Nota naar aanleiding van het verslag - Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983

Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 5

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 10 juni 1983

Met veel belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag naar aanleiding van het wetsontwerp inzake het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983. Ik ben de Kamer erkentelijk voor het feit, dat zij dit verslag binnen een zo kort tijdsbestek heeft willen opstellen Vrijwel alle fracties hebben algemene beschouwingen gewijd aan de voorgenomen bevriezing van minimumloon en sociale uitkeringen per 1 juli 1983. Beschouwingen, gewijd aan (facetten van) het bestaande aanpassingsmechanisme, aan het karakter van de per 1 januari 1983 getroffen en de per 1 juli 1983 te treffen maatregelen, aan het aspect van de arbeidsduurverkorting en aan het aspect van de inkomensparallelliteit. In antwoord hierop wil ik trachten zo duidelijk mogelijk het karakter van de beide maatregelen aan te geven geplaatst in het licht van de bestaande aanpassingssystematiek, alsmede in te gaan op de vraag hoe zij zich verhouden tot de voorstellen tot herziening van de aanpassingssystematiek in verband met de arbeidsduurverkorting, zoals deze op 3 mei jl. aan de SER ter advisering zijn voorgelegd. Ik wil er geen twijfel over laten bestaan en heb dat ook in de memorie van toelichting niet gedaan, dat beide maatregelen in de ogen van het kabinet om budgettaire redenen noodzakelijk zijn. Een bijkomende overweging in de sfeer van het minimumloon is het voorkomen van fricties in het loongebouw begin en medio 1983 als gevolg van aanpassingen van het minimumloon die de ontwikkeling van de contractlonen, ook zonder matiging in de sfeer van de contractlonen, zouden overschrijden.Ik wijs er in dit verband op, dat volledig uitbetalen van de prijscompensatie begin en medio 1983 geleid zou hebben tot een contractloonstijging van respectievelijk 2,06% en 0,44% waartegenover bij een normale toepassing van dit aanpassingsmechanisme minimumloonstijgingen zouden hebben gestaan van respectievelijk 3,5% en 1,8%. Voor een goed begrip voeg ik hieraan toe, dat het aanpassingspercentage van 3,5 bestaat uit 1,7% op grond van de ontwikkeling van de regelingsloonindex ultimo april 1982 -ultimo oktober 1982 en 1,8%, zijnde het gedeelte van de aanpassing per 1 juli 1982 dat is doorgeschoven naar 1983. Ik kom hierop overigens nog terug.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

De stelling van de leden van de fractie van de V.V.D. dat het wettelijk minimumloon gebruikt wordt als ophangpunt om te komen tot bezuinigingen in de sfeer van de sociale zekerheid onderschrijf ik dan ook niet.

Op zich zelf zijn de opmerkingen van de P.v.d.A.-fractie over het element van de naijling uiteraard juist. Ik wijs erop dat tot op heden het argument van het voorkomen van fricties als gevolg van die naijling op zich zelf niet tot een permanente inbreuk op het aanpassingsmechanisme heeft geleid doch slechts tot het doorvoeren van zogenaamde uitschuifoperaties. Bij de aan de orde zijnde maatregelen overheerst echter de budgettaire noodzaak. Het is de budgettaire situatie die noopt tot beide op zich zelf vergaande inbreuken op het aanpassingsmechanisme, zo vergaand althans dat de ontwikkeling van minimumloon en uitkeringen achter zouden blijven bij de te verwachten ontwikkeling van de contractlonen bij volledig tot uitkering komen van de prijscompensatie. Het is mede, maar overigens niet alleen, om die reden geweest dat het kabinet een dringend beroep op sociale partners heeft gedaan om in 1983 tot een substantiële inkomensmatiging te komen. Het belang dat het kabinet met name aan herverdeling van arbeid hecht, heeft daarbij echter evenzeer een belangrijke rol gespeeld. Zoals bekend heeft de uitvoering van het zogenaamde Stichtingsakkoord geleid tot zodanige uitkomsten, dat de contractloonstijging begin 1983 zich naar het laat aanzien rondom de 1% zal bewegen en medio 1983 vrijwel nihil zal zijn. Ter zijde merk ik op, dat het laatste niet betekent, dat het aanpassingsmechanisme zal leiden tot een aanpassingspercentage van nagenoeg 0. Rekening zal moeten worden gehouden met overigens bescheiden doorwerking van vertragingseffecten als gevolg van het laat indienen en registreren van ca.o.'s. Dit naar aanleiding van een desbetreffende opmerking van de fractie van de P.S.P. De hiervoor aangegeven contractloonstijgingen begin en medio 1983 lopen redelijlk in de pas met de ontwikkeling van minimumloon en uitkeringen in hetzelfde tijdvak. Ik kom hier verder in deze nota nog meer gedetailleerd op terug. Deze parallelliteit in inkomensontwikkeling maakt de beide om budgettaire redenen noodzakelijke maatregelen, hoe pijnlijk zij in de kern ook zijn, in de ogen van het kabinet meer aanvaardbaar. Het zal duidelijk zijn, dat beide maatregelen los moeten worden gezien van de voorstellen in de adviesaanvrage aan de SER van 3 mei 1983 inzake herinrichting methodiek vaststelling niveaus minimumloon en sociale uitkeringen in verband met arbeidsduurverkorting. Daarin is aangegeven dat de gedachten van het kabinet uitgaan naar een aanpassingssystematiek, waarbij de band met de loonontwikkeling blijft gehandhaafd, maar eveneens enige sturingsmogelijkheid aanwezig is in die zin, dat via een beleidsmatige aanpassing vooruit gelopen kan worden op een wenselijk geachte ontwikkeling op het terrein van de arbeidsduurverkorting het jaar daarop, zij het met de uitdrukkelijke verplichting een correctie achteraf te laten plaatsvinden, voor zover de feitelijke ontwikkeling bij de gewenste ontwikkeling is achtergebleven. Vanuit het zo nodig gecorrigeerde niveau zou dan opnieuw een beleidsmatige aanpassing ingezet moeten kunnen worden. Met een dergelijke systematiek hoopt het kabinet goed te kunnen inspelen op en stimulerend te kunnen optreden ten aanzien van een voortgezet proces van arbeidsduurverkorting in het belang van de totstandkoming van een substantiële herverdeling van arbeid zonder band met de loonontwikkeling los te laten. Het is in dit licht dat de voorgenomen korting van minimumloon en sociale uitkeringen per 1 oktober a.s. met 2% moet worden gezien. Die voorgenomen korting wordt door het kabinet nadrukkelijk in samenhang gebracht met het belang van een verdergaande arbeidsherverdeling in de collectieve sector en in de marktsector. Het is een vooruitlopen op die verdergaande arbeidstijdverkorting. Daarbij is door het kabinet nadrukkelijk Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

