staatssecretaris Nooteboom heeft meermalen moeten uitleggen, waarom het draagkrachtbeginsel zal worden aangetast. Dat is wat mij betreft vandaag niet nodig. In de memorie van antwoord aan onze Kamer deelt hij immers mee, dat wij hier niet hebben te maken met een persoonlijke visie van hem en dat ook het vorige kabinet zich van dat bezwaar bewust was. Gelukkig maar, want nu kunnen wij vaststellen, dat het vorige kabinet het bezwaar niet over het hoofd heeft gezien, maar het kennelijk als oplosbaar heeft beschouwd. Indien dat niet het geval was geweest, was het er immers niet mee gekomen. Hetzelfde geldt voor de fiscaaltechnische problemen die evenmin als prohibitief werden gezien. Ook van het vorige kabinet maakte een fiscalist deel uit. Trouwens ook de meerderheid van de SER die kennis droeg van de bezwaren van dit kabinet heeft zich vóór inkomensafhankelijke kinderbijslag uitgesproken. Terzijde merk ik nog op -ik ben mij ervan bewust dat ik nu een andere in-valshoek kies -, dat onder het huidige systeem het bedrag dat iemand extra aan zijn kinderen kan besteden afhankelijk is van zijn inkomen. Zo leert, als ik het goed heb, de gezinswelvaartstheorie, waarop het kinderbijslagstelsel is gebaseerd, dat de welvaart van een gezin met kinderen niet mag dalen beneden een bepaald percentage van de welvaart van een gezin zonder kinderen maar met eenzelfde basisinkomen. Met behulp van de door de belastingdienst verstrekte toelichting op het aangiftebiljet inkomstenbelasting 1978 is te berekenen dat dit percentage zowel voor het gehele gezin als per gezinslid bij een gegeven kindertal gelijk is, ongeacht de hoogte van het belastbaar inkomen. Dat betekent dat een gezin met een hoog inkomen in guldens gemeten meer extra aan zijn kinderen kan besteden dan een gezin met een lager inkomen, hoewel wij mogen aannemen dat dit laatste gezin het geld meer nodig heeft. Tot eenzelfde conclusie komt men trouwens ten aanzien van de kinderaftrek: eenzelfde nominaal bedrag levert bij een hoog in-komen meer belastingverlaging op dan bij een laag inkomen. Nogmaals: ik realiseer mij dat ik de problematiek hiermee van de andere kant benader, maar ik vind de knikkers in dit verband veel belangrijker dan het spel. Gelukkig zijn de bewindslieden niet geheel en al afkerig van inkomensafhankelijke bijslagen. Zo merkt Minister Albeda op blz. 2538 van de Handelingen tegemoetkomend op -ik citeer hem zoals gewoonlijk graag: 'Overigens kan men in de regeringsvisie, indien men de kinderbijslag, de kinderaftrek en de TS-regeling te zamen telt, een element zien dat in de richting gaat van inkomensafhankelijkheid...'. Staatssecretaris De Graaf wijst erop, dat de tweede fase niet onbelangrijke inkomensafhankelijke elementen bevat, zij het niet in de kinderbijslag. Staatssecretaris Nooteboom onderkent de inkomensafhankelijkheid van de regeling Tegemoetkoming Studiekosten, maar wijst die voor de kinderbijslag van de hand. Ik zou graag zien, dat de bewindslieden, de punten die ik zojuist heb genoemd indachtig -ik som ze nog even op: het aanvullend karakter van de kinderbijslag, het standpunt van het vorige kabinet en van de SER, de invloed van de inkomenshoogte op de kinderaftrek en, wat ik er misschien aan mag toevoegen, het standpunt van het CNV -bereid waren, een stap verder te gaan en inkomensafhankelijke kinderbijslag ernstig in overweging te nemen. Het begrip 'tegemoetkoming studiekosten' is gevallen. Ik herinner eraan, dat de Sociaal Economische Raad al in zijn advies van 26 november 1976 heeft opgemerkt, dat moet worden gestreefd naar eenzelfde datum van in-gang van de herziening van de kindervoorzieningen en het nieuwe stelsel van studiefinanciering. In de Tweede Kamer is deze wenselijkheid ook meermalen ter sprake gebracht. De heer Van Kemenade heeft in de nauwe samenhang tussen de herstructurering van de kinderbijslag enerzijds en de studiefinanciering anderzijds aanleiding gezien, de Regering door middel van een motie te vragen, tegelijk met

