Interim-rapport - Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 2

INTERIM-RAPPORT

INHOUDSOPGAVE

Blz.

Hoofdstuk 1. Inleiding

DEEL I. BEHEERSING EN BEHEERSINGSORGAAN

Hoofdstuk 2. Algemeen

12 2.1.

Wijze van analyseren

12 2.2.

Kwalitatieve ontwikkeling van het stelsel van sociale zekerheid

12 2.3.

Kwantitatieve ontwikkeling van de sociale zekerheid

Hoofdstuk 3. De uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid

18 3.1.

Uitvoeringsorganen

18 3.2.

Fondsen

19 3.3.

De Sociale Verzekeringsraad

20 3.3.1.

Samenstelling

20 3.3.2.

Taken

20 3.4.

De huidige situatie in het licht van de probleemstelling

21 3.4.1.

Beheersbaarheid

21 3.4.1.1. De uitvoeringsorganen 21 3.4.1.2. De Sociale Verzekeringsraad

22 3.4.2.

Verantwoordelijkheid van de centrale overheid

25 3.4.3.

Verwevenheid van de sociale verzekeringen met andere beleidsterreinen

Hoofdstuk 4. Beheersing van de sociale zekerheid

4.1.

Begripsbepaling van beheersing

30 4.2.

Uitgangspunten van het beheersingsproces

30 4.3.

Het beheersingsproces op beleidsvormingsniveau

31 4.4.

Het beheersingsproces op uitvoeringsniveau

32 4.5.

Beheersing als specifieke functie

Hoofdstuk 5. Het beheersingsorgaan

37 5.1.

Doelstelling

37 5.2.

Samenstelling

37 5.3.

Taken en bevoegdheden

38 5.3.1.

Toezicht houden

38 5.3.1.1. Toezicht op de kwaliteit en de kosten van de risicodekking

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

5.3.1.2. Toezicht op de kwaliteit en de kosten van de uitvoeringsorganisatie 39 5.3.1.3. Toezicht op de kwaliteit en de kosten van de financiering 39 5.3.1.4. Toezicht op uitvoering van volksverzekeringen

41 F".3.1.5. Samenhang toezicht met controle externe accountants

41 5.3.2.

Coördineren

41 5.3.2.1. Interne coördinatie 41 5.3.2.2. Externe coördinatie

42 5.3.3.

Adviseren

43 5.3.4.

Wetgeven

43 5.3.5.

Beslissen in geschillen

43 5.3.6.

Informatie en onderzoek

43 5.4.

Bevoegdheden, sancties en verhouding tot de uitvoeringsorganen

44 5.5.

Verhouding tot beleidsvormer

45 5.6.

Verhouding tot Algemene Rekenkamer

BIJLAGEN

Bijlage 1. Samenvatting Bijlage 2. Samenstelling Projectgroep Bijlage 3. Overzicht van de relaties in de bestuurlijke organisatie van de sociale verzekering

I

De Minister van Sociale Zaken la.

Relatie Minister -SVR Ib.

Relatie Minister -AAF Ie.

Relatie Minister-AOF ld.

Relatie Minister -AWF Ie.

Relatie Minister-BV-en If.

Relatie Minister -GAK Ig.

Relatie Minister -GMD Ih.

Relatie Minister -SVB li.

Relatie Minister-RvA Ij.

Relatie Minister -SVB-fondsen

94113

114

11411 6II7 11811 9I2I 12112 2I23I24

II. DEEL II. FUNCTIE-ANALYSE EN SCHETS VAN EEN TOEKOMSTIGE UITVOERINGSORGANISATIE

Hoofdstuk 6. Algemeen

Hoofdstuk 7. Analyse van de functies in het uitvoeringsproces

53 7.1.

De onderscheiden functies

53 7.2.

De collecterende functies

53 7.3.

De distribuerende en begeleidende functie (algemeen)

55 7.4.

De distribuerende en begeleidende functie bij de regelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid

56 7.4.1.

Wijze van analyseren

56 7.4.2.

De samenhangen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid

57 7.4.3.

Samenhangen tussen de uitvoering van de sociale zekerheid en de uitvoering van het sociale beleid op ander terreinen 7.4.4.

De individugerichte benadering 7.4.5.

De overige sub-functies 7.4.6.

Conclusies 7.5.

De distribuerende en begeleidende functie bij de demografische verzekeringen 7.6.

De informerende functie 7.6.1.

De inhoud van de informerende functie 7.6.2.

Het traditionele informatiesysteem 7.6.3

Op weg naar een modern informatiesysteem 7.6.4.

De organisatie van de informatie

71 7.7.

Conclusies uit de functie-analyse

72 7.8.

De uitvoering door bedrijfsverenigingen van taken op neventerreinen

Hoofdstuk 8. Globale schets van een toekomstige uitvoeringsorganisatie

Algemeen

75 De regionale uitvoeringsorganen 76 De huidige uitvoeringsorganisatie in vergelijking met de toekomstige structuur 78 Het gefaseerde veranderingsproces

85 Algemeen

85 Personele aspecten

86 De structurering van het veranderingsproces 87 Taak en plaats van de bedrijfsverenigingen

88 Taak en plaats van de gemeenten

90 Slotopmerking

8.1. 8.2. 8.3.

8.4. 8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.4.4. 8.4.5. 8.4.6.

III.

59 63 66

IV.

  • V. 
    67 69

VI. 69 69

VII. 70

VIII

De Sociale Verzekeringsraad Ila.

Relatie SVR -AAF, AOF, AWF, BV-en, GAK, GMD llb.

Relatie SVR -AAF lic.

Relatie SVR -AOF lid.

Relatie SVR -AWF Me1. Relatie SVR -BV-en Algemeen Ile2. Relatie SVR -BV-en m.b.t. Werkloosheidswet Me3. Relatie SVR -BV-en m.b.t. Ziektewet IIf.

Relatie SVR -BV-en, GAK en GMD Mg. Relatie SVR -GAK llh. Relatie SVR -GMD Mi.

Relatie SVR -SVB

üe Kroon lila. Relatie van de Kroon tot SVR, AAF, AOF, AWF en BV-en lllb. Relatie van de Kroon tot de SVB

en RvA

Relatie AAF-Bedrijfsverenigingen Relatie AOF-Bedrijfsverenigingen

Relatie AWF-Bedrijfsverenigingen

Relatie SVB -RvA

Relatie SVB-fondsen onderling Bijlage 4. Protocol met betrekking tot de samenwerking SVR -FBV Bijlage 5. Advies betreffende de positie van de Sociale Verzekeringsraad uitgebracht door prof. mr. W.F. Prins en prof. J.M. Polak

12512 5I26I27 I28

12912 9I30I30 I30I3I

132

133

133

134

135

136

138

139

141

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Lijst van gebruikte afkortingen

AAF

Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds AAW Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ABW

Algemene Bijstandswet AKW

Algemene Kinderbijslagwet Amvb Algemene maatregel van bestuur ANS

Arbeidsbureaus Nieuwe Stijl AOF Arbeidsongeschiktheidsfonds AOW

Algemene Ouderdomswet AWBZ

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten AWF Algemeen Werkloosheidsfonds AWW

Algemene Weduwen-en Wezenwet BV

Bedrijfsvereniging CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek COMED Commissie van Externe Deskundigen (van de SER) CPB

Centraal Planbureau CRM

Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk CSV Coördinatiewet Sociale Verzekering EG

Europese Gemeenschappen GAB

Gewestelijk Arbeidsbureau GAK

Gemeenschappelijk Administratiekantoor GMD Gemeenschappelijke Medische Dienst IVA

Instituut voor Arbeidsvraagstukken IW

Invaliditeitswet KKZ

Kinderbijslagwet kleine zelfstandigen KWL Kinderbijslagwet loontrekkenden MvA

Memorie van antwoord MvT

Memorie van toelichting OSV

Organisatiewet Sociale Verzekering OWA Overlegorgaan Werkloosheids-en Arbeidsvoorzieningen RVA

Raad van Arbeid RWW

Rijksgroepsregeling werkloze werknemers SER

Sociaal-Economische Raad SVB

Sociale Verzekeringsbank SVR

Sociale Verzekeringsraad WAO

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering WSW Wet Sociale Werkvoorziening WSVB

Wet op de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid WW

Werkloosheidswet WWV

Wet Werkloosheidsvoorziening ZFR

Ziekenfondsraad ZFW

Ziekenfondswet ZW

Ziektewet

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Hoofdstuk 1. Inleiding

De toenemende raakvlakken van de sociale zekerheid met algemene sociale en sociaal-economische doelstellingen van het regeringsbeleid doen de vraag rijzen of de traditionele uitgangspunten inzake de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sociale verzekering nog wel in dezelfde mate als in het verleden houdbaar zijn. In macro-economisch opzicht is de sociale zekerheid in de schaarbeweging geraakt van een toenemend aandeel in de verdeling van de nationale ruimte en een geringere groei van die ruimte. De premiedruk bedroeg in 1960 nog slechts 9% van het nationale inkomen, dat jaarlijks in reële termen met 5V2% toenam; inmiddels is die druk gestegen tot meer dan 20% bij een gemiddelde reële groeiverwachting van het nationaal inkomen van 3%. Deze ontwikkeling heeft de nationale keuzeproblematiek ernstig verzwaard. De sociale zekerheid is in een lange conjuncturele neergang en bij een structureel verminderde economische groei steeds meer in het spanningsveld van sociale wenselijkheden en economische mogelijkheden geraakt. Ten tijde van de grote welvaartstoeneming in de jaren vijftig en zestig kon het relatief bescheiden beroep op solidariteit nog zonder al te veel kleerscheuren worden gehonoreerd. Thans rivaliseert het zoveel grotere beslag van inkomensoverdrachten in veel directere zin met het kostenbeslag van vele andere uitbreidende overheidstaken zoals op het gebied van onderwijs, maatschappelijke dienstverlening, milieuzorg en openbaar vervoer. Daarbij dwingen de wens tot het zoveel mogelijk handhaven van de koopkracht van actieven en niet-actieven en de noodzaak van rendementsherstel voor het behoud en het scheppen van arbeidsplaatsen juist tot het beperken van het beslag van de sociale verzekeringen en de rijksuitgaven op de nationale ruimte. Kortom het besef, dat er vele nieuwe en dikke plakken van de nationale koek gesneden moeten worden, noodzaakt tot een zorgvuldige afweging van prioriteiten op nationaal niveau. De hiervoor geschetste ontwikkeling vereist een grote voorspelbaarheid en beheersbaarheid van het beloop van aanspraken en premiedruk ingevolge de sociale verzekering.

In dit kader moge bij voorbeeld worden gewezen op de regeringsverklaring van het kabinet-Den Uyl van 28 mei 1973, waarin als één van de uitgangspunten voor het regeringsbeleid met betrekking tot de sociale zekerheid werd genoemd: een betere beheersing van de kostenontwikkeling in de sociale verzekering in verhouding tot de groei van het nationale inkomen. Voorts is te wijzen op de adviesaanvrage aan de SER van 5 november 1973 onder meer met betrekking tot maatregelen, die kunnen bijdragen tot een betere beheersing van de kostenontwikkeling in de sociale verzekering. De Regering heeft vervolgens in augustus 1975 besloten tot een beperking van de groei van de druk van de collectieve lasten (belastingen, sociale premies en enkele niet-belastingmiddelen) tot rond 1 % van het nationale inkomen per jaar. Ook in de regeringsverklaring van 16 januari 1978 van het huidige kabinet is erop gewezen, dat ombuigingen in de socialezekerheidssector noodzakelijk zijn ten einde de groei van de overdrachtsuitgaven te beperken. De maatregelen tot beperking van de groei van de kosten van de sociale zekerheid moeten -aldus de regeringsverklaring -in de eerste plaats zijn gericht op een vermindering van het beroep dat mensen moeten doen op de sociale verzekeringen en "Voorzieningen. In Bestek '81 (zitting 1977-1978, nr. 15081) zijn door de Regering verschillende concrete voorstellen met betrekking tot de sociale zekerheid gedaan in samenhang met het in de komende jaren te voeren sociaal-economische beleid.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

De afweging van doelstellingen in verschillende beleidssectoren, zoals sociale zekerheid, werkgelegenheid, onderwijs, maatschappelijk werk, ruimtelijke ordening, ontwikkelingshulp, enz., die ieder voor zich beslag leggen op schaarse middelen, is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van Regering en volksvertegenwoordiging. Daarbij komt, dat overwegingen van inkomensbeleid in de sociale zekerheidssector een zwaarder accent hebben gekregen dan voorheen en dat ook in dit opzicht een onderlinge afstemming op nationaal niveau onder verantwoordelijkheid van Regering en volksvertegenwoordiging gevonden moet worden.

De geschetste ontwikkeling vraagt om een heroverweging van de beheersingsstructuur van de sociale zekerheid en om een nieuwe plaatsbepaling van de centrale overheid daarbinnen. Binnen het sociale beleid is er in de loop der jaren een steeds grotere verwevenheid onderkend tussen doelstellingen en instrumenten op het terrein van de sociale zekerheid en op andere beleidsterreinen. Daarbij valt te denken aan het werkgelegenheidsbeleid en het beleid gericht op de verbetering van arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen. Voorts aan het arbeidsvoorzieningsbeleid, het welzijnsbeleid, het gehandicaptenbeleid en de bedrijfsgezondheidszorg. Onderlinge afstemming van de instrumenten, maar vooral ook van de hantering daarvan door de uitvoeringsorganen op de onderscheiden beleidsterreinen, is noodzakelijk. Dat geldt uit een oogpunt van beheersing maar vloeit evenzeer voort uit het streven naar optimale ontplooiing van individuen en een versterkte aandacht voor het volumebeleid. Coördinatie zal op macroniveau (beleidsvorming) zowel als op mesoniveau (naar bedrijfstak of regio gedecentraliseerde uitvoering) en microniveau (individugerichte benadering) bij het beheersingsproces meer dan tot dusverre moeten worden bewerkstelligd. In de regeringsverklaring van 16 januari 1978 is reeds gewezen op de noodzaak tot coördinatie van beleid en uitvoering van de sociale zekerheid met andere terreinen van sociaal beleid. Tegen die achtergronden hebben de bewindslieden van Sociale Zaken in september 1976 besloten tot instelling van een ambtelijke projectgroep «Or-ganisatie van de beheersing van de sociale zekerheid», aangevuld met externe deskundigen (zie bijlage 2), met als taakopdracht:-het vraagstuk van de uitvoeringsorganisatie primair te benaderen vanuit een streven naar verbetering van de beheersing van het uitvoeringsproces en voorstellen te doen voor een nadere regeling van de taak, plaats en functie van de SVR, alsmede -het voorbereiden van een gerichte adviesaanvrage ter zake aan de SER en daarbij een blauwdruk voor een nieuwe organisatiestructuur.

Ook de SER heeft begin 1978 in het kader van de behandeling van de adviesaanvrage over het vraagstuk van de uitvoering van de sociale zekerheid van 10 februari 1967 een nieuw initiatief genomen. Aan de organisatiebureaus Berenschot en Bosboom en Hegener is een vervolgopdracht op het in 1972 uitgebrachte alternatievenrapport verstrekt. Aan de hand van het binnenkort door de organisatiebureaus uit te brengen eindrapport van dit vervolgonderzoek zal de meningsvorming binnen de SER plaatsvinden. Er wordt naar gestreefd begin 1980 tot conclusies te komen. De door de organisatiebureaus in hun tussentijdse rapportage gehanteerde uitgangspunten liggen goeddeels in het verlengde van die van de projectgroep. Daartoe heeft zeker bijgedragen dat het organisatiebureau Berenschot is betrokken bij de werkzaamheden van de projectgroep, terwijl ambtelijke leden van de projectgroep als waarnemer optreden in de begeleidingscommissie van het vervolgonderzoek. Bij de uitwerking van die uitgangspunten zijn de organisatiebureaus echter gebonden aan een aantal randvoorwaarden, die ten dele niet voor de projectgroep gelden. Zowel de projectgroep als de SER laten de uitvoeringsstructuur van de wettelijke ziektekostenverzekeringen buiten beschouwing. Deze verzekeringen zijn nauw verbonden met het gezondheidszorgbeleid als geheel.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Dit eerste interim-rapport bestaat uit twee delen. Het eerste deel bespreekt het beheersingsproces en de plaats van het beheersingsorgaan daarbinnen. Doelstelling, taken en bevoegdheden van beheersingsorgaan zijn door de projectgroep zover uitgewerkt, dat realisatie door middel van wetgeving kan worden voorbereid. Het tweede deel bevat een duidelijke conclusie ten aanzien van de richting waarin de uitvoeringsorganisatie zich dient te ontwikkelen, doch draagt overigens een meer verkennend karakter. Een functievervulling, waarbij aan de uitgangspunten van beheersing, individugerichte benadering en versterkte aandacht voor het volumebeleid wordt voldaan, vraagt naar de mening van de projectgroep om het tot stand komen van autonome regionale uitvoeringsorganen met eigen bestuurlijke bevoegdheden ten aanzien van de gevalsbehandeling. Tegelijkertijd stelt de projectgroep nadrukkelijk, dat over de concrete invulling van de gehele toekomstige uitvoeringsstructuur en het gefaseerde groeiproces dat nodig zal zijn om naar die veranderde structuur toe te groeien, een brede maatschappelijke discussie noodzakelijk is. De projectgroep tracht door haar wijze van presentatie daarvoor ruimte te bieden, maar tegelijkertijd door middel van een ruwe schets en het noemen van alternatieve oplossingen gericht tot die discussie bij te dragen. Deze benadering houdt in dat in dit interimrapport nog niet van een volledige blauwdruk kan en mag worden gesproken. De projectgroep rekent het tot haar taak in volgende deelrapporten een aantal onderwerpen nader uit te werken. Ten dele kan daarbij worden ingespeeld op de resultaten van de beoogde maatschappelijke discussie. Ten dele ook zal worden getracht de gedachtenvorming door verdere analyses voeding te blijven geven.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Deel I.

Beheersing en

beheersingsorgaan

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Hoofdstuk 2. Algemeen

2.1. WIJZE VAN ANALYSEREN

In de inleiding is aan de hand van de toegenomen macro-economische betekenis van de sociale zekerheid en de verwevenheid met het algemene sociale en sociaal-economische beleid de behoefte geschetst van een grotere beheersbaarheid en voorspelbaarheid van het uitvoeringsproces. Dat vraagt om een heroverweging van de beheersingsstructuur van de sociale zekerheid en om een nieuwe plaatsbepaling van de centrale overheid daarbinnen. Het derde hoofdstuk laat zien, dat de ontwikkeling van de uitvoeringsorganisatie gepaard is gegaan met strijdvragen voortkomende uit verschil in maatschappijvisie, te weten overheidsuitvoering of het zelf doen door maatschappelijke organisaties. Dit heeft geleid tot een onduidelijke pluriforme uitvoeringsorganisatie, hetgeen een belemmering voor een goede beheersing vormt. In hoofdstuk 4 wordt nader uiteengezet wat onder beheersing wordt verstaan en welke middelen en voorwaarden de projectgroep daartoe nodig acht. In hoofdstuk 5 ten slotte worden de contouren geschetst van een beheersingsorgaan zoals de projectgroep dat ziet. De huidige uitvoeringsorganisatie is daarbij als een gegeven aanvaard, tenzij de bestaande structuur een belemmering vormt voor de beheersing. Door de keuze van uitgangspunten past dat beheersingsorgaan ook in de door de projectgroep in deel II te ontwikkelen schets van een nieuwe uitvoeringsstructuur. Denkbaar is echter dat tijdens het voorziene gefaseerde groeiproces enige aanpassing van taken en bevoegdheden van het beheersingsorgaan moet plaatsvinden.

Allereerst wordt in dit hoofdstuk toegelicht hoe de ontwikkeling van het socialezekerheidsstelsel tot meer raakvlakken heeft geleid met andere beleidssectoren. Juist de toegenomen verwevenheid van het socialezekerheidsbeleid met andere delen van het sociaal-economische beleid en het algemene sociale beleid, zoals bij voorbeeld het arbeidsomstandighedenbeleid, het arbeidsvoorzieningsbeleid, het inkomensbeleid en de volksgezondheid vraagt om een gecoördineerd beheersingsproces. Een ontwikkelingsschets, zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin, vormt een onmisbare achtergrond voor voorstellen ter zake.

2.2. KWALITATIEVE ONTWIKKELING VAN HET STELSEL VAN SOCIALE ZEKERHEID Met de totstandkoming van de Ongevallenwet 1901 is een ontwikkeling in gang gezet, die tot het huidige omvangrijke stelsel van sociale zekerheid heeft geleid. Aan het einde van dit hoofdstuk is een schema opgenomen waarin een overzicht wordt gegeven van het huidige stelsel van sociale verzekeringen. De verplichte sociale verzekering die aanvankelijk slechts de loonschade door bedrijfsongevallen dekte, geeft nu dekking voor vele risico's, zoals inkomensderving door ziekte, langdurige arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, overlijden en ouderdom. Daarnaast zijn ook de ziektekosten door middel van verplichte sociale verzekering gedekt, terwijl via de kinderbijslagregelingen een correctie op de primaire inkomensvorming wordt bewerkstelligd. Dit stelsel van sociale verzekering vindt nog aanvulling in regelingen als de WWV en de WSW terwijl de ABW met haar groepsregelingen als sluitstuk van het stelsel functioneert.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

De groei van het stelsel, die vooral na de Tweede Wereldoorlog door de toegenomen welvaart in een stroomversnelling is kunnen raken, heeft niet slechts plaatsgevonden ten aanzien van het aantal gedekte risico's, doch bestond tevens uit een uitbreiding van de kring van verzekerden en een verbetering van de risicodekking. Naast de werknemersverzekeringen kwamen volksverzekeringen tot stand op grond waarvan alle ingezetenen tegen de gevolgen van bepaalde calamiteiten verzekerd werden. Deze regelingen stoelen op de gedachte dat de verplichte sociale verzekering niet beperkt kan blijven tot de afhankelijke beroepsbevolking maar zich moet uitstrekken tot alle burgers. Bij de werknemersverzekeringen vervielen de loongrenzen, waardoor een groter aantal loontrekkenden onder de verzekering kwam te vallen. De verbetering van de risicodekking blijkt bij de volksverzekeringen uit de groei van een bodemuitkering naar een uitkering op sociaal-minimumniveau in relatie tot het inmiddels ingevoerde minimumloon op nettoniveau en de algemene bijstand. Bij de werknemersverzekeringen blijkt de verbetering van de risicodekking voornamelijk uit de aanmerkelijke verhoging van het maximumdagloon, waarnaar de uitkering kan worden berekend. Bij de werknemersverzekeringen zijn nog privaatrechtelijke verzekeringskenmerken te onderkennen doordat bij deze regelingen het equivalentiebeginsel wordt gehanteerd, al kan het minimumdagloon als een inbreuk op dat beginsel worden aangemerkt. Met de invoering van de volksverzekeringen daarentegen is meer gestalte gegeven aan de sterker geworden solidariteitsgedachte. Deze gedachte vindt bij de volksverzekeringen haar uitwerking in het ontbreken van een relatie tussen het inkomen, waarover premie is betaald en de hoogte van de uitkering, alsmede in het door behoefte bepaalde verschil in uitkeringsniveau tussen bij voorbeeld gehuwden en ongehuwden. Een ander solidariteitselement is gelegen in het feit, dat de werkingssfeer niet is beperkt tot degenen, die daadwerkelijk het risico lopen, maar zich uitstrekt tot alle ingezetenen. Voor wat de langlopende uitkeringen betreft is de welvaartsvastheid van grote betekenis, omdat degenen, die op de sociale verzekering een beroep moeten doen, langs die weg deel kunnen hebben aan de welvaartsontwikkeling. De totstandkoming van het huidige socialezekerheidsstelsel met belangrijke solidariteitselementen is zonder twijfel mede beïnvloed door de complexiteit van de moderne samenleving, waarin de individuele mens in steeds mindere mate in staat is voldoende invloed uit te oefenen op zijn bestaansmogelijkheden en de risico's die hem daarin bedreigen. Het sociale karakter van die risico's werd gaandeweg meer algemeen onderkend. Men denke aan de gezondheidsrisico's en de daaraan verbonden steeds toenemende kosten. Voorts aan de voortdurende waardevermindering van het geld. Het inzicht dat het meer en meer gaat om sociale risico's vindt in verschillend opzicht zijn uitwerking in de aard en reikwijdte van het socialezekerheidsstelsel. Een beschouwing van het huidige stelsel van sociale verzekering en complementaire sociale voorzieningen geeft enerzijds een duidelijke samenhang te zien tussen de verschillende onderdelen daarvan en anderzijds een samenhang met andere beleidssectoren waarop getracht wordt aan de bevolking sociale zekerheid te verschaffen. Zo is een duidelijke samenhang te onderkennen tussen de ouderdomsverzekering van de AOW en de aanvullende pensioenen, waarbij een inkomensgarantie tot 70% van het laatst verdiende loon het uitgangspunt vormt. Dit vormt op zich weer een belangrijk onderdeel van een meeromvattend bejaardenbeleid. Op het terrein van de werkloosheidsvoorzieningen is er niet alleen een samenhang tussen WW, WWV en RWW, doch ook met het werkgelegenheids-beleid en de arbeidsmarktpolitiek. Dit vond onder meer zijn weerslag in maatregelen in de sfeer van de werkloosheidsregelingen (WW, WWV en RWW) als het vergoeden van loonschade bij betalingsonmacht van de werk-Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

gever, loonsuppletieregeling, voortzetting van de uitkering aan werklozen die om-, her-of bijscholing ontvangen, subsidie aan de havenarbeidsreserve en de mogelijkheid tot verrichten van bepaalde werkzaamheden zonder geldelijke beloning met behoud van uitkering, de zogenaamde pro deoarbeid. Een goede uitvoering van de uitkeringsregelingen bij werkloosheid is niet mogelijk zonder daarop aansluitende adequate arbeidsbemiddeling, en hantering van andere instrumenten van arbeidsvoorzieningsbeleid. Het laatste geldt in feite ook voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering als het gaat om wederinschakeling in het arbeidsproces van degenen, die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. De samenhang tussen de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de sociale werkvoorziening bestaat niet alleen in de mogelijkheden van aangepast werk, die de sociale werkvoorziening aan de gedeeltelijk arbeidsongeschikte mens kan bieden, doch ook in de mogelijkheden, die de sociale werkvoorziening met name via haar arbeidsrevalidatie-afdelingen en de test-en en trainingsafdelingen biedt om in de praktijk van een arbeidssituatie de mate van arbeidsongeschiktheid te onderzoeken of de arbeidsgeschiktheid te vergroten. De in de AAW geregelde voorzieningen staan voorts in nauwe relatie met andere voorzieningen in het kader van het door de overheid te voeren gehandicaptenbeleid en de gezondheidszorg. De kinderbijslagverzekering is als correctie op de primaire inkomensvorming duidelijk een inkomenspolitiek instrument. De samenhang tussen sociale verzekering en inkomensbeleid blijkt voorts niet alleen uit de koppeling van AOW-pensioen, bijstand en minimumloon en de welvaartsvastheid van langlopende uitkeringen maar ook uit de invloed van de voor de verschillen-de regelingen te betalen premie op het reëel besteedbaar inkomen. Op deze samenhang is onder andere gewezen in de Interimnota Inkomensbeleid (zitting 1974-1975, nr. 13399) van het vorige kabinet. In die nota is uitgesproken dat inkomensherverdeling meer dan tot nu toe mede doelstelling behoort te zijn van de sociale zekerheid. Op het verband tussen sociale lasten als arbeidskosten en de werkgelegenheid is ingegaan in de Nota Collectieve Voorzieningen en Werkgelegenheid (zitting 1975-1976, nr. 13951). Ook in Bestek '81 is ruime aandacht geschonken aan deze problematiek. De onderlinge verwevenheid van de sociale verzekering met andere in-strumenten van sociale zekerheid alsmede de toenemende raakvlakken van de sociale zekerheid met algemene sociale en sociaal-economische doelstellingen van het regeringsbeleid stellen nieuwe eisen aan het beheersings-en uitvoeringsproces van de sociale verzekering.

2.3. KWANTITATIEVE ONTWIKKELING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID In de ontwikkeling van de laatste jaren kan men een toenemend beslag waarnemen van de uitkeringen en verstrekkingen in de sociale zekerheids-sector op het nationale inkomen. De omvang van de uitgaven in relatie tot de beschikbare middelen noopt tot een zorgvuldige afweging tussen wat gewenst wordt en wat kan, en tot een goede beheersing van de uitgaven op nationaal niveau. Door de spectaculaire toeneming sinds het eind der vijftiger jaren is de sector van de sociale zekerheid zich steeds meer gaan bewegen in het spanningsveld van sociale wenselijkheden en economische mogelijkheden. De volgende grafiek geeft een beeld van de ontwikkeling van het bedrag aan uitkeringen en verstrekkingen in de sector sociale zekerheid tussen 1960 en 1978.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Uitkeringen en verstrekkingen in de sociale zekerheid in procenten van het nationaal inkomen tegen marktprijzen

2b

1960

1965

1970

1975

1978

Overige sociale voorzieningen | Overheidsregelingen Wmn

Pens ioenverzekering I

I Sociale verzekering

Nationaal inkomen 1960= 38,39 mld. 1965= 63.55 mld. 1970= 105.26 mld. 1975= 184,53 mld. 1978= 256,45 mld.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

In cijfers gemeten en met name toegespitst op de ontwikkeling van de uitkeringen van de sociale verzekeringen (de uitgaven voor volksgezondheid inbegrepen) blijkt dat deze zich tot voor kort iedere vier jaar verdubbelen. In 1963

5mld. In 1967 10mld. In 1971 20mld. In 1975 40mld. In 1978 59mld.

Van deze stijging in de afgelopen 15 jaar heeft ca. 10% exogene oorzaken (nieuwe wetten, uitbreiding verstrekkingenpakket; structurele verhoging van minimumuitkeringen). Van de overige 90% is 70% een gevolg van de nominale ontwikkeling en kwam 20% voor rekening van volumefactoren. Uitgedrukt in procenten van het nationale inkomen vertonen de totale socialezekerheidsuitgaven een stijging van 13% in 1960 naar 32% in 1978. De snelle ontwikkeling van een samenhangend stelsel van sociale zekerheid werd mogelijk gemaakt door een eveneens snelle economische groei met name in de vijftiger en zestiger jaren. In de zeventiger jaren verandert deze situatie. De economische groei vertraagt. In 1975 werd nog een structurele groei van 3,75% per jaar verwacht. De huidige raming is 3%. Uitbreiding van de sociale zekerheid en de verder gaande groei, die uit de bestaande wetten voorkomt, gaan een te groot beslag leggen op de beschikbare middelen. Stijgende werknemerspremies beperken het reëel vrij beschikbaar inkomen, waaruit aanzetten tot afwenteling voortvloeien. Daaruit en uit stijgen-de werkgeverspremies vloeit een toeneming van arbeidskosten voort. Voor de werkgelegenheid werkt deze toeneming als een tweesnijdend zwaard. De invloed op de loonkosten en daardoor op het winstinkomen leidt ertoe dat de werkgelegenheid wordt aangetast. Dat leidt tot een groter aantal inactieven en opnieuw tot een stijging van sociale lasten en loonkosten en een verdere vermindering van werkgelegenheid. De Regering staat in dit opzicht een beleid voor dat gericht is op het scheppen van voorwaarden tot een wezenlijke ombuiging van het huidige stijgingstempo van de arbeidskosten met het doel de werkgelegenheid te beschermen en voldoende economische groei te realiseren. In het geheel van het zoeken naar maatregelen zal prioriteit moeten worden gegeven aan beheersing van de volumeontwikkelingen. Het effect van de volumebeperkende maatregelen is mede afhankelijk van de structuur en kwaliteit van het stelsel en van de organisatie van beleid en uitvoering.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Stelsel van sociale verzekeringen

Verzekeringsgroep Wet

Personenkring

Uitkering/verstrekking

Maximumduur van uitkering/ verstrekking Uitkeringen/ verstrekking in 1978 in% van het totaal

Demografische verzekeringen

AOW (1957) AWW

ingezetenen

Vast bedrag

Onbeperkt

27,5

(1959)

ingezetenen

Vast bedrag

Tot 65-jarige leeftijd voor weduwen en 27-jarige leeftijd voor wezen

3,5 KWL KKZ (1961)

werknemers

kleine zelf-

Vast bedrag 1e en 2e kind

Tot 27-jarige leeftijd

4,5

AKW

standigen

Vast bedrag 1e en 2e kind

Tot 27-jarige leeftijd

-

(1963)

ingezetenen

Vast bedrag vanaf 3e kind

Tot 27-jarige leeftijd

Verzekeringen

WW tegen inkomens-(1952)

werknemers

Aan het loon gerelateerde

  • wachtgeld: 40 dagen derving ten ge-

uitkering met een minimum

  • werkloosheidsuitkering: volge van omstan-

en een maximum

130 dagen

2,5 digheden in de

WWV produktiesfeer

(1965)

BWW

werknemers

Aan het loon gerelateerde uitkering met een minimum en een maximum

2 jaar

3,5

(1965)

ingezetenen

Wekelijkse uitkering ge-

Tot 65 jaar, mits voldaan aan aangewezen op loondienst baseerd op landelijke bijstandnormering

de gestelde voorwaarden

1.5

Verzekeringen

ZW

werknemers

Aan het loon gerelateerde

1 jaar

10 tegen inkomens-(1930)

uitkering met een maximum derving bij ziekte of ongeval

WAO

werknemers

Aan het loon gerelateerde

Tot 65-jarige leeftijd na

12 (1967)

AAW

uitkering met een minimum en een maximum

wachttijd van 1 jaar

(1976)

ingezetenen

Vast bedrag

Tot 65-jarige leeftijd na wachttijd van 1 jaar

Verzekeringen

ZFW tegen ziekte-(1966)

werknemers

Verstrekkingen

  • ziekenhuis, psychiatrische kosten

(beneden loon-

inrichting en sanatorium

AWBZ

grens) bejaarden en overigen (beneden inkornensgren () (t.b.c): 1 jaaroverige verstrekkingen: in beginsel onbeperkt

(1968)

ingezetenen

Verstrekkingen

Onbeperkt (waarvan ziekenhuis, psychiatrische inrichting en sanatorium (t.b.c.) na 1 jaar verpleging)

TOTAAL Totaal bedrag aan uitkeringen en verstrekkingen in 1978

100

f 61 mld.

