Voorlopig verslag - Regelen betreffende aanspraak van vrouwelijke werknemers op een loon dat gelijk is aan dat van mannelijke werknemers voor arbeid van gelijke waarde

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

Voorlopig verslag

De vaste commissie voor sociale zaken werd belast met het voorbereidend onderzoek naar dit wetsontwerp. Zij heeft de eer over haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uitte brengen.

  • Algemeen

De tot de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. behorende leden zeiden in het algemeen in te stemmen met de opzet van dit wetsontwerp. Zij wezen erop dat de Minister in de memorie van toelichting (blz. 7, rechterkolom, eerste alinea) stelt dat het ontwerp slechts een beperkte uitwerking van het beginsel 'gelijk loon voor mannen en vrouwen voor arbeid van gelijke waarde' vormt in die zin, dat aan de man geen aanspraak wordt toegekend op een loon, gelijk aan dat van een vrouw of van een andere man, die arbeid van gelijke waarde verricht, en evenmin aan de vrouw een aanspraak wordt toegekend op een loon gelijk aan dat van een andere vrouw. Deze leden vroegen een nadere toelichting op deze uitspraak. Is in de genoemde gevallen sprake van ongelijkheden die om een mogelijke wettelijke voorziening vragen? Voorts vroegen deze leden of het mogelijk is een inzicht te geven in het aantal gevallen, waarin 'equal pay' nog niet tot stand is gekomen. Kan de Minister een schatting geven van het aantal vrouwen, dat op grond van deze tot stand te brengen wettelijke regeling een claim op gelijke betaling zal doen? Kan, zo vroegen deze leden verder, de Minister een inzicht geven in het effectdat invoering van dit wetsontwerp zal hebben in het bedrijfsleven, met name in het midden-en kleinbedrijf? Kan de bewindsman een cijfermatige benadering geven van de loonstijging, welke hieruit voortvloeit en kan hij zeggen of er nadelige gevolgen voor de werkgelegenheid van te verwachten zijn? Heeft de bewindsman met deze effecten gerekend? Kan, wanneer deze effecten aanwezig zijn, een gefaseerde invoering overwogen worden?

De leden van de Partij van de Arbeidfractie hadden waardering voor het wetsontwerp, hoewel het duidelijk moet zijn dat dit wetsontwerp nog maar een kleine stap is in de richtingvan volledige gelijkwaardigheid van vrouwen in arbeidssituaties. Het feit dat dit wetsontwerp wel aan vrouwen een aanspraak op loon toekent gelijk aan het loon van mannelijke werknemers, en niet omgekeerd, had deze leden wel bevreemd. Zij vonden, ook al is het

3 vel

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

i

juist dat het in de praktijk vooral in het begin voornamelijk neer zal komen op het naar boven toe gelijk maken van vrouwenionen aan die van mannen, dat in principe ook mannen op basis van deze wetgeving aanspraak zouden hebben op een ioon gelijk aan dat van vrouwen die gelijkwaardige arbeid doen. Deze leden waren echter bevreesd dat dit wetsontwerp, als het tot wet wordt verheven, een te gering effect zal hebben doordat het alle actie om gelijke beloning in eerste instantie van de betrokken vrouwelijke werknemers verwacht. De vrouwen, zo merkten deze leden op, zijn onvoldoende op de hoogte van beloningen elders en nog minder van wat gelijkwaardige arbeid zou kunnen worden genoemd. Bovendien neemt de vrouw vaak een kwetsbare positie in in haar bedrijf en zal melding van haar vermoeden, dat zij onvoldoende beloond wordt in vergelijking tot mannen, haar in moeilijkheden kunnen brengen. In elk geval zal bij haar de vrees bestaan dat die moeilijkheden kunnen gaan ontstaan en dit zou haar van melding kunnen afhouden. Deze leden zouden daarom graag zien, dat de commissie die de beloning zal gaan beoordelen, behalve een adviesfunctie ook een signaleringsfunctie krijgt. Deze leden achtten ervaringen aan de hand van de praktische uitvoering van deze wet geen voorwaarde voor wetgeving ter verzekering van de toepassing van het veel bredere beginsel van opheffing van alle discriminatie in arbeid en beroep. Wel achtten deze leden het mogelijk dat in afwachting van deze bredere wetgeving de bij deze wet in te stellen commissie behalve onderzoek op beloningsgebied al informatie op een breder gebied zou verzamelen. Dit zou echter een tijdelijke zaak dienen te zijn totdat met breder en beter georganiseerd onderzoek wordt begonnen. Deze tijdelijke informatiestroom zou onder meer bruikbaar kunnen zijn voor de binnenkort in testellen commissie, die zich bezig zal gaan houden met het beleid tot wijziging van de rolverdeling tussen man en vrouw.

De leden van de P.v.d.A.-f ractie waren voorts van mening dat ook voor personen in dienst van de Overheid een regeling als de in dit wetsontwerp voorgestelde zal moeten komen. Ten slotte zouden deze leden graag wat meer vernemen over het verband tussen dit wetsontwerp en de Wet op het Minimumloon, mede in verband met de relatie tussen loon naar behoefte en prestatieloon en het verband tussen leeftijden beloning.