de derde fase van de herstructurering kinderbijslag een wet op de studiefinanciering in te dienen. Hoe noodzakelijk het is de relatie tussen beide voorzieningen ook in deze tweede fase al nauwgezet in het oog te houden, blijkt uit het feit, dat de in het wetsontwerp voorgestelde regelingen voor sommigen zeer nadelige gevolgen kunnen hebben. Op deze problematiek werd mijn aandacht gevestigd nadat het voorlopig verslag van de Commissie voor Sociale Zaken was verschenen. Ik kon dit onderwerp daarom niet meer inbrengen en het eindverslag is -vermoedelijk is dit ge-"beurd omdat ik geen lid van deze commissie ben -niet aan mij voorgelegd. Daarom wil ik hierover nu nog enkele opmerkingen maken. Op bladzijde 11 van de memorie van toelichting staat, dat de compensatie-regeling in werking treedt met ingang van het schooljaar 1979/1980. Dat is dus op 1 augustus 1979; het kan ook 1 september zijn. Ouders van 16-jarige kinderen, die onder het huidige systeem met ingang van het tweede kwartaal van dit jaar recht op meervoudige kinderbijslag zouden krijgen, missen dit onder het thans voorgestel-de stelsel. Zij krijgen echter ook geen compensatie volgens de 'Tegemoetkoming Studiekosten'-regeling, want die gaat pas op 1 augustus in. Bij het mini-mum inkomen scheelt dat ongeveer f 109 per maand, of ruim 8% van het netto minimum maandloon. In vier maanden april toten met juli loopt dat bedrag op tot ruim f 430, of bijna 3% van het nettominimumjaarloon. Dat mag natuurlijk niet! Het niet voldoende onderkennen van de nauwe relatie tussen beide regelingen kan nog meer gevolgen hebben. Wanneer een kind onder het huidige stelsel op 30 september 16 jaar wordt, onstaat op 1 oktober het recht op meervoudige kinderbijslag. Onder het nieuwe systeem vervalt dat recht. Of daar nu compensatie tegenover staat, hangt af van de vraag of de compensatiedatum aan de datum van de kinderbijslag wordt gekoppeld dan wel voor de compensatie een vaste peildatum wordt genomen. Stel dat het laatste het geval is en dat de peildatum 1 september wordtis maar een voorbeeld" Dan moet er elf maanden op compensatie worden gewacht. Dat scheelt de minimumloner meer dan f 1200. Kunnen de bewindslieden zeggen hoe één en ander wordt geregeld? Ik kom op een volgende vraag. Kinderbijslag is geen belastbaar inkomen; de regeling tegemoetkoming studiekosten wel. Wordt door de toepassing van het voorheffingsregime nu ook voorkomen dat het belastbaar inkomen hoger wordt? Als dat namelijk wel het geval is, dus als het inkomen hoger wordt, treden voor de belastingplichtige nadelige gevolgen op voor het huursubsidie en de leeftijdstoeslag inzake tegemoetkoming studiekosten. Deze zijn gekoppeld aan het belastbaar inkomen in het jaar dat aan de aanvrage voorafgaat. Wanneer nu de vervanging van kinderbijslag door een toeslag op de tegemoetkoming studiekosten tot een hoger inkomen leidt, heeft die verhoging in het ene jaar minder huursubsidie en tegemoetkoming studiekosten in het daarop volgende jaar tot gevolg. Kunnen de bewindslieden hierover uitsluitsel geven? Ik ben aan het eind van mijn betoog. Omdat ik wil proberen niet te veel in herhalingen te vervallen, vat ik het niet meer samen. Het enige wat ik herhalen wil, is dat mijn fractie tegen het wetsontwerp ernstige bezwaren heeft, maar misschien is juist die mededeling overbodig.

