Nader gewijzigd ontwerp van wet houdende regelen betreffende aanspraak van werknemers op een loon dat gelijk is aan dat van werknemers(tweede kamer 1973-1974) van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde - Nader gewijzigd Ontwerp van Wet houdende regelen betreffende aanspraak van werknemers op een loon dat gelijk is aan dat van werknemers van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde (Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Zitting 1974-1975 Nr. 36b

13031

Eindverslag van de vaste Commissie voor Sociale Zaken omtrent het ontwerp van wet Regelen betreffende aanspraak van werknemers op een loon dat gelijk is aan dat van werknemers van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde. (Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen)

Nadat het voorlopig verslag der commissie aan de Regering was medegedeeld, is van haar ontvangen de navolgende

Memorie van antwoord

De instemming van de fracties van K.V.P., C.H.U. en A.R.P. met het in dit wetsontwerp weerspiegelde beleid met betrekking tot de positie van de vrouw in onze gemeenschap stemt tot verheugenis. Ook van mijn zijde onderschrijf ik gaarne de opvatting van deze leden, dat een goede mentaliteit hierbij voorop dient te staan. Ik zou daarbij evenwel willen aantekenen dat een dergelijke geestesgesteldheid niet zonder meer aan de maatschappij kan worden opgelegd, maar een gevolg is van gestadige ontwikkelingen, zowel in maatschappelijke als in levensbeschouwelijke verbanden. Verder onderschrijf ik dat voorlichting, scholing en herscholing belangrijkzijn: de regering zal hieraan voortdurend aandacht schenken.

Overigens maken deze leden zich zorgen over een verdringingseffect dat zeker in een periode van hoge werkloosheid zou kunnen optreden. In dit verband wordt mede een relatie gelegd met het minimumloonniveau dat onder meer bij de detailhandel een grote rol speelt. Ten aanzien hiervan zou ik willen stellen dat het minimumloonniveau mede tegen de achtergrond van het werkgelegenheidsaspect beschouwd moet worden. Dit is echter een vraagstuk van meer algemene aard dat naar mijn oordeel geen aanleiding mag geven om de doelstelling van dit wetsontwerp aan te tasten. Bovendien beoogt het minimumloon slechts een ondergrond in de beloning te garanderen terwijl de strekking van dit wetsontwerp een veel bredere is. In het bedrijfsleven als geheel is het aantal uitkeringsdagen wegens ziekteverzuim voor vrouwen ongeveer gelijk aan dat van mannen. Anders dan in het bedrijfsleven als geheel, ligt bij de met name genoemde detailhandel het ziekteverzuim bij vrouwen boven dat van mannen, en wel ongeveer een kwart. Overigens dient opgemerkt te worden dat het ziekteverzuim in de detailhandel niet ongunstig afsteekt bij dat in het bedrijfsleven als geheel. Intussen is een commissie van de Sociale Verzekeringsraad doende om de problematiek rond het ziekteverzuim bij vrouwen in kaart te brengen en mogelijkheden te zoeken om te komen tot een op die problematiek afgestemd beleid.

Eerste Kamer, zitting 1974-1975, 13031, nr. 36b Op de vraag hoe het beloningsniveau in specifieke vrouwenberoepen of in werkgemeenschappen waarin géén mannen werken, zal worden vergeleken, verwijs ik naar het gestelde in artikel 3, lid 2, van het wetsontwerp. Uitgangspunt is derhalve de vergelijking binnen dezelfde onderneming. Daarbinnen wordt -zo mogelijk -vergeleken met een man die arbeid van gelijke waarde verricht. Doet deze mogelijkheid zich niet voor, dan wordt vergeleken -eveneens binnen dezelfde onderneming -met een mannelijke werknemer, die arbeid van nagenoeg gelijke waarde verricht. Wanneer de hierboven genoemde vergelijkingsmogelijkheden binnen de onderneming ontbreken, zal vergelijking van loon en arbeid van de vrouwelijke werknemer met die van een mannelijke werknemer in een andere onderneming binnen dezelfde bedrijfstak plaatsvinden. Ook dan zullen de hierboven bedoelde mogelijkheden moeten worden on-de rzocht. Ik ben van mening, dat de voorgestelde opzet voldoende aanknopingspunten biedt ter bepaling van de aanspraak van de vrouw op gelijk loon voor arbeid van gelijke waarde.