1 Voorlopige realisatiecijfers. 2 WWV en RWW zijn complementaire werkloosheidsregelingen, die niet tot de sociale verzekeringen worden gerekend. Deze tabel is ontleend aan het rapport van de externe Commissie van Deskundigen van de SER (COMED), deel I, blz. 5, echter met recentere cijfers.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Hoofdstuk 3. De uitvoerings-

organisatie van de sociale zekerheid

3.1. UITVOERINGSORGANEN

In dit hoofdstuk zal de huidige uitvoeringsorganisatie en de regeling van het toezicht daarop worden bezien. Met name wordt aandacht geschonken aan de uitvoering van de sociale verzekeringen. De uitvoering van de niet tot de sociale verzekering gerekende werkloosheidsregelingen (WWV en RWW) komt ter sprake, waar dat uit een oogpunt van samenhang gewenst is. De uitvoering van de overige onderdelen van het socialezekerheidsstelsel (ABW, WSW, pensioenvoorzieningen etc.) wordt slechts aan de orde gesteld voor zover coördinatie met de sociale verzekeringen en de WWV en RWW de aandacht vraagt. Van oudsher heeft het georganiseerde bedrijfsleven een belangrijke plaats ingenomen in de uitvoeringsorganisatie. De uitvoering van de werknemersverzekeringen is opgedragen aan 25 vakbedrijfsverenigingen. De besturen van deze 25 vakbedrijfsverenigingen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van werkgevers-en werknemersorganisaties uit de bedrijfstakken. Daarnaast is er nog één algemene bedrijfsvereniging. Het bestuur van deze algemene bedrijfsvereniging is samengesteld uit vertegenwoordigers van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties. De uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt gezien als een zaak van het bedrijfsleven zelf. Deze zelfwerkzaamheid ligt verankerd in maatschappelijke beginselen als soevereiniteit in eigen kring, subsidiariteit en functionele decentralisatie. Aan de van oorsprong privaatrechtelijke verenigingen is een publiekrechtelijke taak toegekend, welke met de groei van het stelsel belangrijker is geworden. Daarbij bleef het beginsel van zelfwerkzaamheid gelden zodat de bedrijfsverenigingen onder voorwaarden de keuze hebben tussen zelf administreren of de administratie op te dragen aan het GAK, in het bestuur waar-van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties gelijkelijk zijn vertegenwoordigd. Zoals bekend hebben 15 bedrijfsverenigingen gekozen voor het GAK. Van de 11 bedrijfsverenigingen, die hun administratie niet door het GAK laten verzorgen, zijn er 3, die hun administratie laten verzorgen door een stichting, die voor de betreffende bedrijfstak ook andere sociale regelingen uitvoert (Sociaal Fonds Bouwnijverheid, Agrarische Sociale Fondsen en Grafische Bedrijfsfondsen). De bedrijfsvereniging voor de Leder-en lederverwerkende industrie heeft haar administratie ondergebracht bij Bureau van Spaendonck te Tilburg. Om tot een gecoördineerde uitvoering te komen hebben de bedrijfsverenigingen zich verenigd in de Federatie van Bedrijfsverenigingen. Daarnaast is in de wet aan de SVR een coördinerende taak toegekend. Voor wat betreft de WAO en de AAW wordt opgemerkt, dat de uit die wetten voortvloeiende sociaal-medische werkzaamheden zijn opgedragen aan de door de Federatie van Bedrijfsverenigingen opgerichte GMD. De GMD geeft de voor het recht op uitkering of voorzieningen ingevolge die wetten noodzakelijke medische en arbeidskundige adviezen aan de bedrijfsverenigingen. De uitvoering van de volksverzekeringen is opgedragen aan de SVB en de Raden van Arbeid. Ook in het bestuur van de SVB is het bedrijfsleven sterk Tweede Kamerzitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

vertegenwoordigd. Twee derde deel van het bestuur wordt gevormd door vertegenwoordigers van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties. Een derde deel van het bestuur wordt door de Minister van Sociale Zaken aangewezen, waaronder één ministeriële vertegenwoordiger. De Raden van Arbeid bestaan uit een door de Kroon benoemde voorzitter, drie leden uit de centrale werkgeversorganisaties en drie leden uit de centra-Ie werknemersorganisaties. De SVB en de Raden van Arbeid worden door hun instelling bij de wet en de door de Kroon benoemde voorzitter veelal als een overheidsorgaan gezien. Dit neemt niet weg dat het georganiseerde bedrijfsleven in de SVB en in de Raden van Arbeid sterk is vertegenwoordigd. De coördinatie van en het toezicht op de uitvoering van de volksverzekeringen door de Raden van Arbeid is in de wet opgedragen aan de SVB. Daarnaast vervult de Vereeniging van Raden van Arbeid een belangrijke coördinerende rol. De opdracht van de wetgever tot uitvoering van de socialeverzekeringswetten en de verantwoordelijkheid daarvoor geeft, binnen het kader van het in de wet geregelde toezicht door de SVR en de SVB en het aan belanghebbende toegerekende beroepsrecht, aan de uitvoeringsorganen een niet geringe autonomie. De aandacht verdient, dat de WWV en de RWW worden uitgevoerd door de gemeentebesturen. Het toezicht op de uitvoering van de WWV en de RWW berust bij de Minister van Sociale Zaken respectievelijk de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Vereniging van Directeuren van Overheidsorganen voor Sociale Arbeid (Divosa) dragen bij tot een gecoördineerde uitvoering door de gemeentebesturen.

3.2 FONDSEN

In de sociale verzekeringen functioneert een aantal fondsen die men kan onderscheiden in: a. rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen; b. overige fondsen.

Ada Het betreft hier het AWF, het AOF en het AAF die taken en (toezichthoudende) bevoegdheden hebben in het kader van respectievelijk de WW, de WAO en de AAW. De inkomsten en de uitgaven van de werkloosheidsverzekering en de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen lopen via deze fondsen. Uit deze taak vloeit voort het beheren van de gelden waaronder het beleggen. Daarnaast hebben de fondsbesturen nog andere taken, waarvan de voornaamste is het onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken vaststellen van of het adviseren aan die Minister over de voor de verschillen-de wetten benodigde premie. De fondsen van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kunnen onder andere ook, onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken, toelagen verlenen aan instellingen of organisaties, die ten doel hebben het nemen of bevorderen van revalidatiemaatregelen. De besturen van deze fondsen zijn tripartite samengesteld. Twee derde deel van de besturen wordt gevormd door vertegenwoordigers van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties. Een derde deel wordt door de Minister van Sociale Zaken aangewezen. In het AWF-bestuur hebben twee ministeriële vertegenwoordigers (namens respectievelijk de Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken) zitting. Bij beide andere fondsen treedt een ministerieel vertegenwoordiger als waarnemer op.

Adb Het gaat hier om «fondsen» louter in de betekenis van gescheiden vermogens, welke bij de SVB of de bedrijfsverenigingen in beheer zijn. De voornaamste fondsen in beheer bij de SVB zijn het Ouderdomsfonds, het Wedu-Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

wen-en Wezenfonds, het Algemeen Kinderbijslagfonds en het Kinderbijslagfonds voor Loontrekkenden. De bedrijfsverenigingen beheren wachtgeldfondsen en ziekenkassen. Wachtgeldfondsen en ziekenkassen zijn weer onderverdeeld in een groot aantal risicogroepen.

3.3. DE SOCIALE VERZEKERINGSRAAD

3.3.1. Samenstelling

De SVR bestaat uit een voorzitter, 18 leden en een zelfde aantal plaatsvervangende leden. De zittingsduur is drie jaar. De benoeming van de voorzitter geschiedt door de Kroon. De SER wordt gehoord al vorens een voordracht tot benoeming wordt gedaan. De SVR is tripartite samengesteld. Een derde gedeelte der leden en plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers. Een derde gedeelte der leden en plv. leden wordt aangewezen door de algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. Een derde gedeelte der leden en plv. Ieden wordt aangewezen door de Minister van Sociale Zaken. Daarnaast kan de Minister vertegenwoordigers aanwijzen, die de vergaderingen bijwonen. Zij hebben daarin een raadgevende stem.

3.3.2. Taken

De taken, welke de SVR op grond van de wettelijke bepalingen heeft te verrichten, kunnen als volgt worden samengevat:1

a.

Toezichthouder! De SVR is belast met het toezicht op: -de uitvoering van de OSV, ZW, WAO, WW, AOW, AWW, AKW, AAW, KWL, KKZ, Ouderdomswet 1919, IW en de Liquidatiewet Invaliditeitswetten; -de organen, welke die verzekeringen uitvoeren of administreren; -deGMD, voor zover dat toezicht niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen. Het toezicht op de Raden van Arbeid is ingevolge de wet opgedragen aan de SVB. De SVR is belast met het toezicht op de SVB. Er is geen rechtstreeks toezicht van de SVR op de Raden van Arbeid. De aandacht verdient, dat de ZFR het toezicht op de premieheffing ZFW (voor wat betreft de verplichte verzekering) laat verzorgen door de SVR.

b.

Coördineren De SVR is bevoegd ten aanzien van de administraties van de bedrijfsverenigingen, van het GAK en van de GMD «voorschriften te geven, welke een efficiënte inrichting van die administratie waarborgen en zo nodig strekken tot coördinatie van de administraties». Voorts kan de SVR voorschriften geven, welke strekken tot een goede en gecoördineerde uitvoering van de verzekeringen. c.

Adviseren De Minister van Sociale Zaken moet de SVR in een aantal gevallen horen alvorens besluiten te nemen of regelen te stellen. De SVR dient desgevraagd de Minister van Sociale Zaken en andere ministers van advies en kan hen ook uit eigen beweging van advies dienen over onderwerpen die verband houden met de aan de raad opgedragen taak. De nadruk bij de adviserende taak van de SVR ligt op het verzekeringstechnische vlak. In vele adviezen van de SVR komen echter ook sociaal-politieke aspecten aan de orde. De sociaal-politieke advisering met betrekking tot de sociale verzekeringen behoort echter tot de taak van de SER.

1 In bijlage 3 zijn de betreffende wetsartikelen opgenomen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

  • Wetgeven Op een groot aantal plaatsen in de socialeverzekeringswetten is aan de SVR een wetgevende taak gedelegeerd. Het gaat dan veelal om regelen of nadere regelen, die de SVR onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken moet stellen. Voorbeelden: dagloonregelen voor de werknemersverzekeringen; regelen met betrekking tot de vrijwillige verzekeringen; aanwijzen van aanspraken en uitkeringen, die tot het «loon» in de zin van de CSV behoren.
  • Beslissen in geschillen De SVR dient in bepaalde gevallen met uitsluiting van andere instanties beslissingen te nemen in geschillen. Deze rechtsprekende taak is zeer beperkt. Vrijwel alle geschillen bij de uitvoering van de sociale verzekeringswetten behoren tot het terrein van de Raden van Beroep en de Centrale Raad van Beroep. Voorbeelden van rechtspraak door de SVR: geschillen met betrekking tot de vraag bij welke bedrijfsvereniging een werkgever is aangesloten; geschillen tussen een gemoedsbezwaarde en een uitvoeringsorgaan.
  • Administreren voor enkele fondsen Het AOF, het AAF en het AWF zijn bij de wet in het leven geroepen rechtspersonen in het kader van de uitvoering van resp. de WAO, de AAW en de WW. De administratie voor deze fondsen geschiedt op verzoek van de drie fondsbesturen door het secretariaat van de SVR.

3.4. DE HUIDIGE SITUATIE IN HET LICHT VAN DE PROBLEEMSTELLING

3.4.1. Beheersbaarheid

3.4.1.1. De uitvoeringsorganen De historische ontwikkeling heeft tot een pluriforme uitvoeringsorganisatie geleid, waarin het georganiseerde bedrijfsleven een belangrijke plaats in-neemt. Aan het slot van dit hoofdstuk is een schematisch overzicht van de huidige uitvoeringsorganisatie opgenomen. Bijlage 3 bevat een overzicht van de relaties in de bestuurlijke organisatie van de sociale verzekeringen. Uit dat overzicht blijkt, dat er in de loop der jaren een bijna niet meer te ontwarren netwerk van bestuurlijke relaties is ontstaan tussen de verschillende organen. Het gaat daarbij om de formele wettelijke relaties. Of en zo ja op welke wijze aan de relaties gestalte is gegeven blijkt niet uit het overzicht. In het alternatievenrapport (blz. IV-12) wordt gesteld, dat het stelsel van sociale zekerheid zich kenmerkt door een zorgvuldige uitvoering. De taken worden blijkens dit rapport door de uitvoeringsorganen nauwgezet uitgevoerd. Mede door de interne controle doet zich slechts een klein percentage foutieve uitkeringen voor. Aan de doorzichtigheid, de coördinatie en de doelmatigheid van het uitvoeringsproces is onvoldoende aandacht besteed. Samenvattend wordt geconcludeerd (blz. IV-13): een zorgvuldige uitvoering, versus geringe doorzichtigheid en geringe bestuurbaarheid. Doordat de uitvoeringsorganen in het algemeen zorgvuldig te werk zijn gegaan hebben zij bijgedragen tot de beheersing in enge zin. Niettemin is de beheersing van het totale proces ook in de uitvoering onvoldoende tot zijn recht gekomen. Vastgesteld mag worden, dat bij voorbeeld de mogelijkheden, welke op elkaar afgestemde geautomatiseerde administraties hadden kunnen bieden voor beleidsrelevante kwantitatieve en kwalitatieve informatie van het uitvoeringsgebeuren onvoldoende zijn benut. Wellicht is hier debet aan een wat beperkte opvatting van de organen als uitvoerder, waardoor aan de relatie met de beleidsvorming onvoldoende aandacht is besteed. Ook het grote aantal organen en hun opvattingen over Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

autonomie kunnen worden aangemerkt als een belemmering voor de beheersbaarheid. Daarnaast speelt een rol dat de uitvoering van een deel van de werkloosheidsregelingen (WWV en RWW) is opgedragen aan de gemeenten, waarmee onvoldoende coördinatie tot stand is gekomen.

3.4.1.2. De Sociale

Verzekeringsraad

2 MvA (Tweede Kamer} op de ontwerp-OSV (zitting 1950-1951, nr. 1679, stuknr. 10,blz. 11). 3 MvA (Eerste Kamer) op de ontwerp-OSV (zitting 1951-1952, nr. 1679. stuknr. 124a, blz. 1). 4 MvA (Tweede Kamer) op de ontwerp-OSV (zitting 1950-1951, nr. 1679, stuknr. 10, blz, 12). 5 MvA (Tweede Kamer) op de ontwerp-OSV (zitting 1950-1951, nr. 1679, stuknr. 10, blz. 4). 6 Handelingen Tweede Kamer 30-1-1952, blz. 1335. 7 Handelingen Tweede Kamer 30-1-1952, blz. 1347.

Uit het gestelde op blz. VII-5 van het alternatievenrapport kan worden geconcludeerd, dat ook van de kant van de SVR te weinig aandacht is geweest voor de beheersbaarheid van het totale uitvoeringsproces. Het is van belang hierop nader in te gaan, omdat in een ingewikkeld proces met velerlei aspecten grote behoefte is aan een orgaan, dat grote aandacht voor de beheersbaarheid van dat proces heeft. In de eerste plaats is daarvoor van belang dat plaats, functie en bevoegdheden van dat orgaan duidelijk zijn. Een goede plaatsbepaling van de SVR in het totale sociale verzekeringsgebeuren is niet eenvoudig. Dit is kennelijk een gevolg van het feit, dat volgens de oorspronkelijke opzet de SVR een omvangrijke taak zou krijgen in de uitvoering als oprichter en beheerder van een Centraal Administratiekantoor. Tijdens de parlementaire behandeling werd het wetsontwerp-OSV (zitting 1949-1950, nr. 1679) echter zodanig gewijzigd, dat de SVR geen uitvoerende taak zou krijgen. Daarbij komt dat in de OSV geen doelstelling voor de SVR is neergelegd. De SVR opereert vanuit een aantal aangegeven taken zonder dat het optreden tot een eenheid van handelen, gericht op de beheersbaarheid, leidt. De tweeslachtigheid van de wetgever blijkt uit de parlementaire stukken. Daarin wordt de SVR enerzijds aangeduid als het «toezichthoudend, coördinerend en leidinggevend toporgaan»2 en «eigen toporgaan, belast met de leidinggevende, coördinerende en toezichthoudende functie»3. Anderzijds zeggen de bewindslieden «dat de leidinggevende en coördinerende taak van de SVR geenszins medebrengt, dat deze zich op deze wijze met de rechtstreekse uitvoering der verzekeringen zou gaan inlaten»4. Voorts blijkt uit de parlementaire stukken de bedoeling van de Regering, dat de bedrijfsverenigingen «een zo groot mogelijke autonomie zullen verkrijgen»5. Tijdens de parlementaire behandeling van de ontwerp-OSV is eveneens ruime aandacht geschonken aan de vraag of de SVR een orgaan van de overheid dan wel een orgaan van het georganiseerde bedrijfsleven zou zijn. In de memorie van antwoord (blz. 12) is gesteld dat de SVR «in wezen een orgaan zal zijn van het bedrijfsleven». Dit is gemotiveerd met de samenstelling van de SVR (2h gedeelte der leden vertegenwoordigers van het georganiseerde bedrijfsleven). De heer Stapelkamp daarentegen noemde de SVR een «orgaan van de overheid, waarin de bedrijfsgenoten zitting hebben»6. Staatssecretaris Van Rhijn bracht vervolgens geen duidelijkheid met de volgende uitspraak: «Ik zou menen, dat dit college een enigszins amphibisch karakter heeft. Het heeft een publiekrechtelijke en een privaatrechtelijke kant. Wanneer het op stemmen aankomt neemt het bedrijfsleven een zeer belangrijke plaats in»7. Bij de parlementaire behandeling van de OSV is nogal wat langs elkaar heen gepraat. Het beklemtonen door de bewindslieden van de autonomie van de bedrijfsverenigingen heeft er toe bijgedragen, dat de positie van de SVR op tal van punten onduidelijk is geworden. Voor wat betreft het toezichthoudend aspect verdient de aandacht, dat de in de SVR vertegenwoordigde centrale organisaties of hun achterban (de bedrijfstakorganisaties) ook de besturen «leveren» van de uitvoeringsorganen. De besturen van de onder toezicht gestelde organen en van de toezichthoudende SVR zijn qua herkomst dan ook nauw met elkaar verbonden. De leden van de SVR mogen weliswaar volgens wettelijk voorschrift zelf geen deel uitmaken van het bestuur van een orgaan waarop de SVR toezicht uitoefent, maar dit neemt niet weg dat het moeilijk is om als lid van de SVR -aangewe-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

zen door een centrale organisatie van werkgevers of werknemers -toezicht te moeten uitoefenen op een uitvoeringsorgaan, waarin een vertegenwoordiger van dezelfde organisatie (of de achterban) als bestuurslid zitting heeft. De functie van toezichthouder kan op deze wijze niet goed tot haar recht komen. Aannemelijk is dan ook, dat de huidige wijze van samenstelling van de SVR een effectief toezicht als instrument voor de beheersbaarheid belenv mert. Bij de parlementaire behandeling van de ontwerp-OSV heeft Staatssecretaris Van Rhijn overigens al gewezen op deze problematiek. Hij zei: «Men neme aan, dat het bestuur van het gemeenschappelijk administratiekantoor een bepaalde beslissing heeft genomen. Nu gaan andere personen, uit dezelfde kring en met dezelfde opvatting, naar de vergadering van de SVR; daar komt dan die kwestie ook ter sprake. Welnu, wanneer die zaak in het gemeenschappelijk administratiekantoor is uitgemaakt, heeft een bespreking in de SVR niet veel zin meer. Een derde gedeelte der leden dat er in de SVR bijkomt, blijft dan toch in de minderheid. Wat zal er bovendien van het toezicht op het GAK terechtkomen, indien de SVR voor twee derde is samengesteld uit dezelfde personen als het gemeenschappelijk administratiekantoor»8. Voor de beheersbaarheid van het totale uitvoeringsproces is van groot belang op welke wijze de SVR zijn toezichthoudende taak heeft kunnen uitoefenen. De SVR heeft een aantal wettelijke bevoegdheden, die als preventief toezicht kunnen worden aangemerkt. Dat betreft bepalingen die voorschrijven dat bepaalde besluiten van de uitvoeringsorganen, alvorens rechtskracht te verkrijgen, vooraf goedkeuring van de SVR behoeven. Voorts zijn er bepalingen, die voorschrijven, dat bepaalde besluiten van de uitvoeringsorganen voorafgaande goedkeuring behoeven van de Minister van Sociale Zaken, gehoord de SVR. Dit kan worden aangemerkt als een vorm van indirect preventief toezicht door de SVR. Nog andere vormen van preventief toezicht kunnen worden gevonden in bepalingen, die voorschrijven dat de SVR «ontheffing kan verlenen», een «verklaring van geen bezwaar» kan afgeven of een uitvoeringsorgaan iets kan «toestaan». Verder is er de bepaling in artikel 47 van de OSV, dat de Minister van Sociale Zaken bevoegd is nadere regelen te stellen met betrekking tot het uit te oefenen toezicht. In het hierop gebaseerde ministerieel besluit van 15 november 1966 is bepaald, dat, naast hetgeen overigens voortvloeit uit wettelijke bepalingen, het toezicht van de SVR onder andere betrekking heeft op: a. het al dan niet toekennen van uitkeringen en schadeloosstellingen, alsmede het al dan niet in aanmerking brengen voor voorzieningen in overeenstemming met de bij of krachtens de wetten, waarin de verschillende takken van verzekering zijn geregeld, vastgestelde bepalingen; b. de in hoofdstuk II, paragraaf a, van de OSV vermelde werkzaamheden vandeGMD; c. de wijze waarop controle wordt uitgeoefend; d. de doelmatigheid van de organisatie en van de administratie; e. de kosten van het beheer en van de administratie; f. de financiële regelingen, zoals regelingen betreffende de premievaststelling en de premie-inning, het premietarief of de premie-omslag, de dekking en de verdeling van de kosten, de verdeling van de overschotten, de afschrijvingen, de vorming van de verplichte reserve, het putten uit deze reserve hieronder begrepen; g. de belegging van de gelden; h. de balansen en rekeningen.

Uit die beschikking blijkt, dat het toezicht zowel betrekking heeft op de uitvoering van de wettelijke regelingen als op het administratieve apparaat. Het op basis van deze beschikking door de SVR uitgeoefende toezicht is in hoofdzaak als repressief te karakteriseren. Voor een goede beheersbaarheid 8 Handelingen Tweede Kamer 30-1-1952, biz.

's echter ook preventief toezicht op de in de beschikking genoemde punten 1332.

noodzakelijk.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Aangezien er verschillend wordt gedacht over de vraag of de huidige wettelijke bepalingen wel preventief toezicht mogelijk maken op de in die beschikking aangegeven punten zal zulks duidelijker in de wet moeten worden aangegeven. Toezicht zal slechts effectief kunnen zijn, indien naast mogelijkheden van overleg ook hanteerbare sancties aanwezig zijn. De OSV bevat slechts enkele, weinig reële sanctiebepalingen. Als zodanig is te beschouwen: de bepaling, dat de erkenning van een bedrijfsvereniging kan worden ingetrokken, indien deze bedrijfsvereniging haar uit de socialeverzekeringswetten voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren vervult (artikel 14, lid 3). Voorts kent artikel 16 van die wet de mogelijkheid om bij AI-gemene maatregel van bestuur voorzieningen te treffen voor het geval een bedrijfsvereniging haar taak niet naar behoren vervult. Deze bevoegdheden komen echter niet toe aan de SVR. Zij zijn voorbehouden aan de Minister van Sociale Zaken en de Kroon. Het is duidelijk dat deze bepalingen krachtens hun uitzonderlijk karakter alleen bedoeld zijn om in te grijpen wanneer bij een uitvoeringsorgaan sprake is van zeer ernstige tekortkomingen. Wel heeft de SVR thans de bevoegdheid om krachtens artikel 49 van de OSV een besluit van een uitvoeringsorgaan ter vernietiging of schorsing aan de Minister van Sociale Zaken voor te dragen. Het moet dan echter gaan om een besluit dat in strijd is met de wet of het algemeen belang. Een dergelijke strijdigheid is niet gemakkelijk aan te tonen. Ook artikel 48 van de OSV (regelende de mogelijkheid van het geven van voorschriften, welke strekken tot een goede en gecoördineerde uitvoering) kent voor de SVR geen sanctiemogelijkheid. In dit verband verdient de aandacht dat de SVR bij schrijven van 21 augustus 1963 heeft geadviseerd de OSV zodanig te wijzigen dat de raad de bevoegdheid krijgt directer in het beleid van de uitvoeringsorganen in te grijpen door te kunnen voorschrijven dat het beleid in bepaalde gevallen moet worden gewijzigd. Deze artikelen (48 en 49) zouden dan de mogelijkheid bieden om de effectiviteit van het toezicht volledig te kunnen ontplooien. Aan dit advies is geen uitvoering gegeven. Dat er behoefte is aan meer duidelijkheid over de strekking van genoemd artikel 48 van de OSV blijkt overigens wel uit de discussie in de vakbladen, welke heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een circulaire nr. 553, dd. 11 juni 1976, van de SVR over de toepassing van de WW ten aanzien van parttime werkenden. In het deelrapport van de meergenoemde organisatiebureaus over de SVR wordt geconstateerd, «dat de SVR zich in de afgelopen periode in hoge mate heeft geconcentreerd op de problematiek van de uitvoering van de sociale verzekering in technische zin». Het toezicht van de SVR heeft zich in de praktijk in hoofdzaak beperkt tot wetstechnische en financiële aspecten van de uitvoering. Bij de noodzakelijke beheersingsactiviteiten dient het echter meer te gaan om het tijdig onderkennen van tendenties in het sociale gebeuren, die zo nodig tot beleidswijziging zouden moeten leiden. Van belang voor het functioneren van het toezicht door de SVR is nog, dat die raad wel toezicht uitoefent op de SVB doch niet op de Raden van Arbeid. De SVB is belast met het toezicht op de Raden van Arbeid. Deze constructie van getrapt toezicht is niet bevorderlijk voor de doorzichtigheid van de verhouding tussen SVR en uitvoeringsorganen. Ook het bestaan van een aantal rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen met eigen -zij het beperkte -bevoegdheden van toezicht is weinig bevorderlijk voor de duidelijkheid. Bij de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is van groot belang de professionele beoordeling van het bestaan van arbeidsongeschiktheid en van de mogelijkheid van aanwending van restcapaciteit bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van cliënten. Deze belangrijke taak wordt door de GMD verricht. Geconstateerd moet worden, dat de SVR hoewel belast met het toezicht op de GMD aan dat toezicht geen reële inhoud heeft kunnen geven. Overigens dient te worden opgemerkt, dat de praktijk heeft laten zien, dat het verrichten van nevenactiviteiten door de uitvoeringsorganen, welke activiteiten buiten de toezichtsfeer van de SVR vallen, het toezicht van de SVR in Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

bepaalde gevallen bemoeilijkte. De halfslachtigheid van de wetgever heeft zich ook gewroken bij de afbakening van de coördinerende taak van de SVR ten opzichte van die van de Federatie van Bedrijfsverenigingen. De vereniging «Federatie van Bedrijfsverenigingen» was al in 1929 opgericht aan de vooravond van de invoering van de ZW. Toen de SVR werd in-gesteld (1952) had de Federatie al een belangrijke positie verkregen in het bijzonder als coördinerend orgaan van de (vrije) bedrijfsverenigingen. Bij de totstandkoming van de OSV heeft de Regering geen wettelijke taak willen creëren voor de federatie. In de memorie van antwoord (blz. 12) op het wetsontwerp OSV heeft de Regering haar standpunt met betrekking tot de federatie, zoals dit reeds bleek uit de memorie van toelichting, nog eens herhaald: «Doch bovendien -en dit is het hoofdbezwaar van de ondergetekenden -bestaat er naast de SVR geen behoefte aan een tweede wettelijk toporgaan. Integendeel, doublures en compententiemoeilijkheden met de SVR zouden een goede uitvoering der sociale verzekering eerder in de weg staan dan bevorderen». Ondanks het feit dat de federatie bij de totstandkoming van de OSV geen positie in de wet heeft gekregen, zijn er in de loop der jaren toch tal van doublures en competentiemoeilijkheden geweest tussen SVR en federatie. De coördinerende taak van de SVR is in de OSV vastgelegd. Maar bij deze coördinatie is enerzijds door de bewindslieden niet gedacht aan beknotting van de zelfwerkzaamheden der bedrijfsverenigingen. («De SVR zal de zelfwerkzaamheid der vakbedrijfsverenigingen moeten coördineren»; «De bedoeling van het artikel (48) is niet, dat de SVR een stroom van aanwijzingen naar de bedrijfsverenigingen zou doen uitgaan. Geenszins. Slechts heeft voor ogen gestaan de SVR de bevoegdheid te geven, zulks in het belang van een goede en gecoördineerde uitvoering, in een voorkomend geval aanwijzingen te geven»)9. Anderzijds zeggen de bewindslieden: «Waarde ondergetekenden de SVR niet alleen als toezichthoudend doch ook als leidinggevend en coördinerend toporgaan der sociale verzekering zien, kunnen zij bezwaarlijk er mede in-stemmen daarnaast ook nog een coördinerende functie toe te kennen aan de Federatie van Bedrijfsverenigingen»10. De federatie ziet als eerste taak voor de SVR het uitoefenen van toezicht op de bedrijfsverenigingen. De coördinerende taak van de raad dient volgens de federatie in samenhang met de toezichthoudende taak te worden bezien. Naar het oordeel van de federatie is er in het algemeen eerst dan aanleiding voor de SVR voorschriften te geven, die strekken tot een gecoördineerde uitvoering, als op basis van vrijwilligheid een noodzakelijke coördinatie niet bereikt wordt. De federatie vindt het vanzelfsprekend dat de SVR ook aanleiding kan vinden tot optreden als hij zou menen dat de coördinatie, die de bedrijfsverenigingen onderling tot stand hebben gebracht, niet voldoet aan de eisen, die daaraan naar zijn oordeel als toezichthouder moeten worden gesteld. De SVR heeft als reactie op deze visie van de federatie onder meer uitgesproken, dat uit de tekst van de wet noch uit haar totstandkoming valt af te leiden, dat de wetgever bedoeld zou hebben dat de SVR slechts kan coördineren bij gebleken discoördinatie. Opgemerkt wordt, dat bij invoering van de WAO voor het eerst de federatie een plaats in de OSV kreeg als oprichter van de GMD. De SVR en de federatie zijn het nog steeds niet eens over de juiste omvang van ieders werkterrein. De afspraken inzake de samenwerking hebben de SVR en de federatie neergelegd in een protocol (bijlage 4).

3.4.2. Verantwoordelijkheid van de centrale overheid 9 MvA (Tweede Kamerl op de ontwerp-OSV (zitting 1950-1951, nr. 1679, stuknr. 10, blz. 9en 10). 10 MvA (Tweede Kamer) op de ontwerp-OSV (zitting 1950-1951, nr. 1679, stuknr. 10, blz. 12).

Uit het in 3.1 t/m 3.3 gestelde blijkt dat de centrale overheid nauwelijks rechtstreeks in de besturen van de sociale verzekeringsorganen is vertegenwoordigd. Slechts in het bestuur van de SVB en het AWF is een ministerieel vertegenwoordiger opgenomen. Bij de SVR en het AOF en AAF treedt de mi-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

nisteriële vertegenwoordiger als waarnemer op. De invloed van de centrale overheid is daarnaast in zekere mate aanwezig bij de benoeming van een derde deel van de leden van tripartite samengestelde besturen en van de leden van de Raad van Arbeid door de Minister van Sociale Zaken. Na benoeming functioneren deze leden, bij de tripartite organen aangewezen om belangen van andere groeperingen dan werkgevers en werknemers te behartigen, onafhankelijk van de centrale overheid. Hetzelfde is het geval ten aanzien van de door de genoemde bewindsman benoemde voorzitters van het bestuur van de SVB, het AWF, het AOF en het AAF en de door de Kroon benoemde voorzitters van de SVR en van de Raden van Arbeid. Naast de eerdergenoemde invloed van de centrale overheid in de samenstelling van de verschillende besturen is voor de plaats van de overheid en de verhouding tot de uitvoeringsorganen van belang in welke mate de overheid het doen en laten van die organen kan beïnvloeden. Die invloed is materieel zeer gering. De Minister van Sociale Zaken kan zowel aan de SVB als aan de Raden van Arbeid voorschriften geven met betrekking tot de bezoldiging van het personeel en zijn rechten en verplichtingen. De SVB brengt verslag uit van de eigen werkzaamheden en van die van de Raden van Arbeid, zowel aan de Minister van Sociale Zaken als aan de SVR. Bedrijfsverenigingen, GAK en GMD dienen door de Minister van Sociale Zaken te worden erkend alvorens als zodanig te kunnen optreden. Hierbij zij nadrukkelijk aangetekend, dat de overheid geen invloed heeft op de gevalsbeslissingen door de verschillende genoemde uitvoeringsorganen. De SVR is verantwoordelijk aan de Minister van Sociale Zaken en brengt zijn besluiten ter kennis van die bewindsman. Deze Minister kan besluiten van de SVR ter schorsing of vernietiging aan de Kroon voordragen. De Minister kan de SVR aanwijzingen geven met betrekking tot de uitvoering van zijn taak, hetgeen echter tot dusverre niet is geschied. De SVR is verplicht jaarlijks van zijn werkzaamheden en van de stand van de wettelijke arbeidsongeschiktheids-, ziekengeld", wachtgeld" en werkloosheidsverzekeringen een verslag samen te stellen en aan de Minister uit te brengen. Uit het als bijlage 5 bijgevoegde advies van de professoren Prins en Polak dat in 1969 uitgebracht werd aan de SVR blijkt, dat naar hun mening de in de OSV neergelegde positie van de SVR onvoldoende doordacht en daardoor ondoorzichtig is. Naast een bevoegdheid van de Minister tot het geven van aanwijzingen (waardoor een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat), past niet een bevotgdheid van de Minister om besluiten van de SVR ter schorsing of vernietiging voor te dragen aan de Kroon (hetgeen duidt op autonomie). De centrale overheid heeft in feite het toezicht op (de beheersing van) het uitvoeringsproces van de sociale verzekeringen overgelaten aan de door de wetgever ingestelde SVR, die blijkens het onderzoek van de organisatiebureaus om allerlei redenen niet optimaal optreedt als beheersingsorgaan op de wijze zoals dat thans door de in de vorige hoofdstukken geschetste ontwikkelingen noodzakelijk is geworden.

3.4.3. Verwevenheid van de sociale verzekeringen met andere beleidsterreinen Het inzicht is gegroeid, dat de maatschappelijke doelmatigheid van de sociale verzekering slechts optimaal tot haar recht kan komen, indien beleidsvorming, beheersing en uitvoering van de sociale verzekering in samenhang geschieden met andere sectoren van de sociale zekerheid en van het sociale beleid in het algemeen. De wijze waarop wordt aangesloten op de organisatorische indeling van andere, nauw rakende terreinen is dan ook niet zonder betekenis. Evenzeer van belang is de doorzichtigheid en bereikbaarheid voor gebruikers. Tot slot van dit hoofdstuk wordt daarop nader ingegaan, met name om het kader aan te geven waarbinnen het beheersingsproces zich afspeelt. In het tweede deel van dit interim-rappori '"orden deze aspecten verder uitgewerkt bij de functieanalyse van de geheN uitvoeringsorganisatie.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

De raakvlakken van de sociale verzekering met belendende beleidsterreinen waren aanvankelijk minimaal. Thans zijn er raakvlakken met tal van beleidsterreinen. Dat brengt met zich, dat de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen, wil er sprake zijn van een goede wetsuitvoering en een optimale behartiging van de belangen van de verzekerde, in toenemende mate hun werkzaamheden zullen moeten coördineren met organen, die op belendende terreinen met dezelfde cliënt te maken hebben. Dat betreft bij voorbeeld organen op het terrein van: complementaire sociale voorzieningen, arbeidsvoorzieningsbeleid, gezondheidszorg en welzijnszorg. Die organen zijn als regel plaatselijk of regionaal werkzaam. Een uitsluitend of in hoofdzaak bedrijfstaksgewijze (landelijk) opgebouwde uitvoeringsorganisatie leent zich naar het voorkomt minder voor dergelijke gecoördineerde activiteiten dan een plaatselijk of regionaal werkende organisatie. Ten einde de coördinatie bij de uitvoering met de organen op de hiervoor genoemde terreinen te kunnen bereiken lijkt een verder gaande regionalisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen gewenst. Daarbij dient de regionale indeling van de organen op het terrein van de arbeidsvoorziening, van de arbeidsinspectie en van de bedrijfsgeneeskundige zorg zoveel mogelijk in het oog te worden gehouden. Tevens ware, zo mogelijk, rekening te houden met de plannen inzake de bestuurlijke organisatie en de regionalisatie van gezondheidszorg en welzijnszorg.

" Verslagen en rapporten, jaargang 1970-1, blz. 74 (uitgave van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid). 12 Zie 75-jaar sociale verzekering (blz. 21), uitgave SVB. '3 CNV-uitgave sociale groei (19771 blz. 21. " Zie 75-jaar sociale verzekering (blz 63), uitgave SVB.

