Nota - Nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 2

NOTA

I.

Inleiding

II.

Omvang en verdeling van de beleidsherzieningen

III.

Rijksuitgaven

IV.

Sociale voorzieningen

V.

Beleidsconsequenties

Bijlage

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

  • I. 
    INLEIDING
  • Zoals de Regering aan de Kamer heeft toegezegd wil zij in deze nota een aantal beleidsvoornemens voorleggen omtrent het in de naaste toekomst te voeren sociaal-economisch beleid. Hoewel sprake is, internationaal en nationaal, van een zeker conjunctureel herstel zijn de vooruitzichten voor de werkgelegenheid op langere termijn ongunstig. Uit de MEV 1980 blijkt dat bij ongewijzigd beleid moet worden gerekend met een verder oplopen van de werkloosheid tot een peil van 260 000, met een blijvend hoog inflatietempo en met een afneming van de reële groei van het nationale inkomen. De aanwijzingen van het bestaan van een omvangrijke structurele werkloosheid, die zich in 1971-'72 lieten verkennen, worden daardoor bevestigd. Dit, gevoegd bij het feit, dat in vergelijking met vrijwel alle omringende landen het aandeel van de niet-actieven op de totale bevolking in ons land hoog ligt, vormt een ernstige bedreiging voor het behoud van onze welstand en de instandhouding van de collectieve voorzieningen. Het draagvlak van de collectieve voorzieningen dreigt af te brokkelen, terwijl uitzicht op herstel van de werkgelegenheid en het terugdringen van de inflatie onvoldoende aanwezig is.
  • Reeds in de Miljoenennota 1976 heeft de Regering als haar voornemen kenbaar gemaakt dat zij tegen deze achtergrond van oordeel was dat de komende jaren de drukstijging van de collectieve lasten zou moeten worden beperkt tot rond 1 % van het nationale inkomen per jaar, in samenhang met maatregelen gericht op het behoud van bestaande en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen. In deze nota wordt een beeld gegeven van de beleidsvoornemens van het kabinet ter verwerkelijking van deze doeleinden, terwijl in de Structuurnota een nadere concretisering wordt gegeven van additionele maatregelen gericht op het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen. De Regering ziet de thans gepresenteerde beleidsvoornemens in samenhang met de uitgangspunten van haar beleid, zoals die bij haar optreden in 1973 onder andere in de regeringsverklaring zijn neergelegd. Zij beschouwt de voorstellen met betrekking tot de uitbreiding van de werkgelegenheid als een onmisbare bijdrage tot verwezelijking van het recht op arbeid, zoals eerder werd uiteengezet in de werkgelegenheidsnota van februari 1975. Zij blijft onverkort vasthouden aan haar doelstelling van verkleining van inkomensverschillen zoals geformuleerd in de Interimnota Inkomensbeleid en plaatst de voorstellen met betrekking tot de beperking van de groei van de sociale uitkeringen in het kader van een alle inkomenscategorieën omvattend inkomensbeleid. Bij de voorstellen met betrekking tot de beperking van de groei van de overheidsuitgaven wenst het kabinet recht te doen aan de prioriteiten die het bij zijn optreden heeft gesteld. Het gebouw van de sociale zekerheid is allerminst voltooid. Het is thans echter zaak acht te geven op de hechtheid van de fundamenten die dit gebouw dragen. Het veilig stellen van de collectieve voorzieningen in de komende jaren vergt dat het draagvlak daarvan en met name de financiering daarvan uit de produktieve capaciteit van de Nederlandse economie wordt verbreed.
  • Bij de formulering van haar beleidsprogramma is de Regering meer in het bijzonder uitgegaan van de volgende doelstellingen: -De structurele werkloosheid dient zoveel mogelijk te worden teruggedrongen. -Een belangrijke vermindering van het inflatietempo, vergeleken met het recente verleden. -Een reële trendmatige groeivoet van het nationaal inkomen van tenminste33/4%. Het ter verwezenlijking van deze doelstellingen noodzakelijke beleidsprogramma bestaat uit een beperking van de collectieve lastenstijging, en nade-

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

re maatregelen ter stimulering van de investeringen in bedrijven en ter verbetering van de structuur van de Nederlandse economie. Bij de uitvoering van dit programma lijkt een gemiddelde stijging van het reële beschikbare loon van de modale werknemer van 1,5% per jaar mogelijk. Uiteraard kan een beleidsprogram, zoals geschetst in deze nota, alleen slagen als het wordt gedragen door brede groepen in de samenleving. Vandaar dat de Regering de beleidsvoornemens in deze nota in samenhang ziet met reeds ingediende en op handen zijnde wetsontwerpen tot hervorming en uitbreiding van bevoegdheden van de ondernemingsraden, de totstandkoming van de vermogensaanwasdeling, de grondpolitiek (gebruikswaarde en voorkeursrecht), de huurprijsvaststelling voor woningen en het uitlokken en sturen van zodanige investeringen uit het gemaakte winstinkomen, dat daarmee arbeidsplaatsen en andere maatschappelijke desiderata gediend zullen zijn.

  • Zoals de Regering in de Miljoenennota 1976 heeft aangekondigd wenst zij over het geheel van deze maatregelen overleg te voeren met het parlement en met het georganiseerde bedrijfsleven. Vandaar dat sprake is van beleidsvoornemens die hun uitwerking zullen vinden in de begroting 1977 en de meerjarenramingen. Met betrekking tot de sociale verzekeringen en •voorzieningen zal de Regering na het te voeren overleg de nodige adviesaanvragen verrichten. In de kort na deze nota aan de Kamer aan te bieden voorjaarsnota over de uitvoering van de begroting 1976, zal de Regering op de voor dit jaar te nemen maatregelen en hun structurele doorwerking nader ingaan. Voorts zal de Regering op korte termijn overleg voeren over het arbeidsvoorwaardenbeleid voor het tweede halfjaar 1976 en voor 1977, mede in het licht van de in deze nota vervatte beleidsvoornemens op korte en middellange termijn. In dit overleg zal de Regering, ten einde de reële inkomenspositie van de laagstbetaalden veilig te stellen, een bijdrage leveren om de noodzakelijke matiging in de inkomensontwikkeling te kunnen realiseren. Matiging van de nominale ontwikkeling is immers van essentiële betekenis voor het realiseren van de hiervoor geschetste doelstellingen.
  • De Regering stelt zich voor de beperking van de drukstijging van de collectieve lasten voor een deel te realiseren door de vergroting van het begrotingstekort in 1976, voor zover deze het gevolg was van tijdelijke lastenverlichtingen, structureel voor lastenverlichting te bestemmen. Aangezien dit niet voldoende is om de beoogde beperking van de lastendrukstijging te bereiken, is het daarnaast noodzakelijk om de groei van de overheidsuitgaven en de uitgaven op grond van de sociale verzekeringen te matigen.
  • Met betrekking tot het in de Staten-Generaal naar voren gebrachte verlangen met de ombuigingen reeds een aanvang te maken in 1976 kan het volgende worden opgemerkt. Zoals uit de Voorjaarsnota duidelijk zal worden, dreigt er in 1976 per saldo een zeer belangrijke tegenvaller die in het kader van het stringente begrotingsbeleid zal moeten worden gecompenseerd (zie ook blz. 15 e.v.). De noodzakelijke compensatie van deze overschrijding maakt het in gang zetten van verdere ombuigingen in 1976 naar het oordeel van het kabinet onmogelijk. Voor ombuigingen in de sfeer van de sociale voorzieningen -die voor een belangrijk deel ook uit de rijksbegroting worden gefinancieerd -speelt daarenboven de onvermijdelijk langere voorbereidingstijd een rol, onder meer in verband met de directe invloed op de inkomenspositie van uitkeringsgerechtigden en de noodzaak tot adviesaanvragen en wetswijzigingen.
  • Zoals blijkt uit de MEV-1980 bij gewijzigd beleid, werkt de matiging van de collectieve lastenstijging reeds duidelijk in de richting van de beoogde doelstellingen. Het is echter noodzakelijk de maatregelen ter beperking van de lastenstijging aan te vullen met een beleid, waarin behalve een verdere

