Verslag - Nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

VERSLAG De bijzondere commissie voor deze nota heeft overeenkomstig artikel 22 van het Reglement van Orde aan alle leden van de Kamer de gelegenheid gegeven vragen in te zenden. Deze zijn in de navolgende lijst weergegeven. De verwijzingen betreffen, indien niet anders is vermeld, hoofdstukken, parag rafen en bladzijden van de nota. Onder MEV '80 wordt verstaan de schets van het centraal planbureau, die bij brief van 19 februari (stuk 13815) door de Minister van Economische Zaken aan de Kamer werd toegezonden. Kamerstuk 13955 is aangehaald als 'nota selectieve groei'. De commissie heeft vervolgens antwoorden van de Regering ontvangen die telkens onder de desbetreffende vraag zijn vermeld. De vragen zijn cursief afgedrukt. De commissie acht het openbare debat hiermee voldoende voorbereid.

HOOFDSTUK I. INLEIDING

§ 7

  • Wat is de nauwkeurigheid van de schattingen van het CPB (o.a. in de zogenaamde MEV '80) voor werkloosheid, inflatie, groei, betalingsbalanspositie wat betreft de gegevens voor 1980 en wat betreft de verschillen tussen de beleidsalternatieven (ongewijzigd, 1%, 1% met stimulering)?

Aan iedere schatting zijn -gegeven de veronderstellingen waarop deze is gebaseerd -bepaalde onzekerheidsmarges verbonden. Weliswaar kunnen deze onzekerheidsmarges in statistische termen worden vastgelegd, maar de interpretatie daarvan is vaak uitermate gecompliceerd. De prognoses van het CPB zijn gebaseerd op zo goed mogelijk bij de werkelijkheid aansluiten-de modellen; deze modellen tracht men voortdurend te verbeteren. Bij het uitdraaien van een model voor prognosedoeleinden dienen uiteraard een aantal veronderstellingen te worden ingevoerd. Dit geldt bij voorbeeld ten aanzien van de vermoedelijke groei van de wereldhandel. Het is uitermate moeilijk dergelijke exogene data exact te schatten. In het geval van de wereldhandel vindt vaak internationaal overleg tussen de specialisten van de verschillende landen plaats, ten einde de nationale ramingen zo veel mogelijk op elkaar afgestemd te doen zijn. De vraag echter naar de nauwkeurigheid van de schattingen van het CPB voor een aantal macro-economische grootheden in 1980, miskent het karaktervan de schattingen voor dat jaar. De prognoses geven veeleer een richting van de vermoedelijke ontwikkeling en het op basis daarvan te voeren beleid dan dat zij de exacte realisaties voor dat jaar trachten te benaderen. In dit verband kan ook naar het ant-Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

woord op vraag 2 worden verwezen. Aldaar komt naar voren, dat geheel is geabstraheerd van de conjunctuur in 1980. Wat betreft de nauwkeurigheid van de schattingen van de gevolgen van de verschillende beleidsalternatieven ten opzichte van de centrale prognose moet eveneens meer het richtinggevende dan het exacte karakter van deze schattingen worden benadrukt. Wel is het zo, dat wijzigingen die zullen optreden ten opzichte van de voorspellingen in de centrale raming op vergelijkbare wijze zullen doorwerken in de voorspellingen die zijn gebaseerd op beleidsalternatieven.

  • Wat zijn de cijfers van de werkloosheid gesplitst in het structurele en conjuncturele deel?

De projectie voor 1980 is, zoals in de MEV 1980 is aangegeven, conjunctuurvrij. De raming op basis van het gewijzigde beleid, aangevuld met nadere maatregelen in de sfeer van de bedrijfsinvesteringen en de loonkostensubsidies levert in 1980 een werkloosheid van 150 000 personen op die geheel als structureel in ruimere zin moet worden beschouwd.

  • Zijn er gegevens die voor Nederland en de omringende landen een aanduiding geven van de produktie per hoofd van de bevolking en per hoofd van de bevolking tussen 15 en 65 jaar? Hoe is de verhouding actieven -nietactieven in de landen van de EEG, Zwitserland, Zweden en de USA?

In bijgaande tabellen zijn voor enkele peiljaren het bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking en per hoofd van de bevolking in de groep 15-tot 65-jarigen voor Nederland en de meeste andere lidstaten van de EG aangegeven. De data zijn uitgedrukt in prijzen en dollarkoersen van 1970.

Bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking in dollars (in prijzen 1970, dollarkoersen van 1970)

1963

1968

1973

1974

Nederland

1756

2182

2668

2734 West-Duitsland

2311

2763

3397

3413 Frankrijk

2036

2505

3194

3290 Italië

1276

1571

1874

1921 België

1979

2373

3096

3206 Verenigd Koninkrijk

1865

2122

2393

2410

Bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking in de groep 15-65 jarigen in dollars (in prijzen 1970, dollarkoersen van 1970)

1963

1968

1973

Nederland West-Duitsland Frankrijk Italië België Verenigd Koninkrijk In onderstaande tabel is voor enkele peiljaren zowel de verhouding aangegeven tussen de werkende bevolking en de totale bevolking als tussen de werkende bevolking en de bevolking in de groep 15-tot 65-jarigen.

2837

3497

4228348 6

4331

5333327 3

4027

5119188 8

2348

2844 3102

3761

4883 2860

3331

3823

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Totale bevolking

Bevolking in de groep 15-65 jarigen

1963

1968

1973

1963

1968

1973

in procenten

in procenten Nederland

35,5

34,9

34,0

57,4

56,0

53,8 West-Duitsland

45,9

42,8

42,3

69,1

67,1

66,3 Frankrijk

40,0

39,6

40,2

64,3

63,6

64,4 Italië

39,0

35,7

33,9

57,7

53,4

51,5 België

38,3

37,6

39,2

60,1

59,6

61,8 Verenigd Koninkrijk

46,1

44,9

44,0

70,7

70,5

70,3 Zwitserland

50,9

49,3

48,9

77,6

75,9

75,5 Zweden

48,1

47,2

47,7

72,4

71,8

73,6 Verenigde Staten

35,8

37,8

40,1

60,0

61,9

63,3

§2 4. Gaat de Regering ervan uit dat haar keuze voor behoud en uitbreiding van de collectieve voorzieningen op middellange termijn alleen maargerealiseerd kan worden door trendmatige groei van het nationaal inkomen van 33k procent per jaar?

In theorie is het denkbaar ook bij een trendmatige reële groei van het nationale inkomen die lager is dan 33Ai % het bestaande niveau van collectieve voorzieningen te handhaven of zelfs nog uit te breiden. Afgezien van de gevaren voor de werkgelegenheid, die daarbij optreden, is dan een zodanige bereidheid bij de actieve beroepsbevolking nodig om in de sfeer van het re-eel vrij besteedbaar inkomen pas op de plaats te maken of zelfs teruggang te aanvaarden, als tot dusver nimmer is gebleken.

  • Waarom correspondeert een terugdringen van de werkloosheid van 260 000 tot 150 000 bij een toename van de beroepsbevolking met ca. 40 000 (zie MEV'80 tabel 1) met de vergroting van het aantal arbeidsplaatsen van 200 000?

Om een vermindering van de werkloosheid met 11000 0 te bereiken is volgens in het verleden gebleken regels een netto creatie van ruim 1V2 maal dat aantal arbeidsplaatsen nodig. Onder invloed van de betere werkgelegenheidsperspectieven breidt het arbeidsaanbod van bepaalde bevolkingsgroepen (jeugdigen, gehuwde vrouwen, 65-plussers, e.d.) zich uit en vermindert de zogeheten onzichtbare arbeidsreserve.

§3 6. «Uiteraard kan een beleidsprogramma, zoals geschetst, alleen slagen als het wordt gedragen door brede groepen in de samenleving», zo stelt de nota. Bedoelt de Regering daarmede een zeer grote meerderheid van ons volk? Willen brede groepen in de samenleving geen beleid dragen dat werkelijk blijkt te leiden tot terugdringen van werkloosheid en inflatie, economische groei en 1 V-2% reële loonstijging per jaar, als niet gelijktijdig de bevoegdheden der ondernemingsraden worden gewijzigd, de VAD is totstandgekomen en de investeringen centraal worden gestuurd?

Voorwaarde voor het welslagen van het beleid dat de Regering heeft gepresenteerd voor de komende jaren is het terugdringen van de inflatie. Daartoe is onmisbaar een gematigde ontwikkeling van de reële arbeidskosten vergeleken met de stijging van de arbeidsproduktiviteit. Dit zal impliceren dat de werknemers met geringere reële inkomensverbeteringen zullen moeten rekenen dan waaraan zij in het verleden gewend zijn geweest. De Regering acht het daarbij alleszins gerechtvaardigd, dat tegenover de materiële offers die ook van de zwakkeren in de samenleving wordt gevraagd compensaties worden gesteld in de immateriële sfeer.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Zijn de uitkomsten van de middellange termijn projecties onafhankelijk van het al dan niet over de hele linie doen stijgen van het reële loon met 1,5% welk percentage geldt voor de modale werknemer? Is, met andere woorden, de nivellerings doelstelling van het kabinet in het programma in-gebracht enzojaop welke wijze? Waar ligt dan het draaipunt?

In de middellange termijnprojecties als zodanig wordt binnen de ruimte die ontstaat voor de particuliere sector de loonstijging niet gedifferentieerd naar de hoogte van het loon. Dit neemt niet weg, dat de uitkomsten in werkelijkheid mede afhankelijk kunnen zijn van het tempo van inkomensstijging voor de verschillende inkomenscategorieën. Hierbij wordt niet alleen gedoeld op bij voorbeeld de doorwerking van verschillen in consumptie-en belastingquoten, maar ook op de beïnvloeding van de gedragsrelaties die impliciet aan het model ten grond -slag liggen. Bij de formulering van de thans gepresenteerde beleidsvoornemens heeft de Regering echter onverkort vastgehouden aan haar doelstelling van verkleining van de inkomensverschillen. Bij de invulling van de voor het reële vrij beschikbare inkomen aanwezige ruimte zal dit worden geconcretiseerd. Tevens moet er op worden gewezen dat bij de keuze van de ombuigingsmaatregelen en in het bijzonder bij de maatregelen ter beperking van de groei van de sociale uitkeringen deze doelstelling een belangrijke rol heeft gespeeld. 8. In hoeverre is het nog realistische gelet op de ongunstige prijsontwikke-I:ngen uit te gaan van een reële loonsverbetering voor de modale werknemer met 1,5%? In welke mate is hierbij rekening gehouden met de component incidenteel?

In de reële loonsverbetering voor de modale werknemer ad 1 '/2% is de in-cidentele component begrepen. Er is voorshands geen reden af te wijken van de in de Nota gepubliceerde ramingen.

  • In welk opzicht is de structurele situatie in ons land moeilijker dan in andere landen, zoals de nota selectieve groei (onder meer paragraaf 4.6) suggereert? Kan een staatje worden gegeven voor de jaren 1974/76 en eventueel voor 1977 van het aantal werklozen, absoluut en als percentage van de beroepsbevolking, het begrotingstekort (van de staat incl. lagere overheden) op kasbasis, absoluut en als percentage van het bruto nationaal produkt in de navolgende landen: België, Denemarken, de Bondsrepubliek, Frankrijk en Nederland? De gevraagde gegevens ter zake van het begrotingstekort zijn niet zonder meer voor alle landen beschikbaar. Nog afgezien van verschillen tussen kas-en begrotingsbasis zijn de gegevens bovendien moeilijk onderling vergelijkbaar als gevolg van verschillen in definitie en in de afbakening van de sectoren centrale en lagere overheid. De aangehaalde constatering in de Nota in-zake de selectieve groei berust dan ook veeleer op een afzonderlijke waarneming van de vermoedelijke begrotingsontwikkeling in elk van een aantal landen. Zo blijkt bij voorbeeld uit de meerjarenramingen van de Westduitse Bondsbegroting dat men het te financieren tekort in de komende jaren wil verminderen tot ongeveer het in 1974 bereikte niveau. Ten aanzien van de werkloosheid in een aantal landen kunnen de volgen-de realisatiecijfers worden verstrekt:

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Werkloosheid

1974

1975

1976

105

177

221 (mrt.) 2,8

4,8

5,6 44.8

103.1

123.9 (feb.) 5,3

11,1

12,6 583

1074

1190 (mrt.) 2,6

4,7

5,2 498

840

938 (mrt.) 2,3

3,9

4,5 143

206

219 (mrt.) 3,0

4,3

4,5

' verzekerde werklozen (% van verzekerde beroepsbevolking) 2 geregistreerde werklozen (Bron: OECD, Main Economie Indicators)

  • Welke maatregelen staan de Regering voor ogen als de groei van 3%% van het nationaal inkomen haars ondanks in aanzienlijke mate structureel onderschreden wordt?

Verwezen wordt naar het antwoord opvraag 168.

  • Wat zijn de modelmatige uitkomsten voor de groei indien daarbij uitgegaan wordt van een structurele groei van de wereldhandel

(voorzover Nederland daarbij betrokken is) van 0% resp. 2%?

Het Centraal Planbureau heeft geen ramingen gemaakt voor de middellange termijn op basis van een groei van de wereldhandel met 0 resp. 2%. Wel is beschikbaar het effect van jaarlijks 1 % minder volumegroei van de wereldhandel in de jaren 1976 t/m 1980 op de groei van het reëel nationaal in-komen. Mede als gevolg van het negatieve effect op de ruilvoet, gaat een jaarlijks 1 % geringere groei van de wereldhandel gepaard met een jaarlijks 0,6% geringere stijging van het reëel nationaal inkomen. De feitelijk verwachte gemiddelde groei van de wereldhandel gedurende de jaren 1976 t/m 1980 bedraagt 7'/2 a 8%. De in de vraagstelling besloten varianten vertonen een dermate grote afwijking van de centrale projectie, dat zij zich niet meer modelmatig laten benaderen. Overigens dient ingeval de wereldhandel zou stagneren, ook rekening te worden gehouden met een geheel andere prijsontwikkeling van de internationale handel dan nu is voorzien voor de komende jaren. 12. Hoe verhoudt de doelstelling van een reële trendmatige groeivoet van 3 drievierde procent zich tot de in de Nota inzake selectieve groei genoemde groei van 4%?

In de Miljoenennota 1976 (blz. 29) heeft de Regering meegedeeld dat zij voornemens was een zodanig beleid in de komende jaren te voeren, dat de voorwaarden zouden worden geschapen om ten minste de aan de huidige groeivoet van het nationaal inkomen (33M te kunnen realiseren. In de Nota inzake de Selectieve Groei heeft zij dit voornemen nog eens bevestigd. Het nadere beleidspakket dat door de Regering is aangekondigd in aanvulling op de 1 %-excercitie heeft tot gevolg dat, naar het zich thans laat aanzien, de trendmatige reële groei van het nationaal inkomen in de jaren '76/'80 niet op 3,5% zal uitkomen, maar op rond 4%. Het laatstgenoemde percentage ligt derhalve enigszins boven het groeipercentage waarop de meerjarenafspraken zijn gebaseerd. Het gevolg hiervan is dat de extra belastingontvangsten die uit dit verschil voortvloeien, leiden tot een vermindering van het financieringstekort.

België' x 1000 in % Denemarken' x 1000 in % Bondsrepubliek Duitsland x 1000 in % Frankrijk x 1000 in % Nederland x 1000 in %

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Bij de formulering van het nadere aanvullende programma is daar uiteraard, zoals in hoofdstuk II van de Nota inzake de Selectieve Groei ook is vermeld, ook rekening mee gehouden. In eerste instantie leidt dit programma nl., zodra het op volle werking is gekomen in '78, tot een vergroting van het financieringstekort met bruto ca. 2%. Het inverdienproces dat door dit programma op gang wordt gebracht en dat zich ondermeer weerspiegelt in een sterkere groei dan de bij de meerjarenramingen veronderstelde 33k%, doet de netto vergroting van het financieringstekort als gevolg van het pakket van additionele maatregelen in 1980 uiteindelijk uitkomen op rond 1%. Overigens zij aangetekend dat het in de huidige omstandigheden uiteraard niet mogelijk is op enkele tienden van preenten nauwkeurig de structurele groei van het nationaal inkomen te bepalen, zeker niet wanneer de groei plaats vindt vanuit een zo diep conjunctureel dal als thans gepasseerd is.

§4 13. Wil de Regering een overzicht verstrekken van de voorgenomen adviesaanvragen, de daarvoor uit te trekken adviesperiode(n) en de tijdstippen waarop de onderscheiden voorgenomen ingrepen zullen moeten gaan werken, wil de in de nota geschetste doelstelling voor elk van de komende jaren gehaald kunnen worden?

Ten aanzien van belangrijke punten op het vlak van de sociale voorzieningen zal binnenkort advies worden gevraagd aan de Sociaal-Economische Raad. De adviesaanvragen die nodig zijn voor het realiseren van een aantal der voorgenomen maatregelen op het terrein der gezondheidszorg worden thans voorbereid op het betrokken departement. Met name betreft dit enige maatregelen in het kader van de Ziekenfondswet en AWBZ. De Ziekenfondsraad zal worden verzocht met spoed de adviezen uit te brengen. Gelet op de verscheidenheid en ingewikkeldheid van de onderwerpen kan nog nietworden aangegeven op welke tijdstippen bedoelde voorstellen gerealiseerd kunnen worden. Ook wat de overige onderwerpen betreft zullen uiteraard de voorgeschreven wettelijke procedures worden gevolgd, zonodig met bevordering van een spoedbehandeling. In dit stadium kan bezwaarlijk een uitgewerkt overzicht zoals gevraagd worden verstrekt.

  • Welke bijdrage zal de regering leveren, om de matiging in de inkomensontwikkeling te realiseren en hoe groot is deze?
  • Slaat het leveren van een bijdrage door de regering bij het overleg over het arbeidsvoorwaardenbeleid

ten behoeve van de reële inkomenspositie van de laagstbetaalden op extra maatregelen (lastenverlichtingen), aanvullend op de in deze nota genoemde? Hoe voorkomt de Regering dat het effect van haar bijdrage op den duur via belastingheffing en prijsstijging door monetaire financiering niet toch (ten dele) weer ten laste van de laagstbetaalde komt?

Bij de aanvang van het arbeidsvoorwaardenoverleg heeft de Regering voorgesteld de lonen te verhogen met een voor ieder gelijk bedrag van f 20 per maand en daarnaast de ziekenfondspremie door middel van een rijksbijdrage te verlagen. Bij dit laatste gaat het om een aanvullende maatregel die in 1976 uit de reserves van de Ziekenfondsraad zou kunnen worden gefinancierd. Aangezien het overleg met de sociale partners op dit moment nog niet is afgerond staan de inhoud en omvang van de door de Regering te leveren bijdrage nog niet geheel vast. In het debat met de Kamer zullen daarover mogelijk nadere mededelingen kunnen worden gedaan. Ter informatie zij meegedeeld, dat met het terugbrengen van de premie ziekenfondsverzekering met bijv. 1 procentpunt voor de tweede helft van 1976 rond 300 min. is gemoeid. Het niveau van de reserves ultimo 1976 bedraagt bij handhaving van de premie op 9,6% ca. 1,3 mld. Gelet op de normatieve reserve die moet Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

worden aangehouden is er dus ruimte om de premie te verlagen. De invloed van een eventuele verlaging op de aanbodszijde van de kapitaalmarkt valt overigens niet aan te geven. De regering onderschrijft overigens ten volle de impliciet in vraag 16 besloten opvatting, dat er duidelijke grenzen zijn aan de bijdrage die zij in de materiële sfeer kan leveren aan het overleg over het arbeidsvoorwaardenbeleid. Wat betreft de omvang van het financieringstekort zijn deze met de thans gepubliceerde beleidsplannen naar haar oordeel thans bereikt. Dit betekent dat het structureel maken van een eventuele verlaging van de ziekenfondspremie per 1 januari 1977 zal moeten worden in-gepast in het in de Nota geschetste totaalbeeld. De Regering meent met haar voorstel een bijdrage te leveren aan de beoogde loonmatiging. Langs deze weg wordt reeds in 1976 een aanzet gegeven tot het realiseren van de in de nota genoemde doelstellingen. Daardoor zal er van een verbetering van de reële inkomensontwikkeling van de laagstbetaalden sprake kunnen zijn.

§5 17. Met welke percentages zal de inflatie als gevolg van de voorgestelde vergroting van het begrotingstekort in elk van de jaren 1977 t/m 1980 naar verwachting toenemen?

Een voorspelling van het stijgingspercentage van de inflatie als gevolg van de voorgestelde vergroting van het begrotingstekort alleen is niet te maken. Zoals in de Nota inzake de selectieve groei is uiteengezet zal de monetaire financiering van de overheidstekorten in de komende jaren op zich leiden tot een vergroting van de liquiditeitsruimte van de nationale economie. In hoeverre er uiteindelijk sprake zal zijn van een verruiming van de liquiditeitsverhoudingen hangt echter niet alleen af van de wijze waarop het begrotingstekort wordt gefinancierd, doch ook van de aanwending van de tekortvergroting. Tevens spelen de betalingsbalansontwikkeling en de liquiditeitscreatie door het bankwezen een belangrijke rol. Bovendien zal het van de ontwikkeling in de reële sfeer afhangen of de verruiming ook daadwerkelijk tot inflatie zal leiden. Het pakket beleidsmaatregelen is echter in hoofdzaak vanuit de reële sfeer gericht op de creatie van additionele produktiecapaciteit en vermindert daarmede de kans op inflatie-impulsen vanuit de reële sfeer. Een en ander betekent niet, dat de potentiële inflatoire gevolgen van de tekortvergroting niet worden onderkend. De vooruitzichten met betrekking tot de structurele werkgelegenheid zijn echter dermate ongunstig, dat de regering de voorgestelde vergroting van het begrotingstekort niettemin gerechtvaardigd acht. Zij is zich echter bewust van de noodzaak het financieringstekort geleidelijk terug te brengen, waardoor monetaire financiering zoveel mogelijk wordt beperkt. Zoals in de nota is uiteengezet, is het beleid erop gericht deze doelstelling in 1980 te bereiken.

§7 18. Kan de Regering aangeven welke factoren zij met name verantwoordelijk acht voor een verdere verslechtering van de reële groei na 1980?

Het verslechterend perspectief voor de jaren na 1980 is gebaseerd op tentatieve berekeningen van het CPB, waarvan de resultaten zijn neergelegd in hoofdstuk 3 van «Een macro-economische verkenning van de Nederlandse economie in 1980», dat enkele beschouwingen geeft over de periode 1980-1985. Hoewel de berekeningen over de economische ontwikkeling die zo ver in de toekomst reiken uiteraard een speculatief karakter dragen en dus slechts met de grootst mogelijke voorzichtigheid mogen worden gehanteerd, zijn er toch wel enkele globale ontwikkelingslijnen voor de onderhavige periode te traceren. De belangrijkste daarvan die in de genoemde nota worden ver-Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

meld, zijn de volgende. In 1980 zal het niveau van de investeringen (dat in hoge mate bepalend is voor de werkgelegenheid en de groei) nog steeds betrekkelijk laag zijn. In de periode 1980-1985 zullen bovendien relatief veel vervangingsinvesteringen nodig zijn ter vervanging van de zeer omvangrijke investeringen in de jaren zestig, waardoor de uitbreidingsinvesteringen en daarmee de creatie van arbeidsplaatsen en de groei onder een neerwaartse druk zouden kunnen komen te staan. Daarnaast is thans reeds duidelijk dat in de jaren tachtig het aanbod op de arbeidsmarkt beduidend sterker zal toenemen dan in de jaren zeventig het geval is, hetgeen een grotere creatie van arbeidsplaatsen noodzakelijk maakt. 19. Hoe groot is de structurele werkloosheid in engere zin in 1980? Kan, met andere woorden de tabelopstelling aan het einde van paragraaf 2.2 van de nota selectieve groei ook voor 1980 worden gegeven?

Zoals bij het antwoord op vraag 2 is opgemerkt kan de werkloosheid van 150 000 in 1980 als structureel in ruime zin worden aangemerkt. De structurele werkloosheid in enge zin kan conform de systematiek van het CPB zeer globaal voor dat jaar worden gesteld op 70 a 85 duizend.

  • Welk economisch model ligt ten grondslag aan de berekeningen inzake de invloed van diverse maatregelen in tabel 2 van de nota inzake de selectieve groei? Wil de Regering in aansluiting hierbij, voor de aldaar genoemde macro-economische grootheden de mutaties in afwijking van de centrale projectie en de niveauveranderingen in 1977, 1978 en 1980 uiteenzetten bij een jaarlijkse verhoging van de bedrijfsinvesteringen met 0,65 % van het nationale inkomen resp. een even grote verhoging van de overheidsinvesteringen (zes kolommen dus)?