Ook om andere redenen is het goed nog eens kritisch stil te staan bij de uitgangspunten voor de bedrijfstaksgewijze uitvoering. De wijze van indeling van het bedrijfs-en beroepsleven in 26 onderdelen is destijds mede geïnspireerd door het organisatiepatroon van de vakbeweging. In de laatste jaren is er evenwel in de organisatiestructuur van de vakbeweging een aanmerkelijke concentratie te signaleren. Een concentratie, waarbij de grenzen van de traditionele bedrijfstakken dikwijls worden overschreden. Voorts is te wijzen op de sedert de vijftiger jaren naar voren gekomen branchevervaging binnen het bedrijfsleven zelf (bij voorbeeld opkomst supermarkten) en de structurele wijzigingen in sommige bedrijfstakken (bij voorbeeld mijn-, textiel-en lederindustrie). De bedrijfstaksgewijze uitvoering vindt thans plaats voor de ZW, de WAO, de AAW en de WW. Verzekeringen derhalve tegen geldelijke gevolgen van de risico's ziekte/arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Het is evenwel algemeen bekend, dat het uitvallen van de verzekerde uit het arbeidsproces wegens ziekte/arbeidsongeschiktheid of werkloosheid meer dan vroeger wordt beïnvloed door algemeen maatschappelijke oorzaken en minder door specifieke aan een bepaalde bedrijfstak gebonden oorzaken. Het gaat hierbij naar verwachting om een blijvende verandering. Meer dan vroeger zal het uitvallen uit het arbeidsproces ook in de toekomst een gevolg zijn van structurele verschuivingen. In de lijn van deze ontwikkeling hebben dan ook meerderen reeds de gedifferentieerde premie voor de ziekengeld" en wachtgeldverzekeringen ter discussie gesteld. Gewezen kan worden op het rapport van de Commissie Premiedruk Sociale Verzekering (commissie-Vos). Die commissie was van oordeel «dat de argumenten voor een bedrijfstaksgewijze gedifferentieerde premie in de zie-kengeld-en de wachtgeldverzekering in belangrijke mate aan betekenis hebben verloren»". Ook de voorzitter van de FNV heeft een landelijke uniforme premieheffing voor alle werknemersverzekeringen bepleit. In het sociaal-politiek program voor de jaren 1977-1981 heeft het CNV maatregelen bepleit die leiden tot het verminderen en geleidelijk afschaffen van risicogroepen bij de uitvoering van de ZW en de WW13. Daarentegen hebben de werkgeversorganisaties de handhaving van de gedifferentieerde ZW-premie bepleit en zelfs voorgesteld ook de premie voor de WAO per bedrijfsvereniging te differentiëren voor wat betreft de financiering van de uitkering over bij voorbeeld de eerste twee jaren. Voor wat betreft de regelingen terzake van langdurige arbeidsongeschiktheid (WAO en AAW), welke ook door de bedrijfsverenigingen worden uitgevoerd, is er reeds sprake van uniforme premies. Ook overigens heeft er bij Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

de uitvoering van deze wetten een grote mate van uniformering plaatsgevonden. Zo brengt de GMD adviezen uit aan alle bedrijfsverenigingen. De SVR stelt, onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken, algemene WAO-(dagloon)regelen vast voor alle bedrijfsverenigingen. Voor wat betreft de AAW is voorts op te merken, dat die wet een volksverzekering is. Ook personen, die niet tot het bedrijfs-en beroepsleven behoren, zijn via die wet onder de werkingssfeer gekomen van bedrijfstaksgewijze opgebouwde uitvoeringsorganen. Uit deze ontwikkeling is af te leiden, dat de argumenten voor de huidige bedrijfstaksgewijze opgezette uitvoeringsorganisatie toch wel aan betekenis hebben ingeboet. Niet kan echter worden ontkend, dat het bedrijfsleven nog steeds in belangrijke mate bedrijfstaksgewijze is georganiseerd. Ook het overleg over het in de bedrijfstak te voeren sociale beleid vindt doorgaans plaats door de partners in de bedrijfstak. Het noodzakelijk te ontwikkelen arbeidsomstandighedenbeleid en bedrijfsveiligheidsbeleid -dat van gunstige invloed zal zijn op arbeidsverzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid -vraagt een grote betrokkenheid van het georganiseerde bedrijfsleven. Het is dan ook gewenst het bedrijfsleven ook in de toekomst medeverantwoordelijkheid te doen dragen voor de uitvoering van de sociale zekerheid.

In het alternatievenrapport (blz. XV-12) komen de organisatiebureaus tot de conclusie, dat de sociale verzekering in haar totaal beschouwd een grote mate van ondoorzichtigheid vertoont in de ogen van de verzekerden en andere betrokkenen. Dat rapport wijst erop, dat de uitvoering meer «wetsgewijs» dan «klantgewijs» is georganiseerd. De «klant» heeft met zoveel wetten en organisaties te maken -aldus het rapport -dat hem het inzicht ontbreekt in waar hij recht op heeft, wat hij ervoor betaalt en voor «wat» hij «waar» moet zijn. De projectgroep kan zich vinden in deze kenschets van de huidige situatie uit het alternatievenrapport. Zij is dan ook van mening, dat het -naast het bereiken van een betere beheersbaarheid -voor de verzekerden gewenst is, te komen tot een grotere doorzichtigheid, bereikbaarheid en toegankelijkheid van de sociale verzekeringen. Naast de noodzakelijke coördinatie bij de uitvoering vanwege de verwevenheid met andere deelterreinen van de sociale zekerheid en het sociale beleid in het algemeen vraagt ook de verbetering van het dienstbetoon om een sterkere regionalisatie van de uitvoering. Hierdoor wordt het mogelijk bij de voor de betrokkene zo belangrijke beslissing inzake uitkering, toepassing van het begrip passende arbeid, herinpassing in het arbeidsproces, hetzij door her-of omscholing, hetzij door revalidatie zoveel mogelijk rekening te houden met de plaatselijke omstandigheden. Voorts wordt het mogelijk bij voorbeeld de WW in betere coördinatie dan tot dusverre met de WW en de RWW te brengen. Daarbij is vooral van belang dat het begrip passende arbeid voor alle werkloosheidsregelingen op dezelfde wijze en gecoördineerd met het arbeidsbureau wordt geïnterpreteerd en tot beslissingen ten aanzien van het toekennen dan wel weigeren van uitkering leidt.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

Volksverzekeringen

Werknemersverzekeringen

AOW-uitkering

Werknemersvoorzieningen

WWV-

RWW-

WSW-uitkering 1 uitke-

tewerk-1 ring

stelling K

A

/

s' (

D Q. CD 7S O)

3 co

3 CC CD i

CO CD

UI UI 10

I

uitvoering gemeentel. (soc.) dienst.

ro co

toezicht Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne Hoofdstuk 4. Beheersing van de

sociale zekerheid

4.1. BEGRIPSBEPALING VAN BEHEERSING In dit hoofdstuk zal het totale beheersingsproces binnen de sociale zekerheid, en in het bijzonder binnen de sociale verzekeringen, nader worden uitgediept. Aangegeven zal worden wat het begrip beheersing inhoudt en welke voorwaarden en instrumenten daartoe nodig zijn. De projectgroep verstaat in eerste instantie onder beheersing een samenhangend geheel van zo efficiënt en effectief mogelijke activiteiten die ertoe leiden dat: -het uitvoeringsproces van het socialezekerheidsstelsel voortdurend verloopt conform het tevoren in de verschillende wetten en uitvoeringsmaatregelen vastgelegde beleid; -gesignaleerd wordt, wanneer dit stelsel op basis van het bestaande beleid niet meer aan het doel beantwoordt en in dat geval wordt bijgedragen tot beleidswijziging; een en ander zowel wat betreft de inhoud van het stelsel als wat betreft de ontwikkeling van het beslag op de beschikbare middelen.

Hoewel deze begripsbepaling gericht is op het uitvoeringsproces als zodanig meent de projectgroep, dat niet kan worden voorbijgegaan aan het beleidsvormingsproces. Aan de beleidsvorming klevende gebreken zullen immers van nadelige invloed zijn op de beheersing van het uitvoeringsproces. Kort samengevat komt dan het volledige beheersingsproces neer op: -het scheppen en aanpassen van regelingen op het gebied van de sociale zekerheid op basis van maatschappelijke behoeften en wensen en in goe-de afweging ten opzichte van alternatieve bestedingen van schaarse middelen; -het uitvoeren van de regelingen zodanig, dat aan criteria inzake doelmatigheid, beheersbaarheid, zorgvuldigheid en doorzichtigheid wordt voldaan. Het gaat daarbij om een proces gericht op het handhaven van het beleid, het beheersen van het financiële beslag en het zo nodig initiëren tot vernieuwing.

4.2 UITGANGSPUNTEN VAN HET BEHEERSINGSPROCES Naar de mening van de projectgroep heeft zowel het beleidsvormingsniveau als het uitvoeringsniveau een eigen verantwoordelijkheid voor het beheersingsproces. Deze onderscheiden verantwoordelijkheden worden mede bepaald door het karakter van de uitkeringen en voorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid. In tegenstelling tot vele andere overheidsvoorzieningen, waarbij het budgetrecht van de volksvertegenwoordiging tot uitdrukking komt in het vaststellen van autorisatiemaxima in termen van geld, verschaft de wetgever sociale zekerheid in termen van rechten, welke aan het individu bij wet worden toegekend. In een dergelijk «declaratiesysteem» kan slechts sprake zijn van een passief budgetrecht van de volksvertegenwoordiging door het bijstellen van in de wet neergelegde rechten, ongeacht of de financiering via de rijksbegroting dan wel via extra budgettaire fondsen verloopt.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Het socialezekerheidsstelsel kan dan ook in grote lijnen worden geschetst als een op wetgeving gebaseerd systeem, waarbij middelen (premies en rijksbijdragen) worden bijeengebracht om aan verzekerden uitkering te verlenen of voor hen voorzieningen te treffen in bij wet aangegeven situaties. De hoofdlijnen van rechten en plichten liggen in de formele wet vast. Daar waar dit om wetstechnische redenen gewenst is, zijn aan Kroon, minister of SVR bevoegdheden tot het stellen van nadere regelen gedelegeerd. Voor een belangrijk deel van dit stelsel is de Minister van Sociale Zaken politiek verantwoordelijk. De wetgever heeft echter de uitvoering van deze regelingen, waaronder de gevalsbeslissingen, aan autonome organen opgedragen. In gevallen van geschil tussen de verzekerde (of de premieplichtige) en het uitvoeringsorgaan beslist de onafhankelijke beroepsrechter. De projectgroep heeft deze eigen verantwoordelijkheid van het beleidsvormingsniveau en het uitvoeringsniveau bij haar voorstellen tot reorganisatie van de uitvoeringsstructuur als uitgangspunt gehandhaafd. Juist ook de eigen verantwoordelijkheid moet in de organisatie van het beheersingsproces tot uitdrukking komen.

4.3. HET BEHEERSINGSPROCES OP BELEIDSVORMINGSNIVEAU In hoofdstuk 1 is gesteld, dat de sociale zekerheid bij een structureel verminderde economische groei steeds meer in het spanningsveld van sociale wenselijkheden en economische mogelijkheden is geraakt. Het zoveel grotere beslag van inkomensoverdrachten in het kader van de sociale zekerheid rivaliseert met het kostenbeslag van vele andere uitbreidende overheidstaken. Op beleidsvormingsniveau dient een prioriteitenafweging plaats te vinden. Hierbij zijn de belangen van werkgevers, werknemers, zelfstandigen en de overheid nauw verweven. De beheersing van de aanspraken op sociale zekerheid is dan ook geen zaak meer van uitvoering alleen. Uit een oogpunt van beheersing dient de centrale overheid te beschikken over optimale kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de uitvoering van de sociale zekerheid. Dat vraagt mede het op gang brengen van een continue stroom betrouwbare en beleidsrelevante informatie. De evaluatie van deze informaties kan leiden tot een continue beoordeling van de doelmatigheid van het stelsel. Die beoordeling dient zich uit te strekken tot de voorwaarden, waaronder risicodekking wordt geboden, de mate en wijze van risicodekking, de kring van rechthebbenden en de doorzichtigheid van het stelsel. Zo nodig kunnen dan op grond van een prioriteitenafweging op beleidsvormingsniveau -dat wil zeggen door regering en/of parlementtijdig maatregelen worden genomen tot heroverweging van doelstellingen dan wel bijsturing van processen. Bij deze prioriteitenafweging zullen ook de kwaliteit en de kosten van de risicodekking tegen elkaar worden afgewogen. In dit verband kan worden gewezen op het belang van de sociale meerjarenramingen, waarmede enkele jaren geleden is gestart. Hierdoor zal ook het parlement in de toekomst continu de ontwikkeling van de socialezekerheidslasten kunnen volgen. Op basis daarvan zal het mogelijk zijn voorgestelde beleidsombuigingen beter te kunnen afwegen. In de studie van de COMED wordt gewezen op het belang van kwantitatieve informatie betreffende de lastenontwikkeling ten behoeve van de premievaststelling. De sociale zekerheid, en daarbinnen de sociale verzekeringen, is -zoals reeds eerder in dit rapport betoogd -in ons land een onderdeel van het algemene sociale en sociaal-economische beleid, waartoe onder andere behoren het beleid op het terrein van de gezondheidszorg, de arbeidsomstandigheden, de arbeidsvoorziening, de maatschappelijke dienstverlening en het werkgelegenheids-en inkomensbeleid. Ook de studiefinanciering en de huursubsidieregeling zijn een onderdeel van het algemene sociale en sociaaleconomische beleid.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Ten einde zoveel mogelijk eenheid in sociale politiek te bereiken en te behouden, alsmede de effectiviteit van de instrumenten te maximaliseren, dient naar de mening van de projectgroep voor het totale sociale beleid een coördinerend ministerie worden aangewezen. Het ligt in de rede daarvoor de Minister van Sociale Zaken aan te wijzen gezien zijn reeds bestaande verantwoordelijkheid voor een aantal aan de sociale zekerheid rakende beleidsterreinen (inkomensbeleid, arbeidsmarktbeleid, arbeidsomstandighedenbeleid) en zijn rol in het arbeidsvoorwaardenoverleg (beschikbaar inkomen, premiepercentages). Een duidelijke afbakening ten opzichte van de coördinerende bevoegdheden van andere ministers (onder andere de Minister van CRM voor het welzijnsbeleid) is daarbij geboden. Bij het arbeidsvoorwaardenoverleg op centraal niveau blijkt jaarlijks de bestaande spanning tussen mogelijke groei van het reëel besteedbaar inkomen van werknemers en de lastenontwikkeling van de sociale zekerheid, uitgedrukt in te heffen premies. De projectgroep onderschrijft in dit verband de mening van de COMED, dat het ernstig overweging verdient de vaststelling van alle landelijke premiepercentages te doen plaatsvinden door de Minister van Sociale Zaken. Bij beslissing over de wijze van financiering van de socialeverzekeringslasten kunnen dan de belangen van het arbeidsvoorwaardenbeleid worden betrokken. Hierdoor zal op beleidsvormingsniveau ook de nodige aandacht aan de kwaliteit van de financiering van het socialeverzekeringsstelsel kunnen worden gegeven, opdat de vereiste middelen om de uitgaven en overige kosten te financieren beschikbaar zullen zijn. Voorts kan rekening worden gehouden met de wens om de inkomensherverdelingseffecten bij de financiering meer dan tot dusverre in te passen in een integraal inkomensbeleid. De verwevenheid van de sociale zekerheid met andere instrumenten van het algemene sociale beleid brengt de noodzaak van een gecoördineerde uitvoering van alle socialezekerheidsregelingen met het uitvoeringsbeleid op die andere terreinen. Hierbij ware bij voorbeeld te denken aan coördinatieregels voor de uitvoering van de WW, de WWV en de RWW, waarbij de noodzaak van een gecoördineerde uitvoering tussen de bedrijfsverenigingen, de gemeenten en de arbeidsbureaus gebleken is. Door een goede coördinatie zal de maatschappelijke doelmatigheid van het sociale beleid worden bevorderd. Dit betekent, dat de overheid ook verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid. De uitvoeringsorganisatie dient een duidelijke, homogene en doorzichtige structuur te hebben. Daartoe zal de wetgever plaats, taak en bevoegdheden van de uitvoeringsorganen in het beheersingsproces duidelijk moeten afgrenzen.

4.4. HET BEHEERSINGSPROCES OP UITVOERINGSNIVEAU De beheersbaarheid van het socialezekerheidsstelsel op uitvoeringsniveau vraagt wat betreft het aspect kwaliteit van de risicodekking om een zorgvuldige wetstoepassing. Uit het meergenoemde alternatievenrapport blijkt, dat de uitvoeringsorganen van de sociale verzekering in redelijke mate aan dit vereiste voldoen. Voor een handhaving van de kwaliteit van de risicodekking is niet alleen nodig een optimale informatie over de kwaliteit van het uitvoeringsgebeuren maar vooral ook informatie over het waarom van het uit de uitvoering voortvloeiende proces. De socialezekerheidswetten vergoeden in het algemeen inkomensschade en vangen als het ware het resultaat van een persoonlijk en/of maatschappelijk risico op, bij voorbeeld ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid. De kwaliteit van de risicodekking kan worden verbeterd indien door kennis van de oorzaken van dit risico preventieve maatregelen ter voorkoming kunnen worden getroffen. Te overwegen is, of de rol van de uitvoeringsorganen op het gebied van de preventie duidelijker tot uitdrukking kan worden gebracht in de verschillende wetten. In dit verband is met name in het kader van de ZW, de WAO en 15 Informatiestromen en reservevorming in de sociale verzekering, deel 1, § 5.3.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

de AAW de onderlinge relatie tussen de socialeverzekeringsgeneeskunde, de bedrijfsgeneeskunde en de algemene gezondheidszorg, van groot belang. Ook de zorg voor de bedrijfsveiligheid speelt daarbij een rol. De beheersbaarheid van het socialezekerheidsstelsel hangt in sterke mate af van de aard van het risico. Wat dit betreft is in het schema aan het slot van hoofdstuk 2 een relevant onderscheid gemaakt.

  • De demografische verzekeringen Bij het recht op uitkering op grond van deze verzekeringen gaat het veelal om het voldoen aan objectieve criteria, zoals leeftijd, burgerlijke staat enz. De beheersing op het vlak van de uitvoering zal bij deze verzekeringen minder moeilijkheden opleveren dan bij de hierna te behandelen verzekeringen. Wel is het uiteraard zaak de demografische ontwikkeling nauwkeurig te volgen met het oog op de financiële mogelijkheden van handhaving van in de wet toegekende aanspraken. Ook het feit, dat het bij deze verzekeringen om vrijwel uniforme uitkeringen gaat betekent dat de beheersing van de kwaliteit van de risicodekking geen grote problemen oplevert. Bij de huidige kinderbijslagregeling speelt de beheersing in deze zin met name een rol bij de beoordeling of aan de gestelde onderhoudseis wordt voldaan.
  • Verzekeringen tegen inkomensderving ten gevolge van omstandigheden in de produktiesfeer Bij de uitvoering van de tot deze groep van regelingen behorende WW is de noodzaak van een gerichte beheersingsactiviteit duidelijker aanwezig. De bij deze wet gehanteerde begrippen «onvrijwillige werkloosheid» en «passende arbeid» kunnen door de wetgever niet in detail worden uitgewerkt. Het hangt af van een groot aantal factoren, zoals elementen van het ontslagrecht, opleiding, vroeger beroep, verdiensten, geografische mobiliteit, of aan deze subjectieve criteria voor het recht op uitkering wordt voldaan. Deze begrippen hebben dan ook inhoud gekregen in de uitvoeringspraktijk en door de jurisprudentie van de beroepsrechter. Gegeven de huidige bedrijfstaksgewijze uitvoering van de WW en het bestaan van verschillende regelingen op het gebied van inkomensderving door werkloosheid (WWV en RWW), waarbij dezelfde begrippen moeten worden gehanteerd, is er een noodzaak van gecoördineerde toepassing van deze begrippen. Dat geldt niet alleen tussen de uitvoeringsorganen van de WW onderling doch ook tussen die organen en de gemeenten als uitvoerder van de WWV en de RWW. Gezien de rol die de arbeidsbureaus bij de uitvoering van deze regelingen spelen is het duidelijk dat ook met die bureaus coördinatie noodzakelijk is. Om de kwaliteitvan de risicodekking en de kosten te kunnen beheersen is voorts noodzakelijk dat bij de uitvoering geconstateerd oneigenlijk gebruik wordt onderkend. Gezien de aard van de risico's dienen de uitvoeringsorganen voorts een doeltreffende controle uit te oefenen om misbruik tegen te gaan. Dat vraagt onder andere duidelijke regels voor de uitkeringsgerechtigde, zodat hij weet waaraan hij zich heeft te houden, eenvoudige procedures enz. Het uitvoeringsorgaan dient regelmatig contact te hebben met de werkloze om na te gaan of hij voldoende activiteiten heeft ontplooid om passen-de arbeid te verkrijgen. Over de vervolging van geconstateerd misbruik dient uiteraard diepgaand overleg met Justitie plaats te vinden.
  • Verzekeringen tegen inkomensderving bij ziekte ofarbeidsongeschiktheid Bij de uitvoering van deze verzekeringen wordt de beheersbaarheid van de kwaliteit van de risicodekking in belangrijke mate beïnvloed door de professionele beoordeling van het bestaan van ziekte en gebreken als oorzaak van arbeidsongeschiktheid. De gegevens verkregen bij deze professionele beoordeling door medici, arbeidsdeskundigen en mogelijk andere deskundigen dienen benut te worden voor het verkrijgen van kwalitatieve informatie over oorzaken van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Bij deze sociaal-medi-

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

sche beoordeling dient coördinatie plaats te vinden met de bedrijfsgeneeskundige diensten voor wat de herinschakeling in het arbeidsproces betreft en met de curatieve gezondheidszorg om tot een optimale revalidatie te komen. De arbeidsdeskundige werkzaamheden dienen te geschieden in nauwe samenhang met de arbeidsbureaus zodat ook de instrumenten van het arbeidsmarktbeleid optimaal kunnen worden benut. Verschuiving in de inhoud van het begrip ziekte moet worden gesignaleerd, opdat de gevolgen daarvan in het beleid kunnen worden verwerkt. Bij de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is in de gevallen van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid de stand van de arbeidsmarkt bepalend voor de mogelijkheden van het vinden van passende arbeid. Inzicht in de mate van verborgen werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kan slechts worden verkregen door een registratie waaruit duidelijk het onderscheid blijkt tussen arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Een ander aspect van de beheersbaarheid op uitvoeringsniveau betreft de kwaliteit van de uitvoeringsorganisatie. Zoals uit het voorgaande verschillende malen is gebleken vereist de maatschappelijke doelmatigheid van met name werkloosheidsregelingen en arbeidsongeschiktheidsregelingen een uitvoering, welke is gecoördineerd met de werkzaamheden van organen op neventerreinen zoals de arbeidsvoorzieningen en de verschillende sectoren van de gezondheidszorg. Deze gecoördineerde uitvoering vraagt naar de mening van de projectgroep om een geregionaliseerde organisatie van de uitvoering. De kwaliteit van de uitvoeringsorganisatie wordt mede bepaald door de bereikbaarheid voor de cliënten, en door een juiste en snelle afwikkeling van aanvragen. Ook deze factoren leiden ertoe het regionale in de uitvoering meer te benadrukken. Het omvangrijke en ingewikkelde sociale verzekeringssysteem vraagt van de uitvoeringsorganen een voortdurende aandacht voor hun informeringstaak. Dit betreft zowel informatie aan degenen, die verplicht zijn tot betaling van premie als de gebruikers, zodat zij met zo min mogelijk moeite de weg in de doolhof kunnen vinden. Een goede voorlichting draagt er ook toe bij degene, die een beroep op de sociale verzekering moet doen, een voldoende verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen, zodat ook van zijn kant het gebruik zo veel mogelijk wordt beperkt. Sociale verzekering heeft niet slechts ten doel de verzekerde materiële zekerheid te verschaffen. Een even belangrijke doelstelling is dat voor degene, die op de sociale verzekering een beroep moet doen, zijn nieuwe situatie van bij voorbeeld langdurige werkloosheid of arbeidsongeschiktheid geen belemmering vormt voor zijn eigen ontplooiing. Om dit te bereiken dient aan voorwaarden te worden voldaan, die de eigen ontplooiing kunnen bevorderen. De begeleidingstaak van de uitvoeringsorganen dient hierop te zijn gericht. Het totale beheersingsproces is in het volgende schema samengevat.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Beheersingsproces sociale zekerheid

Te beheersen aspecten

Beleidsvorming

Uitvoering

  • A. 
    Kwaliteit van de risicodekking Kwaliteit van het stelsel met het oog op:
  • voorwaarden tot en mate en wijze van risicodekkingkring van gerechtigden-doorzichtigheidinkomensherverdelingseffectenduidelijke wetgeving

Zorgvuldige wetstoepassing

  • B. 
    Omvang van uitkeringen en voomeningen Totale lasten van het stelsel:
  • prioriteitenafweging binnen macro-economische ruimtebijsturingsmogelijkheden van volume en niveau van consumptie Zorgvuldige wetstoepassing ter voorkoming van
  • oneigenlijk gebruikmisbruik

Controle van rechthebbenden

  • C. 
    Kwaliteit van de uitvoeringsorganisatie Doelmatige uitvoeringsorganisatie:
  • doorzichtig voor gebruikerssamenhang met verwante terreinen Bereikbaarheid voor klanten, juiste en snelle afwikkeling van aanvragen, goede samenwerking met verwante instanties
  • D. 
    Kosten van uitvoering

Doelmatige uitvoeringsorganisatie:

  • efficiency

Efficiënte uitvoering

  • E. 
    Kwaliteit van de financiering

Wijze van financiering:

  • beschikbaarheid van vereiste middelenvaststelling van wijze van financieren mede in het licht van macro-economische en inkomenspolitieke consequenties Juiste vaststelling van premies Effectieve premie-inning, goed fondsbeheer beleggingen, reservering, etc.
  • F. 
    Kosten van middelenvergaring Doelmatige uitvoeringsorganisatie van de premieheffing

Efficiënte uitvoering

4.5. BEHEERSING ALS SPECIFIEKE FUNCTIE De uitvoering van het socialezekerheidsstelsel is een ingewikkeld proces met velerlei facetten. Het gaat daarbij om de toepassing van in wetten en uitvoeringsmaatregelen neergelegde regels, welke, geïnterpreteerd overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, in allerlei soms moeilijk te beoordelen situaties moeten worden toegepast. Het in de wetgeving neergelegde beleid moet in de praktijk worden vertaald. Het resultaat van dit proces, gemeten in lasten, is van grote invloed op het door de centrale overheid te voeren sociaal-economisch beleid. Dit proces vraagt om een gecontinueerde beheersingsactiviteit. Het streven naar optimale maatschappelijke doelmatigheid noodzaakt ertoe het proces te doen verlopen in nauwe samenhang met andere instrumenten van sociaal beleid. De coördinatie dient een onderdeel van de beheersingsactiviteit te zijn. Het feit, dat dit proces om historische redenen wordt uitgevoerd door een pluriforme uitvoeringsorganisatie noodzaakt tot de vorming van een sterk bindend orgaan, dat de beheersing van het stelsel tot zijn taak heeft en dat over adequate middelen dient te beschikken om die taak te kunnen vervullen. De inpassing van het socialezekerheidsbeleid in het algemene sociale en sociaal-economische beleid en in het totale regeringsbeleid vraagt om een terugkoppeling tussen het uitvoeringsniveau en het beleidsniveau. De permanente toetsing of de doelstelling van het sociale zekerheidsbeleid met de aangewende middelen wordt bereikt heeft een politiek karakter. Gedacht vanuit het beleidsvormingsniveau rijst dan de vraag of de beheersingsfunctie, waarvan deze evaluatie een belangrijk onderdeel is, niet door de centrale overheid moet worden uitgeoefend.

Tweede Kamerzitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Daartegenover staat dat het georganiseerde bedrijfsleven steeds een grote verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sociale zekerheid heeft gedragen en heeft willen dragen. Een doelmatig beheersingsproces zonder inbreng van het georganiseerde bedrijfsleven is naar het oordeel van de projectgroep ook bovendien niet goed mogelijk, omdat de maatschappelijke aanvaarding een voorwaarde voor beheersing vormt. Er is sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en bedrijfsleven. Dit uitgangspunt verdraagt zich niet met het opdragen van de beheersingsfunctie aan de centrale overheid. Juist om de eigen verantwoordelijkheid van beleidsvormingsniveau en uitvoeringsniveau niet te vermengen en tegelijkertijd de gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en bedrijfsleven in het oog te houden stelt de projectgroep voor de beheersingstaak op te dragen aan een in te stellen onafhankelijk beheersingsorgaan. Dit orgaan zal moeten fungeren als ontmoetingspunt van beleid en uitvoering. Naar de mening van de projectgroep zal daartoe de huidige SVR qua doelstelling, taken en bevoegdheden moeten worden uitgebouwd en qua samenstelling worden gewijzigd. De beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken vraagt om een functionele binding van dit beheersingsorgaan met de centrale overheid. De betrokkenheid van het georganiseerde bedrijfsleven bij de uitvoering van het socialezekerheidsstelsel vraagt om een bemanning van het beheersingsorgaan, die geacht kan worden het vertrouwen van de sociale partners te genieten.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Hoofdstuk 5. Het beheersingsorgaan

5.1. DOELSTELLING

Het goed doen verlopen van het beheersingsproces dient de doelstelling van het beheersingsorgaan te zijn. Dat betekent enerzijds, dat het beheersingsorgaan met nader te bespreken middelen en op grond van toegekende bevoegdheden grote aandacht besteedt aan de beheersingsaspecten op uitvoeringsniveau, en anderzijds, na evaluatie van het in de praktijk uitgevoer-de beleid, aan de nodige terugkoppeling naar de beleidsvormer. Aldus vervult het beheersingsorgaan de belangrijke schakelfunctie tussen beleid en uitvoering. Hierbij behoort tevens met het oog op de optimalisering van de maatschappelijke doelmatigheid aandacht te worden besteed aan de coördinatie bij de uitvoering met de organen op eerder genoemde belendende terreinen van het sociale beleid. In het verlengde van deze beheersingstaken zou naar de mening van de projectgroep het beheersingsorgaan ook de externe controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van de sociale zekerheid kunnen verrichten. Daarbij zal zoveel mogelijk aansluiting moeten worden gezocht bij de doelstelling van de Algemene Rekenkamer, die deze functie voor de rijksuitgaven vervult.

5.2. SAMENSTELLING

De projectgroep is van mening, dat beheersing van het ingewikkelde uitvoeringsproces, waarin enkele tientallen miljarden omgaan, een fulltime beschikbaarheid vergt van de bestuurders. Bovendien vereist de coördinatie van de sociale zekerheid in engere zin met de daaraan verwante terreinen (externe coördinatie) niet alleen deskundigheid op het terrein van de sociale zekerheid, maar ook op die, welke nauw samenhangen met de sociale zekerheid, zoals de arbeidsvoorziening, de arbeidsomstandigheden en de gezondheidszorg. Naast deze deskundigheid vraagt het geheel van taken en verantwoordelijkheden van het beheersingsorgaan om bestuurlijke capaciteiten in het algemeen. Met name vraagt de veelsoortige coördinatie om bestuurlijk inzicht en ervaring. In verband met het vorenstaande adviseert de projectgroep een beheersingsorgaan in te stellen, dat wordt gevormd door een college van onafhankelijke deskundige bestuurders, die fulltime werkzaam zijn. De projectgroep denkt aan een college van minimaal drie tot maximaal vijf personen, onder wie een voorzitter. Het college zal voor de uitoefening van zijn taken bijgestaan moeten worden door een secretariaat, als hoedanig in beginsel het huidige secretariaat van de SVR kan functioneren. De bezetting van het secretariaat zal -ook qua deskundigheid -zo nodig moeten worden aangepast aan de in dit hoofdstuk te bespreken taken en bevoegdheden. De uitoefening van de externe controlefunctie vereist de aanwezigheid van registeraccountants binnen het secretariaat. De betrokkenheid van het georganiseerde bedrijfsleven bij de uitvoering van de sociale zekerheid vraagt om een bemanning van het beheersingsorgaan, die geacht kan worden het vertrouwen te genieten van de sociale partners. Gezien de betekenis van het beheersingsproces ook voor anderen dan werkgevers en werknemers is bij de benoeming van bestuurders ook in-spraak wenselijk van andere sectoren van het maatschappelijk leven.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

De projectgroep is tot de conclusie gekomen dat de verschillende verantwoordelijkheden bij het beheersingsproces het beste tot uitdrukking worden gebracht, indien de benoeming der bestuurders plaatsvindt door de Kroon, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken, gehoord de SER.

Naar de mening van de projectgroep is het gewenst de bestuurders te benoemen voor bepaalde tijd bij voorbeeld zes jaren met daarbij de mogelijkheid van herbenoeming, In de benoeming voor bepaalde tijd komt tot uitdrukking de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken voor het sociale zekerheidsbeleid. In de procedures voor benoeming en herbenoeming zullen waarborgen moeten worden neergelegd voor zowel de onafhankelijkheid van de bestuurders als voor een zo groot mogelijke continuïteit van het beheersingsproces.

5.3. TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

De doelstelling van het beheersingsorgaan is onder 5.1 omschreven als het goed doen verlopen van het beheersingsproces. Uit deze doelstelling vloeien voor het beheersingsorgaan verschillende taken voort, die voor de duidelijkheid wel kunnen worden onderscheiden maar in wezen sterk met elkaar samenhangen, omdat beheersing in al zijn aspecten als één geheel moet worden opgevat. De belangrijkste taken en bevoegdheden worden hierna besproken.

5.3.1. Toezichthouder!

5.3.1.1. Toezicht op de kwaliteit en de kosten van de risicodekking Het toezicht op de kwaliteit en de kosten van de risicodekking dient zich te richten op de zorgvuldige wetstoepassing door de uitvoeringsorganen en moet een functie vervullen ten dienste van de beheersingsactiviteiten van de beleidsvormer. Zo zal dit toezicht erop gericht moeten zijn, dat het in de wetgeving vastgelegde beleid overeenkomstig de bedoeling van de wetgever wordt uitgevoerd. Hiertoe behoort onder andere het erop toezien, dat de te handhaven begrippen zoveel mogelijk op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd en toegepast. Bij het toezicht gaat het tevens om het signaleren van knelpunten, die -na signalering en advisering -de beleidsvormer zonodig tot beleidswijzigingen kunnen leiden. Het zou daarbij kunnen gaan om knelpunten ten aanzien van de voorwaarden, die voor het recht op risicodekking zijn gesteld, de mate waarin en de wijze waarop het risico is gedekt en de afbakening van de kring van rechthebbenden. Daarbij kunnen zowel de criteria zelf in het geding zijn als de wijze waarop de toepassing van deze criteria door de rechthebbenden wordt ervaren. Het toezicht moet zowel preventief als repressief van aard zijn. Het beheersingsorgaan moet erop toezien dat er zodanige informatiestromen over de uitvoering der wetten tot stand komen, dat analyses kunnen worden uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkeling van het socialezekerheidsstelsel. Daartoe behoort niet alleen een in-zicht in de ontwikkeling van de lasten van de onderscheiden verzekeringen met het oog op de inpassing van de totale socialezekerheidslasten in de ma-cro-economische ruimte, maar ook een inzicht in de oorzaken, welke aan die ontwikkelingen ten grondslag liggen. Dit laatste is immers nodig om tot verantwoorde beleidsaanpassingen te kunnen komen. De door het beheersingsorgaan al dan niet rechtstreeks ontvangen klachten kunnen aanleiding zijn om het toezicht speciaal te richten op die onderdelen van de uitvoering ten aanzien waarvan blijkens de klachten knelpunten bestaan. Bij de beheersing van het kostenaspect van de risicodekking gaat het ook om de vraag of de uitvoeringsorganen voldoende maatregelen hebben genomen om misbruik tegen te gaan en gevallen van oneigenlijk gebruik te signaleren.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

5.3.1.2. Toezicht op de kwaliteit en de kosten van de uitvoeringsorganisatie Het toezicht van het beheersingsorgaan moet zich ook uitstrekken tot de kwaliteit en de kosten van de uitvoeringsorganisatie. De kwaliteit van de uitvoeringsorganisatie is van directe invloed op de kwaliteit en de kosten van de risicodekking. In de gevallen, waarin het voor de maatschappelijke doelmatigheid noodzakelijk is, dat de uitvoering wordt gecoördineerd met de toepassing van andere instrumenten van sociaal beleid, moet het beheersingsorgaan erop toezien, dat deze coördinatie tot zijn recht komt. Indien het nodig is, dat door de beleidsvormer coördinatieregels worden gesteld, moet het beheersingsorgaan dit signaleren. De kwaliteit van de uitvoeringsorganisatie hangt mede af van de vraag of aan voorwaarden van doelgerichtheid en doelmatigheid is voldaan. Het beheersingsorgaan moet hierop toezien. Het gaat daarbij voor wat de gebruiker betreft om voorwaarden van bereikbaarheid, doorzichtigheid en de snelheid en nauwkeurigheid waarmee aanvragen worden behandeld. Het toezicht van het beheersingsorgaan op de kwaliteit en de kosten van de uitvoeringsorganisatie moet zich onder meer richten op formatienormen, arbeidsvoorwaarden, administratieve processen alsmede de middelen die daarbij worden gehanteerd (onder andere computers), huisvesting en overige materiële activa. Het toezicht moet zich uit een oogpunt van efficiency ook uitstrekken tot de onderlinge aansluiting en vergelijkbaarheid van uitvoeringsorganen. Voor de gebruiker is dat uit een oogpunt van doorzichtigheid gewenst. Voor de terugkoppeling van informatie moet informatie snel en overzichtelijk beschikbaar zijn, wat vraagt om eenheid ten aanzien van de vorm waarin gegevens worden verzameld en de mogelijkheid tot koppeling van gegevensbestanden. Het toezicht moet zo doelmatig mogelijk plaatsvinden. Waar mogelijk zal het beheersingsorgaan gebruik maken van controles die door en/of ten behoeve van de organen zelf worden verricht. Onnodige detailcontrole kan daardoor worden vermeden. Het in de huidige praktijk voorkomende administreren van aanverwante regelingen zoals pensioenregelingen en het onderbrengen van de administratie in een groter administratief apparaat, waar dergelijke regelingen worden geadministreerd, mogen geen belemmering zijn voor een effectief toezicht op de doelmatigheid van de uitvoering van de socialeverzekeringswetten. Zo nodig zal daartoe een afstemming van aan de administratie te stellen eisen tussen het beheersingsorgaan, de in te stellen Pensioenkamer en andere toezichthoudende organen moeten plaatsvinden.