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

beperking van de arbeidskosten met het oog op behoud van de werkgelegenheid, ook de creatie van nieuwe werkgelegenheid en een verbetering van de economische structuur, een belangrijke plaats zullen krijgen. Zonder een zodanig aanvullend beleid blijven de economische perspectieven allerminst bevredigend. Met name blijft dan de geraamde ontwikkeling van de structurele werkloosheid grote zorgen baren. Ook de groei van het nationale inkomen is naar het oordeel van de Regering in die situatie nog onvoldoen-de ter waarborging van de collectieve voorzieningen op middellange termijn. Dit te meer omdat het perspectief na 1980 wijst opeen verdere verslechtering van de reële groei en de werkgelegenheid. Bij de vormgeving van het aanvullende beleid wil de Regering de nadruk leggen op de stimulering van de investeringen zowel rechtstreeks als via loonkomstensubsidies. Blijkens in de Economische Structuurnota weer te geven onderzoek van het Centraal Planbureau naar de gevolgen van verschillende beleidsinstrumenten op de eerdergenoemde doelstellingen is deze weg het meest geëigend, gemeten zowel aan het aantal arbeidsplaatsen als aan de toeneming van de produktiecapaciteit. Voor de nadruk op de stimulering van de investeringen in bedrijven pleit tevens dat aldus een gunstiger perspectief ontstaat voor de periode na 1980.

  • De voorgestelde maatregelen op het gebied van de bedrijfsinvesteringen bestrijken verschillende terreinen. Zo zullen specifieke maatregelen worden getroffen die zijn gericht op zowel de structuurverbetering van bedrijfstakken als op de bevordering van de produktiviteit door middel van financiële steun aan technologische verbeteringen. Ook het regionale stimuleringsbeleid zal versterking ondergaan. Daarnaast zal in het beleidsprogramma ruimte moeten worden gelaten voor te zijner tijd nader te bepalen fiscale wijzigingen ter zake van een meer aan de inflatie aangepaste winstbepaling (studie-Hofstra). Verder zal een substantieel bedrag te zamen met de bedragen die thans met de huidige structurele investeringsaftrek en vervroegde afschrijving zijn gemoeid, worden besteed aan de stimulering van de investeringen door middel van een nieuwe instrument, waarop in de Structuurnota nader wordt ingegaan. Dit nieuwe instrument beoogt de sturing van investering mogelijk te maken. Het is, sterker dan tot dusverre het geval was bij de investeringsfaciliteiten, gericht op de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen. Voorts beoogt dit instrument een zekere sturing en beïnvloeding van de investeringen op grond van het facettenbeleid. De Regering streeft ernaar dit instrument op 1 april 1977 in te voeren en zal daartoe nog vóór de jaarwisseling uitgewerkte voorstellen aan het parlement voorleggen. In de overgangsperiode zal de investeringsaftrek voor bedrijfsgebouwen met ingang van heden worden verhoogd tot 2 x 12% en die voor outillage tot 2 x 8%. Hierdoor wordt voorkomen dat in de komende maanden het investeringsgedrag, vooruitlopend op het ruimere zij het veel meer gerichte nieuwe instrument, in ongunstige zin wordt beïnvloed. Ten einde een verdere matiging van de arbeidskosten te bewerkstelligen heeft de Regering in haar beleidspakket eveneens een plaats ingeruimd voor loonkostensubsidies. Daarbij is uiteraard een zodanige combinatie van de verschillende maatregelen gekozen, dat de feitelijke werkgelegenheid en produktie niet achterblijven bij het aantal arbeidsplaatsen en de produktiecapaciteit, met andere woorden dat de ontwikkeling van de vraag zodanig is dat deze nauw aansluit bij de ontwikkeling van de produktiecapaciteit.

Naast bovengenoemde maatregelen zullen, met het oog op een betere afstemming van de vraag naar en het aanbod van arbeidsplaatsen, ook voorzien in specifieke maatregelen op het terrein van de arbeidsmarkt.

De omvang van de financieringstekorten in de komende jaren

  • Met het pakket van maatregelen, dat in aanvulling op de ombuiging van de collectieve lastenstijging wordt voorgesteld ter verwezenlijking van

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

de gestelde taakstelling, is een bedrag gemoeid dat overeenkomt met bijna 2% van het nationaal inkomen. Door stijgende belastingontvangsten in verband met de hogere groei van het nationaal inkomen, zal een deel van dit bedrag voor het Rijk weer worden terugverdiend, waardoor een neffo vergroting van financieringstekort van 1% van het nationaal inkomen in 1980 zal resulteren. Te zamen met de tekortvergroting die voortvloeit uit het continueren van de tijdelijke lastenverlichtingen komt het structurele financieringstekort voor de gehele overheid in 1980 daarmee uit op 5% van het nationaal inkomen'. De financieringstekorten in de jaren vóór 1980 zullen aanzienlijk boven de genoemde 5% uitgaan. In 1976 zal het tekort op kasbasis 8 a 9% van het nationaal inkomen bedragen. In 1977 en 1978 zal moeten worden gerekend op een financieringstekort van 6 a 7%, in 1979 op 5 a 6%. Daarmee komen voor de eerstkomende jaren dus financieringstekorten tot stand van, ook internationaal gezien, zeer hoge omvang. De verklaring van het verloop van de financieringstekorten is enerzijds gelegen in de reeds getroffen conjunctuurprogramma's die hun invloed tot in 1977 hebben en anderzijds in de omstandigheid dat slechts geleidelijk de gunstige gevolgen op de groei en de werkgelegenheid zullen worden gerealiseerd. De daarmee samenhangende verminderingen van het financieringstekort zullen daarom ook slechts geleidelijk tot stand komen.

  • Hoewel veel zal afhangen van de feitelijke ontwikkelingen op de kapitaalmarkt lijkt, met name in de eerste jaren, een beroep op monetaire financiering onvermijdelijk. De Regering is zich bewust van de daaraan verbonden risico's, en heeft deze afgewogen tegen het beeld dat zou resulteren zonder nader beleidspakket, daarbij mede in aanmerking nemend het perspectief dat zich thans voor de jaren na 1980 aftekent. Een zo spoedig mogelijke terugkeer naar een financieringstekort, waarbij geen monetaire financiering meer nodig is, blijft uiteraard een dwingende noodzaak. Naar het oordeel van de Regering kan het aanvaardbare financieringstekort in 1980, gelet op de aard van de structurele tekortvergroting, op maximaal 5% van het nationaal inkomen worden gesteld. Daarmee is de grens van de toelaatbare vergroting van het structurele tekort, voor zover dit thans kan worden overzien, naar haar oordeel echter duidelijk bereikt. De onderbouwing daar-van wordt in hoofdstuk II van de Economische Structuurnota gegeven.

