Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de wetsontwerpen: Vaststelling van hoofdstuk XV (Sociale Zaken) van de rijksbegroting voor het dienstjaar 1975 (13100); Vaststelling van de begroting van het Bezitsvormingsfonds voor het dienstjaar 1975 (13100 J).

De algemene beraadslaging wordt hervat. Hierbij is tevens aan de orde de beraadslaging over: de Interimnota inzake de bestrijding van de werkloosheid (13110); de Brief van de Minister van Sociale Zaken over de stand van zaken met betrekking tot het overleg over het Centraal akkoord 1975 (13215); de motie-Van Gorkum c.s. betreffende een betere toerusting van de gewestelijke arbeidsbureaus (13100, Miljoenennota, nr35); de motie-Rietkerk c.s. over de naleving door uitkeringsgenietenden van verplichtingen hun opgelegd in de Werkloosheidswet (13110, nr. 4); de motie-Wierenga c.s. over de uitvoering van het werkgelegenheidsprogramma ten behoeve van de bouwsector groot f 600 min. (13110, nr. 5); de motie-Meis c.s. om de Wet Werkloosheidsvoorziening zodanig te wijzigen dat vrouwen en mannen dezelf-de uitkering ontvangen (13031, nr 13); de motie-Meis c.s. om het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 van toepassing te verklaren op vrouwelijke werknemers in huishoudelijke of persoonlijke diensten in de huishouding van private personen (13031,nr. 14); de motie-Meis c.s. over verhoging met f 400 min. van het in het kader van het werkgelegenheidsprogramma aangewezen bedrag (13100, hoofdstuk XV, nr. 13); de motie-Hartmeijer c.s. over meldingsplicht bij de gewestelijke arbeidsbureaus van openstaande plaatsen in de bedrijven (13100, hoofdstuk XV, nr. 14).

©

De Voorzitter: Bij deze gezamenlijke behandeling kan tevens worden gesproken over: de Brief van de Ministervan Economische Zaken betreffende wijzigingen in enkele veronderstellingen van het Centraal Planbureau inzake de ramingen voor 1975 (13100, Miljoenennota, nr. 26); de Brief van de Minister-President in-zake maatregelen op grond van de nieuwe gegevens omtrent de ontwikkeling van de economie (13100, Miljoenennota, nr. 27).

©

P.J.J. (Jan)  MertensStaatssecretaris Mertens: Mijnheer de Voorzitter! Ik zal proberen mijn betoog zo kort mogelijk te houden. Ik begin met het aanbieden van mijn excuses aan de heer Van Zeil, die er overigens niet is, voor het feit, dat ik zijn vragen in eerste termijn gesteld niet in mijn betoog heb beantwoord. Ik wil er nu wel het een en ander over zeggen. Sprekende over de sociale werkvoorziening wees de heer Van Zeil erop, dat sedert de start van deze instelling, nu ongeveer 25 jaar geleden, sprake is van een enorme ontwikkeling in onze samenleving. Hij verbond daaraan de vraag, of wij niet toe zijn aan een bezinning op de taak en het functioneren van de sociale werkvoorziening in de samenleving van morgen. Naar aanleiding daarvan zij er allereerst op gewezen, dat niet alleen de samenleving maar ook de sociale werkvoorziening in de afgelopen 25 jaar een ingrijpende en veelzijdige ontwikkeling te zien heeft gegeven. Tijdens die ontwikkeling heeft de Kamer zich diepgaand met het beleid op dit terrein bezig gehouden bij de totstandkoming van de wettelijke regeling van de sociale werkvoorziening, welke op 1 januari 1969 van kracht werd. Toen deze wet enkele jaren in werking was, heeft een breed samengestelde interdepartementale werkgroep zich gebogen over de ontwikkeling, waarbij tevens de aandacht hebben gehad Tweede Kamer 19 december 1974