De berekeningen zijn uitgevoerd met het conjunctuurstructuur model van het Centraal Planbureau, in welk model expliciet rekening wordt gehouden met de invloed van veranderingen in de reële arbeidskosten op de (netto) creatie van arbeidsplaatsen. De cijfers betreffende de investeringsmaatregelen voor de jaren 1977-1980 zijn vermeld in bijgaande tabel 1. De overeenkomstige cijfers voor een verhoging van de overheidsinvesteringen zijn gepresenteerd in tabel 2. De hier genoemde cijfers met betrekking tot het gemiddeld effect per jaar wijken af van die gepresenteerd in de laatste kolom van tabel 2.8 van de Nota Selectieve Groei (hoofdstuk 2, blz. 31). De oorzaak hiervoor ligt in het feit dat de nu gepresenteerde cijfers alléén op overheidsinvesteringen betrekking hebben, welke bestedingen zich voornamelijk op de bouwnijverheid concentreren. In de genoemde tabel van de Nota Selectieve Groei wordt een breed pakket van overheidsbestedingen (inclusief overdrachten aan gezinnen) samengevoegd waarop vele sectoren van het bedrijfsleven kunnen inspelen. In bedoeld pakket wordt slechts ca. 0,1% van het nationale inkomen in de sfeer van de overheidsinvesteringen besteed. Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Tabel 1. Effecten van een jaarlijkse verhoging van bedrijfsinvesteringen met 0,65% van het nationaal inkomen, voor 80% gefinancierd door de overheid (Afwijkingen ten opzichte van centraal alternatief)

1977

1978

1979

1980

gemiddeld per jaar

Bedrijfsinvesteringen %

6,6

5,3

4,9

4,6

5,3 Produktiecapaciteit %

0,2

0,9

1,3

1,6

1,0 Produktie%

0,6

0,8

0,8

0,9

0,8 Reëel inkomen %

0,6

0,7

0,6

0,7

0,7 Loonsom per werknemer %

0,3

0,2

-0,2

-0,4

-0,0 Consumptieprijs %

0,2

-0,1

-0,3

-0,4

-0.2 Reëel beschikbaar inkomen (modale wer kn.) % 0,2 a 0,1 Reële arbeidskosten %

0,2

0,2

0,2

0,1

0,2 niveauveranderingen Saldo lopende rekening (mld. gld.)

-0,6

-1,9

-2,9

-3,9 Aantal arbeidsplaatsen bedr ijven (x1000 pers.)

110 Werkgelegenheid bedrijven 1 x 1000 pers.)

95 Werkloosheid (x1000 pers.)

-5

-20

-40

-65 Financieringssaldo overheid (% NNI)

-1,0

Tabel 2. Effecten van een jaarlijkse verhoging van overheidsinvesteringen met 0,65% van het nationaal inkomen (Afwijkingen ten opzichte van centraal alternatief)

1977

1978

1979

1980

gemiddeld per jaar

Bedrijfsinvesteringen % Produktiecapaciteit % Produktie % Reëel inkomen % Loonsom per werknemer % Consumptieprijs % Reëel beschikbaar inkomen (modale werkn.) % Reële arbeidskosten % Saldo lopende rekening (mld. gld.) Aantal arbeidsplaatsen bedrijven (x 1000 pers.) Werkgelegenheid bedrijven (x 1000 pers.) Werkloosheid (x 1000 pers.) Financieringssaldo overheid (% NNI)

0,3

0,6

0,1

-0,8

0,0 0,0

0,1

0,2

0,2

0,1 0,6

0,6

0,3

0,1

0,4 0,6

0,6

0,3

0,2

0,4 0,2

0,3

0,1

-0,1

0,1 0,3

0,3

0,3

0,3

0,3 -0,2 -0,0

-0,2

-0,3

-0,5

-0,3 niveauverand eringen -0,5

-1,8

-2,8

-3,7 10

3025

105 -15

-35

-50

--70 -1,4

  • Stel er wordt onderscheid gemaakt tussen: a. het systeem van beperkte reële loonstijgingen dat de Regering zich voorstelt en b. een systeem, waarbij in beginsel alle werknemers die in 1977 23 jaar of ouder zijn jaarlijks op praktisch dezelfde manier reële verhogingen ontvangen zoals bij systeem a. Echter ontvangen in 1978, 1979 resp. 1980 de dan 23-jarigen reëel hetzelfde als de 23-jarigen en daarboven in 1977; in 1979 resp. 1980 de dan 24-jarigen hetzelfde als de 24-jarigen en daarboven in 1978; in 1980 de dan 25-jarigen hetzelfde als de 25-jarigen en daarboven in 1979, zodat de reële loonstijgingen vervangen worden door jaarlijkse verhogingen op grond van leeftijd. De werkgevers kunnen een verzekering sluiten, waarvoor zij premie betalen en die hun een loonkostensubsidie

uitkeert naarmate zij oudere werknemers in dienst hebben, hetgeen voorkomt dat werkgevers liever jongere werknemers met weinig periodieken dan oudere met veel periodieken in dienst nemen. Hoeveel zou de nationale loonsom in de jaren 1978 t/m 1980 lager zijn, in-dien systeem b werd gevolgd? Hoe groot zal -als men de aldus bespaarde loonsomkosten aftrekt van de 1,25 mld. loonkostensubsidies en eventueel ook nog van de 3,5 mld. investeringsstimuleringen en als tevens de met het systeem b samenhangende verminderde overheidskosten voor sociale uitkeringen worden meegeteld -dan het begrotingstekort op kasbasis bedragen Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

gedurende de jaren 1977 t/m 1980 (prijzen van 1976)7 En hoe groot is het begrotingstekort op kasbasis in guldens van 1976 in elk van deze jaren indien systeem a gewoon wordt gevolgd?

Ten aanzien van de vragen die betrekking hebben op het door de vragenstellers voorgestelde systeem van jaarlijkse loonstijgingen op grond van leeftijd, meent de Regering dat beantwoording hiervan een uitvoerige studie zou vereisen. Alvorens daartoe over te gaan zou het zinvol zijn een inzicht te hebben in hetgeen vragenstellers precies beogen met hun in ieder geval in de praktijk zeer moeilijke, zo niet onuitvoerbare voorstel. Wel willen ondergetekenden reeds thans opmerken, dat het voorstel door de voorgestelde koppeling van de loonsverhogingen aan de leeftijd, in strijd lijkt te zijn met de uitgangspunten die zijn neergelegd in de interimnota inkomensbeleid. Voor de ontwikkeling van het financieringstekort bij het door de regering uiteengezette beleid wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen in paragraaf 9.

  • Valt naar de mening van de Regering onder loonkostensubsidies ook verlichting van de druk van werkgeverspremies? Kan dit worden opgemaakt uit het rijtje instrumenten opgenomen in paragraaf 2.3.3 van de nota selectieve groei, waar deze premieverlichting

ontbreekt?

Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend.

S 8. De stimulering van de bedrijvigheid

  • Kunnen de bewindslieden een zo exact mogelijke opgave doen van de aard en de financiële omvang van alle tegemoetkomingen, die in 1980 voor de ondernemingen van kracht zullen zijn?

De volgende tabel geeft voorde periode t/m 1980 een inzicht in de aard en de omvang van de voorgenomen tegemoetkomingen aan het bedrijfsleven. De in deze tabel genoemde cijfers komen boven op de bedragen die krachtens de huidige meerjarenafspraken en de huidige faciliteiten (investeringsaftrek en vervroegde afschrijving, rijksbijdragen sociale verzekeringen, zelfstandigenaftrek) aan het bedrijfsleven ten goede komen.

1977

1978

1979

1980

in min. gld. (afgeronde cijfers)

  • Economische structuurmaatregelenstructuurverbetering van de bedrijfstakken

250

250

275

300-technologische verbeteringen

100

100-regionaal beleid (incl. steun aan individuele bedrijven)

200

225

250

275 2. Arbeidsmarktmaatregelenmobiliteitsbevorderende maatregelenverbetering van arbeidsplaatsensociale maatregelen bij herstructurering 3. Loonkostensubsidies

400

1100

1300

1500 4. Investeringsstimulansen en fiscale wijzigingen in verband met aanpassing winstbegrip (studie-Hofstra)

1300

3000

3200

3400

  • Totaal

2400

4860

5345

5805

8555

6070

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Heeft de Regering plannen en instrumenten om te bevorderen dat eerst de produktiecapaciteit wordt ontwikkeld en goederen worden voortgebracht en dat daarna de vraag wordt opgevoerd, ten einde de binnenlandse inflatie in deze sector te blokkeren? Of ligt het in het plan om eerst de vraag op te voeren en daarna de produktiecapaciteit? Ontstaat de inflatie niet vaak doordat éérst geld wordt toegevoegd om de vraag en de bedrijven te stimuleren, terwijl de goederen die bij dit geld zouden moeten behoren, pas later worden voortgebracht?

Zoals expliciet in de Nota inzake de Selectieve Groei is verwoord, is het beleid van de Regering erop gericht om de ontwikkeling van de totale vraag (zowel consumptieve als investeringsbestedingen) zo goed mogelijk parallel te laten verlopen met de ontwikkeling van de produktiecapaciteit. Er is uiteraard geen instrument beschikbaar waardoor dit parallelle verloop van totale vraag en produktiecapaciteit kan worden gegarandeerd. Het beleid is er daarom op gericht dit parallelle verloop zo goed mogelijk te verwezenlijken met behulp van een zo breed mogelijk scala van instrumenten. Aan het bestaande scala is in de bovengenoemde Nota het instrument van de investeringsrekening toegevoegd.

  • Hoe zou een toetsing van de 5 in de structuurnota genoemde instrumenten ter bestrijding van de werkloosheid uitvallen als getoetst wordt op een gelijk «beslag» op de betalingsbalans (bijvoorbeeld in 1980)?

Toepassing van het criterium van een gelijk beslag op de lopende rekening zou bij vergelijking van bijvoorbeeld de kolommen 1 en 2 van tabel 2 op blz. 21 van de Hoofdlijnen van de nota inzake de selectieve groei een vermeningvuldigingsfactor van ongeveer 13 inhouden. Het is duidelijk dat dit, toegepast op de in die tabel vermelde grootheden, in het geheel geen realistische uitkomsten zou opleveren. Het saldo lopende rekening kan in dit verband dan ook niet als een adequaat toetsingscriterium worden aangemerkt.

  • Is het structureel maken van de (denivellerende) lastenverlaging niet in strijd met de conclusies in paragraaf 2.3.3 van de nota selectieve groei dat de bijdrage daarvan aan de werkloosheidsbestrijding

de geringste is vergeleken met andere instrumenten?

Het permanent maken van de tijdelijke lastenverlichtingen mag niet geïsoleerd worden bezien doch moet worden beoordeeld in het kader van het totale beleidspakket. Bij het permanent maken van de tijdelijke lastenverlichtingen gaat het niet alleen om verlaging van directe belastingen, zoals in de vraagstelling wordt gesuggereerd, doch tevens om loonkostensubsidies in de vorm van bijdragen aan de sociale verzekeringen. Het continueren van het pakket van tijdelijke lastenverlichtingen moet echter mede in het licht worden gezien van de noodzakelijke parallelliteit in de ontwikkeling van de produktiecapaciteit en de effectieve vraag.

  • Aan welke objectieve criteria denkt het kabinet bij de beoordeling van investeringssubsidie en ziet het, mede in het licht van de ervaring met de wet selectieve investeringsregeling, wel mogelijkheden tot die noodzakelijke objectiviteit? Welke garantie kan het kabinet geven dat geen politieke factoren een rol gaan spelen?

In paragraaf 2.6 (hoofdstuk 2) van de Nota inzake de Selectieve Groei wordt aangegeven aan welke criteria voor sturing van de investeringen door extra bijdragen het kabinet in eerste instantie denkt. Genoemd worden onder meer: de mate waarin arbeidsplaatsen worden gecreëerd, het feit of de investeringen betrekking hebben op zwakke regio's en de mogelijkheid om zwakke bedrijfstakken conform de herstructureringsplannen te doen investeren. Daarbij is aangegeven dat aan de SER advies zal worden gevraagd.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Uitdrukkelijk is vermeld dat de criteria voor sturing geleidelijk zullen worden uitgewerkt en dat in verband met de noodzakelijke objectiviteit de criteria vorm zullen krijgen in te publiceren regelingen op grond waarvan ondernemingen de investeringsbijdragen waarvoor ze in aanmerking komen zelf kunnen inschatten.

  • Loopt een onderneming die op basis van de verhoogde investeringsaftrek een meerjarig investeringsplan begint, de kans om tussentijds (na 1 april 1977) buiten de investeringspremieregeling

te vallen? Welke maatregelen staan de Regering voor ogen als het instrument voor investeringsstimulering per 1 april 1977 (nog) niet beschikbaar is? Welke effectiviteit verwacht de Regering van het tijdelijk versterken van de investeringsaftrek als overgangsmaatregel (zie ook miljoenennota 13600 nr. 3, blz. 25 antwoord 82)? Wordt de periode van gelding van versterkte investeringsaftrek aan een einddatum gebonden? Was het niet mogelijk voor de overgangsperiode elementen van een meer gerichte vorm van aanmoediging van investeringen in te bouwen (bijvoorbeeld door een landelijke toepassing van een aangepaste IPR)? Blijft de nu geldende IPR ook in de nieuwe opzet van investeringsfaciliteiten van kracht?

In het tot nu toe bekende systeem van investeringsaftrek en vervroegde afschrijving liep de ondernemer die een meerjarig investeringsplan opzette, altijd het risico dat op grond van conjuncturele omstandigheden wijzigingen in de fiscale investeringsfaciliteiten gedurende de relevante investeringsperiode zouden optreden. Deze wijzigingen konden zowel ten voordele als ten nadele van hem uitvallen. In het nieuwe systeem is het in beginsel niet anders. Het moet zo nodig mogelijk blijven op grond van de cunjuncturele situatie wijzigingen in de in-vesteringsfaciliteiten aan te brengen. Zou dit niet het geval zijn, dan zou één van de belangrijkste instrumenten tot beheersing van het conjunctuurproces verloren gaan. Macro-economisch gesproken is het vanuit het huidige investeringsniveau niet erg waarschijnlijk dat in de eerstkomende jaren opconjuncturele gronden met een minder sterke investeringsfaciliëring rekening zou moeten worden gehouden dan thans in de Nota inzake de Selectieve Groei is aangekondigd. Dit neemt niet weg dat ten aanzien van afzonderlijke gevallen bij introductie van de investeringsrekening uiteraard wijzigingen zullen plaatsvinden ten opzichte van de thans bestaande investeringsaftrekpercentages. Dit gegeven vloeit noodzakelijkerwijs voort uit de wens van de Regering bij de stimulering van de investeringen meer te differentiëren naar de aard van die investering. Uiteraard is continuïteit in het stimuleringsbeleid geboden, en zal een te abrupte breuk met de thans bestaande faciliteiten voorkomen moeten worden. Het zal echter duidelijk zijn, dat naarmate de investeringsplannen zich overeen langere periode uitstrekken, eveneens het risico groter wordt dat de investeringsprojecten aan het eind van de planningsperiode onder een ander regime -zowel ten aanzien van de criteria als ten aanzien van de bijdragepercentages -zullen vallen.

Ter verruiming van de bestaande investeringsaftrek in de zogenaamde overbruggingsperiode is een wijziging van artikel 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vereist. In het ter zake in voorbereiding zijnde wetsontwerp zal als einddatum voor de evenbedoelde verruiming worden opgenomen 1 april 1977. De Regering streeft er met grote kracht naar het investeringsrekeningsysteem op die datum te doen ingaan. Mochten zich onverhoopt in dit opzicht tegenvallers voordoen, dan zal de Regering zich tijdig op de consequenties daarvan beraden.

Het voordeel van meer sturingsmogelijkheden in de overgangsperiode is door de regering afgewogen tegen de nadelen die, mede door de korte periode waarvoor de regeling zal gelden, hieruit zullen voortvloeien, met name Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

voor wat betreft de organisatorische en administratieve problemen die daarbij opgelost zouden moeten worden. Daar komt nog bij dat de Regering overleg over deze fundamentele kwestie én in het parlement én met het bedrijfsleven essentieel acht.

Het tijdelijk versterken van de huidige investeringsfaciliteiten heeft een geheel andere achtergrond dan de tijdelijke verhoging van de investeringsaftrek waarvan in het antwoord op de schriftelijke vraag 82 (kamerstuk 13600, nr. 3) wordt gesproken. De huidige versterking van de investeringsaftrek is immers tijdelijk, in die zin, dat ze als overgangsregeling is bedoeld naar een nieuw instrument met sturingselementen. De tijdelijke verhoging van de in-vesteringsaftrek past daarom in de context van een duurzame verhoging van de investeringsfaciliteiten voor het bedrijfsleven. Vandaar dat de in het bovengenoemde antwoord gememoreerde twijfel aan de werking van een tijdelijke, conjuncturele verhoging van de investeringsaftrek niet zonder meer mag worden toegepast op de huidige verhoging van de investeringsaftrek niet zonder meer mag worden toegepast op de huidige verhoging van de investeringsaftrek. Bovendien is thans de conjuncturele situatie niet meer geheel vergelijkbaar met de situatie waarop in het antwoord op de schriftelijke vraag 82 werd gedoeld. Niettemin zal het, gezien het feit dat de Regering per 1 april 1977 een nieuw instrument wil invoeren duidelijk zijn dat de Regering ook de effectiviteit onvoldoende acht in het licht van de door haar gestelde doeleinden.

  • Welke inkomstenderving zal van de verhoging van de investeringaftrek voorde lopende begroting en voor het dienstjaar 1977 het gevolg zijn?

Op transactiebasis zijn voor 1976 de extra kosten van de verruiming van de investeringsaftrek tot 2x12 resp. 2x8% ca. 200 min. Op begrotingsbasis komen deze kosten pas tot uitdrukking in de begroting 1977.

  • Kent men in vergelijkbare landen investeringsfaciliteiten die qua aard met de nu voorgenomen instrumenten vergelijkbaar zijn?

In het algemeen worden gesteld, dat in met Nederland vergelijkbare landen regelingen bestaan, die bedoeld zijn om de investeringen te bevorderen. De vorm waarin de investeringsfaciliteiten zijn gegoten verschillen echter van land tot land. Wat de aard van het voorgenomen instrument betreft kan worden opgemerkt dat dit een zekere gelijkenis vertoont met het in Zweden bestaande instrument van de conjunctuurreserve, in die zin dat ook daarbij in principe de mogelijkheid tot sturing van de investeringen is voorzien. 31. Welk deel van de totale investeringen in vaste activa van het bedrijfsleven wordt met behulp van het nieuw te creëren stimuleringsinstrument beïnvloed? Als gevolg van de beleidsmaatregelen in de sfeer van de bedrijfsinvesteringen en de loonkostensubsidies neemt het volume van de bedrijfsinvesteringen t/m 1980 toe met gemiddeld 3% ten opzichte van de projecties op basis van het gewijzigde beleid (continueren tijdelijke lastenverlichtingen en de 1 % lastennorm). Deze toeneming komt in zeer belangrijke mate voor rekening van het nieuw te creëren instrument van de investeringsrekening.

  • Is de uitwerking van het door de Regering ontwikkelde extra pakket van maatregelen afgezet tegen het feit dat de grootste werkloosheid in met name drie sectoren blijkt te bestaan: de bouw, de metaal en de administratieve sector? Waarom kan deze geconcentreerde werkloosheid beter worden bestreden met het pakket dat de Regering heeft aangekondigd dan door meer gerichte activiteiten die via de overheid verlopen? Hoe groot zal bij de door de Regering voorgestelde maatregelen per saldo het positieve effect zijn op de werkgelegenheid in de bouw?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

De werkloosheid in de diverse bedrijfstakken loopt uiteen. De in de Nota inzake de selectieve groei nader geconcretiseerde additionele maatregelen omvatten daarom een aantal activiteiten die meer specifiek op de bedrijfstakken gericht zijn. In dit verband kan worden gedacht zowel aan de maatregelen gericht op de structuurverbetering van bedrijfstakken als aan die ter bevordering van de produktiviteit. Tevens speelt de investeringsrekening die sturing van de investeringen mogelijk maakt in dit verband een belangrijke rol. Overigens volgt uit het feit dat in bepaalde sectoren van de economie de werkloosheidscijfers aanzienlijk hoger liggen dan in andere, niet zonder meer dat de Regering haar maatregelen met name op die sectoren zou moeten richten. Structuurveranderingen moeten en kunnen ook niet in alle gevallen worden tegengegaan. Wel rekent de Regering het uiteraard tot haar plicht om, indien hierdoor werkloosheid ontstaat, voor het scheppen van vervangende werkgelegenheid zorg te dragen. Vandaar ook de centrale plaats die in de Nota inzake de selectieve groei is ingeruimd voor gerichte stimulering van de investeringen.

  • Kan worden aangegeven hoe dit beleid, indien het wordt aanvaard, zal uitwerken op het midden-en kleinbedrijf? Zijn er gegevens die de verdeling van de bestaande investeringsaftrek en vervroegde afschrijving kunnen aangeven over de kleine bedrijven (zelfstandigen in land-en tuinbouw) in de visserij en de binnenvaart, de handeldrijvende middenstand, het ambachtelijk bedrijf, het middelgrote bedrijf en het grootbedrijf? Hoeveel arbeidsplaatsen bestaan er momenteel in het midden-en kleinbedrijf? Hoe groot zijn daar de investeringen de laatste jaren geweest? Moet het sturingsmechanisme ook op deze categorie van bedrijven worden toegepast?

Een afzonderlijke vertaling van de macro-economische gevolgen van het aanvullend beleidsprogramma naar de effecten voor het midden-en kleinbedrijf vindt niet plaats door het Centraal Planbureau. Zoals bekend wordt deze vertaling gedaan door het Instituut voor het midden-en kleinbedrijf. Er zijn geen recente gegevens beschikbaar die inzicht geven in de verdeling van de investeringsaftrek en vervroegde afschrijving over dezelfstandigen en de diverse sectoren van het midden-en kleinbedrijf. De laatste statistiek die hierover gegevens verstrekt, en dan nog slechts voor de investeringsaftrek alleen, is de inkomensstatistiek 1967. In dat jaar kwam ongeveer 5% van het totale bedrag dat met de investeringsaftrek was gemoeid (deze had toen overigens bijna uitsluitend betrekking op investeringen in outilla ge) ten goede aan de zelfstandigen. De procentuele verdeling daarvan over de diverse bedrijfstakken was als volgt:

landbouw en visserij

38,5 industrie en ambacht

9,5 bouwnijverheid

8,0 handel, bank en verzekeringswezen

20,0 communicatiebedrijven

14,5 dienstverlening en overige

9,5

In hoeverre deze verdeling voor de situatie van bijna 10 jaar later nog enigszins representatief is, kan uiteraard niet worden beoordeeld.

Het aantal arbeidsplaatsen in het midden-en kleinbedrijf bedroeg in 1975: 1058 duizend manjaren. De raming voor 1976 bedraagt 1053 duizend; de daling zal geheel plaatsvinden onder zelfstandigen: van 391 duizend in 1975 naar 386 duizend in 1976. Exacte gegevens over de omvang van de investeringen in het midden-en kleinbedrijf zijn niet voor handen. Naar schatting bedraagt het investeringsniveau in deze sector de laatste jaren rond 3 mld. gulden. Het sturingsmechanisme is in beginsel ook op deze categorie van bedrijven van toepassing, zij het dat om administratieve redenen uiteraard grenzen zullen worden gelegd aan de mate van sturing.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Voor welke periode zal het instrument loonkostensubsidie

gehanteerd worden? Kan iets preciezer worden aangegeven hoe het «instrument loonkostensubsidie» eruit zal gaan zien? Worden bij het verlenen van loonkostensubsidies criteria en voorwaarden gesteld?

Op dit moment valt nog niet te bepalen voor welke periode het instrument van de loonkostensubsidie zal worden gehanteerd. In de ramingen van het CPB is verondersteld, dat de subsidies tot aan het eind van de prognoseperiode (1980) zullen worden gegeven. Bij het verlenen van de subsidies ter matiging van de loonkosten zullen deze zoveel mogelijk een vorm moeten hebben, die een maximaal rendement in termen van werkgelegenheid oplevert. 35. Is het gedeeltelijk vullen van de voorgestelde investeringsrekening bij de Nederlandsche Bank vanuit de aardgasbaten gelijk te stellen met de in de jaren 1974, 1975 en 1976 door de overheid uit deze baten gefinancierde uitgaven? De rijksontvangsten uit hoofde van de aardgasbaten in de jaren 1974,1975 en 1976, waartegenover voor het bereiken van de doelstellingen van het kabinetsbeleid noodzakelijke uitgaven staan, gaan de bedragen die gemoeid zijn met het vullen van de investeringsrekening ruimschoots te boven.

  • Welke additionele bedragen zijn gemoeid met de in paragraaf 2.6.2 van de nota selectieve groei uiteengezette

arbeidsmarktmaatregelen?

De zin van de vraag is de ondergetekenden niet duidelijk, omdat de bedragen die gemoeid zijn met de op blz. 34 van de Hoofdlijnen genoemde arbeidsmarktmaatregelen, additionele bedragen zijn.

  • Wat betekent de voorgenomen langdurige tegemoetkoming aan het bedrijfsleven uit de begrotingsmiddelen voor de 7 %-norm?

De 1 %-norm is in eerste instantie gedefinieerd als een norm ten aanzien van de ontwikkeling van de collectieve lasten in de periode '77/'80. Deze norm is vervolgens vertaald in een bedrag aan uitgavenombuigingen dat noodzakelijk is teneinde de lastenverzwaring tot 1 % per jaar terug te buigen. Het additionele beleidspakket dat in hoofdzaak gericht is op een versterking van de positie van het bedrijfsleven betekent, voor zover de maatregelen neerslaan in verlichtingen van belastingen en sociale premies, uiteraard een onderschrijding van de aanvankelijk geplande structurele verzwaring van de collectieve lasten.

  • Welke zal de invloed zijn van de voorgenomen wijzigingen in de investeringsfaciliteiten op de VAD-grondslag?

De huidige investeringsfaciliteiten bestaan in een vermindering van de fiscale winst. Omdat het voorgenomen systeem van faciliteiten de fiscale winst onverlet laat, leidt dat systeem ertoe dat de fiscale winst in de toekomst bij overigens gelijke omstandigheden groter is dan die bij handhaving van de bestaande investeringsfaciliteiten geweest zou zijn. Hetzelfde geldt voor de vermogensaanwas, die immers uit de fiscale winst wordt afgeleid.