II. Omvang en verdeling van de beleidsmaatregelen Drukstijging bij ongewijzigd beleid

  • Bij ongewijzigd beleid zou de drukstijging van de collectieve lasten, welke stijging in de MEV-1980 bij geëxtrapoleerd beleid was berekend op 9,1 % van het netto nationaal inkomen, op basis van nieuwe cijfers uitkomen op 8,5%. Deze bijstelling werd mogelijk doordat aanvankelijk in de premiedrukmutatie ten onrechte was opgenomen de toeneming van de onderlinge betalingen tussen de verschillende sociale verzekeringsfondsen. Dergelijke onderlinge verrekeningen hebben evenwel geen premiedrukstijging ten gevolge. De collectieve lastenstijging bij ongewijzigd beleid is als volgt opgebouwd:

' Het betreft hier een financieringstekort van het Rijk van 33/4 a 4% nationaal inkomen en een financieringstekort van de overige publiekrechtelijke lichamen van 1 a 1 '/<% nationaal inkomen.

Tweede Kamerzitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

Tabel 1. Collectieve drukstijging 1977-1980, in % netto nationaal inkomen

  • Belastingen a. rijksbelastingen, structureel

2,65 b. idem, uit hoofde van het opheffen van tijdelijke maatregelen:-met betrekking tot vervroegde afschrijving en investeringsaftrek

0,25 -overige (zie tabel 2)

1,1 c. belastingen en heffingen van de overige publiekrechtelijke lichamen

0,2

4,2

  • Niet belastingmiddelen (exclusief opbrengst aardgas uit het buitenland) a. Rijk

-0,4 b. idem, ten gevolge van extra prijsstijging gas

0,25

-0.15

  • Sociale premies a. als gevolg van de geraamde uitkeringen

3,85 b. ten gevolge van vervallen van tijdelijke rijksbijdragen (zie tabel 2)

0,6

4,45

  • Totale drukverzwaring bij ongewijzigd beleid

8,5

Recente berichten hebben de suggestie gewekt als zouden de ramingen van de noodzakelijke stijging van de premiedruk in de sfeer van de gezondheidszorg te hoog zijn. Uiteraard baseert de Regering haar beleidsvoornemens op de beste gegevens die voorhanden zijn. Voorshands acht het CPB geen redenen aanwezig om de gehanteerde uitgangspunten te herzien.

De tijdelijke lastenverlichtingen

  • Bij de voorgenomen wijziging van het beleid is behalve van een beperking van de structurele drukstijging door middel van ombuiging in de uitgaven ook uitgegaan van het structureel maken van de tijdelijke tekortvergroting in 1976 door het uitstel van de b.t.w.-verhoging tot 1 oktober a.s. Deze structurele tekortvergroting komt tot stand door de b.t.w.-verhoging weliswaarte iaten doorgaan, maar de ontvangsten daaruit in 1977 aan te wenden voor het dekkingsplan 1977 in plaats van, zoals aanvankelijk in de bedoeling lag, voor het dekkingsplan 1976. Daarnaast worden ook de tijdelijke lastenverlichtingen in de sfeer van de loon-en inkomstenbelasting en sociale premies gecontinueerd. Een specificatie van de met deze maatregelen gemoeide bedragen wordt in tabel 2 gegeven: Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13951, nrs. 1-3

Tabel 2. Specificatie van de met de tijdelijke lastenverlichtingen gemoeide structurele tekortvergroting

Niveau 1976

1980

(in miljoenen

(in % nationaal guldens)

inkomen)

  • Belastingenverruiming zelfstandigenaftrek

55-verlaging loon-en inkomstenbelasting per 1 april 1975

1025-bedrag gemoeid met uitstel verhoging omzetbelasting tot 1 oktober 1976

1175

Totaal

2255

  • Bijdragen aan sociale verzekeringen -AKW-fonds

1100 -WW-fonds

212 -AOW-fonds

175

Totaal

1487

1,1%

0,6%

De nog resterende conjuncturele component in de investeringsfaciliteiten komt te vervallen (0,25%) per 1 januari 1977, zoals ook in dewet terzake ligt besloten. Uiteraard dient deze conjuncturele drukmutatie buiten het kader van de 1 %-norm te blijven.

De ombuigingsproblematiek

  • In tabel 3 wordt een beeld gepresenteerd van de factoren die het bedrag bepalen dat in 1980 in het kader van de 1 %-operatie moet worden bezuinigd.

Tabel 3. Totaal om te buigen in 1980

  • Totale drukstijging bij ongewijzigd beleid (zie tabel 1) b. Vergroting van het tekort in verband met de tijdelijke lastenverlichtingen c. Vervallen conjunctuurcomponent investeringsfaciliteiten d. Compensatie in Voorjaarsnota van rijksbijdrage aan WW-fonds
  • Resulterende drukstijging f. Toegestane drukstijging
  • Om te buigen

In % nationaal In prijzen inkomen

MEV-1980

8,5

-1,7

-0,25

-0,1

6,45 -4' 2,45

7,8 mld.

1 De feitelijke drukstijging in de periode 1977-1980 komt uiteindelijk lager uit, in hoofdzaak als gevolg van de gunstige invloed die de oplossing van de ombuigingsproblematiek en het aanvullende beleid ten aanzien van de stimulering van de bedrijfsinvesteringen per saldo hebben voor de economische groei-en daarmee voor de belastingopbrengsten-en voor de nominale ontwikkeling.

Uiteraard zou het weder opvullen van het verschil tussen de toegestane drukstijging en de feitelijke drukstijging die uiteindelijk resulteert, tot gevolg hebben dat de ruimte voor de particuliere sector geringer wordt, evenals de economische groei.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