Staatssecretaris Mertens vraagstukken als door de heer Van Zeil genoemd, namelijk die met betrekking tot het recht op arbeid en inkomen, de technologische ontwikkeling, de schaalvergroting en het sociaal beleid. Het rapport van deze werkgroep werd in 1973 gepubliceerd en onder meer aan de Kamer en de SER aangeboden. Nog voordat de bedoelde interdepartementale werkgroep haar opdracht had voltooid, heeft de Minister overeenkomstig een aan de Kamer gedane toezegging bij schrijven van 20 oktober 1972 de Sociaal-Economische Raad verzocht, zich opnieuw te bezinnen op de doelstellingen en uitgangspunten van de Wet Sociale Werkvoorziening. Het is ons bekend dat de met de voorbere' 'ing belaste commissie met haar arbeid nog niet gereed is. Die arbeid is overigens bijzonder moeilijk en ingewikkeld. Ik mag er de heer Van Zeil op wijzen, zo hij deze vragen heeft gesteld toegespitst op de inspraak van de werknemers daar waar hij de schaalvergroting en het sociaal beleid aan de orde stelde, dat er ook op dit terrein, los van de studies die zijn en nog worden verricht, nogal belangrijke vorderingen worden gemaakt in de ontwikkeling van de kernen en door het houden van studie-en vormingsbijeenkomsten. Dit alles gebeurt in zeer nauw en intensief overleg met de vakbeweging. Mijnheer de Voorzitter! Ik meen hiermee aan dit punt voldoende aandacht te hebben gegeven.

©

De heer VellengafP.v.d.A.): De heer Van Zeil heeft gevraagd naar bekende zaken, die hier ook meer dan eens een rol hebben gespeeld. Heb ik het juist, dat de Staatssecretaris heeft gezegd, dat de laatste commissie, waarop hij doelde, begonnen is en bijna gereed is met de voorbereiding? Heeft hij het woord 'voorbereiding' gebruikt, of gaat het om de zaak zelf?

©

P.J.J. (Jan)  MertensStaatssecretaris Mertens: Ik kan mij niet herinneren, dat ik het woord 'voorbereiding' heb gebruikt. Ik heb gezegd, dat men met de werkzaamheden een aanvang heeft genomen en dat het om een zeer moeilijke en ingewikkelde opgave gaat, waarvoor men staat. Ik weet, dat er zeer intensief aan wordt gewerkt. Mijnheer de Voorzitter! Ik moet nog enkele vragen beantwoorden van de heer Rietkerk. In de discussie inzake de verlaging van de premiedruk is even de kwestie van de herziening van de kinderbijslag en de studiefinanciering ter sprake gekomen. Bij interruptie is erop gewezen, dat er niet alleen sprake is van een brief aan de Kamer, maar dat met name over de overheveling van de gelden een advies aan de SER is gevraagd. Bij die overhevelingszaak zijn drie alternatieven gesteld met betrekking tot de wijze waarop het zou kunnen gebeuren en waarover wij graag een oordeel van de SER vernemen. Het eerste is verlaging van de premie KWL en AKW, maar dan tegelijkertijd een verlaging van de rijksbijdrage met eenzelfde bedrag bij andere socialeverzekeringsfondsen, waardoor bereikt wordt een gelijkblijvende premie-en belastingdruk. Het tweede is verlaging van de premie KWL en AKW, terwijl de studiefinanciering wordt gefinancierd uit de algemene middelen en de besparing op het vlak van de sociale verzekering niet wordt opgevuld. Het laa.ste kan men ook anders vertalen, nl.: een mindering op de norm van 3%. Het derde is een mengvorm van het eerste en het tweede. Vervolgens heeft de heer Rietkerk nader gesproken over zijn motie, voorgesteld in de openbare commissievergadering van 25 november 1974, waarin de Regering wordt verzocht erop toe te zien, dat de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid hun verplichtingen met betrekking tot de voorschriften van passende arbeid en de bevordering daarvan nakomen. De heer Rietkerk heeft in dit verband met instemming gereageerd op mijn antwoord op de vragen van de heer Van Gorkum in-zake de erkenning van de vrijwillige werkloosheid als mogelijk rechtscheppend criterium op de uitkeringen binnen het raam van de Werkloosheidswet. Ik wilmisschien ten overvloede -nadrukkelijk stellen, dat de gedachte van de heer Van Gorkum omtrent het openen van aanspraken op werkloosheidsuitkeringen aan hen, die in feite niet onvrijwillig werkloos zijn, doodeenvoudig bij de uitvoering van de werkloosheidswetten niet kunnen worden gevolgd, omdat zij in strijd zijn met de toekenningscriteria, die de werkloosheidswetten inhouden. Voorts bevestig ik, dat het niet in het voornemen van het kabinet ligt om de door de heer Van Gorkum voorgestel-de criteria als rechtscheppende principia thans in de werkloosheidswetten op te nemen. Vanzelfsprekend wordt erop toegezien, dat ook in dit opzicht de werkloosheidswetten naar letter en geest worden toegepast.

