Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 8

Eindverslag Vastgesteld 29 november 1974

Na kennisneming van de memorie van antwoord op het voorlopig verslag inzake dit wetsontwerp bestond bij een aantal leden van de vaste commissie voor sociale zaken behoefte nadere opmerkingen te maken.

De tot de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. behorende leden merkten op dat de Minister in de memorie van antwoord meedeelt dat over de vraag in hoeverre de ondernemingen die niet onder bedrijfstaksgewijze ca.o.'s vallen, het beginsel van de gelijke beloning reeds naleven, geen statistische gegevens beschikbaar zijn en dat een becijfering van het effect van het wetsontwerp op de loonontwikkeling aldus niet mogelijk is.

Deze leden zeiden uiteraard te moeten aanvaarden dat statistische gegevens ontbreken. Zij meenden echter, dat zowel de Kamer als het betrokken bedrijfsleven er recht op hebben, althans bij benadering, te weten, welke kosten uit de toepassing van dit wetsontwerp voortvloeien en zij vroegen dan ook schatten derwijze een inzicht in bedoeld effect te verschaffen.

De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid zeiden met veel genoegen kennis te hebben genomen van het antwoor d van de Minister en de daarbij gevoegde nota van wijzigingen. zij hadden echter na zorgvuldige lezing van de memorie van antwoord en een opnieuw bezien van het wetsontwerp nog enige vragen met betrekking tot artikel 16 lid 2, waarop zij gaarne een nader antwoord wilden hebben. In zijn toelichting op dit artikel volstaat de Minister met erop te wijzen dat het tweede lid is geredigeerd overeenkomstig artikel 20 van de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag. Vergelijkt men echter beide artikelen dan blijkt de wet Minimumloon te spreken van de verjaring van een vorderingsrecht, terwijl het wetsontwerp spreekt van verjaring van de vordering. Deze leden vroegen met welk oogmerk deze wijziging is aangebracht.

Voorts vroegen deze leden naar de betekenis van het in artikel 16, lid 2 gehanteerde begrip verjaring. Moet hieronder worden verstaan de bevrijdende verjaring van artikel 2004 B.W. (in dit verband is ook het bovengenoemd verschil tussen vordering en vorderingsrecht van belang; bij een tenietgaan van alleen het vorderingsrecht zou er immers volgens zeer vele schrijvers een natuurlijke verbintenis, d.w.z. een morele verplichting om te betalen, Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 8

blijven bestaan; de crediteur moet bovendien op de verjaring een beroep doen; de rechter mag haar niet ambtshalve toepassen)? Of moet hier onder verjaring eigenlijk een vervaltermijn worden begrepen, zodat de vordering door het enkele verstrijken van de tijd van rechtswege vervalt en de rechter hem dus ambtshalve moet toepassen? Of moet onder verjaring een vermoeden van betaling worden verstaan, zoalsdatook het geval is ten aanzien van de verjaring, genoemd in de artikelen 2005 tot en met 2010 van het B.W., welke artikelen eigenlijk niet tussen de verjaringsartikelen thuishoren?

Door in artikel 16, lid 2 aan het slot artikel 2013 B.W. van toepassing te verklaren, en door in de memorie van antwoord te verwijzen naar de artikelen 2005 en 2006 B.W. wekt de Minister de indruk deze laatstgenoemde inhoud aan het begrip verjaring te willen geven. Deze leden hoopten dat de Minister de juistheid van deze indruk zou kunnen bevestigen. Dit zou immers betekenen dat de werknemer de werkgever, ingevolge artikel 2010, de eed kan opdragen dat de schuld betaald is en dat, wanneer de werkgever deze eed niet aflegt, hij tot betaling verplicht is. Eveneens vroegen zij welk tijdstip en welke uitbetaling in lid 2 precies worden bedoeld. Of uitbetaling had moeten geschieden, staat immers pas vast na de beslissing van de rechter. Of is hier bedoeld aan de uitspraak van de rechter terugwerkende kracht te verbinden? Deze leden vroegen de Minister in de tekst van artikel 16, lid 2 zodanige wijzigingen aan te brengen, dat omtrent de betekenis ervan geen verwarring kan ontstaan. Ook wilden deze leden nog eens terugkomen op de vordering van ex-werknemers, daar het antwoord van de Minister hen niet geheel bevredigde. Mag het dan zo zijn, dat de directeur G.A.B, geen toestemming tot ontslag verleent, wanneer de aanvrage kennelijk is gebaseerd op het feit, dat de betrokken werknemer van plan is de commissie om advies te vragen of dit reeds gedaan heeft, er is toch ook de mogelijkheid dat de werknemer, hetzij om andere redenen ontslagen is, hetzij zelf vrijwillig ontslag heeft genomen en pas na dat ontslag tot de ontdekking komt te weinig loon ontvangen te hebben. De leden van de P.v.d.A.-fractie zouden deze ex-werknemers hun vorderingsrecht niet willen onthouden. Zij menen zelfs dat dit vorderingsrecht voor ex-werknemers reeds uit de ratio van dit wetsontwerp kan voortvloeien. Voor een vergelijking van functies zal het nodig zijn de functie van de ex-werknemer te vergelijken met defunctie van een (andere ex-)werknemer, die gelijktijdig met eerstgenoemde werkte. Dit mag minder eenvoudig zijn dan vergelijking van functies van werknemers die beiden nog in dienst zijn, onmogelijk lijkt het deze leden toch niet.

De leden van de P.P.R.-fractie haakten in op de opmerking van de Minister (blz. 4 van de memorie van antwoord) dat er thans onvoldoende inzicht bestaat in de noodzaak van een complete regeling die discriminatie op grond van sexe verbiedt. Gaat de Minister deze noodzaak onderzoeken of laat hij dat aan anderen (bij voorbeeld actiegroepen als Man-Vrouw-Maatschappij) over? De Commissie gelijk loon voor mannen en vrouwen zal, zoals op blz. 7 memorie van antwoord aangegeven, functiewaarderingen moeten doen van beroepen waar geen vergelijkbaar beroep naast bestaat. Volgens de Minister zal de commissie dan 'aan de hand van beschikbare gegevens en op basis van haar deskundigheid en algemene kennis omtrent de waardering van functies een vergelijking maken tussen de daarvoor in aanmerking komende functies, teneinde aldus naar billijkheid te adviseren.' Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 8

De leden van de P.P.R.-fractie zeiden te begrijpen dat het moeilijk is het begrip 'billijkheid' nader inhoud te geven, maar zij vreesden dat deze werkwijze zal leiden tot deskundig 'nattevingerwerk'. Teneinde de werknemer inzicht te laten krijgen in de totstandkoming van het advies, en de uniformiteit van de adviezen zoveel mogelijk te verzekeren pleitten deze leden toch voor richtlijnen door de commissie aan te houden bij de vergelijking van functies. Kan de Minister aangeven of hij dergelijke richtlijnen wil doen uitgaan om de bovenomschreven doelstellingen te bereiken?

Onder het voorbehoud dat de Regering voor de openbare behandeling op deze vragen en opmerkingen zal antwoorden acht de commissie deze openbare behandeling hiermee voldoende voorbereid.

Weijters, Vellenga, Roolvink, Barendregt, Nypels, Van der Lek, Hermsen, Rietkerk, Verbrugh, Van der Gun, Meis, S. Keuning, Van Aardenne, Van Dam, Kruisinga, Poppe, Van Gorkum, Van der Doef, Albers Tweede Kamerzitting 1974-1975,13031, nr. 8

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.