De heer Franssen (CDA); Mijnheer de Voorzitter! In neerwaartse richting ombuigen van uitgaven is geen voldoening gevende zaak, zeggen de bewindslieden in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer. Hetzelf-de geldt voor het behandelen van op deze ombuigingen gerichte wetsontwerpen en het geldt a fortiori wanneer het overdrachtsinkomsten betreft voor gezinnen. Immers, deze inkomsten zijn er niet uit weelde voor de in aanmerking komenden gekomen, maar, korter of langer geleden, als middel om in als noodzakelijk erkende behoeften te voorzien waar de rechthebbenden zelf niet of niet geheel in konden, c.q. kunnen voorzien. Deze behoeften worden dan steeds opnieuw aangepast aan het zich ontwikkelende welvaartsniveau en de daaruit voortvloeiende kosten. Daarbij mag zeker wanneer de middelen krapper zijn, wel de vraag gesteld worden of de bestedingsprioriteiten nog steeds de juiste zijn. Zeker is dat de gezinnen of huishoudens, waar kinderen worden geboren, opgevoed en zich ontwikkelen tot volwassen burgers, een zeer belangrijke maatschappelijke functie vervullen en als zodanig optimale additionele steun verdienen, niet alleen wat de financiën betreft maar ook wat voorlichting en ondersteuning op andere terreinen aangaat. Gedurende vele jaren van schijnbaar niet te stuiten groei zijn in ons land vele goede voorzieningen opgebouwd en/of uitgebouwd en leerden wij met steeds meer leven. Des te harder komt het aan nu sinds een aantal jaren duidelijker wordt dat ook de sociaal-economische en financiële bomen niet tot in de hemel groeien. Ook het vorige kabinet ontkwam niet aan een herwaardering van de uitgavenkosten. De 1%-nota mikte op 7,5 miljard beperking en maakte daar een deel van waar. Grotendeels liggen bleef het moeilijke en impopulaire deel van de inkomensoverdrachten, hoewel ook daartoe uiteraard onvermijdelijke voornemens waren. Immers, dat op een breed veld omgebogen, de groei afgeremd zou moeten worden, werd en wordt vrij algemeen erkend en aanvaard. De meningsverschillen spitsen zich in het politieke veld dan ook toe op de wijze waarop omgebogen of, duidelijker gezegd, bezuinigd moet worden. Bij de te onderscheiden bevolkingsgroeperingen is dat niet anders, ofschoon de weerstanden het grootste zijn wanneer het 'minder meer' ofte wel offers van de eigen groepering worden gevraagd. Belangenvertegenwoordigers gaan daarin logischerwijs voor. Het resultaat van een en ander is dat wanneer men al die opvattingen zou willen volgen, er net niets zou kunnen gebeuren en waarschijnlijk de uitgaven nog zouden moeten groeien. Het evenwichtig 'tering naar de nering' zetten is echter een opgave welke Regering en parlement niet kunnen en mogen ontwijken en het is onder meer tegen deze achtergrond dat Bestek ' 81 door ons als plan tot herstel wordt gezien en waar wij zo mogelijk onze steun aan verlenen, ons daarbij realiserend dat de pijnlijke ingrepen van nu in het belang van de werkgelegenheid en de essentiële sociale voorzieningen in de toekomst zijn, en dat een en ander gebeurt, conform het op de partijprogramma's van het CDA en de VVD steunende regeerakkoord. Degenen die regelmatig ongenuanceerde kritiek op de beleidsvoornemens hebben, moeten wel bedenken dat zij er ook niet in zijn geslaagd, de problemen tijdigerte onderkennen, c.q. bij te sturen en dit zou onzes inziens tot enige bescheidenheid in die kritiek moeten manen. Mijnheer de Voorzitter! Deze inleiding op een van de vele wetsontwerpen die noodzakelijke herwaarderingen over een breed terrein -en gezamenlijk bijna alle burgers rakend -beogen, achtten wij gewenst nu een ook door onze CDA-fractie als zo gevoelig ervaren wetsontwerp als de kinderbijslagregeling-2e fase aan de orde is. Met de bewindslieden zeggen wij: Het is