5.3.1.3. Toezicht op de kwaliteit en de kosten van de financiering Het toezicht van het beheersingsorgaan moet zich ook richten op dat deel van het uitvoeringsproces dat gaat over het collecteren en beheren van de geldmiddelen. Dat betreft onder meer de registratie van premieplichtigen, premievaststelling, de premie-inning, de belegging van de gelden. De kosten van de premie-inning moeten in een juiste verhouding staan tot de te verwachten opbrengsten. Leemten in de wetgeving, waardoor de premiebetaling kan worden ontdoken moeten worden gesignaleerd. Naar de mening van de projectgroep kan in het kader van deze paragraaf niet voorbij worden gegaan aan het functioneren van de in paragraaf 3.2 bedoelde fondsen en de door de COMED daarover uitgebrachte rapporten. Bij deze fondsen kunnen de belangrijkste werkzaamheden als volgt worden samengevat: -premievaststelling (AWF, AOF, AAF); -toezichthoudende werkzaamheden (AWF, AOF, AAF); -beheren van geldmiddelen.

Met betrekking tot de premievaststelling heeft de COMED in zijn rapport Informatiestromen en Reservevorming in de sociale verzekering een aantal aanbevelingen gedaan. Aanbevolen wordt een onderscheid te maken tussen Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

calculatiepremies, bestuurspremies en feitelijke premies. Voor de landelijk uniforme premies wordt thans op administratief niveau -eventueel onder een aantal alternatieve veronderstellingen -de kostendekkende calculatiepremie berekend. Voor de besturen van de rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen (AWF, AOF en AAF) c.q. voor het bestuur van de SVB vormt dat de basis om een bestuurspremie vast te stellen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de vermogenspositie. Deze premie moet vervolgens door de Minister na advisering door de SVR worden goedgekeurd c.q. vastgesteld: de feitelijke premievaststelling. De COMED raadt aan deze beslisketen te verkorten door slechts de SVR de Minister te laten adviseren over door de administrateurs van de fondsen opgestelde calculatiepremies. Dit advies van de SVR treedt dan in feite in de plaats van de bestuurspremie. De COMED achtte de fondsbesturen c.q. de SVB in deze beslisketen een overbodige schakel, omdat de door hen vastgestelde premies de facto ook slechts het karakter van een advies hadden. De projectgroep sluit zich bij de COMED-conclusies aan. Ten aanzien van de vaststelling van de premies van de ziekengeldkassen en de wachtgeldfondsen heeft de COMED bepleit te komen tot een wijziging die kan leiden tot een meer uniforme en consistente premievaststelling. Een dergelijke uniformiteit en consistentie zou ten aanzien van de premies van de ziekengeldkassen kunnen worden bereikt door een toezicht op de wijze van premieberekening en de hantering van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Momenteel vindt slechts toetsing aan de voorschriften voor reservevorming (artikel 63 ZW) plaats. Een dergelijk toezicht zou naar de mening van de projectgroep een taak voor het beheersingsorgaan kunnen zijn. Ten aanzien van de wachtgeldpremies heeft het AWF thans een toezichthoudende functie. Het AWF kan een bedrijfsvereniging verzoeken een vastgesteld premiepercentage te wijzigen. De bedrijfsvereniging is verplicht dit verzoek op te volgen, tenzij zij zich hiermee niet kan verenigen, in welk geval beroep op de SVR mogelijk is. Naar de mening van de projectgroep zou ook hier een rechtstreeks toezicht van het beheersingsorgaan op de premievaststelling gewenst zijn. De projectgroep ziet in de door haar voorgestane structuur ook overigens geen plaats voor toezichthoudende taken van de huidige fondsen AWF, AOF en AAF. Dergelijke toezichthoudende taken behoren naar de mening van de projectgroep tot de functies van het beheersingsorgaan. Ook ten aanzien van het beheervan de landelijke fondsen heeft de COMED aanbevelingen gedaan. Voorgesteld is om te komen tot een bundeling of pooling van de fondsen. De projectgroep onderschrijft dat voorstel. Daarbij constateert de projectgroep dat een drietal fondsen (het AWF, het AOF en het AAF) door afzonderlijke rechtspersonen wordt beheerd, maar dat dit er in de praktijk op neerkomt, dat deze rechtspersonen in feite uitsluitend voor wat het bestuurlijk niveau betreft afzonderlijk optreden, terwijl de administratie voor alle drie fondsen door het secretariaat van de SVR wordt verricht. Het ligt ook in dat opzicht voor de hand het fondsbeheer voor AWF, AOF en AAF te bundelen. Het opdragen van het gebundeld beheervan alle fondsen aan het beheersingsorgaan heeft echter niet de voorkeur van de projectgroep. Het beheer van fondsen is aan te merken als een uitvoeringstaak. Het opdragen van deze taak aan het beheersingsorgaan zou een vermenging van toezichthoudende en uitvoerende taken tot gevolg hebben. Het beheersingsorgaan moet echter een onafhankelijke positie innemen ten opzichte van de uitvoering. In hoofdstuk 8 wordt op de plaats van het gebundeld fondsbeheer binnen de uitvoeringsorganisatie teruggekomen. Bij de wachtgeld" en de ziekengeldverzekeringen gaat het om een groot aantal fondsen, welke bij de bedrijfsverenigingen in beheer zijn. Deze fondsen hebben hun werkingssfeer in een bedrijfstak of een gedeelte van een bedrijfstak. Dit is tegenstelling tot het AAF, het AOF, het AWF en de door de SVB beheerde fondsen, die hun werkingssfeer uitstrekken tot alle werknemers of de gehele bevolking. Zolang er voor de wachtgeld" en ziekengeld-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

verzekering niet gekomen kan worden tot één landelijke premie, met als consequentie een landelijke verevening, is het moeilijk om deze fondsen te bundelen. De projectgroep adviseert dan ook, gegeven de bestaande situatie, het beheer van de wachtgeld-en ziekengeldfondsen voorshands niet te wijzigen. Wel moet het toezicht van het beheersingsorgaan zich ook uitstrekken tot het beheer van die fondsen en de in dat kader gedane beleggingen.

5.3.1.4. Toezicht op uitvoering van volksverzekeringen Het hiervoor in dit hoofdstuk gestelde geldt uiteraard zowel ten aanzien van de volksverzekeringen als de werknemersverzekeringen. Zoals bekend, worden de eerstgenoemde verzekeringen door SVB en Raden van Arbeid gezamenlijk uitgevoerd. In dit kader is de SVB belast met het toezicht op de Raden van Arbeid. De SVB is dus zowel uitvoeringsorgaan als toezichthoudend orgaan. Deze vermenging van taken in één orgaan schept onduidelijkheid in verhoudingen zeker als de wet duidelijker dan tot dusverre een specifiek beheersingsorgaan creëert met grote verantwoordelijkheid voor het beheersingsproces van het totale socialezekerheidsstelsel. Het toezicht houden moet worden aangemerkt als een belangrijk onderdeel van het totale beheersingsproces. Gezien een en ander zal het te creëren beheersingsorgaan naar de mening van de projectgroep ook belast moeten worden met het toezicht op de Raden van Arbeid. De consequenties hiervan voor de verhouding tussen SVB en Raden van Arbeid zullen moeten worden bezien.

5.3.1.5. Samenhang toezicht met controle externe accountants Bij de uitoefening van zijn toezicht op de hiervoor onder 5.3.1.1 t/m 5.3.1.4 aangegeven aspecten van het uitvoeringsproces kan het beheersingsorgaan gebruik maken van door anderen verrichte controles. Zo zal er ten aanzien van het financiële toezicht een verantwoorde samenwerking en afstemming van werkzaamheden met externe en interne accountants van de uitvoeringsorganen moeten plaatsvinden. Het toezicht van het beheersingsorgaan kan zich dan meer richten op het signaleren van knelpunten en het analyseren van ontwikkelingen. Dat echter onverminderd de bevoegdheid van het beheersingsorgaan tot eigen onderzoek. Ook vanuit de externe controlefunctie van het beheersingsorgaan is een dergelijke bevoegdheid noodzakelijk.

5.3.2. Coördineren

Het beheersingsorgaan zal naar de mening van de projectgroep een belangrijke taak moeten hebben als coördinerend orgaan. Deze coördinatie kan worden onderscheiden in interne coördinatie en externe coördinatie.

5.3.2.1. Interne coördinatie

Bij de interne coördinatie gaat het om de onderlinge afstemming van de uitvoering door de organen die daarmee belast zijn. Het beheersingsorgaan moet zijn coördinerende activiteiten richten op dezelfde aspecten van beheersing als onder 5.3.1 bij de toezichthoudende taak zijn beschreven. De projectgroep wil daarbij een duidelijk onderscheid maken tussen coördinatie op het punt van de wetsinterpretatie en de coördinatie van het administratieve uitvoeringsproces. Op het punt van de wetsinterpretatie (uit een oogpunt van rechtsgelijkheid dienen dezelfde begrippen zoveel mogelijk op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd) zal het beheersingsorgaan ruimte moeten laten aan de uitvoeringsorganen om op vrijwillige basis te coördineren. Dat ligt in de lijn van hun taak als uitvoerders van de socialezekerheidswetten. Aan de beroepsrechter is het oordeel gegeven over de juistheid van de wetsinterpretatie. Via jurisprudentie komt mede een coördinatie van wetsinterpretatie tot Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

stand. Slagvaardig handelen vraagt daarnaast om coördinatieregels, die de uitvoeringsorganen in onderling overleg moeten opstellen. Wel is het noodzakelijk het beheersingsorgaan vanaf het begin te betrekken bij de voorbereiding van vrijwillige coördinatieregels inzake de wetsinterpretatie door de uitvoeringsorganen. Het beheersingsorgaan kan dan immers tijdig vanuit de beheersingsoptiek inspelen op de problematiek. Indien het beheersingsorgaan van mening is, dat de op vrijwillige afspraken tussen uitvoeringsorganen berustende coördinatieregels uit een oogpunt van beheersing onvoldoende zijn dan wel dat deze onvoldoende tot stand komen, moet het dat signaleren aan de Minister van Sociale Zaken met advisering over te treffen maatregelen. Bij de coördinatie van de administratieve apparaten van de uitvoeringsorganen spelen, in tegenstelling tot de coördinatie op het punt van de wetsinterpretatie, de rechten en plichten van de verzekerden geen rol. Het gaat er daarbij om de vergelijkbaarheid en aaneensluiting van het administratieve uitvoeringsproces, dat verdeeld is over verschillende organen, te verzekeren. De projectgroep is van mening, dat op dit administratieforganisatorische terrein het beheersingsorgaan zelf in het verlengde van zijn toezichthoudende taak het initiatief moet kunnen nemen om tot coördinatieregels te komen. Het beheersingsorgaan zal dat in eerste instantie trachten te bereiken door overleg met de uitvoeringsorganen. Indien coördinatie op basis van overleg onvoldoende mogelijk blijkt, zal het beheersingsorgaan zelf over bevoegdheden moeten beschikken om coördinatieregels vast te stellen. Te denken is bij voorbeeld aan coördinatieregels inzake de administratieve systemen. Daardoor wordt een waarborg verkregen, dat de gegevens over de uitvoering tussen de organen onderling uitwisselbaar zijn en in voorterugkoppeling naar de beleidsvormer geschikte vorm beschikbaar komen.

5.3.2.2. Externe coördinatie

De externe coördinatie beoogt een goed samenspel tot stand te brengen tussen de uitvoering van de socialeverzekeringswetten en uitvoering van de regelingen op de zogenaamde belendende terreinen (gezondheidszorg, arbeidsomstandigheden (waaronder de bedrijfsveiligheid), arbeidsvoorziening, onderwijs, maatschappelijk werk, complementaire sociale voorzieningen, pensioenvoorzieningen e.d.). Het gaat ook op deze «belendende» terreinen veelal mede om het bevorderen van een zelfstandige voorziening in het bestaan of om het verbeteren of in stand houden van goede levens-en arbeidsomstandigheden. Voor de beheersbaarheid van het totale socialezekerheidsgebeuren zal meer dan voorheen aandacht moeten worden geschonken aan een goede coördinatie tussen de verschillende deelgebieden; coördinatie zowel op het niveau van de beleidsvorming als op het niveau van de beleidsuitvoering. In hoofdstuk 4 is dan ook voorgesteld de Minister van Sociale Zaken als coördinerend bewindsman te laten fungeren juist daar waar de sociale zekerheid raakvlakken heeft met andere beleidsterreinen. De projectgroep ziet voor het beheersingsorgaan een belangrijke taak weggelegd op het punt van de vorenbedoelde externe coördinatie. Op het terrein van de werkloosheidsregelingen is er een zeer nauwe samenhang (bij voorbeeld personenkring, gedekt risico) tussen de WW, de WWV en de RWW. De WWV en de RWW zijn echter geen socialeverzekeringswetten. Zij komen volledig ten laste van de overheid en worden uitgevoerd door de gemeentebesturen. Het is naar de mening van de projectgroep uit een oogpunt van beheersing dringend gewenst te komen tot integratie in elk geval van de WW en de WWV. Uit een oogpunt van beleid, uitvoering en beheersing is het wenselijk daarbij ook de RWW te betrekken. Een interdepartementele projectgroep bestudeert de mogelijkheden tot integratie van deze drie werkloosheidsregelingen. Zolang een dergelijke in-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

tegratie nog niet is verwezenlijkt, zal naar de mening van de projectgroep moeten worden gestreefd naar een optimale coördinatie bij de uitvoering van de WW, de WWV en de RWW tussen bedrijfsverenigingen, gemeenten en arbeidsbureaus. Het beheersingsorgaan moet aandacht schenken aan de externe coördinatie, overleg voeren met uitvoeringsorganen op belendende beleidsterreinen, de behoefte aan coördinatieregels signaleren en daarover adviseren aan de Minister van Sociale Zaken.

5.3.3. Adviseren

Bij deze taak valt onderscheid te maken tussen een spontane en een gevraagde advisering. De spontane advisering vloeit voort uit hetgeen bij het uitoefenen van toezicht en op basis van door de uitvoeringsorganen aan het beheersingsorgaan te verstrekken gegevens aan knelpunten is gebleken, alsmede uit de analyse van kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingen, die bij de beleidsvormer moeten worden gesignaleerd ten einde de eventueel noodzakelijke beleidsaanpassing in overweging te nemen. Zoals onder 5.3.2 is gesteld kan ook de coördinerende taak van het beheersingsorgaan leiden tot het uitbrengen van spontane adviezen, zowel aan de Minister van Sociale Zaken als aan andere Ministers. De gevraagde adviezen vloeien deels voort uit hetgeen daaromtrent in de wet als adviserende taak zal worden geregeld en bestaan uiteraard voor een deel uit ad hoc gevraagde adviezen. Het beheersingsorgaan is gezien zijn samenstelling en taak minder ge-eigend om te adviseren over sociaal-politieke aspecten van de sociale verzekeringen. Advisering over die aspecten moet geschieden door de SER.

5.3.4. Wetgeven

Deze taak van het beheersingsorgaan zal voortvloeien uit de wetgeving, waarin de basis zal liggen voor het stellen van nadere uitvoeringsregelingen met wetskracht. De structuur van het beheersingsorgaan is anders dan die van de huidige SVR. Dat heeft ook consequenties voor de wetgevende taak. Het ligt minder in de rede door het beheersingsorgaan regelen te laten stellen, waarin een nadere invulling van rechten plaatsvindt zoals bij voorbeeld in de huidige, door de SVR onder goedkeuring van de Ministervan Sociale Zaken vastgestelde dagloonregelen krachtens artikel 14, eerste en tweede lid, van de WAO. De invloed van het georganiseerde bedrijfsleven op de in-houd van die regelen zou dan onvoldoende tot haar recht komen. Naar de mening van de projectgroep moet de vaststelling van dergelijke regelen geschieden door de Minister van Sociale Zaken. Deze moet over de inhoud daarvan advies vragen aan de SER en over de technische aspecten aan het beheersingsorgaan.

5.3.5. Beslissen in geschillen Deze taak van het beheersingsorgaan moet overeenstemmen met de huidige SVR-taak als aangegeven in hoofdstuk 3, onder 3.3.2, sub e.

5.3.6. Informatie en onderzoek De doelstelling van het beheersingsorgaan brengt mee, dat het orgaan zich via continue informatiestromen en zo nodig via ad hoe-informatie (zowel kwantitatief als kwalitatief) op de hoogte moet stellen van ontwikkelingen met betrekking tot het functioneren van de socialezekerheidswetten. Het totaal van deze informatiestromen moet een goed en dus volledig beeld geven van het resultaat van het totale uitvoeringsproces. De hier aangeduide taak moet in duidelijke samenhang worden gezien met de onder 5.3.1 besproken toezichthoudende taak, waar onder andere is gesteld dat het toezicht zich uit een oogpunt van efficiency bij de noodzakelijke informatieverzameling ook Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

moet richten op de mogelijkheden tot koppeling van te gebruiken administratieve systemen. Daarbij dient uiteraard zorg te worden gedragen voor bescherming van de privacy. Het beheersingsorgaan moet de verkregen in-formatie analyseren en evalueren om te komen tot: -toetsing van de uitvoering aan de daaraan ten grondslag liggende beleidsdoelstellingen; -onderkenning van signalen die tot beleidsombuiging of beleidsaanpassing moeten leiden; -maatregelen, die kunnen voorkomen dat men een beroep moet doen op de sociale verzekeringen.

Op het terrein van de sociale zekerheid is nog weinig gedaan aan beleidsrelevant onderzoek. Onderzoek naar oorzaken van het beroep op sociale voorzieningen en naar effecten van sociale zekerheid zijn echter onmisbaar, ook voor de beheersing. Verschillende onderzoekmethodes zullen moeten worden toegepast, zoals kostenbatenstudies, simulatiestudies die met behulp van de computer worden uitgevoerd, doeleindenanalyses, het gebruik van surveys en het opstellen van sociale indicatoren. In de eerste plaats is echter nodig het beschikbaar komen van relevante statistische gegevens. In SER-verband is de COMED bezig met de studie in-zake verbetering van de kwantitatieve informatiestromen ten behoeve van een verantwoorde vaststelling en prognose van socialeverzekeringspremies. De commissie heeft inmiddels drie deelrapporten uitgebracht. Zij acht het noodzakelijk, dat bij de premieramingen wordt uitgegaan van consistente veronderstellingen. Verder moeten de informatiestromen een continu karakter hebben. Een verkleining van de onzekerheidsmarges zal volgens de commissie kunnen worden bereikt door een versnelling van de informatiestromen. De projectgroep is van oordeel, dat er voor het beheersingsorgaan ook een taak is bij het doen verrichten van onderzoeken; dit in nauwe samenwerking met de beleidsvormer en de beleidsuitvoerders. In dit verband is van belang te wijzen op de op 6 oktober 1977 door de Staatssecretaris van Sociale Zaken geïnstalleerde «Commissie tot advisering en coördinatie van onderzoek op het terrein van de sociale zekerheid». In deze commissie hebben zitting vertegenwoordigers van: het Departement van Sociale Zaken, het georganiseerde bedrijfsleven, de SVR, de uitvoeringsorganen, alsmede enkele externe deskundigen. Een inventarisatienota van reeds uitgevoerd en gewenst onderzoek is in voorbereiding.

5.4. BEVOEGDHEDEN, SANCTIES EN VERHOUDINGEN TOT DE UITVOE RINGSORGANEN De aan het beheersingsorgaan toe te kennen bevoegdheden moeten zodanig zijn, dat dit orgaan zijn taak om het beheersingsproces goed te doen verlopen optimaal kan vervullen. Deze bevoegdheden moeten niet alleen gericht zijn op de hiervoor onder 5.3 beschreven deeltaken, maar moeten het primair mogelijk maken, dat het beheersingsorgaan zijn totale beheersingsfunctie goed kan uitoefenen. De bevoegdheden van het beheersingsorgaan vinden hun keerzijde in de verplichtingen van de uitvoeringsorganen, waarmede impliciet de verhouding tussen die twee niveaus is aangegeven. Deze verhouding moet worden beheerst door de gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid voor het goede verloop van het beheersingsproces. De eerste bevoegdheid, die het beheersingsorgaan moet hebben, is de bevoegdheid van de uitvoeringsorganen alle informatie over het uitvoeringsproces te verlangen, die dat orgaan naar zijn oordeel voor een goede uitvoering van zijn taak nodig acht. Deze ruim geformuleerde bevoegdheid vraagt uiteraard om een zekere precisering. Hierbij kan hulp worden geboden door de onder 5.3 omschreven taken. De gevraagde informatie met het oog op de toezichthoudende taak moet bij voorbeeld gericht zijn op de beheersingsaspecten, die bij dat toezicht aan de orde komen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Het toezicht moet onder andere het beheersingsorgaan in staat stellen zich een oordeel te vormen over de zorgvuldigheid van de wetstoepassing met het oog op beheersing van de kwaliteit en de kosten van de risicodekking. Hetzelfde verband tussen deze bevoegdheid en de toezichthoudende taak is er ten aanzien van de aspecten kwaliteit en kosten van uitvoering en van de financiering. De gevraagde informatie dient er tevens toe dat het beheersingsorgaan zijn terugkoppelingsfunctie naar de beleidsvormer kan vervullen. Het beheersingsorgaan moet door adequate informatie in staat zijn zich een oordeel te vormen over het uitvoeringsbeleid. Gezien de consequenties van bestuursbeslissingen voor dat beleid moet het beheersingsorgaan de bevoegdheid hebben van de uitvoeringsorganen te verlangen, dat zij het voornemen tot het nemen van belangrijke bestuursbeslissingen tijdig aan dat orgaan ter kennis brengen. De bevoegdheid tot het verlangen van informatie is tevens noodzakelijk voor de taak van het beheersingsorgaan inzake de informatieverzameling over de uitvoering van de delen van het sociale zekerheidstelsel ten einde aan de beleidsvormer een duidelijk en volledig beeld van het totale uitvoeringsproces te kunnen geven. Een tweede bevoegdheid dient te zijn het voorschrijven van coördinatieregels (behoudens die op het terrein van wetsinterpretatie), indien die coördinatie niet op basis van overleg met de uitvoeringsorganen is te realiseren, waardoor de maatschappelijke doelmatigheid van het stelsel niet tot zijn recht komt (zie 5.3.2.1). Uit de beheersingstaak vloeit naar de mening van de projectgroep voort, dat het beheersingsorgaan in laatste instantie ook de bevoegdheid moet hebben om aanwijzingen te geven aan een uitvoeringsorgaan met betrekking tot de uitoefening van diens taken. Deze bevoegdheid moet zich naar de mening van de projectgroep echter niet uitstrekken tot de interpretatie van wettelijke begrippen, aangezien deze taak aan de uitvoeringsorganen toekomt. De beroepsrechter is het oordeel gegeven over de juistheid van de wetsinterpretatie. Dit laat uiteraard onverlet de signalerende taak van het beheersingsorgaan aan de Minister van Sociale Zaken, indien de interpretatie van de wettelijke begrippen naar haar oordeel een goede beheersing in de weg staat. Aanwijzingen en coördinatieregels van het beheersingsorgaan zullen uiteraard door de uitvoeringsorganen moeten worden opgevolgd. Met de mogelijkheid van verschil van opvatting tussen het beheersingsorgaan en een uitvoeringsorgaan over de inhoud van een aanwijzing of coördinatieregel moet rekening worden gehouden. In zo'n geval moet het uitvoeringsorgaan naar de mening van de projectgroep het recht hebben om bij de Minister van Sociale Zaken in beroep te komen tegen de aanwijzing of coördinatieregel. Het uitvoeringsorgaan is echter gebonden aan zo'n aanwijzing of coördinatieregel zolang de Minister niet anders beslist. Voor het geval een uitvoeringsorgaan niet voldoet aan de plicht tot informatieverstrekking of een aanwijzing of voorschrift van het beheersingsorgaan ook na definitieve beslissing van de Minister niet opvolgt, zal naar de mening van de projectgroep in de wet de mogelijkheid moeten worden geboden om de medewerking van dat orgaan alsnog te kunnen afdwingen. Aan de huidige bevoegdheid van de SVR om besluiten van uitvoeringsorganen ter schorsing of vernietiging voor te dragen aan de Minister van Sociale Zaken is geen behoefte, indien het beheersingsorgaan het vorenbedoelde aanwijzingsrecht krijgt (zie in dit verband bijlage 5).

5.5. VERHOUDING TOT BELEIDSVORMER Het ligt in de rede de parlementaire verantwoordelijkheid voor het beheersingsorgaan te doen berusten bij de Minister van Sociale Zaken. Er zal een functionele band moeten bestaan tussen het beheersingsorgaan als door de projectgroep wordt beoogd en de Minister van Sociale Zaken. Deze band Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

moet voor de genoemde bewindsman de mogelijkheid scheppen om zijn politieke verantwoordelijkheid voor beleid, uitvoering en beheersing te dragen. Hierbij denkt de projectgroep aan het opnemen in de wet van bepalingen met de volgende strekking: 1. Het beheersingsorgaan is verantwoordelijk aan de Minister. Het beheersingsorgaan zal gehouden zijn de besluiten die het neemt ter kennis van de Minister te brengen. Dat volgens de door de Minister te stellen regelen en behoudens de daarbij bepaalde uitzonderingen. 2. In de wet wordt aangegeven welke besluiten van het beheersingsorgaan de voorafgaande goedkeuring van de Minister behoeven. 3. De Minister is bevoegd het beheersingsorgaan aanwijzingen te geven met betrekking tot de uitoefening van diens taken. Indien het beheersingsorgaan het niet eens is met de aanwijzing moet het de aanwijzing niettemin uitvoeren. Het beheersingsorgaan zal bij de Kroon in beroep kunnen komen tegen de aanwijzing. Het beheersingsorgaan is echter aan de aanwijzing gebonden totdat de Kroon anders beslist. Bij een aldus geregeld aanwijzingsrecht is er geen behoefte aan een regeling inzake schorsing of vernietiging van besluiten van het beheersingsorgaan door de Kroon (verwezen moge worden naar bijlage 5). Ten aanzien van enkele (onderdelen van) taken zou het geven van aanwijzingen door de Minister niet in overeenstemming zijn met de positie van het beheersingsorgaan als onafhankelijk orgaan. In dit kader kan men denken aan de wijze waarop het beheersingsorgaan de externe controlefunctie ten opzichte van de uitvoeringsorganen vervult, alsmede aan de taak van het beheersingsorgaan om te beslissen in bepaalde geschillen. Het aanwijzingsrecht moet dan ook geen betrekking hebben op dergelijke taken. 4. Het tijdig uitbrengen van jaarverslagen aan de Minister en het parlement. De verslagen worden algemeen (voor een ieder tegen kostprijs) verkrijgbaar gesteld. In de verslagen moet het beheersingsorgaan vanuit zijn controlerende functie onder meer vermelden voor welke jaarrekeningen van de onder zijn toezicht vallende organen en van de door deze organen beheerde fondsen een afkeurende accountantsverklaring dan wel een goedkeurende verklaring met voorbehoud is gegeven. Het beheersingsorgaan zal in de verslagen ook moeten opnemen de daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende opmerkingen, die de openbare accountants bij hun verklaring hebben geplaatst of doen plaatsen.

5.6 VERHOUDING TOT ALGEMENE REKENKAMER De projectgroep heeft bij de voorbereiding van dit rapport ook ruime aandacht geschonken aan de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal tijdens de behandeling van de ontwerp-Comptabiliteitswet op 25 mei 1976 met algemene stemmen aanvaarde motie van de heer Van Amelsvoort c.s. (zitting 1975-1976, nr. 13037, stuk nr. 21). In die motie wordt de Regering uitgenodigd, «Te onderzoeken hoe krachtens een algemene regeling een onafhankelijke controle op ontvangsten en uitgaven van publieke aard effectief kan worden gewaarborgd».

Aan de mondelinge toelichting op de motie wordt het volgende ontleend: «Mijn gedachten gaan uit naar niet een regeling op telkens verschillende basis, telkens ad hoc, maar een algemene. Het tweede element is dat van de onafhankelijkheid van de controle, die gewaarborgd is door de wijze waarop de Rekenkamer thans haar werkzaamheden uitoefent en zal uitoefenen op grond van de nieuwe Comptabiliteitswet. Ik wil in het midden laten of de Rekenkamer, zoals wij die nu kennen de meest aangewezen instantie is voor de ruimere controle, die ik op het oog heb. Ik wil alleen vooropstellen dat de controle vergelijkbaar moet zijn met die, welke de Rekenkamer op het ogenblik verricht qua onafhankelijkheid en qua publiciteit. Het derde element Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

wordt gevormd door de ontvangsten en uitgaven van publieke aard. Ik heb met de woorden «uitgaven van publieke aard» aansluiting gezocht bij de terminologie, die de commissie-Simons heeft gebruikt en die zij ook heeft uitgewerkt»16. Bij de behandeling van de ontwerp-Comptabiliteitswet in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is de motie vervolgens krachtig onderstreept. Uit de parlementaire discussie is gebleken, dat bij de motie ook werd gedacht aan de uitvoeringsorganen op het terrein van de sociale verzekering. De Algemene Rekenkamer heeft thans geen taak ten aanzien van deze organen. De motie heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën aanleiding gegeven een wettelijke regeling voor te bereiden. Uit het desbetreffende voorontwerp van wet en de daarbij behorende memorie van toelichting blijkt, dat genoemde bewindsman de Algemene Rekenkamer zou willen belasten met een toezicht bij wijze van supervisie op alle publiekrechtelijke rechtspersonen (excl. de gemeenten, de provincies, de openbare lichamen Rijnmond, Zuidelijke IJsselmeerpolders en Agglomeratie Eindhoven, de Nederlandse Orde van Advocaten en de Orde Nederlands Instituut van Registeraccountants) alsmede op enkele met name te vermelden privaatrechtelijke rechtspersonen, waarvan de taak een publiekrechtelijk karakter heeft en die in belangrijke mate worden gefinancierd uit publieke heffingen (onder meer de ziekenfondsen). Op deze wijze zou volgens die bewindsman een algemene regeling tot stand komen, zoals in de motie is bepleit. De keuze voor de Algemene Rekenkamer berust blijkens de memorie van toelichting in het bijzonder op de onafhankelijkheid van het college, op de grote ervaring op het terrein van de overheidscontrole en op de omstandigheid dat de Rekenkamer bij een groot aantal lichamen die onder de nieuwe regeling zouden vallen reeds controle uitoefent. Het voorontwerp is in november 1977 voorgelegd aan de meest betrokken Ministers, waaronder die van Sociale Zaken. Deze heeft de projectgroep verzocht het voorontwerp te betrekken bij de studie inzake de organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid. In dit kader moge het volgende worden opgemerkt. De projectgroep wil er allereerst duidelijk de aandacht op vestigen, dat de motie-Van Amelsvoort en het voornoemde voorontwerp van wet publiekrechtelijke organen een veel ruimer terrein bestrijken dan in dit interim-rapport wordt behandeld. De projectgroep heeft over een en ander dan ook alleen haar oordeel gegeven, voor zover er sprake zou zijn van een eventuele controlerende taak voor de Algemene Rekenkamer ten aanzien van dezelfde organen, waarop het beheersingsorgaan toezicht zal uitoefenen. Daarnaast heeft de projectgroep bezien of er wellicht reden is de Algemene Rekenkamer een controlerende taak te verlenen ten aanzien van het beheersingsorgaan zelf. De in deel I van het interim-rapport gedane voorstellen houden, in vergelijking met de huidige situatie, talrijke verbeteringen in om te komen tot een betere structuur van het toezicht op de uitvoeringsorganen op het terrein van de sociale verzekeringen. Gewezen kan worden op de volgende punten: -het toezicht komt te berusten bij één orgaan, namelijk het beheersingsorgaan (thans hebben zowel de SVR, de SVB, het AWF, het AOF en het AAF toezichthoudende taken); -het beheersingsorgaan heeft een onafhankelijke positie ten opzichte van de uitvoeringsorganen (het georganiseerde bedrijfsleven is thans vertegenwoordigd zowel in de SVR als in de uitvoeringsorganen: in het beheersingsorgaan zal het georganiseerde bedrijfsleven niet vertegenwoordigd zijn); -het beheersingsorgaan neemt voor wat betreft de wijze waarop het de externe controlefunctie uitoefent een onafhankelijke positie in ten opzichte van de Minister van Sociale Zaken (de Minister is niet bevoegd op dit punt aanwijzingen te geven aan het beheersingsorgaan); « Handelingen Tweede Kamer van 5 mei " net beheersingsorgaan zal met zodanige instrumenten worden toege-1976, biz. 4296, rechterkolom.

rust dat het zijn taken (waaronder de externe controle) goed kan vervullen;

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

-de verschillende fondsen -voorshands met uitzondering van de zieken-geld-en wachtgeldfondsen -zullen worden geconcentreerd bij één orgaan (niet bij het beheersingsorgaan); -het beheersingsorgaan zal zijn jaarverslagen niet alleen aan de Minister van Sociale Zaken maar ook aan het parlement uitbrengen; de verslagen zullen algemeen (voor een ieder tegen kostprijs) verkrijgbaar zijn.

Het geheel van voorstellen houdt naar de mening van de projectgroep waarborgen in, dat de controle van het bij de wet in te stellen beheersingsor gaan zal voldoen aan hoge eisen van deskundigheid, onafhankelijkheid en publiciteit. De controle op de ontvangsten en uitgaven van de uitvoeringsorganen is dan als volgt: -de interne controle binnen het uitvoeringsorgaan zelf; -de externe controle van de jaarrekening door een registeraccountant, die uitsluitend of in hoofdzaak in de openbare praktijkuitoefening werkzaam is; -de controle van het uitvoeringsorgaan door het onafhankelijke beheersingsorgaan (eveneens door een registersaccountant).