Aan het om te buigen bedrag van 7,8 mld. dient te worden toegevoegd de nog niet gespecificeerde beleidsombuigingen in de sfeer van de sociale voorzieningen, die reeds waren opgenomen in de vorig jaar tot stand gekomen meerjarenafspraken. Hiermede is in 1980 een bedrag gemoeid van ruim 1 mld. Voor een volledig beeld van de ombuigingsproblematiek moet ook nog worden toegevoegd de doorwerking van de uitvoering van de begroting 1976. Voorlopige gegevens over de uitvoering va van de begroting 1976, waarvan een gedetailleerd beeld zal worden geschetst in de Nota over de uitvoering van de rijksbegroting 1976 (de Voorjaarsnota) wijzen uit dat per saldo een aanzienlijke relevante tegenvaller dreigt bij de uitgaven, de niet-belastingmiddelen en de belastingmiddelen, bij deze laatste als gevolg van de tijdens de parlementaire behandeling aangebrachte wijzigingen in het dekkingsplan. De doorwerking van de tegenvaller beloopt in 1980 naar thans kan worden voorzien circa 2 mld. Voor een deel zal de hiermede samenhangende compensatieproblematiek worden opgelost door de in de Miljoenennota 1976 (blz. 85) opgenomen reserve voor hogere prijsstijging (circa 1,3 mld. in 1980) grotendeels niette verdelen. Decompensatieproblematiek zal definitief worden opgelost bij de afronding van de begroting 1977 en de meerjarenramingen. In het kader van deze brief zal hierop niet nader worden ingegaan. Bij de verdeling van de aan te brengen beleidsherzieningen is de Regering van oordeel dat het grootste gedeelte van de ombuigingen in de sfeer van de sociale zekerheid (dus inclusief de op de rijksbegroting drukkende sociale voorzieningen) dient te worden gevonden. Bij deze keuze moet naar het oordeel van de Regering zwaar wegen dat de ontwikkeling van de uitkeringen van de sociale voorzieningen zo explosief is, dat de uitkeringen sinds 1963 iedere vier jaar vrijwel zijn verdubbeld. Daardoor zou de groei van de uitkeringen bij geëxtrapoleerd beleid tot 1980 resulteren in een additioneel beslag op het nationale inkomen van 1% per jaar. Het is duidelijk dat deze ontwikkeling zal moeten worden omgebogen. Daarbij komt dat de nadelige directe effecten van de ombuigingen in de sector van de sociale zekerheid voor de werkgelegenheid geringer zijn dan die van ombuigingen in de sfeer van de rijksbegroting.

III. RIJKSUITGAVEN

  • Inleiding

Met betrekking tot de rijksbegroting (exclusief de uitgaven ten behoeve van de sociale voorzieningen) acht de Regering beleidsherzieningen gewenst oplopend van rond 1 mld. in 1977 tot rond 3 mld. in 1980. Bij de keuze uit de aangedragen mogelijkheden tot beleidsherziening heeft de Regering criteria gehanteerd die ook besloten liggen in de programgrondslag van het kabinet. Juist in een situatie waarin omwille van het behoud en herstel van de werkgelegenheiden omwille van het behoud van de voorzovelen essentiële collectieve voorzieningen, de voorziene groei van de collectieve sector moet worden afgeremd, dient de bescherming van de zwakken in de samenleving voorop te staan. In de keuze van de beleidsombuigingen is dit tot uitdrukking gebracht. Voorts is ernaar gestreefd de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheidzo beperkt mogelijk te houden. De beleidsombuigingen zijn aangebracht op een zo breed mogelijk draagvlak van uitgaven. Daarmee blijft de prioriteitenstelling van het kabinet -zoals deze is neergelegd in de meerjarenramingen -in grote lijnen onaangetast. De beleidsvoornemens van de Regering met betrekking tot de bouwproduktie, die thans nog in voorbereiding zijn, kunnen alsnog herziening van de beleidsombuigingen, die gevolgen hebben voor de bouwartikelen van de verschillende begrotingen, meebrengen.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

Tabel 4. Overzicht van wijzigingen ten opzichte van de meerjarenramingen '

1977

1980

Algemeen bestuur

86 Defensie

200 Justitie en Politie

118 Verkeer en Waterstaat

202

432 Economische Zaken

40 Energiefonds

-

167 Landbouw en Visserij

52 Onderwijs en Wetenschappen

186

497 Academische Ziekenhuizen

170 Welzijnssector ca.

145 Volkshuisvesting

171

465 Spreiding rijksdiensten

-

108 Ontwikkelingssamenwerking

50 Wetenschapsbeoefening

35 Personeelsuitgaven

100

420

990

2985

' In deze tabel zijn de bedragen uitgedrukt in het loon-en preispeil dat is verwerkt in de meerjarenramingen volgens de Miljoenennota 1976.

  • Beleidsombuigingen

Algemeen bestuur

Op het gebied van algemeen bestuur, met inbegrip van Buitenlandse Zaken, zullen diverse maatregelen worden getroffen, die een vermindering van personele en materiële uitgaven tot gevolg zullen hebben.

Defensie Het aandeel van Defensie in de beperking van de collectieve lastenstijging zal worden bereikt door een beperking van de incidentele looncomponent, vermindering van de bedragen uitgetrokken voor de zonering van militaire vliegvelden, verruiming van de regeling vrijstelling wegens kostwinnerschap voor gehuwde kostwinners en wijziging van de ziektekostenvoorzieningen militair personeel.

Justitie en Politie

Op het terrein van Justitie worden beleidswijzigingen in de sfeer van de kinderbescherming en de psychopatenzorg voorgesteld, welke voor een deel betrekking hebben op een beperking van een aantal in de meerjarenramingen opgenomen nieuwe maatregelen. Voorts wordt op het gebied van de gemeente-en rijkspolitie in 1979 en 1980 een -zeer beperkte -temporisering van de groei van de uitgaven nagestreefd. Tevens worden de projecten voor de Civiele Verdediging gefaseerd.

Verkeer en Waterstaat

Het in de huidige meerjarenramingen opgenomen volumeaccres voor werken op het gebied van de natte waterstaat maakt het aanvaardbaar een deel van deze ruimte aan te wenden voor beleidsherziening. Tevens wordt enige beperking aangebracht bij de droge waterstaat. Hieraan zij overigens toegevoegd dat het aandeel van Verkeer en Waterstaat in de blokkade van de prijsreserve (zie blz. 15) met 60 min. zal worden beperkt.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

Besloten is het volume van de investeringen van de PTT ten minste op het peil van 1975 te handhaven. Dit maakt een bijstelling van de begrote cijfers mogelijk.

Economische Zaken

Er is een koppeling aangebracht tussen de nationale inspanning ter zake van regionale ontwikkeling en de voor dat doel te ontvangen bijdragen uit het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Met handhaving van de bij het fonds gehanteerde uitgangspunten is ruimte gevonden de in de meerjarencijfers opgenomen bedragen voor de regionale ontwikkeling bij te stellen. De van het EFRO te ontvangen bedragen blijven evenals tot dusverre geheel aan de betrokken regio's ten goede komen.

Energiefonds Door wijziging in de opzet van het Energiefonds, waarover binnenkort nadere mededelingen door de Minister van Economische Zaken zullen worden gedaan, komen in de jaren 1979 en 1980 naar verwachting bedragen van 105 min. resp. 167 min. beschikbaar. Het betreft hier de zgn. vrije (nog niet gespecificeerde) ruimte in het Energiefonds. Besloten is eventuele meeruitgaven in de komende jaren in die beleidssector op dezelfde wijze te behandelen als de gehele rijksbegroting, met dien verstande, dat bij hogere aardgasbaten dan thans voorzien met name aan de in de energiesector liggende prioriteiten aandacht gegeven zal worden.

Landbouw en Visserij

Binnen het totaal van de uitgaven van Landbouw en Visserij (exclusief landbouwonderwijs) zullen een aantal ombuigingsmaatregelen worden getroffen. Ten dele wordt het bedrag bereikt door enige beperking bij de uitvoering van cultuurtechnische werken. Voorts zal enige aanpassing plaatsvinden van de personele en materiële uitgaven op diverse beleidsterreinen.