gestipuleerd, dat voor zover een vergelijkbare arbeidsduurverkorting in de marktsector wordt overeengekomen de effecten daarvan niet zullen komen boven op de voorgestelde korting met 2%. Wel is dan conform de voorkeursvariant uit de adviesaanvrage een nadere beslissing nodig over een eventuele nieuwe beleidsmatige aanpassing. Voor zover de marktsector niet volgt zal eveneens op basis van de dan geldende aanpassingssystematiek een nadere beslissing moeten worden genomen. Daarbij zal het kabinet erop toe zien, dat het trendsettend beleid niet al te sterk vooruit loopt op de marktsector.

De leden van de P.P.R constateren, dat er geen garantie is, dat het minimuminkomensniveau gehandhaafd blijft bij arbeidsduurverkorting. Ik ben van mening dat alle inkomens dus ook de laagste inkomens zullen moeten inleveren ten behoeve van arbeidsduurverkorting. Indien dit niet gebeurt zal het loongebouw aanzienlijk ineengedrukt worden, waardoor de bereidheid om loon in te leveren voor arbeidsduurverkorting bij de inkomensgroepen boven het minimum gering zal zijn, bovendien dreigt de voorwaarde van kostenneutraliteit in dat geval in gevaar te komen. De leden spreken tevens hun ontstemming uit over het feit, dat vooruit gelopen wordt op de SER-adviesaanvrage over een andere methodiek van vaststelling van de hoogte van minimumloon en sociale uitkeringen. Na hetgeen hiervoor meegedeeld is over de relatie tussen de maatregelen per 1 januari en 1 juli 1983 en bedoelde adviesaanvrage zal duidelijk zijn dat hiervan een vooruitlopen op die adviesaanvrage geen sprake is.

Door de leden van de C.D.A,-fractie wordt gesteld het van belang te achten dat in elk geval met ingang van 1 januari 1984 een aanvang wordt gemaakt met specifieke maatregelen in het kader van de herziening van het stelsel van sociale zekerheid. In dit verband wil ik wijzen op de gefaseerde maatregelen tot stelselherziening zoals deze zijn vermeld in de Adviesaanvrage over de stelselherziening aan de Sociaal-Economische Raad en de Emancipatieraad, welke in afschrift op 25 mei jl. aan de Kamer is toegezonden (17475, nr. 6). Daarin zijn voor 1984 een aantal concrete maatregelen voorzien.