Franssen geen voldoening gevende zaak, maar er moet wel wat gebeuren om erger te voorkomen. Zowel deze bewindslieden als hun voorgangers hebben daarbij een aanzienlijk deel van de ombuigingen in de kinderbijslagsfeer moeten zoeken, omdat daar een hoge uitgavepost met een breed draagvlak van actieven en niet-actieven aanwezig is. Men doet dat in drie stappen gefaseerd om, als wij de uitgebreide, zeer diepgaande en door een zee van cijfermatige gegevens ondersteunde, gevoerde discussie aan de overzijde goed begrepen hebben, daarna met voorstellen tot een algehele herstructurering, een nieuw systeem, te komen. Hebben wij dat goed begrepen? Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot een aantal opmerkingen en vragen naar aanleid ing van de memorie van antwoord op ons voorlopig verslag. Wij zijn de bewindslieden erkentelijk voor hun duidelijke reacties op dit verslag, ook al blijven wij op onderdelen van mening verschillen. Wij hebben er kennis van genomen dat de bewindslieden met ons van mening zijn dat de in de Tweede Kamer aangebrachte wijzigingen niet hebben bijgedragen tot een vereenvoudiging van het systeem. Overigens hebben wij wel begrip voor het aan die wijzigingen ten grondslag liggende dilemma, namelijk het verlagen van de financiële onderwijsdrempel voor nieuwe 16-en 17-jarigen en het opvullen van het uit de daartoe benodigde grotere compensaties via de 'tegemoetkoming studiekosten' te verwachten financiële gat. Met de ondertekenaars van de memorie van antwoord zijn ook wij van mening dat de vereenvoudiging van het systeem niet van doorslaggevende betekenis moet worden geacht, ook al hebben wij daardoor naast dubbele en driedubbele kinderen nu ook nog halve baby's geïntroduceerd. De betrokken rechthebbenden -en ook buiten die kring -hebben, naar ons is gebleken, nog weinig begrip voor de halvering van de bijslag voor de eerstgeborenen, omdat het evident is dat dat niet het goedkoopste kind is, en die ouders in het algemeen jong zijn en nog niet lang op de inkomensladder hebben kunnen klimmen. In deze zin lijkt er sprake van een negatieve differentiatie. Anderzijds kan ook onzerzijds niet worden ontkend dat na de eerste aanloopkoster voor het eerstgeboren kind, kinderen tussen 0 en 3 jaar de minst dure zullen zijn. Met instemming hebben wij er kennis van genomen dat ook de bewindslieden van mening zijn dat de toegezegde studie over een algehele herziening van de kinderregelingen niet moet worden belast met uitspraken vooraf. Onvermijdelijk is echter dat bij zo'n studie de thans voorgestelde beperkingen aan de orde zullen moeten komen door de onderlinge verhoudingen van de kinderbijslagen te toetsen aan de verschillende theoretische grondslagen. Het komt ons voor dat dan een herverdeling van de bijslagen zonder verhoging van het beschikbare totaalbudget tot de mogelijkheden moet behoren, wil men tot een aanvaardbare praktische oplossing komen. Deelt de bewindsman deze mening? In de memorie van antwoord aan onze Kamer wordt naar aanleiding van een desbetreffende opmerking onzerzijds gezegd, dat de motie-Van Tets in de periode 1978-1979 zal worden uitgevoerd en derhalve zal worden 'aangevat'. Wij hebben er begrip voor dat de aan de orde zijnde en komende wetsontwerpen een zware belasting op de ambtenaren en bewindslieden van vele departementen, en zeker op de hier vertegenwoordigden leggen. Toch dringen wij er met klem op aan, het daarheen te leiden dat een gerichte adviesaanvraag binnen redelijketermijn wordt ingediend met als doel, te komen tot algehele herziening van het kinderbijslagstelsel liefst vóór 1 januari 1981. Zien de bewindslieden mogelijkheden, dit doel te bereiken en zo ja, zijn zij bereid daar spoedig maatregelen voor te nemen? Wij hebben er verder goede nota van genomen dat de partiële wijzigingen geen moeilijkheden in de toekenning en de uitbetaling van de kinderbijslag zullen opleveren. Mijnheer de Voorzitter! Grote moeite hebben wij nog steeds met de uitspraak over de thuis verblijvende invali-de kinderen van 16 en 17 jaar. Nu per 21 januari advies aan de Sociale Verzekerings Raad is gevraagd over deze materie, vertrouwen wij op een goed afgewogen oordeel waarbij onze mening wellicht nog aan de orde zal komen en de betrokkenen in ieder geval recht zal worden gedaan. Wij achten het onzerzijds niet nodig, alle pro's en contra's van cijfers en alternatieven, welke voor dit wetsontwerp van vele zijden naar voren zijn gebracht, nog eens over te doen. De Regering heeft gemeend, de voorgenomen ombuiging het best te kunnen vinden in het met 2 jaren inkorten van de periode waarover meervoudige kinderbijslag wordt betaald. De Twee-de Kamer heeft door middel van het amendement op stuk nr. 18 van de heren De Korte en Hermsen de eventuele studiedrempels in ieder geval verlaagd en is door die verandering mede enigermate tegemoet gekomen aan de bezwaren voor de kinderrijke gezinnen, die relatief zwaar zouden zijn getroffen en aan de bezwaren voor de middeninkomens. Het zijn immers vooral deze inkomensgroepen welke steeds opnieuw als kassa moeten dienen en het doet ons en passant genoegen dat de nadelige cumulatieve effecten van de wetgevingen en regelingen nu eens diepgaand worden bestudeerd. Is al iets te zeggen over de stand van zaken betreffende deze studie? Deze zal tevens een bijdrage kunnen zijn om een beter inzicht te krijgen in de werkelijke draagkracht van de middeninkomens tot ongeveer de WAO-dagloongrens. Het is met name de schrik voor verdergaande aantasting van de koopkracht van deze inkomensgroep, welke de grote meerderheid van onze fractie al heeft doen besluiten, het wetsontwerp te aanvaarden ondanks de bezwaren welke de halvering van de bijslag voor de eerstgeboren baby oproepen en de nog resterende studiedrempelvrees. De heer Zoon zei zoeven dat hij de kinderbijslag niet nodig had en hem vaak vergat aan te vragen. Uit contacten met vele mensen uit de groep van de middeninkomens tussen f 35.000 en f 60.000 bruto per jaar weet ik dat dit beslist niet het algemene beeld is. De tot nu aangevoerde alternatieven wijzen immers in de richting dat de middengroepen reeds vanaf een niveau in de buurt van het modale inkomen het gelag zouden moeten betalen en/of dat de kinderrijke gezinnen extra zwaar zouden worden getroffen. Zoals gezegd is het merendeel vóór de in het wetsontwerp gegeven minst slechte oplossing. Enkelen laten hun oordeel nog afhangen van het antwoord en/of de vraag of de bewindslieden voornemens zijn, ernaar te streven, de algehele herziening nog in hun regeringsperiode te realiseren.