De leden van de V.V.D.-fractie konden zich in het algemeen met de strekking van dit wetsontwerp verenigen. Mede gelet op de uit de lAO-conventienr. 100 voortvloeiende verplichtingen achtten zij een wettelijke regeling, waarin het beginsel van gelijke beloning wordt gewaarborgd aan ieder vrouwelijke werknemer individueel, gewenst.

De leden van de P.P.R.-fractie zeiden het te betreuren dat ook de Nederlandse samenleving kennelijk nog zo georganiseerd is, dat wettelijke maatregelen getroffen moeten worden om mannen en vrouwen gelijkte belonen voor hun arbeid. Juist vanwege die naadzaak waren zij verheugd dat nu een wetsontwerp aan de Kamer aangeboden is. Deze leden gaven de voorkeur aan een complete regeling ineens, diediscriminatie op grond van sexe verbiedt, gebaseerd op wetten en ervaringen die men in de Verenigde Staten op dit gebied in het laatste decennium heeft gehad. Het onderhavige wetsvoorstel vormt daarvan maar een klein deel, en bestrijdt in zijn beperktheid eigenlijk alleen een symptoom van sexediscriminatie, namelijk het loon voor de verrichte arbeid. Vele andere wetten over deelonderwerpen op dit gebied zullen nog moeten volgen, en het gevaar bestaat dat lacunes daartussen zullen optreden. Deze leden zagen dit wetsvoorstel dan ook als een overgangsmaatregel naar een totale regeling van de materie. Kan de Minister zeggen of en wanneer hij een totale anti-discriminatieregeling aan de Kamer zal voorleggen? Of geeft hij de voorkeur aan indiening van deelwetjes, en zo ja, op welke onderwerpen?

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

De beperktheid van deze wet komt ook naar voren in het buiten beschouwing blijven van het opleidings-, aanstellings-en promotiebeleid. Langs deze wegen kan de bedoeling van deze wet gemakkelijk ontdoken worden. Als beperktheid van onderwerp de prijs is die betaald moet worden voor snelle invoering van de wet, dan konden de leden van de P.P.R.-fractie daar wel akkoord mee gaan, maar alleen als de voorgestelde regeling op belangrijke punten wordt verbeterd. Zo niet, dan is deze snelle wetgeving geen aanwinst. Een fundamenteel bezwaar tegen het voorstel is de gelijkschakeling in loon van de vrouw naar de positievan de man toe, aldus deze Iden. Ten eerste is dit beledigend voor vrouwen. Ten tweede wordt discriminatie van de man als mogelijkheid kennelijk verwaarloosd. Toch zou dit gemakkelijk in de bestaande wet kunnen worden voorkomen, en wel door er een 'regeling voor gelijke beloning van mannen en vrouwen' van te maken. Dit is ook de formulering die voorkomt in de lAO-conventie no. 100. Kan de Minister verklaren waarom hij van deze tekst is afgeweken? Voelt de Minister ervoor zijn wetsvoorstel in deze zin bij te stellen? Deze leden zeiden te erkennen dat het in het algemeen erg moeilijk is om te proberen door wetgeving te verhinderen dat werknemers op grond van sexe ongelijk worden behandeld. Kan de Minister meedelen hoe de regeling ter zake is voor het overheidspersoneel en welke ervaringen daarmee zijn opgedaan?

De tot de fractie van de C.P.N, behorende leden merkten op dat het gelijke loon voor vrouwen al jarenlang onderdeel uitmaakt van de strijd van de arbeidersbeweging voor gelijkstelling in de beloning van de vrouw. De C.P.N, heeft altijd op het standpunt gestaan dat de vrouw die hetzelfde werk verricht als haar mannelijke collega's ook dezelfde beloning dient te ontvangen, aldus deze leden. Uit de memorie van toelichting blijkt hoe oud de geschiedenis van de gelijke beloning van de vrouw reeds is. Van ondernemerszijde is een gelijke beloning van de vrouw steeds op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Deze leden merkten op dat Nederland, nu dit wetsontwerp dan eindelijk is ingediend, bepaald niet vooroploopt op dit punt.

De leden behorende tot de fractie van DS'70 achtten het een verheugende zaak dat met de indiening van dit wetsontwerp ook formeel een einde gemaakt kan worden aan het verschil in beloning tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers voor arbeid van gelijke waarde. Deze leden vroegen de Minister of hij een inzicht kan geven in de mate waarin de in het overheidsstelsel fungerende regeling ook in ca.o.'s een plaats heeft gekregen. Zou de wijze waarop de gelijke beloning bij de overheid is gerealiseerd niet voor uitgebreidere toepassing in aanmerking komen en zou dit op den duurde'individuele aanspraak' niet grotendeels overbodig maken?