De vraag van de leden van P.v.d.A.-fractie of ik na de totstandkoming van de wet aanvragen voor financiële steun in bepaalde bedrijfstakken verwacht en, zo ja, of ik bereid ben daarop in te gaan, meen ik in beginsel ontkennend te moeten beantwoorden. Overigens zouden verzoeken om financiële steun in dit verband in eerste instantie aan mijn ambtgenoot van Economische Zaken behoren te worden gericht. Ook het beantwoorden van de vraag of een bedrijfstak, als deze zo zwak staat, niet beter kan verdwijnen ligt op zijn weg. Of een bedrijfstak uitsluitend als gevolg van de invoering van ditwetsontwerp gevaar zou lopen te moeten verdwijnen, betwijfel ik overigens zeer.

Voorts is de vraag gesteld of de loonkostenstijging voor vrouwen voortvloei-end uit de voorgestelde bepalingen als autonome stijging ten laste zal moeten komen van de (in een bedrijfstak) beschikbare loonruimte voor alle werknemers. Naar mijn oordeel kan hierop niet zonder meer met ja of nee worden geantwoord. Met name is hier van belang de mate waarin in de verschillende bedrijfstakken sprake zal zijn van een autonome stijging. In een aantal gevallen met name in die bedrijfstakken waar relatief weinig vrouwen werkzaam zijn zal hiervan nauwelijks sprake zijn, in andere sectoren zou een wezenlijke stijging tot de mogelijkheden kunnen behoren. Hierbij ga ik er van uit dat, indien de autonome stijging van de loonkosten als gevolg van in-voering van gelijke beloning aanzienlijk is, c.a.o.-partijen tenminste een deel van de door hen overeengekomen verbeteringen van de arbeidsvoorwaarden voor dit doel aanwenden. In dit verband merk ik op dat in het kader van het prijsbeleid 1975 door de industriële sector 50 % en de dienstensector 85 % van de loonsomstijging in beginsel met een maximum van 6,5 respectievelijk 11 % mag worden doorberekend, terwijl een voor een onderneming of bedrijfstak extra hoge post autonome loonstijging als gevolg van relatief veel minimumloners of invoering van 'gelijk loon voor vrouwen en mannen' in voorkomende gevallen in overleg met de Minister van Economische Zaken tot een doorberekening van meer dan eerdergenoemde 6,5 respectievelijk 11 % zal kunnen leiden. In die sectoren waar de stijging van de arbeidsproduktiviteit meer bedraagt dan het macro-economische cijfer, wordt bovendien een ruimte geschapen die voor 'gelijk loon voor vrouwen en mannen' zou kunnen worden aangewend.

In antwoord op de vraag van de hier aan het woord zijnde leden betreffen-de de afweegfactoren, die in een systeem van werkclassificatie gehanteerd worden, wil ik het volgende opmerken. Ingevolge artikel 4 van de ontwerpwet moet de arbeid gewaardeerd worden volgens een deugdelijk stelsel van functiewaardering. Onder een deugdelijk stelsel van functiewaardering zal in beginsel moeten worden verstaan, zoals ik in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer reeds heb medegedeeld (blz. 6), een stelsel dat het mogelijk maakt aan Eerste Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 36b

de hand van specifieke facetten, die kenmerkend zijn voor de functie en die het geheel van vaardigheden en eisen omvatten welke de vervulling van de functie vraagt, een vergelijking in waardenniveau te maken tussen verschillende functies, met andere woorden een rangordebepaling vast te stellen tussen de diverse functies. De hier te lande gebruikte stelsels van functiewaardering maken geen onderscheid in methodiek naar gelang de functie wordt of zal worden uitgeoefend door een man of een vrouw. Een functiewaarderingssfe/se/ mag echter geen voorwerp van loononderhandelingen zijn. Wèl kunnen de met behulp van een deugdelijk stelsel van functiewaardering verkregen resultaten als hu/pmiddel fungeren bij de onderhandelingen tussen partijen bij het vaststellen van loonverhoudingen.

De vraag of veranderingen in de schaarsteverhoudingen ook veranderingen in de te hanteren afweegfactoren met zich brengen meen ik bevestigend te kunnen beantwoorden. Datzelfde geldt ook voor de vraag of het vaststellen van de afweegfactoren beleidsgevolgen kan hebben. Daarbij merk ik echter op, dat een functiewaarderingsstelsel een technisch door ter zake kundigen opgesteld instrument is. Daarmede wil niet gezegd worden, dat een dergelijk instrument in de tijd niet voor wijzigingen in aanmerking zou kunnen komen. Immers, ontwikkelingen, die zich in het bedrijfsleven voltrekken op technisch gebied (bij voorbeeld automatisering) en ook op organisatorisch gebied, alsmede veranderingen in opvattingen over de relatieve maatschappelijke waarde van bepaalde kenmerken van functies (bij voorbeeld die van de inconveniënten aan de arbeid verbonden) zullen op het terrein van de functiewaarderingsstelsels steeds hun invloed doen gelden. De objectiviteit van stelsels van functiewaardering acht ik een belangrijk onderwerp van studie voor deskundigen. Dat geldt met betrekking tot alle aspecten, welke een rol spelen bij de toepassing van dergelijke stelsels, ook de kwestie van de afweegfactoren. Ik heb hierover inmiddels een brief tot de Stichting van de Ar-beid gericht.