©

Th.A.M. (Dik) van KleefDe heer Van Kleef (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Het voor ons liggende wetsontwerp is een van de vele wetsontwerpen van de ombuigingsoperatie die Bestek ' 81 heet. Onze fractie beschouwde de plannen van het vorige kabinet ten aanzien van de inkomensonafhankelijke studiefinanciering als een stap in de goede richting, alhoewel die onzes inziens nog niet ver genoeg ging. Wij zijn in principe voor de integrale studiefinanciering op grond

van de overweging, dat jonge mensen onafhankelijk van hun ouders dienen te worden. Wat staat er nu in dit wetsontwerp? Het komt neer op het vervangen voor de 16-en 17-jarigen van het recht op tweevoudige kinderbijslag door dat op een enkelvoudige kinderbijslag voor studerende thuiswonende kinderen, voor invalide thuiswonende kinderen en de zogenaamde huishoudkinderen. Het betekent dat eerst op 18-jarige leeftijd van de kinderbijslagwet kan worden genoten. Voorts komt het erop neer dat voor uitwonende kinderen van 16 en 17 jaar de drievoudige kinderbijslag wordt vervangen door een tweevoudige. De Regering erkent dat de leeftijds-grens arbitrair is, zoals vermeld staat in de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer, naar ik meen op blz. 9. Wat zijn nu de consequenties? Het is voorstelbaar dat een groot aantal ouders hun kinderen niet zullen stimuleren om verder onderwijs te volgen vanwege de geweldige kosten die het voor hen tot gevolg heeft. Dat houdt in dat de jeugdwerkloosheid zal toenemen en dat via een ander kanaal veel meer geld door de overheid zal moeten worden betaald. De quintessens van dit wetsontwerp is dan geheel komen te vervallen. Juist in die situatie is een aantasting van de kinderbijslag van de laagste inkomens voor onze fractie zeer moeilijk te verteren. Onze fractie betreurt het dan ook dat de motie van Van Kemenade, Nypels en Jansen, stuk nr. 16, door de regeringsfracties aan de overzijde is verworpen. Onze fractie is van oordeel dat het verhaal, dat de toeneming van onkosten van studerende jonge mensen pas op hun achttiende jaar echt begint, niet is vol te houden. Er is een toenemende tendens dat rond de 16-jarige leeftijd kinderen al geheel zelfstandig gaan worden. De Regering geeft dit ook toe, eraan toevoegend -zo staat het er letterlijk -dat dit een feitelijke toestand is en geen normatieve. Kunnen de bewindslieden uitleggen wat daarmee wordt bedoeld? Ik zal niet ingaan op de technische details van dit wetsontwerp, omdat dit aan de overzijde al zeer uitvoerig is gedaan. Het zou alleen maar een herhaling zijn. De SER heeft in meerderheid gesteld -de heer Zoon heeft er ook al op gewezen -dat de voorgestelde maatregelen onaanvaardbaar zijn, terwijl daarbij onverantwoorde risico's worden gelopen ten aanzien van de deelname aan het volledig dagonderwijs, met name voor de zogenaamde kansarmen. Uit een oogpunt van in-komenspolitiek zijn de voorstellen eveneens zeer moeilijk te verteren, omdat zij te weinig uitgaan van eerlijk delen. Bovendien zijn alternatieven, zoals ik reeds heb aangegeven, aanwezig door de invoering van de studiefinanciering. De vraag blijft bestaan, of het wel verantwoord is mee te werken aan ombuigingen, gezien de twijfel die onze fractie heeft aan de doelmatigheid alsmede aan de wenselijkheid daarvan. Worden die ombuigingen benut om een oplossing te brengen voor de sociaal-economische problemen, met name voor het werkloosheidsprobleem waarmee wij nu hebben te maken? De bewindslieden moeten wel met zeer overtuigende argumenten komen om onze twijfels over dit wetsontwerp weg te nemen.

©

J.E. (Joop)  VogtDe heer Vogt (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Deze keer zal ik het u en de bewindslieden wel heel gemakkelijk maken. Ik zal in de eerste plaats maar heel even het woord voeren en ik zal in de tweede plaats geen vragen aan de bewindslieden stellen. Mogelijk zal men zich afvragen waarom ik me zo bescheiden ga opstellen, mede omdat bescheidenheid beslist geen deugd van mij is, zo bescheidenheid al als deugd zou kunnen worden aangemerkt. Mijnheer de Voorzitter! Deze bescheiden opstelling is te danken aan het feit dat ik het zozeer met strekking en opzet van het in bespreking zijnde ontwerp oneens ben, dat het geen zin heeft er lang over te praten, omdat het uitgesloten mag worden geacht dat de Minister door mij of ik door de Minister ook maar op één punt overtuigd zou kunnen raken. Mijn medekamerleden van de linkerzijde zullen het al goeddeels niet met mij eens zijn en mijn medekamerleden van de regeringspartijen zullen het ofwel eens zijn met het ontwerp (en dat geldt dan voor de VVD) ofwel mogelijk niet gelukkig zijn met het ontwerp maar er toch voor stemmen ter wille van de lieve vrede met het kabinet-Van Agt (en dat geldt mijns inziens voor het CDA). Daarom slechts enkele opmerkingen. De memorie van toelichting gaat heel in het begin al uit van de arrogante opmerking dat 'ter wille van de bestrijding van de werkloosheid en het veiligstellen van de sociale voorzieningen in de toekomst een beperking van de ontwikkeling van de collectieve lasten moet plaatsvinden' en dat deze opvatting 'vrijwel geen bestrijding zou vinden'.