Onderwijs en Wetenschappen (incl. landbouwonderwijs)

Gezien het zeer hoge aandeel van de personeelskosten in de onderwijsbegroting dreigen beperkende maatregelen hier al snel tot een relatief groot verlies van arbeidsplaatsen te Leiden. Zowel met het oog op de voornaamste doelstellingen van deze operatie, alsook met het oog op de kwaliteit van het onderwijs en de belasting van de onderwijsgevenden, is getracht dit effect zoveel mogelijk te vermijden. Daarom zijn de maatregelen in hoofdzaak gezocht in beperkingen van ex-ploitatiekosten en investeringen én in beperkingen van de gemiddelde kosten per arbeidsplaats door middel van wijzigingen in de rechtspositie, waartoe aan het georganiseerd overleg voorstellen zullen worden voorgelegd. In het licht van de prioriteiten van het onderwijsbeleid en gelet op de algemene principes van het inkomensbeleid, zijn dergelijke maatregelen met name voorzien ten aanzien van het wetenschappelijk onderwijs en, in mindere mate, ten aanzien van het voortgezet onderwijs. Zo sullen de investeringen in het wetenschappelijk onderwijs verder worden beperkt en is besloten het personeelsbeleid in het wetenschappelijk onderwijs zo veel mogelijk bij het beleid in de rijksdienst te laten aansluiten. Hiermee zullen bedragen gemoeid zijn van circa 100 min. in 1977 tot 300 min in 1980. Door maatregelen met betrekking tot de exploitatiekosten en de scholenbouw én door wijziging van enige specifieke elementen in de rechtspositie van leraren zijn in het voortgezet onderwijs beperkingen voorzien van circa 60 min. in 1977 en 175 min. in 1980.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

Daarnaast zullen enige beperkingen in de verzorgingsdiensten en in de faciliteiten van de nieuwe lerarenopleiding noodzakelijk zijn. Terwijl ten slotte, mede om onderwijskundige redenen, besloten is om de uitbreiding van de gedeeltelijke leerplicht met één dag voor 17-jarigen niet in 1977, maar in 1978tedoen ingaan. De voor 1977 en 1978 voorziene verlagingen van de leerlingenschalen voor het kleuteronderwijs en het lager onderwijs zullen daarentegen volgens plan doorgang vinden.

Academische Ziekenhuizen

In aansluiting op de beperking van de sterke uitgavenontwikkeling in de gezondheidszorg in het algemeen, waartoe in hoofdstuk IV voorstellen zijn geformuleerd, zullen ook de exploitatiekosten van de academische ziekenhuizen moeten worden beperkt. Bovendien zal de beperking van de rijksuitgaven in deze sector voor ongeveer de helft worden gerealiseerd door aanpassing van de tarieven voor verrichtingen in academische ziekenhuizen aan de bijzondere positie van deze instellingen. Tevens vindt, zoals bekend, momenteel een nadere afweging plaats over de aard, de noodzakelijke omvang en de taakstelling van nieuw te bouwen academische ziekenhuizen in Amsterdam, Leiden en Utrecht. Een definitieve beslissing ter zake zal voor het zomerreces worden genomen en bekend gemaakt.

Welzijnssector ca.

Tegen de achtergrond van de prioriteit van de welzijnssector in het kabinetsbeleid dient het totaal van de aan te brengen beleidsombuigingen in deze sfeer beperkt te blijven. De beperkingen betreffen voornamelijk uitgaven voor de monumentenzorg, sportaccommodaties, kruisorganisaties en de gezinsverzorging. Het zal hierbij hoofdzakelijk gaan om enige verlaging van de uitbreiding die in de meerjarenramingen besloten is.

Volkshuisvesting Ervan uitgaande dat het verwachte aantrekken van de conjunctuur zal leiden tot een toenemende vraag naar nieuwbouwwoningen in de vrije sector, is besloten tot een zodanige aanpassing dat binnen het totale programma het aandeel van de vrije sector met 1500 woningen kan toenemen. Binnen de homogene groep Huursubsidie worden maatregelen voorgesteld die tot een verlaging van de uitgaven in 1980 van circa 220 min. zullen leiden. Gedacht wordt met name aan een aanpassing van het objectsubsidie als gevolg van de verlagingen van de dynamische kostprijshuur, die mogelijk is geworden door o.a. een lagere rentestand. In overweging is enkele subsidies in de sfeer van de stadsvernieuwing op het peil 1976 te handhaven (verhuiskostenvergoeding, afbraak krotten, e.d.). Overigens zij opgemerkt dat de blokkade van de prijsreserve in het kader van de Voorjaarsnota (zie blz. 15) voor dit «bouwdepartement» met 60 min. zal worden beperkt.

Spreiding van rijksdiensten

Mede als gevolg van het feit, dat het begin van een aantal verplaatsingen op een later tijdstip valt dan aanvankelijk was geraamd, zullen de benodigde uitgaven in de eerstkomende jaren lager kunnen zijn dan in de meerjarenramingen opgenomen bedragen. Voorde periode tot en met 1980 zal deze ruimte bij overigens ongewijzigd beleid circa f 100 min. kunnen bedragen.

Ontwikkelingssam enwerking

De hoge prioriteit die het kabinet in de regeringsverklaring aan Ontwikkelingssamenwerking toekent, heft geresulteerd in een snelle stijging van de Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

fondsen voor deze overheidstaak. In 1976 is dan ook de bekende doelstelling van 1,5% van he Nationale Inkomen bereikt. In samenhang met de belangrijke bedragen die krachtens de overeenkomst met Suriname inzake ontwikkelingshulp zijn uitgetrokken wordt, nu Suriname onafhankelijk is geworden, een deel van de alhier te maken kosten voor opvang en bijstand van Surinamers hier te lande toegerekend aan het hulpplafond.

Wetenschapsbeoefening Overeenkomstig het eerder uitgesproken streven der Regering de onderzoekcapaciteit zoveel mogelijk constant te houden, is in deze maatregelen voorzien in een zeer beperkte verlaging der uitgaven. Deze ontziet de bestaande onderzoekcapaciteit zelve.

Personeelsuitgaven In de meerjarenramingen is niet alleen rekening gehouden met de gevolgen van algemene salarismaatregelen, maar ook met:

  • een jaarlijkse gemiddelde incidentele stijging van de loonsom per ambtenaar met 1 %-een toename van het overheidspersoneel met

154 %

Totaal

TA %

Het kabinet is van mening, dat dit totale groeipercentage met V2 moet kunnen worden beperkt.