De leden van de fractie van D'66 hadden waardering voor het feit dat de Regering door middel van dit wetsontwerp een einde tracht te maken aan een bepaalde vorm van discriminatie bij de arbeidsbeloning. Zij betreurden evenwel dat dit wetsontwerp zo'n beperkte strekking heeft. Het is wenselijk dat er een wet komt die in het algemeen discriminatie bij de arbeidsbeloning verbiedt en die het beginsel van geiijke beloning voor gelijke arbeid vastlegt of zelfs nog ruimer, die het beginsel van gelijke behandeling in een gelijke arbeidssituatie aangeeft. Het voorliggende wetsontwerp heeft geen betrekking op uitkeringen of aanspraken volgens pensioenregelingen (een niet onbelangrijk deel van de totale arbeidsbeloning), ambtenaren, mannen die ten opzichte van vrouwelijke collega's in beloning worden achtergesteld, gelijke kansen op gelijke arbeid (opleidings-, aanstellings-en promotiebeleid). Het verdient ernstige overweging, aldus deze leden, de werkingssfeer van dit wetsontwerp van het begin Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

af aan uit te breiden in de bovengenoemde richtingen, zodat niet met korte tussenpozen aanvullingen aangebracht moeten gaan worden. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van voorbeelden van wetgeving op dit gebied in de Verenigde Staten en Engeland. Deze leden zeiden een voorkeur te hebben voor een meer algemene antidiscriminatiewet aan het einde van het 'jaar van de vrouw' boven een wet met een sterk beperkte betekenis aan het begin van het 'jaar van de vrouw'.

De leden behorende tot de S.G.P.-fractie merkten in verband met het onderhavige wetsontwerp op dat zij een meer principiële beschouwing over wat men zou kunnen omschrijven als de bevordering van de volwaardige deelneming van de vrouw aan het arbeidsproces met het oog op haar maatschappelijke gelijkstelling wilden voorbehouden voor de in het kader van het 'jaar van de vrouw' aangekondigde beleidslijnen voor een geïntegreerd overheidsbeleid ten aanzien van de positie van de vrouw met betrekking tot de arbeid. Ten aanzien van dit wetsontwerp zouden zij met het stellen van enkele vragen, welke later in dit verslag zijn opgenomen, willen volstaan.

De leden van de P.S.P.-fractie waren verheugd dat het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen nu toch eindelijk door middel van dit wetsontwerp een begin van praktische uitvoering kan krijgen. Zij waren overigens van mening dat het wel erg lang geduurd heeft voor het zover was. Aan de hand van de memorie van toelichting is immers vast te stellen dat sinds 31 december 1964 in feite alle belemmeringen waren weggevallen en dat het gedurende tien jaar mogelijk is gebleken dat door 'de algemene economische situatie in de zestiger jaren' de uitvoeringvan een dermate principieel uitgangspunt verhinderd kon worden. Voorts betreurden de leden van de P.S.P.-fractie het dat de Regering dit wetsontwerp uitdrukkelijk een zo beperkte strekking heeft gegeven. Een wettelijke regeling op het punt van gelijke beloning houdt niet in, zoals ook in het advies van de SER wordt gesteld, dat elke discriminatie van de vrouw in het arbeidsproces zal verdwijnen. Voorts wordt in de voorgestelde wettelijke regeling het beginsel 'gelijk loon voor mannen en vrouwen voor arbeid van gelijke waarde' slechts beperkt uitgewerkt. Deze leden vonden het jammer dat de Regering zich wil beperken tot het afsluiten van een bepaalde periode van achterstand van de vrouw ten opzichte van de man en aan de hand van praktische ervaringen met deze wet wil bepalen in hoeverre dit beginsel in een ruimer kader toepassing kan vinden. De Regeri ng wi I dat 'te zijner tijd' bezien (blz. 7, rechterkolom, 3e alinea van de memorie van toelichting). Kan een nadere concretisering worden gegeven van dit 'te zijner tijd'? De mogelijkheid is, aldus de leden van de P.S.P.-fractie, toch nu reeds aanwezig daar een begin mee te maken, bij voorbeeld door het regelen bij wet van de aanspraak van de man op een loon gelijk aan dat van een vrouw of een man die arbeid van gelijke waarde verricht, alsook van een vrouw op dat van een andere vrouw, en van jeugdige werknemers op dat van andere vrouwen en mannen. Met name de taakomschrijving van de in te stellen commissie had in deze richting kunnen worden uitgebreid, aldus deze leden.

De leden van de G.P.V.-fractie stemden in met het principe 'gelijk loon voor gelijke arbeid' en, mede gelet op het feit dat het bedrijfsleven de in dit wetsontwerp voorgestelde regeling reeds jaren heeft kunnen zien aankomen, met de toepassing van dit principe voor arbeid verrricht door vrouwen. Zij constateerden evenwel dat in de memorie van toelichting nauwelijks werd ingegaan op de vraag in hoeverre de regeling op dit moment ingrijpt op de bestaande praktijk in het bedrijfsleven. In welke bedrijven of bedrijfstakken is er nog geen sprake van gelijke beloning voor vrouwen? Zijn er bedrijven, waar als gevolg van een aanspraak op gelijke beloning door vrouwen, de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar kan komen, met consequenties voor de werkgelegenheid?