  • Is bij de raming van de grote begrotingstekorten rekening gehouden met de lagere belastingopbrengsten die het gevolg zullen zijn van de aangekondigde wijziging in het fiscale winstbegrip? Houdt de uitspraak op blz. 7. «in het beleidsprogramma zal ruimte moeten worden gelaten» verband met deze wijziging? Zo ja, hoe groot zal die ruimte dan zijn en in welke jaren? Zo neen, hoe denkt men die ruimte dan te vinden?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Het eerste deel van de vraag kan bevestigend worden beantwoord. Of de aangekondigde wijziging in het fiscale winstbegrip inderdaad tot een aanzienlijk middelenverlies zal leiden valt thans nog niet geheel te voorzien. Het uiteindelijke bedrag zal uiteraard afhankelijk zijn van de resultaten van de studie, terwijl de wijze van dekking -thans verondersteld uit het financieringstekort -mede bezien zal worden in het licht van de economische en budgettaire situatie op het moment dat de voorstellen tot wijziging van het winstbegrip worden ingediend.

§ 9. De omvang van de begrotingstekorten in de komende jaren

  • Kan worden aangegeven vanaf het jaar 1973 welke de omvang was (in procenten van het nationaal inkomen) van het structureel

begrotingstekort, resp. het feitelijk tekort op kas-en transactiebasis? Kan voorts worden aangegeven welke «invullingen» van de tekorten(vergrotingen) hebben plaatsgevonden (zoals: permanent maken tijdelijke lastenverlichtingen) en kandaarbij worden medegedeeld welke tijdelijke lastenverlichtingen resp. uitgavenvergrotingen na de nu voorgenomen bijstelling -1976 nog buiten de structurele ruimte zijn gehouden? Kan tevens worden aangeduid of en -zoja -op welke punten het dan ontstane kwantitatieve beeld overeenkomt met de gedachtenlijn zoals die op blz. 18 van het Jaarverslag-1975 van De Nederlandsche Bank voorkomt?

Hieronder volgt het gevraagde overzicht:

Financieringssaldo (tekort » -; % nationaal inkomen! 1973

1974

1975

1976

Kasbasis Rijk Rijk + OPL

Transactiebasis Rijk Rijk + OPL Aanvaardbaar structureel begrotingstekort van het Rijk

+ 0,3 -1,6

0,6 3,0

3,5 5,4

0,7

0,7

-1,7

6,6 ■8,5

+ 1,0

-0,2

-4,1

-5,0 -1,1

-1,2

-5,1

-5,7 1,7

In het algemeen kan het begrotingstekort niet worden verbonden met speciale uitgavencategorieën of belastingverlagingen, tenzij hettekortvergrotingen betreft als gevolg van conjuncturele posten. Op basis van de thans bekende gegevens moet voor 1977 worden gerekend met conjuncturele uitgaven ten belope van 1 a 1 V2 mld., voornamelijk uit hoofde van maatregelen uit het beleidsprogramma 1976. De regeringsvoorstellen sporen naar het voorkomt met de gedachtengang van De Nederlandsche Bank aangezien de vergroting van het begrotingstekort gepaard gaat met omvangrijke maatregelen ter bevordering van de in-vesteringen teneinde structureel arbeidsplaatsen te scheppen.

  • Wordt het bij de zeer grote financieringsbehoefte van de Nederlandse overheid de komende jaren niet van toenemend belang in welke richting de financieringsmiddelen, die bij Nederlandse instellingen berusten, worden aangewend en in welke mate van andere zijde vraag daarnaar wordt uitgeoefend? Zou de renteontwikkeling in deze situatie niet beter in de hand kunnen worden gehouden, wanneer de overheid een wat grotere greep op vraag en aanbod naar en van kapitaal had? Zou dit ook niet invloed kunnen hebben op de mate waarin de overheid een beroep moet doen op monetaire financiering?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Het eerste deel van deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. Wat de opmerkingen over de renteontwikkeling en de monetaire financiering betreft kan nog het volgende worden opgemerkt. Het financieringsbeleid van de overheid is er onder meer op gericht om verstoring van de kapitaalmarkt te voorkomen door voldoende ruimte te laten aan de particuliere sector. Het beleid dient tevens te worden afgestemd op de uit monetaire overwegingen en uit hoofde van het te voeren wisselkoersbeleid gewenste ontwikkeling in het kapitaalverkeer met het buitenland. In zoverre kan de richting van de aanwending van de beschikbare financieringsmiddelen bij de Nederlandse instellingen inderdaad van belang zijn. Als grootste vrager heeft de overheid uiteraard invloed op de totale vraag naar financieringsmiddelen, en daarmede ook op de renteontwikkeling. Dit stelt haar in staat om aan te sturen op de uit hoofde van het te voeren mone-taire-en valutabeleid gestelde doeleinden. Derhalve vormen deze doeleinden de randvoorwaarden voor de omvang van het kapitaalmarktberoep van de overheid. Dit laatste houdt tevens in dat tegen de achtergrond van het gevoerde begrotingsbeleid in de eerstkomende jaren monetaire financiering onvermijdelijk is.

  • Kunnen de vergelijkbare gegevens voor financieringstekorten in andere landen worden verstrekt?

Voldoende vergelijkbare gegevens voor de financieringstekorten van de gehele overheid in komende jaren in andere landen zijn niet beschikbaar.

  • Het begrotingstekort zal volgens schatting over de periode 1976-1980 opgeteld 75 a 80 miljard bedragen. Welk deel denkt de Regering te lenen, welk deel monetair te financieren? Hoe groot raamt de Regering bij volgen van haar systeem het oplopen van de staatsschuld (in guldens van 1976)?

Het is niet mogelijk om voor de periode tot 1980 een kwantitatieve benadering te geven van de financiering van de voor deze jaren verwachte begrotingstekorten door middel van een beroep op de kapitaalmarkt dan wel met monetaire middelen. De wijze van financiering in elk van deze jaren wordt mede bepaald door de feitelijke verhoudingen op de kapitaal-en geldmarkt. Deze worden beïnvloed door tal van toevallige en onvoorzienbare factoren. In hoofdstuk 2 van de Nota inzake de Selectieve Groei is vermeld dat het netto kapitaalmarktberoep van de gehele overheid in 1975 een omvang bereikte van 4,2% van het nationale inkomen, hetgeen historisch als een bijzonder groot beroep kan worden aangemerkt. Gelet op de omvang van de financieringstekorten in de jaren vóór 1980, die naar verwachting aanzienlijk zullen uitgaan boven het voor laatstgenoemd jaar geraamde niveau van 5% van het nationale inkomen, kan worden aangenomen dat de tekorten in de jaren vóór 1980 voor een relatief belangrijk, zij het geleidelijk afnemend deel, met monetaire middelen zullen moeten worden gefinancierd. De staatsschuld zal jaarlijks toenemen met de omvang van het begrotingstekort (exclusief aflossingen) te weten 12 a 13 mld. per jaar.

  • Hoe is het verloop in de jaren van het financieringstekort, zowel structureel als totaal (t.g.v. de conjunctuur programma's in 1977)? Welke relaties met betalingsbalanssaldo en werkgelegenheid liggen ten grondslag aan het aanvaardbaar geachte financieringstekort (structureel en incidenteel) in de jaren 77 t/m 80? (zie ook miljoenennota 1975, blz. 37)

Het financieringstekort van het Rijk zal, bij een trendmatige ontwikkeling van de belastingopbrengsten, voorde jaren 1977 t/m 1980 steeds liggen in de orde van grootte van 12 a 13 mld. Hierbij is voor 1977 rekening gehouden met conjuncturele uitgaven ad 1 a 1 Va mld. (voornamelijk uit het beleidsprogramma 1976).

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Voor de beantwoording van de vraag aangaande de relaties van het aanvaardbaar geachte financieringstekort met betalingsbalanssaldo en werkgelegenheid wordt verwezen naar de Economische Structuurnota, hoofdstuk 2. 45. Het tekort in 1976 van 8 a 9% van het nationaal inkomen (volgens paragraaf 2.4 van de nota selectieve groei, vierde alinea:8V2 è9%) leidt tot een bedrag van 18,4 mld. op kasbasis. In de één-procentsnota wordt van een tegenvaller van «slechts» 2 mld. gesproken die, gevoegd bij het begrote financieringstekort van 14,5 mld. 16,5 mld. oplevert. Vanwaar dit verschil?

Het in de nota genoemde financieringsfefrorf 1976 van 8 a 9% van het nationale inkomen is om twee redenen niet vergelijkbaar met de in de miljoenennota geraamde financieringsbehoefte van 14,5 mld. Ten eerste omdat er bij het genoemde financieringstekort van 8 a 9% sprake is van het financieringstekort van de totale overheid en niet alleen dat van het Rijk en ten twee-de omdat in de financieringsbehoefte, i.t.t. het financieringstekort, tevens de aflossingen zijn begrepen. Wat betreft de tegenvallers in 1976 zij opgemerkt dat, voor zover deze relevant zijn, ze in het kader van het stringente begrotingsbeleid worden gecompenseerd en aldus niet leiden tot een vergroting van het financieringstekort. Wat betreft de uitvoeringvan de begroting 1976 zij overigens verwezen naar de Voorjaarsnota.

  • Kan de Regering haar stelling, dat het pakket aanvullende maatregelen van 3,5 + 1,25 miljard correspondeert met bijna 2% van het nationaal in-komen in 1980, toelichten?

Ten onrechte suggereert de vragensteller, dat met het pakket aanvullende maatregelen 3,5+1,25 mld. is gemoeid. In het totale pakket zijn opgenomen loonkostensubsidies, de investeringsrekening, maatregelen voortvloeiende uit de studie-Hofstra, een aantal structuurmaatregelen en maatregelen ten behoeve van de arbeidsmarkt. Voor dit totale pakket is in 1980 5,8 mld.,overeenkomend met bijna 2% van het nationaal inkomen in 1980, gereserveerd.

§ 10

  • Wil het kabinet in een tabel naast elkaar zetten: a. de gegevens uit de nota en b. de gegevens voortvloeiende uit de voorstellen van de werkgevers «Perspectief 80», en c. die, voortvloeiende uit voorstellen van diverse politieke partijen?

Een plaatsing in tabelvorm van de voorstellen uit enerzijds de regeringsnota en voorstellen van andere zijden is (in zo korte tijd) niet mogelijk daar de gekozen modaliteiten onderling uiteenlopen. Immers de doelstellingen en uitgangspunten in bijv. Perspectief '80 in de Nota zijn verschillend. Zo gaat de raad van bestuur in arbeidszaken uit van waardevaste uitkeringen in het kader van de sociale voorzieningen, de Regering daarentegen op grond van een van de centrale uitgangspunten van het beleid van welvaartsvastheid, daarbij overcompensaties in de nettosfeer vermijdend. Zulke verschillen in uitgangspunten -en er kunnen meer voorbeelden gegeven worden -leiden tot een verschil in de omvang en samenstelling van de beleidspakketten. Een gecomprimeerde tabel zou aan deze wezenlijke verschillen geen recht doen, dan wel uitsluitend de resultaten per sector aangeven. 48. Op welk bedrag wordt de monetaire financiering in de jaren 1977 t/m 1980 geraamd? Zal het door de Regering opgezette beleid niet bijdragen tot vergroting van de internationale monetaire verwarring? Wat is het verschil tussen de aankondiging in de nota selectieve groei van toepassing van het in-strument van wisselkoerswijziging -indien de bedoelde uitbreiding van het Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

aantal arbeidsplaatsen en de internationale concurrentie daartoe nopen -en de beruchte op export en werkgelegenheid gerichte valutadumping van sommige landen voor 1940?

Voor het eerste gedeelte van deze vraag moge worden verwezen naar het antwoord op vraag 43. De Regering verwacht dat het aangekondigde beleid, onder meer gericht op het terugdringen van de inflatie zal bijdragen aan de stabiele ontwikkeling van de guldenkoers op langere termijn. Uiteraard zal het aangekondigde beleid ondersteund moeten worden door een adequaat monetair beleid, gericht op beheersing van de totale liquiditeitscreatie, dat te zamen met de aanwezigheid van omvangrijke externe reserves, de fluctuaties van de guldenkoers binnen aanvaardbare grenzen kan houden. De in het laatste gedeelte van de vraag vervatte interpretatie van par. 2.5.2. in hoofdstuk 2 van de Nota inzake de Selectieve Groei moet op een misverstand berusten aangezien in de genoemde passage het tegendeel van valutadurrv ping of "devaluatie is bedoeld. De strekking van het betoog is kort samengevat dat -wanneer door middel van de voorgenomen beleidsmaatregelen in-tern evenwicht wordt bereikt -dat niet behoeft samen te gaan met herstel van het externe evenwicht. Corrigerende maatregelen in die sfeer lopen via wisselkoerswijzigingen en/of wijzigingen van netto kapitaaluitvoer naar het buitenland. Zoals in par. 2.5.3. is uiteengezet wordt aan een toeneming van de kapitaaluitvoer de voorkeur gegeven boven revaluatie van de gulden.

  • Hoe verhouden zich de kwantitatieve aanduidingen in deze paragraaf met de opmerkingen in paragraaf 2.4 van de nota selectieve groei, vier-de alinea (derde volle zin) en vijfde alinea (eerste zin)?

De bedoelde opmerkingen laten zien, dat voor de schuldpolitiek van het Rijk de laatste jaren de samenhang met het wisselkoersbeleid van steeds groter belang is geworden. Het grote overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans, mede als gevolg van de aardgasuitvoer, maakt thans een aanzienlijke kapitaaluitvoer wenselijk. Het beroep van de overheid op de kapitaalmarkt mag niet leiden tot kapitaalinvoer of tot afremming van deze kapitaaluitvoer.

  • Hoe groot zullen de nationale besparingen in 1980 zijn, bij een saldo op de lopende rekening van 3,5% van het nationaal inkomen? Acht de Regering deze voldoende om het financieringstekort van 5 % op te vangen zonder monetaire financiering ?

Het niveau van de nationale besparingen in 1980, die kunnen worden berekend op een bedrag in de orde van grootte van 55 mld., zegt op zichzelf nog niets over de mogelijkheden tot financiering van het begrotingstekort. Van wezenlijk belang is te weten wat de aanwending van de besparingen is en of daaruit een nationaal besparingstekort danwei een besparingsoverschot voortvloeit. Op blz. 75 en volgende van hoofdstuk 2 van de Structuurnota is uiteengezet, dat de raming van de financieringsruimte voor de overheid op middellange termijn een moeilijke opgave is. Niettemin is de Regering van oordeel dat een financieringstekort voor de gehele overheid in 1980 van 5% zonder monetaire financiering zal kunnen worden gedekt, zij het dat hiermee de grens van de mogelijkheden is bereikt.

HOOFDSTUK II. OMVANG EN VERDELING VAN DE BELEIDSMAATREGE LEN 1. Drukstijging bij ongewijzigd beleid Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Is het waar dat het verschil tussen f 10 mld. en f 8,8 mld. uitsluitend te danken is aan het aanvankelijk niet-uitschakelen van onderlinge betalingen tussen de sociale fondsen?

Het uitschakelen van de onderlinge betalingen tussen de sociale fondsen heeft ertoe geleid, dat het aanvankelijk geschatte bedrag van rond 10 mld. aan benodigde beleidsherzieningen is teruggebracht tot 7,8 mld. In het bedrag van 8,8 mld., dat in de vraag wordt genoemd, is mede begrepen de circa 1 mld. wegens nog niet gespecificeerde beleidsombuigingen in de sfeer van de sociale voorzieningen, die reeds waren opgenomen in de vorig jaar tot stand gekomen meerjarenafspraken.

  • Op welke investeringsbedragen is in tabel 1 de drukstijging ad 0,25 % gebaseerd en gedurende welke periode?

De in tabel genoemde belastingdrukstijging ad 0,25% vanwege de investeringsaftrek en de vervroegde afschrijving is als volgt opgebouwd.

Niveau van het tijdelijke budgettaire verlies

1976

1977

1978

  • Conjuncturele verhoging van de investeringsafrek tot 2x12% (18-11-1974 -18-11-1975) -105-Conjuncturele verhoging van de vervroegde afschrijving tot 2 x 20 % per 18 november 1974 en tot 2 x 25% (22-4-1975-31-12-1976)

-145

--75-Het naar voren halen van de vervroegde afschrijving (thans mogelijk vanaf moment van bestelling)

-300

-175

  • Totaal

-550

-250

De belastingdrukstijging ad 0,25% is voor 0,15% (300 min.) gelokaliseerd in 1977 en voor 0,10% (250 min.) in 1978. Het investeringsbedrag waarop de berekening van de kosten was gebaseerd, is de geschatte waarde van de in 1975 en 1976 bestelde bedrijfsgebouwen ad ca. 6 mld. in beide jaren. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat de bedrijfswoningen en investeringen van bepaalde ondernemingen (b.v. openbare nutsbedrijven) niet van belang zijn voor de investeringsaftrek. 53. Uit welke componenten bestaat de drukstijging ad 0,2% van de overige publiekrechtelijke lichamen? Welk deel daarvan heeft betrekking op de volledige doorwerking per 1 januari 1979 van de gemeentelijke onroerendgoedbelasting? Als gevolg van enige uitbreiding van het gemeentelijke belastinggebied zal er een drukstijging over vier jaar optreden van globaal 0,2%. Deze drukstijging heeft voornamelijk betrekking op de toeneming van de milieuheffingen en een hogere opbrengst van de onroerendgoedbelasting. Belangrijke veranderingen in de opbrengst van de onroerendgoedbelasting zullen na 1 januari 1979 niet meer optreden. Het overgrote deel van de gemeenten heeft reeds voor die datum de onroerendgoedbelasting ingevoerd.

  • Welk beleid ten aanzien van de inflatiecorrectie is ingecalculeerd bij het bepalen van de collectieve drukstijging?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Voor het bepalen van de collectieve drukstijging is het niet noodzakelijk een bepaalde veronderstelling te maken aangaande de toepassing van de inflatiecorrectie. Een eventueel niet volledige toepassing van die correctie leidt immers in het kader van een sluitende structurele toetsing tot een tegengestelde wijziging in de omvang van te nemen belastingmaatregelen.

  • In hoeverre is voldaan, c.q. zal voldaan worden aan de norm van beperking van de stijging van de sociale premiedruk tot 3 % over de (mogelijke) zittingsperiode van het kabinet?

Naar verwachting zal in de zittingsperiode van het kabinet (1973-1977) nagenoeg worden voldaan aan de norm van beperking van de stijging van de sociale premiedruk tot 3%. Laat men de AAW -ten aanzien waarvan in de regeringsverklaring immers is gesteld, dat deze niet noodzakelijkerwijs binnen de gestelde norm behoeft te worden ingepast -buiten beschouwing dan blijkt, dat de ontwikkeling van de premiedruk in ieder geval ruimschoots binnen de gestelde norm blijft.

  • In tabel 1, onder «2 -nietbelastingmiddelen»

wordt aangegeven dat de druk van de niet-belastingmiddelen met 0,4 % van het netto nationaal inkomen zal dalen voor wat het Rijk betreft. Op welke wijze is dit totaalgegeven samengesteld? Wordt een volumeverandering van de binnenlandse gasafzet verondersteld?

De in tabel 1 vermelde daling van de druk der niet-belastingmiddelen met 0,4% van het nationale inkomen is gebaseerd op de meerjarenramingen van de Miljoenennota 1976. Hierbij is onder meer rekening gehouden met een zekere daling van de binnenlandse gasafzet.

  • Kan een overzicht worden gegeven van de premiedrukstijging in de sfeer van de gezondheidszorg op basis van: a. de structuurnota van de Staatssecretaris van volksgezondheid, b. het tweede rapport van de Centr. Raad voorde Volksgezondheid, c. het derde rapport van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid?

De ramingen van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid en de raming uit de Structuurnota Gezondheidszorg hebben in beginsel geen betrekking op de te verwachten premiedrukstijging doch op de kostenontwikkeling in de gehele gezondheidszorg. Ten gevolge van een aantal fundamentele verschillen in ramingstechnische uitgangspunten is het niet mogelijk om op deze korte termijn een verantwoorde vergelijking van deze prognose op te stellen. Wat betreft de huidige inzichten in de premie-ontwikkeling kan evenwel worden verwezen naar de brief van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in antwoord 58.

  • Is de Regering bereid de voorlopige binnen het CPB gemaakte berekeningen die zouden uitwijzen dat de premiedrukstijging in de sfeer van de gezondheidzorg bij ongewijzigd beleid aanmerkelijk geringer zou zijn (3 a 4 mld.) dan aangenomen in de thans gehanteerde prognose, alsnog aan de Kamer over te leggen -eventueel onder voorbehoud van haar eigen oordeel over de beleidsrelevantie ten deze? Betekent de zinsnede: «voorhands acht het Centraal Planbureau geen redenen aanwezig om de gehanteerde uitgangspunten te herzien» dat het CPB van mening is dat de door hem gekozen uitgangspunten het dichtst bij de thans meest waarschijnlijke werkelijkheidzullen uitkomen? In hoeverre bestaat er voldoende coördinatie tussen de verschillende instanties die zich met prognoses in het algemeen bezighouden en het CPB? Betekent de mogelijkheid honderden miljoenen beschikbaar te stellen uit de reserve van de ziekenfondsverzekering, dat de uitgaven nu reeds minder snel toenemen? Hoe verhouden de bedoelde ramingen zich tot hetz.g. derde kostenrapport van de Centrale raad voor de volksgezondheid?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de brief van de Ministervan Economische Zaken ter zake d.d. 18 juni 1976. Voorde goede orde is een kopie daarvan bijgesloten.

De heer Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 18 juni 1976

Onderwerp: Sociale premiedruk 1980

Zoals uit bijgaand antwoord op ter zake gestelde kamervragen blijkt, leiden de berekeningen die gemaakt zijn door het bureau van de Ziekenfondsraad voor 1977 en de nadere prognoses voor 1980 tot de conclusie dat met betrekking tot het onderhavige complex van sociale premies de premielast 2,5 mld. lager zal zijn dan op basis van cijfers uit het verleden aangenomen moest worden. Deze cijfers, beschikbaar gekomen op basis van de gebruikelijke procedure van jaarlijkse schattingen door de Ziekenfondsraad, zullen aangevuld moeten worden met de eveneens in de zomermaanden gebruikelijke premieschattingen voor 1977 voor de andere sociale verzekeringen. Daarbij zal bezien worden of de onderhavige lagere raming, te zamen met aanpassingen van de voorziene premiestijging voor andere sociale verzekeringen (er tekenen zich ook tegengestelde bewegingen af) aanleiding geven om ook de geraamde totale premiedruk in 1980 aan te passen. Pas als het totaal van de sociale premiedrukcijfers op tafel ligt, zal beoordeeld kunnen worden of er aanleiding is de Macro-economische Verkenning voor 1980 ter zake bij te stellen en eventueel daaruit resulterende beleidsconclusies te formuleren. Een en ander zal alsdan in de Miljoenennota nader toegelicht kunnen worden. In antwoord op vragen met betrekking tot een mogelijke bijstelling van de prognoses van de Ziekenfondsraad zoals deze ten grondslag hebben gelegen aan de MEV 1980, mede in het licht van recente becijferingen van het CPB kan het volgende worden opgemerkt. De voorlopige prognoses van het bureau van de Ziekenfondsraad leiden ertoe dat de premieprognose in 1980 voor de verplichte ziekenfondsverzekering (zie bijlage) -op grond van het beleid dat de laatste jaren is gevoerd -moet worden teruggebracht van 12% naar 11%. Wat betreft de AWBZ moet de premieprognose, afgezien van het liquiditeitsaspect overeenkomende met ca. 0,2% premiedruk voor 1980 worden teruggebracht van 4,91 naar 4,16%. Aannemende dat in de andere sociale ziektekostenverzekeringen (vrijwillige en bejaardenziekenfondsverzekering, IZA en IZR-regelingen) eenzelfde bijstelling mogelijk is, kan de raming voor 1980 in totaal ongeveer f 2,5 mld. lager worden gesteld. Daarnaast is er de f 1,5 mld. die als besparingen voor 1980 zijn becijferd in de 1%-brief op basis van de daarin aangekondigde bezuinigingsmaatregelen. Inzake de hier gepresenteerde cijfers bestaat overeenstemming tussen het CPB en het bureau van de Ziekenfondsraad. De som van deze uitkomsten komt in orde van grootte overeen met het cijfer genoemd door een medewerker van het CPB, aan zijn berekening ligt echter een andere ramingstechniek ten grondslag. Het CPB heeft zich, zoals hierboven reeds is gesteld, kunnen verenigen met de thans beschikbare voorlopig prognoses van de Ziekenfondsraad. Er wordt naar gestreefd de gehanteerde ramingstechnieken verder op elkaar af te stemmen. Hierover vindt overleg plaats tussen vertegenwoordigers van het bureau van de Ziekenfondsraad en het CPB onder meer ook vertegenwoordigers van het COZ, het CBS, de Centrale Raad voor de Volksgezondheid en het College voor ziekenhuisvoorzieningen.

De Minister van Economische Zaken, R.F. M.Lubbers.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, J. P. M. Hendriks.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Beknopt overzicht voorlopige premieprognose verplichte ziekenfondsverzekering en AWBZ Zieken fondspremie

Jaar

Advies okt. 1975

Nieuwe voorlopige prognose Stand reserves

Bedrag

% lasten nom. (6%)

1976

9,6

i

1332,4

19,2% 1977

10,3

9,5

1332,4

16,7% 1978

11,0

10,0

1332,4

14,5% 1979

11.6

10,5

1332,4

12,6% 1980

12,0

11,0

1332,4

11,0%

' Vastgesteld op 9,6. Volgens nieuwe prognose is kostendekkende premie 9,05.