IV. SOCIALE VOORZIENINGEN

Onder sociale voorzieningen worden in dit kader van de noodzakelijke beleidsombuigingen verstaan de verplichtesociale verzekeringen, de mede uit publieke middelen gefinancierde pensioenvoorzieningen, de (complementaire) sociale voorzieningen bij Sociale Zaken en andere departementen, waaronder de Algemene Bijstandswet en de daarop berustende Rijksgroepsregelingen. Onder pensioenvoorzieningen zijn tevens begrepen de ambtenarenpensioenen. De stelsels van sociale voorzieningen en met name de sociale verzekeringen hebben sedert de jaren vijftig een spectaculaire ontwikkeling gehad. Mede door het tot stand brengen van volksverzekeringen en belangrijke uitbreidingen van werknemersverzekeringen is een onderling samenhangend geheel ontwikkeld. Deze ontwikkelingen te zamen met endogene oorzaken hebben uiteraard het beslag op het nationaal inkomen in de loop der jaren sterk doen toenemen. In 1963 bedroeg dit uitgedrukt in procenten van het nationaal inkomen 14,2%; dit cijfer was in 1976 opgelopen tot 30,2%. Deze sterke groei was op zich zelf reeds een aanleiding tot bezinning op maatregelen die tot beheersing van de kostenontwikkeling zouden kunnen leiden. In een afzonderlijke bijlage zal een nadere analyse van deze ontwikkelingen en de oorzaken daarvan worden gegeven en zal uitvoerig op de aard en de richting van de voor te stellen groeibeperkingen in deze sector worden ingegaan. In deze bijlage zijn de resultaten van de studie van de lnterdepartementale Commissie inzake Coördinatie en Kostenbeheersing van de Sociale Verzekeringen verwerkt. De Regering volstaat in deze brief met beknopte samenvattende conclusies en verwijst voor nadere documentatie van haar voorstellen naar die bijlage. De Regering meent, dat de ombuigingen in beginsel van structurele aard moeten zijn en in de eerste plaats gezocht moeten worden in de volumesfeer. Gedacht wordt aan matiging van de groei in de gezondheidszorg, in de bijstand, alsmede aan een effectief tegengaan van oneigenlijk gebruik en toepassing en een verbetering van de uitvoering van sociale voorzieningen.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

Daartoe zal voorts worden gestreefd naar een hechtere onderlinge aansluiting van de sociale voorzieningen en het beleid ter verbetering van de arbeidsomstandigheden en het arbeidsklimaat en de (her)inschakeling in de arbeid. Aldus zal de maatschappelijke doelmatigheid van de stelsels van sociale zekerheid worden bevorderd, zal het beroep op de sociale voorzieningen kunnen worden afgeremd en het draagvlak van het sociale zekerheidsstelsel worden vergroot. In dit verband zal voorts bijzondere aandacht moeten worden gegeven aan een vereenvoudiging en grotere doorzichtigheid van het stelsel. Structurele maatregelen in de volumesfeer vinden voor een belangrijk deel noch op korte termijn hun uitwerking, noch kunnen zij in voldoende mate bijdragen tot de beoogde afremming van de explosieve groei. Daarom zal -de noodzaak tot beheersing van de groei in aanmerking genomen -moeten worden gezocht naar aanvaardbare aanpassingen van de uitkeringen en voorzieningen, die structureel van aard zijn. De Regering heeft in het algemeen daarbij prioriteit gegeven aan ombuigingen die gericht zijn op het wegnemen van onevenwichtigheden in de stelsels onderling en het elimineren van systeemfouten die in de loop der jaren zijn gegroeid. Overigens is er naar gestreefd om ombuigingen in de nominale sfeer, conform de Interimnota Inkomensbeleid, zoveel mogelijk te richten op het leveren van een bijdrage tot verkleining van de inkomensverschillen en het versterken van solidariteitselementen in de sociale voorzieningen (zie hoofdstuk I van de bijlage).

  • A. 
    Voorstellen op het terrein van de gezondheidszorg Het streven naar structurele maatregelen in de volumesfeer staat in deze sector voorop. Het ontwerp van wet tot wijziging van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen dat thans bij de Kamer ligt, bevat belangrijke mogelijkheden tot volumebeheersing bij de intramurale gezondheidszorg. Een ontwerp voor een Wet Gezondheidsvoorzieningen is in een vergevorderd stadium van voorbereiding. Voorts zijn besprekingen in de nominale sfeer noodzakelijk. Voor de ontwikkeling van een adequaat controlesysteem op verstrekkingen en declaraties zullen op korte termijn maatregelen worden voorbereid waarbij de voorstellen van de Ziekenfondsraad en van de Commissie Becht zullen worden betrokken. Voor wat de prijzen en tarieven betreft bestaat het voornemen op korte termijn een wettelijke voorziening tot stand te brengen. Inpasbaar in dit wettelijke kader zijn: besparingen op het uitgaven pakket Ziekenfondsverzekering en AWBZ, mede als gevolg van de matiging van de inkomensstijging van vrije medische beroepen; beperkingen van beddencapaciteit en afremming van functie-uitbreiding in algemene ziekenhuizen; beperking van verstrekkingen en verbetering op controle op geneesmiddelenverbruik alsmede besparingen ingevolge IZA/IZR2 en ingevolge de interimregeling van ambtenaren. In hoofdstuk II van de bijlage is een en ander nader uitgewerkt.
  • B. 
    De Bijstand

Ook ten aanzien van de Algemene Bijstandswet zullen besparingen met name in de volumesfeer moeten worden gezocht, waarop in de toekomst het onderzoek naar de mogelijkheden daarvan zich zal moeten richten. Binnen het raam van de verlening van bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet heeft zich een praktijk ontwikkeld dat instellingen die -in hoofdzaak -niet gesubsidieerd zijn hun kosten dekken uit tarieven, die hun cliënten in rekening worden gebracht, doch die de facto ten laste van een bijstandverlenend orgaan komen. De voorgestelde maatregelen op het terrein van de Algemene Bijstandswet beogen -naast enkele in hoofdstuk III van de bijlage genoemde verfij-2 IZA: Instituten Ziektekostenregeling Ambtenaren; IZR: Interprovinciale Ziektekostenregeling.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

ningen in de wetgeving -voornamelijk om deze indirecte financiering door middel van de bijstand voor verschillende vormen van dienstverlening, waaronder verzorging en verpleging, te reguleren en prioriteiten te stellen. De indiening van een wetsontwerp kan op korte termijn worden tegemoetgezien.

  • C. 
    Werknemersvoorzieningen

Zoals in de bijlage is uiteengezet moet de vraag worden gesteld of een onderscheid in aanspraken, zoals thans geregeld, op den duur kan worden gehandhaafd. Op grond van een analyse van ontwikkelingen in het verleden meent de Regering, dat een onderscheid in aanspraken voor de toekomst meer zal moeten worden gebaseerd op de duur en de maatschappelijke gevolgen, dan op oorzaken van het buiten staat zijn tot het verrichten van arbeid. Verwijzend naar de in hoofdstuk IV van de bijlage uitgewerkte overwegingen neemt de Regering zich voorde mogelijkheden van een samenvoeging van werknemersvoorzieningen binnen één wettelijk kader te bestuderen. In deze wettelijke algemene loondervingsvoorziening zal het onderscheid in duur en maatschappelijke gevolgen van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid uitwerking kunnen vinden in de dagloonbepalingen en de hoogte van de uitkering. Voorts zal de algemene loondervingsvoorziening zich mede moeten richten op behoud en herstel van arbeid zowel voor hen die arbeidsongeschikt als voor hen die werkloos zijn. Met betrekking tot de herintreding in het arbeidsproces, de vervulling van arbeidsplaatsen en de toepassing van het begrip «passende arbeid» zal worden gestreefd naar een evenwicht tussen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van werknemers èn werkgevers.