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

Deze leden waren niet geheel overtuigd van de noodzaak van een aparte wettelijke regeling. Zij zouden het op prijs stellen een meer uitvoerige argumentatie hiervoor te ontvangen. Immers, een regeling in het kader van de Wet op de loonvorming zou veel beter de werkelijke zin van deze regeling -namelijk voorwaarden scheppen door de overheid dat de vrije loonvorming volgens goede regels plaatsvindt -doen uitkomen.

  • Arbeid van gelijke waarde

De tot de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. behorende leden vroegen wat onder een deugdelijk stelsel van functiewaardering (artikel 4) dient te worden verstaan. Welke normen worden daarbij aangelegd? Wanneer is een in een onderneming toepasselijk systeem van functiewaardering niet deugdelijk? Hoe wordt vastgesteld, dat een ander stelsel wel deugdelijk is? Op welke wijze kan door betrokkenen worden nagegaan of aan artikel 4 wordt voldaan?

De tot de fractie van de P.v.d.A. behorende leden vroegen of de Minister kan aangeven wat hij verstaat onder het begrip 'nagenoeg gelijke waarde' (artikel 3). Wordt de waarde van de net iets meer of van de net iets minder gekwalificeerde arbeid bedoeld? Evenzo vroegen deze leden wat bedoeld wordt wanneer de Minister op pagina van de memorie van toelichting (rechterkolom, 4e alinea) spreekt van de vergelijking met de arbeid van een of meer mannelijke werknemers. Waarom wordt hier een andere formulering gekozen dan in artikel 2 ('aanspraak op een loon dat gelijk is aan het loon van een mannelijke werknemer')? Welk begrip bedrijfstak zal hierbij gehanteerd worden? Zal hierbij het socialezekerheidscriterium of het bedrijfseconomisch criterium de doorslag geven? Kan de Minister voorbeelden geven van bedrijfstakken zonder ca.o.? In artikel 4 van het wetsontwerp wordt, zo vervolgden deze leden, gesproken van een deugdelijk stelsel van functiewaardering in plaats van een 'algemeen aanvaard' stelsel, zoals door de SER werd voorgesteld. Is de Minister het met deze leden eens, dat het stelsel naast deugdelijk in ieder geval ook algemeen aanvaardbaar moet zijn? Bij de functievergelijking zou volgens de memorie van toelichting (blz. 8, linkerkolom, 3e alinea van onderen) ook de prestatie betrokken dienen te worden. Met name ten aanzien van bureauarbeid en hoofdarbeid zal hetwenselijkzijn geobjectiveerde criteria op te stellen, zo meenden deze leden. De leden van de P.v.d.A.-fractie sloten zich voorts aan bij de suggestie van de commissie Arbeidspositie Vrouwen en Meisjes om te laten bezien in hoeverre de in Nederland toegepaste methoden van functiewaardering voldoen aan eisen van objectiviteit. Deze leden achtten het namelijk niet onmogelijk dat ook bij de huidige waarderingsstelsels van werksoorten en functies de traditie is binnengeslopen dat functies waarin voornamelijk vrouwen werken ook laag zijn ingeschaald in de bestaande werkclassificatie. Zij vroegen daarom of dit wetsontwerp er mede toe strekt om vrouwen in de gelegenheid te stellen zich tot de commissie ex artikel 9 te wenden indien zij naar hun mening in vergelijking met hun mannelijke collega's een lager loon ontvangen voor overigens gelijkwaardige arbeid tengevolge van het feit dat zij in een lager gewaardeerde functie zijn ingeschaald.

Ten slotte spraken deze leden er hun tevredenheid over uit dat ook de zogenaamde parttimers aan dit wetsontwerp aanspraken op gelijk loon kunnen ontlenen.

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen zich af of er geen praktische moeilijkheden ontstaan, indien bij afwezigheid van een mannelijke werknemer, die arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde in dezelfde onderneming verricht, uitgegaan moet worden van de beloning in een zoveel mogelijk gelijksoortige onderneming in dezelfde bedrijfstak (artikel 3, lid 2). Heeft de minister rekening gehouden met het feit dat ook binnen eenzelfde Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

bedrijfstak de beloningsstructuur in ondernemingen verschillend kan zijn en derhalve ook tot een ander beloningsniveau kan leiden? Welke gedragslijn moet in dergelijke gevallen worden gevolgd? Te denken valt hierbij onder andere ook aan bedrijfstakken die een minimumc.a.o. kennen, zoals de metaalindustrie, waarin de beloningen per onderneming nogal uiteenlopen. Deze leden onderstreepten voorts de wenselijkheid, dat bij toepassing van artikel 2 zoveel mogelijk aangesloten wordt bij het stelsel van functiewaardering dat in de onderneming waar de vrouwelijke werknemer werkzaam is, gebruikelijk is. In de toelichting op het wetsontwerp wordt gesteld dat, in-dien in een onderneming geen deugdelijk stelsel van functiewaardering aanwezig is, dan een ander deugdelijk stelsel toepassing kan vinden (blz. 7, rechterkolom, voorlaatste alinea). Deze leden zouden gaarne toegelicht willen zien wat hieronder moet worden verstaan. In artikel 4, lid 2 wordt voorgeschreven dat bij gebreke van een zodanig stelsel de arbeid, gelet op de beschikbare gegevens, naar billijkheid wordt gewaardeerd. De mededeling in de memorie van toelichting over het toepassing kunnen vinden van een ander stelsel, wekt de indruk dat de in artikel 9 bedoelde commissie bevoegd zou zijn bepaalde stelsels van functiewaardering aan een onderneming voor te schrijven. Het kwam hun voordat zulks geen grondslag vindt in de wetstekst en ook overigens te ver zou gaan. Deze leden vroegen zich af of het niet de voorkeur verdient in die omstandigheden aansluiting te zoeken bij het systeem van functiewaardering dat in de betreffende bedrijfstak gebruikelijk is.