De heer Rietkerk (V.V.D.): Na deze verklaring van de Staatssecretaris en de verklaring van de Minister gisteren is mijn onrust weggenomen en wil ik mijn motie intrekken.

Aangezien de motie-Rietkerk c.s. (13110, nr. 4) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Staatssecretaris Mertensundefined: Overigens meen ik niet meer te behoeven ingaan op de discussie tussen de heer Rietkerk en de Minister met betrekking tot de te nemen maatregelen. Er zijn in de voorstellen van de werkgevers bepaald een aantal zaken die interessant zijn en ook al volop in bewerking zijn. Zij hebben zelfs al tot enig resultaat geleid.

De heer Meis (C.P.N.): Welke voorstellen? Noemt u er eens een paar.

Staatssecretaris Mertensundefined: Er was onder andere het voorstel, de KWM-opslag van 0,2% nacalculatie over te hevelen naar de premiesector van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarover is unanimiteit bereikt in de Stichting van de Arbeid en de SER. Het is intussen gerealiseerd. Ik meen verder niet op de discussie in te behoeven gaan. De heer Rietkerk is geen vreemdeling in het Jeruzalem van de sociale verzekeringen. Hij weet wel dat als er effectief wordt begonnen aan het zware reorganisatieprobleem -ik denk aan de uitvoeringsorganisatie, ik denk ook aan de vraagstukken omtrent de mogelijke veranderingen in de in-dexering -dat zoveel tijd in beslag zal nemen, dat redelijkerwijs niet aan te nemen is dat dit nog in de periode tot 1977 zal kunnen worden gerealiseerd.

De heer Rietkerk (V.V.D.): Mijnheer de Voorzitter! Dan heeft de Staatssecretaris toch althans bij mij een misverstand gewekt, toen hij in eerste instantiezei, dat tot 1977 van de realisering van bijstellingen niets zou kunnen komen. Ik heb er begrip voor als hij zegt, dat voor zover er voorstellen bij zijn die op de hele organisatie in haartotale omvang betrekking hebben, wij dat niet van vandaag op morgen kunnen doen. Ik meen dat er bij die voorstellen ook allerlei suggesties op kleinere en grotere punten zijn die zich wel degelijk voor realisering op kortere termijn lenen. Als de Staatssecretaris kan toezeggen dat zijn uitspraak niet betekent, dat op de punten die wel realiseerbaar zijn en uiteraard door hem aanvaardbaar worden geacht niet gewacht wordt tot 1977 meen ik dat wij daarmee de discussie kunnen afsluiten. Ik heb het echter zo verstaan, dat alles tot 1977 zou moeten wachten.