In deze conceptie meent de Regering dat de aanspraken in bruto termen van (langdurig) arbeidsongeschikten en van (langdurig) werklozen in de toekomst op elkaar zouden moeten worden afgestemd. Het bruto-uitkeringspercentage van de WAO zou daarom moeten worden aangepast aan het bruto percentage dat voor de uitkeringen van langdurig werklozen ingevolge de WWV geldt, waardoor op nettobasis de WAO-uitkeringen grosso modo 86% van het dagloon zouden bedragen in plaats van nu 90 %. Omdat het ingrijpen in reeds toegekende uitkeringen uit sociaal-politiek oogpunt moeilijk te verdedigen is, wordt voorgesteld deze maatregel alleen voor de nieuwe uitkeringen toe te passen. Voorts is de Regering van oordeel dat binnen het raam van de kostenbeperkende maatregelen een onderscheid naar individuele behoeften i.c. een onderscheid in aanspraken tussen kostwinners en niet-kostwinners verantwoord zou zijn. Hierbij zal in elk geval geen onderscheid naar sexe worden gemaakt; voor zover dit onderscheid nog bestaat zal het worden opgeheven. In afwachting van de resultaten van een nadere studie naar de mogelijkheden tot unificatie van het begrip kostwinner heeft de Regering voorshands besloten in elk geval als niet-kostwinner aan te merken de bij hun ouders in-wonende kinderen. In die gevallen acht zij het nader bepalen van een uitkering op ca. 70% van die van een kostwinner verantwoord. Wat de studie betreft zal bijzondere aandacht worden gegeven aan de mogelijkheid tot het opheffen van de thans bestaande verschillen op dit punt tussen werknemersvoorzieningen en de volksverzekeringen, en vooral aan het versterken van de solidariteitsgedachte in de werknemersvoorzieningen. De regelingen in de EG-landen zullen bij de studie worden betrokken.

  • D. 
    Voorzieningen overheidspersoneel Het ligt in het voornemen van de Regering ten aanzien van het overheidspersoneel bij het Centraal georganiseerd overleg in ambtenarenzaken voorstellen aanhangig te maken met betrekking tot de maatregelen, die voor dit personeel worden overwogen. De desbetreffende voorstellen, waarover op Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13951, nrs. 1-3

de gebruikelijke wijze in alle openheid overleg zal plaatsvinden zullen betrekking hebben op: -doorwerking van maatregelen analoog aan die met betrekking tot werknemersvoorzieningen (invaliditeitsvoorzieningen); -beperken van historisch verklaarbare maar in de gegeven situatie niet langer redelijk te achten verschillen in aanspraken tussen ambtenaren en niet-ambtenaren (onder andere ziektekostenvergoedingen, werkloosheidsvoorzieningen). In hoofdstuk V zijn op die basis mogelijkheden uitgewerkt, die in hoofdzaak betrekking hebben op wijziging van de ziektekostenregeling van ambtenaren, alsmede op de fiscale regelingen terzake. Voorts worden in dat hoofdstuk diverse wijzigingen in de pensioenvoorzieningen en wachtgeldregelingen voorgesteld. Het ligt in het voornemen van de Regering om de in verhouding tot het bedrijfsleven gunstige pensioenvoorzieningen voor ambtenaren en daarmee gelijkgestelden nader te doen bezien. Met name zullen daarbij de «inbouw» van de AOW in het ambtelijke pensioen, de welvaartsvastheid van de pensioenen, alsmede mogelijkheden tot beperking van (hogere) pensioenen in beschouwing worden genomen.

  • E. 
    Kinderbijslag

Bij diverse gelegenheden is van de zijde van de Regering betoogd dat de kinderbijslagwetgeving nader zou worden bestudeerd op mogelijkheden van herstructurering. Als uitgangspunten zijn daarbij nadrukkelijk vermeld de noodzaak tot kostenbeheersing en het beter afstemmen van de kinderbijslagen op het inkomensbeleid. In aansluiting daarop doet de Regering thans een aantal voorstellen waarbij mede de fiscale kinderaftrek bij de herstructurering is betrokken. Zij verwijst daarvoor naar hoofdstuk VI van de bijlage. Voorgesteld wordt de huidige kinderbijslag en de fiscale kinderaftrek te in-tegreren in een nieuwe kinderbijslagregeling. De Regering stelt zich voor deze herstructurering gefaseerd te doen plaatsvinden. De modaliteiten van de herstructurering die, nadat in 1977 in beginsel de integratie van de fiscale kinderaftrek in de kinderbijslag zal worden gerealiseerd, met ingang van 1978 zal moeten plaats vinden, zullen onderwerp van grondige studie moeten zijn. In het algemeen wordt beoogd de kinderbijslagen te differentiëren naar inkomen, gezinsgrootte en leeftijd der kinderen, waarbij in beginsel wordt gedacht aan een kinderbijslag regeling voor kinderen tot 18 jaar. Eventuele afschaffing van meervoudige kinderbijslagen wordt eveneens bestudeerd. De vraag of ook de eerste en tweede kinderen van zelfstandigen in het kinderbijslagsysteem zullen worden opgenomen, zodat er in feite sprake zou zijn van een integrale volksverzekering, zal bij de studie eveneens in beschouwing worden genomen, evenals de vraag naar de hoogte en de indexatie van de kinderbijslagen. In deze studie zal worden bezien de mogelijkheid tot realisering van het voornemen van de Regering om de aanspraken op kinderbijslag zodanig te doen zijn, dat deze tot een nader te bepalen inkomen (draaipuntinkomen) gelijk zijn, vervolgens dalen naarmate het inkomen stijgt, om ten slotte na een eveneens nog nader te bepalen inkomensgrens op een lager niveau constant te blijven. Dit lager niveau is dan voor de inkomens vanaf deze laatste inkomensgrens te zien als een redelijke tegemoetkoming per kind. In deze opzet moet worden gezorgd voor een evenwichtige aansluiting van kinderbijslagwetgeving enerzijds en de voorgenomen studiefinanciering anderzijds. Het geheel van de herstructurering zal in ieder geval gekenmerkt moeten worden door rekening te houden met verschillen in draagkracht, naar inkomensniveausen naar gezinsgrootte. -_ Getracht moet worden te voorkomen, dat op grond van de draagkracht de 3 Zie onder meer interimnota inkomensbeleid fiscale kinderaftrek moet worden gehandhaafd c.q. uitgebreid.

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

Bij de hiervoor bedoelde studie zal mede in aanmerking worden genomen dat in 1980 in de sfeer van de kinderbijslag en de fiscale kinderaftrek een besparing van ca. f 1 mld. moet worden bereikt. De hier voorgestelde maatregelen zullen geen invloed hebben op de hoogte van de uitkeringen en het indexeringsmechnisme binnen het huidige stelsel van studietoelagen. Wel acht de Regering het consequent en verantwoord dat de voorgenomen maatregelen gevolgen zullen hebben voor de hoogte van de basisbeurs bij invoering van het nieuwe stelsel van studiefinanciering. Deze gevolgen dienen echter naar het oordeel van de Regering voor de individuele studerenden gemiddeld niet groter te zijn dan de gevolgen voor het beschikbaar inkomen der huishoudens. Met het oog op een spoedige voortzetting van het overleg met de Staten-Generaal over de studiefinanciering zullen over de uitwerking van een en ander binnenkort nadere mededelingen worden gedaan.