Het daarnaast verlenen van controletaken aan de Algemene Rekenkamer ten aanzien van die uitvoeringsorganen, zoals in het eerderbedoelde voorontwerp van wet is voorgesteld, lijkt naar de mening van de projectgroep dan ook niet noodzakelijk en zou tot doublures leiden. Dat zou veel minder gelden, indien de Algemene Rekenkamer een controlerende taak zou worden verleend ten aanzien van uitsluitend het beheersingsorgaan. Een dergelijke taak zou echter, ter voorkoming van doublures, niet tot gevolg moeten hebben een bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer tot het zelfstandig instellen van onderzoeken bij de uitvoeringsorganen. De parlementaire controle ten aanzien van rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van de sociale zekerheid wordt langs die weg volledig mogelijk gemaakt.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Deel II. Functie-analyse en

schets van een

toekomstige

uitvoeringsorganisatie

Tweede Kamerzitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Hoofdstuk 6. Algemeen

Het uitvoeringsproces van de sociale zekerheid is in het eerste deel van dit interim-rapport vooral bezien vanuit de toenemende behoefte aan een grotere voorspelbaarheid en beheersbaarheid. Die behoefte houdt nauw verband met de groeiende macro-economische betekenis van de sociale zekerheid en de vervlechting van het socialezekerheidsbeleid met het algemene sociale en sociaal-economische beleid. Dat vraagt mede om een nieuwe plaatsbepaling van de centrale overheid vanwege haar verantwoordelijkheid voor het totale beleid. Wijzigingen in de bestaande uitvoeringsorganisatie zijn met name daar voorgesteld, waar dit uit een oogpunt van beheersing wenselijk of noodzakelijk is. Vanuit een stapsgewijze benadering is daarbij in het bijzonder ingegaan op de doelstelling, de taken en de bevoegdheden van het beheersingsorgaan. Beheersing vraagt echter om een integrale visie op het totale proces van beleidsvorming en uitvoering. Het vorm geven aan het beheersingsorgaan kan dan ook niet los worden gezien van de gehele toekomstige uitvoeringsorganisatie. Reeds in deze eerste fase is daarom een schets van de hoofdlijnen van de toekomstige structuur onmisbaar. Een dergelijke structuurschets opent tevens de mogelijkheid nog eens te onderstrepen dat de beheersbaarheid past in een ruimer perspectief. De doorzichtigheid van het uitvoeringsproces en de bereikbaarheid van de uitvoeringsorganen voor de gebruikers vragen daarbij bijzondere aandacht. Een goede en gecoördineerde uitvoering van de socialezekerheidsregelingen moet vooral ook in samenhang met andere instrumenten van sociaal beleid een bijdrage leveren tot de verbetering van de maatschappelijke doelmatigheid van het stelsel. Daarbij loopt het persoonlijke belang van de uitkeringsgerechtigden parallel met een betere beheersing van de sociale zekerheid. Slechts een gecoördineerde, op de individuele omstandigheden en problemen van de uitkeringsgerechtigden afgestemde begeleiding kan waarmaken, dat de sociale zekerheid meer biedt dan een inkomensgarantie alleen. Tot de doelstellingen van de sociale zekerheid behoort immers mede het waarborgen van mogelijkheden tot individuele ontplooiing en tot deelneming aan het maatschappelijk leven. In die hoedanigheid is het socialezekerheidsbeleid tevens instrument van algemene sociale politiek, zoals die mede vorm krijgt in onder andere het revalidatiebeleid, het gezondheidszorgbeleid, het arbeidsomstandighedenbeleid, het arbeidsvoorzieningsbeleid en het welzijnsbeleid.

Gegeven die wederzijdse complementaire relatie is het een eis dat de oorzaken, die leiden tot het doen van een beroep op sociale zekerheid, in een zo vroeg mogelijk stadium, vanuit de verschillende terreinen, worden onderkend. Tevens dient er een wederzijds inzicht te bestaan in de onderscheiden instrumenten en deskundigheden, die op ieder van de genoemde terreinen ten dienste staan, zodat in onderlinge samenwerking de effectiviteit van beleid en uitvoering kan worden vergroot. Dat maakt het mogelijk de nadruk bij het hanteren van instrumenten afhankelijk van de omstandigheden desgewenst te verleggen van het ene naar het andere beleidsterrein. Deze «verspringende aandacht» is voor een gecoördineerde begeleiding van groot belang. Zo'n aanpak is echter slechts mogelijk, indien de coördinatie tussen beleidsterreinen niet alleen op centraal niveau plaatsvindt, maar juist bij de behandeling van individuele gevallen naar voren wordt gehaald. De mogelijkheden daartoe worden vergroot bij een decentralisatie van de gevalsbehandeling, overigens in aansluiting op het denken over bestuurlijke decentralisatie in het algemeen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Deze wijze van benaderen past tevens in een maatschappelijke ontwikkeling, waarin de aandacht voor het volumebeleid zowel binnen de sociale zekerheid als vanuit andere beleidsterreinen een steeds centraler plaats krijgt. Structurele factoren leiden ertoe, dat ook voor de middellange termijn met een relatief groot aantal inactieven moet worden gerekend. In het verleden concentreerde de aandacht van de Regering en de sociale partners met betrekking tot sociale zekerheid zich op het opbouwen en zo goed mogelijk toepassen van een stelsel van inkomensgaranties, dat de periode van tijdelijk niet werken als gevolg van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid overbrugde. Thans moet het beleid -behalve op het uitbreiden van het aantal arbeidsplaatsen -c.q. een herverdeling daarvan -vooral gericht zijn op een zo volledig mogelijke bezetting van de beschikbare arbeidsplaatsen. Dat vraagt om een gecoördineerde instrumentele aanpak en een andere uitvoeringsorganisatie dan in het verleden is gegroeid. Verheugend is dat ook bij werknemers-en werkgeversorganisaties de aandacht voor het volumebeleid versterkt naar voren komt. Niet onbelangrijk is echter de vraag hoe die verschuiving in aandacht van het «uitkeringen»-beleid naar het volumebeleid kan worden vertaald in de structuur van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid, de coördinatie daarvan met de uitvoering op andere beleidsterreinen en de inbreng van de sociale partners daarin. In dit tweede deel van het interim-rapport zal worden nagegaan op welke wijze een betere beheersing, een gecoördineerde, individugerichte benadering van uitkeringsgerechtigden en het toegenomen gewicht van het volumebeleid'm de gehele uitvoering gestalte kan krijgen. Allereerst zullen daartoe de functies die in het uitvoeringsproces zijn te onderscheiden worden besproken. Daarbij wordt uitgegaan van de in het alternatievenrapport van Berenschot en Bosboom en Hegener gemaakte opdeling in de collecterende functie, de distribuerende functie, de informerende functie en de begeleidende functie. De projectgroep heeft nagegaan hoe de verschillende functies door de huidige uitvoeringsorganisatie worden verricht, vooral ook vanuit het oogpunt van beheersing, individugerichte benadering en volumebeleid. Onderzocht is welke mogelijkheden er zijn om door aanpassing in de bestaande uitvoeringsorganisatie deze aspecten beter tot hun recht te laten komen. Een aantal knelpunten die zich daarbij voordoen zal worden geschetst. Daarbij wordt aandacht geschonken aan de organisatie van de uitvoering op verwante beleidsterreinen en met name aan de vraag hoe in aansluiting daarop de coördinatie met de uitvoering van de sociale zekerheid gestalte kan krijgen. De gekozen uitgangspunten voor aanpassingen in de uitvoeringsorganisatie zullen ertoe bijdragen dat het meer uitvoerig beschreven beheersingsorgaan qua doelstelling, taken en functie in deze toekomstige structuur past. Bij het ontwerpen van de structuurschets is ernaar gestreefd ideeën, die van andere zijde ten aanzien van de toekomstige uitvoeringsorganisatie zijn en worden uitgewerkt, in de gedachtenontwikkeling te betrekken. De SER laat thans de organisatiebureaus Berenschot en Bosboom en Hegener een vervolgonderzoek op het alternatievenrapport verrichten. De door de organisatiebureaus in hun tussentijdse rapportage gehanteerde uitgangspunten liggen goeddeels in het verlengde van die van de projectgroep. Bij de uitwerking daarvan zijn de organisatiebureaus echter gebonden aan een aantal randvoorwaarden die ten dele niet voor de projectgroep gelden. De SER-commissie Sociale Verzekeringen zal eerst na afronding van het gehele vervolgonderzoek een oordeel geven over de conclusie van de organisatiebureaus. Vanuit een wat andere invalshoek zal ook de Externe Commissie van Deskundigen (COMED) die aan de SER rapporteert over «informatiestromen en reservevorming van de sociale verzekering» in haar vierde deelrapport een aantal organisatorische aspecten aan de orde stellen. Op het belang van een Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

goede organisatie van de kwantitatieve en kwalitatieve informatiestromen over het uitvoeringsgebeuren heeft de COMED in haar eerste twee deelrapporten reeds gewezen. Met name de terugkoppelingsfunctie in het beheersingsproces van het uitvoeringsniveau naar het niveau van de beleidsvorming vraagt om continue informatie. In haar derde deelrapport heeft de CO-MED gewezen op de mogelijkheden tot en de voordelen van een bundeling van de reservevorming. Maatschappelijke ontwikkelingen vragen om aanpassingen in de bestaan-de structuur, waardoor een betere beheersing, een meer individugerichte benadering en een versterkte aandacht voor het volumebeleid mogelijk wordt. Het eerste deel van dit interim-rapport richtte zich vooral op het aspect van de beheersing van de sociale zekerheid. Ten aanzien van doelstelling, taken en bevoegdheden van het beheersingsorgaan zijn concrete voorstellen gedaan. Dit tweede deel heeft een duidelijk ander, meer verkennend karakter. Op grond van een functie-analyse van de gehele uitvoering wordt een ruwe schets gegeven van de richting waarin de uitvoeringsorganisatie zich moet ontwikkelen om gelet op de te vervullen functies een uitvoeringsoptimum te bereiken. Alternatieve concepties voor de toekomstige uitvoeringsstructuur en voor het veranderingsproces dat noodzakelijk is zullen worden geschetst. De keuze daaruit en de uitwerking tot meer concrete uitvoeringsmodellen zullen in een brede maatschappelijke discussie moeten groeien. De projectgroep heeft bewust getracht door haar wijze van presentatie daarvoor ruimte te bieden. De bereidheid van alle betrokkenen om los van bestaande bevoegdheden en posities gezamenlijk te zoeken naar een voor de toekomst optimale structuur moet immers voorop staan. Een discussie is echter slechts zinvol indien de voornaamste uitgangspunten en problemen duidelijk zijn geformuleerd. Dit tweede deel poogt daartoe een aanzet te geven.

Tweede Kamerzitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Hoofdstuk 7. Analyse van de functies

in het uitvoeringsproces

7.1. DE ONDERSCHEIDEN FUNCTIES In het alternatievenrapport worden de volgende functies in het uitvoeringsproces onderscheiden: -de collecterende functie: vergaring van middelen; -de distribuerende functie: toekenning van rechten en betaalbaarstelling van de uitkeringen; -de informerende functie: verzamelen en verspreiden van informatie bij en ten behoeve van gebruikers; -de begeleidende functie: door middel van preventieve of curatieve benadering van personen sociale risico's voorkomen of beperken.

De collecterende functie is het duidelijkst als een afgescheiden taak te zien. Voor de overige drie geldt dat minder. In de huidige maatschappelijke visie op sociale zekerheid moeten zeker de distribuerende en de begeleiden-de functie in onderlinge samenhang worden vervuld. In het vervolg van dit hoofdstuk zullen ze daarom gezamenlijk worden behandeld. De informerende functie draagt enerzijds bij tot een goede vervulling van de overige taken binnen het uitvoeringsproces en is er anderzijds op gericht een terugkoppeling van het niveau van de uitvoering naar dat van de beleidsvorming mogelijk te maken. Beide aspecten zullen afzonderlijk worden besproken.

7.2. DE COLLECTERENDE FUNCTIE

De financiering van de sociale verzekeringen geschiedt door middel van premieheffing, al dan niet aangevuld met rijksbijdragen. De complementaire werkloosheidsvoorzieningen (WWV en RWW) worden gefinancierd uit de algemene middelen. Slechts bij gehele of gedeeltelijke financiering uit premieheffing (sociale verzekeringen) behoort de collecterende functie geheel of gedeeltelijk tot de taken van de uitvoeringsorganen van sociale zekerheid. Voor een groot deel bestaat de collecterende functie uit een administratieforganisatorisch proces: -registratie van premieplichtigen; -vaststelling premiebedragen; -premie-inning; -controle.

Er zijn echter ook enkele subfuncties met duidelijk bestuurlijke aspecten: -de vaststelling van de verzekeringsplicht; -de vaststelling van de premieplichtige loonsommen; -de vaststelling van premiepercentages.

Bij de volksverzekeringen en kinderbijslagverzekeringen (AOW, AWW, AKW, KWL, AAW, AWBZ) is de Rijksbelastingdienst belast met de vaststelling van de verzekeringsplicht, de vaststelling van de premieplichtige inkomens en de administratieforganisatorische uitvoering van de collecterende functie.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Bij de overige verzekeringen (ZW, WW, WAO en verplichte ziekenfondsverzekering'7 worden deze subfuncties uitgeoefend door de bedrijfsverenigingen. De vraag rijst of deze gescheiden uitoefening van de collecterende functie door belastingdienst en bedrijfsverenigingen, zoals die in het verleden is gegroeid, uit een oogpunt van doelmatigheid en beheersbaarheid de meest gewenste is. Een geïntegreerde inning van alle premies en de loon-en inkomstenbelastingen lijkt voor de hand te liggen. Toch zijn er naar het oordeel van de projectgroep -ook uit een oogpunt van doelmatigheid en beheersbaarheid -een aantal argumenten, die er voor pleiten om de huidige situatie vooralsnog te handhaven. Een zo goed mogelijke vaststelling van de verzekeringsplicht en van het premieplichtig inkomen is van groot belang en wel in twee opzichten. In de eerste plaats om het ontwijken of ontduiken van premiebetaling (zwart circuit) te beperken. De bedrijfsverenigingen, of de instellingen waaraan de bedrijfsverenigingen hun administratie hebben opgedragen, bezitten een grote specifieke kennis van de eigen bedrijfstak. Die kennis is vaak mede ontstaan doordat de betrokken instellingen ook (zich uitbreidende) taken op neventerreinen binnen de betrokken bedrijfstak vervullen (pensioenvoorzieningen, vakantiebonnen etc). Inbedding van de premieheffing sociale verzekeringen in een totaal van bedrijfstakactiviteiten leidt met name in sommige sectoren tot een zekere indirecte, sociale controle op premiebetaling door werkgevers binnen de bedrijfstak. Er wordt bovendien wel op gewezen dat een doelmatige vervulling van taken op neventerreinen slechts mogelijk is indien een koppeling met de uitvoering van de sociale zekerheid blijft bestaan. De projectgroep richt in deze paragraaf haar analyse echter in de eerste plaats op de functies binnen de sociale zekerheid. In paragraaf 7.8 wordt op de uitvoering door de bedrijfsverenigingen van taken op neventerreinen nader ingegaan. Een tweede, niet onbelangrijk punt is dat er bij de werknemersverzekeringen tegen inkomensderving (ZW, WW, WAO) een nauwe relatie bestaat tussen de verzekeringsplicht en de hoogte van het premieplichtig inkomen enerzijds (collecterende functie) en het recht op en de hoogte van de uitkering anderzijds (distribuerende functie). Bij kortlopende uitkeringen (ZW, WW) wordt in de uitvoeringspraktijk het uitkeringsdagloon zelfs in een groot aantal gevallen zonder meer gelijkgesteld aan het premiedagloon.

Een belemmering om te komen tot een geïntegreerde heffing van alle premies door de Rijksbelastingdienst ligt mede in het feit dat de premiepercentages van de ZW/wachtgeldverzekering naar bedrijfsverenigingen -en daarbinnen nog naar risicogroepen -zijn gedifferentieerd. Het toepassen daar-van zou voor de Rijksbelastingdienst een extra taakverzwaring inhouden.

17 De premie-inning voor de bejaardenverzekering, de vrijwillige verzekering en de aanvullende verzekering in het kader van de ZFW geschiedt rechtstreeks door de ziekenfondsen.

Het bovenstaande sluit niet uit dat de doelmatigheid van een gescheiden premie-inning op langere termijn opnieuw in discussie kan komen. Er valt in het denken over sociale zekerheid immers een duidelijke ontwikkeling te constateren. Naarmate het uitvallen uit het arbeidsproces meer door algemeen maatschappelijke dan door bedrijfstaksgebonden factoren wordt veroorzaakt, bestaat er minder aanleiding de differentiatie in premiepercentages tussen bedrijfstakken te handhaven. In deel I, paragraaf 3.4.3 is echter reeds gesteld, dat over het afschaffen dan wel uitbreiden van naar bedrijfstak gedifferentieerde premiepercentages door werknemers en werkgevers verschillend wordt gedacht. Daarnaast zou de relatie tussen premieniveau en uitkeringsniveau minder stringent kunnen worden door ook de uitkeringsduur erbij te betrekken. De voor-en nadelen van een met de belastingheffing geïntegreerde heffing van alle premies dienen dan opnieuw te worden afgewogen. Ten slotte wijst de projectgroep op de studie die thans door een werkgroep van de Stuurgroep Beleidsvorming Nietactieven naar de financiering van de sociale zekerheid wordt verricht. De uitkomst van die studie zou ook consequenties kunnen hebben voor het systeem van premieheffing. Op één aspect van de collecterende functie is in het bovenstaande vrijwel nog niet ingegaan: de vaststelling van de premiepercentages. Daaraan zijn Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

niet alleen uitvoeringsaspecten (dekkende financiering), maar ook beleidsaspecten op macroniveau verbonden. Om die reden is er reeds in hoofdstuk 5 aandacht aan geschonken. Uitgangspunt is geweest de suggestie van de COMED om bij de vaststelling van de premiepercentages drie fasen te onderscheiden: de calculatiepremie, de bestuurspremie en de feitelijke premie. Het berekenen van de (kostendekkende) calculatiepremie -eventueel onder een aantal altematieve veronderstellingen -is een betrekkelijk rekentechnische zaak. De vaststelling van de bestuurspremie en de feitelijke premie berust mede op beleidsoverwegingen. Naar het oordeel van de projectgroep zou het beheersingsorgaan vanuit zijn adviserende functie belast moeten zijn met het geven van een premie-adviesaan de Ministervergelijkbaar met wat de COMED bestuurspremie noemt -voor verzekeringen meteen landelijk uniforme premie, rekening houdend met beleidsoverwegingen op uitvoeringsniveau. De vaststelling van de feitelijke premie zou dienen te geschieden door de Minister, waarbij beleidsoverwegingen op macroniveau mede een rol kunnen spelen. De ZW en wachtgeldverzekering kennen, zoals gezegd, een per bedrijfsvereniging c.q. risicogroep gedifferentieerde premie. Daar zou de bestuurspremie door de bedrijfsverenigingen kunnen worden vastgesteld. Het beheersingsorgaan zou daarbij toezicht kunnen houden op de wijze van premieberekening en de hantering van de daaraan ten grondslag liggende gegevens (zie hoofdstuk 5.3.1.3).

7.3. DE DISTRIBUERENDE EN BEGELEIDENDE FUNCTIE (algemeen)

In het alternatievenrapport zijn met betrekking tot de distribuerende funcf/ede volgende subfuncties onderkend: -de registratie van verzekerden; -het vaststellen van de rechten op risicodekking; -het vaststellen van de hoogte van de risicodekking; -de registratie van rechthebbenden en uitkeringen; -het uitbetalen van de risicodekking; -het beheer van fondsen ten behoeve van de risicodekking; -de interne controle op het administratief proces.

De kern van de distribuerende functie wordt uit een oogpunt van beheersing en individugerichte benadering gevormd door de tweede en de derde subfunctie: het vaststellen van het recht op en de hoogte van de dekking. Bij de overige subfuncties is de beheersing veel indirecter, omdat daar minder raakvlakken zijn met de volumebepalende factoren en het uitkeringsniveau. Ook de individugerichte benadering en het volumebeleid spelen bij de overige subfuncties een minder belangrijke rol. De begeleidende functie is ten nauwste verweven met de kern van de distribuerende functie, te weten de vaststelling van het recht op en de inhoud van de risicodekking. Als men deze functie beschouwt vanuit de uitgangspunten van beheersbaarheid, individugerichte benadering van uitkeringsgerechtigden en volumebeleid bestaat er een wezenlijk onderscheid tussen de demografische verzekeringen en de overige zekerheidsregelingen. De volumeontwikkeling van de demografische verzekeringen is immers vrijwel niet te beïnvloeden c.q. te beheersen. De verzekeringsplicht en het recht op uitkering zijn in het algemeen éénduidig vast te stellen. Bovendien gelden er uniforme uitkeringsbedragen. De begeleidende functie heeft bij deze verzekeringen vrijwel geen specifieke beheersingsaspecten. Wel is uiteraard een individuele begeleiding mogelijk en uit een oogpunt van gecoördineerd dienstbetoon ook wenselijk, bij voorbeeld in het kader van het bejaardenbeleid. Bij de overige socialezekerheidsregelingen dienen beheersing, individugerichte benadering van uitkeringsgerechtigden en centrale aandacht voor het volumebeleid hand in hand te gaan. De factoren die tot uitkering leiden zijn hier immers in zekere mate «beheersbaar».

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Zowel preventief als tijdens de werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid kan, vooral door samenwerking van uitvoeringsorganen op verschillen-de terreinen van beleid, getracht worden door persoonlijke begeleiding de oorzaken van het uittreden uit het arbeidsproces weg te nemen, dan wel omstandigheden te scheppen waaronder behoud van arbeid of herintreding mogelijk is. Een gecoördineerde begeleiding dient dan wel gelijktijdig met het toekennen van uitkeringen en voorzieningen in gang gezet te worden, zo mogelijk zelfs de noodzaak daartoe te voorkomen. Steeds zal dat een uitvoerig persoonsgebonden onderzoek vragen. Bij de vervulling van beide functies is een groot aantal samenhangen van belang zoals: -tussen de oorzaken en het optreden van het risico; -tussen verschillende terreinen van sociale zekerheid; -tussen het verstrekken van uitkeringen en voorzieningen en overige vormen van begeleiding; -tussen verschillende instanties binnen de uitvoering van de sociale zekerheid; -tussen de sociale zekerheid en aanverwante beleidsterreinen en als consequentie daarvan -tussen de beschikbare instrumenten en deskundigheid binnen en buiten het terrein van de sociale zekerheid. Het onderkennen van deze samenhangen is evenzeer noodzakelijk voor de bepaling van de oorzaken en dus de aard en omvang van uitkeringen en voorzieningen als voor de uit een oogpunt van begeleiding gewenste inzet van instrumenten en deskundigen. Een duidelijk voorbeeld vormt de begeleiding van gedeeltelijk arbeidsongeschikten zowel vanuit het arbeidsongeschiktheidsaspect als vanuit het werkloosheidsaspect (individuele voorzieningen, arbeidsbemiddeling, aanpassing arbeidsplaats). Daar waar verschillende aspecten gelijktijdig een rol spelen zal dat in het contact met de individuele verzekerde tot uitdrukking moeten komen. Dat heeft niet alleen betekenis voor de administratieve uitvoering van de regelingen en de feitelijke begeleiding van de uitkeringsgerechtigden. Evenzeer zal daartoe op bestuurlijk niveau een coördinatie binnen de sociale zekerheid en met verwante beleidsterreinen tot stand moeten komen. Gegeven deze verschillen zal de vervulling van de distribuerende en de begeleidende functie in het kader van de demografische verzekeringen en de vervulling daarvan in het kader van de overige socialezekerheidsregelingen afzonderlijk worden besproken. In 7.5 komt de distribuerende functie bij de demografische verzekeringen aan de orde; voor de begeleidende functie is daar, zoals gezegd, vanuit een oogpunt van beheersbaarheid vrijwel geen plaats. Eerst zullen echter in 7.4 de distribuerende en de begeleidende functie bij de socialezekerheidsregelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid in hun onderlinge relatie worden geanalyseerd.

7.4. DE DISTRIBUERENDE EN BEGELEIDENDE FUNCTIE BIJ DE REGELINGEN IN GEVAL VAN WERKLOOSHEID, ZIEKTE EN ARBEIDSONGESCHIKTHEID

7.4.1. Wijze van analyseren

Uit een oogpunt van beheersbaarheid, individugerichte benadering en volumebeleid moeten de belangrijkste subfuncties van de distribuerende functie -het vaststellen van het recht op en de hoogte van de risicodekking -en de begeleidende functie als één geheel worden behandeld. Dat zal onderstaand gebeuren in een drietal dwarsdoorsneden: -samenhangen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid (7.4.2); -samenhangen met de uitvoering op andere beleidsterreinen (7.4.3); -de individugerichte benadering (7.4.4).

Daarna komen de overige subfuncties van de distribuerende functie aan de orde (7.4.5). Tot slot volgen enkele conclusies (7.4.6)

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

7.4.2. De samenhangen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid Een goede vervulling van de distribuerende en de begeleidende functie van de socialezekerheidsregelingen in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid vraagt om het onderkennen en tot uitdrukking brengen van een groot aantal samenhangen. Ten dele gaat het daarbij om samenhangen binnen het stelsel en de uitvoering van de sociale zekerheid. Zo zal er sprake moeten zijn van een continue beoordeling en begeleiding in de tijd, ook wanneer voor kortlopende en langdurige uitkeringen verschillende regelingen gelden (ZW, WAO/AAW en WW, WWV, RWW), die geheel of gedeeltelijk door verschillende organen worden uitgevoerd (bij voorbeeld WW door bedrijfsverenigingen en WWV/RWW door gemeentebesturen). Die continuïteit moet evenzeer in het oog worden gehouden wanneer iemand meermalen werkloos of ziek wordt binnen een bepaalde tijdspanne, en de uitkeringen ter zake van die werkloosheid of ziekte door verschillende bedrijfsverenigingen moeten worden toegekend. Daarnaast zal zorg gedragen moeten worden voor coördinatie wanneer gelijktijdig aanspraak bestaat op verstrekkingen vanuit verschillende regelingen die niet dezelfde uitvoeringsorganen kennen. Ook kan het door het vervagen van de formele oorzaken van het uittreden uit het arbeidsproces (artikel 12 AAW, artikel 21 WAO) voorkomen, dat iemand die een uitkering ontvangt in het kader van (bij voorbeeld) de WAO, gedeeltelijk arbeidsongeschikt en gedeeltelijk werkloos is. Het is in die gevallen van belang dat bij de distribuerende en bij de begeleidende functie wordt onderkend, dat een benadering vanuit twee invalshoeken (arbeidsongeschiktheid èn werkloosheid) gewenst is. Daarbij is vooral de samenhang met andere beleidsterreinen van belang. Hierop zal in 7.4.3 nader worden in-gegaan. In deze subparagraaf zal in het bijzonder aandacht worden gegeven aan enkele coördinatieproblemen bij het tot stand brengen van een doorlopend begeleidings-en beoordelingsproces in de tijd bij werkloosheid respectievelijk ziekte en arbeidsongeschiktheid. De uitvoering van de verzekering in geval van onvrijwillige kortdurende werkloosheid van werknemers is opgedragen aan de bedrijfsverenigingen. De andere werkloosheidsregelingen (WWV en RWW), die dekking bieden voor de overige categorieën en in geval van langdurige werkloosheid van werknemers, worden uitgevoerd door de gemeenten. Aangezien de beoordelingscriteria in de WW en in de WWV een grote mate van overeenkomst met elkaar vertonen en ook de berekening van de hoogte van de risicodekking in belangrijke mate overeenstemt is de beoordeling door het gemeentebestuur bij de overgang van WW naar WWV gedeeltelijk een doublure. Een verbetering van organisatorische voorzieningen is noodzakelijk om die doublure te voorkomen. Veel belangrijker is echter wellicht nog waarborgen te scheppen dat bij de overgang van de bedrijfsvereniging naar de gemeentelijke sociale dienst de continuïteit in de begeleiding gehandhaafd blijft. Het feit dat een grote groep WW'ers aan het einde van de uitkeringsperiode niet doorstroomt naar de WWV doet vermoeden dat bij een voldoende tijdige en continue begeleiding de duur van het beroep op een werkloosheidsuitkering kan worden beperkt. In een tweetal opzichten bemoeilijkt de organisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid een continue beoordeling en begeleiding: -de bed rijfstaksgewijze uitvoering van de WW tegenover de uitvoering van de WWV en RWW door de gemeenten c.q. gemeentelijke sociale diensten -het grote aantal gemeenten.

De administratieftechnische werkzaamheden voor de WW worden weliswaar voor een aantal bedrijfsverenigingen door regionale kantoren verricht, de spreiding van die regionale kantoren is echter niet voor alle bedrijfsverenigingen gelijk. Daar komt nog bij dat deze regionale kantoren slechts bin-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

nen hun mandaat bevoegdheid hebben, zodat in bijzondere gevallen een terugkoppeling naar de landelijke uitvoeringsorganen of besturen van de bedrijfsverenigingen noodzakelijk is. Te weinig maken de gemeenten gebruik van de mogelijkheid de uitvoering van de WWV en RWW te zamen met andere taken op te dragen aan op te richten regionale of intergemeentelijke sociale diensten. De Wet Gemeenschappelijke Regelingen van 1 april 1950, Stb. K 120, biedt die mogelijkheid op basis van vrijwilligheid. Bij de voorbereiding tot herziening van deze wet wordt ook gedacht aan een verruiming van de mogelijkheid tot het opleggen van intergemeentelijke samenwerking. Ook kan worden overwogen in de sociale zekerheidswetten bepalingen op te nemen die in bepaalde situaties gemeentelijke samenwerking voorschrijven. Daarnaast zal het aantal gemeentelijke sociale diensten verminderen als gevolg van de gemeentelijke herindeling. Inmiddels is het eindrapport van het IVA-onderzoek naar het functioneren van de gemeentelijke sociale diensten uitgebracht. In het deelrapport «Sociale dienstverlening in kleine gemeenten» wordt eveneens aandacht geschonken aan de noodzaak tot intergemeentelijke samenwerking. Beide genoemde factoren leiden ertoe, dat steeds een groot aantal coördinatielijnen noodzakelijk is om een gecoördineerde begeleiding en beoordeling van werklozen in de tijd te kunnen realiseren. In de uitvoeringspraktijk blijkt daarin thans een belangrijk knelpunt te zijn gelegen.

" Voor 25% van de werknemers vindt defeitelijke uitvoering van de Ziektewet plaats door de zogenaamde afdelingskassen en eigenrisicodragers. Weliswaar blijven deze formeel deel uitmaken van de bedrijfsvereniging, maar bij de toekenning van rechten, begeleiding en controle hebben afdelingskassen en eigenrisicodragers eigen bevoegdheden.

Nauw verbonden met het vorenstaande rijst de vraag of er nog reden bestaat om ten aanzien van werkloosheid te werken met een drietal regelingen, die een onderlinge verscheidenheid vertonen en door verschillende organen worden uitgevoerd. Onder meer in Bestek '81 is al gewezen op de wenselijkheid, te komen tot een integratie van de drie werkloosheidsvoorzieningen. De mogelijkheden daartoe zijn thans in studie bij een afzonderlijke interdepartementale projectgroep. Een continue begeleiding en beoordeling in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt bemoeilijkt doordat voor kortlopend verzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid een andere regeling (ZW) geldt dan bij langdurig verzuim (AAW, WAO). In feite is binnen de ZW dan ook sprake van enerzijds echt kortdurend verzuim, anderzijds potentieel langdurig verzuim. In het laatste geval betreft het degenen die de wachttijd van 52 weken voor de AAW/WAO doormaken. In het merendeel van de gevallen gaat het om kortdurend verzuim. Lang niet altijd kan op voorhand worden aangegeven of dat kortdurend verzuim kan uitgroeien tot langdurige arbeidsongeschiktheid. Toch zal met die mogelijkheid bij de begeleiding rekening moeten worden gehouden. In de ZW-periode vindt de begeleiding plaats door de bedrijfsverenigingen. Een van de aspecten van de begeleiding wordt gevormd door de controle. Geconstateerd moet worden dat er op het punt van de intensiteit van de begeleiding, inclusief controle, nogal verschillen bestaan tussen de bedrijfsverenigingen. Dat komt onder andere naar voren in de periodiciteit van de contacten, in de mate van inschakeling van z.g. lekecontroleurs, rapporteurs of andere niet-medische buitencontroleurs. Bovendien vindt niet altijd de medische begeleiding gedurende de gehele ZW-periode plaats door de verzekeringsgeneeskundige van de bedrijfsvereniging. Er zijn ook bedrijfsverenigingen die dat op andere wijze doen, hetzij doordat een rayon-of districtsverzekeringsgeneeskundige na een bepaalde periode of in bepaalde situaties zich actief met het begeleidingsproces bemoeit, hetzij dat een dergelijke functionaris de begeleiding overneemt. De tweede situatie doet zich vooral voor bij de bedrijfsverenigingen die de controle op verrichtingenbasis uitbesteden, veelal aan huisartsen. Indien er in de ziektewetperiode reeds sprake is van bij voorbeeld resterende arbeidsmogelijkheden bij blijvende ongeschiktheid voor het eigen werk, en/of van de noodzaak tot het treffen van voorzieningen, dient spontane melding aan de GMD plaats te vinden. Langs die weg zou een continue begeleiding gedu-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

rende de ZW-periode (wachttijd) en de daarop aansluitende AAW/WAO tot stand kunnen komen. De GMD is namelijk het adviesorgaan van de bedrijfsvereniging met betrekking tot de sociaal-medische aspecten bij de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetten. De eveneens in de wet opgenomen plicht van de bedrijfsverenigingen om alle ziektegevallen bij een verzuimduur van 13 weken aan de GMD te meiden, wordt in de praktijk niet toegepast. De Federatie van Bedrijfsverenigingen en de GMD meenden in de spontane melding een werkbaarder oplossing te kunnen vinden en hebben dat in samenwerkingsafspraken vastgelegd. In feite blijkt het aantal spontane meldingen in het licht van de feitelijke doorstroming naar de AAW en WAO in verhouding gering te zijn. Om op korte termijn te komen tot een verbetering van een vroegtijdige en continue begeleiding van potentieel arbeidsongeschikten heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken de SVR gevraagd voorstellen uit te werken om aan de in de wet voorziene plicht van de bedrijfsverenigingen om gevallen met WAO-aspecten aan de GMD te melden een nieuwe inhoud te geven. De meer fundamentele vraag is echter, of de scheiding van medische diensten van bedrijfsverenigingen, eigenrisicodragers en eigen ziekenkassen, en de GMD geen belemmering vormt bij het streven om de uitvoering van de distribuerende en begeleidende functie te verbeteren. Voor werknemers bij de overheid (burgerlijke ambtenaren, militairen, spoorwegpersoneel) prevaleren de aanspraken op grond van eigen regelingen boven de aanspraken krachtens de AAW. De begeleiding van werknemers bij de overheid bij ziekte vindt plaats door de eigen (bedrijfs)geneeskundige diensten. Bij arbeidsongeschiktheid zijn ook de pensioenfondsen (Algemeen burgerlijk pensioenfonds. Spoorwegpensioenfonds) bij de begeleiding betrokken. Ook hier dient voor voldoende continuïteit te worden gezorgd. Daarnaast is een goede coördinatie met de uitvoering van de AAW gewenst. De noodzaak te komen tot een doorlopend proces van begeleiding en beoordeling in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid roept een groot aantal coördinatieproblemen op. Het onderkennen van de aanwezige samenhangen leidt onontkoombaar tot de noodzaak de uitvoeringsorganisatie zo op te zetten dat de eenheid van beleid binnen het stelsel en de uitvoering van de sociale zekerheid gewaarborgd wordt. Dat moet leiden tot een duidelijke homogeniteit en continuïteit in de beoordeling van aanspraken, de controle op het recht op uitkering en de begeleiding.

7.4.3. Samenhangen tussen de uitvoering van de sociale zekerheid en de uitvoering van het sociale beleid op andere terreinen Zowel de distribuerende functie als de begeleidende functie -vooral ook in hun onderlinge verwevenheid -vragen om het onderkennen van een groot aantal samenhangen tussen verschillende terreinen van sociaal beleid. In de uitvoering moeten die samenhangen tot hun recht komen. Zowel de kennis omtrent de factoren die in individuele gevallen bij de beoordeling en begeleiding een rol spelen, als de instrumentele inhoud van de begeleiding, vergen een gezamenlijk opereren van de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid met uitvoeringsorganen en deskundigen op andere beleidsterreinen, zoals op het terrein van het arbeidsvoorzieningsbeleid de GAB's, op het terrein van de arbeidsomstandigheden de bedrijfsgezondheidszorg en in samenhang daarmee op het terrein van de gezondheidszorg de huisartsen en specialisten, op het terrein van het welzijnsbeleid het maatschappelijk werk, etc. Zo is in geval van werkloosheid inzicht nodig in de vragen of het ontslag al dan niet vrijwillig is, of er mogelijkheden zijn voor de betrokkene op korte termijn passende arbeid te vinden en hoe de belemmeringen die betrokkene eventueel zal ondervinden bij de herintreding in het arbeidsproces kunnen worden weggenomen. Terugkoppeling van de bedrijfsverenigingen naar bij voorbeeld de gewestelijke arbeidsbureaus is noodzakelijk. In geval van ziek-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

te of arbeidsongeschiktheid is het van belang te weten welke factoren tot het uitvallen hebben geleid, wat de mate van arbeidsongeschiktheid is en of er herplaatsingsmogelijkheden zijn. Een goede begeleiding is slechts mogelijk indien de noodzaak daartoe tijdig door alle instanties wordt onderkend. Voor een groot deel van de gevallen zal herintreding in het arbeidsproces zonder veel hulp vrij snel kunnen plaatsvinden. Juist wanneer dat niet het geval is en dus begeleiding gebode.i is, zijn de mogelijkheden tot herintreding in het arbeidsproces dan wel een versnelling daarvan vaak mede afhankelijk van de mate waarin spoedig en met inzet van alle instrumenten hulp wordt verleend.