Staatssecretaris Mertensundefined: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb gisteren gezegd dat er een intern rapport van de werk-

Staatssecretaris Mertens groep is. Zij heeft zich een oordeel gevormd. De Minister en ik zullen ons op korte termijn over het rapport van de werkgevers nader beraden. Mevrouw Barendregt heeft een vraag gesteld met betrekking tot de integratie van de Gemeenschappelijke medische dienst en de diensten van de bedrijfsverenigingen. Mij is eigenlijk gevraagd, een tijdslimiet te noemen. Ik zou dat niet willen doen. Ik heb al gezegd dat deze materie in studie is. Bovendien komt zij op zichzelf ook nog aan de orde -het kan niet anders -bij de behandeling van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bovendien -dit weet mevrouw Barendregt heel goed -is de problematiek niet zo simpel, dat het alleen maar gaat om de integratie van de diensten van de bedrijfsverenigingen en de gemeenschappelijke medische dienst.

Mevrouw Barendregt (P.v.d.A.): Het tijdstip van de integratie wordt toch niet het tijdstip waarop iedereen met welwillendheid echt zelf zal meewer ken en zelf initiatieven neemt om daartoete komen? De Staatssecretaris moet op een gegeven moment bereid zijn, tegen de wensen van bepaalde groepen in te gaan.

Staatssecretaris Mertensundefined: Er worden nogal wat activiteiten ondernomen om een zo groot mogelijke welwillendheid ter zake van deze reorganisatie te bereiken. Wij hopen dat de weerstand ertegen zal wegebben. Ik meen dat tegen de achtergrond van de maatregelen die wij voor de toekomst moeten nemen om te komen tot een meer doelmatige uitvoeringsorganisatie wij er niet aan zullen ontkomen, eventueel maatregelen werkelijk met kracht door te zetten. Mevrouw Van Leeuwen is ten zeerste verheugd over het overleg tussen de bewindslieden en dr. Veldkamp over de codificatie. Ik heb op de suggestie van mevrouw Van Leeuwen alleen gezegd: Als de vaste Commissie voor Sociale Zaken de heer Veldkamp wil horen, is dat naar het mij voorkomt het goede recht van de commissie. Het is niet aan mij, daarover te oordelen. Dat is iets anders dan het overleg met de bewindslieden en dr. Veldkamp. De Minister en ik geven er de voorkeur aan, dat de Kamer zelf dr. Veldkamp hoort over de uitvoering van zijn taken en de stand van zaken met betrekking tot zijn werkzaamheden.

De heer Kruisinga (C.H.U.): Ik heb van mevrouw Van Leeuwen wel begrepen dat zij het op hoge prijs zou stellen, als dat wel in aanwezigheid van u en de Minister zou kunnen geschieden.