AWBZ-premie

Jaar

Advies

Nieuwe voor-

Fin. behoefte

Stand reserve aug. 1975

lopige prognose

1976

2,98

ï

585

968 1977

3,43

2,96

633

756 1978

3,94

3,45

822

756 1979

4,39

3,79

1003

756 1980

4,91

4,16

1216

756

' Vastgesteld op 2,96.

§ 2. De tijdelijke

lastenverlichtingen

  • Betekent tabel 2, sub a, derde streepje (uitstel b.t.w. ad 1175 min. opnemen in structureel tekort 1976 e.v.), dat 1. met terugwerkende kracht het aanvaardbaar structureel tekort 1976met 1175mln. wordt vergroot en dat 2. de opbrengst ad 3 kwartalen b.t.w.-verhoging in 1977 zal dienen vooreen structurele uitgavenverhoging ad 1175 min. (gld-1976) boven het structurele niveau-1976? Was tijdens de belastingdebatten in november/december 1975 bij het uitstel van de b.t.w.-verhoging tot 1 oktober 1976 niet praktisch al beslist de ontvangsten van de b.t.w.-verhoging pas voor het dekkingsplan 1977 te gebruiken? Had de Regering toen al in beginsel besloten de tijdelijke vergroting van het tekort structureel te maken? Betekent het verschuiven naar 1977 van de verhoogde b.t.w. in feite een (gedeeltelijke) blokkering van de uitvoering van de in de motie-Andriessen gevraagde mogelijkheden om reeds in 1976 tot uitgavenverlagingen te komen?

Het ligt niet in de bedoeling wijziging te brengen in het conjuncturele karakter van de tijdelijke lastenverlichtingen in 1976. Met ingang van 1977 wordt echter een structurele tekortvergroting mogelijk geacht, welke ruimte biedt de bedoelde lastenverlichtingen structureel te maken. Voor wat betreft het in de tijdelijke lastenverlichtingen begrepen uitstel van de b.t.w.-verhoging tot 1 oktober heeft het vorenstaande -zoals in hoofdstuk II van de nota is vermeld -tot gevolg dat de opbrengst van de b.t.w.-verhoging kan worden aangewend voor het dekkingsplan 1977. Het is niet logisch ter zake een verbinding aan te brengen met een structurele uitgavenverhoging van gelijke omvang aangezien in de structurele toetsing ook andere factoren een rol spelen.

De vraag of ten tijde van de belastingdebatten in november/december 1975 bij het uitstel van de b.t.w.-verhoging niet praktisch al was beslist de ontvangsten van de verhoging van de omzetbelasting pas voor het dekkingsplan 1977 te gebruiken, moet ontkennend worden beantwoord. Wel bestond destijds de indruk, dat de tijdelijke lastenverlichtingen in de sfeer van de loon-en inkomstenbelasting en de rijksbijdragen aan de sociale verzekeringen in Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

belangrijke mate permanent zouden kunnen worden gemaakt. In verband met het feit, dat op dat moment de middellange termijnprognose nog pas in een zeer tentatief stadium was, konden destijds echter ook ter zake van de overige tijdelijke lastenverlichtingen nog geen definitieve beslissingen worden genomen.

Het beschikbaar komen voor het dekkingsplan 1977 van de b.t.w.-verhoging heeft geen enkel verband met het al dan niet aanbrengen van uitgavenverlagingen in 1976.

  • Betekent de uitkomst van tabel (1,7% nat. inkomen of ± 3,7mld.) in feite een terugkomen op de eerder gedane mededelingen

(miljoenennota 1976 en nadere brief van december 1975) volgens welke het conjuncturele deel van het tekort destijds te hoog was gesteld?

De in tabel 2 opgesomde tijdelijke lastenverlichtingen in 1976 zijn in dat jaar om conjuncturele redenen getroffen en leiden mitsdien voor dat jaar tot een conjuncturele tekortvergroting. Deze presentatie wordt niet gewijzigd.

  • Is het percentage van 0,25 (zie alinea onder tabel 2) van dezelfde in-houd als het percentage genoemd in tabel 1, onder 1b? Zo neen, waarin ligt dan het verschil?

De bedoelde percentages van 0,25 hebben betrekking op dezelfde maatregelen. 62. Kan in overeenstemming met de bijlagen BI en B2 van het centraal economisch plan een lijstje worden gegeven van de verwachte bedragen van het bruto nationaal produkt tegen marktprijzen en het nationaal produkt tegen marktprijzen voor de jaren 1977 t/m 1980, in mld. gulden in lopende prijzen en in mld. gulden in prijzen van bijvoorbeeld 1976?

Slechts voor het jaar 1980 kunnen de gevraagde cijfers worden gegeven. In prijzen 1975 bedraagt het bruto nationaal produkt in dat jaar 245.0 mld. in lopende prijzen 348.0 mld. Overigens zij opgemerkt dat de drukpercentages in de aangehaalde tabellen betrekking hebben op het netto nationaal in-komen tegen marktprijzen (1975: 184.8 mld.; 1980: 318 mld.)

§ 3. De

ombuigingsproblematiek

  • Kan de «toegestane» drukstijging ad 4% nationaal inkomen nader worden ingevuld met een onderverdeling naar

socialepremiedrukstijging, drukstijging van de niet-belastingmiddelen en drukstijging van de belasting zelf? Kan voor de laatste categorie reeds een aanduiding van een meerjarenplan worden gegeven? Betekent het regeringsbeleid een beperking van de drukstijging van de sociale verzekering tot gemiddeld 0,5% per jaar, waardoor de resterende drukstijging van 0,5% in de sfeer van belastingen en overige niet-belastingmiddelen tot stand komt?

Aangezien onder meer door het aanvullende beleidsprogramma de feitelijke drukstijging beneden de «toegestane» drukstijging blijft kan niet meer worden gesproken van een invulling van deze norm over sociale premies, niet-belastingmiddelen en belastingen. De berekening van de feitelijke belastingdrukstijging is mede afhankelijk van de positie die wordt ingenomen ten aanzien van de statische verwerking in de belastingdruk van de geiden die via de investeringsrekening worden gegeven. Met het CBS en het CPB is nog overleg gaande of deze gelden moeten worden opgevat als een vermogensoverdracht of als een negatieve belasting. Afhankelijk van de positie die wordt ingenomen kan de feitelijke drukstijging in de periode 1977-1980 op gemiddeld ca. Va procentpunt resp. 3U procentpunt per jaar worden geschat.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Ten aanzien van de verdeling van deze drukstijging over de sociale premies enerzijds en niet-belastingmiddelen en belastingen anderzijds is de volgende schatting gemaakt:

Gemiddelde drukstijging 1977/1980

  • Sociale premies

Vi%-Nietbelastingmiddelen en belastingen

54% a VS-%

  • Totaal

54% a %% Tevens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 65.

  • Wil de Regering in meer dan twaalf regels aandacht wijden aan haar keuze voor de verhouding tussen ombuiging begroting en ombuiging sociale voorzieningen? Bij de keuze van de verdeling van de beleidsherzieningen over sociale zekerheid en rijksbegroting (exclusief posten met betrekking tot de sociale zekerheid) hebben geen andere overwegingen een rol gespeeld dan die welke in de nota zijn vermeld. De verdeling komt neer op een globale verhouding van de ombuigingsbedragen van 2 : 1. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen, dat de beleidsherzieningen met betrekking tot de sociale zekerheid mede de voorgenomen wijzigingen ad 1 mld. omvatten, die reeds in de aanvankelijke meerjarenafspraken waren opgenomen. Doel van de ombuiging is de bevordering van de werkgelegenheid. Aangezien, zoals in het navolgende nog zal worden toegelicht, bezuiniging in de overdrachtsuitgaven een sterker effect heeft op de werkgelegenheid dan ombuigingen in de materiële overheidsbestedingen is het accent gelegd op de sociale voorzieningen. Hierbij zijn de navolgende overwegingen van belang: 1. materiële overheidsuitgaven dragen bij tot de werkgelegenheid o.a. ook door het ontstaan van produktiecapaciteit. Deze uitgaven hebben groter multipliereffect dan de overdrachtsuitgaven. 2. de arbeidskosten ondervinden meer directe invloed van premiedrukstijging dan van belastingdrukstijging. Beperking van de stijging der arbeidskosten door het terugdringen van de stijging der sociale premies draagt bij tot bevordering van de investeringen. 3. gezien de ontwikkeling van de sociale voorzieningen de laatste jaren kan worden gesteld, dat deze aan een herwaardering toe zijn.
  • Is bij de raming dat het reëel beschikbaar inkomen zou kunnen stijgen met 1a 1,5% per jaar uitgegaan van de extra toeneming van de collectieve uitgaven met 1 % van het nationaal inkomen of is reeds rekening gehouden met het in de noot onder tabel 3 vermelde «inverdieneffect» ? Op welk percentage zal de feitelijke drukontwikkeling uiteindelijk over de jaren 1977-1980 uitkomen? Zoals uit de Nota inzake de Selectieve Groei, hoofdstuk 2, blz. 38 kan worden afgeleid, is in de raming van de groei van het reëel vrij beschikbaar inkomen van de modale werknemer met 1 a 1,5% in de periode 1977/1980 de extra reële groei van het nationaal inkomen als gevolg van het aanvullende beleid reeds verdisconteerd. De feitelijke ontwikkeling van de collectieve lasten voor de periode 1977-1980 met inbegrip van de lastenverlichtingen via het aanvullende beleidsprogramma zal, afhankelijk van de positie die wordt in-genomen ten aanzien van de statistische verwerking in de belastingdruk van de gelden die via de investeringsrekening worden gegeven (zie tevens vraag 63) uitkomen op gemiddeld ca. Va procentpunt resp. 3U procentpunt per jaar.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Met nadruk zij erop gewezen dat deze cijfers gemiddelden zijn. Met name aanvankelijk, in de overgang naar de jaren waarvoor het 1%-beleid van toepassing is, zullen zich aanzienlijke afwijkingen kunnen voordoen. Hieraan dient nog te worden toegevoegd dat uiteraard ieder jaar deze cijfers mede afhankelijk zullen zijn van beleidsbeslissingen als ook van de uitkomsten van het arbeidsvoorwaardenoverleg.

  • Welke gevolgen heeft de thans voorliggende beleidsnota voor de voeding van en de uitkeringen uit het gemeentefonds en het provinciefonds?

De voeding van de uitkeringen uit het Gemeentefonds en het Provinciefonds zal aan structurele wijzigingen in het belastingbeleid worden aangepast. Met name het structureel maken van de tijdelijke fiscale lastenverlichtingen zal aanleiding geven tot een opwaartse bijstelling van de aandeelpercentages in de belastingopbrengsten die ten bate van deze fondsen komen.

  • Welke zijn de directe effecten van de ombuigingen in de sector van de sociale zekerheid voor de inkomensverdeling?

Zoals gesteld in de inleiding van hoofdstuk IV is er naar gestreefd om de ombuigingen in de nominale sfeer conform de Interimnota lnkomensbeleid, zoveel mogelijk te richten op het leveren van een bijdrage tot verkleining van de inkomensverschillen. Voor zover bij de uitvoering van de maatregelen ongewenste effekten in de inkomensverdeling geconstateerd worden, zal de mogelijkheid van compensatie of fasering worden bezien.

  • Betekent het «definitief» oplossen van de compensatieproblematiek later dit jaar, dat alsdan een compensatie binnen de rijksbegroting zal worden aangewezen voor de uitgavenoverschrijdingen

die niet door middel van de opgenomen reserve voor hogere prijsstijgingen kunnen worden gecompenseerd? Met andere woorden mag worden aangenomen dat de in deze nota opgenomen voornemens ten aanzien van het begrotings/financieringstekort van de uitgavenoverschrijdingcompensatie 1976 e.v. geen invloed zullen ondervinden?

Het voornemen de compensatieproblematiek van de structurele doorwerking van de overschrijdingen 1976 definitief op te lossen bij de afronding van de begroting 1977 en de meerjarenramingen impliceert inderdaad, dat een zodanige compensatie wordt aangebracht dat de begrotingstekorten geen wijziging ondergaan ten opzichte van de percentages van het nationale inkomen die terzake in de nota zijn vermeld.

  • Op welke wijze is de blokkering van de prijsreserve 1976 e.v. over de hoofdstukken verdeeld? Welke criteria zijn aangelegd om te bepalen welke departementen wél en welke niét kunnen profiteren van een beperking van het aandeel in de blokkering van de prijsreserve?

De blokkering van de prijsreserve voor 1976 en volgende jaren is niet over de begrotingshoofdstukken verdeeld. De reserve is in totaal opgenomen in de aanvullende posten van de miljoenennota 1976, bijlage 3. Voor de blokkering van de prijsreserve zijn derhalve geen specifieke criteria aangelegd. In de Voorjaarsnota 1976 is een uitzondering gemaakt voor 3 departementen, te weten Defensie, Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van wie het aandeel in de blokkade van de prijsreserve met 60 min. is verminderd.

  • Moet uit het niet-gebruiken van de reserve voor hogere prijsstijgingen ad f 1.3 mld. worden afgeleid dat dit bedrag eveneens moet worden geteld bij het bedrag dat met de ombuigingen zou kunnen worden bereikt (8.8 mld.)? Of moet uit de noot bij tabel 3 worden gelezen dat daarin opnieuw een

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

zekere reserve mogelijk wordt gemaakt om prijsstijgingen op te kunnen vangen? Het niet gebruiken van de post voor prijsbijstelling 1976 dient als gedeeltelijke compensatie voorde overschrijdingen 1976. Hoewel op zich zelf het niet gebruiken van deze post als een ombuiging kan worden aangemerkt, zou het niet juist zijn deze te tellen bij het bedoelde bedrag van 8,8 mld. aangezien dat betrekking heeft op ombuigingen in de jaren 1977 en volgende. De noot bij tabel 3 heeft geen verband met eventueel op te nemen posten voor prijsbijstelling. Dit laatste blijft ook in de toekomst mogelijk voorzover inde ramingen van de ingediende begrotingsontwerpen om praktische redenen niet aanstonds rekening wordt gehouden met de volledige omvang van de te verwachten prijsontwikkeling.

  • Kan de lagere feitelijke drukstijging in de voetnoot bij de tabel ook tentatief worden gekwantificeerd? Hangt dit in feite niet af van het al of niet slagen van de beleidsvoornemens die niet alleen betrekking hebben op werkgelegenheidsbevordering, maar ook op

maatschappijhervorming?

De feitelijke stijging van de collectieve lasten na het aanvullend beleidsprogramma van lastenverlichtingen kan op basis van een aantal tentatieve veronderstellingen worden berekend op gemiddeld V2 a 3/4 procentpunt per jaar in de periode 1977-1980 (zie het antwoord op de vragen 63 en 65). Voor de realisering van deze feitelijke drukontwikkeling is uiteraard een essentiële voorwaarde, dat het gekozen beleidsprogramma van ombuigingen voor het bedrijfsleven ook wordt gedragen door de burger. Dat voor dit laatste niet alleen de directmateriële inhoud maar ook de niet-materiële kanten van de beleidsvoornemens zoals de vermogensaanwasdeling, wet op de ondernemingsraden etc. van grote betekenis zijn, mag dan ook geen verwondering wekken. 72. Kan nader worden aangegeven welke beleidsombuigingen thans in de meerjarenramingen opgenomen tot een totaalbedrag van ruim f 1 mld. worden bedoeld?

In de miljoenennota 1976 is in het overzicht van de meerjarenramingen 1976-1980 (bijlage 3) onder de aanvullende posten gerekend met een aftrekpost wegens voorgenomen wijzigingen van bestaande sociale voorzieningen oplopend van 620 min. in 1977 tot 1040 miljoen in 1980. De thans voorgestelde maatregelen tot beperking van de groei van de sociale voorzieningen omvatten mede die reeds vorig jaar afgesproken verlagingen.

  • Hoe moet het bedrag van f 8,8 mld. «in prijzen MEV-1980» worden vertaald in guldens van 1976?

Indien de ombuigingsbedragen worden gedefleerd met de prijsstijging van het nationale inkomen beloopt het bedrag van de ombuigingen ongeveer 7 mld. in prijzen van 1976.

HOOFDSTUK III. RIJKSUITGAVEN

§ 1. Inleiding

  • Kan tabel 4 worden aangevuld: 1. met een kolom waarin voor elke regel de stijging der uitgaven zoals opgenomen in de rijksbegrotingen 1974, 1975 en 1976 gezamenlijk? 2. met een kolom waarin voor elke regel de stijging der uitgaven indien deze in de jaren 1974, 1975 en 1976 gezamenlijk gelijke tred hadden gehouden met de ontwikkeling van het nationaal inkomen?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • met kolommen voor elk van de jaren tussen 1977 en 1980 afzonderlijk? 4. met een regel waarin wordt aangegeven de stijging van de z.g. relevante rijksuitgaven in de jaren 1974, 1975 en 1976 gezamenlijk? 5. met een regel waarin wordt aangegeven de stijging van de z.g. relevante rijksuitgaven in de jaren 1974, 1975 en 1976 gezamenlijk indien deze in die jaren gelijke tred hadden gehouden met de ontwikkeling van het nationaal inkomen? (N.B. te berekenen conform voetnoot bij tabel 4)

Een aanvulling van tabel 4 met kolommen waarin de stijging van de rijksuitgaven in de jaren 1974, 1975 en 1976 is opgenomen en waarin ook een vergelijking wordt gemaakt met de ontwikkeling van het nationaal inkomen in die jaren, kon op korte termijn niet vervaardigd worden. Voor een zuivere vergelijking met de in tabel 4 opgenomen bedragen dienen de rijksbegrotingen voor de jaren 1974 t/m 1976 achteraf te worden verminderd onder meer met uitgaven ten behoeve van de sociale voorzieningen. Onderstaand is tabel 4 aangevuld met de bedragen voor de jaren 1978 en 1969.

1977

1978

1979

1980

Algemeen Bestuur Defensie Justitie en Politie Verkeer en Waterstaat Economische Zaken Energiefonds Landbouw en Visserij Onderwijs en Wetenschappen Academische Ziekenhuizen Welzijnssector ca. Volkshuisvesting Spreiding rijksdiensten Ontwikkelingssamenwerking Wetenschapsbeoefening Personeelsuitgaven

8670

100

150

20037

11820 2

240

435

43215

40 -

-

105

16712

52186

228

371

49760

125

17040

14517 I

259

366

465 --

10870

5011

35100

190

300

420

990

1374

2248

2985

De stijging van de z.g. relevante rijksuitgaven in de jaren 1974,1975 en 1976 gezamenlijk bedraagt rond 29 mld. Indien de stijging van de z.g. relevante uitgaven in de jaren 1974,1975 en 1976 gelijke tred had gehouden met de ontwikkeling van het nationale inkomen zou de stijging in totaal rond 16 mld. hebben bedragen.

  • Kan analoog aan tabel 4 een tabel worden verstrekt met ombuigingen per begrotingshoofdstuk in percentages? Kan daarbij worden aangegeven per departement waarop de voorgenomen beleidsombuigingen

betrekking hebben: materiële overheidsbestedingen, overheidspersoneel, overdracht ten aan gezinnen en kredieten aan het bedrijfsleven? Komt deze verdeling overeen met die gehanteerd in tabel 2 van de nota selectieve groei? Welke verdeling in deze zin ligt ten grondslag aan de prognoseberekeningen in de MEV'80? Wat is het effect van eventuele optredende verschillen op deze prognose? Beleidsombuigingen 1977 en 1980 als % van de hoofdstuktotalen volgens de miljoenennota 1976, bijlage 3, na aftrek van de uitgaven voor sociale voorzieningen. Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Hoofdstuk

1977

1980

M.N.

Beleids-

1977

M.N.

Beleids-

1980 1976

ombuigingen

%

1976

ombuigingen

%

Hoge Colleges van Staat

1.0

1,1

112

3,0

2,7 Algemene Zaken

0,3

0,9

1,2

2,9 Buitenlandse Zaken

782

2,5

0,3

943

8,0

0,8 Justitie

2180

30,0

1,4

2844

80,0

2,8 Binnenlandse Zaken

3227

6,5

0,2

4240

144,2

3,4 Onderwijs en Wetenschappen

17676

240,0

1,4

22445

650,0

2,9 Financiën

1581

9,0

0,6

1945

63,5

3,3 Defensie

7216

70,0

1,0

8849

200,0

2,3 Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

7459

171,4

2,3

9085

465,3

5,1 Verkeer en Waterstaat

6813

202,0

3,0

7847

432,3

5,5 Economische Zaken

1001

15,0

1,5

1024

40,0

3,9 Landbouw en Visserij

1546

17,6

1,1

1743

69,0

4,0 Sociale Zaken

537

10,0

1,9

610

15,0

2,5 Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

2420

21,0

0,9

3071

93,5

3,0 Volksgezondheid en Milieuhygiëne

654

9,0

1,4

820

36,0

4,4 Civiele Verdediging

172

3,0

1,7

208

12,0

5,8 Ontwikkelingssamenwerking

2221

70,0

3,2

2762

50,0

1,8 Wetenschapsbeoefening

1095

11,0

1,0

1280

35,0

2,7 Personeelsuitgaven

100,0

420,0 Energiefonds

-

167,0

989,3

2 985,0

De beleidsombuigingen bij de rijksuitgaven (exclusief sociale voorzieningen) zijn globaal te verdelen over de economische categorieën als volgt: Lonen

35% Materiële bestedingen

35% Inkomensoverdrachten

15% Vermogensoverdrachten en kredieten 15% In de MEV-1980 was gerekend met een beperking in de overheidsuitgaven die lonen en overgedragen inkomens omvat alsmede de materiële bestedingen en exploitatiebijdragen van de overheid, maar deze laatste in mindere mate. Met betrekking tot de effecten op de prognose ten gevolge van verschillen in de verdeling van de beleidsombuigingen zijn nog geen berekeningen beschikbaar. 76. Kan aangegeven worden welk negatief gevolg de onderscheiden posten van tabel 4 voor de werkgelegenheid hebben?

Het is slechts zinvol een berekening te maken van de werkgelegenheidseffecten van een ombuiging indien naast de directe effecten ook de indirecte effecten goed kunnen worden benaderd. Voor dat laatste is een modelmatige aanpak vereist, zoals het CPB deze toepast. Het is niet mogelijk een dergelijke berekening voor iedere afzonderlijke post te geven.

  • Wil het kabinet de beleidsherzieningen plaatsen in het kader van de oorspronkelijke meerjarenraming en wel zodanig dat daarin tot uitdrukking komen: a. rijksuitgaven (naar voorwerp van zorg, excl. sociale verzekeringen) volgens oorspronkelijke ramingen, b. verminderingen volgens tabel, c. saldo van a en b, en dezelfde gegevens ook verstrekken aangaande de rijksuitgaven voor sociale zorg?

In de volgende tabel zijn voor de jaren 1977 en 1980 de beleidsherzieningen met betrekking tot de rijksbegroting (exclusief de uitgaven ten behoeve van de sociale voorzieningen) geplaatst naast de oorspronkelijke meerjarenramingen conform bijlage 3 van de Miljoenennota 1976. Een indeling naar Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

onderwerpen van zorg was op korte termijn niet mogelijk. Evenmin kon op korte termijn een analoge tabel aangaande de rijksuitgaven voor de sociale zorg worden opgesteld.

Hoofdstuk

1977

1980

Gecorr.

Wijziging

Saldo

Gecorr.

Wijziging

Saldo meerj. raming M.N.1976 bijlage 3

(afgerond)

meerj. raming M.N.1976 bijlage 3

(afgerond)

Hoge Colleges van Staat

112

109 Algemene Zaken

-

-

41 Buitenlandse Zaken

782

779

943

935 Justitie

2180

2150

2844

2 764 Binnenlandse Zaken

3227

3220

4240

144

4 096 Onderwijs en Wetenschappen

17676

240

17436

22445

650

21795 Financiën

1581

1572

1945

1 881 Defensie

7216

7146

8849

200

8 649 Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

7459

171

7288

9085

465

8 620 Verkeer en Waterstaat

6813

202

6611

7847

432

7415 Economische Zaken

1001

986

1024

984 Landbouw en Visserij

1546

1528

1743

1 674 Sociale Zaken

537

527

610

595 Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

2420

2399

3071

2 977 Volksgezondheid en Mili euhygiëne

654

645

820

784 Civiele Verdediging

172

169

208

196 Ontwikkelingssarnenwer king

2221

2151

2762

2 712 Wetenschapsbeoefening

1095

1084

1280

1 245 Personeelsuitgaven

100

420 Energiefonds

-

167

990

2984

  • Lopen in de tabel meer tijdelijke en strukturele

uitgavenbeperkingen niet door elkaar?

In de tabel lopen de tijdelijke en structurele uitgavenbeperkingen nauwelijks door elkaar, zoals ook moge blijken uit de geleidelijke groei van de in 1977 opgenomen bedragen. Vrijwel alle uitgavenbeperkingen zijn van structurele aard.

  • Kan de Regering nadere inlichtingen verschaffen omtrent de beleidsvoornemens met betrekking tot de bouw? Mikt de Regering op een pakket ex-tra maatregelen voor de bouw, dat begin 1977 de gewenste werkgelegenheidseffecten zal kunnen hebben in verband met de dan optredende daling van de arbeidsbezetting op de aanvullende werken? Waarom zijn de beleidsvoornemens op dit punt niet tegelijkertijd met de overige voorstellen bekendgemaakt? Welk deel van de voorshands beoogde ombuigingen voor 1977 resp. 1980 treft de bouw? Hoeveel werkgelegenheid is daarmee gemoeid? Zal bij eventuele herziening van beleidsombuigingen die de bouwactiviteiten raken, worden uitgegaan van gelijkblijvende omvang van die ombuigingen, zij het wellicht op andere gebieden te realiseren? Cumuleren die eventueel te herziene beleidsombuigingen met het beperken van het aandeel in de blokka-de prijsreserve?