In gevallen waarin herintreding in het arbeidsproces mogelijk is of op korte termijn mogelijk kan worden gemaakt, zal de begeleiding erop gericht moeten zijn belemmeringen daartoe weg te nemen. Indien herintreding in het arbeidsproces door bepaalde oorzaken (leeftijd, opleiding, bedrijfstakstructuur) niet op korte termijn mogelijk is, zal de begeleiding zich moeten richten op een heroriëntering op de arbeidsmogelijkheden op langere termijn en op de mogelijkheden om op andere wijze maatschappelijk te blijven functioneren. Daarbij is samenwerking met het welzijnsbeleid onmisbaar (onder andere maatschappelijke begeleiding, sociaal-cultureel werk), om ook dan het uitgangspunt van zelfontplooiing binnen bereik te houden. De begeleiding dient in beide hiervoor genoemde omstandigheden in ieder geval gelijktijdig met de distribuerende functie in gang te worden gezet. Er kunnen zich zelfs gevallen voordoen waarin begeleiding gewenst is reeds voor er een beroep op uitkeringen ingevolge sociale zekerheid wordt gedaan. Dit is met name het geval indien het tijdig onderkennen van de oorzaken, die tot een dreigend uittreden uit het arbeidsproces aanleiding geven, mogelijkheden biedt om door het treffen van voorzieningen, dat uittreden te voorkomen dan wel spoedige herintreding te bewerkstelligen. Juist in die situatie zal contact nodig zijn vanuit bij voorbeeld de bedrijfsgeneeskundige dienst of het arbeidsbureau met de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid. Slechts coördinatie maakt een functie-overdracht tussen de verschillende beleidsterreinen mogelijk waardoor wordt bereikt dat op deze beleidsterreinen die instrumenten worden gehanteerd die een dreigend uittreden kunnen voorkomen dan wel herintreden in het arbeidsproces kunnen bevorderen. Eerder is in dit verband gesproken van «verspringende aandacht» vanuit de onderscheiden terreinen van sociaal beleid. De onderscheidene beleidsterreinen die tot een gecoördineerde begeleiding moeten bijdragen kennen ieder een eigen structuur en wijze van uitvoeren. Een goed samenspel zal slechts mogelijk zijn, indien op ieder van de beleidsterreinen wordt nagegaan welke specifieke elementen in de eigen structuur een goede coördinatie in de weg staan. Hier zal worden nagegaan op welke wijze de coördinatie thans plaatsvindt en in hoeverre de uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid de mogelijkheden tot coördinatie met andere beleidsterreinen bemoeilijkt. Afzonderlijk zal worden ingegaan op de coördinatieproblematiek in geval van werkloosheid en in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarbij kan niet voorbij worden gegaan aan het feit dat het vervagen van de formele oorzaken van uittreden (artikel 12 AAW, artikel 21 WAO) ertoe heeft geleid, dat iemand die een uitkering ontvangt in het kader van de AAW/WAO gedeeltelijk arbeidsongeschikt en gedeeltelijk werkloos kan zijn. In de begeleiding zal daarmee rekening moeten worden gehouden. Bij de regelingen in geval van werkloosheid is voor een goede vervulling van de distribuerende en begeleidende functie in de eerste plaats een samenspel van de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid met die op het terrein van de arbeidsvoorziening vereist. De toetsing van een aantal in de wet gestelde uitkeringsvoorwaarden is slechts mogelijk in overleg met de GAB's. Daarbij is onder andere de aard van de werkloosheid en de bereidheid andere «passende arbeid» te aanvaarden in het geding.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

In gelijke mate dient in dat overleg de vorm van de begeleiding aan de or-de te komen. Zo is in de werkloosheidswetten de verplichting van de uitkeringsgerechtigde opgenomen tot het volgen van een voor hem gewenste opleiding of scholing. Het zal mede het GAB moeten zijn dat daarbij de richting aangeeft. Ook bestaan er mogelijkheden tot loonsuppletie en loonkostensubsidie om discrepanties tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te overbruggen. Zowel de WW, de WWV als het arbeidsvoorzieningsbeleid beschikken voor bepaalde doelgroepen over dergelijke plaatsingsbevorderen-de maatregelen. Ook de ZW, de WAO en de AAW kennen een aantal regelingen, die verlies van arbeidsplaats kunnen voorkomen, dan wel herintreding vergemakkelijken, onder andere via tijdelijke overbrugging van loonverschillen, de garantie bij opnieuw uittreden na een proefperiode terug te kunnen vallen op de oude uitkering, voorzieningen tot behoud, herstel en bevordering van arbeidsgeschiktheid. Ook via maatregelen in het kader van het arbeidsomstandighedenbeleid kan een bijdrage worden geleverd (verbetering van arbeidsplaatsen, verlichting van werkbelasting).

Op dit moment is er een aantal vormen van overleg en contact tussen de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid en de arbeidsvoorziening. -Overleg in de WWV-commissies en de RWW-commissies, die de gemeenten adviseren over de uitvoering van de regelingen. In deze commissies hebben zitting: -een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur (voorzitter); -drie werknemersvertegenwoordigers; -de rijksconsulent WWV c.q. de rijksconsulent van CRM; -de vertegenwoordiger van het GAB.

Naast dit overleg in commissieverband vindt ook contact plaats tussen ambtenaren van de gemeentelijke sociale diensten en de gewestelijke arbeidsbureaus. Nog te veel heeft dit formele overleg betrekking op het toetsen van het (blijvend) recht op uitkering. Meer nadruk op het zoeken naar mogelijkheden tot gecoördineerde begeleiding zou gewenst zijn. -Bij de WW bestaat een dergelijk geformaliseerd overleg op uitvoeringsniveau niet. Wel is de werkloze verplicht zich te laten inschrijven bij een arbeidsbureau, bestaan er procedures (melding, kennisgeving, bezwaarschrift) die het de bedrijfsverenigingen mogelijk maken hun toetsende taak ten aanzien van het recht op uitkering te verrichten en vinden contacten tussen de bedrijfsverenigingen en de GAB's plaats. De samenwerking is echter niet optimaal, zelfs niet bij de toetsing van rechten. Van een gecoördineerde begeleiding van werklozen vanuit de sociale zekerheid en de arbeidsbemiddeling is nauwelijks sprake. Zowel bij de WW, waar geen formeel overleg plaatsvindt als bij de WWV en RWW waar dat wel het geval is, geldt dat er onvoldoende sprake is van een samenspel tussen de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid (bedrijfsverenigingen c.q. gemeenten) en de arbeidsbureaus. Dat geldt onder meer ten aanzien van de interpretatie van het begrip passende arbeid en de gevolgen daarvan voor het toekennen of weigeren van een uitkering. Die samenwerking wordt mede bemoeilijkt doordat de uitvoeringsstructuur van de werkloosheidsregelingen niet aansluit op de regionale uitvoeringsorganisatie van de arbeidsbureaus. Dat geldt vooral voor de bed rijf staksgewijze uitvoering van de WW, zij het dat de geringe mate van intergemeentelijke samenwerking bij de uitvoering van de WWV en de RWW eveneens aan het bereiken van een uitvoeringsoptimum in de weg staat. Op korte termijn kan het verbeteren van de overlegstructuren (waarbij gedacht kan worden aan het instellen van regionale coördinatiecommissies) daartoe bijdragen. Daarmee worden echter slechts de coördinatielijnen verkort, niet wezenlijk verminderd tenzij de adviezen van deze commissies een bindend karakter zouden hebben (zie ook paragraaf 8.4.3). Op langere termijn is het wegnemen van het verbrokkelde karakter van de uitvoering van de sociale zekerheidsregelingen een oplossing voor het verschil in uitvoeringsstructuur op verschillende beleidsterreinen en het verleggen van de beslissingsbevoegdheid naar coördinatiepunten onontkoombaar.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Om op landelijk niveau te komen tot een coördinatie van de beleidsuitvoering op het terrein van de werkloosheids-en arbeidsvoorzieningen, is inmiddels het Overlegorgaan Werkloosheids-en Arbeidsvoorzieningen (OWA) in-gesteld. Dit overlegorgaan heeft tot doel de samenwerking en coördinatie van de beleidsuitvoering op landelijk en regionaal niveau tussen de uitvoeringsorganen en de organen van de arbeidsbemiddeling en een doelmatige en gecoördineerde beleidsuitvoering, mede gericht op een zo verantwoord mogelijk gebruik van de werkloosheidsvoorzieningen, te bevorderen. De in de uitvoeringsstructuur gelegen belemmeringen voor een gecoördineerde uitvoering worden daardoor evenwel niet weggenomen. In het kader van de uitbouw van de Arbeidsbureaus Nieuwe Stijl (ANS) zal de samenwerking en het overleg tussen de uitvoeringsorganen van de werkloosheidsvoorzieningen en de arbeidsbureaus worden geïntensiveerd. De Arbeidsbureaus Nieuwe Stijl hebben onder meer tot doel bij te dragen tot een grotere doorzichtigheid van de arbeidsmarkt, in te spelen op de eigen verantwoordelijkheid van de werkloze voor het opnieuw vinden van werk en door een meer permanente begeleiding het zoekgedrag van de uitkeringsgerechtigde positief te beïnvloeden. Een probleem bij de intensivering van de samenwerking en het overleg blijft echter de verschillen in organisatorische opzet tussen arbeidsbureaus en bedrijfsverenigingen. Bij de gecoördineerde begeleiding in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheiddoen zich goeddeels dezelfde problemen voor. Bijzondere elementen daarbij zijn de verbrokkeldheid van de medische beoordeling en begeleiding en de onvoldoende organisatorische relatie tussen medische begeleiding en een sociale begeleiding in ruimere zin. Dat laatste speelt met name voor zover toepassing van artikel 21 van de WAO en artikel 12 van de AAW ertoe leidt dat gedeeltelijk of tijdelijk arbeidsongeschikten die geacht worden als gevolg van hun handicap werkloos te zijn of te blijven, qua uitkering en begeleiding volledig op de uitvoeringsorganen van de AAW/WAO aangewezen zijn. In dit kader is van belang, dat in de AAW en in de WAO de mogelijkheid is opgenomen tot een afzonderlijke schatting van het arbeids-ongeschiktheids-en werkloosheidsdeel en dat de WAO, evenals de AAW, sinds 1 oktober 1976 de mogelijkheid kent bij de vaststelling van het percentage arbeidsongeschiktheid slechts gedurende een bepaalde termijn met de verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid rekening te houden. Daarmee wordt echter nog geen waarborg geschapen dat een gecoördineer-de begeleiding vanuit twee aspecten (werkloosheid en arbeidsongeschiktheid) tot stand komt. Vooral de coördinatie tussen de GMD -in het bijzonder de arbeidsdeskundige -en de arbeidsbureaus is onmisbaar. De GMD heeft ten opzichte van de bedrijfsverenigingen een adviserende taak wat betreft de mate van arbeidsgeschiktheid en de voorzieningen tot behoud, herstel en bevordering van arbeidsgeschiktheid en daarnaast ten aanzien van voorzieningen ter verbetering van de individuele levensomstandigheden. De plaats van de GMD in de begeleiding van herplaatsbare arbeidsongeschikten heeft tot nu toe onvoldoende gestalte gekregen. Dat geldt zowel het aantal gevallen van werkhervatting op zich als de samenwerking met de arbeidsbureaus. Ook bestaan er thans bij de bedrijfsverenigingen geen uniforme opvattingen over de intensiteit van de begeleiding van WAO-gerechtigden. Wel loopt er een aantal experimenten met betrekking tot een intensivering van de begeleiding van herplaatsbare arbeidsongeschikten door de GMD. Na evaluatie van deze experimenten zal worden nagegaan hoe deze begeleidingsactiviteiten kunnen worden uitgebreid, waarbij ook een nauwere samenwerking tussen GMD en de arbeidsbureaus aan de orde moet komen. Daar komt bij dat in de huidige structuur de coördinatie tussen bedrijfsgeneeskundige zorg, algemene gezondheidszorg en socialeverzekeringsgeneeskunde evenmin gewaarborgd is. Daardoor bevindt de socialeverzekeringsgeneeskunde zich te zeer in een vacuüm om haar taak te kunnen vervullen. Die taak zou zijn: het functioneren als een kruispunt voor de verschillen-de vormen van medische zorg enerzijds en het in relatie brengen van de Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

medische zorg tot de patiënt in zijn werkomgeving en zijn mogelijkheden tot behoud dan wel hervatting van werk anderzijds. Juist op dit kruispunt doen zich unieke mogelijkheden tot begeleiding voor. De uitvoeringsorganen van de socialezekerheidsregelingen beschikken immers over tal van instrumenten om de medische zorg in enige zin te combineren met voorzieningen, zowel financieel als via noodzakelijke aanpassingen op de arbeidsplaats. Het realiseren van die mogelijkheden vraagt om een aantal structurele wijzigingen in de uitgangspunten, de kwaliteit en de uitvoering van de sociaal-medische begeleiding. Met name is daarbij van belang, dat een organisatievorm tot stand komt, die de relatie tussen de arbeidssituatie en de gezondheidszorg gestalte geeft. Het ligt in de bedoeling aan deze gedachten in een van de volgende deelrapporten uitgebreid aandacht te schenken en daarvoor concrete voorstellen te doen.

7.4.4. De individugerichte benadering Vanuit de ruime doelstelling van sociale zekerheid -het waarborgen van mogelijkheden tot individuele ontplooiing en tot deelneming aan het maatschappelijk leven -heeft een individugerichte benadering van meet af aan als eis gegolden. Ook vanuit het uitgangspunt van beheersbaarheid en in het kader van het volumebeleid is bij de sociale "Zekerheidsregelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid geen andere benadering denkbaar. Zowel de beoordeling van de aanspraken als de daaraan gekoppelde begeleiding zijn zozeer persoonsgebonden, dat een doelmatige vervulling van de distribuerende en begeleidende functie anders niet mogelijk is. Zo'n individugerichte benadering stelt een aantal eisen aan de uitvoeringsorganisatie. Deze moet -uitvoeringstechnisch èn bestuurlijk op een individuele aanpak zijn ingesteld, -bereikbaar zijn voor de gebruikers, -een gecoördineerde begeleiding bieden.

De noodzaak om bestuurlijk op een individuele aanpak te zijn ingesteld, speelt met name in die gevallen waarin de beoordeling van het recht op (voortzetting van) uitkering afhankelijk is van een aantal individueel bepaal-de factoren. In de socialezekerheidsregelingen komen veelvuldig criteria voor waarbij het resultaat van de toetsing aan die criteria afhankelijk is van dergelijke in-dividueel bepaalde factoren. Daarom kan de uitvoering niet bestaan uit het brengen van een individueel geval onder een landelijke richtlijn. Er zal een afweging moeten plaatsvinden van de in het geding zijnde individueel bepaalde factoren. Voor het gewicht dat bij de belangenafweging aan elk van die -in het concrete geval van belang zijnde -individueel bepaalde factoren moet worden toegekend, is het noodzakelijk te beschikken over een inzicht in de achtergronden waaruit deze factoren voortspruiten. Daarbij zijn twee soorten aspecten van belang: regionale aspecten en bedrijfstaksgebonden aspecten. In het algemeen kan gesteld worden, dat bedrijfstaksgebonden aspecten in sterkere mate van belang zullen zijn naarmate het uittreden uit het arbeidsproces van kortere duur is. Er kan dan sprake zijn van een mate van ziekteverzuim of frictiewerkloosheid die mede afhankelijk is van de aard van de bedrijfsactiviteit. Naarmate meer structurele elementen gaan overheersen, is die band losser. Dat geldt zowel ten aanzien van de oorzaken van het uittreden als ten aanzien van de mogelijkheden om opnieuw een arbeidsplaats te verwerven. De algemene economische situatie in de eigen regio en de band die men met zijn eigen woonomgeving wil behouden zullen dan sterk bepalend worden voor de mogelijkheden van werkhervatting. Een probleem bij het onderscheid tussen tijdelijke en structurele elementen wordt gevormd door het feit dat in de «tijdelijke» uitkeringen (ZW, WW) de aan-Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

loopperiode naar de langlopende uitkeringen is begrepen. Op grond van de verwachtingen dat ook op langere termijn een verlies van arbeidsplaats als gevolg van structurele oorzaken zal overheersen zullen ten aanzien van bijzondere omstandigheden de regionale aspecten voor de toekomst een zwaarder accent moeten krijgen dan de bedrijfstaksgebonden aspecten. Die laatste staan thans in een groot deel van de uitvoeringsorganisatie nog voorop (ZW, WW, AAW, WAO).

Doordat de regionale aspecten een grotere invloed hebben gekregen op de individueel bepaalde factoren, is kennis daarvan zowel met betrekking tot de arbeidsomstandigheden als met betrekking tot de mogelijkheden tot (her)plaatsing al of niet via de weg van scholing, omscholing of andere voorzieningen, een onmisbare voorwaarde geworden bij de belangenafweging voor de toetsing van de hier bedoelde criteria. Hoe groter echter de afstand van de bestuurder ten opzichte van die «woon-en werkomgeving» is, des te moeilijker wordt het voor de bestuurder om die afweging, en de daarvoor benodigde inleving in de achtergronden, naar recht en rede te kunnen verrichten. Nu is degene die deze toetsing verricht bij de belangenafweging niet uitsluitend op het oordeel van en de rapportage vanuit het eigen uitvoeringsapparaat aangewezen. Zoals in 7.4.3 al is gesteld, zal voor een aantal punten die daarbij van belang zijn kunnen en moeten worden geput uit de kennis en het inzicht, die andere organen op andere terreinen bezitten. In de huidige situatie blijkt het echter niet mogelijk tot een optimale afstemming te komen van de inbreng die vanuit de verschillende beleidsterreinen kan worden geleverd. Onder meer de grote afstand die er bestaat tussen het landelijk bestuur van de bedrijfsvereniging en het doorgaans regionale uitvoeringsorgaan voor verwante beleidsterreinen bemoeilijkt de mogelijkheid tot overleg ernstig. Ook bij een lokaal werkende uitvoeringsorganisatie kunnen zich echter problemen voordoen met betrekking tot de afstemming met uitvoeringsorganen op andere beleidsterreinen. Zo moet het regionaal functionerende arbeidsbureau overleg plegen met een groot aantal binnen zijn regio gelegen gemeentebesturen. Als voorbeeld van de gevallen waarin een goede afstemming van het wederzijdse uitvoeringsbeleid gewenst is, kan onder meer worden gewezen op de toepassing van het begrip passende arbeid. De reeds genoemde regionale coördinatiecommissies moeten worden gezien als een overgangsfase naar een nieuwe structuur. Bij de opzet van een nieuwe uitvoeringsorganisatie moet naar de mening van de projectgroep naar een zodanige opzet worden gestreefd, dat een optimale coördinatie en afstemming tussen de uitvoering van de socialezekerheidsregelingen enerzijds en de uitvoering op de verwante terreinen anderzijds wordt bereikt. Dit betekent ook een verduidelijking ten opzichte van de gebruiker, die dan niet meer het risico loopt te worden geconfronteerd met uiteenlopende opvattingen van verschillende organen op in principe dezelfde punten. Ten aanzien van de uitvoering van de hierbedoelde sociale zekerheidsregelingen betekent dit, dat de nu doorgaans landelijk of lokaal gesitueerde beslissingsbevoegdheid in het vervolg op regionaal niveau zal moeten komen te liggen. Dit lijkt overigens ook wenselijk uit een oogpunt van bereikbaarheid voor de gebruiker. De bereikbaarheid voor de gebruiker houdt niet alleen in, dat er in zijn omgeving een «loket» is, waar hij zich kan vervoegen. Met andere woorden: een louter administratieve bereikbaarheid is onvoldoende. De verzekerden c.q. uitkeringsgerechtigden moeten ook tot de overtuiging kunnen komen dat de afstand tot de bestuurlijke verwerking niet te groot is. Dat zal slechts mogelijk zijn indien het aantal schakels in de administratieftechnische uitvoering beperkt blijft. In de huidige situatie zal voor het individu doorgaans wel op niet al te grote afstand van zijn woonomgeving een «loket» zijn te vinden, waar hij zich met vragen kan vervoegen. Doorgaans zal Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

dit een regionaal kantoor van de bedrijfsvereniging of het GAK zijn, in andere gevallen kan het zijn werkgever of vakbondsvertegenwoordiger zijn. Daarnaast bestaat sedert kort in het kader van het experiment «Dienstverlening in de regio» de mogelijkheid om bij een aantal regionale informatiepunten ook inlichtingen in te winnen over andere regelingen dan door het betrokken orgaan wordt uitgevoerd. Eerst in een volgende fase van het experiment, wanneer aan de regionale punten ook beslissingsbevoegdheid over bijzondere aspecten betreffende het recht op uitkering of voorzieningen verleend wordt, zal het doorspreken van de beslissing zelf en de factoren die daarbij bepalend zijn geweest mogelijk worden. Het bovenstaande sluit niet uit dat in bepaalde gevallen een bedrijfs(taks)-gewijze benadering meer voor de hand ligt dan een individugerichte benadering. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan gedeeltelijke werkloosheidsuitkeringen in verband met tijdelijk korter werken in bepaalde bedrijven. Organisatorisch vraagt dat om nadere voorzieningen (bij voorbeeld coördinatie van de uitkeringen door het regionale orgaan in wiens gebied het bedrijf is gevestigd, na advies door de betrokken bedrijfsvereniging). Is vanuit de uitvoeringsorganisatie zelf bezien een gecoördineerde begeleiding en beoordeling reeds van het grootste belang (zie 7.4.2 en 7.4.3), in nog sterkere mate geldt dat wellicht vanuit de gebruiker. Wanneer een verzekerde of uitkeringsgerechtigde bij iedere regeling met andere instanties of in de loop van de tijd met telkens wisselende uitvoeringsorganen te maken krijgt, kan dat nooit als persoonsgericht worden ervaren. Er is geen sprake van doorzichtigheid. De coördinatie van de begeleiding wordt dan in feite afgewenteld op het individu. Er kan slechts van een persoonsgerichte begeleiding sprake zijn, indien dat een gecoördineerde begeleiding is. Een dergelijke gecoördineerde persoonsgerichte begeleiding vraagt echter wel om een optimale afstemming van de begeleidingsinstrumenten van de sociale zekerheidsorganen enerzijds en de uitvoeringsorganen op de belendende terreinen anderzijds. Daarbij zal overleg op bestuurlijk niveau over de wijze van begeleiding onmisbaar zijn. Ook hier doet zich echter de moeilijkheid voor, dat de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid ten dele anders van opzet is dan de uitvoeringsorganisatie op de aangrenzende terreinen. De begeleiding vanuit het arbeidsmarktbeleid, het gezondheidszorgbeleid, het welzijnsbeleid en het arbeidsomstandigheden-beleid vindt namelijk plaats binnen een regionale of lokale context.

Voor de begeleiding en uitvoeringstechnische aspecten van het arbeidsmarktbeleid is het land opgedeeld in 82 gewesten in elk waarvan een gewestelijk arbeidsbureau functioneert dat binnen het gegeven wettelijk en bestuurlijk kader een aantal zelfstandige bevoegdheden heeft. Het gezondheidszorgbeleid is doorgaans reeds, door de aard ervan, regionaai gebonden, terwijl het welzijnsbeleid voor een groot deel een gemeentelijke aangelegenheid is. Het arbeidsomstandighedenbeleid is ook door de aard ervan (bedrijfsgebonden) een doorgaans regionale aangelegenheid. Daar tegenover staat de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid, die waar het de WWV en RWW betreft lokaal en waar het de WW, de WAO, de AAW en de ZW betreft bedrijfstakgewijze is opgezet. Doordat bij de bedrijfsverenigingen ook de bestuurlijke bevoegdheden veelal landelijk zijn samengebundeld, bestaat niet of nauwelijks de mogelijkheid van een regelmatig contact waarbij knelpunten in individuele situaties, die vragen om gezamenlijk gekozen oplossingen, op bestuurlijk niveau kunnen worden doorgesproken. In de praktijk is echter tevens gebleken, dat ook bij de WWV en RWW de hier voorgestane gecoördineerde uitvoering wordt bemoeilijkt door de spreiding van de beslissingsbevoegdheid over ruim 800 gemeentebesturen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

7.4.5. De overige subfuncties

De in de voorafgaande dwarsdoorsneden nog niet besproken subfuncties van de distribuerende functie betreffen: -de registratie van verzekerden; -de registratie van rechthebbenden en uitkeringen; -het uitbetalen van de risicodekking; -het beheer van fondsen ten behoeve van de risicodekking; -de interne controle op het administratief gebeuren.

De eerste twee van deze subfuncties vertonen duidelijke aanrakingspunten met de informerende functie en behoeven hier geen afzonderlijke bespreking. Het gebundeld beheer van fondsen ten behoeve van de risicodekking is reeds in het eerste deel ter sprake gekomen. In hoofdstuk 8 wordt nog nader op de organisatorische mogelijkheden ingegaan. De resterende subfuncties van de distribuerende functie krijgen onderstaand nog kort aandacht. Het uitbetalen van de risicodekking is geenszins uniform geregeld. Tussen de bedrijfsverenigingen zijn er verschillen ten aanzien van de instantie die de uitbetaling verricht (landelijk hoofdkantoor, districtskantoor of plaatselijk vertegenwoordiger), waarbij vaak nog binnen één bedrijfsvereniging verschillen in dit opzicht bestaan tussen de diverse socialezekerheidsregelingen (WAO-uitkeringen worden doorgaans landelijk uitbetaald, WW-uitkeringen vaak regionaal of plaatselijk) en soms zelfs binnen één socialezekerheidsregeling (bij het GAK vindt de uitbetaling van de ZW aan de werkgevers plaats via het hoofdkantoor, de uitbetaling rechtstreeks aan werknemers geschiedt de facto door het districtskantoor). Bij de WWV en de RWW betalen de gemeentelijke sociale dienst of de afdeling sociale zaken van de gemeentesecretarie de risicodekking uit. Ook bestaan er verschillen in de periodes waarover wordt betaald (per maand, per veertien dagen, per week, per dag, per aantal dagen), en in de wijze van betaling (contant, bank, giro of zichtcheque). Opgemerkt moet worden dat deze uiteenlopende vormen van het uitbetalen van de risicodekking de overzichtelijkheid voor de gebruiker niet bevordert. Daarin kan echter door het beheersorgaan mogelijk in de toekomst eenheid worden gebracht. De diversiteit in organen die met uitbetaling zijn belast vormt uit een oogpunt van beheersing en doelmatigheid geen wezenlijk knelpunt, omdat met behulp van computers en dergelijke een flexibel betalingssysteem valt op te zetten, waarbij ook voor zover zulks wenselijk mocht zijn de betalingen van de diverse organen kunnen worden gekoppeld. Dat neemt niet weg dat de zelfstandige betaling door de afzonderlijke uitvoeringsorganen gevolgen heeft voor de omvang van het liquiditeitsbeslag. Dat probleem hangt echter veeleer samen met het beheer van fondsen en de wens tot bundeling daarvan, dan met het uitbetalen van de risicodekking.

De interne controle op het administratief proces ten slotte gebeurt door de bedrijfsverenigingen zelf, zij het op uiteenlopende wijzen. Soms is meer sprake van verificatie, dan van een interne controle mede gericht op kwaliteitsbeheersing van de uitvoering.

7.4.6. Conclusies

In hoofdzaak door middel van een aantal dwarsdoorsneden is bovenstaand de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid geanalyseerd. Getoetst aan de uitgangspunten van beheersbaarheid, individugerichte benadering en volumebeleid bleek geen optimale situatie te bestaan. De volgende problemen werden gesignaleerd: Ten aanzien van de samenhangen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid bleek in de bestaande uitvoeringsorganisatie onvoldoende aandacht voor de continuïteit in begeleiding en beoordeling van zowel werklozen als Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

arbeidsongeschikten. Bij de eerste categorie vindt de uitvoering van de WW plaats door de bedrijfsverenigingen en die van de WWV en RWW door de gemeenten. Hoewel het GAK en een aantal zelfadministrerende bedrijfsverenigingen over districtskantoren beschikken, dwingt de tegenstelling regionale/bedrijfstaksgewijze uitvoering tot een groot aantal coördinatielijnen. Daarbij werkt belemmerend dat bij de WW de bestuurlijke beslissingen bedrijfstaksgewijze op landelijk niveau worden genomen en bij de WWV en de RWW lokaal door de gemeentebesuren. Bij de regelingen in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt de continuïteit vooral in gevaar gebracht door de verbrokkelde structuur van de medische advisering aan de bedrijfsverenigingen en begeleiding en controle van de verzekerden. Het recht doen aan samenhangen tussen de uitvoering van de sociale zekerheid en de uitvoering van het sociaal beleid op andere terreinen vraagt de bereidheid tot aanpassingen op het terrein van de sociale zekerheid en op aanverwante beleidsterreinen. Op een aantal specifieke elementen in de eigen structuur, die een goede coördinatie in de weg staan, werd in het bijzonder gewezen: -de verbrokkelde structuur en uitvoering van socialezekerheidsregelingen in geval van werkloosheid tegenover de eenduidige structuur van de arbeidsvoorziening; -de deels bedrijfstaksgewijze, deels lokale uitvoering van de sociale zekerheid tegenover een in het algemeen regionale of lokale uitvoering op aanverwante beleidsterreinen.

Met betrekking tot de coördinatie tussen de beleidsterreinen werd genoemd:-het ontbreken of onvoldoende functioneren van overlegstructuren, me-de als gevolg van het ontbreken van beslissingsbevoegdheid daarbij;-het te grote isolement van de sociale verzekeringsgeneeskunde ten opzichte van de bedrijfsgezondheidszorg en de algemene gezondheidszorg en mede als gevolg daarvan ten opzichte van de potentiële gebruikers van uitkeringen èn begeleidingsmogelijkheden in hun werkomgeving.

Indien de bestaande interne en externe samenhangen in de uitvoeringsorganisatie in het oog worden gehouden zal dat mede bijdragen tot een individugerichte benadering van de uitkeringsgerechtigden. Voorkomen wordt daarmee dat de coördinatie in de begeleiding op de gebruiker wordt afgewenteld. Het verplaatsen van de bestuurlijke beslissingsbevoegdheden naar de regio is daarbij onder invloed van de zich wijzigende plaats van de sociale zekerheid binnen het totale sociale beleid onontkoombaar. Geconcludeerd werd dat waar de structurele oorzaken bij het uittreden uit het arbeidsproces ook in de toekomst zullen overheersen, regionale aspecten een zwaarder accent krijgen dan bedrijfstaksgebonden aspecten. Bovendien dreigen die bedrijfstaksgebonden aspecten reeds nu in de massaliteit van de uitvoering te vervagen.

7.5. DE DISTRIBUERENDE EN BEGELEIDENDE FUNCTIE BIJ DE DEMOGRAFISCHE VERZEKERINGEN In 7.3 is reeds gesteld, dat er bij de inhoud die kan worden gegeven aan de distribuerende en begeleidende functie een duidelijk onderscheid bestaat tussen de demografische verzekeringen en de overige socialezekerheidsregelingen. Voor een begeleidende functie is bij de demografische verzekeringen vanuit een oogpunt van beheersbaarheid in feite nauwelijks plaats. Dat doet niet af aan de betekenis voor de individuele uitkeringsgerechtigde van een zekere vorm van begeleiding in die zin, dat het uitvoeringsorgaan de betrokkene wijst op de mogelijkheden die andere regelingen of instanties bieden en eventueel -in voorkomende gevallen -voor de betrokkene het contact met die instanties legt.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

'9 Een deel van de kinderbijslagadministratie vindt momenteel plaats bij (grote) ondernemingen met machtiging van en tegen vergoeding van kosten door de Raden van Arbeid (z.g. zelfdoeners en superzelfdoeners). In het kader van de integratie van kinderbijslag en kinderaftrek en de automatisering van de kinderbijslagadministratie zullen op dit punt echter in de naaste toekomst wijzigingen optreden.

De distribuerende functies bij de demografische verzekeringen worden thans uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Ar-beid19. Het registreren van verzekerden heeft bij de demografische verzekeringen geen concrete inhoud. In beginsel wordt aangesloten bij de registratie in het bevolkingsregister. Voor verzekerden die daarin niet zijn opgenomen fungeert de zogenaamde beperkte registratie door de SVB als sluitstuk van het systeem. Het recht op risicodekking is bij de AOW en de AWW als regel op basis van objectieve criteria te verifiëren via het bevolkingsregister. Bij de kinderbijslagwetten zijn behalve objectieve criteria (met name leeftijd kind) een aantal individuele gegevens nodig om het recht op uitkering en het aantal kinderen voor kinderbijslag vast te stellen. Beoordeling vindt ieder kwartaal plaats aan de hand van aanvraagformulieren. In ca. 30% van de gevallen is nader onderzoek nodig, dikwijls bij de aanvrager zelf. Ook is er nogal eens contact nodig met plaatselijk of regionaal werkende organen zoals de Gemeentelijke Sociale Dienst, de Raad van de Kinderbescherming, de belastingdienst, administratiebureaus en onderwijsinstellingen. Na de vaststelling van het recht op uitkering ligt ook de hoogte van de uitkering impliciet vast. Per categorie (gehuwd of ongehuwd, rangnummer(s) van het kind) is de uitkering immers uniform. Evenals beide laatstgenoemde subfuncties wordt de registratie van rechthebbenden sinds 1967 voor nieuwe gevallen verricht door de regionaal werkende Raden van Arbeid. Door deze regionale opzet kunnen contacten met uitkeringsgerechtigden op doelmatige wijze plaatsvinden. Het bestand van AOW-en AWW-ers met daarnaast een vóór 1967 toegekende invaliditeits-of ouderdomsrente is echter in uitvoering gebleven bij de SVB. Het gaat evenwel om een steeds kleiner wordende groep. Daarnaast heeft de SVB als taak de volledige distribuerende functie in geval van toepassing van EG-verordeningen of bilaterale verdragen. Het uitbetalen van de AOW-en AWW-pensioenen geschiedt door de SVB. De kinderbijslagen worden uitbetaald door de Raden van Arbeid, behoudens die aan in het buitenland wonende gerechtigden, waarvoor de betalingen door de SVB worden verricht. Niet alleen vanuit de distribuerende functie, maar vooral ook vanuit de informerende functie is het van belang dat er overleg op gang is gekomen tussen de Raden van Arbeid over een automatisering van de kinderbijslagadministratie. Zonder vooruit te willen lopen op de resultaten van dat overleg moet de projectgroep vaststellen, dat een centrale administratie (zoals bij de SVB) of een geautomatiseerde administratie waarbij de mogelijkheid bestaat de gegevens van de verschillende Raden van Arbeid aan elkaar te koppelen de toegankelijkheid van bij het administratieve proces beschikbaar komende in-formatie vergroot. Op het gebundeld beheer van de fondsen en de mogelijke toekomstige plaats van de SVB wordt in hoofdstuk 8 nog teruggekomen. De SVB heeft verder een toezichthoudende taak ten aanzien van de Raden van Arbeid. In dat kader oefent de SVB ook controle uit op de administratie van de Raden van Arbeid. In belangrijke mate is deze controle zelfs in de plaats getreden van een interne controle op het administratief proces door de Raden van Arbeid zelf. Getoetst aan de uitgangspunten van beheersbaarheid en bereikbaarheid voor de gebruikers beantwoordt de vervulling van de distribuerende functie bij de demografische verzekeringen in grote lijnen aan de eisen. Er is enerzijds een centraal toezicht en gebundeld beheer van fondsen en anderzijds een gedecentraliseerd contact met de uitkeringsgerechtigden gerealiseerd. Een dergelijk contact met de uitkeringsgerechtigden in de regio is ook een voorwaarde om inhoud te kunnen geven aan de begeleidende functie in beperkte zin (informatie, verwijzen, leggen van contacten). De mogelijkheden daartoe zijn het meest optimaal als het betrokken uitvoeringsorgaan goed bereikbaar is voor de gebruiker en contacten met andere instanties (doorgaans zullen dit welzijns-of gezondheidsinstanties zijn) eenvoudig kan leggen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Een verbetering kan echter uit een oogpunt van beheersing nog wel bereikt worden. Daartoe zijn in het eerste deel van dit rapport al voorstellen gedaan met betrekking tot een wijziging van het toezicht op de Raden van Ar-beid. Voorts zou ook een geautomatiseerde kinderbijslagadministratie daartoe kunnen bijdragen. Daarmee kan tevens een betere aansluiting tussen de distribuerende en de informerende functie worden bereikt.