De argumentatie van de Minister over de functiewaardering in de memorie van toelichting op blz. 8 deed de leden van de C.P.N.-fractie vreemd aan. De Minister doet het voorkomen alsof deze waardering in de periode van de geleide loonpolitiek de bedoeling had de gelijkwaardigheid van functies aan te tonen. Niets is echter minder waar. Naar de mening van deze leden zijn en worden de systemen van werkclassificatie en meritrating gebruikt om de produktiviteit op te voeren, de lonen te drukken en bevorderen deze systemen de willekeur en het uitspelen van de arbeiders tegen elkaar. De hier aan het woord zijnde leden zeiden deze systemen dan ook af te wijzen. Daar deze systemen echter in vele ondernemingen gehanteerd worden zal men bij het vaststellen van gelijke beloning voor vrouwen niet onder dit feitelijke gegeven uit kunnen, aldus deze leden. Ook deze leden wezen erop dat er bedrijfstakken zijn waar de produktie-arbeid specifiek door vrouwen wordt verricht, te weten de textielindustrie, de confectie-industrie en de suikerverwerkende industrie.

De leden van de fractie van DS'70 wezen erop dat op blz. 5 van de memorie van toelichting wordt gesteld dat voor de bedrijfstaksgewijze ca.o.'s het beginsel van de gelijke beloning per 1 januari 1975 volledig zal zijn doorgevoerd. Op blz. 7, rechterkolom, van de memorie wordt gezegd 'Hierbij zij nog opgemerkt, dat de werkgevers die het beginsel niet of nog steeds niet naar behoren in hun onderneming hebben geïntroduceerd ....'. In dit laatste citaat worden dus kennelijk geen bedrijven vallende onder een bed rijf sta ksgewijze ca.o. bedoeld. Kan worden aangegeven om wat voor soort ondernemingen het hier dan wel gaat?

De leden van de S.G.P.-fractie vroegen zich af welke handelwijze zal worden gevolgd wanneer er geen 'control group' bestaat. Dit zou zich voor kunnen doen in bepaalde bedrijfstakken waar alleen vrouwen of alleen mannen werken. Is het in dit verband juist dat 42 % van de werkende vrouwen een functie uitoefent die alleen door vrouwen wordt uitgeoefend? Vooral in de detailhandel werken veel vrouwen in bedrijfjes waarb bijna alleen vrouwen werken, terwijl in deze sector van het bedrijfsleven tevens vrijwel geen c.a.o.'s zijn. Indien er een methode wordt gevonden om ook voor deze werkneemsters een loon te garanderen dat gelijk is aan dat van mannelijke werknemers voor arbeid van gelijke waarde, kan de Minister dan aangeven hoe-Tweede Kamerzitting 1974-1975,13031, nr. 4

veel dit de detailhandel gaat kosten? In hoeverre zullen de op grond van deze wet te verwachten loonkostenstijgingen in deze sector leiden tot prijsverhogingen? De leden behorende tot de S.G.P.-fractie zouden gaarne nader over deze problematiek worden geïnformeerd, vooral gezien de grote moeilijkheden waar o.a. deze bedrijfstak mee te kampen heeft.

De leden van de P.S.P.-fractie merkten op dat het nu voorliggende wetsontwerp uiteraard een verlichting betekent van de gediscrimineerde positie van de vrouw, maar hier toch ook weer op aansluit, zowel door de gekozen beperking als in andere opzichten. Met name daar waar gesproken wordt van de samenstelling van de totale loonsom van de vrouw (blz. 8) die naar gelijkwaardige maar niet naar dezelfde maatstaven als van de man dient te worden opgebouwd en waar met de term 'gelijk loon' niet een even hoog totaal bedrag wordt bedoeld. Juist hier, waar het overwerk dat de man meer heeft verricht of het langere dienstverband van de man bepalend kunnen zijn, komen de beperkte ontwikkelingsmogelijkheden en beperkte actieve deelname aan het maatschappelijk gebeuren, als gevolg van opvoeding en verwachtingspatroon, tot uitdrukking. De hier aan het woord zijnde leden hadden een opmerking over de mate waarin de in te stellen commissie bij het beoordelen van de totale beloning van de betrokken werkneemster hiermee rekening zal houden, dan ook node gemist. Deze leden merkten voorts op dat ook bij de belangrijkste middelen die de Regering ziet voor vergelijking van gelijke arbeid van mannen en vrouwen, nl. functiewaardering en prestatiebeoordelingssystemen, de discriminatie op het terrein van het opleidings-, aanstellings-en promotiebeleid zal doorwerken. Meer in het algemeen wilden de leden van de P.S.P.-fractie met het oog op nivellering van de loonverschillen opmerken dat het hen tegenvalt dat de Regering blijkbaar zoveel heil verwacht van functiewaarde'ring en prestatiebeloningsystemen, daar deze systemen vaak slechts in schijn objectief zijn, maar in werkelijkheid de schaarste van de arbeidsfactoren waarderen. Ten slotte wilden deze leden vernemen of de Regering bekend is met ervaringen in het buitenland waar een wettelijke regeling, overeenkomend met de strekking van dit wetsontwerp, reeds eerder in werking is getreden. Met name waren zij geïnteresseerd in een mogelijk gebleken neiging bij sommige werkgevers om, voordat de wet in werking treedt, mannelijke werknemers uit overwegend'vrouwelijke'arbeid te weren ten einde vergel ijking van de lonen te doorkruisen. Iets dergelijks is niet alleen denkbaar per bedrijf maar ook per bedrijfstak.