Staatssecretaris Mertensundefined: Ik moet het oordeel hierover laten aan de kamercommissie. Als de kamercommissie ons uitnodigt, zullen wij bezwaarlijk argumenten kunnen ontwikkelen om ons daarvan te ontdoen. Een tweede punt dat mevrouw Van Leeuwen nog aan de orde heeft gesteld is de kwestie van de verhoging van de premiereductie en de vrijstellingsgrenzen in de volksverzekeringen. Ik wil wel zeggen dat ik mijn standpunt over de verhoging van deze grenzen zo snel mogelijk na het ontvangen van het desbetreffende SER-advies zal bepalen. Een door mevrouw Van Leeuwen verwacht unaniem of in grote mate unaniem advies ter zake van een zo belangrijk orgaan als de SER zou in-derdaad belangrijk zijn. Dat zou een beslissing kunnen vergemakkelijken. Wat de technische mogelijkheden van een terugwerkende kracht van een eventuele verhoging tot 1 januari 1975 betreft, merk ik op dat ik deze gaarne nader zal bekijken. Wan neer dit ook maar enigszins mogelijk is, zal ik eraan meewerken, dit te bevorderen en te realiseren. Mevrouw Van Leeuwen heeft vervolgens nog opmerkingen gemaakt met betrekking tot de liquiditeitsreserve van de volksverzekeringsfondsen. Deze opmerkingen neem ik ter harte. Ik zeg graag toe, op een verantwoord liquiditeitspeil te zullen toezien. Met betrekking tot het rapport van de werkgroep premiebepaling en reservevorming bij de werkloosheidsverzekering had ik reeds in een eerder stadium gezegd dat de Minister en ik aan de ministerraad hebben voorgelegd, dit rapport te doen publiceren. Mijnheer de Voorzitter! Door mevrouw Barendregt en de heer Verbrugh zijn nog nadere vragen gesteld met betrekking tot de verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd met 1 jaar en de gevolgen daarvan, die door de Minister op 1 mld. zijn geraamd. Deze rami ng heb ik wat onderbouwd. Zij beiden verwachten een verlaging -misschien zelfs wel een forse verlaging -van dit bedrag, omdat allerlei compenserende maatregelen en factoren daar tegenover staan. Ik leg er nogmaals de nadruk op dat de berekening van de Minister en wat ik nader heb geadstrueerd uiteraard globaal zijn en dat dit niet zo moet worden verstaan, dat daarbij met alle plussen en minnen rekening is gehouden. Dat moet worden aangenomen, zoals mevrouw Barendregt en de heer Verbrugh veronderstellen, dat deze compenserende factoren een omvangrijk effect op het berekende resultaat zullen hebben, is naar mijn mening toch niet helemaal juist. Ik wil nog herhalen, dat bij de berekening is uitgegaan van een algemene verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd. Vervolgens is er rekening mee gehouden dat een belangrijk deel van de 64-jarigen een uitkering ontvangt in het kader van de ZW, de WAO en de werkloosheidsvoorzieningen. De heer Verbrugh heeft nog eens nader gevraagd, over welke aantallen het van de manlijke beroepsbevolking gaat. Voor zover wij dit hebben kunnen narekenen

De heer Verbrugh (G.P.V.): Mijnheer de Voorzitter! Als ik nu 1 mld. deel door 37000 dan kom ik op ongeveer f 26 a 27000 per maninkomen. Dat lijkt mij wel erg hoog. Dat zou dan het bedrag zijn dat op een of andere wijze moet worden gesuppleerd als de 64-jarigen met vervroegd pensioen zouden gaan. De Staatssecretaris heeft nog een aantal factoren genoemd waardoor het aantal van 37000 kleiner wordt. Die f 27000 zouden een nog groter bedrag worden. Dat begrijp ik niet, vooral niet als ik naar de AOW kijk. Ik heb jammer genoeg die getallen nu niet bij mij, maar ik ben tot een kostenbedrag van niet meer dan 350 min. gekomen.

Staatssecretaris Mertensundefined Barendregt (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik zou de Staatssecretaris willen voorstellen de Kamer over deze zaak een brief te sturen met meer inzicht in de onderzoekingen waarop hij zijn veronderstellingen baseert en wellicht wat alternatieve mogelijkhederi en berekeningen. Ik dacht dat het nu te ingewikkeld werd om het op deze manier te bespreken.

Staatssecretaris Mertensundefined: Mijnheer de Voorzitter! Daarmede ga ik graag akkoord. Ik had al willen opmerken dat er tal van berekeningen rondom het vraagstuk van de flexibele pensionering zijn gemaakt. Ik zal dit punt meenemen in dat deel van de schriftelijke beantwoording die de Minister gisterenavond reeds heeft toegezegd.

Mevrouw Barendregt (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Als het enigzins mogelijk is, zou ik daarbij graag de groep van 60 tot 65 jaar betrokken zien.