Los van het feit dat die opvatting op deze manier gesteld wel degelijk bestrijding vindt in ons volk, gaat het hier niet om 'beperking van de ontwikkeling van de collectieve lasten' maar om vermindering van bestaande lasten. Dat het hier deze keer heel duidelijk niet om 'minder meer' maar zonder meer om minder gaat ziet de Regering zelf zowaar in als ze stelt: 'dit laat overigens onverlet dat de periode waarover meervoudige kinderbijslag wordt genoten met twee jaar wordt ingekort'. Ik kan er nu nog bij zeggen dat de periode waarover kinderbijslag wordt genoten in de eerste jaren van eerstgeborenen ook nog eens een keer met de helft van de uitkering van drie jaar wordt verminderd. Dat de Regering ondanks de zojuist geciteerde zin toch nog (en nog wel net daarvoor) beweert dat het niet om vermindering van inkomsten gaat, moeten we kennelijk beschouwen als praatjes voor de vaak. Dergelijke kletspraatjes waren in het verleden misschien goed genoeg om de arbeidersaanhang van de confessionele partijen te misleiden, maar ik garandeer de Minister dat dat nu niet meer lukt, misschien had de heer Van Kleef vorige week dan toch gelijk met zijn uitspraak over de samenhang tussen het kabinet-Van Agt en de revolutie. Een duidelijk voorbeeld van onzinnigheid kunnen we ook halen uit de hele verhalen die zijn opgehangen over de studiefinanciering: aan de ene kant de bewering dat de financiële situatie in een gezin maar een enkel punt is voor de vraag of iemand gaat studeren (wat ik wil onderschrijven) aan de andere kant de studiefinanciering die als compensatie wordt gegeven, maar die heel duidelijk maar een deel compenseert. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil ophouden met het aanhalen van verder punten. Op zich vind ik kinderbijslag geen punt om je over op te winden. Het feit dat het ingewikkelde systeem van kinderbijslag en kinderaftrek is opgezet is echter een gevolg van een aantal feiten, waarvan er enkele nog recht overeind staan. De kapitalistische samenleving is kennelijk niet in staat -nu niet en ook in het verleden niet-om de werkers redelijk te belonen. In een tijd dat met name van KVP-zijde de kinderzegen hoog op de ranglijst stond betekende dat dat de kinderbijslag sterk werd verdedigd, ja, zelfs progressief werd; naarmate er meer kinderen waren in een gezin werd het bedrag per kind hoger, rechtstreeks in strijd met de kostprijs per kind. Ik kan de Minister aanraden het Amerikaanse boek 'voordeliger per dozijn' eens na te lezen. Nu

de geboorteregeling algemeen aanvaard is in de praktijk van ook de katholieke gezinnen kan er kennelijk aan de kinderbijslag worden geschaafd. Wat mij betreft schaffen we de kinderbijslag af. Immers, hij doet precies hetzelfde wat bij voorbeeld ook de subsidiëring in de landbouw doet. Hij verschaft een inkomen dat in principe ervoor dient om noodzakelijke kosten te dekken, maar houdt geen rekening met andere zaken, met ander inkomens. In de landbouw betekent dat, dat de grote bedrijven veel meer profiteren van subsidie. In de kinderbijslag betekent dat, dat vooral de hogere in-komensgroepen een belastingvrije bijdrage kunnen krijgen die ze beslist niet nodig hebben. Maar afschaffing van de kinderbijslag zou moeten betekenen een invoering van een integraal studieloon voor alle studerenden, dat niet aan de ouders wordt toegewezen maar aan de studerenden zelf. Halvering van de kinderbijslag voor eerstgeborenen -op zich de onzinnigste keuze die we kunnen doen; als het nu halvering van dit bedrag was voor de verder geborenen zou er nog iets voor te zeggen zijn -zou pas mogen worden overwogen als er een veel verder gaande optrekking van de lagere inkomens was, met gelijktijdige aftopping van de hogere. Maar nivellering in deze zin zal ik maar niet van dit kabinet verwachten. Mijnheer de Voorzitter! Het is duidelijk, dat ik te^en het wetsontwerp zal stemmen.