Deze voorlopige en tentatieve berekeningen van het CPB hebben uitgewezen, dat door het totale nieuwe beleidspakket het structurele niveau van de werkgelegenheid in de bouwnijverheid in 1980 niet wordt aangetast. Voor tussenliggende jaren zijn de berekeningen nog niet zover gevorderd, dat reeds nu concrete resultaten kunnen worden meegedeeld. Bij eventuele herziening van de beleidsombuigingen die de bouwactiviteiten raken, zullen ui-Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

teraard ombuigingen van gelijke omvang dienen te worden verwezenlijkt, welke in dat geval andere dan bouwactiviteiten zullen betreffen. In hoeverre die eventueel te herziene beleidsombuigingen zullen cumuleren met het beperken van het aandeel in de blokkade prijsreserve valt thans niet te voorzien. Door het kabinet zijn een ministerieële werkgroep en een interdepartementale ambtelijke werkgroep ingesteld, die het toekomstige bouwbeleid van de Regering voorbereiden. De werkzaamheden van deze werkgroepen hebben in de eerste plaats betrekking op een nadere uitwerking van het rapport van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid. In de tweede plaats wordt het middellange termijnbeleid tot 1980 door de werkgroep voorbereid. In dit kader wordt uiteraard tevens aandacht geschonken aan de ontwikkeling van de bouwnijverheid in de tussenliggende jaren. Het uiteindelijke resultaat van de werkzaamheden zal door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening tegelijk met het desbetreffende hoofdstuk in de begroting 1977 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Bij eventuele herziening van beleidsombuigingen die de bouwactiviteiten raken, zullen uiteraard ombuigingen van gelijke omvang dienen te worden verwezenlijkt, welke in dat geval andere dan bouwactiviteiten zullen betreffen. In hoeverre die eventuele te herziene beleidsombuigingen zullen cumuleren met het beperken van «het aandeel in de blokkade prijsreserve» valt thans niet te overzien.

§ 2.

Beleidsombuigingen

Algemeen bestuur

  • Welke specifieke maatregelen worden beoogd?

Onder het hoofd «Algemeen Bestuur» zijn de volgende hoofdstukken begrepen:

1977

1980

Hoge Colleges van Staat Algemene Zaken Buitenlandse Zaken Binnenlandse Zaken Financiën

1,0

3,0 0,3

1,2 2,5

8,0 2,5

10,6 9,0

63,5

Totaal Algemeen Bestuur

15,8

86,3

Het betreft hier een groot aantal kleinere posten. Een substantiële post betreft de automatisering van de administratie van de loom en omzetbelasting die in 1980 circa 25 min. kan besparen. Voorts wordt overwogen de teruggaafgrens van T-biljetten te verhogen en de voorlopige aanslagen voor enkele belastingen door het verstrijken van een bepaalde termijn definitief te laten worden.

Defensie

  • Kan een nadere specificatie worden gegeven van a. meerjarenramingen volgens Defensienota 1974, b. doorwerking verminderingen begroting 1975, c. meerjarenramingen 1976 t/m 1980 (met daarop aangebrachte vermindefingen), d. nieuwe meerjarenramingen t/m 1980 (met daarop aangebrachte verminderingen) alles uiteraard op basis van vergelijkbare guldens? Kunnen nadere specificaties worden gegeven van de sedert de ramingen van de Defensie-

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

nota voorgenomen uitgavenverlagingen, inclusief die van de één-procentsnota? Welke besparingen dienen met de voorgestelde maatregelen in 1978 en 1979 te worden bereikt (alleen 1977 en 1980 worden in de nota vermeld)?

Deze vraag kan het best beantwoord worden met onderstaande tabel waarin achtereenvolgens opgenomen zijn: de ramingen van de Defensienota op vast prijs-en salarispeil 1974, de cumulatie algemene salarismaatregelen 1974 t/m 1980, de compensaties voor prijsstijgingen 1974 t/m 1980, de toevoeging incidentele looncomponent 1979 t/m 1980 en vervolgens de in 1975 en 1976 aangebrachte of afgesproken wijzigingen c.q. bijstellingen.

Defensie uitgaven, excl. Civ. Verdediging

1975

1976

1977

1978

1979

1980

  • Ramingen Defensienota (blz. 23) 2. Alg. salarismaatregelen 1974 tot en met 1980 3. Compensatie prijsstijgingen 1975/1980 4. Incidentele looncomponent 1979 en 1980 5. Toevoegingen Voorjaarsnota 1975 6. Reducties Voorjaarsnota 1975 7. Afvoeren RGD en Gewetensbezwaarden' 8. Exogene ontw. bij Loodswezen 9. Diverse incidentele wijzigingen 1975 10. Bijstellingen volgens Miljoenennota 19762
  • Miljoenennota 1976 (blz. 83) 12. Nota over het te voeren beleid
  • Nieuwe meerjarenramingen 1977/1980

6333,0

6431,2

6509,7

6598,8

6773,3

6921,9 691,9

997,8

1238,0

1574,0

1956,5

2371,6 192,3

314,3

445,8

571,6

745,4

931,0 ----

38,3

77,3 88,1

169,5

189,5

103,6

50,5

51,2 -49,8

-49,8

-49,8

-49,8

--49,8

-49,8 -8,1

-8,2

-8,2

-8,2

-8,2

-8,2 5,0

5,0

5,0

5,0

5,0

5,0 8,4

------

-205.0

-230.0

-260.0

-260.0

-260.0

(7260,8)

7654,8

8100,0

8535,0

9251,0

10040,0 -

-

-70.0

-100.0

-150.0

-200.0

8030,0

8435,0

9101,0

9840,0

' Overgebracht naar begrotingen van Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken. 3 a. In de Miljoenennota 1976 is op blz. 45 ten aanzien van deze bedragen het volgende vermeld: «Daarbij worden met name voor 1977 en 1978 besparingen voorzien, waarvan voor een deel nog niet is vastgelegd op welke onderdelen deze zullen worden aangebracht. De resultaten van de daarvoor noodzaktv lijke studie zullen in de Miljoenennota 1977 worden aangegeven en verwerkt. Voor zover alsdan mocht blijken, dat de bedoelde besparingen redelijkerwijs niet kunnen worden verkregen, zullen de meerjarenafspraken voor Defensie worden verhoogd.» b. Deze bedragen worden verhoogd als de bedragen bij noot 2a worden gewijzigd.

De specificatie van de voor Defensie in de «Nota over het te voeren beleid» opgesomde maatregelen, luidt als volgt:

1977

1978

1979

1980

Beperking incidentele looncomponent Zonering militaire vliegvelden Vrijstelling gehuwde kostwinners Wijziging ziektekostenvoorziening militair personeel

Totaal

24,2 21,0 26,6

51,4 23,0 35,0

82,7 23,0 37,6

118,8 23,0 40,4

4,0

13,0

23,0

34,0

75,8

122,4

166,3

216,2

Ten aanzien van de maatregelen ter structurele voorziening in de reducties uit hoofde van de Voorjaarsnota 1975 alsmede de bijstellingen volgens de Miljoenennota 1976 vindt nog overleg plaats. De maatregelen ten aanzien van de ziektekostenvoorzieningen voor militair personeel leveren voor 1978 en 1979 de volgende besparingen op:

1978: 1979: 33 min. 38 min.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

De aandacht wordt er op gevestigd dat deze bedragen door de voorgenomen fasering niet ten volle zullen worden gerealiseerd. Door de fasering worden de bedragen: voor 1977: 4 min. voor 1978: 13 min. voor 1979: 23 min. voor 1980: 34 min.

  • Welke gevolgen voor het milieu heeft de vermindering van de bedragen bestemd voor de zonering van militaire vliegvelden? Welke bedragen zijn uitgetrokken voor de zonering van de militaire vliegvelden in de meerjarenramingen 1977-1980 en welke bedragen moeten daarop bezuinigd worden? Gaat de vermindering van de bedragen uitgetrokken voor de zonering van militaire vliegvelden gepaard met een beperking van geluidshinder door minder vliegen en een daarmee verbonden verdere besparing?

De wijziging van de Luchtvaartwet, waarbij onder meer de zogenaamde zonering van de militaire vliegvelden wordt geregeld, komt later tot stand dan aanvankelijk was gedacht. In de meerjarenplanning volgens de Defensienota waren voor deze zonering de volgende fondsen voorzien: 1977: 30 min. 1978: 32 min. 1979: 32 min. 1980: 32 min. Het effect van de vertraging in de totstandkoming van de bedoelde wetswijziging werkt door in de oorspronkelijke geplande uitgavencijfers. In verband daarmede bestaat de verwachting, dat met de volgende bedragen de planningscijfers kunnen worden verminderd: voor 1977 met 21 min. en voor de jaren 1978 t/m 1980 met telkens 23 min. Zoals moge blijken uit de terzake dienende formuleringen van het wetsontwerp tot wijziging van de Luchtvaartwet (1330), het gestelde in de memorie van toelichting en de daarop betrekking hebbende memorie van antwoord, bestaat er geen verband tussen de zogenaamde zonering van de militaire vliegvelden en de vliegprogramma's van de krijgsmacht. Uit dien hoofde mag deshalve niet de conclusie worden getrokken dat de vermindering van de bedragen voor de zonering tot verdere besparingen zal leiden.

  • Betekent de mededeling, dat de situatie ter zake van de gezondheidszorg voor de militairen als achterhaald en als niet meer passend in de huidige maatschappelijke verhoudingen moet worden beschouwd, dat vrije artsenkeuze, zal worden toegestaan, waardoor het militaire apparaat terzake goeddeels kan worden afgeschaft? Waar zal het draaipunt liggen voorcompensaties aan het militaire personeel terzake van de voorgestelde wijzigingen van de ziektevoorzieningen militair personeel?

Neen, deze passage slaat niet op de wijze waarop in de gezondheidszorg voor de militairen wordt voorzien maar op de omstandigheid, dat een systeem van gratis verstrekking een ontkenning inhoudt van de eigen verantwoordelijkheid van de militair voor het behoud en herstel van zijn gezondheid. Het vorenstaande laat onverlet het in de Defensienota 1974 neergelegd standpunt met betrekking tot de vrije artsenkeuze en de taak en doelstelling van de militair geneeskundige diensten (zitting 1973-1974-12994 nr. 82 en 83). De in de bijlage op blz. 77 voorgestelde wijziging van de ziektekostenvoorzieningen voor het militair personeel moet worden gezien als een van de mogelijkheden. De aan deze mogelijkheid verbonden achteruitgang in het netto besteedbaar inkomen is echter van dien aard dat besloten is tot een gefaseerde invoering over te gaan. Of en zo ja bij deze vorm van compensatie nog een draaipunt moet worden ingebouwd is nog een onderwerp van studie. De diverse mogelijkheden zullen onderwerp van overleg uitmaken met de belangenverenigingen. Uiteraard zal daarbij speciaal gelet worden op de positie van de laagst betaalde.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Welke maatregelen zullen worden genomen om de voorgestelde bezuinigingen bij dit departement «voor brede groepen» van de militaire samenleving zo goed mogelijk aanvaardbaar te maken? Wat is de reden waarom hier een verwijzing naar het georganiseerde overleg -zie bij voorbeeld de onderdelen Onderwijs en Overheidspersoneel -is weggelaten?

Voorlichting aan het personeel over de noodzakelijke maatregelen, uitleg over de moeilijke omstandigheden die tot ingrepen nopen en overleg over de wijze van uitvoering zullen naar mag worden verondersteld het begrip voor de maatregelen vergroten. Ondergetekenden hebben op hun beurt begrip voor de weerstand die bij het personeel tegen een aantal maatregelen bestaat. Met name in het georganiseerd overleg zal nog uitvoerig overleg nodig zijn. Dat in hoofdstuk III bij Defensie niet met zoveel woorden naar het georganiseerd overleg is verwezen heeft geen bijzondere betekenis; het overleg in het georganiseerd overleg over deze zaken is een vanzelfsprekendheid. 85. Worden de salarisschalen van de militairen gewijzigd?

Een wijziging van de salarisschalen wordt niet overwogen.

Justitie en Politie

  • Wat levert de fasering van de projecten voor de civiele verdediging op? De voorgenomen fasering van de projecten voor de Civiele Verdediging levert 28 min. op in de periode 1977 t/m 1980, namelijk: 3 min. in 1977 5 min. in 1978 8 min. in 1980 12 min. in 1980

Verkeer en Waterstaat

  • Ontstaat door beperking van de waterstaatswerken een verlies aan arbeidsplaatsen dat kleiner is dan de gemiddelde toeneming aan arbeidsplaatsen die in andere, te stimuleren sectoren van het bedrijfsleven wordt verkregen? De voorgenomen beleidsombuiging bij Rijkswaterstaat houdt pas voor de latere jaren een verlies aan arbeidsplaatsen in. In hoofdzaak betekent ze een vermindering van de groei van de werkgelegenheid in deze sector ten opzichte van de groei die bij de aanvankelijke meerjarencijfers zou zijn opgetreden. 88. Kan nader worden aangegeven wat de orde van grootte is van de bijstelling met betrekking tot de investeringen van de PTT? Is handhaving van het volume bedoeld voor de hele periode tot 1980? Werkt de volumehandhaving door op alle sectoren?

Handhaving van het investeringsvolume, dat de PTT in 1975 realiseerde, maakt een verlaging van de meerjarencijfers in de orde van grootte van 50 min. per jaar mogelijk. Door deze verlaging blijft het in 1975 gerealiseerde investeringsniveau, rekening houdend met prijsstijgingen, in elk van de jaren 1977 t/m 1980 ongeveer gelijk. Gelet op het grote aandeel van de telecomminicatievoorzieningen in de in-vesteringen van de PTT zullen de aanvankelijke investeringsbedragen vooral in deze sector worden verlaagd.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Economische

Zaken

  • Is de bijstelling van de bedragen voor de regionale ontwikkeling

zuiver budgettair van aard doordat het Europese fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) een aantal kosten van de projecten overneemt? Heeft dit ook direct consequenties voor de projecten zelf (structuurplan

Noorden des Lands en structuurplan Limburg)? Kunnen de bijstellingen

in samenhang met de bijdragen uit EFRO worden gekwantificeerd?

Wordt en -zo -ja -in welke mate, het netto voor het regionaal beleid beschikbare bedrag teruggebracht?

Kan hier een streven worden herkend van de Minister van Financiën om een verhoging van de Europese begroting waar mogelijk gepaard te doen gaan met een overeenkomstige

vermindering

van de nationale

begroting?

Het totaal van de bijstelling van de in de meerjarencijfers 1977-1980 opgenomen bedragen voor de regionale ontwikkeling beloopt f 92 min. De bijstelling past in het streven van de Regering om verhogingen van de Europese begroting waar mogelijk vergezeld te doen gaan van verlagingen van overeenkomstige posten in de nationale begroting. De doelstelling van de EFRO', de opheffing van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden, blijft onverlet. In dit verband zij er op gewezen dat in de Nota inzake de selectieve groei een aanzienlijke versterking van de regionale inspanningen wordt aangekondigd. Daarover zal, zoals bekend, in het najaar door de Minister van Economische Zaken een afzonderlijke beleidsnota worden uitgebracht. Ten slotte wordt nog opgemerkt, dat de bijdragen uit het fonds per project worden toegekend, waarbij een vaste voorwaarde is dat aan het project tevens nationale steun wordt toegekend.

Energiefonds

  • Betekent het schrappen van 167 min. uit het energiefonds en het niet opvoeren daarvan op de begroting dat in aanzienlijke mate wordt

afgezien van onderzoek, voorlichting

en stimulering

op het gebied van besparing

van energie en van alternatieve (niet-kernenergie)

energiebronnen?

Wat is «op dezelfde wijze» bij de behandeling van eventuele meeruitgaven in de komende jaren in de beleidssector

«energiefonds» ?

De 167 min. betreft het positieve saldo tussen de verwachte opbrengsten van de 3% heffing op elekticiteit en de geëxtrapoleerde uitgaven van het Energiefonds. Het schrappen van dit bedrag betekent derhalve geen wijziging in het voorgenomen beleid ten aanzien van onderzoek, voorlichting en stimulering op het gebied van besparing van energie en alternatieve (niet-kernenergie) energiebronnen. Met «op dezelfde wijze» wordt bedoeld dat eventuele meeruitgaven in de energiesector voortaan zullen worden betrokken in de prioriteitenbepaling van alle uitgaven van de rijksbegroting, met dien verstande dat -zoals ook in de Nota is meegedeeld -bij hogere aardgasbaten dan thans voorzien met name aan de in de energiesector liggende prioriteiten aandacht gegeven zal worden. 91. Wanneer komen de nadere mededelingen van de Minister van Economische Zaken betreffende de wijziging in de opzet van het Energiefonds? Wordt bij hogere aardgasbaten een percentage van de hogere opbrengst besteed aan projecten in de energiesector en -zo ja -welk

percentage?

Nadere mededelingen van de Minister van Economische Zaken met betrekking tot wijziging in het beleid ten aanzien van het Energiefonds en de fi-' Europees Fonds voor Regionale Ontwikkenanciering van de energie-uitgaven kunnen op korte termijn worden tegelin

moetgezien.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Het ligt niet in de bedoeling een bepaald percentage van eventuele hogere aardgasbaten dan thans voorzien aan projecten in de energiesector te besteden. Onderwijs en Wetenschappen

  • Kan de Regering een specificatie geven van de beperkingen met betrekking tot de exploitatiekosten, de scholenbouw, de rechtspositie in het voortgezet onderwijs, de verzorgingsdiensten en de faciliteiten voor de nieuwe lerarenopleiding?
  • Rechtspositie in het voortgezet onderwijs Ten aanzien van dit onderdeel zij verwezen naar punt 1 van het antwoord opvraag nr. 94.
  • Scholenbouw en exploitatiekosten voortgezet onderwijs Hieronder volgt een nadere kwantificering van de beperkingen op de scholenbouw en in de sfeer van de exploitatie-uitgaven voortgezet onderwijs. In de scholenbouw zal een opschuiving moeten plaatsvinden van de aanvangsdatum van de bouw van een aantal projecten. Dit moet resulteren in een besparing van 20 min. in 1977 tot 40 min. in 1980. In de sfeer van deex-ploitatie-uitgaven zal de budgettair toegestane prijsstijging van 4% in 1977 achterwege gelaten worden. Dit betekent een besparing van 25 min. in de jaren 1977 t/m 1980.

3.

Verzorgingsdiensten Bij verschillende diensten in de zogenoemde verzorgingsstructuur zal de geplande uitbouw worden getemporiseerd. In 1980 zal daarmee ongeveer 10 min. gemoeid zijn.

  • De faciliteiten van de nieuwe

lerarenopleidingen Bij de instituten van de experimentele lerarenopleiding, waarvan de eerste per 1 augustus 1970 zijn begonnen heeft voor de tot nog toe gestarte vakken een z.g. vooraanstellingsbeleid gegolden bij de benoeming van docerend personeel. Dit hield in, dat bij de start van een nieuw vak per 1 augustus van enig jaar het daarvoor toegestane docerende personeel reeds per 1 januari daaraanvoorafgaand kon worden benoemd, zulks tot het treffen van de nodige voorbereidende activiteiten. Dit vooraanstellingsbeleid leidde ertoe, dat voor de betrokken instituten extra ruimte geschapen werd tot aan het moment, dat het vak volqroeid is. Het ligt in het voornemen dit vooraanstellingsbeleid af te bouwen. In 1977 is hiermee een bedrag van ongeveer 8 min. gemoeid. 93. Wat zijn de overwegingen om bij verminderde beschikbaarheid van geld voor onderwijsdoeleinden, bij verminderde vraag naar kleuteronderwijs (als gevolg van een teruglopend geboortencijfer) en bij een numerus clausus in verschillende wetenschappelijke studierichtingen, nochtans het reeds door voorgaande bezuinigingen sterk afgeslankte wetenschappelijk onderwijs verder in te krimpen, terwijl bij het kleuteronderwijs de leerlingenschalen verlaagd worden?

De vermindering van de vraag naar kleuteronderwijs wordt inderdaad veroorzaakt door de teruglopende geboortecijfers. Dit leidt tot een exogene vermindering van het aantal arbeidsplaatsen in het kleuteronderwijs, waarme-de bij de ramingen reeds rekening is gehouden. In de Nota «De groepsgrootte in het onderwijs» is gesteld dat, zowel om onderwijskundige redenen als met het oog op de werkgelegenheid bij de verlaging van de groepgrootte in ieder geval voorrang dient te worden verleend aan maatregelen ten behoeve van het kleuteronderwijs en het gewoon Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

lager onderwijs boven maatregelen ten behoeve van het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs. Rekening houdend met de reeds ingezette vernieuwing in het basisonderwijs, is het noodzakelijk voor een goede individuele aandacht voor de leerlingen de groepsgrootte van deze takken van onderwijs te verlagen. Voor de toekomstige ontwikkeling naar het geïntegreerde basisonderwijs klemt dit des te meer. Om deze reden heeft de Regering gemeend de voorgenomen schaalverlagingen te moeten handhaven.

  • Welke specifieke elementen in de rechtspositie van leraren worden gewijzigd? Cumuleren deze met wijzigingen, die de Regering van plan is ten aanzien van de rechtspositie van alle ambtenaren? Welke kans is er dat het georganiseerd overleg de wijzigingen en rechtspositie zal aanvaarden? Wat is het beleid als aanvaarding achterwege blijft?
  • Het ligt met name in het voornemen met ingang van 1 januari 1977 wijziging te brengen in de berekeningswijze van de kindertoelage voor onderwijsgevenden, voorzover zij een deelbetrekking vervullen. Deze nieuwe berekeningswijze zal (mede op verzoek van de Algemene Rekenkamer) meer in overeenstemming zijn met de wijze waarop de kinderbijslag volgens de KWL voor parttimefuncties wordt bepaald. 2. De Regering gaat ervan uit dat het mogelijk is de wijzigingen in de rechtspositionele sfeer tot genoemde bedragen aan te brengen. Beantwoording van het tweede gedeelte van de vraag is dus niet opportuun. Academische Ziekenhuizen
  • Wat is de inhoud van de toegezegde beslissing terzake omvang en taakstelling van nieuw te bouwen academische ziekenhuizen?

Waar in de «Nota over het te voeren beleid» ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid wordt gesproken van zomerreces is bedoeld het moment waarop de Regering de besprekingen rond de begroting 1977 in hoofdlijnen hoopt te hebben afgerond. De Regering is dezer dagen begonnen met de behandeling van dit zeer complexe vraagstuk. Het zou onjuist zijn thans op het resultaat van deze behandeling vooruitte lopen.

  • Betekent een aanpassing van de tarieven van de academische ziekenhuizen niet een verschuiving tussen overheid en sociale verzekering die per saldo geen ombuiging van de collectieve uitgaven oplevert? Aan wie worden de hogere tarieven uiteindelijk in rekening gebracht? Betekent de aanpassing van de tarieven voor verrichtingen een gedeeltelijke toepassing van het z.g. profijtbeginsel? Hoe werken deze verhogingen door op de premies van ziekenfonds-en particuliere

ziektekostenverzekeringen?

De voorstellen beogen een beleidsombuiging tot een bedrag van 60 min. gulden. De helft daarvan wordt gerealiseerd middels een beperking van de exploitatiekosten. De andere helft beoogt de rijksuitgaven met een zelfde bedrag te verlagen middels tariefsverhoging. Per saldo is hier dus sprake van een ombuiging van de collectieve uitgaven met 30 min. gulden. Middels tariefsverhoging zal ook een bedrag van 30 min. gulden ten laste komen van de ziektekostenverzekeringen. Of hierbij ook sprake is van een toepassing van het profijtbeginsel kan niet zonder meer gesteld worden. Beantwoording van deze vraag hangt af van de vraag of de huidige tarieven kostendekkend zijn voor het gezondheidszorgdeel van de academische ziekenhuizen. Hieromtrent kan op dit moment geen definitief antwoord gegeven worden.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Welzijnssector ca.

  • Is de bezuiniging in de gezinssector (CRM) gelegen op het terrein van de bejaardenzorg? Hoe kunnen de besparingen in de gezinsverzorging een bijdrage leveren tot een stringent opnemingsbeleid, zoals gesteld in de bij lage (paragraaf 5.3., derde alinea)?

Voor een gedeelte zal de vermindering van voor gezinsverzorging te besteden bedragen een vermindering van de groei inhouden. Voorts zal getracht worden vermindering in geld te bereiken zonder de hulpverlening te verminderen met name door gebruikmaking van het instituut van de bemiddelingshulp. Ten aanzien van de gezinsverzorging voor bejaarden wordt er ten overvloede op gewezen, dat een niet onaanzienlijke uitbreiding in het recente verleden al is gerealiseerd om de gevolgen van een stringenter opnemings-beleid van bejaarden in bejaardenoorden op te vangen.

  • Zal op de kunstsubsidies worden bezuinigd ten einde in de pas te blijven met de beperkingen die worden voorgesteld voor de vrije beroepen?

Voor de subsidies in de sector Kunsten zullen eventuele algemene maatregelen in het kader van het inkomensbeleid die gelden voor de vrije beroepen, uiteraard bij de beleidsbepaling een rol moeten spelen.

Volkshuisvesting

  • Wat is de Regering voornemens te doen wanneer de verwachte toeneming in de vraag naar vrije sectorwoningen zich niet voordoet? In welke mate blijft de bouw van deze woningen thans bij het programma achter? Ten koste van welke andere sector(en) zal de uitbreiding van de vrije sector moeten verlopen?