Staatssecretaris Mertensundefined: Mijnheer de Voorzitter! Er is wel wat materiaal voorhanden om te verwerken in de schriftelijke beantwoording. De heer Meis heeft zijn opmerkingen met name toegespitst op de inkomenspositie van de werklozen die zijn uitgetrokken van de WW en van de WWV. De constructie is dan dat men valt onder de toepassing van de Algemene Bijstandswet, de ABW. Die ABW kent in beginsel het systeem dat inkomens die er in het gezin zijn bij het doen van uitkeringen in de beschouwingen moeten worden betrokken. Het voorstel van de heer Meis zou ingrijpen in de principiŽle opzet van de ABW. Ik heb gisteren al gezegd dat de werkelijke oplossing van deze problematiek veel meer moet worden gezocht in een verlenging van de uitkeringsduur dan in het doen van uitkeringen, hetgeen in de zin zoals de heer Meis heeft bedoeld, in strijd zou zijn met de principes van de ABW. Als de heer Meis nader geÔnformeerd wil worden over de principes van de ABW, zou ik hem willen verwijzen naar de Minister en Staatssecretaris van CRM.

De heer Meis (C.P.N.): Ik ben hier ook aan het juiste adres. Het gaat er niet om, elkaar dooddoeners toe te schuiven; het gaat om reŽle feiten. Ik heb niet in eerste instantie gevraagd om de Algemene Bijstandswet te veranderen. Wij hebben thans te maken met de werklozen positie, die valt onder het Ministerie van Sociale Zaken, de WWV en met name onder de Staatssecretaris. Het zijn dus de mensen van de

Staatssecretaris, over wie wij praten. Als de Staatssecretaris niet in staat is op korte termijn de WWV te verlengen, wil hij dan, voor mijn part met zijn collega van CRM, maatregelen treffen dat het geld niet aftrekbaar is? De Staatssecretaris kan toch zeggen: Ik zit met mensen die uitgetrokken zijn uit de WWV; CRM en ik zullen daarvoor een oplossing vinden. Dat is toch het probleem waar het om gaat. Wij hebben het niet over dooddoeners, maar over levende mensen die straks in hun in-komsten worden gekort.

Staatssecretaris Mertensundefined: Om aan te geven wat de repercussies van zo'n maatregel zijn, zou ik het hele betoog van de Minister moeten herhalen. Niet in het geding is de vraag, of zo'n uitkering niet zou worden gegund. Het kan eenvoudig niet.

De heer Meis (C.P.N.): Gunu het de mensen dan. Het gaat erom dat de mensen niet in hun uitkering worden gekort. Er is hier gezegd dat wij de jaren dertig niet moeten aanhalen, maar u staat Colijnse maatregelen te verdedigen.

Staatssecretaris Mertensundefined: Dat laat ik voor rekening van de heer Meis. De algemene beraadslaging wordt gesloten. In behandeling komt het wetsontwerp Vaststelling van hoofdstuk XV (Sociale Zaken) van de rijksbegroting voor het dienstjaar 1975 (13100).

Dit wetsontwerp wordt, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.

In behandeling komt het wetsontwerp Vaststelling van de begroting van het Bezitsvormingsfonds voor het dienstjaar1975(13100 J).

Over het Enig artikel wordt geen beraadslaging gevoerd.

Beraadslaging over de staat, bedoeld in het Enig artikel, waarop is voorgesteld een amendement-De Beer c.s. (stuk nr. 6).

©

De heer De Beer (V.V.D.) verkrijgt het woord tot toelichting van zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Toen het Bezitsvormingsfonds werd ingesteld, was er geen leeftijdsgrens aan verbonden. Het fonds was een groot succes, maar na anderhalf jaar was het uitgeput. De inschrijvingen zijn toen een tijdlang stopgezet en vervolgens is er een wetsontwerp ingediend tot wijziging van de Wet op het