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen zich af of het nog steeds verdedigbaar is dat uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet de loonontwikkeling in de eigen bedrijfstak volgen en niet de gemiddelde loonontwikkeling. Ook de leden van de R.P.F.-fractie waren weinig gelukkig met het feit dat die uitkeringen niet onder de werking van het wetsontwerp vallen. Reeds in het nader rapport is opgemerkt dat de reden voor het niet volgen van de gemiddelde loonontwikkeling is dat de band met de bedrijfstak of onderneming tijdens de relatief beperkte periode van inactiviteit blijft gehandhaafd. Zulks moge ook blijken uit het feit dat de premie voor de Ziektewet en voor de wachtgeldverzekering ingevolge de Werkloosheidswet bedrijfstaksgewijs wordt vastgesteld. Die band blijkt voorts uit het feit dat in de wachtgeldreglementen en bijzondere dagloonbesluiten Ziektewet rekening is gehouden met specifiek inde bedrijfstak voorkomende situaties. Ik acht het dan ook nog steeds verdedigbaar om voor de uitkeringen krachtens de Ziektewet en de Werkloosheidswet de band met het laatstverdiende loon te handhaven. Dit betekent overigens niet, dat de uitkeringen ingevolge de Ziektewet en de Werkloosheidswet in het algemeen wel worden verhoogd. Voor zover medio 1983 in het bedrijfsleven uitbetaling van prijscompensatie achterwege blijft, -hetgeen voor een belangrijk deel van het bedrijfsleven het geval is -, zullen ook die uitkeringen niet worden verhoogd. Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

De leden van de fractie van D'66 spreken zich uit tegen het voornemen de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen per 1 juli a.s. achterwege te laten. Zij doen dit met een verwijzing naar hun opstelling in het debat rond de koopkrachtontwikkeling in 1983 dat in december vorig jaar plaatsvond. In dat debat, en ook bij andere gelegenheden, is van de zijde van deze fractie naar voren gebracht, dat een forse inkomensmatiging in de nominale sfeer noodzakelijk is, waarop door middel van een beperkte en gedifferentieerde verlaging van belastingtarieven tegemoet zou kunnen worden gekomen aan het daaruit voortvloeiende koopkrachtverlies. Verbonden aan die benadering was de mening van de leden van deze fractie, dat de Regering ervoor had dienen zorg te dragen, dat de onderhandelingen overal zouden leiden tot een handhaving van de lonen op hetzelfde nominale niveau als in december 1982. Nu het kabinet niet is overgegaan tot een ingreep die tot dat door hen beoogde resultaat had kunnen leiden, wijzen zij de voorgenomen bevriezing van minimumloon en sociale uitkeringen per 1 juli a.s. af. De bezwaren tegen deze door deze leden van de fractie van D'66 beoogde andere aanpak van het economisch beleid zijn in de Kamer bij verschillende gelegenheden uitgebreid aan de orde geweest. Daarom moge hier worden volstaan met op te merken, dat het kabinet om verschillende redenen niet heeft gekozen voor een dergelijke aanpak. Die opvatting is niet gewijzigd. Daarnaast meent het kabinet, dat gelet op de inhoud en strekking van het zogenaamde Stichtingsakkoord (waarin expliciet wordt gevraagd om het achterwege laten van een ingreep in de primaire loonvorming in de marktsector) een interventie van het kabinet in de c.a.o.-onderhandelingen de nu bereikte onderhandelingsresultaten teloor zou hebben doen gaan. Het kabinet heeft van meet af aan geopereerd vanuit een gescheiden verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid voor de primaire loonvorming, en daarmee ook voor het uiteindelijk kunnen handhaven van parallellie in de inkomensontwikkeling, is gelegd bij de sociale partners. Mede dankzij die opstelling konden de nu bereikte akkoorden over herverdeling van werk tot stand komen. Het verwijt dat de Regering zich in deze te weinig voortvarend opstelt (en dus eigenlijk een loonmaatregel had moeten treffen), wijzen zij dan ook van de hand.

De E.V.P.-fractie stelde de vraag of inzicht kan worden gegeven in de berekening van het ombuigingsbedrag van f400 min. waarover in de memorie van toelichting wordt gesproken. Het bedoelde ombuigingsbedrag is berekend met behulp van een bij het departement aanwezig omvangrijk rekenmodel voor de sociale zekerheid. Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Ombuigingen in de sfeer van AOW/AWW

f 180 min. AAW/WAO

f 130 min. werkloosheidsregelingen incl. RWW

f

70 min. bijstandsuitkeringen excl. RWW

f

20 min.

f 400 min.

In antwoord op de vraag van de leden van de P.S.P.-fractie naar het cumulerend effect van de jarenlange loonmatiging op de binnenlandse bestedingen, op de consumptie en op de werkgelegenheid bij voor de binnenlandse markt producerende bedrijven kan worden gewezen op de daling van het consumptievolume, een daling echter die zich concentreerde bij de invoer van consumptiegoederen en "diensten. Naast wijzigingen in het bestedingspatroon die tot uiting kwamen in een opvallende daling van de invoer van auto's -al is deze recent weer aangetrokken -en buitenlandse vakanties, kan ter verklaring ook worden gewezen op het feit dat als gevolg van de loonmatiging de arbeidsintensieve en voor de binnenlandse markt producerende bedrijven in een gunstige concurrentiepositie zijn komen te verkeren. Deze opmerking kan in een breder kader worden geplaatst. Er zijn meer, veelvuldig uitgesproken Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