De aantallen bouwvergunningen die in de eerste maanden van 1976 voor woningen in de vrije sector zijn verleend, steunen de veronderstelling dat de vraag in deze categorie aantrekt. In het eerste kwartaal werden 4638 (1975: 4305) vergunningen verleend en in april 2277 (1975: 1962). Ook het aantal begonnen vrijesectorwoningen beweegt zich thans weer in stijgende lijn: tot en met april 7625 (in 1975: 7417). Van een achterblijven bij de raming die in het Bouwprogramma 1976 is neergelegd, is derhalve geen sprake. De toeneming van het aantal vrijesectorwoningen zal het mogelijk maken om het aantal gesubsidieerde woningen iets te verminderen, zonder de voorziening in de woningbehoefte en de werkgelegenheid in de bouwnijverheid te schaden. De verdeling van deze vermindering over de verschillende sectoren zal mede afhankelijk moeten zijn van de bouwinitiatieven die binnen deze categorieën worden ontplooid.

  • Geldt nog steeds als uitgangspunt van regeringsbeleid (zoals geschetst in de nota huur-en subsidiebeleid) dat de modale werknemer zonder individuele huursubsidie in staat moet zijn een nieuwgebouwde

woningwetwoning te bewonen? Zo ja, wat is het huurniveau waarbij dit uitgangspunt op dit moment kan worden gerealiseerd en wat is het feitelijke huurniveau van gereedgekomen nieuwe

woningwetwoningen?

De Regering stelt zich nog steeds op het standpunt dat een werknemer die nog juist behoort tot de groep wier inkomens een modale ontwikkeling doormaakt («de modale werknemer») een normale nieuwgebouwde woningwetwoning moet kunnen bewonen tegen aanvaardbare woonlasten, zonder een beroep op individuele huursubsidie te moeten doen. Het belastbare jaarinkomen van de modale werknemer bedraagt in 1976 naar schatting ruim f 21000 en de te verwachten gemiddelde huurprijs van gewone Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

woningwetwoningen die dit jaar gereedkomen f 3360 per jaar (de vaststelling van definitieve huurprijzen geschiedt na financiële afwikkeling voor veel gereedkomende woningen pas in 1977). Dit betreft een landelijk gemiddelde van de z.g. «kale huurprijs», en beloopt dan ongeveer 16% van het eerder genoemde inkomen. In de Nota Huur-en subsidiebeleid werd voor de bedoelde inkomensgroep 17% als aanvaardbaar beschouwd. Met het oog op een gewenst geachte matiging van de marginale normhuurquote is dat percentage voor de opstelling van de geldende tabel voor de individuele huursubsidies tot 15% verlaagd. De conclusie moet dan ook zijn dat thans enige spanning is ontstaan tussen de normhuurprijs en de feitelijke huurprijs, waardoor het zich kan voordoen, dat een aantal «modale werknemers» die een nieuwe woningwetwoning betrekken, een beroep doet op de regeling voorde individuele huursubsidie. 101. Klopt het dat de meerjarenraming, zoals die bij de begroting voor 1976 aan het parlement werd voorgelegd, een uitgavenontwikkeling voor de individuele huursubsidies kende, die overschreden zal moeten worden vanwege de ontwikkeling van het aantal aanvragen en van het subsidiebedrag dat per aanvrager dient te worden uitgekeerd?

Blijkens recente gegevens ziet het er inderdaad naar uit dat als gevolg van de ontwikkeling van het aantal aanvragen en gemiddeld subsidiebedrag de meerjarenramingen voor de individuele huursubsidies zullen worden overschreden. In de voorjaarsnota is inmiddels met deze ontwikkeling rekening gehouden. 102. Is een blijvende lagere rentestand -mede basis voor de verlaging van objectsubsidies -in overeenstemming met het algemene beleid dat een explosieve ontwikkeling van het financieringstekort inhoudt? Is een lagere rentestand niet een te onzekere factor om een structurele maatregel als deze op te baseren? Hoe denkt de Regering de tekorten die ontstaan door bijpassing van de objectsubsidie op te vangen als de rentestand weer stijgt?

De verwachting is dat de vergroting van het financieringstekort tot 1980, zonder extra druk op het renteniveau kan worden gerealiseerd. Indien zich tot 1980 door andere oorzaken een hoger dan verwacht structureel renteniveau zou ontwikkelen, zullen in het kader van het totale uitgavenbeleid, ter realisering van de gewenste omvang aan beleidsombuigingsvoorstellen, compenserende maatregelen noodzakelijk worden. Niet iedere stijging van de rente zal tot bijstelling van de objectsubsidies behoeven te leiden. Indien de structurele ontwikkeling van de rente enigermate gaat afwijken van de verwachte ontwikkeling, zullen ter handhaving van de omvang van de beleidsombuigingsvoorstellen in het kader van het totale uitgavenbeleid compenserende maatregelen worden overwogen.

  • Zullen met de uitgavenverlaging binnen de homogene groep Huursubsidie ook andere dan de objectsubsidies worden getroffen? Wordt met betrekking tot de aanpassing van het objectsubsidie gedacht aan een tijdelijke bijstelling, gezien de huidige kostenontwikkeling (met een overigens reeds weer aantrekkende rentestand) of aan het structureel maken ervan? Wat is de omvang van de bezuiniging die zonder de verlaging van de dynamische kostprijshuur structureel te maken, reeds bij de huidige stand van zaken tot 1980 kan worden gerealiseerd? Wanneer gedacht wordt aan het structureel maken ervan, op welk niveau zal dat dan geschieden en wat zou het percentage van de trendmatige huurstijging worden bij dezelfde kostenontwikkeling, die leidde tot een kostprijshuurpercentage van 6,5 %? Welk deel van de 220 min. uit de homogene groep huursubsidie is feitelijk toe te schrijven aan een lagere rentestand en welk deel komt uiteindelijk voor rekening van woningexploitant en/of huurder?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

In de homogene groep huursubsidies bedragen objectsubsidies circa 40% van de totale uitgavenverlaging. Indien de structurele ontwikkeling van de dynamische kostprijshuur niet het verwachte verloop mocht vertonen, zullen ter handhaving van het gewenste structurele uitgavenniveau compenserende maatregelen worden genomen. Er wordt bij een tegenvallende kostenontwikkeling niet gedacht aan het structureel maken van de uitgavenverlaging bij de objectsubsidies door het kiezen van een hoger huurstijgingspercentage dan de trendmatige huurstijging van 8%. De ombuigingsvoorstellen voor de homogene groep huursubsidies die voor 1980 circa 220 min. belopen, hangen voorcirca 40% samen met de verlaging van de dynamische kostprijshuur. De overige voorstellen in deze groep hebben nog voor circa 25% betrekking op subsidies voor huurwoningen. 104. In welke mate is na de verlaging die in het kader van de meerjarenraming in de orde van grootte van 175 min. werd toegepast op de stadsvernieuwingsposten, het in de lopende begroting geraamde uitgavenniveau onvoldoende om ingediende plannen te kunnen honoreren? In welke mate is voor de komende jaren een verhoging van het uitgavenniveau voorde stadsvernieuwing gegarandeerd? Tot welk jaar zullen de subsidies in de sfeer van de stadsvernieuwing op het peil 1976 gehandhaafd blijven?

De meerjarenramingen voor de homogene groep stadsvernieuwing zullen voor de jaren 1977 tot en met 1980 met een bedrag van 106 min. worden bijgesteld. Het grootste deel -nl. 98,5 min. -van deze bijstelling vloeit voort uit het bevriezen op het niveau 1976 van de vaste bijdrage in het kader van twee subsidieregelingen, te weten de vaste bijdrage verhuiskostenvergoeding en de vaste bijdrage afbraak krotten. Het in de lopende begroting geraamde uitgavenniveau voor sanerings-, reconstructie-en rehabilitatieplannen is niet aangetast en moet naar verwachting toereikend worden geacht om reeds ingediende en nog in te dienen plannen te honoreren. De garantie voor een adequaat uitgavenniveau voor de stadsvernieuwing binnen het totaal van het rijksbudget is gelegen in de hoge prioriteit, welke het kabinet bij voortduring aan de stadsvernieuwing toekent.

Spreiding van rijksdiensten

  • Bij ongewijzigd beleid zal tot en met 1980 een meevaller ad 100 min. optreden. Wordt de problematiek na 1980 met ditzelfde bedrag belast? Past dit in deze opzet?

Bij ongewijzigd beleid ten aanzien van de spreiding rijksdiensten zal tot en met 1980 een meevaller resulteren van ca. 100 min. Dit houdt inderdaad in dat na 1980 met deze uitgaven moet worden gerekend. Bij de opstelling van de meerjarencijfers is er destijds van uitgegaan dat de ten laste van Binnenlandse Zaken komende uitgaven voor de spreiding in de jaren 1979 en 1980 hun hoogtepunt zouden bereiken en dat daarna weer ruimte zou ontstaan als gevolg van het teruglopen van deze uitgaven. Naar het zich thans laat aanzien zal deze dalingstendens in het uitgavenniveau na 1980 zich wat langzamer voltrekken.

Ontwikkelingssamenwerking

  • Zal de samenstelling van de bedragen die voor ontwikkelingssamenwerking zijn/worden uitgetrokken (z.g. hulpplafond) gewijzigd worden, terwijl het totaal bedrag gelijk blijft aan dat van de

meerjarenramingen1976, behoudens het aandeel van ontwikkelingssamenwerking in de blokkade bij de prijsreserve?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

De veronderstelling dat het bedrag, bestemd voor ontwikkelingssamenwerking gelijk blijft en dat slechts wijzigingen optreden in de samenstelling van dat bedrag, is juist.

  • Hoe groot is per 1 januari 1976 het z.g. stuwmeer en tot welke bedragen is dat gecommitteerd?

De overloop voor ontwikkelingssamenwerking van de begroting 1975 naar 1976 bedraagt naar de huidige inzichten rond 725 min. Deze bedragen zijn gecommitteerd. Binnenkort komen de definitieve cijfers beschikbaar.

  • Is met de Surinaamse regering overeenstemming bereikt over het deel van de kosten van opvang en bijstand van Surinamers hier te lande dat ten laste van het hulpplafond zal komen? Hoe groot is dat deel?

Het ligt niet in de bedoeling de kosten van opvang en bijstand van Surinamers hier te lande te brengen ten laste van het overeengekomen bedrag voor de hulpverlening aan Suriname. Hierover zal dan ook geen overleg plaatsvinden met de Surinaamse regering.

Wetenschapsbegroting

  • Is op dit gebied niet een grotere ombuiging in de nationale begrotingskredieten mogelijk en wel zonder belangrijke aantasting van de onderzoekscapaciteit, nl. door krachtig te streven naar grotere integratie in hetEuropese researchprogramma?

De Regering streeft met kracht naar een verdergaande samenwerking in Europa op het gebied van wetenschapsbeoefening en coördinatie van onderzoek. Dit vindt zijn uitwerking onder meer in overleg, dat in EG-verband gevoerd wordt in het kader van de CREST en de COST. Enkele samenwerkingsverbanden zijn tot stand gekomen en de mogelijkheid van coördinatie op andere gebieden wordt onderzocht, bij voorbeeld op medisch gebied. Grotere integratie in Europees verband welke vanuit het gezichtspunt van de doelmatigheid zeker onderschreven kan worden, heeft nog niet een zodanig niveau bereikt, dat nationaal een inkrimping van het begrotingsvolume op dit punt kan worden overwogen zonder dat dit het onderzoekpotentieel zou schaden.

Personeelsuitgaven

  • Voorgesteld wordt om het groeipercentage van de personeelsuitgaven jaarlijks met 1/2% te verlagen. Geldt dit voor de toename van het aantal ambtenaren -zo ja, voor welke aantallen in elk van de jaren? -of voor de gemiddelde stijging van de incidentele looncomponent voor elk van de jaren? Welke zijn de effecten op de onderscheiden begrotingshoofdstukken

van de voorgenomen wijzigingen in de rechtspositie van de ambtenaren? Hoeveel arbeidsplaatsen worden door deze bezuiniging minder gecreëerd bij de overheid dan was voorzien?

De voorgestelde geringe beperking in de groei van de personeelsuitgaven met 0,5%, waardoor de groei 2 in plaats van 2,5% zal bedragen, wordt mogelijk geacht door een aantal factoren. Zij zal moeten worden gezocht in een beperking van de groei van het personeelsbestand, zulks mede in samenhang met andere beperkingen en heroverwegingen. Hoewel de aspecten van de werkgelegenheid niet uit het oog mogen worden verloren zal voortdurend aandacht moeten worden geschonken aan de mate waarin gewenste personeelsuitbreidingen ook werkelijk noodzakelijk zijn en aan de mogelijkheden om in bepaalde situaties tot vermindering van de personeelsbezetting te komen.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Daarnaast zal met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gestreefd moeten worden naar een personeelsbeleid waarvan de kosten, ook voor zover die tot uitdrukking komen in de incidentele looncomponent volledig verantwoord zijn. Hierbij moet onder andere ook worden gedacht aan extra periodieken en salarisinpassingen. Gezien de ingewikkeldheid van de problematiek kan in dit stadium nog geen specificatie van de beoogde besparing worden gegeven.

  • Is de jaarlijkse gemiddelde stijging van de loonsom per ambtenaar met 1 % in zijn netto-effecten dezelfde als de nagestreefde gemiddelde stijging reëel beschikbaar inkomen modale werknemer van 7'ƒ? % per jaar?

De jaarlijkse gemiddelde stijging van de loonsom per ambtenaar met 1 % wordt veroorzaakt door een groot aantal factoren. Een ervan is bij voorbeeld de groei van het personeelsbestand in het recente verleden waardoor thans het aantal personen dat nog niet het maximum van de schaal heeft bereikt, relatief groot is. Mede op grond van deze en andere oorzaken kan niet worden gesteld dat een incidentele loonstijging van 1 % tot gevolg heeft dat het reëel beschikbaar inkomen van de modale werknemer met 1,5% toeneemt. Het is bij een stationaire bezetting mogelijk dat er in totaal (afgezien van algemene salarismaatregelen) geen loonstijging optreedt doch dat ieder in-dividu wel een jaarlijkse stijging van het reëel beschikbaar inkomen ontvangt. 112. Cumuleren de voorgenomen wijzigingen in de personele sfeer zoals die bij Defensie en Onderwijs staan vermeld, met de algemene beleidsvoornemens ter zake zoals die onder Personeelsuitgaven staan vermeld?

De algemene beleidsvoornemens zoals deze zijn vermeld onder Personeelsuitgaven staan los van de voorgenomen wijzigingen in de personele sfeer bij de Ministeries van Defensie en Onderwijs en Wetenschappen. In hoeverre cumulatie zal optreden is nog niet aan te geven.

HOOFDSTUK IV. SOCIALE VOORZIENINGEN Inleiding 113. Hoe hoog is als percentage van het netto nationaal inkomen het totaal van de inkomens (salaris, pensioen, overdracht, uitkering) dat uitpublieke middelen en sociale fondsen betaald wordt?

Het totaal der inkomens (salaris, pensioen, overdrachten en uitkeringen) dat uit publieke middelen en sociale fondsen inclusief pensioenfondsen betaald wordt bedraagt 44% van het netto nationaal inkomen (marktprijzen).

  • Is de Regering bereid de studie van de Interdepartementale

commissie inzake coördinatie en kostenbeheersing van de sociale verzekering aan de Kamer over te leggen?

Het ligt niet in de bedoeling de verschillende studies van de lnterdepartementale Commissie inzake Coördinatie en Kostenbeheersing van de Sociale Verzekeringen te publiceren. De commissie is met opzet vrijheid gelaten naar eigen goeddunken vingeroefeningen te verrichten. De relevante resultaten van die studies zijn in de bijlage van de nota verwerkt.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Kan nader worden aangegeven hoe de hechtere onderlinge aansluiting van de sociale voorzieningen enerzijds en het beleid anderzijds ter verbetering van de arbeidsomstandigheden en het arbeidsklimaat en de (her)inschakeling van arbeid gerealiseerd zullen worden? Wordt hierbij met name gedacht aan het effect van het beleid, aangekondigd in de werkgelegenheidsbrief van september 1975 en aanwijzing van de wet plaatsing invalide arbeidskrachten?

In hoofdstuk IV van de bijlage is onder de paragrafen 2.1 t/m 2.2.2 nader ingegaan op de onderlinge aansluiting van de sociale voorzieningen en het beleid ter verbetering van de arbeidsomstandigheden en het arbeidsvoorzieningenbeleid. Het samenspel en de coördinatie bij onderzoek (bij voorbeeld naar vermijdbaar ziekteverzuim) en uitvoering (op het terrein van de revalidatie, (her)scholing, passende arbeid, bij voorbeeld) zullen moeten worden verbeterd. Hierbij wordt mede gedacht aan het effect van het werkgelegenheidsbeleid, zoals dat bij verschillende gelegenheden is aangekondigd, aan de wet plaatsing invalide arbeidskrachten en andere maatregelen in de hiervoor aangehaalde paragrafen bedoeld.

  • Op welke wijze en in welk tempo zal de bijzondere aandacht voor de vereenvoudiging en grotere doorzichtigheid van het stelsel van sociale voorzieningen worden waargemaakt? Wordt hierbij ook gedacht aan vereenvoudiging van de uitvoering door het integreren van de

uitvoeringsorganisaties?

Sedert de publikatie op 9 oktober 1972 van het zogenaamde Alternatievenrapport, uitgebracht aan de SER door het Raadgevend Bureau Ir. B.W. Berenschot NV en het Raadgevend Efficiencybureau Bosboom en Hegener NV is er nauwelijks enige voortgang gemaakt met betrekking tot het vereenvoudigen en een grotere efficiency van de stelsels van sociale voorzieningen in de uitvoeringsorganisatie. Met het oog op de daarbij betrokken maatschappelijke belangen acht de Regering het niet verantwoord deze vraagstukken langer te laten rusten. Mede uit een oogpunt van kostenbeheersing zal een ambtelijke projectgroep, uitgebreid met externe deskundigen en met inschakeling van een organisatiebureau op korte termijn zich beraden op noodzakelijke wijzigingen in de uitvoerings-en beheersstructuur, alsmede op wenselijke stelselwijzigingen. Daarbij is vanzelfsprekend ook de vraag naar eventueel wenselijke integratie van uitvoeringsorganisaties aan de orde. Gelet op de complexiteit van deze vraagstukken kunnen in dit stadium geen toezeggingen worden gedaan met betrekking tot de wijze en tempo van de vereenvoudiging van stelsels en uitvoering.

  • Wordt bij de versterking van solidariteitselementen in de sociale voorzieningen ook gedacht aan de uitwerking van de gedachte van verdere integratie premie-en belastingheffing?

Bij de versterking van solidariteitselementen in de sociale verzekering zijn de financiering en lastenverdeling belangrijke aandachtspunten. Zonder thans daarbij enige uitspraak te kunnen doen wordt opgemerkt dat daarbij zeker niet voorbij zal kunnen worden gegaan aan de mogelijkheid van verdergaande integratie van premie-en belastingheffing.

  • Kan worden aangegeven wat de extra kosten zullen zijn van een effectief tegengaan van het oneigenlijk gebruik en een verbetering van de uitvoering van sociale voorzieningen? Hoe denkt het kabinet in de sector van de gezondheidszorg een adequaat controlesysteem op verstrekkingen en declaraties te kunnen realiseren? Is bij de raming van de ombuiging op deze terreinen met deze extra kosten rekening gehouden?

Het tegengaan van het oneigenlijk gebruik geschiedt door de op blz. 56 aangegeven maatregelen, welke omvatten een betere coördinatie tussen de Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

uitvoeringsorganen onderling en tussen deze en de organen der arbeidsvoorziening, door een vereenvoudiging van de uitvoeringsorganisaties, door aangepaste controlemaatregelen en door het meer doorzichtig maken van de sociale verzekering. Bovendien zullen de bestaande wetten worden gewijzigd naar aanleiding van de door de Sociale Verzekeringsraad uitgebrachte rapporten over het oneigenlijk gebruik. Verwacht wordt dat deze maatregelen uiteindelijk kostenbesparend zullen werken. Het realiseren van een adequaat controlesysteem op verstrekkingen en declaraties in de gezondheidszorg is ten aanzien van een aantal verstrekkingen reeds in gang gezet in het kader van de overeenkomsten tussen de ziekenfondsen en de medewerkers. Daarnaast worden op het betrokken departement de voorstellen hiervoor van de commissie-Becht nader bezien. De mogelijkheden om aan een apart orgaan een toeziende en begeleidende taak ten aanzien van de controle door de ziekenfondsen op te dragen worden in de overwegingen betrokken.

  • Welke concrete mogelijkheden ziet de Regering -mede gezien het terzake gestelde in de bijdrage -om het afwentelingseffect te beperken?

In het overleg met de sociale partners met betrekking tot het arbeidsvoorwaardenbeleid wordt aan dit aspect aandacht gegeven. Omtrent aard en omvang van de uiteindelijke afwenteling van de lasten der sociale verzekering is echter nog weinig bekend. In opdracht van het Ministerie van Financiën wordt naar deze problematiek een onderzoek ingesteld door het Fiscaal-Economisch Instituut van de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Overigens leidt de 1 %-operatie op zich zelf niet tot lastenverzwaring, dus niet tot versterking van afwenteling.

  • Is het waar dat de inflatie in de collectieve uitgaven betrekking hebbend op sociale voorzieningen -ondermeer door de automatische aanpassingen -gemiddeld sterker doorwerkt dan in de overige collectieve uitgaven? Het is op zich zelf juist dat door automatische aanpassingen de sociale voorzieningen sneller stijgen dan de overige collectieve uitgaven. De sociale voorzieningen worden immers in het algemeen aangepast aan de lonen. Het lijkt echter niet juist deze snellere stijging aan de inflatie toe te schrijven. De stijging van de lonen, en dus van de uitkeringen, bestaat namelijk uit drie componenten namelijk prijsstijging (= inflatie), compensatie van lastenstijgingen en reële inkomensverbetering. De stijging van de uitkeringen als gevolg van loonindexering beïnvloedt overigens niet de premiedruk, omdat ook de inkomsten zich ontwikkelen met de lonen.
  • Is het ook mogelijk een kwantitatieve indicatie te geven van de ontwikkeling van het aantal uitkeringstrekkers en premiebetalers?

De ontwikkeling van de uitkeringen wordt niet alleen bepaald door het verloop van het aantal personen dat uitkering ontvangt, maar ook door andere factoren, zoals toename van het ziekteverzuim, verschuivingen tussen invaliditeitsklassen en dergelijke. Te zamen met het aantal uitkeringsgerechtigden vormen deze laatste factoren de zogenaamde volumecomponent in de uitkeringen. Bij de ramingen opgesteld voor de periode 1976-1980 is van het navolgende verloop van de volumecomponent uitgegaan (gemiddelde jaarlijkse toename respectievelijk afname) AOW +2,5% AWW +1,0% KWL +2,0% AKW -0,5% Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

ZW

+2,5% ZFW

+1,0% AWBZ +3,0%

Ten aanzien van de WAO is een enigszins degressief verloop van de volumecomponent verondersteld, aflopend van +9% in 1976 tot +5% in 1980. Het aantal uitkeringsgerechtigden dat een werkloosheidsuitkering zal krijgen zal in verband met de stijgende werkloosheid tot 1980 bij ongewijzigd beleid vanzelfsprekend ongeveer in dezelfde mate toenemen. Wat het aantal premiebetalers betreft kan worden opgemerkt, dat het verloop van dit aantal voor wat de werknemersverzekeringen betreft ongeveer overeenkomt met de ontwikkeling van de beroepsbevolking werkzaam in bedrijven en bij de volksverzekeringen met die van de totale beroepsbevolking. Ten aanzien van de voor de periode 1976-1980 te verwachten ontwikkeling van de beroepsbevolking is door het Centraal Planbureau een prognose gemaakt in tabel 1 van de Macro-Economische Verkenning van de Nederlandse Economie in 1980. Volstaan moge worden met naar deze tabel te verwijzen. 122. Hoeveel arbeidsplaatsen zijn nodig om maatregelen gericht op (her)-inschakeling in de arbeid effectief te maken?

Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel arbeidsplaatsen nodig zijn om maatregelen gericht op (her)inschakeling in de arbeid effectief te maken. In par. 2.2.2. van hoofdstuk IV van de bijlage is in algemene zin aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan om bedoelde maatregelen te effectueren. 123. Zal een bezien van de maximumuitkering in relatie tot de doelstellingen van het inkomensbeleid (bijlage paragraaf 2.2) ook dienovereenkomstige consequenties hebben voor de premiekant?

Een eventuele herziening van de maximumuitkering behoeft op grond van een op de solidariteitsgedachte gebaseerde rechtvaardige verdeling van de toenemende lasten van ons sociale zekerheidsstelsel niet noodzakelijkerwijs consequenties te hebben voor het maximumdagloon waarover premie wordt berekend. Dit vraagpunt zal overigens bij de studie worden betrokken.

  • Kan het zoeken van beperkingen van sociale voorzieningen in de volumesfeer ertoe leiden dat wie tot en met 1976 aanspraken verwerft, veilig zit, terwijl ieder daarna getroffen wordt door beperkingen?

Beperkingen van de sociale voorzieningen in de volumesfeer zullen als regel het gevolg zijn van maatregelen, die een beroep op sociale voorzieningen zullen voorkomen, zoals arbeidsvoorzienings-en arbeidsbevorderende maatregelen, bestrijding van vermijdbaar ziekteverzuim en het tegengaan van oneigenlijk gebruik. Deze beperkingen worden derhalve niet gezocht in het ontnemen van (terechte) aanspraken.

A. Gezondheidszorg

  • Kan een overzicht worden gegeven van de in 1975 bereikte resultaten met de inkrimping van beddencapaciteit van algemene ziekenhuizen op grond van het reeds hanteren van de 4% norm, aangezien in 1977 nog goeddeels op dezelfde basis zal moeten worden geopereerd?