©

G.O.J. (Govert) van TetsDe heer Van Tets (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Wij behandelen thans een wetsontwerp, waar niemand blij mee is. Het draagt nauwelijks bij tot de fundamentele hervormingen die wij bij wetsontwerp 14184-de zogenaamde eerste fase -hebben bepleit en die kennelijk ook in de Tweede Kamer een ruime steun hebben ontmoet. Dit is de fase, waarin het ombuigingselement tot zijn recht moet komen. Het is ook een ontwerp, dat een van de meer substantiële van de op korte termijn aangrijpende maatregelen in het kader van Bestek '81 omvat. Als zodanig is het niet prettig, maar wel nuttig en nodig, meer dan ooit nodig, helaas. Het klassieke waarschuwingssignaal, de betalingsbalans, zolang versluierd door de mist van aardgasbaten, is nu door die mist heengebroken, zelfs nog voordat van een substantiële daling van die baten sprake is. Ombuigingen doen ergens pijn, onvermijdelijk, al hebben wij hier te maken met het voordeel dat wij niet spreken over primair, maar over aanvullend inkomen. Een bevriezing over de gehele linie zou een ruwer middel zijn geweest. Maar de gedragslijn, de genieters van uitkeringen altijd het voordeel van de twijfel te laten, heeft in de loop der jaren geleid tot een zodanige cumulatie van overcompensaties, dat er iets moest gebeuren. Want anders zouden juist de 16-en 17-jarigen, die vandaag in het middelpunt van de belangstelling staan, de arbeidsmarkt gesloten vinden. Mijn partijgenoot De Korte heeft aan de overzijde gezegd: Juist voor hen is het halen van alle bestekdoelen van het allergrootste belang. Ik sluit mij daarbij graag aan. Onze zorg -en niet alleen de onze -is steeds geweest dat een en ander geen negatieve invloed op de onderwijskansen van de betrokken kinderen zou mogen hebben. Wij hebben die zorg herhaaldelijk tot uitdrukking gebracht. Immers, dan zou het paard achter de wagen worden gespannen. Minder onderwijs zou deze jongeren op de arbeidsmarkt weer kwetsbaarder maken. Wij zijn daarom verheugd over de compenserende maatregelen, die het kabinet en vervolgens de Tweede Kamer hebben getroffen om dit effect zo goed mogelijk te voorkomen. Toch wil ik tegelijkertijd zeggen dat wij van mening zijn dat de Staatssecretaris en de Minister terecht weerstand hebben geboden aan de aandrang tot compensaties op andere gronden. Dan waren wij weer de weg opgegaan waarvan ik zoë-ven heb betoogd, dat wij die al te ver hebben betreden. De bewindslieden hebben terecht betoogd, dat de maatregelen moeten worden gezien als de minst ongunstige oplossing. Toch rijst de vraag, of de bewindslieden op deze weg voldoen-de ver zijn gegaan. De minst ongunstige oplossing is immers het terugdraai-en van de al eerder genoemde overcompensaties. Ik breng in dit verband in herinnering dat de tweevoudige en drievoudige kinderbijslag in feite in respectievelijk 1963 en 1965 zijn ingevoerd, dat wil zeggen: volop in de groeitijd. Ik hoop, dat de bewindslieden diligent zullen blijven in het zoeken naar mogelijkheden om op die manier gegroeide overcompensaties terug te draaien ten bate van de middelen, die in het kader van Bestek '81 nodig zijn. Nu bij voorbeeld ter zake van andere problemen zo naarstig naar miljoenen moet worden gezocht, hetgeen soms tot meer pijnlijke keuzen zou kunnen nopen, zou ik niette licht over een paar miljoen heen willen stappen. Als ik in de memorie van antwoord lees, dat de leeftijdsgrens voor schoolgeld op 18 jaar te stellen f 3 en 5 min. minder kost dan een schoolgeldvrij jaar erbij te geven, dan meen ik, dat in de huidige omstandigheden dat bedrag dient te worden bespaard. Ik heb met verbazing het antwoord in de memorie van antwoord gelezen over de minimumloonberekening, waarbij een premie voor aanvullend pensioen wordt afgetrokken, ontleend aan 'de gemiddelde pensioenpremie voor werknemers in het bedrijfsleven' -in casu f 500 -terwijl bij een mini-mumloon van aanvullend pensioen geen sprake is (de AOW-uitkering is immers netto 100% van het nettominimumloon) althans niet tenzij van overcompensatie sprake is. Dit is weer een voorbeeld van hoe overcompensaties door ons hele voorzieningensysteem worden uitgezaaid. Zo ook woekert een demotiverend stelsel in ons gehele belonings-en uitkeringssysteem voort. Blijft het juist dat voor degenen die onderworpen zijn aan partiële leerplicht kinderbijslag aan de ouders wordt uitgekeerd zonder controle of aan die leerplicht wordt voldaan en zonder de vraag te stellen, of die ouders nog in het onderhoud van die kinderen bijdragen? Het wil mij voorkomen dat hier nog een paar hoekjes liggen, waar de bewindslieden nog eens in moeten om te zien of er een bijdrage tot een 'minst ongunstige oplossing' te vinden is. Ik kan niet nalaten ook iets te zeggen over de kwestie van de leeftijdsafhankelijke kinderbijslag en ik zou dat ook niet willen. Laat ik vooropstellen dat de lezing van de adviesaanvrage aan de SER inzake de derde fase mij wat milder heeft gestemd ten opzichte van de omvang van de werkzaamheden ten departemente die daarmee ongetwijfeld gemoeid zijn geweest. De materie is complex en veelzijdig en vereist inven-• tiviteit en oplettendheid. Ik meen echter ook dat het woordgebruik van het departement in een verklaring aan de persik kwam althans hetzelfde bericht in meer dan één krant tegen -zodanig was dat er geen blijk van werd gegeven, dat over deze zaken in het parlement was gediscussi-eerd en er zelfs een motie over was aangenomen. Ook de adviesaanvrage aan de SER spreekt nog van 'na de realisering van de derde fase' en het lijkt wel