7.6. DE INFORMERENDE FUNCTIE

7.6.1. De inhoud van de informerende functie Binnen de informerende functie van de uitvoeringsorganisatie zijn twee deeltaken te onderscheiden: -verzamelen en verspreiden van informatie ten behoeve van een goede uitvoering wan de sociale zekerheid, waaronder ook managementinformatie ten behoeve van het leiden en besturen van de uitvoeringsorganisatie; -informatie verzamelen en doorgeven aan het niveau van de beleidsvorming om een goede terugkoppeling te waarborgen.

Bij het vervolgonderzoek door de organisatiebureaus ten behoeve van de SER wordt een dergelijk onderscheid gemaakt tussen de uitvoeringsinformatiefunctie en de beleidsinformatiefunctie. Dit houdt een uitbreiding in ten opzichte van de omschrijving van de distribuerende functie in het alternatievenrapport. In het alternatievenrapport bestond de informerende functie in hoofdzaak uit het verzamelen en geven van informatie als een afgeleide van de distribuerende functie. Dit aspect is zeker niet zonder betekenis. Uit een oogpunt van beheersbaarheid én individugerichte benadering maar ook in het kader van het volumebeleid moet de in-formerende functie echter daarnaast -of misschien wel in de eerste plaats -gericht zijn op: -ondersteuning van de begeleidende functie; -terugkoppeling van uitvoeringsniveau naar beleidsvormend niveau.

7.6.2. Het traditionele informatiesysteem In de traditionele opvatting vormt het beschikbaar komen van de informatie in feite een onderdeel van een zuiver administratief proces. Het wordt gezien als een afgeleide daarvan. De vorm van administreren bepaalt de vorm en de omvang van de beschikbare informatie. Dat leidt er onder andere toe dat bij een wijziging in de administratieve verwerking -hetzij autonoom, hetzij als gevolg van gewijzigde regelingen of uitvoeringsorganisatie-de continuïteit'm de informatiestroom nietgewaarborgdis. Nog zeer recent is dat gebleken bij de invoering van de AAW. Toen is namelijk een nieuw informatiesysteem opgezet, dat voor de groepering van gevallen nauw aansluit bij de categorieën van uitkeringsgerechtigden die binnen de AAW worden onderscheiden. Het voordien gebruikte informatiesysteem ging in aansluiting op de WAO van een andere wijze van groepering van de gevallen uit. Een koppeling tussen de oude en de nieuwe groeperingen is vrijwel niet tot stand te brengen. Een dergelijke koppeling is uit een oogpunt van beleidsinformatie echter van het grootste belang. Bij het grote aantal regelingen en uitvoeringsorganen heeft deze wijze van benaderen ook tot gevolg dat een koppeling van informatie over de éne regeling met die over een andere regeling vrijwel niet valt te maken. Datzelfde geldt voor een koppeling met gegevens op andere beleidsterreinen, leder hanteert immers eigen indelingen en bepaalt zelf welke gegevens voor eigen gebruik van belang worden geacht. Een duidelijk voorbeeld daarvan vormt het feit dat een verdeling van de uitkeringsgerechtigden naar hoogte van uitkering niet beschikbaar is. Ook kunnen bij voorbeeld gegevens die in het kader van de arbeidsvoorziening beschikbaar zijn niet worden gekoppeld aan gegevens die beschikbaar zijn in het kader van uitvoering van de werkloosheidsregelingen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Ten slotte heeft de beschikbare informatie een duidelijk statistisch karakter. Slechts die gegevens zijn in de vorm van statistische overzichten beschikbaar waaraan in het verleden behoefte bleek. Voor zover niet in statistische overzichten vastgelegd is het materiaal niet meer beschikbaar of nauwelijks toegankelijk. Ook vraagt een aanpassing aan nieuwe wensen ten aanzien van informatie een lange periode van voorbereiding. Bij het geven van informatie aan de gebruikers wordt het stelsel van sociale zekerheid evenmin als een eenheid gezien. Daardoor is geen sprake van gecoördineerde individugerichte informatie als geïntegreerd onderdeel van de begeleidende functie. Voor onderdelen van de sociale zekerheid moet de verzekerde of uitkeringsgerechtigde bij telkens verschillende organen inlichtingen vragen (Raad van Arbeid, gemeentelijke sociale dienst, bedrijfsverenigingen). Zoals reeds eerder vermeld is inmiddels een experiment «Dienstverlening in de regio» opgezet, dat beoogt informatiepunten in te richten, waar voor het gehele stelsel van sociale zekerheid inlichtingen kunnen worden ingewonnen.

7.6.3. Op weg naar een modern informatiesysteem Nu geleidelijk de overtuiging veld wint dat de informerende functie zowel voor een individugerichte begeleiding als voor een terugkoppeling van uitvoering naar beleid onmisbaar is, wordt op verschillende fronten aan een verbetering van de informatiestromen gewerkt. Opgemerkt dient te worden dat het traditionele denken over informatievoorziening mede werd bepaald door de beperkingen van de beschikbare apparatuur. Thans ligt daar veel mindereen belemmering. Voorop moet worden gesteld, dat binnen het gehele proces van wijzigingen en verbeteringen van de informatie-opslag en -verwerking niet alleen de eisen die uit een oogpunt van beheersing en een optimale uitvoering van de sociale zekerheid aan nieuwe informatiesystemen worden gesteld een rol moeten spelen. Minstens zo belangrijk is de aandacht voor het scheppen van waarborgen tegen de aantasting van de persoonlijke levenssfeer van degenen van wie informatie wordt verzameld, opgeslagen of verwerkt. AI-hoewel dit probleem van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op meer terreinen waar de automatisering en informatie-opslag zich sterk uitbreidt speelt en daarom een algemene aanpak vraagt, zal -zeker in het kader van de sociale zekerheidsregelingen -hieraan bijzondere aandacht moeten worden besteed. De reeds in gang gezette verbetering van de informatiesystemen komt niet alleen tot uitdrukking in de verbetering en uitbreiding van afzonderlijke statistieken, zoals de WAO/AAW-statistiek, de statistiek van de Algemene Bijstandswet etc. maar blijkt ook uit het meer gestructureerde overleg over de opzet van de informatie in onder andere de Adviescommissie voor Statistieken voor de Sociale Zekerheid van het CBS en het Overlegorgaan Centrale Personenregistratie Sociale Verzekeringen.

Een nieuw informatiesysteem zal vooral aan twee eisen moeten voldoen: -samenhangen moeten duidelijk naar voren kunnen komen; -behalve op uitvoeringsinformatie, inclusief managementinformatie, moet het systeem zijn ingesteld op beleidsinformatie. Uit beide eisen vloeit een systeem voort met andere karakteristieken dan het huidige, namelijk: -met voldoende continuïteit; -met mogelijkheden tot interneen externe koppeling; -flexibel van opzet. In het huidige systeem zitten twee belemmeringen om aan deze karakteristieken te kunnen voldoen: -er is in het algemeen sprake van gevalsadministratie in plaats van persoonsadministratie; -slechts de gegevens die in statistische overzichten worden vastgelegd zijn blijvend en snel toegankelijk.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Beide belemmeringen zullen moeten worden weggenomen. Slechts door de nadruk te leggen op de persoon als ordeningscriterium wordt koppeling mogelijk, is continuïteit gegarandeerd en zijn snelle aanpassingen van het systeem mogelijk. Gemeenschappelijk in alle regelingen en facetten daar-van is immers het individu, dat verzekerd is, uitkeringen en voorzieningen krijgt en bepaalde voor de begeleiding relevante kenmerken heeft. Deze persoonsgebonden informatie hoeft slechts ten dele in de vorm van statistische informatie beschikbaar te komen. In een geautomatiseerd systeem kan veel meer informatie op de achtergrond beschikbaar zijn en blijven. Niet steeds kan immers op voorhand worden gezegd welke informatie beleidsrelevant is of zal worden. Zonder systeemaanpassingen kan in zo'n systeem telkens ad hoc de gewenste beleidsinformatie beschikbaar komen. Herhaald zij hier nog eens de bijzondere aandacht die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in dit verband vraagt. Bij de uitwerking van deze voorstellen zal aan de eisen op dat punt zeer veel gewicht moeten worden toegekend. Bij het geven van informatie aan individuele verzekerden en uitkeringsgerechtigden zou het -als verlengstuk van de begeleidende functie -gewenst zijn, dat die informatie zoveel mogelijk wordt gecoördineerd en zo dicht mogelijk bij de gebruiker wordt gebracht: informatieverschaffing in de regio voor alle regelingen.

7.6.4. De organisatie van de informatie De traditionele opvatting over de inhoud van de informerende functie uit zich ook in de organisatie van de informatie. Het zijn de afzonderlijke uitvoeringsorganen die ieder voor hun eigen terrein en als bijprodukt van hun andere functies statistische gegevens verzamelen en beschikbaar stellen. Wel is er de laatste jaren vooral vanuit het secretariaat van de SVR in samenwerking met de uitvoeringsorganen naar gestreefd meer statistische informatie te verschaffen dan de uitvoeringsorganen voor het eigen administratieve proces nodig hadden. De al genoemde verbetering van de statistieken over de arbeidsongeschiktheidsregelingen is daarvan onder andere het resultaat. Een belangrijke impuls tot een doorbraak in het denken over de organisatie van de informatie is gegeven door de Externe Commissie van Deskundigen van de SER (COMED). Om te bereiken dat de premies van de sociale verzekeringen niet alleen in zich zelf, maar ook onderling consistent zijn acht de COMED informatie op continue basis en gestuurd naar centrale instanties noodzakelijk. Bij de bepaling van de premiegrondslagen ziet de COMED daarbij een centrale plaats voor het Centraal Planbureau en het CBS, als verstrekkers van basisinformatie voor berekening van de uitkeringslasten voor de instanties die belast zijn met het opstellen van de calculatiepremies. In mindere mate gaat de COMED in op de informatie die gewenst is om de fundamentele oorzaken van de volumeontwikkeling van de sociale zekerheid aan het licht te brengen. Bij de inhoud die aan de informerende functie in de toekomst wordt gegeven zal dit aspect evenwel juist bijzondere aandacht moeten krijgen, omdat dit van het grootste belang is voor de beheersing en het volumebeleid. Daarbij zou ook het Sociaal Cultureel Planbureau kunnen worden betrokken. De organisatie van de informatie staat eveneens ter discussie in het Overlegorgaan Centrale Personenregistratie Sociale Verzekeringen. Vanuit zowel de uitvoeringstechnische aspecten als vanuit de behoefte aan beleidsinformatie wordt daar de mogelijkheid en wenselijkheid van een persoonsgebonden informatiesysteem onderzocht. Het trekken van definitieve conclusies wordt in dit overleg echter bemoeilijkt, omdat een persoonsgebonden informatiesysteem een drastische wijziging van de bestaande administratieve processen inhoudt en de uiteindelijke beslissing van de uitvoering dan ook in belangrijke mate wordt bepaald door de kostenbatenanalyse. Voor de beleidsinformatieve kant, waarvoor een persoonsgebonden administratie een vrijwel onmisbaar instrument is, is een dergelijke kostenbatenanalyse ech-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

ter niet of nauwelijks te maken. In het licht van de beschreven ontwikkelingen in het denken over de gewenste inhoud van de informerende functie is de totstandkoming van een persoonsgebonden informatiesysteem echter onontkoombaar. Naar de mening van de projectgroep zijn daarvoor voldoende argumenten aangevoerd. Niet langer mag de uitvoeringstechnische invalshoek het belang van voldoende beleidsinformatie blijven overschaduwen. Daarbij ligt een belangrijke taak voor het beheersingsorgaan, zowel vanuit zijn coördinerende en toezichthoudende als vanuit zijn adviserende functie. Coördinerend, omdat het gewenste informatiesysteem om een uniforme opzet en een centraal koppelingspunt vraagt. Toezichthoudend, omdat aan die functie slechts inhoud kan worden gegeven bij voldoende inhoudelijke informatie. Adviserend, omdat -zie de COMED-rapporten -de innerlijke en onderlinge consistentie van adviezen om gelijktijdige en continue informatie over verschillende aspecten vraagt. In hoofdstuk 8 wordt teruggekomen op de vraag welke organisatorische oplossingen mogelijk zijn om de verantwoordelijkheid van het beheersingsorgaan op dit punt vorm te geven. Ook voor een goede taakvervulling door de autonome uitvoeringsorganen is een dergelijk informatiesysteem echter gewenst. Bij de begeleiding en beoordeling van individuele uitkeringsgerechtigden kan dan immers worden beschikt over veel meer gegevens dan die in het kader van de eigen regeling.

7.7. CONCLUSIES UIT DE FUNCTIE-ANALYSE De opsplitsing van het uitvoeringsproces naar functies en een analyse van de wijze waarop die functies door de huidige uitvoeringsorganisatie worden vervuld, heeft een aantal knelpunten aan het licht gebracht. Bij iedere functie respectievelijk onderdelen daarvan werd nagegaan op welke punten in de uitvoeringsorganisatie belemmeringen zijn gelegen voor een betere beheersing van de sociale zekerheid, het inhoud geven aan een volumebeleid en een individugerichte benadering van de uitkeringsgerechtigden. Telkens werd aangegeven in welke richting aanpassingen gewenst zijn. Onderstaand zal worden nagegaan in hoeverre conclusies op onderdelen in een totale conceptie van de uitvoeringsstructuur kunnen uitmonden. De analyse tot nu toe overziende kan een aantal hoofdlijnen worden onderkend:-decentralisatie van uitvoerings-en bestuursbevoegdheden, daar waar een individugerichte benadering, beheersbaarheid en volumebeleid gelijkluidende eisen aan de uitvoeringsorganisatie stellen;-toekennen van coördinerende bevoegdheden aan het beheersingsorgaan, daar waar het beheersingsaspect en als onderdeel daarvan de terugkoppeling van uitvoering naar beleidsvorming overheerst.

Slechts bij een duidelijk gestructureerde decentralisatie kan aan beide gestelde uitgangspunten worden voldaan. Gebleken is dat thans de verscheidenheid in sociale zekerheidsregelingen, maar in het bijzonder de verbrokkelde uitvoering daarvan, de beheersing, de individugerichte benadering en een gericht volumebeleid in de weg staan. Daarbij speelt mede een rol het verschil in de structuur van de uitvoering van de sociale zekerheid en van verwante beleidsterreinen, waarmee coördinatie onmisbaar is. Bij de keuze van de vorm van decentralisatie kan in twee hoofdrichtingen worden gedacht: een bedrijfstaksgebonden structuur of een regionale structuur. Vanzelfsprekend zal in beide de inbreng van het georganiseerde bedrijfsleven niet kunnen ontbreken. Vooreen bedrijfstaksgebonden structuur pleiten twee argumenten: -in de begeleiding kunnen bedrijfstaksgebonden aspecten optimaal tot hun recht komen; -de uitvoeringorganisatie is van oudsher grotendeels bedrijfstaksgewijze ingericht.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Een regionale structuur heeft daarentegen overwegende voordelen, omdat: -in de begeleiding de uit een oogpunt van beheersing, volumebeleid en individugerichte benadering meest relevante aspecten regionaal optimaal tot hun recht kunnen komen; -de bereikbaarheid voor de gebruiker -zowel bestuurlijk als administratiefoptimaal is; -het aantal coördinatielijnen met uitvoeringsorganen voor verwante beleidsterreinen kan worden geminimaliseerd.

Reeds eerder werd uitgesproken dat aan de regionale aspecten naarmate structurele oorzaken van uittreding uit het arbeidsproces meer en blijvend overheersen, een zwaarder accent moet worden toegekend dan aan bedrijfstaksgebonden aspecten. Dat geldt met name bij de socialezekerheidsregelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Evenzeer is benadrukt dat voor een beheersing en individugerichte begeleiding een zo nauw mogelijke samenwerking met andere beleidsterreinen -waar een regionale uitvoeringsstructuur bestaat -onmisbaar is. Met name op grond van die twee overwegingen verdient een regionale uitvoering voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van de risicodekking en de daarbij behorende begeleiding de voorkeur. Uitvoering en bestuurlijke beslissingen zijn bij deze (sub)functies zeer nauw gekoppeld. Daarom vraagt de coördinatie met andere beleidsterreinen om bevoegdheden in de regio op bestuurlijk niveau. Voorts is erop gewezen dat het in het kader van de begeleidende en informerende functie van belang kan zijn, de bestaande scheiding tussen de uitvoering van de demografische verzekeringen en de uitvoering van de overige socialezekerheidsregelingen niet langer te handhaven. Op die wijze kan een bundeling van alle socialezekerheidsregelingen voor wat betreft de distribuerende en begeleidende functie worden bereikt. Ten aanzien van de collecterende functie zijn voorshands geen wijzigingen voorgesteld. Dit houdt in dat de belastingdienst blijft belast met de collecterende functie van de volksverzekeringen en de KWL en de bedrijfsverenigingen met de collecterende functie van de overige socialezekerheidsregelingen. Ten aanzien van de informerende functies is een duidelijke taak voor het beheersingsorgaan geconstateerd. De op dit punt aan het beheersingsorgaan toegekende taak heeft twee achtergronden'. -slechts een centrale verantwoordelijkheid voor een goed en uniform in-formatiesysteem kan het verbrokkelde karakter van de huidige informatievoorziening doorbreken; -vanuit zijn adviserende en toezichthoudende functie dient het beheersingsorgaan over adequate informatie te beschikken; slechts dan is een goed toezicht en een snelle terugkoppeling van uitvoeringsniveau naar beleidsniveau mogelijk.

Aan de hand van bovenstaande conclusies heeft de projectgroep een opzet voor een globale schets van de toekomstige uitvoeringsorganisatie gemaakt, welke in hoofdstuk 8 aan de orde zal komen.

7.8. DE UITVOERING DOOR BEDRIJFSVERENIGINGEN VAN TAKEN OP NEVENTERREINEN Tot nu heeft de functie-analyse zich geconcentreerd op de uitvoering van de sociale zekerheid. Er is echter in het verleden een duidelijke koppeling ontstaan tussen de uitvoering door de bedrijfsverenigingen van een aantal socialezekerheidsregelingen en de uitvoering van taken op neventerreinen. In een aantal gevallen is de administratie van de bedrijfsvereniging zelfs geïntegreerd in een sociaal bedrijfstaksfonds, zoals het Sociaal Fonds Bouwnijverheid, de Grafische Bedrijfsfondsen en de Agrarische Sociale Fondsen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

De bedrijfstaksgewijze opzet van de uitvoering van de WW, de ZW, de AAW en de WAO leenden zich er uit een oogpunt van doelmatigheid bijzonder goed voor om de collecterende, de distribuerende en in toenemende mate ook de begeleidende en informerende taken uit hoofde van een aantal bedrijfstaksactiviteiten aan de uitvoering van de sociale zekerheid vast te haken. Van oudsher kunnen in dat verband worden genoemd een aantal regelingen, die enigermate in het verlengde liggen van de collecterende en distribuerende functie bij de sociale zekerheid: pensioenregelingen, vakantiebonnensystemen, vorstverletregelingen, aanvullende regelingen voortvloeiend uit ca.o.-afspraken e.d. In de loop der jaren zijn daar andere taken op het financiële vlak bijgekomen, zoals de heffing van bijdragen voor vakbondsactiviteiten, de uitvoering van minimumloonsubsidies en andere overheidsbijdragen aan bedrijven, de uitkeringen in het kader van vervroegd uittreden etc. De laatste tijd is -net als binnen de sociale zekerheid -bovendien een toename van activiteiten op het terrein van het volumebeleid en de voor bedrijven relevante informatie te constateren. Gedacht kan daarbij worden aan de begeleiding van individuele bedrijven op het gebied van ongevallen-en ziektepreventie, bestrijding van beunhazerij, voorlichting over bedrijfstaksaangelegenheden etc. De projectgroep onderkent de waarde van deze nevenactiviteiten en de uitgroei van de bedrijfsverenigingen tot organen met een ruimere taak binnen de onderscheiden bedrijfstakken. Met name de genoemde verbreding van het werkterrein met betrekking tot het volumebeleid binnen de bedrijven acht zij van groot belang.

Bij de conclusies die uit de functie-analyse ten aanzien van de uitvoeringsorganisatie worden getrokken dient het handhaven van deze neventaken te worden betrokken. De projectgroep meent evenwel dat deze nevenactiviteiten het doelmatig uitvoeren van de sociale zekerheid niet in de weg mogen en ook niet hoeven te staan. Het uitvoeren van nevenactiviteiten door de bedrijfsverenigingen blijft mogelijk ook bij de door de projectgroep voorgestane regionalisatie van een deel van de uitvoering van de sociale zekerheid. Een voornaam element daarbij is de keuze, die de projectgroep heeft gemaakt om de collecterende functie voor de WW, ZW, WAO en de verplichte ZFW vooralsnog door de bedrijfsverenigingen te laten verrichten. Daardoor blijven rechtstreekse geld-en informatiestromen tussen de bedrijfsverenigingen en de bedrijven gehandhaafd. Bij neventaken in het collecterende en distribuerende vlak kan daarbij worden aangehaakt. Uiteraard zullen de regionale uitvoeringsorganen bedrijfstaksgewijs gedifferentieerde taken die direct verband houden met de uitvoering van de sociale zekerheid (zoals bovenwettelijke ziekengelduitkeringen) volgens door de bedrijfsverenigingen genomen besluiten moeten uitvoeren. Ten aanzien van de collecterende functie en taken op neventerreinen zal naar de mening van de projectgroep moeten worden bezien welke faciliteiten desgewenst door de regionale uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid aan de bedrijfsverenigingen kunnen worden verleend.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Hoofdstuk 8. Globale schets van een toekomstige uitvoeringsorganisatie

8.1. ALGEMEEN

Bij de analyse van functies, die in het uitvoeringsproces zijn te onderscheiden, is van een drietal onderling nauw verweven uitgangspunten uitgegaan: een goede beheersing, een gecoördineerde, individu gerichte begeleiding van uitkeringsgerechtigden en centrale aandacht voor het volumebeleid. Vanuit de noodzaak te komen tot een betere beheersing werden in het eerste deel van dit interim-rapport al voorstellen uitgewerkt ten aanzien van doelstelling, taken en bevoegdheden van het beheersingsorgaan. De conclusies uit de functie-analyse in dit tweede deel moeten nu nog vertaald worden in een ruwe schets voor de gehele toekomstige uitvoeringsorganisatie. Door de keuze van uitgangspunten past in deze schets het in het eerste deel verder uitgewerkte beheersingsorgaan. Duidelijk is echter gebleken dat het aanscherpen van doelstelling, taken en bevoegdheden van het beheersingsorgaan niet meer dan een eerste stap kan zijn op weg naar een zodanige herstructerering van de gehele uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid, dat aansluiting bij de maatschappelijke ontwikkeling blijft bestaan. In de drie genoemde uitgangspunten vindt die maatschappelijke ontwikkeling haar vertaling. Getoetst aan deze uitgangspunten werd een aantal knelpunten in de bestaande uitvoeringsstructuur gesignaleerd. Naar het oordeel van de projectgroep kunnen die knelpunten in belangrijke mate worden weggenomen door een uitvoeringstechnische én bestuurlijke regionalisatie van een aantal functies, met name het vaststellen van het recht op en de hoogte van de risicodekking en de begeleiding van de individuele uitkeringsgerechtigden. Een uitvoeringsoptimum kan worden bereikt door de vorming van regionale uitvoeringsorganen, die deze functies voor alle socialezekerheidsregelingen vervullen. Daarmee zou niet alleen recht worden gedaan aan de samenhangen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid, maar tevens zou een optimale uitgangssituatie worden verkregen voor coördinatie met andere beleidsterreinen, waarvan de uitvoeringsstructuur in het algemeen regionaal is opgezet. Te zamen met de bereikbaarheid voor de gebruikers, die door regionalisatie wordt verbeterd, maakt dat een individugerichte, gecoördineerde begeleiding mogelijk en schept de best mogelijke voorwaarden voor een volumebeleid en mede daardoor voor een betere beheersing van de sociale zekerheid. Deze conclusie geeft naar de mening van de projectgroep de richting aan waarin de uitvoeringsorganisatie zich dient te ontwikkelen. De wijze waarop deze gedachte zich laat vertalen in concrete uitvoeringsstructuren zou echter in een brede maatschappelijke discussie moeten groeien. Dat geldt zowel voor de vorm van de toekomstige eindsituatie als voor de weg waarlangs en de tijd waarin die eindsituatie bereikt kan worden. In die gedachtenvorming zullen met name de sociale partners moeten worden betrokken. In de totstandkoming van het huidige stelsel en uitvoeringsorganisatie hadden zij een belangrijk aandeel. Ook thans nog dragen zij grote bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sociale zekerheid. Evenzeer zullen aan die discussie echter moeten deelnemen de huidige uitvoeringsorganen en de daarbij werkzame werknemers. Niet alleen vanwege hun grote kennis van en inzicht in de praktijk van het uitvoeringsproces maar evenzeer omdat het bij iedere herstructurering om mensen gaat.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Veranderingen raken de werknemers van de verschillende uitvoeringsorganen in bijzondere mate. In ieder geval zou naar de mening van de projectgroep gezocht moeten worden naar een zodanige fasering in het veranderingsproces dat geen verlies van arbeidsplaatsen optreedt en functionele verschuivingen binnen het gehele uitvoeringsproces zoveel mogelijk langs de weg van het natuurlijk verloop kunnen worden gerealiseerd. Dat is niet alleen in het belang van de individuele werknemers, maar dient evenzeer om de continuïteit in de uitvoering te verzekeren. Hoewel de projectgroep voor de uitvoeringsstructuur als geheel in dit tweede deel slechts een definitieve conclusie meent te kunnen trekken ten aanzien van de richting waarin deze zich moet ontwikkelen, kan daarmee niet worden volstaan. Met de discussie over de uitwerking moet nu een begin worden gemaakt. Daarom wordt tot slot van dit tweede deel een schets van de toekomstige uitvoeringsorganisatie in hoofdlijnen gegeven. Een nadere concretisering blijft geboden. Ook zullen alternatieven worden geschetst ten aanzien van de wijze waarop het veranderingsproces zou kunnen verlopen. De projectgroep hoopt daarmee gericht tot de discussie bij te dragen. Allereerst zal daartoe in 8.2 de organisatorische opzet van de regionale uitvoeringsorganen nader worden verduidelijkt. Vervolgens wordt in 8.3 de huidige uitvoering van de sociale zekerheid als geheel vergeleken met een situatie, waarin dergelijke regionale organen en het in het eerste deel van dit interim-rapport uitgewerkte beheersingsorgaan functioneren. In 8.4 ten slotte wordt een aantal knelpunten in het veranderingsproces en mogelijke alternatieven voor de oplossing daarvan beschreven.

8 2 DE REGIONALE UITVOERINGSORGANEN De regionale organen zouden zich vooral moeten richten op de gevalsbehandeling; deze wordt ontkoppeld van de overige functies van de uitvoering van de sociale zekerheid. Zij zouden worden belast met de gevalsbehandeling van alle hier behandelde socialezekerheidsregelingen, zowel de demografische verzekeringen als de -thans nog onderscheiden, maar in de toekomst wellicht meer geïntegreerde -socialezekerheidsregelingen op het terrein van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Door het wegnemen van de noodzaak tot het onderhouden van coördinatielijnen tussen een groot aantal uitvoeringsorganen binnen de sociale zekerheid kan de homogeniteit en de continuïteit in de beoordeling van aanspraken, de begeleiding en de controle worden verbeterd. Tevens wordt het aantal coördinatielijnen tussen de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid en die op verwante terreinen van sociaal beleid (GAB's, arbeidsinspecties, maatschappelijk werk, instanties en personen werkzaam op het terrein van de gezondheidszorg) tot een minimum beperkt. Door middel van de functie-analyse in hoofdstuk 7 heeft de projectgroep onderbouwd dat voor de gevalsbehandeling een uitvoeringsoptimum op regionaal niveau wordt bereikt. Het vaststellen van het exacte aantal regionale uitvoeringsorganen en de indeling van het land in werkgebieden vraagt een meer uitvoerige studie dan in het kader van dit interim-rapport mogelijk is. In een volgend deelrapport wordt daarop teruggekomen. Dan komen vragen aan de orde als: -op welke schaal de uitvoeringstaak van de sociale zekerheid technisch en economisch optimaal kan worden uitgeoefend; -bij welke gebiedsindeling coördinatie met andere beleidsterreinen (arbeidsvoorziening, (bedrijfs)gezondheidszorg, welzijnsbeleid etc.) het meest doelmatig plaatsvindt; -welke samenhangende woon/werk/verzorgingsgebieden zijn te onderscheiden (bij voorbeeld COROP-systeem-Coördinatiecommissie Regionaal Onderzoekersprogramma);

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

-in hoeverre qua schaal van functioneren kan worden aangesloten bij de bestuurlijke organisatie van ons land c.q. de voorgenomen veranderingen daarin; -of ter verbetering van de bereikbaarheid aan het regionaal orgaan hiërarchisch ondergeschikte bijkantoren en/of meldingsposten moeten worden toegevoegd. Eveneens vanuit de functie-analyse is de projectgroep tot de conclusie gekomen, dat aan de regionale organen eigen bestuurlijke bevoegdheden moeten worden toegekend. Deze conclusie is in feite tweeledig. In de eerste plaats houdt zij in dat de projectgroep het mogelijk acht de individuele gevalsbehandeling niet langer een onderdeel te laten zijn van de essentiële bestuurstaken van de landelijke bedrijfsverenigingen voor wat betreft de WW, ZW, AAW en WAO en elk van de gemeentebesturen afzonderlijk voor wat betreft de WWV en RWW. In de tweede plaats heeft de projectgroep een oordeel gegeven over de vraag waar de beslissingsbevoegdheid voor de in-dividuele gevalsbehandeling in laatste instantie moet worden gelegd. Zuiver analytisch gezien waren daarvoor een aantal varianten denkbaar: a. Zo nodig neemt het bestuur van de bedrijfsvereniging c.q. het gemeentebestuur, dat de algemene richtlijn heeft opgesteld dan wel onderschreven, een definitieve beslissing. b. Steeds wordt conform de gegeven richtlijnen een definitieve beslissing in individuele gevallen door de administratieftechnische uitvoerders genomen. Beroep is slechts mogelijk bij de rechter. c. Aan het regionale orgaan worden eigen bestuurlijke verantwoordelijkheden toegekend.

Naar de mening van de projectgroep biedt de eerste mogelijkheid een nauwelijks werkbare oplossing. Weliswaar wordt in het net van coördinatie-en beslissingslijnen binnen de sociale zekerheid en ten opzichte van andere beleidsterreinen een duidelijk administratief knooppunt gelegd, de beslissingslijnen zelf worden niet wezenlijk verkort en homogeniteit en continuï-teit van de beslissingen is niet gegarandeerd. Er blijft een mandaatverhouding bestaan tussen administratieve uitvoerders in de regio en verschillende beslissende instanties op landelijk c.q. lokaal niveau. Een snelle en gecoördineerde beslissing ten aanzien van de beoordeling en begeleiding van moeilijke gevallen is dan niet verzekerd. Juist in die gevallen is dat echter een eerste vereiste. De onder b genoemde oplossing sluit het meest aan bij de werkwijze van de belastingdienst. Ook daar wordt binnen de door de Minister gegeven richtlijnen te allen tijde in een zuiver administratieve procedure beslist, met na de definitieve beslissing alleen de mogelijkheid van beroep bij de rechter. Zou de sociale zekerheid zich beperken tot het verstrekken van uitkeringen, dan zou dat systeem zeker ook daar te overwegen zijn. Juist de versterkte aandacht voor het volumebeleid, de individugerichte begeleiding en de noodzaak tot coördinatie met andere terreinen van sociaal beleid vraagt echter om het nemen van bestuurlijke beslissingen bij de individuele gevalsbehandeling. Op grond van deze afweging heeft de projectgroep gekozen voor het toekennen van eigen bestuurlijke bevoegdheden aan de regionale organen. Met andere woorden een deconcentratie van de uitvoering acht zij onvoldoende. Gelet op de functievervulling is bestuurlijke decentralisatie van de gevalsbehandeling noodzakelijk. Daarmee wordt aangesloten op een maatschappelijke ontwikkeling, die op andere terreinen van beleid eveneens tot het leggen van verantwoordelijkheden zo dicht mogelijk bij de direct betrokkenen leidt. Beslissingen dienen daar te worden genomen, waar het constateren van samenhangen mogelijkheden tot beïnvloeding biedt. Deze gedecentraliseerde uitvoering dient echter te geschieden binnen een kader van regels die op landelijk niveau ten aanzien van het beleid in het algemeen worden vastgesteld. Ten einde de homogeniteit van het uitvoe-20 Zie ook mr. H. van Brussel. Inleiding voor de jaarvergadering van de Federatie van Bedrijfs verenigingen op 20 oktober 1978

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

ringsbeleid veilig te stellen zal een toetsing van het regionale beleid door het beheersingsorgaan tot een bijstelling van deze regels kunnen leiden. In het overleg over deze regels zullen ook de bedrijfsverenigingen en gemeentebesturen moeten worden betrokken. Deze zullen zich daardoor vooral kunnen richten op het beleid ten aanzien van de uit te voeren regeling in het algemeen. De besturen van de regionale organen zullen zodanig moeten zijn samengesteld, dat daarin de verantwoordelijkheid voor de specifieke taak van de regionale organen en de inspraak van maatschappelijke groeperingen tot uitdrukking komt. Gedacht wordt dan aan vertegenwoordigers van c.q. benoeming door: -werknemers-en werkgeversorganisaties, vanwege hun betrokkenheid bij de volumeproblematiek en de financiering van het stelsel; -de gemeentebesturen, op grond van hun bestuurlijke taak binnen de betrokken regio in het algemeen, maar daarnaast in het bijzonder vanwege hun verantwoordelijkheid in het kader van het welzijnsbeleid en -althans binnen het huidige stelsel van werkloosheidsregeling -voor de uitkeringen op grond van WWV en de RWW; -eventueel ook provinciale besturen; -eventueel ook andere maatschappelijke organisaties (bij voorbeeld van uitkeringsgerechtigden) waarbij onder meer kan worden aangesloten op de gedachtenontwikkeling in het kader van de Raamwet Inkomensvorming; -de Minister, vanwege zijn functionele verantwoordelijkheid voor de gehele uitvoering van de sociale zekerheid, waarbij zowel gedacht zou kunnen worden aan ministeriële vertegenwoordigers (bij voorbeeld provinciale consulenten) als aan door de Minister benoemde, onafhankelijke leden.

Van een aantal instanties vraagt dat een duidelijke aanpassing van de eigen organisatorische opzet en taakopvatting. Zo zou voor de provinciale consulenten die zich thans met de uitvoering van de WWV en WSW bezighouden, een duidelijke verbreding van het werkterrein optreden. Ook de werknemers-en werkgeversorganisaties zullen echter de besturen van de regionale organen slechts kunnen bemannen, indien de versterking van hun rol in de regio -waarover met name van de zijde van de vakbeweging positieve uitspraken zijn gedaan -is gerealiseerd. Ook in de interne structuur van die organisaties vraagt dat echter om verschuivingen die slechts in een groeiproces zijn te realiseren. Het spreekt vanzelf dat de inpassing van de hier in hoofdlijnen geschetste regionale uitvoeringsorganen in de bestaande organisatiesstructuur niet eenvoudig zal zijn. Op knelpunten die daarbij optreden en alternatieve oplossingen, die bij het toegroeien naar een nieuwe structuur denkbaar zijn, wordt in de volgende paragrafen ingegaan.

8.3. DE HUIDIGE UITVOERINGSORGANISATIE IN VERGELIJKING MET DE TOEKOMSTIGE STRUCTUUR Ten aanzien van een tweetal bouwstenen in de uitvoeringsstructuur heeft de projectgroep tot nu toe definitieve conclusies getrokken. In het eerste deel van dit interim-rapport zijn de doelstelling, de taken en de bevoegdheden van het beheersingsorgaan concreet uitgewerkt. In dit tweede deel is een geleidelijke ontwikkeling naar regionale uitvoeringsorganen voor alle sociale zekerheidsregelingen met eigen bestuurlijke bevoegdheden bepleit. De projectgroep is zich ervan bewust, dat daarmee niet de gehele toekomstige uitvoeringsorganisatie is getekend en evenmin de weg aangegeven waarlangs de toekomstige structuur vanuit het bestaande kan worden bereikt. De conclusies ten aanzien van het beheersingsorgaan en de regionale uitvoeringsorganen acht zij een voorwaarde voor een uitvoeringsorganisatie die voldoet aan de uitgangspunten die in de komende periode voor het sociale zekerheidsbeleid moeten gelden. Ten aanzien van de structuur als Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

geheel is zij van mening dat die op basis van een brede discussie moet groeien. Om na te gaan waar de verschillen tussen de bestaande uitvoeringsorganisatie en de hoofdlijnen van de toekomstige structuur liggen, worden beide in deze paragraaf vergeleken.

