De voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Regelen betreffende aanspraak van werknemers op een loon dat gelijk is aan dat van werknemers van de andere kunne voor arbeid van gelijke waar-de... - Handelingen Tweede Kamer 1974-1975 10 december 1974 orde 6


Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Regelen betreffende aanspraak van werknemers op een loon dat gelijk is aan dat van werknemers van de andere kunne voor arbeid van gelijke waar-de (Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen) (13031) De beraadslaging over artikel 1 en de daarop voorgestelde amendementen wordt hervat.

©

E. (Erwin)  NypelsDe heer Nypels (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Verleden week bij de behandeling van het amendement ten aanzien van de ambtenaren op dit wetsontwerp is door de Regering verklaard, dat er twijfel bestond over de vraag, of het wel mogelijk was, op grond van artikel 72 van de Grondwet ambtenaren onder de werkingssfeer van dit wetsontwerp te brengen. Dit heeft mij doen aarzelen of het juist zou zijn, het desbetreffende amendement te handhaven of dat het moest worden ingetrokken. Ik moet de Minister bedanken voor zijn notitie die hij de Kamer heeft doen toekomen over de positie van de ambtenaren. De belangrijkste conclusie van deze notitie is te vinden op pag. 2 waar de Minister verklaart: 'Met mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken neig ik ertoe, mij bij deze meerderheid aan te sluiten en in artikel 72 van de Grondwet geen bezwaren te zien tegen opneming van de ambtenaren in het wetsontwerp gelijk loon voor vrouwen en mannen. Toch zou ik het raadzamer vinden, een wijziging van de Grondwet af te wachten.'. Mijnheer de Voorzitter! Als de Minister spreekt over een 'meerderheid', dan gaat het om een meerderheid van deskundigen, waartoe onder andere behoort professor Oud die heeft verklaard dat naar zijn idee de strekking der grondwettelijke voorschriften op het stuk van de macht van de Koning niet is de bevoegdheid van de wetgever, doch veeleer die van de uitvoeren-de macht te beperken; uitbreiding van de bevoegdheden van de wetgever kan dus bezwaarlijk tegen de bedoeling van de Grondwet ingaan. Deze argumenten, zowel van een aantal reeds genoemde rechtsgeleerden, als de conclusie van de Minister van Sociale Zaken met zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken, brengen mij ertoe, te besluiten het amendement te handhaven. De argumenten die wij naar voren hebben gebracht ten aanzien van de gelijke behandeling van ambtenaren en werknemers bij het bedrijfsleven brengen ons ertoe, ons voorstel te handhaven om de ambtenaren onder de werkingssfeer van deze wet te brengen, zodat rechtsgelijkheid voor werknemers in het bedrijfsleven en overheid wordt gegarandeerd. Daarbij kwamen uiteraard onze praktische bezwaren tegen het uitsluiten van de ambtenaren bij dit wetsontwerp, omdat wij ook meenden dat er speciale redenen waren om ervoor te zorgen dat via deze wet, en niet op een andere wijze, die gelijke berechtiging bij de beloning van mannen en vrouwen in overheidsdienst wordt gegarandeerd. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nog een opmerking maken over de laatste alinea van de notitie van de Minister om een misverstand op te helderen. De Minister merkt daar op: 'Overigens moge er op worden gewezen, dat indien het amendement van de heer Nypels wordt aangenomen, de wet wel van toepassing zal zijn op de ambtenaren, doch niet op arbeidscontractanten, omdat artikel 17 volgens het amendement in stand blijft.'. Mijnheer de Voorzitter! Dat is een misverstand. In de toelichting op mijn amendement heb ik uitdrukkelijk verkiaard dat het in mijn ogen gewenst is dat artikel 17 van het wetsontwerp komt te vervallen. Aangezien het niet de bedoeling is om amendementen in te dienen om een schrapping van een Tweede Kamer 10 december 1974

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.