factoren die het vertrouwen wettigen dat aanvankelijk negatieve gevolgen door positieve worden gevolgd. Gecumuleerd zal het effect uiteindelijk positief zijn. Het streven is gericht op een heroriëntering van de Nederlandse economie, op een versterking van het produktieve vermogen waarbij de inschakeling van meer mensen in het arbeidsproces voorop staat. Dat het gecumuleerde effect van de gematigde nominale loonontwikkeling nog niet zichtbaar positief is, vindt een belangrijke oorzaak in de ernstige verslechtering van de wereldeconomie die de Nederlandse economie in de loop van 1982 zwaar heeft getroffen. Gezien de lager dan verwachte prijsstijging impliceert de bevriezing van het minimumloon per 1 juli een vergelijkbare ontwikkeling van de koopkracht als in september van het vorig jaar werd voorzien. Als gevolg van vraaguitval behoeft daarom geen toename van de werkloosheid te worden verwacht. Veel vragen zijn gesteld over het verloop van de ontwikkeling van de index van de regelingslonen en de ontwikkeling van het minimumloon vanaf de invoering van de WAM. Onderstaand wordt weergegeven hoe het minimumloon conform de WAM zou hebben moeten verlopen en zoals het feitelijk is verlopen.

Conform WAM

Feitelijk

1-1-1980

1826,50

1826,50 1-7-1980

1879,80

1862,90 1-1-1981

1905,80

1883,40 1-7-1981

1907,10

1925,30 1-1-1982

1989,00

1979,90 1-7-1982

2073,50

2028,00 1-1-1983

2109,90

2048,80 1-7-1983

2147,60

2048,80

Uit bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd, dat het feitelijke niveau van het minimumloon per 1 juli 1983 4,8% lager is dan het niveau zoals dat conform de WAM zou zijn geweest. De cijfermatige invulling van dit verschil zoals de C.D.A.-fractie die geeft, is derhalve juist. In nettotermen betekent dit op minimumniveau inclusief vakantiebijslag een verschil ten bedrage van f52 per maand. Wordt rekening gehouden met de voor 1983 voorziene echteminimatoeslag, dan wordt dit verschil aanzienlijk geringer. Ik kom verderop in deze nota op deze eenmalige uitkering terug. Uit het overzicht blijkt dat de afwijkingen tot 1 januari 1982 steeds een tijdelijk karakter hebben gekend. Van een ontkoppeling waartoe de leden van de D'66-fractie concluderen is tot die datum derhalve zeker geen sprake. Een aantal fracties vroeg om een nadere uitwerking van de stelling dat er per 1 januari 1983 en 1 juli 1983 sprake is van een min of meer parallelle inkomensontwikkeling. In ruwweg de helft van de ca.o.'s is per 1 januari de prijscompensatie van 2,06% ingeleverd. Voor zover er geen prijscompensatie is ingeleverd betekent dit dat er ongeveer 1% prijscompensatie doorwerkt in de index van de regelingslonen. Per 1 januari zijn het mini-mumloon en de sociale uitkeringen eveneens met 1% gestegen. Voor alle duidelijkheid merk ik op, dat de ontwikkeling van de indexregelingslonen over de periode ultimo oktober 1982-ultimo april 1983 ad 1,8% voor circa 1% bepaald is door vertraagde doorwerking van in 1982 overeengekomen contractloonverbeteringen. Op 1 juni 1983 was er nog slechts een gering aantal ca.o.'s afgesloten waarin is afgesproken om de prijscompensatie per 1 juli uit te betalen. Dit betekent dat per die datum de sociale uitkeringen en minimumlonen enerzijds en de lonen anderzijds redelijk in de pas lopen. Hiermede zijn tevens de vragen van de leden van D'66, de R.P.F, en de P.S.P.-fracties over de ontwikkelingen per 1 juli beantwoord. Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

De leden van de fractie van de P.v.d.A. informeerden naar de verhouding tussen de koopkrachtdaling van uitkeringsgerechtigden en die van de actieve beroepsbevolking. Onderstaand schema bevat hiervan een overzicht.

Niveau

Werknemer

WAO-gerechtigde

minimum

-3

-3 modaal inkomen werknemer

--3,5 a -4

-5 maximum inkomen WAO'-er

-4 è -^,5

-5,2

Zowel in bovenstaand overzicht als in de memorie van toelichting is de kinderbijslag buiten beschouwing gebleven. Het beeld van de koopkrachtontwikkeling op het minimumniveau, dat normaliter wordt verschaft is eveneens relevant voor bejaarden (AOW). Het ligt dan voor de hand de koopkrachteffecten exclusief kinderbijslag te presenteren. Dit in antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de P.S.P.-fractie. Deze leden vroegen tevens naar het koopkrachtbeeld ervan uitgaande dat per 1 oktober een korting van 2% wordt doorgezet. In dat geval kan het koopkrachtbeleid als volgt worden geschetst:

Excl. WAM-toesl ag

Incl. WAM-toeslag

minima minimumplus modaal maximum

-3.3 -4,6 -5,0 -5,6

-3,3 -7,3 -7.7 -8.5

Op verzoek van de leden van de S.G.P.-fractie worden de effecten van de belangrijkste maatregelen nog eens nader uiteengezet voor WAO-gerechtigden met W.A.M.-toeslag. Daarbij zijn de volgende maatregelen opgenomen: 1. de beperking van de aanpassing van de uitkeringen in 1983; 2. de maatregelen in de kinderbijslagsfeer in 1983; 3. de afschaffing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek; 4. de gefaseerde beëindiging van de W.A.M.-toeslag.