  • De commissie voor gelijk loon voor vrouwen

De leden van de P.v.d.A.-fractie zouden gaarne zien dat de commissie ex artikel 9 ook een signaleringsfunctie krijgt. Dit zou dan ook gevolgen hebben voor de bemanning c.q. bevrouwing van de commissie en het budget dat voor de commissie wordt uitgetrokken. Deze leden zouden graag vernemen welk bedrag daar nu voor ter beschikking staat. Voorts drongen zij aan op zo spoedig mogelijke opleiding van een aantal vrouwen tot deskundigen op dit terrein, zoals ook in de memorie van toelichting wordt aangekondigd. De signaleringsfunctie van de commissie zou breed moeten worden opgevat. Deze leden gingen ervan uit, dat de verslaggeving van de commissie over onderzoek en ervaringen openbaar zal zijn. Voorts gingen zij ervan uit dat de voorlichting die wordt aangekondigd ook betrekking zal hebben op de ervaringen na een jaar werking van deze wet. Is de Minister bereid in artikel 14 de openbaarheid van het verslag te verzekeren?

Volgens de tot de P.P.R.-fractie behorende leden kleefden er, afgezien van de wederom gebrekkige en beledigende benaming, nog enige onvolkomenheden aan de bepalingen over de commissie. Deze leden zouden met name de volgende garanties voor de werkwijze van de commissie in het wetsontwerp Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

opgenomen zien: Een gemakkelijke bereikbaarheid van de commissie, zonderde verplichting eerst met de werkgever over het loon te praten; een in-breng van de vrouw bij het advies; een mogelijkheid dat een groep werkneemsters met dezelfde arbeidsvoorwaarden om een collectief advies vraagt; openbaarheid of zelfs pubiikatieplicht van het advies. Vooral dat laatste achten zij van groot belang is. Is de Minister bereid enige nadere bepalingen daarover in het wetsontwerp op te nemen alvorens een nadere regeling krachtens artikel 15 vast te stellen?

De leden van de DS'70-fractie vroegen de Minister of hij bereid is het verslag van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 14 ook ter kennis te brengen van de leden van de Tweede Kamer.

De leden van de P.S.P.-fractie merkten op dat de commissie alleen tot activiteit kan komen wanneer zij daartoe wordt uitgenodigd. Verdient het geen aanbeveling om de commissie de mogelijkheid te geven ook op eigen initiatief uitspraken te doen? Het wetsontwerp gaat, zo vervolgen deze leden, uit van een individuele actie van de werkneemster. Gezien de drempelvrees die gerust verondersteld mag worden bij velen, alsook andere factoren die initiatief ter zake verhinderen, is het wellicht beter als de mogelijkheid wordt geopend dat ook een collectief, bij voorbeeld een afdeling, een procedure bij de commissie zou kunnen aanspannen. Hoe kunnen werkneemsters, die in het eigen bedrijf of zelfs in de bedrijfstak geen vergelijkingsmogelijkheden hebben, vaststellen dat ze misschien onderbetaald worden? Wie zal hen voorlichten over de loonsituatie in andere bedrijven, bedrijfstakken etc? Denkt de Regering dat de voorlichtingsfolder (memorie van toelichting, blz. 9, rechterkolom, 4e alinea) ook hiervoor toereikend zal zijn?

  • De vorderingen tot nakoming

Welke rol, zo vroegen de leden van de fracties van V.V.D., A.R.P. en C.H.U., speelt het advies van de commissie voorgelijk loon voor vrouwen in een eventueel rechterlijk geding?

Deze leden vroegen verder, of het in artikel 16 bedoelde advies, zonder hetwelk de vordering van de vrouwelijke werknemer niet-ontvankelijk is, een gunstig advies zal moeten zijn.