De concretisering van het 4 pro mille-beleid zal zich slechts zeer geleidelijk kunnen voltrekken. In 1975 is voor het eerst het aantal bedden met ca. 100 verminderd. Voorts zijn thans in een aantal regio's herstructureringsprocessen in gang gezet, waarbij inkrimping van beddencapaciteit bereikt zal worden in het kader van nieuwbouwinitiatieven en fusies.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Welke concrete maatregelen zullen in 1976 nog worden voorgesteld om de beoogde besparing van 405 min. in 1977 te bereiken?

Voor het jaar 1976 zal in hoofdzaak het beleid van de afgelopen jaren gecontinueerd worden. De invoering van de extra maatregelen die thans zijn voorgesteld zal overleg vergen met de betrokkenen. In hoeverre nog dit jaar maatregelen kunnen worden genomen is daar in grote mate van afhankelijk. Ten departemente wordt een draaiboek opgesteld voor de uitvoering van de diverse maatregelen.

  • Welke effecten zullen de voorgenomen maatregelen hebben op de feitelijke werkgelegenheid in de sector gezondheidszorg in de jaren 1977 t/m 1980? Aangezien het bij het afremmen van de uitgaven in eerste instantie gaat om het afremmen van de groei wordt hiermede de bestaande feitelijke werkgelegenheid niet direct in gevaar gebracht. De groei van het aantal arbeidsplaatsen in deze sector wordt afgeremd. Op de lange termijn zal het realiseren van de beperking van het aantal bedden in algemene ziekenhuizen weilicht enig effect hebben op het bestaande aantal personen daarin werkzaam. Verwacht mag echter worden, gezien de grote mate van substitutie in de zorgpatronen, dat voldoende vervangende werkgelegenheid aanwezig is.
  • In welke mate wordt uitgegaan van een verschuiving van arbeidsplaatsen van de intranaarde extramurale gezondheidszorg in de jaren 1977 t/m 1980 en welke stijging van uitgaven zal hiermede gepaard gaan? Hoe valt in dit kader een beperking op de kruisorganisaties -zoals vermeld in hoofdstuk III, paragraaf 2, onder het kopje 'Welzijnssector' -te verklaren? Om welke bedragen gaat het hierbij?

De bedragen, welke op de subsidiëring van het kruiswerk in mindering worden gebracht, liggen in de orde van grootte van resp. f 6 min., f 12 min., f 18 min. en f 24 min. Enige afwijking moet daarbij worden voorbehouden in verband met het niet verdelen van de in de Miljoenennota opgenomen reserve voor hogere prijsstijging (vide blz. 8 van de nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid). Aan deze vermindering van het subsidie ligt de overweging ten grondslag, dat enige verhoging van de contributies mogelijk is en dat aldus geen beperking van de activiteiten van het kruiswerk behoeft op te treden.

  • Kan nader worden aangegeven op welke wijze de besparingen in de diverse jaren als gevolg van beperking van de beddencapaciteit in algemene ziekenhuizen als saldo van plus en minkosten tot stand zijn gekomen?

In het algemeen moet gesteld worden dat een vermindering van het aantal bedden in algemene ziekenhuizen slechts geleidelijk tot besparingen kan leiden. Daarenboven is het van belang op welke wijze de beddenbeperking wordt gerealiseerd. Volledige sluiting van een afdeling gekoppeld aan vervangende zorgverlening of beperking middels fusie en nieuwbouw. Het werkelijke effect van de beddenbeperking is derhalve van vele factoren afhankelijk; vandaar dat er van uitgegaan is, dat slechts de helft van het totale aantal verpleegdagen tot bezuinigingen zal voeren.

  • Hoe is de toedeling van de voorgenomen besparingen op het uitgavenpakket ziekenfondsverzekering en AWBZ over de verschillende onderdelen over de diverse jaren?

Het toerekenen van de bedragen aan de diverse onderdelen van zorg opgenomen in de ziekenfondsverzekering en de AWBZ is vrijwel onmogelijk. In post A is bedoeld een algemene bezuiniging voor alle onderdelen van zorg. Van de 210 min. in 1980 moet ca. Va worden toegerekend aan de AWBZ en 2h aan de Ziekenfondsverzekeringen.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Aan welke nieuwe richtlijnen voor de exploitatie van gezondheidsvoorzieningen, die kostenverhogend werken, wordt gedacht? Moet de toelichting zo worden verstaan, dat het aantal en soort opleidingen in deze sector drastisch zal worden verminderd?

Als sectoren waarvoor op korte termijn nieuwe richtlijnen voor de exploitatie van kracht zullen worden kunnen worden genoemd de medische kindertehuizen, de medische kleuterdagverblijven, de instellingen voor zintuiglijk gehandicapten, de gezinsvervangende tehuizen en de dagverblijven voor gehandicapten. Over de door het COZ ter zake gedane voorstellen vindt nog overleg plaats. Op iets langere termijn zal het COZ nadere voorstellen voorleggen met betrekking tot de isotopenlaboratoria, de revalidatiedagbehandeling, specifieke personeelscategorieën in de algemene en psychiatrische ziekenhuizen en de revalidatiecentra. De toelichting is abusievelijk opgenomen onder A. Dit moet zijn C, en spreekt dan voor zich.

  • Hoe moet de thans opduikende 5% norm worden gezien? Is de 4% norm losgelaten? Hoe moet deze norm in verband worden gebracht met de capaciteit in academische en categorale ziekenhuizen?

Zoals in de reactie op het Rapport «Korte Termijn» van het College voor Ziekenhuisvoorzieningen reeds is gesteld, dient de 4 pro millenorm geleidelijk te worden gerealiseerd. Het streven naar een beddencapaciteit van 5 pro mille in 1980 wordt als het maximaal mogelijke beschouwd, met name gezien de noodzaak om de continuïteit van de zorgverlening niet te verstoren. Van het loslaten van de 4 pro millenorm is derhalve geen sprake. Overigens zijn de bedden in academische en categorale ziekenhuizen begrepen in de 4 pro millenorm en dus eveneens in de beleidsdoelstelling van 5 pro mille in 1980. 133. Kan een herberekening van de besparingen in de gezondheidszorg worden gemaakt naar bezuinigingen aan de aanbodszijde (ziektenhuizen, in-clusief academische, tarieven en honoraria, prijzen geneesmiddelen, enz.) en bezuinigingen op de sociale ziektekostenverzekering (betere indicatietelling, bevordering doelmatigheid in de uitvoering)?

De gevraagde herberekening is op korte termijn niet te maken.

  • Welke besparing in de premiedruk zou kunnen worden bereikt bij in-voering van een zogeheten «eigen risico» van f 100, f200, f300, f 400 per verzekerde per jaar of per gezin?

Eigen risico zou in het licht van de 1 %-operatie slechts relevant zijn voor zover daardoor een vermindering van de medische consumptie zou ontstaan. Het is echter zeer twijfelachtig of dit ook werkelijk het geval is. In het algemeen betekent het invoeren van een eigen risico geen besparing op de kosten van de gezondheidszorg, maar een verschuiving van de financieringslast. Een eigen risico van f 100 per verzekerde per jaar zou een verlichting van de premielast van ca. 10% betekenen er van uitgaande dat iedere verzekerde ten minste voor f 100 per jaar medische zorg verkrijgt.

  • Op welke gegevens is de schatting dat in de bouw ca. 15 % van het investeringsbedrag betrekking heeft op functie-uitbreiding gebaseerd? Welke criteria zullen voor functie-uitbreiding worden gehanteerd? Kunnen de besparingen te behalen door het via erkenningen bevriezen van de functie-uitbreiding in bestaande algemene ziekenhuizen, nader worden onderbouwd?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

De 15% van het investeringsbedrag dat betrekking heeft op functie-uitbreiding bij nieuwbouw, berust op de ervaring dat na nieuwbouw in de ex-ploitatiesfeer, een incidentele tariefsverhoging blijkt van ca. 10% a 15%, ten gevolge van de functieverbreding. Aannemende dat er een directe relatie is tussen de investeringen en de exploitatielasten mag dan ook 10 a 15% van het investeringsbedrag worden toegerekend aan de functieverbreding.

Thans geldt voor de behoefteplanning het Rapport «Korte Termijn» (toetsingscriteria) van het College voor Ziekenhuisvoorzieningen. Deze instantie is inmiddels benaderd met het verzoek de thans vigerende criteria te verfijnen, waarbij met name aandacht zal worden geschonken aan het aspect van de functieplanning. In dit verband zij gewezen op de methodiek, die in de adviezen van het College voor Ziekenhuisvoorzieningen gehanteerd wordt bij regio-onderzoekingen.

Uit het derde rapport van het basisonderzoek kostenstructuur ziekenhuizen blijkt dat de functieverbreding op basis van specialismen 2% per jaar bedraagt en op basis van faciliteiten 6%. De uitbreiding van het aantal soorten specialismen dat in een ziekenhuis werkzaam is zal ongetwijfeld kostenverhogend werken. Ook zonder uitbreiding van het aantal specialismen vindt functieverbreding plaats door uitbreiding van de faciliteiten. Ook dit werkt kostenverhogend. Met name is dit het geval doordat voorheen die functies in dat ziekenhuis nog niet werden uitgeoefend. Op grond van ervaringen bij het COZ wordt geraamd dat van de incidentele tariefstijging ca. 1 % moet worden toegeschreven aan deze ontwikkeling.

  • Kan het groeiend ziekteverzuim over de laatste 3 jaren nader worden uitgesplitst, naar sexe, aantal en duur van de gevallen en verdere verfijningen (bij voorbeeld kostwinners, gehuwde vrouwen, ongehuwden, geschoold, ongeschoold etc.)?

In het laatst verschenen Verslag Ziekengeldverzekering 1973, uitgave van de Sociale Verzekeringsraad, wordt op blz. 15 een vergelijkend overzicht gegeven van enige gegevens der ziekengeldverzekering over 1973 met die over vorige jaren. De Staat E van dat verslag geeft een overzicht van het aantal aangegeven gevallen, waarvoor uitkering is verleend, gesplitst naar geslacht; Staat H het aantal dagen waarover ziekengeld is uitgekeerd, gesplitst naar geslacht; Staat I het aantal dagen, de bedragen en de gemiddelde daguitkering; Staat J de duur van de ziektegevallen; Staat J-A en J-B idem naar leeftijdsgroepen en geslacht. Voor deze gegevens moge naar genoemd verslag worden verwezen. Meer gegevens staan ons momenteel niet ter beschikking.

B. De bijstand

  • Is beperking dan wel beëindiging van financiering van «welzijns»-instellingen via de algemene bijstandswet uit een oogpunt van lastenverlichting interessant indien en voorzover als gevolg daarvan die instellingen ten laste van het sociale zekerheidspakket gaan komen, waarbij in tegenstelling tot de financiering via de bijstandswet niet met eigen middelen van de gebruiker wordt gerekend?

Dit zal uit een oogpunt van lastenverlichting interessant zijn omdat de ongeregelde groei dan beheerst zal kunnen worden door middel van erkenningenbeleid. 138. Zal het kritisch bezien van instellingen die niet aan de voorwaarden voor erkenning voldoen niet leiden tot kostenverhogingen -het voldoen aan voorwaarden kost immers meestal geld -met name in de sfeer van de sociale verzekeringen?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

In een aantal gevallen zal inderdaad een kostenverhoging kunnen optreden door het opleggen van voorwaarden; in andere gevallen echter zullen de mogelijkheden tot kostenbeheersing die opneming in een beleidsregie met zich meebrengt ook kunnen leiden tot kostenverlaging. Afgezien daar-van is de doelmatigheid van de besteding van gelden er mee gediend, dat aan voorwaarden ten aanzien van de kwaliteit van de dienstverlening wordt voldaan. 139. Kan, aanvullend op het overzicht van de ontwikkeling van de bijstandsuitgaven (tabel III. 1 van de bijlage) een overzicht van de groei van de aantallen bijstandsgenietenden naar categorieën over dezelfde jaren worden gegeven?

Overzicht aantallen bijstandontvangers 1971 -1976 -1980

1971

1976

1980

Thuiswonenden

13400 0

13900 0

182 000 Bej. in bej. oorden

67000

10400 0

11200 0In overige inr.

35000

36000

43000

R ijksgroepsregelingen TRM

17000

20000

24000 R.w.w.

8000

60000

60 000 R.z.

1700

1800

2 400 Overige regelingen

10000

10000

10000

Totaal (afgerond)

27300 0

37100 0

433000

  • Welke besparingen zijn te verwachten bij afschaffing van het nihilbeding? Zijn deze bedragen in de raming verwerkt?

Bij afschaffing van (de financiële gevolgen van) het nihilbeding is een besparing te verwachten van 10 min. in 1977 en 15 min. in 1980. Dit is uiteraard een zeer ruwe schatting, daar de ontwikkeling in deze sfeer niet exact is te voorzien. 141. Kan het percentage van 8 als jaarlijkse toeneming voor het aantal zelfstandigen dat een beroep doet op de rijksgroepsregeling zelfstandigen nader worden verklaard?

Bij raming van de jaarlijkse stijging van het aantal zelfstandigen dat een beroep doet op periodieke uitkeringen krachtens de Rijksgroepsregeling zelfstandigen ad 8% is rekening gehouden met de trendmatige ontwikkeling in diverse bedrijfstakken.

  • Valt bij benadering te schatten welk effect de individuele huursubsidie in 1975 op het uitgavenniveau voor de bijstand heeft gehad?

Het effect van de individuele huursubsidie op de Algemene Bijstandswetuitgaven is te schatten op een bedrag in de orde van grootte van 15 min. (op halfjaarbasis). Daarbij is rekening gehouden met de technische en administratieve invoeringsproblemen bij de gemeenten.

  • Is de nieuwe beleidslijn «geen capaciteitsuitbreiding, ook indien het aantal bedden beneden de 7%-norm ligt» een definitieve? Zo nee, tot welke datum fungeert deze dan? Kan nader worden toegelicht wat onder een in-stelling met een verouderde doelstelling wordt verstaan en wat in dit kader de aanduiding «te grote capaciteit» exact betekent? Wat zijn de werkgelegenheidseffecten, die bij eventuele sluiting van instellingen te verwachten zijn? Wanneer zullen resultaten bekend zijn van de algemene maatregel van bestuur houdende opnamecriteria voor bejaardenoorden?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Definitieve resultaten van de werking van de algemene maatregel van bestuuropnamecriteria bejaardenoorden zullen pas over enige jaren bekend zijn. De beleidslijn «geen capaciteitsuitbreiding, ook niet indien het aantal bedden (in een regio) beneden de 7% ligt» zal gelden totdat de planning gestoeld kan worden op de resultaten van de toepassing van de opnameregels ex de algemene maatregel van bestuuropnamecriteria. Dit zal niet op korte termijn het geval zijn. Definitieve resultaten van de werking van de algemene maatregel van bestuuropnamecriteria bejaardenoorden zullen pas over enige jaren bekend zijn. De beleidslijn «geen capaciteitsuitbreiding, ook niet indien het aantal bedden (in een regio) beneden de 7% ligt» zal gelden totdat de algemene maatregel van bestuurplanningscriteria zal zijn ingevoerd. Gezien het hiervoor nodige overleg en onderzoek zal dit niet op korte termijn het geval zijn.

  • Wanneer is het wetsontwerp inzake bijstanddienstverlening

aan niet-gesubsidieerde instellingen te verwachten? Kan de zeer globale raming met betrekking tot de beperking van de groei van het aantal via de ABW bekostig-de diensten niet wat nader worden toegelicht? Aan welke diensten wordt gedacht? Hoe is de reële besparing over de diensten gespreid?

Het wetsontwerp met betrekking tot de indirecte financiering van instellingen via de ABW zal op zeer korte termijn om advies naar de Raad van State gezonden worden. Reeds bij de behandeling van begroting 1974 is in de Kamer uitgesproken, dat de volstrekt open financiering van voorzieningen via individuele ABW-uitkeringen leidt tot een doorkruising van het voorzieningenbeleid en tot een institutioneel oneigenlijk gebruik van de Algemene Bijstandswet. In goed overleg met de departementen die de voorzieningen behartigen, zal daarom gestreefd worden naar een beheersing van soms te onstuimige groei. Uiteraard zal deze beheersing ook besparingen meebrengen ten opzichte van wat zich zonder deze beheersing zou ontwikkelen. De Regering legt er de nadruk op, dat het er niet om gaat de ontwikkelingen in de via de ABW gefinancierde dienstverlening als overwegend niet noodzakelijk te kwalificeren. In de memorie van toelichting zal een veldbeschrijving gegeven worden. Het is, zonder intensief overleg met de betreffende departementen, de gemeenten en het veld, onmogelijk thans reeds aan te geven aan welke vormen of instellingen van dienstverlening bij een beëindigings-of sanerings-beleid gedacht moet worden. Van categorie tot categorie en waar nodig per individuele instelling zal de noodzaak in dit overleg moeten worden bezien en tot een planmatige aanpak moeten worden gekomen. Het wetsontwerp is niet opgesteld met de gedachte de instrumenten op bepaalde categorieën van instellingen te richten. Evenzo zal per categorie de reële noodzaak van de dienstverlening moeten worden bezien, waarna pas onder-of overcapaciteit zal kunnen worden vastgesteld. Afhankelijk van deze reële noodzaak zal ook moeten worden bepaald in welke gevallen van een verouderde doelstelling moet worden gesproken. Deze zal met name aanwezig zijn indien de doelstelling van een instelling door nieuwere vormen van dienstverlening wordt gerealiseerd op een wijze die beter past in de maatschappelijke ontwikkeling en het beleid van de betreffende departementen.

Het zijn ook deze vakdepartementen, die de financiering zullen moeten overnemen en het beleid ten aanzien van de dienstverlening zullen moeten voeren. Over deze overneming zullen de bewindslieden uiteraard overleg voeren; daarbij gaat het om een zo goed mogelijke vormgeving aan het overheidsbeleid ten aanzien van de verschillende vormen van dienstverlening. Voor zover (zie hierboven) categorieën van instellingen ten laste van het sociale verzekeringspakket gaan komen, zal derhalve op grond van de sociale verzekeringswetten een beleid gevoerd kunnen worden, dat onder meer betrekking heeft op planning en prijsstelling.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Omdat het met name gaat om het beheersen van de groei van de via de ABW gefinancierde dienstverlening zijn geen werkgelegenheidseffecten van betekenis te verwachten.

C.

Werknemersvoorzieningen

  • Kan nader uiteengezet worden waarop het «daarom » berust in: «Het bruto uitkeringspercentage van de WAO zou daarom moeten worden aangepast» en waarom de aanpassing in principe niet omgekeerd zou kunnen verlopen? Welke maatregelen binnen de WAO zouden tot een overeenkomstige besparingen kunnen leiden als de nu voorgestelde twee uitkeringsbestanden? Zal als gevolg hiervan niet eenzelfde problematiek gaan optreden als enige jaren geleden ten aanzien van de zogenaamde

-oudinvaliden?

In hoofdstuk IV, paragrafen 1.1 t/m 1.4 is uiteengezet dat, waarom en binnen welk kader de solidariteitsgedachte nadere uitwerking zou kunnen vinden in sociale werknemersvoorzieningen voor uitkeringen van langere duur. Anders dan bij de sociale werknemersverzeAre/v'ngen in engere zin, waarin gedurende een betrekkelijk korte periode een nauwere band bestaat en kan bestaan tussen premie en uitkering, zal in de voorzieningen voor lange(re) duur niet primair het principe van de equivalentie maar veelmeer een solidariteitsbeginsel toepassing moeten vinden. Het sociaal-economisch draagvlak, waardoor mede de solidariteit wordt begrensd, maakt een optrekking van uitkeringen van het niveau van de WWV (bruto 75%) tot dat van de WAO (bruto 80%) niet mogelijk. Een ongelijke aanpassing zou dan ook strijdig zijn aan de doelstelling van noodzakelijke groeibeperking. De moeilijkheden die na 1 juli 1967 ontstonden met betrekking tot de hoogte van de uitkeringen tussen z.g. «oude» en «nieuwe» invaliden, waren nagenoeg geheel het gevolg van de omstandigheid, dat degenen die vóór 1 juli 1967 invalide waren voor het overgrote deel op grond van de Interimwet invaliditeitsrentetrekkers een uniforme uitkering genoten. De hoogte daar-van bewoog zich op 80% van het gemiddelde loon van een ongeschoolde werknemer. Degenen die na 1 juli 1967 invalide werden kregen uitkering naar het eigen verdiende dagloon. Daardoor konden met betrekking tot de WAO-uitkering zich grote verschillen voordoen tussen arbeidsongeschikte personen die hetzelfde beroep hadden uitgeoefend en nagenoeg hetzelfde loon hadden verdiend al naargelang zij vóór dan wel na 1 juli 1967 invalide waren geworden. Het ging om verschillen in uitkering die tot 150% konden oplopen. Hetgeen thans met betrekking tot de uitkeringspercentages wordt overwogen is wat de verschillen tussen individuele uitkeringsgerechtigden betreft slechts van geringe betekenis in vergelijking tot het eerder aangedui-de probleem van de zgn. «oudinvaliden». Gezien het vorenstaande worden geen andere maatregelen overwogen.

  • In welk onderzoek kan het bewijs worden gevonden voor de stelling dat uitkeringen van loondervingsverzekeringen

naarmate zij langer worden verstrekt een losser verband gaan vertonen met de reden waarom zij oorspronkelijk zijn gegeven?

De stelling dat uitkeringen van loondervingsverzekeringen naarmate zij langer worden verstrekt een losser verband gaan vertonen, is niet ontleend aan een bepaald onderzoek. Bedoeld is dat de vraag zich opdringt of, naarmate de tijd voortschrijdt gedurende welke de uitkering wordt genoten, de huidige relatie met het gederfde loon voor de aanspraken van langere duur kan worden gehandhaafd. Bij de uitkeringen van langere duur wordt de band met het vroegere werk en het bedrijf losser, wat mede in het licht van de noodzaak tot kostenbeperking zou kunnen leiden tot een minder stringente koppeling van de langdurige uitkering aan het vroeger verdiende loon. De aan deze voorzieningen ten grondslag liggende solidariteit wordt immers begrensd door het totale sociaal-economische draagvlak en door een prioriteitenstelling binnen het geheel van de collectieve sector.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Is met het besluit bij hun ouders inwonende kinderen als niet-kostwinner aan te merken, rekening gehouden met de te verwachten verlaging van de meerderjarigheidsgrens tot 18 jaar? Zo ja, wat zijn de besparingen? Kunnen de besparingen worden aangegeven bij leeftijdsgrenzen van resp. 21, 25, 30, 35 en 40 jaar? Zullen alle bij hun ouders inwonende kinderen, ongeacht hun leeftijd, als niet-kostwinner worden beschouwd, ook de ongetrouwde, oudere dochter? Is c.q. wordt ten aanzien van de eventuele uitbreiding van het kostwinnersbegrip naar andere werknemersverzekeringen advies gevraagd aan de Emancipatiecommissie?

Onder niet-kostwinners worden verstaan de bij hun ouders inwonende kinderen ongeacht leeftijd of sekse. Een becijfering van de besparingen bij het stellen van verschillende leeftijdsgrenzen is niet mogelijk, aangezien de daartoe benodigde gegevens ontbreken. Aangenomen mag worden, dat het aantal WAO-trekkers boven ca. 30 jaar die aan het genoemde niet-kostwinnerscriterium voldoen relatief gering is. Het niet-kostwinnersbegrip kent geen onderscheid naar leeftijd of sekse. Omdat bij het kostwinnersbegrip geen onderscheid zal worden gemaakt naar sekse, ziet de Regering geen aanleiding advies van de Emancipatiecommissie in te winnen.

  • Is het streven van de Regering evenwicht te brengen in de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van werknemers en werkgevers ten aanzien van het begrip passende arbeid in zijn uitwerking (met name paragraaf 2.2.2 bijlage) niet eenzijdig op de werknemers gericht, aangezien er met betrekking tot de werkgevers slechts gesproken wordt over een verplichte vacaturemelding bij de GAB's? Wie krijgen zitting in de regionale commissies «passende arbeid» ?

Het begrip passende arbeid heeft als uitgangspunt de rechtsbescherming van de uitkeringsgenietende, die daarvoor niet is gedwongen elk werk, wat ook, te aanvaarden. Omdat deze bescherming uit een oogpunt van solidariteit met de actieven niet de aanvaarding van passend werk mag belemmeren, waren tot nu toe de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van die werknemers omschreven. De Regering overweegt ook de werkgever daartegenover bepaalde verplichtingen op te leggen, niet alleen de genoemde verplichte vacaturemelding, maar ook de in paragraaf 2.2.2 genoemde maatregelen tot behoud van passende arbeid door bij dreigend ontslag na te gaan of aanpassing van de arbeidssituatie aan de afnemende arbeidsgeschiktheid van de werknemer of omscholing of bijscholing mogelijk is. Tevens worden maatregelen overwogen -in dezelfde paragraaf genoemd -om de werkgever strafbaar te stellen die zonder medeweten van de uitvoeringsorganen werknemers in dienst heeft, die een uitkering ingevolge een loondervingsvoorziening genieten. Over de regionale commissies passende arbeid zal op korte termijn wederom overleg plaats vinden met de Stichting van de Arbeid. Naar het oordeel van de Regering dienen in die commissies zitting te hebben vertegenwoordigers namens de uitvoeringsorganen der sociale zekerheid, namens de organen der arbeidsbemiddeling en van de sociale partners.

  • Wanneer is het advies van de Sociale Verzekeringsraad ten aanzien van uitsluiting van bepaalde categorieën werknemers te verwachten?Zullen dit gehele categorieën worden of aan de hand van criteria «bepaalde personen behorend tot categorieën»?