(1)

(2)

(3)

(4)

minimum

-2,4

-0.1

0 minimumplus

-2,1

-0,1

-1.0

-2.7 modaal

-2,1

-0.1

-1.3

-2,7 maximum

-2,3

-0.1

-0.7

-3.0

De maatregelen genoemd onder 1, 2 en 4 zijn eveneens van toepassing op andere groepen van uitkeringsgerechtigden. Het effect van de afschaffing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek is specifiek van toepassing op WAO-uitkeringen. Vandaar dat het koopkrachtbeeld voor deze groep enigszins ongunstiger uitvalt. De leden van de S.G.P.-fractie hadden op dit punt om een nadere toelichting gevraagd.

De G.P.V.-fractie vroeg hoe het koopkrachtplaatje op blz. 4 van de memorie van toelichting eruit zou zien als zou worden afgezien van de voorgenomen premieverhogingen per 1 juli a.s. Onderstaand overzicht geeft hiervan een samenvatting.

Excl. WAM-toeslag

Incl. WAM-toeslag

minima

-2,9

-2,9 minimumplus

-4,2

-6,9 modaal

-4,6

-7,2 maximum

-5,0

-7,9

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

De G.P.V.-fractie wees in dit verband op de adviezen van de SER en van de desbetreffende fondsen om de premieverhogingen per 1 juli a.s. achterwege te laten, omdat de reservesituaties van een aantal fondsen een premieverhoging niet rechtvaardigen. Zij vraagt of de Regering bereid is deze adviezen op te volgen, mede om het forse koopkrachtverlies dat dit jaar zal optreden zoveel mogelijk te beperken. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat de SVR nog dient te worden gehoord over de uitspraken die door de besturen van de desbetreffende fondsen zijn gedaan met betrekking tot de premievaststelling per 1 juli a.s. De wettelijk voorgeschreven procedure in dezen is derhalve nog niet afgerond. Vooralsnog meent het kabinet echter dat gezien de financiële positie van de betreffende fondsen, de terugtrekking van de rijksbijdrage -die om budgettaire redenen noodzakelijk is -dient te worden gecompenseerd middels premieverhogingen. Ook de voorgestelde premieverhoging bij de AOW dient ter aanvulling van de reservepositie van dit fonds. De fondsbesturen erkennen overigens dat de financiële positie van de fondsen sedert de premievaststelling per 1 januari jl. aanmerkelijk is verslechterd door tegenvallers in de premieplichtige inkomens. Het achterwege laten van premiewijzigingen per 1 juli zou bovendien een extra druk op de premievaststelling per 1 januari 1984 betekenen.

De leden van de P.S.P.-fractie vroegen voorts naar de cumulatieve effecten voor gehandicapten, indien rekening wordt gehouden met de voorgenomen korting per 1 oktober 1983 van 2%. De afzonderlijke koopkrachteffecten van deze maatregel zullen voor de verschillende groepen van gehandicapten ongeveer-0,3 a -0,4% op jaarbasis bedragen. Deze koopkrachteffecten variëren enigszins al naar gelang de betrokken inkomensniveaus. Deze effecten komen bovenop de koopkrachteffecten die in tabel 1 van de notitie naar aanleiding van de motie Franssen (gedrukte stukken 17467 enz., nr. 82a) staan vermeld. De effecten van de maatregelen, die afhankelijk zijn van de individuele situatie waarin de gehandicapte verkeert, veranderen nauwelijks. De eigen bijdrage AWBZ is bij voorbeeld gerelateerd aan het netto-inkomen van het voorafgaande jaar, waardoor deze eigen bijdragen geen wijzigingen ondergaan van de oktobermaatregel. De overige maatregelen, zoals eigen bijdrage woningaanpassing, geneesmiddelen etc, zijn niet inkomensafhankelijk. Deze effecten zullen dan ook als gevolg van de oktobermaatregel geen wijziging ondergaan.