Tets alsof de verwijzing naar de motie, die wij hier hebben aangenomen, achteraf" misschien wel door een van de bewindslieden zelf, maar het is niet aan mij om mij in de interne gang van zaken te begeven -later aan die alinea is toegevoegd. Wat hiervan ook zij, de bewoordingen 'na de realisatie' zijn in elk geval volstrekt in strijd met de motie, waarvan immers de strekking was, dat niet op de realisering van de derde fase moest worden gewacht, maar dat de voorbereiding van de beoogde volgen-de adviesaanvrage inzake een meer algemene herstructurering parallel daarmee diende te worden aangevat. Ik zou de bewindslieden dan ook uitdrukkelijk willen vragen, of, nu de adviesaanvrage aan de SER voor de derde fase uit is, de pauze tot daarop wordt geantwoord ook wordt benut om de volgende adviesaanvrage voor te bereiden. Blijkens de memorie van antwoord was dit tussen 28 november, de datum waarop de adviesaanvrage aan de SER uitging, en 20 februari, de datum van de memorie van antwoord, nog niet het geval. Waarom niet? Sloft het departement hierbij met de voeten en verraden de bewoordingen van de verklaring aan de pers in feite een mentaliteit die als een minder dan bevredigende uitvoering van de door deze Kamer aanvaarde motie moet worden aangemerkt? De week voor Prinsjesdag de eerste letters op papier zetten, zal toch niet zijn wat de bewindslieden met een loyale uitvoering van deze motie bedoelen. De Staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer gezegd, dat het zijn bedoeling is dit jaar -ik neem aan dat hij bedoelde: dit kalenderjaar en niet dit zittingsjaar -parallel met die verdere adviesaanvrage gereed te komen. Dat heeft mij deugd gedaan. Ik begrijp echter ook -ook dat doet mij deugd -dat hij de derde fase per 1 januari 1980 wil verwezenlijken en dat zal derhalve in het najaar nog heel wat van zowel het departement als het parlement vergen. Het betekent dan tevens, dat het de hoogste tijd is voor het voorbereiden van de adviesaanvrage aan de SER tussen nu en het zomerreces. Ik zal mij er niet op beroepen dat de Tweede Kamer in haar amendering van dit wetsontwerp al een stapje in de richting van de leeftijdsafhankelijke kinderbijslag heeft gezet. Ik begrijp de argumenten van de Staatssecretaris ter zake. Ik stel mij dan ook milder op dan de heer Nypels van D'66, die in de Tweede Kamer heeft gezegd: 'Als er een duidelijke stroming in deze Kamer is, bestaande uit een groot aantal kamerleden en fracties die in de derde fase wel een leeftijdsafhankelijke kinderbijslag zouden willen introduceren, moet zoiets toch mogelijk zijn.'. Ik ben dan ook geen lid van de oppositie en evenmin van D'66, dat wel meer blijk geeft te denken dat het om de ideeën gaat en dat de rest dan vanzelf wel komt, maar ik zou de bewindslieden wel willen voorhouden, dat de feitelijke constatering van de heer Nypels een juiste is. Er is een duidelijke stroming, een wijd gespreide meerderheid die door de ideeën die wij hebben geopperd bij de behandeling van de eerste fase zodanig zijn aangesproken, dat zij zich niet hebben laten weerhouden daarop alvast een klein voorschotje te nemen. Ook de Minister heeft gezegd -ik lees dat op blz. 2583 linkerkolom van de Handelingen -dat men daarmee in die richting gaat. De SER gaat op blz. 13 van zijn advies over dit wetsontwerp zelfs zover, dat hij gelijke uitkeringen aan zes-en zestienjarigen als het rechtsgevoel niet bevredigend aanmerkt. Ik heb er opnieuw alle begrip voor dat de bewindslieden ter zake alle voorbehoud maken, maar ik geloof dat zij er goed aan zouden doen met deze politieke feiten rekening te Op deze foto's vooraan Minister Tuijnman in gesprek met het kamerlid Terwindt (CDA}, achteraan Minister De Ruiter en het kamerlid Van Krimpen (PvdA)

houden en bureaucratische weerstanden en remmingen hiertegen te doorbreken. Mijnheer de Voorzitter! Wij zullen deze tweede fase met iets minder tegenzin dan wij hadden vóór de amendering slikken. Wij gorden ons met veel meer vreugde aan tot een constructieve samenwerking met de bewindslieden, voor de derde en de daaropvolgende, meer structurele her vormingsfases.

De beraadslaging wordt geschorst.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.