Zoals uit de memorie van toelichting (blz. 9, linkerkolom) blijkt, kan degene, die over een vordering tot betaling op grond van deze wet moet oordelen, de burgerlijke rechter zijn, doch ook een bij c.a.o. aangewezen commissie van arbitrage of bindend advies. De leden van de fractie van de P.v.d.A. zouden gaarne onderzocht willen hebben welke instantie ten aanzien van loongeschillen de voorkeur geniet. Zij hadden hun bedenkingen tegen arbitrage of bindend adviescommissie wanneer het bedrijfstakken betreft, die nu niet direct vooropgelopen hebben ten aanzien van het behartigen van de belangen der vrouwelijke werknemers in hun c.a.o. Voorts vroegen deze leden of het niet zinvol zou zijn een beroepsmogelijkheid te creëren tegen de adviezen van de commissie. Ook zouden deze leden -mede in verband met artikel 16, lid 2 -gaarne een termijn opgenomen willen zien, waarbinnen de commissie haar advies dient uitte brengen.

De leden van de fractie van DS'70 zouden graag toegelicht willen zien hoe in de praktijk zal blijken tot welke 'rechtsprekende instantie' de betrokken werkneemster(s) zich moet(en) wenden. Deze leden doelden daarbij vooral op die bedrijfstakken die bij c.a.o. een regeling kennen, waarbij onder meer bij loongeschillen door de georganiseerde werknemers eerst de weg van een 'geschillencommissie' bewandeld dient te worden. Zou het in de praktijk wel eens niet erg moeilijk kunnen zijn voorde betrokken werkneemster om vast te stellen of zij te weinig uitbetaald krijgt omdat de werkgever het beginsel van het gelijke loon niet toepast, dan wel dat om een andere reden niet het volle loon wordt uitbetaald?

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

Zouden er geen problemen kunnen ontstaan indien bedoelde instanties in dit soort gevallen zouden gaan verwijzen? Te denken valt dan met name aan de termijn waarbinnen geschillen aanhangig dienen te worden gemaakt. Deze leden achtten deze vragen van belang te meer daar het niet voldoen aan het beginsel van gelijk loon voor gelijkwaardige arbeid ook kan bestaan uit het niet toepassen van allerlei secundaire arbeidsvoorwaarden waardoor bedoelde scheidslijnen nog vager worden dan bij geschillen inzake betaling van een gelijk basisloon. Voorts vroegen ook deze leden waarom niet een regeling is uitgewerkt waarbij een beroepsmogelijkheid tegen een advies wordt geschapen. Leidt het achterwege laten daarvan niet tot onnodige inschakeling van instanties die uiteindelijk uitspraak dienen te doen?

Deleden van de C.P.N.-fractie hadden bezwaartegen de in artikel 16gestelde termijnen. De in het eerste lid genoemde termijn van drie maanden zal in de praktijk, zoals zal blijken, zeer snel worden overschreden doordat eerst getracht zal worden door overleg tot een oplossing te komen. Als dat niet lukt wordt de zaak verwezen naar het bureau voor arbeidsrecht van de betrokken vakorganisatie. De drie maanden zijn dan al lang en breed voorbij. Zo'n bureau zal dan genoodzaakt zijn opnieuw een advies aan de commissie te vragen. eenmaal is vastgesteld, dat loon ook betaald moet worden en in rechte zonder enige beperking gevorderd moet kunnen worden. Om voormelde redenen waren zij ook tegen lid twee van dit artikel, zowel vanwege de uniformiteit inzake verjaring van vorderingen betrekkei ijk tot loonbetaling als omdat zij een periode van twee jaar niet in overeenstemming vonden met vergelijkbare geldende verordeningen. Vorderingen inzake loon verjaren eerst na 5 jaar ex artikel 2012 B.W. Deze termijn van 5 jaar leek deze leden dan ook het minimum, ook voor vorderingen op grond van deze wet. Is de Minister, gezien het voorgaande, niet met hen van mening dat dit artikel dan ook beter uit de wet kan blijven? De leden van de fractie van D'66 vroegen of het niet gewenst is bij geschillen een uitspraak te laten doen door een onafhankelijke rechter en niet door een volgens de ca.o. aangegeven geschillencommissie. Is het verder niet wenselijk vorderingsmogelijkheden te garanderen aan ex-werknemers of een bescherming tegen ontslag in te voeren na de eerste aanvraag van de werknemer voor hoger loon? Is het tenslotte niet wenselijk zo vroegen deze leden, om het mogelijk te maken dat vakorganisaties uit zich zelf een vordering instellen?

  • Overige onderwerpen

De leden van de P.v.d.A.-fractie merkten op dat de nietigheidsbepaling van artikel 8 zowel voor individuele als collectieve arbeidsovereenkomsten, waarbij aan een vrouwelijke werknemer een lager loon wordt toegekend, geldt. Het leek deze leden onlogisch dat desondanks een dergelijke c.a.o. verbindend kan worden verklaard, waardoor de individuele werkneemsters in de positie worden gebracht een proces te moeten beginnen. Acht de Minister het niet beter de werkneemsters tegen onnodig procederen te beschermen en het advies van de CAVM te volgen, waardoor het mogelijk wordt dat loonregelingen in een c.a.o., die met het beginsel van gelijke beloning in strijd zijn, niet algemeen verbindend worden verklaard? De leden van de fractie van D'66 sloten zich bij deze vraag aan. De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden begrip voor het feit dat nog niet aan een strafsanctie voor de werkgever wordt gedacht waar het gaat om gelijkwaardige arbeid. Zij achtten het echter niet ondenkbaar, dat, na bij voorbeeld een jaar ervaring, wèl tot het instellen van een dergelijke strafsanctie wordt overgegaan. Deze leden zouden hierover graag de mening van de bewindsman vernemen. Tevens zouden zij graag horen of het in de tussentijd mogelijk zou zijn om wel al tot instelling van een strafsanctie te besluiten Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