De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen waarom de Regering de premieverschuiving, die het gevolg is van een premieverhoging voor werkgevers, toch -tegen het advies van zowel werkgevers als werknemers in -heeft doorgezet. Voorts vroegen zij inzicht te geven in de effecten van deze premieverschuiving in de WAO voor de werkgevers. Zij vroegen daarbij eveneens of het juist niet zo is dat in bedrijven en bedrijfstakken waar veel werknemers het minimumloon verdienen -en dus grotendeels binnen de franchise van de WAO-premie vallen -deze premie uit de aard der zaak weinig effect heeft. Als deze premieverschuiving wordt benut om enerzijds werkgeverspremies te kunnen verlagen, c.q. een lastenverlichting te bieden aan het bedrijfsleven, is dan niet het feitelijk effect dat bij voorbeeld juist de middenstand en een aantal industriële bedrijfstakken, waaronder de voedings-en genotmiddelenindustrie een lastenverzwaring krijgen c.q. geen lastenverlichting bemerken, zo vragen deze leden ten slotte. Voorshands meent het kabinet dat aan de voorgenomen premieverhogingen per 1 juli 1983 dient te worden vastgehouden, gezien de financiële posities van de betreffende sociale verzekeringsfondsen.

In een antwoord op een vraag van de G.P.V.-fractie hieromtrent, is elders in deze nota daarop reeds ingegaan. Gegeven deze premieverhogingen, Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

die voornamelijk plaatsvinden ten laste van de werkgever acht het kabinet het noodzakelijk een premieverschuiving aan te brengen in de WAO van de werkgeverspremie naar de werknemerspremie, ten einde geen lastenverzwaringen te doen ontstaan voor de werkgevers. De premieverhoging en •verschuiving heeft een doorwerking naar de sociale uitkeringen en de ambtenarensalarissen. Het achterwege laten van de premieverhogingen en -verschuiving zou er dan ook toe leiden dat de in een Voorjaarsnota opgenomen opbrengst van maatregelen in de inkomenssfeer zou vervallen. Met het oog op de zorgelijke budgettaire situatie wordt dit ongewenst geacht. De premieverhogingen en premieverschuiving, zoals in de Voorjaarsnota voorzien werken uiteindelijk voor de premie werkgevers in de WAO als volgt uit:

Wg

Wn

verhogingen: AKW

+ 0.15 AAW

+ 0,10 WAO

+ 0,05

+ 0,05

+ 0,30

+ 0,05 verschuiving

-0,30

+ 0,30

+ 0,35

Zoals al eerder gesteld wordt met de verschuiving een neutrale ontwikkeling voor de werkgeverslasten nagestreefd. Daarbij gaat het om de macro-ontwikkeling. Inderdaad impliceert dit niet dat het uiteindelijke effect op de loonsom van de individuele onderneming overeenstemt met de uitkomst op macroniveau. Dat zich gevallen zullen voordoen waarbij bedrijven per saldo toch een zekere lastenstijging ondergaan is zeer goed mogelijk. Het voornemen van het kabinet om de werkgeverslasten in termen van de loonsom te stabiliseren is echter nadrukkelijk niet bedoeld als iets wat voor alle individuele ondernemingen opgeld zou kunnen doen. Een zodanige beleidsdoelstelling kan niet anders dan in macrotermen worden geformuleerd. Een premiebeeld dat in relatie met de werking van de franchise WAO rekening zou houden met de loonstructuur van iedere afzonderlijke onderneming in Nederland, is immers niet te construeren. Daarbij komt dat de ontwikkeling van de werkgeverslasten voor individuele bedrijven niet alleen bepaald wordt door het kabinet, maar dat ook de sociale partners zelf door middel van de vaststelling van de wachtgeld" en ziekengeldpremie invloed uitoefenen op de loonkostenontwikkeling in de diverse bedrijfstakken. De leden van de fracties van P.v.d.A. en C.D.A. hebben gevraagd wanneer het wetsontwerp met betrekking tot de eenmalige uitkering zal worden ingediend. Er wordt naar gestreefd om het wetsontwerp nog voor het zomerreces bij de Tweede Kamer in te dienen.

De P.P.R.-fractie vraagt zich af of in het kader van het voorgenomen echte minimumbeleid voldoende gelden zijn gereserveerd om de negatieve koopkrachtmutatie voor 1983 ten opzichte van 1982 goed te maken, terwijl de leden van de R.P.F.-fractie zich afvroegen, welke consequenties het onderhavige wetsontwerp, respectievelijk het verloop van de regelingsloonindex heeft voor het te reserveren bedrag in verband met de uitkering aan de zogenaamde echteminima. Zoals in de Voorjaarsnota is aangegeven zal in 1983 ongeveer 3% koopkracht worden gerepareerd. Voor de uitgaven welke in 1983 zullen vallen is thans een bedrag beschikbaar van 225 min. Voor de dekking van het uitgavendeel dat op 1984 zal drukken, zullen in de Miljoenennota 1984 nadere voorstellen worden gedaan.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

De leden van de P.S.P.-fractie vragen zich af of bij de vaststelling van de hoogte van de bedragen van de eenmalige uitkering al rekening is gehouden met de 2% korting per 1 oktober 1983. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord.