Wat de rijksoverheid betreft kan worden opgemerkt dat de waardering van functies niet plaatsvindt op basis van een puntenclassificatiesysteem met afweegfactoren. De functiewaardering geschiedt door middel van vergelijkende, beredeneerde inschatting binnen de geldende rangenstelsels van het bezoldigingsbesluit. Bij de vergelijking wordt rekening gehouden met het vereiste kennisniveau, de verantwoordelijkheden, de plaats en betekenis van de functie binnen de organisatie van het betrokken dienstonderdeel, etc. De gevolgde benadering laat ruimte voor het incalculeren van zich wijzigen-de maatschappelijke opvattingen en inzichten met betrekking tot de waardering van voor bepaalde categorieën functies geldende eisen. Overigens zij opgemerkt dat ook bij de methodiek van functiewaardering zoals toegepast bij de rijksoverheid geen rekening is en wordt gehouden met het feit of de functies door mannen of vrouwen worden bezet.

Deze leden zouden voorts gaarne vernemen of onder loonbestanddelen ook 'psychisch inkomen' mag worden verstaan. Daarop is het antwoord dat in artikel 5, lid 2, wordt gesproken over andere dan geldelijke loonbestanddelen, welke in aanmerking worden genomen naar de waarde welke daaraan in het economisch verkeer kan worden toegekend. Hieronder worden uitsluitend materiële loonbestanddelen begrepen. Andere dan materiële bestanddelen als door vragenstellers bedoeld kunnen misschien in het economisch verkeer wel een waarde blijken te hebben, doch deze waarde is er een die voorshands niet in geld is uit te drukken.

Op de vraag of de ambtenaarvoorzitter werkzaam is onder de instructies van de Minister en aan hem verantwoording schuldig is voor zijn inbreng in de commissie, kan het volgende worden meegedeeld. De ambtenaarvoorzitter wordt in de eerste plaats op grond van zijn deskundigheid aangewezen en ontvangt als zodanig voor zijn inbreng in de commissie geen instructies.

Eerste Kamer, zitting 1974-197b, 13031, nr. 36b

Hij is in die kwaliteit ook geen verantwoording aan de Minister schuldig. Voor wat betreft de formeeladministratieve gang van zaken is en blijft de voorzitter van de commissie echter ambtenaar, met alle aan die status verbonden rechten en verplichtingen.

De leden van de fractie van de P.P.R. stellen de vraag hoede interdepartementale werkgroep betreffende de vrouw in het arbeidsproces is samengesteld en wanneer de resultaten daarvan tegemoet kunnen worden gezien. De Interdepartementale Werkgroep Arbeidspositie van de Vrouw bestaat uit 10 mannelijke en 4 vrouwelijke vertegenwoordigers van de Ministeries van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, van Onderwijs en Wetenschappen, van Binnenlandse Zaken, van Economische Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken. De werkgroep zal naar verwachting haar werkzaamheden nog dit voorjaar afronden.

Deze leden hebben ten slotte gevraagd waarom in dit wetsontwerp uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen niet onder het loonbegrip vallen. In de eerste plaats omdat voor wat de inhoud van het begrip betreft is aangesloten bij hetgeen in het algemeen onder 'loon' in de zin van het Burgerlijk Wetboek wordt verstaan. Bedoelde uitkeringen of aanspraken vallen daar niet onder; deze visie is tot dusver algemeen aanvaard, maar om elk misverstand op dit punt uit te sluiten is toch met zoveel woorden herhaald wat uit het burgerrechtelijk begrip volgt. Voorts, omdat de SER zich nog zal uitspreken over de regeling van de aanvullende pensioenen. Verwacht mag worden dat daarbij ook de consequenties van gelijktrekking zullen worden behandeld.

De Minister van Sociale Zaken, J. Boersma De commissie heeft gemeend met de mededeling van dit antwoord aan de Kamer haar eindverslag te kunnen sluiten.

Vastgesteld, 21 februari 1975.

Versloot

Kloos

Franssen

Vugts

Louwes

Heij (Voorzitter)

Albeda

Hartog

Van Kleef

Schwarz

Meuleman

Van Marion

Eerste Kamer, zitting 1974-1975,13031, nr. 36b

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.