  • F. 
    Welvaartsvastheid

In het geheel van de te treffen ombuigingsmaatregelen heeft de Regering ernstig overwogen of het thans bestaande, algemeen geldende, aanpassingsmechanisme van sociale uitkeringen aan de ontwikkeling van de regelingslonen kan worden gehandhaafd. Daarbij is in aanmerking genomen het feit dat het huidige indexeringsmechanisme tot aanpassing van de uitkeringen aan de ontwikkeling van de welvaart, tot overcompensatie leidt in die zin dat op nettobasis de sociale voorzieningen sneller stijgen dan de lonen. Een en ander is het gevolg van het verschil in heffingen op lonen enerzijds en sociale voorzieningen anderzijds. Op grond van het uitgangspunt dat de beheersing van de kostenontwikkeling in de eerste plaats in het wegnemen van onevenwichtigheden en systeemfouten moet worden gezocht, geeft de Regering de voorkeur aan het corrigeren van deze overcompensatie boven het ten principale wijzigen van het indexeringsmechanisme. Overigens zullen de modaliteiten van deze correcties voor de afzonderlijke voorzieningen nader worden bestudeerd; daarbij dient een oplossing te worden gevonden voor het nettonetto vraagstuk.

  • G. 
    Inkomenseffecten

De hiervoor omschreven maatregelen leiden tot (gecumuleerde) effecten op de vrij beschikbare inkomens als in de bijlage aangegeven. De Regering is van oordeel, dat de (gecumuleerde) effecten op de lopende sociale voorzieningen voor sommige categorieën het treffen van (tijdelijke) compenserende maatregelen of fasering van de maatregelen wenselijk maakt. Dit geldt met name voor ambtenaren. Voorgesteld wordt de maatregelen met betrekking tot ziektekosten gefaseerd in te voeren over een periode van vijfjaar.

  • H. 
    Samenvatting

De hiervoor omschreven gezamenlijke voorstellen tot beperking van de groei van de sociale voorzieningen geven het volgende totaalbeeld:

Beleidsvoornemens sociale voorzieningen (in min. guldens)

1977

1980

Kosten van gezondheidsverzekeringen Algemene bijstand Werknemersvoorzieningen Voorzieningen overheidspersoneel Kinderbijslagen kinderaftrek Correcties op uitkomsten loonindex

PM-posten

405

14956 0

25012 0

690418

630225

1000 350

1200

1578

5265 100

500

1678

5765

Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

De uitwerking van deze beleidsvoornemens zal tot gevolg hebben dat de uitgaven voorde sociale voorzieningen van 1976 op 1977 resp. 1980 niet zullen stijgen van 63 mld. tot 73 mld. resp. 114 mld., maar van 63 mld. tot 72 mld. resp. 108,5 mld.

  • V. 
    Beleidsconsequenties
  • De beleidsvoornemens, zoals in de voorafgaande paragrafen uiteengezet, hebben onmiddellijke consequenties op enkele gebieden van beleid. Dat geldt voor de stimulering van de bedrijfsinvesteringen in de overgangsperiode tot het nieuwe sturingsinstrument tot stand is gebracht. De structuurnota licht dat nader toe. Het geldt evenzeer voor het compenseren van de overschrijding van de begroting 1976. De voorjaarsnota verschaft daaromtrent nadere gegevens. De voorgestelde ombuigingen in de sociale uitkeringen zullen na overleg uitwerking vinden in de begroting 1977 en de daarin bij te stellen meerjarenramingen. De voorgestelde ombuigingen in de sociale uitkeringen zullen na overleg met het parlement en het georganiseerde bedrijfsleven, na inwinning van de noodzakelijke adviezen in wetsontwerpen aan de Kamer worden voorgelegd. 2. De Regering beseft dat de publikatie van deze beleidsvoornemens praktisch samenvalt met het noodzakelijke overleg met de sociale partners over het in de tweede helft van 1976 en in 1977 te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid in het licht van de in de komende jaren te verwachten ontwikkeling. De Regering ziet dit overleg niet als een formaliteit. Ze is diep overtuigd, dat maatregelen als in deze brief aan de orde gesteld, alleen dan aan het beoogde doel zullen beantwoorden, als ze ook de medewerking verkrijgen van de sociale partners. Ze wenst de begrenzing van de groei van de collectieve voorzieningen in 1977 en volgende jaren dan ook nadrukkelijk ter discussie te stellen in verhouding tot de inkomensontwikkeling enerzijds en de medewerking aan de creatie van arbeidsplaatsen en het terugdringen van de werkloosheid anderzijds. In de inleiding werd reeds uiteengezet, dat de Regering de voorgestelde maatregelen wenst te toetsen op hun uitwerking op de inkomensverhoudingen en de daarvoorte hanteren maatstaven, zoals neergelegd in de Interimnota Inkomensbeleid. Het ligt dan ook voor de hand dat de beleidsvoornemens in samenhang moeten worden gezien met nader te nemen maatregelen, die het inkomensbeeld bepalen: prijzen en tarieven, inkomensbeheersing van vrije beroepen, openbaarheid van inkomens, fiscale maatregelen. 3. De Regering beschouwt de voorgestelde beleidsherzieningen en de totstandkoming van belangrijke hervormende maatregelen als één samenhangend geheel. Bij de Kamer zijn aanhangig een tweetal belangrijke wetsontwerpen met betrekking tot de grondpolitiek, terwijl een wetsontwerp tot vaststelling van de huurprijzen van woningen op komst is. De Regering acht de totstandkoming van deze wetgeving in de resterende regeringsperiode van wezenlijk belang. De Regering heeft van het begin af duideijk gemaakt, dat zij bijzondere betekenis hecht aan structuurhervormende maatregelen zoals neergelegd in thans op zeer korte termijn in te dienen wetsontwerpen inzake samenstelling en bevoegdheden van ondernemingsraden en de invoering van een stelsel van vermogensaanwasdeling. Hoezeer de Regering begrijpt dat de Kamer ten aanzien van deze belangrijke wetsvoorstellen aanspraak mag maken op de nodige tijd van voorbereiding, kan de Regering de totstandkoming van deze regelingen niet los zien van de evenzeer ingrijpende voorstellen aangekondigd in deze brief. Hetzelfde geldt voor het in de structuurnota aangekondigde sturingsmechanisme van de investeringen. Veel voorbereiding zal nog nodig zijn om ter zake de nodige wetgevende voorstellen aan de Kamer te kunnen voorleg-

Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13951, nrs. 1-3

gen. De Regering meent echter dat de belangrijke tegemoetkomingen ten behoeve van de bedrijfsinvesteringen, in haar voorstellen vervat, alleen dan verantwoord zijn als een instrument tot stand komt, dat sturing van investeringen en afweging op de creatie van arbeidsplaatsen door overheid en sociale partners mogelijk maakt. Tegen deze achtergrond ook is de afloopdatum van de thans aangekondigde overgangsregeling bepaald op 1 april 1977. Uiteraard is het aan de Staten-Generaal om bovengenoemde wetsontwerpen te aanvaarden, te wijzigen dan wel te verwerpen. De Regering zal echter in de komende periode bij het doen van voorstellen en bij de uitvoering van haar beleid de aangegeven samenhang van haar voorstellen voor ogen houden. De Regering vertrouwt erop dat een aldus geïntegreerd beleid, waarin materiële offers in samenhang worden gebracht met winst aan inzicht en zeggenschap, de medewerking van de Staten-Generaal zal kunnen verkrijgen.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, J. M. Den Uyl De Minister van Financiën, W. F. Duisenberg

De Minister van Sociale Zaken, J. Boersma Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13951, nrs. 1-3

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.