bezitsvormingsfonds, welk wetsontwerp werd aanvaard. Daarbij werd een aantal beperkende bepalingen aangebracht ten einde het aantal gegadigden flink te reduceren. De meest ingrijpende beperking was toen de invoering van een maximum leeftijdsgrens, bij algemene maatregel van bestuur te regelen, van voorshands 35 jaar. De memorie van toelichting wijst er heel nadrukkelijk op dat de in-voering van de leeftijdsgrens te maken had met het gebrek aan financiŽle middelen van het fonds. Wij hebben dat toen noodzakelijkerwijze moeten aanvaarden, maar wij hebben die beperking betreurd, overigens met een groot deel van de Kamer. Er is objectief gezien nauwelijks een steekhoudende reden te bedenken, waarom mensen met een bescheiden inkomen, die er om welke reden dan ook op wat latere leeftijd toe kunnen komen een eigen huis te kopen zouden moeten worden uitgesloten van een renteloze lening uit het fonds. Mijn amendement wil de leeftijds-grens optrekken tot 55 jaar; het maakt dit althans financieel mogelijk. Wij zouden graag iedere leeftijdsgrens hebben willen laten vervallen, maar wij moeten natuurlijk ook rekening houden met de financiŽle gevolgen. Het amendement vergt een uitgave van 55 min., maar dat is een eenmalige uitgave, geen structurele die ieder jaar terugkomt. Om deze reden, en ook omdat het een gunstig effect heeft op de werkgelegenheid, namelijk door de nieuwbouwvan in prijs bescheiden koopwoningen, meenden wij dat de dekking het best gevonden kon worden in het kader van het geld dat in verband met de werkloosheidsbestrijding voorde bouw wordt uitgetrokken.

©

J. (Jaap)  BoersmaMinister Boersma: Mijnheer de Voorzitter! De renteloze leningen die uit het Bezitsvormingsfonds worden gegeven, kunnen, zoals de heer De Beer weet, ook worden gebruikt voor aankoop van reeds eerder bewoonde woningen. Het effect voor de werkgelegenheid van deze 55 min. zou bij overheveling van dit bedrag uit de werkgelegenheidspot naar het Bezitsvormingsfonds minder groot zijn. De stimulanszou immers, globaal gesproken, alleen betrekking hebben op het gedeelte van het aantal leningen dat vooraankoop van nieuwbouwwoningen wordt verstrekt. De verdeling over reeds bestaande woningen en nieuw te bouwen woningen is ongeveer fiftyfifty.

Minister Boersmaundefined Ik voeg eraan toe dat in het pakket maatregelen waarover in de afgelopen weken veelvuldig is gesproken ook rekening is gehouden met de bevordering van het eigen woningbezit. 40 min. is uitgetrokken voor tijdelijke verhoging van de premie voor eigenaar of bewoner van een nieuw te bouwen woning. Ik zie daarin direct de relatie tot de werkgelegenheid. Ik ontken niet dat het op zichzelf een goede zaak zou zijn om de leeftijdsgrens van 35 jaarte verhogen. Mijn bezwaren tegen de overhevelingsoperatie van de heer De Beer zijn bijzonder groot, gelet op de zoeven door mij gegeven argumenten. Als die operatie niet doorgaat -ik ontraad de Kamer ten sterkste dit wel door te laten gaan -dan zijn de middelen van het fonds niet toereikend om die leeftijdsgrens verder te verhogen. Een verhoging van 35 naar 40 jaar kost 35 a 40 min. Het voorstel van de heer De Beer kost 55 min. en als wij tot 65 jaar zouden gaan, dan kost het 70 min. Het amendement dient de werkgelegenheid niet, zoals in de toelichting op het amendement eigenlijk wel wordt gesuggereerd. Verder zijn er overigens geen middelen aanwezig. Ik wijs er ook nog op dat in de discussiegisteren overeen aantal onderdelen van de doelstellingen van het Bezitsvormingsfondsten behoeve van het eigen woningbezit is gesproken. De heer Van Zeil heeft daarbij een aantal suggesties gedaan, waarvan er ťťn ook betrekking had op uitbreiding van de middelen van het fonds. Toen heb ik erop gewezen dat dit uit anderen hoofde op korte termijn bijzonder moeilijk zou zijn. Hij heeft ook nog andere suggesties gedaan. Met mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heb ik vanmorgen nog afgesproken dat verschillende suggesties die naar aanleiding van de discussie over bezitsvorming in algemene zin, het Bezitsvormingsfonds en het bezit van eigen woningen worden gedaan, in een overleg dat wij binnenkort met elkaar zullen hebben als wij wat meer tijd hebben, aan de orde zullen komen. Wij zullen dan ook nagaan of de indexering van de aankoopprijzen in de loop van de jaren wel helemaal conform de prijsontwikkeling is geweest. Wij hopen daaromtrent de Kamer op niet al te lange termijn verder te informeren. Gelet op de overhevelingsoperatie, heb ik zeer grote bezwaren tegen het amendement van de heer De Beer.