De fractie van de C.P.N, vraagt in dit verband of het kabinet kennis heeft genomen van onderzoeken naar de positie van minimuminkomens en of het kabinet bereid is rekening te houden met deze gegevens. Zoals reeds is aangegeven tracht het kabinet de positie van de echteminima ook in 1983 zoveel mogelijk te ontzien.

De leden van de C.D.A.-fractie vragen in dit verband ten slotte of reeds bij benadering bekend is op hoeveel huishoudens deze uitkering betrekking zal hebben in vergelijking met 1982. De eerste schattingen geven aan dat in 1983 rekening moet worden gehouden met ca. 545000 uitkeringen. Alhoewel de definitieve cijfers over 1982 nog niet bekend zijn, ziet het ernaar uit dat in dat jaar het aantal uitkeringen lag rond de 470 000. Er is derhalve sprake van een toename van het aantal uitkeringen met naar raming ca. 16%.

Vrijwel alle fracties zijn ingegaan op het vraagstuk van de relatie tussen de voorgestelde bevriezing en de inkomensafhankelijke voorzieningen. Zoals aangegeven, zal in de toegezegde inkomensnotitie op dit vraagstuk worden ingegaan. Wegens overbelasting van het ambtelijk apparaat is het niet mogelijk de notitie nog vóór het zomerreces uit te brengen. Gestreefd wordt thans naar publikatie zo snel mogelijk na afloop van het zomerreces. Het betreft hier het inzichtelijk maken van de problematiek van de samenloop van een teruggang in het secundair inkomen en de verschillende inkomensafhankelijke regelingen in de tertiaire sfeer. Er speelt hier een veelkantig vraagstuk van cumulatie, te weten de cumulatie van generieke en specifieke maatregelen in de brutosfeer en in het brutonettotraject, de cumulatie binnen het geheel van de inkomensafhankelijke regelingen zelf en het tussen de secundaire en tertiaire sfeer te leggen cumulatieverband. Het zal duidelijk zijn, dat het aangeven van cumulatieve inkomenseffecten een zeer gecompliceerde materie is. In de memorie van toelichting is reeds aangegeven, dat het twijfelachtig is of uitzicht op een bevredigende oplossing geboden kan worden. In relatie met hetgeen hierboven is opgemerkt, gebiedt realiteitszin deze opmerking te maken. Bij deze uitspraak is niet te veel de vader de wens van de gedachte zoals de S.G.P.-fractie veronderstelt, maar wordt beoogd te voorkomen, dat de wens te veel de vader van de gedachte wordt.

In antwoord op een desbetreffende vraag van het lid van de E.V.P.-fractie dient te worden opgemerkt dat het niet mogelijk is de effecten van veranderingen in provinciale en gemeentelijke heffingen voor de procentuele koopkrachtmutatie in 1983 weer te geven.

Over het gemiddelde niveau en de mutaties in deze heffingen is vooralsnog onvoldoende bekend. Voorts kunnen deze sterk verschillen per provincie en gemeente. Dit naar aanleiding van een desbetreffende opmerking van de P.P.R.-fractie. Overigens dient men zich te realiseren dat de gepresenteerde koopkrachtmutatie slechts door deze heffingen zou worden beïnvloed, naar de mate waarin de stijging in de heffingen afwijkt van de gemiddelde prijsstijging, gewogen naar het aandeel van de heffingen in het totale bestedingspakket. Een enigszins vergelijkbare situatie doet zich voor ten aanzien van de individuele huursubsidie. Ook hier is slechts sprake van een afwijking ten opzichte van de procentuele koopkrachtontwikkeling, naar de mate waarin een eventuele toename in de door de IHS-gerechtigde te betalen eigen huurbijdrage afwijkt van de gemiddelde huurstijging, gewogen naar het aandeel van de huurbijdrage in het totale bestedingspakket.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