voor het niet uitbetalen van gelijk loon bij gelijke arbeid. Ook voor een zekere terugwerkende kracht zou deze redenering kunnen gelden. Bij gelijk loon voor gelijke arbeid behoeven immers nauwelijks onduidelijkheden te bestaan. In de memorie van toelichting wordt hulp van de Loontechnische Dienst aan de vrouw die op gelijke beloning aanspraak wenst te maken toegezegd. Zal de LTDzich niet begeven op het terrein van de vakbeweging, zo vroegen de leden van de fracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. Zal die hulpverlening voldoende effect sorteren in bedrijven en beroepen waar geen deugdelijk stelsel van functiewaardering aanwezig is?

  • De artikelen

Artikel 1 De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen of ter vergelijking van lonen en arbeid van huishoudelijk personeel onder het begrip onderneming ook huishoudingen verstaan kunnen worden. De leden van de C.P.N.-fractie merkten op dat een groot aantal vrouwen werkzaam is als werkster in het schoonmaakbedrijf of in een particuliere onderneming, dan wel als huishoudelijke hulp in dienst van een particulier. De laatste categorie valt niet onder het B.B.A.-1945. Voor het ontslaan van de dienstbode is geen ontslagvergunning, als bedoeld in artikel 6 van dat B.B.A., vereist. Op die vrouwen zijn alleen de bepalingen in het B.W. inzake opzegging en opzeggingstermijn van toepassing. Indien zo'n vrouw van mening is, dat zij te weinig loon ontvangt, dan moet zij zich tot de in het wetsontwerp vermelde commissie wenden. Als die dan vastgesteld heeft dat haar loon omhoog moet, dan ligt het voor de hand dat de werkgever dat loon vaak te hoog zal vinden en zich van die werkneemster ontdoet door haar eenvoudig op te zeggen. In dit verband vroegen deze leden de Minister of hij bereid is uit artikel 2, lid 1 van het B.B.A.-1945 (in welk artikel wordt omschreven op wie dat besluit niet van toepassing is) de sub d genoem-de categorie te verwijderen, zodat ook in deze gevallen bij ontslag eerst een ontslagvergunning moet worden gevraagd.

Artikel 5, lid 3 Kan de Minister een nadere uitleg geven, zo vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie, wat hij bedoelt met 'algemene verschillen in de loonstructuur van de betrokken ondernemingen'? Wordt hiermee hetzelfde bedoeld als met de regionale verschillen, waarvan in het SER-advies sprake is? Is het niet wenselijker de formulering .... 'wordt rekening gehouden met' .... te vervangen door.... 'kan rekening worden gehouden'....? De leden van de P.P.R.-fractie tekenden bij dit artikel aan dat het -als het vaak wordt toegepast en ruim geïnterpreteerd -het hele wetsontwerp ongedaan dreigt te maken. Voelt de Minister ervoor de gebiedende formulering '... wordt rekening gehouden met...' te vervangen door een bij voorbaat misbruik beperkende formulering als'... kan in uitzonderingsgevallen rekening gehouden worden met...' of woorden van een dergelijke strekking? Heeft de Minister overigens inzicht in het aantal ondernemingen waarbij dit geval zich zal voordoen?

Artikel 7 Het leek de leden van de V.V.D.-fractie gewenst om over de algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 7, vooraf het advies van de Stichting van de Arbeid of de Sociaal-Economische Raad in te winnen, ten einde aldus het bedrijfsleven gelegenheid te bieden zijn oordeel terzake kenbaar te maken. De leden van de P.P.R.-fractie vroegen of de Minister nu reeds kan aanduiden welke regelen hij zal treffen om bij algemene maatregel van bestuur het begrip 'billijkheid' (artikel 4) inhoud te geven.

Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 4

Artikel 16 De leden van de P.v.d.A.-fractie waren van oordeel, dat vorderingsrechten niet alleen aan werkneemsters doch ook aan ex "Werkneemsters behoren te worden toegekend. Dit met het oog op de mogelijkheid dat de werkneemster na eerste aanvraag of voordat zij een aanvraag kan indienen, wordt ontslagen. Ook de leden van de P.P.R.-f ractie drongen erop aan ex-werkneemsters een vorderingsrecht toe te kennen.

Vastgesteld, 14 november 1974.

Weijters, Vellenga, Roolvink, Barendregt, Nypels, Van der Lek, Hermsen, Rietkerk, Verbrugh, Van der Gun, Meis, S. Keuning, Van Aardenne, Van Dam, Kruisinga, Poppe, Van Gorkum, Van der Doef, Albers Tweede Kamer, zitting 1974-1975,13031,nr.4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.