heerDeBeer(V.V.D.): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb begrepen, dat de Minister eigenlijk niet onwelwillend tegenover de gedachte staat, die in het amendement is neergelegd. Hij heeft evenwel bezwaren tegen de overhevelingsoperatie. De Minister heeft in dat verband ook nog gewezen op de maatregelen ter bevordering van het eigen woningbezit, die door zijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden genomen. Wat het laatste betreft moet ik erop wijzen, dat wij nadrukkelijk in het voorlopig verslag hebben gevraagd, of het fonds in de huidige nieuwe omstandigheden zin heeft. Die vraag is door de Minister bevestigend beantwoord. Ongeacht de maatregelen, die elders worden genomen, heeft het toch nog wel zin. Vervolgens kom ik op de overhevelingsactie. Het amendement beoogt formeel alleen een bepaalde begrotingspost op te voeren. De dekking daarvoor wordt in het amendement niet aangegeven. Wij hebben alleen een suggestie gedaan. Als de Minister zegt: Het is eigenlijk maar voor de helft bevorderend voor de werkgelegenheid, dan kan ik de Minister nog in overweging geven, het voor bijvoorbeeld 25 of 30 min. ten laste van het program te brengen. De overige enkele tientallen miljoenen guldens kunnen dan ongetwijfeld worden gevonden ergens in de geweldige hoge begroting van subsidies, die op het ogenblik voor het eigen woningbezit in het vat zitten. Ik meen dan ook, dat de dekking voor het plan op zichzelf geen overwegend bezwaar behoeft op te leveren.

Minister Boersmaundefined: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb geen nieuwe argumenten toe te voegen aan die, welke ik reeds heb aangevoerd. Ik blijf bij mijn standpunt, dat ik de Kamer aanvaarding van het amendement moet ontraden met de toezegging, dat ik de verschillende elementen, die hebben te maken met het Bezitsvormingsfonds en de bevordering van het eigen woningbezit, nader zal bezien, uiteraard ook in overleg met mijn collega van FinanciŽn. Het is vanzelfsprekend -ik ben er dan ook niet toe bereid -, dat ik geen toezegging kan doen inzake het versterken van het fonds, zonder dat ik weet, waar het geld vandaan moet komen, mede gelet op het feit -dit blijkt ook uit de nadere schriftelijke informatie, die de Kamer hedenmorgen is verstrekt -, dat de verdeling van de extra werkgelegenheidsgelden reeds in grote lijnen heeft plaatsgevonden. Ik zie nu geen kans, daar enkele tientallen miljoenen guldens aan te onttrekken.

beraadslaging wordt gesloten. De verdere behandeling van het wetsontwerp wordt geschorst.

©

De Voorzitter: Het Presidium heeft met eenparigheid van stemmen besloten te stellen in handen van de bijzondere commissie inzake Grond-en Kieswetzaken (9 181 e.v.) het wetsontwerp Wijziging van de Kieswet strekkende tot het opnieuw vaststellen van de hoofdstukken J en K en tot wijziging van enkele artikelen in de hoofdstukken I, S en X (13218).

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.