Het SVR-advies over de verzekeringsplicht van bepaalde categorieën werknemers zal naar wordt verwacht nog dit jaar worden uitgebracht. Of gehele categorieën worden uitgezonderd dan wel aan de hand van criteria bepaalde personen behorende tot categorieën is thans onderwerp van bespreking in de desbetreffende SVR-commissie.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • Mag uit de voornemens ten aanzien van het maximum dagloon geconcludeerd worden, dat de Regering nadere ideeën heeft ten aanzien van het maximum inkomen? Zo ja welke?

De nadere studie naar de mogelijkheden van een lagere plafonnering van de langere termijnuitkeringen zal, indien deze plaatsvindt, moeten gebeuren enerzijds met inachtneming van hetgeen omtrent het inkomensbeleid is gesteld in de Interimnota inkomensbeleid, anderzijds vanuit de vraag of een stringente koppeling van lange termijnuitkeringen aan uit arbeid verkregen loon juist is.

D. Voorzieningen

overheidspersoneel

  • Kan de Regering de door haar reeds nagegane cumulatieve effecten op de individuele inkomens bekend maken met name voor de inkomens van ambtenaren? Bij de voorbereiding van de beleidsvoornemens is steeds nagegaan welke de consequenties voor individuele inkomens zijn. In hoofdstuk VIII van de bijlage zijn deze effecten reeds aangeduid. Voorts is reeds te kennen gegeven, dat op grond van deze partiële benadering reeds aanleiding bestaat tot het overwegen van compensatie of fasering. Voor een totaal beeld van de inkomensmutaties dient echter ook rekening te worden gehouden met de doorwerking van de besparingen naar de verdeling van de premie-en belastingdruk. Zoals aangekondigd wordt door het Centraal Planbureau hieromtrent een nader onderzoek ingesteld. De resultaten daarvan zullen moeten worden afgewacht.
  • Is het waar dat vóór 1940, toen het geld nog waardevast was, een pensioenmaximering voor ambtenaren van 4000 gulden per jaar bestond (voor oud-ministers 6000 gulden) ? Wat was destijds het motief voor deze maximering, terwijl toch de regel van 70% eindloon voor veel ambtenaren reeds werd toegepast? Ligt het in de bedoeling van de regering bij wijziging van de ambtelijke pensioenvoorziening ook het pensioenverhaal te verlagen?

De in de eerste vraag genoemde bedragen zijn juist. Volgens de vóór 1940 geldende opvattingen lag aan de bepaling van een maximum voor pensioen ten grondslag, dat het én als middel van bestaan én in vergelijking met de bezoldigingen voldoende moest worden geacht. Het pensioen bedroeg ten hoogste 70% van de middelsom van de pensioengrondslagen, doch niet meer dan f 400. Met deze limiet werd een niet te grote afwijking van 70% van de hogere beloningen, zoals die toen bestonden, verkregen. Op de vraag inzake mogelijke verlaging van het pensioenbijdrageverhaal bij wijziging van de ambtelijke pensioenvoorziening valt thans nog geen antwoord te geven. Dit is afhankelijk van de resultaten van het voorgenomen onderzoek naar bepaalde onderdelen van die pensioenvoorziening.

E. Kinderbijslag

  • Passen de voorgenomen wijzigingen in het stelsel van kinderbijslag en kinderaftrek in de sociale harmonisatie binnen de EEG? Kan worden aangegeven welke ontwikkeling de vergelijkbare regelingen in het buitenland doormaken? Kan een vergelijking van de Nederlandse kinderbijslag-en aftrek regelingen met overeenkomstige regelingen in de andere lidstaten van de EG, alsmede met Zweden worden gegeven?

De regelingen betreffende de gezinsprestaties van de lidstaten van de EG vertonen een grote verscheidenheid, zowel wat betreft de leeftijdsgrenzen van de kinderen als de te verlenen prestaties. In de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bestaan praktisch alleen Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

kinderbijslagen, in België en Frankrijk daarentegen is er een hele reeks prestaties, zoals geboorte-uitkeringen, wezenbijslag, kostwinnerbijslag, huisvestingsvergoeding, vakantiebijslag. Denemarken, Italië en Luxemburg nemen een tussenpositie in. In het sociaal actieprogramma van de Gemeenschap wordt geen speciale paragraaf gewijd aan de kinderbijslagen. Met betrekking tot de hier te lande bestaande plannen om te komen tot afschaffing van de kinderaftrek, gepaard gaande met een zekere verhoging van de kinderbijslag wordt medegedeeld, dat een soortgelijke regeling per 1 januari 1975 in de Bondsrepubliek Duitsland is ingevoerd. Voorts zal in het Verenigd Koninkrijk met ingang van 1977 -de Wet is in 1975 aangenomen -een nieuw systeem van gezinsbijslagen ingevoerd worden, waarbij de kinderbijslag zal worden gecombineerd met de belastingaftrek. De voor ten laste komende kinderen toegekende belastingaftrek zal geleidelijk worden vervangen door nieuwe bijslagen.

In de overige lidstaten, met uitzondering van Denemarken, vonden in het afgelopen jaar geen belangrijke wijzigingen van de kinderbijslagwetgeving plaats. De Deense kinderbijslagregeling werd in verband met de economische toestand en met betrekking tot het begrotingsevenwicht drastisch gewijzigd: -het basisbedrag van de kinderbijslag werd met 10% verlaagd; -de leeftijdsgrens werd verlaagd van 18 tot 16 jaar; -een «jongerenuitkering» ten bedrage van 7000 Kronen per jaar werd in-gevoerd, waarvoor onder bepaalde voorwaarden, met betrekking tot hun in-komen de jongeren van 16 en 17 jaar in aanmerking komen. In geen der lidstaten van de EG wordt het recht op kinderbijslag of de hoogte van het bedrag van de kinderbijslag afhankelijk gesteld van het inkomen van de rechthebbende.

In alle lidstaten van de EG en in Zweden bestaan stelsels van kinderbijslagen. In de Bondsrepubliek Duitsland, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden, waar de stelsels op de gehele bevolking van toepassing zijn, worden de prestaties toegekend alleen uit hoofde van het feit dat de betrokken persoon op het grondgebied van de betrokken staat woont. In België, Frankrijk, Italië en Luxemburg waar het toepassingsgebied gekoppeld is aan de uitoefening van een beroepswerkzaamheid wordt de toekenning van kinderbijslag aan de betrokkenen bepaald door het al dan niet behoren tot de categorie van werknemers. In België bestaat een afzonderlijke kinderbijslagregeling voor de zelfstandigen. In de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden bestaat er praktisch slechts één categorie prestaties, nl. de kinderbijslag. In België en Frankrijk bestaan er in het kader van de kinderbijslagregelingen een hele reeks prestaties, zoals geboorte-uitkeringen, uitkeringen voor gebrekkige of gehandicapte kinderen, wezenbijslag, kostwinnersbijslag, huisvestingsvergoeding, vakantiebijslag. Denemarken, Italië en Luxemburg nemen een tussenpositie in. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk wordt kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kind. In de overige lidstaten van de EG, alsmede in Zweden vanaf het eerste kind. In alle beschouwde landen, met uitzondering van Italië en Zweden stijgt de kinderbijslag met de volgorde van geboorte die het kind inneemt. Italië past twee verschillende tarieven toe naar gelang de bedrijfstak waartoe de rechthebbenden behoren. Zweden kent een uniform tarief voor alle kinderen. België en Frankrijk koppelen het bedrag van de kinderbijslag bovendien aan de leeftijd van het kind. België kent drie verhogingen, Frankrijk twee. De leeftijdsgrens voor de toekenning van kinderbijslag is in vrijwel alle beschouwde landen verschillend. Verwezen moge worden naar de volgende tabel.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Januari 1975

België

Denemarken

Duitsland

Frankrijk

Ierland

Italië

Luxemburg

V.K.

Zweden

normaal

16 j.

18 j.

18).

1654 j.

16 j.

18).

19 j.

16 j.

16 j. beroepsopl.

21 j.

18 j.

27 j.

18 j.

18 j.

21 i.

25 j.

ie j.

19 j. studie

25 j.

18 j.

27 j.

20 j.

18 j.

26 j.

25 j.

19 j.

19 j. huishouding

25 j.

18 j.

27 j.

20 j.

-

-

---invalide

onbegrensd 18 j.

27 j.

20 j.

18 j.

onbegrer Sfl onbegrensd --

De hoogte van de kinderbijslagen is in alle beschouwde landen zeer verschillend. In het algemeen kan geconstateerd worden dat de kinderbijslagen in Ierland, Italië en het Verenigd Koninkrijk betrekkelijk laag zijn. De hoogste kinderbijslagen worden betaald in België, de Bondsrepubliek Duitsland, Luxemburg en Nederland. In alle lidstaten van de EG met uitzondering van de Bondsrepubliek Duitsland bestaat een regeling betreffende belastingaftrek voor kinderen. Om-trent de wijze waarop deze kinderaftrek geregeld is staan geen gegevens ter beschikking. Of in Zweden een systeem van belastingaftrek voor kinderen bestaat is niet bekend. In alle beschouwde landen geldt de voorwaarde dat het rechtgevend kind in het betrokken land moet wonen of worden opgevoed; dit in tegenstelling tot Nederland waar een zodanige voorwaarde niet geldt. In geen der landen wordt het recht op kinderbijslag of de hoogte van de kinderbijslag afhankelijk gesteld van de hoogte van het inkomen van de rechthebbende. In vier lidstaten van de EG te weten de Bondsrepubliek Duitsland, Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, alsmede in Zweden worden de kinderbijslagen volledig gefinancierd uit overheidsmiddelen. In de overige landen geschiedt de financiering hoofdzakelijk uit werkgeversbijdragen met een zekere overheidssubsidie.

  • Op welke wijze wordt de realisatie van de integratie van fiscale kinderaftrek en de kinderbijslag aangekondigd voor het jaar 1977, los gedacht van de grondige studie van de modaliteiten van de herstructurering van de kinderbijslag ? Wordt in 1977 van de voorgenomen integratie al een gunstige uitwerking verwacht op de inkomensverdeling (of draagkracht) en is daar enige aanduiding van te geven? Wanneer stelt de Regering zich voor de eerste fase van het plan tot herstructurering van de kinderbijslag en -aftrek in te laten gaan, nu het in het voornemen ligt de tweede fase per 1 januari 1977 te doen ingaan?

De realisatie van de integratie van fiscale kinderaftrek en de kinderbijslag, aangekondigd voor het jaar 1977 kan niet los gedacht worden van een grondige studie van de modaliteiten van de herstructurering van de kinderbijslag. De integratie is echter een voorwaarde om bij de daarop volgende herstructurering van de kinderbijslagwetgeving een betere afstemming daar-van op het inkomensbeleid te kunnen bereiken. Zonder deze integratie zullen kostenbeperkende maatregelen met betrekking tot de kinderbijslagen immers relatief sterk denivellerend werken. De tekst ter zake op blz. 88 van de bijlage geeft mogelijk aanleiding tot misverstand. Er is gesproken van een 1ste fase (integratie kinderbijslag en kinderaftrek) en een tweede fase (aanpassing van de bedragen), omdat dit duidelijk te onderscheiden onderdelen zijn van de gehele operatie. In de tijd gezien vallen de eerste en tweede fasen echter samen; zij zullen beide 1 januari 1977 worden gerealiseerd. Zowel voor de «eerste fase» als de «tweede fase» is wetswijziging nodig.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

  • In hoeverre is de «besparing» van 225 min. in 1977 en 1 mld. in 1980 iets anders dan een belasting verzwaring voor gezinnen met kinderen, nu het in de bedoeling ligt de kinderaftrek te doen verdwijnen en hiermede in 1976 reeds een bedrag van 1,2 mld. gulden was gemoeid? Is het juist belastingverzwaring als besparing aan te merken in het kader van een bezuinigingsoperatie die ten doel heeft de collectieve lasten te beperken?

Uit het antwoord opvraag 157 blijkt dat de regering geheel iets anders voor ogen staat dan het zonder meer afschaffen van de kinderaftrek. Dit blijkt voorts ook uit het feit dat de in 1980 beoogde besparing aanzienlijk minder zal zijn dan het bedrag datbij ongewijzigd beleid -in 1980 zou zijn gemoeid met de kinderaftrek. Voor wat het karakter van de besparingen op de kindervoorzieningen betreft wordt opgemerkt dat vermindering van kinderaftrek in eerste instantie inderdaad leidt tot grotere inkomsten. Dit sluit echter niet uit, dat er tevens sprake is van een reële besparing. Een ieder zal onderschrijven dat vermindering van kinderbijslag leidt tot reële besparingen. Men kan -overeenkomstig de plannen tot herstructurering -de kinderbijslag en het inkomensvoordeel van de kinderaftrek samenvoegen tot één bedrag aan kinderbijslag. Vervolgens worden -voor de hogere inkomens -de geïntegreerde bijslagen verminderd. Het is dan niet meer vast te stellen of en in hoeverre de vermindering betrekking heeft op de oorspronkelijke kinderbijslag of op de oorspronkelijke kinderaftrek. Dit betekent in feite dat het effect van kinderbijslag en kinderaftrek gelijk is. De besparingen worden verkregen door het totaal aan kindervoorzieningen voor de hogere inkomens geleidelijk te verminderen.

  • Ziet de Regering geen verschil tussen met premie betaalde kinderbijslagen en op grond van het draagkrachtbeginsel toegestane fiscale kinderaftrek? Waarom moet voorkomen worden dat op grond van de draagkrachtde fiscale kinderaftrek moet worden gehandhaafd of uitgebreid? Als het onjuist zou zijn de fiscale kinderaftrek als een gevolg te zien van het draagkrachtbeginsel, geldt dan ook voor de gehuwdenaftrek, dat deze geen gevolg mag zijn van het draagkrachtbeginsel?

Er bestaat uiteraard verschil tussen met premie betaalde kinderbijslagen en de op grond van het draagkrachtbeginsel gefundeerde fiscale kinderaftrek. Bijslagen zijn immers vergoedingen voor een gedeelte van de kosten voor het onderhoud van kinderen. In de kinderaftrek komt tot uitdrukking dat aan een deel van het inkomen van de voor het onderhoud en de opvoeding verantwoordelijke ouders geen capaciteit kan worden toegekend om belasting te betalen. Niettemin is ertussen die twee regelingen een zodanige samenhang -met name tot uitdrukking komende in het op de ontwikkeling van de kinderbijslag afgestemde aanpassingsmechanisme van de kinderaftrek -dat voor een geïntegreerde benadering ervan aanleiding bestaat. Met die geïntegreerde benadering wordt beoogd te komen tot een herstructurering. Het daarbij te verkrijgen nieuwe stelsel moet uiteraard voldoen aan de criteria welke vanuit de evengenoemde twee invalshoeken -kostenvergoeding en draagkrachtverminderende factor -zijn te stellen. Zou bij voorbeeld de laatstgenoemde in dat nieuwe stelsel niet voldoende tot zijn recht komen, dan vormt zulks aanleiding de geïntegreerde regeling te verbeteren. In ieder geval zou de herleving van de fiscale kinderaftrek strijdig zijn met de beoog-de herstructurering; een zodanige ontwikkeling dient daarom te worden vermeden. 157. Welke statistische belastingdrukstijging betekent een afschaffing van de kinderaftrek in de loon-en inkomstenbelasting, zoals in de eerste fase voorzien? Betekent de eerstefaseoperatie dat alle middelen die voortvloei-en uit de belastingverzwaring ten gevolge van het doen vervallen van de kinderaftrek in een kinderbijslagregeling worden omgezet om vervolgens te worden afgebouwd ten gunste van de fiscus en de lagere inkomens?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Op grond van de huidige prognoses zou afschaffing van de kinderaftrek in eerste instantie een drukstijging van 0,5% van het netto nationaal inkomen betekenen. In de eerste fase worden overigens de kinderaftrek en de kinderbijslag slechts geïntegreerd. De eerste fase, namelijk de samenvoeging van de kinderbijslag, is neutraal in die zin, dat voor ieder de geïntegreerde bedragen gelijk zullen zijn aan het totaal van de huidige kinderbijslag en het inkomensvoordeel van de kinderaftrek. Dit wil zeggen dat de geïntegreerde bijslag toeneemt naarmate het inkomen stijgt. In de tweede fase, die in de tijd samenvalt met de eerste fase, worden de geïntegreerde bedragen zodanig aangepast, dat gelijke bedragen aan (geïntegreerde) bijslag wordt gegeven, ongeacht het inkomen van de ouders. Bij het modale inkomen blijven de (geïntegreerde) bijslagen gelijk aan de som van de huidige kinderbijslag en het inkomensvoordeel van de kinderaftrek; degenen met een inkomen beneden het modaal inkomen gaan er iets op vooruit; degenen met een hoger inkomen zullen het totaal bedrag aan kindervoorzieningen zien verminderen. Een en ander is in onderstaande figuur schetsmatig weergegeven.

inkomensvoordeel kindervoorzieningen geherstructureerde kinderbijslag 1e fase

modaal inkomen

inkomen

/_

huidige kinderbijslag

huidige kinderaftrek Een en ander levert per saldo een besparing op van f 225 min. Overeenkomstig het deel van de 1%-operatie namelijk verlichting van collectieve lasten, komen deze besparingen uiteindelijk ten goede aan degenen die collectieve lasten dragen, en niet aan de fiscus.

  • Kan op dezelfde wijze als in tabel VI-2 van de bijlage worden aangegeven welke mutaties optreden bij de eerste en tweede fase in de inkomens van de kinderbijslaggerechtigden?

Waar ligt het «draaipuntinkomen» ? Welk laagste niveau heeft de Regering voor ogen bij de meer definitieve regeling ?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

Indien de eerste en de tweede fase, nl. de samenvoeging van kinderbijslag en het inkomensvoordeel van de kinderaftrek tot één bedrag en vervolgens de aanpassing zodanig dat gelijke bijslagbedragen worden gegeven op het niveau van het netto inkomen van de modale man, reeds per 1 januari 1976 zouden zijn doorgevoerd, zouden hierdoor de onderstaande mutaties in het netto inkomen van werknemers zijn ontstaan.

Bruto inkomen per jaar 18500

26000

30000

60000

12000 0

1 kind

+ 0,2

-0,1

-0,7

-0,6 2 kinderen

+ 0,2

-0,2

-1,1

-1,0 4 kinderen

+ 0,3

-0,4

-1,6

-1,3 8 kinderen

+ 0,3

-0,5

-1,6

-1,4

Het systeem kent twee draaipuntinkomens namelijk het inkomen waar vanaf de bijslagen worden gedifferentieerd naar inkomen, en het inkomen waar vanaf niet meer wordt gedifferentieerd. De hoogte van de draaipuntinkomens en van de «vloer» vereisten mede in samenhang met de beoogde besparing van f 1 mld. nog nadere studie. De Regering wil hieromtrent thans dan ook geen uitspraak doen.

  • Wat is de invloed van de z.g. besparing van 225 min. c.q. 1 mld. op de kinderbijslagprem ies ?

De voorstellen van de Regering in het kader van de 1%-operatie leiden uiteraard tot een minder sterke groei van de premie en belastingdruk te zamen. De verdeling van de lastenverlichting over belastingen en premies dient ten aanzien van het gehele pakket maatregelen nog nader te worden bestudeerd. 160. Welke besparing levert afschaffing van de kinderbijslag eerste kind op indien dit gebeurt met uitzondering van

minimumlooninkomens?

Met bijslagen voor eerste kinderen is in 1976 circa 1,4 mld. gemoeid. Aangezien het bijslagbedrag is bevroren, neemt de uitkeringslast uitsluitend toe door volumestijging en zal in 1980 bij ongewijzigd beleid ruim 1,5. mld. belopen. Het aantal mensen met een minimuminkomen en een of meer kinderen is niet bekend. Compensatie zou overigens niet tot deze groep beperkt kunnen blijven; ook voor de naast hogere inkomens zou (gedeeltelijke) compensatie moeten worden gegeven.

  • Welke bedragen zijn gemoeid in de jaren vanaf 1976 met de tweevoudige en drievoudige kinderbijslagtoekenning? Kan een opgave worden verstrekt van het aantal z.g. telkinderen, uitgesplitst naar twee-of drievoudige kinderbijslag per natuurlijk kind over het jaar 1974 of 1975?

De benodigde gegevens worden niet door de uitvoeringsorganen verzameld. Hiertoe bestaat geen aanleiding op grond van de administratieve verantwoording van de uitkeringen. Ook een eventuele globale benadering vanuit andere gegevens is niet mogelijk.

Om dezelfde reden kan evenmin een opgave als in de vraag bedoeld worden gedaan van het aantal zogenaamde telkinderen.

F. Welvaartsvastheid

  • Waarom zijn de uitkeringen ingevolge de algemene bijstandswet niet in de correcties op het indexeringsmechanisme

betrokken?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

In de bijlage (hoofdstuk VII) is uiteengezet, dat bruto-indexeringen als gevolg van uiteenlopende inhoudingen een verschillend nettoresultaat opleveren, zodat op nettobasis de verschillende netto-uitkeringen meer dan welvaartsvast zijn. In de vaststelling van de Algemene Bijstandswetuitkeringen doet zich dit verschijnsel niet voor, omdat deze uitkeringen zijn gekoppeld aan het nettominimumloon. Op dit loon worden alle premies ingehouden, die door loontrekkenden verschuldigd zijn. Netto zijn derhalve de bijstandsuitkeringen welvaartsvast, en gaan zij ook in hun ontwikkeling niet boven de welvaartsvastheid uit.

  • Bestaat er een kans dat in enig jaar bij voorbeeld 1976 de verhouding «welvaartsvast» tot «waardevast» omslaat als gevolg van het achterblijven van het gemiddelde van de lonen bij de prijzen?

Een dergelijke omslag valt op grond van de voorhanden zijnde gegevens niet te verwachten.

G. Inkomenseffecten

  • Hoe is de mededeling dat compenserende maatregelen met name voor ambtenaren wenselijk zijn en dat voorgesteld wordt de maatregelen met betrekking tot ziektekosten gefaseerd in te voeren, te rijmen met het feit dat twee derde van de besparing op voorzieningen overheidspersoneel reeds te vinden zou zijn in 1977?

De samenvatting op blz. 35 van de nota vermeldt het totaalbeeld van de verschillende beleidsvoornemens op het terrein van de sociale voorzieningen. Een gefaseerde invoering in 5 jaar van de wijziging van de ziektekostenvoorziening voor ambtenaren zal nader worden uitgewerkt. Hiervoor moge mede verwezen worden naar de slot alinea's van hoofdstuk VIII van de bijlage. De aan de fasering verbonden middelen, die in mindering op de besparingen worden gebracht, zijn nog niet berekend.

H. Samenvatting

  • Kan de Regering een meer uitgewerkt gefaseerd overzicht geven van de uitgaven voor de sociale voorzieningen over de jaren 1976 t/m 1980?

De bedoelde gegevens zijn niet beschikbaar.

  • Kan een overzicht worden gegeven van denkbare besparingen in de sfeer van de sociale voorzieningen, die niet opgenomen zijn in de beleidsvoornemens op blz. 16?

Indien de vraag betrekking heeft op voor de Regering denkbare besparingen die niet in het kwantitatieve overzicht op blz. 35 van de nota zijn opgenomen, wordt er op gewezen dat op tal van plaatsen in de bijlage principemogelijkheden zijn genoemd, waarnaar een nadere studie wenselijk is. Daartoe wordt naar de bijlage verwezen.

HOOFDSTUK V. BELEIDSCONSEQUENTIES

  • Betekent de opmerking dat de Regering de voorgestelde beleidsherziening en andere voorstellen tot structuurhervorming als een samenhangend geheel beschouwt dat zij de laatste voorstellen, die ten dele eerst na deze kabinetsperiode zullen kunnen worden behandeld, ten principale nu al aangenomen wenst te zien? Zo niet, wat is dan de betekenis van deze uitspraak?

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

De Regering heeft in hoofdstuk V van de nota tot uitdrukking willen brengen dat zij een ingrijpende operatie als ligt besloten in de onderhavige beleidsvoornemens voor de komende jaren, alleen realiseerbaar acht als tege-Iijkertijd de voorwaarden worden geschapen die de aanvaarding ervan door brede lagen van de bevolking mogelijk maken. Tot de daartoe noodzakelijke maatregelen rekent zij reeds ingediende voorstellen zoals die met betrekking tot de grondpolitiek en de ondernemingsraden alsmede ook de binnenkort in te dienen voorstellen ter zake van vermogensaanwasdeling en de vaststelling van huurprijzen van woningen. De Regering gaat ervan uit dat de totstandkoming van deze wetgeving voor het eind van de huidige kabinetsperiode een feit zal zijn. Bij de verdere concretisering van de in de nota vervatte beleidsvoornemens zal zijn nauwlettend acht slaan op de voortgang van de behandeling op de bedoelde andere terreinen.

  • Op welke wijze zou medewerking van de sociale partners aan het beleid mogelijk gemaakt moeten worden als de groei van het nationaal inkomen structureel aanzienlijk bij de doelstelling van 33k % zou achterblijven?

Het achterblijven van de groei van het nationale inkomen bij de gehanteer-de 33/4% zou ons land voor grote problemen plaatsen. De keuze tussen in-standhouding van de collectieve voorzieningen en verlangens in de particuliere sfeer onder gelijktijdige realisering van een aanvaardbaar peil van werkgelegenheid zou nog moeilijker worden dan in het verleden reeds het geval is geweest. Zou een dergelijke ontwikkeling zich voordoen -wat de regering voorshands niet verwacht -dan zal terwille van de werkgelegenheid een verdergaande beperking zowel van de groei van de collectieve lasten als van het vrij besteedbaar inkomen onvermijdelijk zijn.

De voorzitter van de commissie, Dolman De griffier van de commissie, De Beaufort

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nr. 4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.