In het CEP '83 is berekend dat in 1982 het koopkrachtoffer van een IHS-gerechtigde minimumloner ca. 0,5% a 1% geringer was dan voor een niet IHS-gerechtigde, aangezien de mutatie in diens eigen huurbijdrage sterk achterbleef bij de gemiddelde huurstijging. Ook bij de thans voorziene wijziging van het stelsel van individuele huursubsidie is het niet denkbeeldig dat de toename van de eigen bijdrage van de huursubsidiegerechtigde in 1983 door naijlingseffecten nog achter blijft bij de gemiddelde huurstijging, waardoor diens koopkrachtontwikkeling beter uitvalt dan die van een niet-subsidiegerechtigde. Het ligt in het voornemen dat deze discrepantie conform de bedoeling in het regeerakkoord in de loop van 1984 wordt rechtgetrokken. In antwoord op de vragen van de leden van de D'66-fractie over de (on)mogelijkheid uitverdieneffecten te berekenen van de in het wetsontwerp neergelegde maatregelen die op zouden treden door middel van het grotere beroep op inkomensafhankelijke regelingen kan opgemerkt worden dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp is aangegeven dat de wisselwerking tussen de inkomensafhankelijke regelingen en maatregelen in de primaire en secundaire inkomenssfeer uiterst complex is. Het betreft hier zowel de uiteindelijke gevolgen voor de bestedingsruimte van de betrokken inkomenstrekkers die voortvloeit uit deze wisselwerking als de gevolgen voor het overheidsbudget. Op dit moment is het niet mogelijk in de registratie van de bestandgerechtigden in de diverse inkomensafhankelijke regelingen onderscheid te maken tussen hen die wel en niet door de in dit wetsontwerp neergelegde maatregelen worden bereikt. Daarmee is het vooralsnog niet mogelijk tot een verantwoorde benadering te komen van de uitverdieneffecten van de hier aangegeven maatregelen via de sfeer van de inkomensafhankelijke regelingen. In de Voorjaarsnota 1983 is wel voor de afzonderlijke totalen van de inkomensafhankelijke regelingen een raming gegeven van de te verwachten uitgavenoverschrijdingen. Aan de hand van het geconstateerde beroep en het uitgavenverloop over een aantal maanden en met gebruikmaking van het totale bestand aan gerechtigden in de diverse inkomensafhankelijke regelingen, aangevuld met macrocijfers als bij voorbeeld ontwikkeling van werkloosheid en belastbare inkomens, is een enigszins betrouwbare indicatie te geven van de afwijkingen die zich in de oorspronkelijke uitgavenramingen per regeling zullen gaan voordoen. Op grond hiervan is in de Voorjaarsnota 1983 tot bijstellingen besloten. Zoals hierboven reeds is aangegeven wordt als gevolg van het ontbreken van meer gedetailleerde gegevens met betrekking tot de samenstellingen van het bestand van gerechtigden een nadere detaillering vooralsnog niet mogelijk geacht. Voor wat betreft mogelijke toekomstige tegenvallers kan worden opgemerkt dat zoals is aangegeven in de Voorjaarsnota 1983 de daarin geconstateerde uitgavenoverschrijdingen bij de diverse inkomensafhankelijke regelingen met name veroorzaakt zijn door de algemene terugval in de inkomensontwikkeling en door de toename van de werkloosheid. Daar verwacht mag worden dat aan beide voornoemde ontwikkelingen geen eind is gekomen zullen, althans bij ongewijzigd beleid, dat wil zeggen ongewijzigde toepassing van de nu vigerende systemen in de inkomensafhankelijke regelingen, nieuwe tegenvallers mogelijk blijven. De daarmee samenhangende uitgavenoverschrijdingen zullen conform de regels van het stringente begrotingsbeleid gecompenseerd moeten worden. Nogmaals zij opgemerkt dat op de bovenstaande complexe problemen rond de inkomensafhankelijke regelingen in de in december toegezegde inkomensnotitie wordt teruggekomen.

Ten aanzien van deze inkomensnotitie merk ik ten slotte nog op, dat er geen specifieke relatie bestaat met de voorgenomen herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Wel wordt uiteraard in de notitie vanuit een aantal invalshoeken aandacht aan de sociale zekerheid besteed. Dit in antwoord op een opmerking van de R.P.F.-fractie.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

De fracties van de P.v.d.A., D'66 en de CPN betreuren het, dat de SER niet om advies is gevraagd. De fractie van D'66 constateert in dat verband dat het kabinet zich steeds minder gelegen laat liggen aan haar verplichting om de SER om advies te vragen. De fractie van de P.v.d.A. spreekt van een verslechtering van het overleg tussen SER en regering. Tegen beide opmerkingen teken ik bezwaar aan. Beide opmerkingen gaan volledig voorbij aan de intensivering van de contacten tussen SER en kabinet welke voortvloeit uit de veelheid van maatregelen op sociaal-economisch terrein die juist in tijden van recessie door een kabinet getroffen moeten worden en waarover de zienswijze van de SER wordt gevraagd. Met name de laatste maanden is een veelheid van adviesaanvragen aan de SER voorgelegd, waaronder een aantal op het terrein van minimumloon en sociale zekerheid. In dit concrete geval heeft het kabinet gemeend, mede gelet op de korte tijd die nog beschikbaar was, van een adviesaanvrage te kunnen afzien, omdat bij het overleg tussen een kabinetsdelegatie en de Stichting van de Arbeid op 25 april jl. de overigens uiteenlopende opvattingen over deze maatregel aan de orde zijn geweest en bovendien de SER reeds in september 1982 in de gelegenheid is gesteld haar visie te geven over het in de miljoenennota opgenomen pakket van maatregelen, waaronder deze bevriezing. De oorzaak van de korte tijd die beschikbaar was vloeide voort uit het feit, dat het kabinet wilde wachten totdat meer inzicht bestond over een aantal relevante grootheden, welke in de memorie van toelichting staan vermeld. Dit in antwoord op vragen van de leden van de C.P.N.-fractie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. de Koning Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 5

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.