Schema 1 geeft een beeld van de huidige uitvoeringsorganisatie. Onderscheiden is een vijftal niveaus: -het beleid op ministerieel niveau; -de beheersing; -de landelijke uitvoering; -de regionale uitvoering; -de lokale uitvoering.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Schema 1, De huidige uitvoering van de sociale zekerheid

RWW WWV

Beleidsvormend niveau

Beheersingsorgaan

Landelijke uitvoering

Intergemeentelijke sociale diensten

Regionale uitvoering

->

Lokale uitvoering

Demografische verzekeringen

SVB

Vereniging van Raden van Arbeid

Raden van Arbeid

Gemeentebesturen gemeentelijke sociale diensten I D

Ministers -V-

I

Overige socialezekerheidsregelingen (WW, ZW, AAW, WAO)

Federatie van Bedrijfsverenigingen 1 GAK

BV

Zelf adm.

Bedrijfs-^

verenigingen

BV BV

BV

Eventuele districtskantoren zelf. adm. bedrijfsverenigingen

Districtskantoren GAK

lokale vestigingen GAK I

I

eventuele lokale vestigingen zelf administrerende bedrijfsverenigingen D "^

i

overleg, coördinatie

toezicht, regelgeving

Kenmerkend in de bestaande structuur zijn: -de organisatorische opbouw vanuit de onderscheiden wettelijke socialezekerheidsregelingen; -de beperkte mogelijkheid tot beheersing, door onvoldoende duidelijkheid over de bevoegdheden van het beheersingsorgaan c.q. de Minister enerzijds in verhouding tot de autonome positie van bedrijfsverenigingen, SVB en Raden van Arbeid, en gemeenten anderzijds; -de autonome beslissingsbevoegdheid op verschillende niveaus in de uitvoering: voor de WWV en RWW op lokaal niveau, voor de demografische verzekeringen op regionaal niveau, en voor de overige sociale verzekeringen op landelijk niveau, maar bedrijfstaksgewijze georganiseerd; -de directe bevoegdheden van de Minister zonder tussenschakeling van het beheersingsorgaan ten aanzien van de uitvoering van de WWV en de RWW en het getrapte toezicht van het beheersingsorgaan op de autonome organen (Raden van Arbeid) die belast zijn met de uitvoering van de demografische verzekeringen; -het grote aantal uitvoeringsorganen op regionaal en lokaal niveau, waartussen slechts formele relaties bestaan via de hogere uitvoeringsniveaus, voor de drie onderscheiden blokken zelfs slechts via het beheersingsniveau, dan wel het ministeriële niveau.

Het zijn met name deze kenmerken van de huidige uitvoeringsorganisatie, waaruit bij het onderzoek naar de beheersingsstructuur in het eerste deel van dit interim-rapport en bij de functie-analyse in dit tweede deel knelpunten bleken voort te vloeien. Om die weg te nemen is het noodzakelijk een geleidelijke verandering tot stand te brengen naar een uitvoeringsstructuur met een duidelijk andere opbouw. Inpassing van het beschreven beheersingsorgaan en de regionale uitvoeringsorganen leidt tot een structuur zoals die in grote lijnen -dat wil zeggen met weglating van een aantal aspecten die bij de functie-analyse meer uitvoerig werden beschreven -in schema 2 is geschetst. De verschillen zijn duidelijk. De organisatiestructuur in schema 2 wordt gekenmerkt door:

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Schema 2. Hoofdlijnen van de toekomstige uitvoering van de sociale zekerheid

Demografische verzekeringen

Sociale zekerheidsregelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid

n> ca O.

3 ca

3 -*

UI UI

3 I

s

Beleidsvormend orgaan

Beheersingsorgaan

Landelijke uitvoering

Regionale uitvoering

Lokale uitvoering

Landelijke uitvoering demografische verzekenngen

Gebundeld beheer van fondsen

Ministers

Beheersingsorgaan

I I

Centrale coördinatie informerende functie Landelijke uitvoering overige socialezekerheidsregelingen 8V BV Regionale uitvoeringsorganen vU

^

l

) kantoren/ rnetdingsp os te n

n/

overleg, coördinatie

toezicht, regelgeving

-een organisatorische opbouw vanuit een functionele taakverdeling; -autonome bevoegdheden ten aanzien van het algemene beleid op het terrein van respectievelijk de demografische verzekeringen en de overige socialezekerheidsregelingen voor landelijke uitvoeringsorganen, met bij de regelingen ingeval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid langs die weg ruimte voor de inbreng van de bedrijfsverenigingen; -een gebundeld beheer van fondsen; -centrale coördinatie van de informerende functie; -autonome bevoegdheden voor de regionale uitvoeringsorganen ten aanzien van de gevalsbehandeling; -een duidelijke beheersingsstructuur door de directe verantwoordelijkheid van het beheersingsorgaan voor coördinatie van en toezicht op de gehele (functioneel verdeelde) uitvoering op landelijk en regionaal niveau.

Op een aantal punten binnen dit functionele schema zijn alternatieven voor de organisatorische uitwerking denkbaar. Uit een oogpunt van beheersing is een gebundeld beheer van fondsen gewenst. Ten aanzien van het orgaan dat daarmee wordt belast kan gedacht worden aan: -het beheersingsorgaan; -de Sociale Verzekeringsbank; -een nieuw in te stellen autonoom orgaan.

Tegen het belasten van het beheersingsorgaan met deze taak pleit, dat dan een vermenging optreedt van uitvoerende taken (fondsbeheer) en toezichthoudende taken (zie ook deel I hoofdstuk 5). Een voordeel van het opdragen van het gebundeld beheer van alle fondsen aan de Sociale Verzekeringsbank zou zijn dat het meest wordt aangesloten bij de bestaande uitvoeringsorganisatie. De SVB is reeds nu belast met het fondsbeheer voor alle demografische verzekeringen. De aanwezige kennis en mankracht zou kunnen worden benut en eventueel uitgebreid om alle fondsen te beheren. Het opdragen van het gebundeld fondsbeheer aan een nieuw in te stellen autonoom orgaan zou met name dan te overwegen zijn indien aan dat orgaan ook andere taken in het uitvoeringsvlak, die nauw verbonden zijn met de coördinerende taak van het beheersingsorgaan, kunnen worden opgedragen. Met name wordt dan gedacht aan taken ten aanzien van een gecoördineerde informatieverzameling. Voor deze in schema 2 afzonderlijk onderscheiden functie ziet de projectgroep organisatorisch twee alternatieven: in-tegratie van deze functie binnen het beheersingsorgaan, dan wel het opdragen van deze functie aan een nauw met het beheersingsorgaan verbonden afzonderlijk orgaan. In een volgend deelrapport zal zo nodig op het gebundeld beheer van fondsen worden teruggekomen. Het dit jaar te verwachten eindrapport van de COMED zal eveneens ingaan op de organisatorische consequenties van de conclusies die in de eerste drie deelrapporten ten aanzien van de informatieverzameling en het gebundeld fondsbeheer zijn getrokken. Zeer belangrijk is ook de nadere uitwerking die wordt gegeven aan het taakgebied «landelijke uitvoering sociale zekerheidsregelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid». Met name moet daarbij aandacht zijn voor: -of het toezicht van het beheersingsorgaan zich moet blijven richten op de afzonderlijke bedrijfsverenigingen, dan wel primair op een samenwerkingsverband van bedrijfsverenigingen: met andere woorden of de huidige Federatie van Bedrijfsverenigingen een versterkte formele positie moet krijgen; -hoe de gedifferentieerde en gemeentelijke inbreng bij een geïntegreer-de werkloosheidsregeling gehandhaafd blijft en zo ja op welke wijze; -in hoeverre de bedrijfstaksgewijze inbreng bij een geïntegreerde werkloosheidsregeling gehandhaafd blijft en zo ja op welke wijze; -in hoeverre bij het bieden van faciliteiten door de regionale organen aan de bedrijfsverenigingen voor het vervullen van de collecterende functie en Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

van taken op neventerreinen het beheersingsorgaan als tussenschakel achterwege kan blijven; dat mag echter niet tot conflictsituaties leiden ten aanzien van de uitvoering van de sociale zekerheid. Niet zichtbaar gemaakt in de schema's van de huidige en toekomstige uitvoering van de sociale zekerheid is de plaats en de organisatorische opbouw van de sociaal-medische begeleiding. De projectgroep acht de taak van de socialeverzekeringsgeneeskunde in de begeleiding van individuele uitkerirgsgerechtigden een zo belangrijke en de daaraan verbonden organisatorische problematiek zo gecompliceerd, dat daarop in een afzonderlijk deelrapport zal worden ingegaan. Enkele uitgangspunten zijn echter bij de functie-analyse reeds geschetst: -continuïteit in de medische beoordeling, begeleiding en controle; -coördinatie tussen de bedrijfsgeneeskundige zorg, de algemene gezondheidszorg en de socialeverzekeringsgeneeskunde; -samenwerking tussen sociaal-medische begeleiding en de arbeidsbemiddeling. Een goede begeleiding vraagt om bereikbaarheid voor de gebruikers en een structuur die samenwerking met andere terreinen van sociaal beleid mogelijk maakt. Dat houdt in dat ook de sociaal-medische begeleiding regionaai zal moeten worden opgezet. De vraag of de sociaal-medische begeleiding volledig moet worden ingebouwd in de regionale uitvoeringsorganen voor sociale zekerheid, daarmee organisatorisch nauw verbonden dient te zijn, dan wel een meer centrale positie ten opzichte van de uitvoering op verschillende beleidsterreinen moet innemen, alsmede de consequenties daar-van voor de landelijke structuur verdienen, zoals gezegd, nadere studie. De projectgroep heeft haar voorstellen tot het instellen van regionale uitvoeringsorganen met eigen bestuurlijke bevoegdheden mede verdedigd op grond van het feit dat in de huidige verbrokkelde structuur een duidelijke belemmering lag voor de coördinatie met andere beleidsterreinen met een veelal regionale uitvoeringsstructuur. Coördinatie in de regio zal echter slechts mogelijk zijn, indien ook een goede onderlinge aansluiting van op landelijk niveau gegeven regels voor de verschillende beleidsterreinen en van de totale beleidsconceptie daarachter tot stand komt. Om die onderlinge coördinatie te bereiken zijn landelijke overlegorganen nodig, die telkens clusters van raakpunten tussen regionale beleidsterreinen vormen. Gedacht kan daarbij worden aan overlegorganen die ten dele ook thans reeds bestaan, zoals het Overlegorgaan Werkloosheids-en Arbeidsvoorzieningen (OWA). Onderstaand schema brengt die structuur tot uitdrukking.

Schema 3. Coördinatie van beleidsterreinen

Landelijk niveau

I

Sociale zekerheid

I

Sociale-verzekeringsgeneeskunde

I

Arbeidsvoorziening

*

Arbeids-omstanriighedenbeleid

I

Welzijns-beleid

M/

Regionaal niveau

etc.

I I

I

I I

I

/K I I overleg, coördi natie

toezicht, regelgeving

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Tot slot van deze paragraaf zal kort worden stilgestaan bij het kostenaspect van een verandering in uitvoeringsstructuur. Daarbij kan nauw worden aangesloten bij de in dit interim-rapport gekozen uitgangspunten: beheersing, versterkte aandacht voor het volumebeleid en een individugerichte benadering. Bij beheersing is steeds zowel het kostenaspect als het kwaliteitsaspect van de risicodekking, de financiering en de uitvoeringsorganisatie benadrukt. Het is onmogelijk in dit eerste interim-rapport een kostenbatenafweging in kwantitatieve zin te geven. Daarvoor behoeft nog te veel een nadere invulling. Duidelijk is wel gebleken dat zich in de huidige situatie doublures voordoen, onder andere bij de uitvoering van de werkloosheidsregelingen door de bedrijfsverenigingen en de gemeenten. Ook vindt onvoldoende aansluiting plaats tussen organen die parallel of in eikaars verlengde werken, zowel binnen de sociale zekerheid (bij voorbeeld medische diensten van bedrijfsverenigingen en GMD) als tussen uitvoeringsorganen binnen de sociale zekerheid en die op verwante terreinen (GAB's, bedrijfsgezondheidszorg en dergelijke). Het wegnemen van die doublures en het scheppen van mogelijkheden tot een betere coördinatie is uit een oogpunt van doelmatigheid van de uitvoering en dus ook van kostenbeheersing van het grootste belang. Veel belangrijker is echter nog, dat daardoor de kwaliteit van de uitvoering wordt verbeterd. Er ontstaan betere mogelijkheden om in te spelen op de gevolgen van een structureel krappe werkgelegenheidssituatie voor de omvang van het beroep op sociale zekerheid. De groei van dat beroep op de sociale zekerheid is -zoals in onder andere Bestek '81 is gesteld -de voornaamste oorzaak van de uitgavenontwikkeling geweest. Een versterkte aandacht voor het volumebeleid is een voorwaarde voor kostenbeheersing. In-tensivering van het volumebeleid vraagt echter mede om een gecoördineerde, individugerichte benadering. Een gewijzigde structuur van de uitvoeringsorganisatie met een dergelijke benadering als uitgangspunt is daarom ook uit kostenoogpunt onontkoombaar. Weliswaar brengt iedere herstructurering eenmalige aanloopkosten met zich mee, bij een gefaseerd veranderingsproces en een geleidelijke overgang van de huidige naar een nieuwe structuur -waarop in de volgende paragraaf wordt ingegaan -kunnen die zo beperkt mogelijk blijven. De nadruk moet bij een kostenbatenanalyse bovendien liggen op de structurele effecten: een doelmatiger uitvoeringsorganisatie en mede daardoor betere mogelijkheden tot het voeren van een volumebeleid. Op grond van de conclusies van dit rapport kan de vraag opkomen in welke mate de grotere nadruk op het volumebeleid en een meer individugerichte benadering een uitbreiding van de uitvoeringsorganisatie noodzakelijk maakt. Die vraag staat toch enigszins los van de structuur van de uitvoeringsorganisatie als zodanig, al ligt ze wel in het verlengde daarvan. In dit rapport staat centraal de wijziging van uitvoeringsstructuur, waardoor een meer individugerichte benadering, een doelmatiger volumebeleid en mede daardoor een kostenbeheersing mogelijk wordt. De vraag in hoeverre een uitbreiding van de uitvoeringsorganisatie gericht op een intensivering van het volumebeleid -binnen welke uitvoeringsstructuur dan ook -gewenst is, vraagt een afzonderlijke politieke afweging. Daarbij spelen niet alleen kostenoverwegingen een rol, maar is vooral ook de maatschappelijke aanvaardbaarheid in het geding van de noodzaak voor velen om een beroep op sociale uitkeringen te moeten doen.

8.4. HET GEFASEERDE VERANDERINGSPROCES

8.4.1. Algemeen

Naar de mening van de projectgroep zijn op korte termijn beslissingen nodig ten aanzien van een tweetal elementen uit de toekomstige uitvoeringsstructuur. Allereerst dient een begin gemaakt te worden met de realisering van een beheersingsorgaan, waarvan de doelstelling, taken en bevoegdhe-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

den in het eerste deel van dit interim-rapport zijn beschreven. Daarnaast is een principebeslissing nodig, dat de gevalsbehandeling voor alle hier behandelde socialezekerheidsregelingen in de toekomst dient te worden opgedragen aan regionale uitvoeringsorganen met eigen bestuurlijke bevoegdheden. Met name bij deze laatste beslissing gaat het om een diep ingrijpende wijziging van de bestaande uitvoeringsstructuur. Daarom dient in een brede maatschappelijke discussie een keuze gemaakt te worden uit denkbare alternatieven. De projectgroep ziet daarvoor voldoende ruimte. Noch de uitvoeringsstructuur waarin het beheersingsorgaan en de regionale uitvoeringsorganen moeten worden ingepast, noch de fasering van het veranderingsproces ziet zij als vaststaand. Het schema ten aanzien van de toekomstige structuur in paragraaf 8.3 gaf slechts een functionele opdeling in taakgebieden; voor de organisatorische invulling zijn alternatieven denkbaar. Als belangrijke aandachtspunten c.q. knelpunten in de te starten discussie ziet de projectgroep o.a.: -de gevolgen van uit te werken voorstellen voor de werknemers van de huidige uitvoeringsorganen; -de structurering van het veranderingsproces; -de taak en plaats van de bedrijfsverenigingen; -de taak en plaats van de gemeenten.

Het zal noodzakelijk zijn op deze knelpunten in volgende deelrapporten terug te komen. Hier is slechts een aanduiding mogelijk van enkele voorlopige gedachten, die in de te voeren discussie verder moeten worden uitgediept.

8.4.2. Personele aspecten

Een goede uitvoeringsstructuur is zonder twijfel van belang voor de kwaliteit van de dienstverlening en de begeleiding die de sociale zekerheid aan de gebruikers biedt. Zeker zo belangrijk is echter de inzet en bekwaamheid van de individuele dienstverleners, de werknemers bij de uitvoeringsorganen. Het is niet in de laatste plaats aan hen te danken dat, ondanks in de organisatiestructuur gelegen belemmeringen voor een goede functievervulling, knelpunten voor de uitkeringsgerechtigden in zo sterke mate worden opgevangen. Zowel de persoonlijke belangen van de werknemers van de uitvoeringsorganen als het waarborgen van de kwaliteit van de zorg maken het noodzakelijk dat vanaf het eerste moment de personele aspecten zwaar wegen. In overleg met de betrokken organisaties van werknemers en de betreffen-de ondernemingsraden dient parallel met de concrete uitwerking van de verandering in de uitvoeringsorganisatie een sociaal plan te worden ontwikkeld. Centrale elementen daarin moeten zijn: -het zoveel mogelijk behouden van de beschikbare arbeidsplaatsen en voorkomen van gedwongen ontslagen; -het zoveel mogelijk realiseren van functionele en regionale verschuivingen in het personeelsbestand langs de weg van het natuurlijk verloop; -een goede voorlichting aan en begeleiding van de individuele werknemers gedurende het gefaseerde veranderingsproces; -aandacht voor rechtspositionele aspecten.

De projectgroep meent dat bij een goed overleg en zorgvuldige fasering van de herstructurering knelpunten in de personele sfeer grotendeels zijn te vermijden. De voorgestelde veranderingen in de uitvoeringsstructuur hangen immers in belangrijke mate samen met de op grond van de uitgangspunten van beheersing, individugerichte benadering en volumebeleid gewenste intensivering van contacten met en begeleiding van de uitkeringsgerechtigden. Dat wettigt de verwachting dat de taakinhoud zich in positieve zin zal ontwikkelen en ten minste een behoud van het totaal beschikbare aantal arbeidsplaatsen mag worden verwacht.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Overigens kan nog worden opgemerkt, dat ook in de bestaande uitvoeringsstructuur het grootste deel van het personeel over het hele land verspreid is. Van het totale personeel in dienst van het GAK is driekwart op districtskantoren of plaatselijke kantoren werkzaam, het personeel van de Raden van Arbeid zelfs volledig. De WWV en RWW worden thans op lokaal niveau uitgevoerd. De regionalisatie zal daardoor op zich niet tot onoverkomelijke verhuis-en verplaatsingsproblemen hoeven te leiden. Waar dit zich in individuele gevallen wel voordoet zullen door middel van verhuis-en verplaatsingskostenregelingen of langs de weg van het natuurlijk verloop oplossingen moeten worden gezocht. De projectgroep meent wel, dat een duidelijk knelpunt voor de hergroepering van uitvoeringstaken is gelegen in het ontbreken van een uniforme rechtspositieregeling voor werknemers bij de verschillende uitvoeringsorganen. Reeds nu zou een begin gemaakt moeten worden met de harmonisatie daarvan. Alternatieven zullen moeten worden afgewogen, waarbij zowel een ambtelijke als een eigen rechtspositieregeling denkbaar zijn.

8.4.3. De structurering van het veranderingsproces De knelpunten in de huidige uitvoeringsorganisatie kunnen slechts in een gefaseerd groeiproces worden weggenomen. In hoge mate vraagt dat de bereidheid van beleids-en uitvoeringsorganen om los van bestaande bevoegdheden te zoeken naar een voor de toekomst gewenste structuur om de uitvoering van een geïntegreerd sociaal beleid zo dicht mogelijk bij de burgers te brengen. Geenszins is het de bedoeling structuren abrupt te doorbreken en de beslissingsbevoegdheid van de éne op de andere dag te verleggen. Veeleer wordt gedacht aan een stapsgewijze benadering waarin het wederzijdse vertrouwen tussen uitvoeringsorganen, het onderkennen van gemeenschappelijke problemen en de erkenning van de noodzaak tot een gecoördineerde aanpak geleidelijk kan groeien. Op landelijk niveau zou een dergelijk groeiproces naast het tot stand komen van het beheersingsorgaan moeten bestaan uit het realiseren en doen functioneren van de benodigde overlegorganen op beleidsvormend niveau. Reeds eerder is erop gewezen dat daartoe in beginsel al een eerste stap is gezet door de oprichting van het Overlegorgaan Werkloosheids-en Arbeidsvoorzieningen. Op regionaal niveau zouden de achtereenvolgende stappen kunnen zijn: -stimuleren van overleg op vrijwillige c.q. experimentele basis, zowel tussen de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid onderling als met uitvoeringsorganen op andere terreinen van sociaal beleid; -formaliseren van dat overleg en de samenwerking tussen de uitvoeringsorganen: verplicht overleg alvorens te beslissen; -een vrijwillige afspraak tussen aan het coördinatieoverleg deelnemende uitvoeringsorganen binnen en buiten de sociale zekerheid om in principe niet af te wijken van in dat overleg vastgestelde adviezen; -het geleidelijk verleggen door de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid van hun formele beslissingsbevoegdheid naar het onderlinge regionale coördinatie-overleg; -omvormen van dat coördinatie-overleg tot autonome regionale organen voor gevalsbehandeling; vanzelfsprekend handelt dat autonome orgaan binnen door de beleidsorganen opgestelde algemene regels.

Ten dele zijn op dit punt reeds ontwikkelingen in gang gezet, waarbij vooral kan worden gewezen op de regionale coördinatiecommissies, waarvoor op korte termijn wetsvoorstellen zullen worden ingediend. Cruciaal in dit proces is dat de samenwerking tussen de verschillende uitvoeringsorganen op het terrein van de verzekeringen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid onderling en met die op het terrein van de demografische verzekeringen als fase in het groeiproces, door de erkenning van de noodzaak tot en de doelmatigheid van de gevolgde aanpak geleidelijk toeneemt. Cruciaal is echter eveneens dat bij het voortschrijden Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

van dit proces de gegroeide structuur door stapsgewijze aanpassing van de wetgeving wordt gevolgd. Een terugval naar de oude situatie door eventuele incidentele fricties tussen uitvoeringsorganen moet worden voorkomen. Overwogen zou moeten worden het veranderingsproces ook op voorhand een zekere wetttelijke begeleiding te geven door het tot stand brengen van een Kaderwet uitvoering sociale zekerheid. Behalve enkele grote lijnen ten aanzien van de uitvoeringsstructuur, zou daarin vooral een tijdsplanning vcor het gefaseerde veranderingsproces kunnen worden vastgelegd. Inpassing van de huidige Raden van Arbeid in een nieuwe regionale structuur zal gezien hun huidige eveneens regionaal opgezette werkwijze wellicht het minst problematisch zijn. Moeilijker is het gefaseerde veranderingsproces met betrekking tot taak en plaats van de bedrijfsverenigingen en de gemeenten. Daaraan wordt in beide volgende paragrafen afzonderlijk aandacht geschonken.

8.4.4. Taak en plaats van de bedrijfsverenigingen De bedrijfsverenigingen zijn en blijven de organen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid waarin de bedrijfstaksgewijze inbreng tot uitdrukking komt. Onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen is echter een verschuiving van hun taak en plaats binnen de uitvoering onontkoombaar. Als gevolg van die maatschappelijke ontwikkelingen krijgt het volumebeleid zowel binnen de sociale zekerheid als vanuit andere beleidsterreinen een steeds centralere plaats. Tegelijkertijd is te constateren dat de bedrijfstaksgebonden aspecten ten dele worden verdrongen door algemeen maatschappelijke aspecten. Dat geldt ten aanzien van de oorzaken van het langdurig uitvallen uit het arbeidsproces, waarbij de omstandigheden in de eigen woon/werkomgeving meer op de voorgrond treden. Dat geldt ook voor het vervagen van de verschillen in beloningsstructuur tussen de bedrijfstakken, terwijl het bovendien in de lijn der ontwikkeling past dat de relatie tussen de beloning als actieve en het uitkeringsniveau in de toekomst minder stringent wordt. Daar tegenover staat dat het belang van het bedrijfstakseigene op een aantal terreinen -en met name op onderdelen van het volumebeleid waar binnen de bedrijven mogelijkheden tot beïnvloeding overheersen -steeds duidelijker wordt onderkend. Te denken valt dan met name aan de mogelijkheden om binnen de bedrijven zelf een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het kortdurend uitvallen uit het arbeidsproces. Diverse bedrijfsverenigingen spelen duidelijk in op deze ontwikkeling door steeds meer aandachtte schenken aan de begeleiding van de leden in de eigen bedrijfstak bij het tegengaan van ziekteverzuim en het bevorderen van de bedrijfsveiligheid. Ook zouden de bedrijfsverenigingen zich vanuit hun specifieke kennis van de eigen bedrijfstak kunnen richten op mogelijkheden tot het wegnemen van discrepanties tussen vraag en aanbod van arbeid door aanpassm gen in de bedrijven, dan wel door branchegewijze opleidingen c.q. omscholingscursussen mede te initiëren. In het algemeen kan worden gesteld dat waar de individuele begeleiding centraal staat een regionale aanpak de voorkeur verdient en waar de nadruk ligt op bedrijfstaksgebonden aspecten en een aanpak in de bedrijven een uitbreiding van taken van de bedrijfsverenigingen voor de hand ligt. Vooral ook in bestuurlijk opzicht lijkt bij deze nieuwe taken van de bedrijfsverenigingen voor werknemers-en werkgeversvertegenwoordigers een belangrijke rol weggelegd. Daarbij moet een integratie tot stand komen van hun inbreng vanuit het arbeidsmarktaspect en vanuit het socialezekerheidsaspect. Ook ten aanzien van het «uitkeringen»-beleid en ten aanzien van de collecterende functie ziet de projectgroep echter een blijvende taak voor de bedrijfsverenigingen. Bij het «uitkeringen»-beleid zouden de bedrijfsverenigingen zich vooral moeten richten op het algemene beleid het geven van richtlijnen voor de regionale uitvoeringsorganen ten aanzien van de voor de be-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

trokken bedrijfstak specifieke regelingen. Daarbij kan zowel gedacht worden aan in de wet geboden mogelijkheden tot bedrijfstaksgewijze differentiatie als aan bovenwettelijke, veelal in de ca.o.'s overeengekomen regelingen. Daarnaast zouden de bedrijfsverenigingen voorshands belast moeten blijven met de collecterende functie. Ten slotte, maar zeker niet in de laatste plaats, voeren de bedrijfsverenigingen een groot aantal taken op neventerreinen uit. Enkele daarvan in het kader van het volumebeleid zijn reeds genoemd (bestrijding ziekteverzuim, ongevallenpreventie). Daarnaast breidt met name de omvang van de pensioenregelingen zich sterk uit. Bezien moet worden in hoeverre de regionale uitvoeringsorganen de bedrijfsverenigingen desgewenst faciliteiten kunnen bieden voor de uitvoering van de collecterende functie en van bij voorbeeld pensioenregelingen, vakantiezegelsystemen, etc. Het lijdt echter geen twijfel dat de grondgedachte van regionale uitvoering met eigen bestuurlijke bevoegdheden belangrijke aanpassingen van de bedrijfsverenigingen vraagt. De wijze waarop hun positie zich in de definitieve uitvoeringsstructuur uitkristalliseert zal in niet onbelangrijke mate worden bepaald door de wijze waarop zij inspelen op het veranderingsproces. Bij de bespreking van de voornaamste knelpunten in de huidige uitvoeringsstructuur werd met name gewezen op de verbrokkelde uitvoering op regionaal niveau. Kenmerkend voor de uitvoering van de WW, ZW, AAW en WAO is, dat die is opgedragen aan 26 bedrijfsverenigingen ieder met een eigen bestuur. Af-spraken tussen de bedrijfsverenigingen onderling kunnen slechts op basis van vrijwilligheid tot stand komen via de Federatie van Bedrijfsverenigingen. Een deel van de bedrijfsverenigingen (15) heeft zijn administratie opgedragen aan het Gemeenschappelijk administratiekantoor, de overige zijn de zogenaamde zelfadministrerende bedrijfsverenigen. Zowel het GAK als een aantal zelfadministrerende bedrijfsverenigingen beschikken- zij het in verschillende mate gespreid -over districtskantoren en eventuele lokale vestigingen. Het grote aantal organen zowel op landelijk als op regionaal niveau en het ontbreken van de verplichting tot het maken van voor alle bedrijfsverenigingen bindende afspraken vormen een ernstige belemmering voor coördinatie. Dat geldt voor de onderlinge coördinatie, maar vooral ook voor de coördinatie op regionaal niveau met uitvoeringsorganen op andere beleidsterreinen. Om dat te voorkomen lijkt in de eerste plaats een beperking van het aantal bedrijfsverenigingen geboden. Aansluiting moet worden gezocht bij de ontwikkeling in het bedrijfsleven, die heeft geleid tot zowel een verschuiving in het gewicht van de onderscheiden sectoren als tot een vervaging van het onderscheid tussen een aantal bedrijfstakken. Ook in de organisatiestructuur van vakbeweging en werkgeversorganisaties heeft dat tot een hergroepering en concentratie geleid. Daaraan zou bij de indeling in bedrijfsverenigingen moeten worden aangehaakt. Naast deze concentratie van bedrijfsverenigingen is een aantal alternatieve mogelijkheden denkbaar, die kunnen bijdragen tot het verminderen van de genoemde knelpunten: -een vrijwillig door de bedrijfsverenigingen op zich te nemen verplichting om te komen tot bindende coördinatie-afspraken op landelijk niveau; -het instellen van gemeenschappelijke districtskantoren door het GAK en de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen.

De projectgroep meent in dit deelrapport te kunnen volstaan met het aangeven van deze mogelijkheden. Het is in de eerste plaats aan de bedrijfsverenigingen zelf er een nadere concrete inhoud aan te geven. De projectgroep is er evenwel van overtuigd, dat, indien de bedrijfsverenigingen zich deze mogelijkheden voldoende bewust worden, zij door hun bijdrage aan het veranderingsproces ook de vormgeving van de definitieve uitvoeringsstructuur in belangrijke mate kunnen beïnvloeden. De projectgroep zou een dergelijke ontwikkeling toejuichen, omdat daarmee een goede doorstroming van kennis en inzicht in de uitvoeringsproblematiek zou worden bereikt.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

8.4.5. Taak en plaats van de gemeenten Een van de uitgangspunten voor een herstructurering van de uitvoeringsorganisatie was het streven naar een gecoördineerde, individugerichte benadering. Hoewel bij de huidige uitvoering van de WWV en RWW door de gemeenten de bereikbaarheid voor de gebruikers verzekerd is en beslissin gen in de eigen woon/werkomgeving worden genomen, brengt deze wijze van uitvoeren ook duidelijke belemmeringen voor een gecoördineerde, individugerichte begeleiding en mede daardoor voor een goede beheersing en voor het volumebeleid met zich mee. In belangrijke mate wordt dat veroorzaakt door de schaal waarop uitvoering plaatsvindt: met name bij de kleinere gemeenten is het onmogelijk een apparaat op te zetten en voldoende gekwalificeerd personeel aan te trekken om aan een daadwerkelijke begeleiding voldoende inhoud te geven. Op dit punt zij onder meer verwezen naar het eerder genoemde rapport «Sociale dienstverlening in kleine gemeenten», dat onderdeel uitmaakt van het IVA-onderzoek naar het functioneren van de gemeentelijke sociale diensten. Even belangrijk is echter dat het grote aantal gemeenten de onderlinge coördinatie ten aanzien van de uitvoering van de WWV en de RWW, de coördinatie met andere uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid (bedrijfsverenigingen) en de coördinatie met uitvoeringsorganen op andere beleidsterreinen (met name de arbeidsbemiddeling) bemoeilijkt.

Evenals dat voor de bedrijfsverenigingen gold zijn er ook voor de gemeenten mogelijkheden om in te spelen op het gefaseerde veranderingsproces, dat moet leiden tot regionale uitvoering van alle sociale zekerheidsregelingen te zamen. Reeds nu zijn er mogelijkheden -verwezen zij onder meer naar het juist genoemde IVA-rapportom te komen tot intergemeentelijke of regionale sociale diensten, waaraan de uitvoering van een aantal taken binnen door de participerende gemeentebesturen gegeven richtlijnen kan worden opgedragen. Daardoor wordt de uitvoering verlegd van het lokale niveau naar het regionale niveau. De bezwaren ten aanzien van de kwaliteit van de begeleiding en de mogelijkheden tot coördinatie, die voortvloeien uit lokale uitvoering kunnen daardoor in belangrijke mate worden weggenomen. Belangrijk voor de gemeenten (en voor de bedrijfsverenigingen) is hun positie binnen de uitvoering van een geïntegreerde werkloosheidsregeling, waarover een afzonderlijke interdepartementale projectgroep een eerste in-terimrapport voorbereidt. Het staat vast, dat de conclusies die daar worden getrokken moeten passen in de organisatiestructuur die hier is geschetst. Omdat ervan mag worden uitgegaan dat het veranderingsproces in fasen verloopt, moet op het moment van invoering van een geïntegreerde werkloosheidsregeling worden bezien, welke organen op dat moment met de uitvoering kunnen worden belast. Er lijkt daarbij een drietal opties mogelijk: -de gemeenten, die nu de WWV en RWW uitvoeren; -de bedrijfsverenigingen, die nu de WW uitvoeren; -onafhankelijke regionale uitvoeringsorganen, die daarmee een eerste formele taak zouden krijgen.

De keuze tussen deze mogelijkheden staat naar de mening van de projectgroep nog open, al tekent zij daarbij aan de beide eerste alternatieven slechts reëel te achten indien op het moment van het tot stand komen van een geïntegreerde werkloosheidsvoorziening een duidelijke samenwerking op regionaal niveau van gemeenten c.q. bedrijfsverenigingen tot stand is gekomen. Tot slot dient ook de plaats van de gemeenten in de uiteindelijke uitvoeringsorganisatie -evenals dat voor de bedrijfsverenigingen gold -gezien te worden in het perspectief van de maatschappelijke ontwikkeling, die een duidelijke verschuiving van de aandacht van het «uitkeringen»-beleid naar het volumebeleid met zich mee brengt. Veel belangrijker dan het verstrekken Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

van uitkeringen zal in de toekomst de maatschappelijke begeleiding worden. Juist op dat punt hebben de gemeenten een duidelijke taak vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voor het welzijnsbeleid. De nadere invulling daarvan, ook naar de uitkeringsgerechtigden toe, vraagt een grote inzet en bestuurskracht. Er is reeds op gewezen dat mede vanuit die verantwoordelijkheid de gemeenten vertegenwoordigd dienen te zijn in de besturen van de regionale uitvoeringsorganen. Daarnaast is dit gewenst op grond van de algemeen bestuurlijke positie van de gemeenten in de betrokken regio. De projectgroep meent dat vanuit die verantwoordelijkheden de gemeenten naast de sociale partners duidelijk betrokken zullen moeten worden in de discussie over de definitieve vormgeving van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid. Daarbij zal onder meer aandacht moeten zijn voor de bestuurlijke inbreng van de gemeenten, de koppeling van informatie en de financiële gevolgen.

8.4.6. Slotopmerking

De projectgroep realiseert zich dat in haar voorstellen van allen die zo'n belangrijk aandeel hebben in het functioneren van de bestaande uitvoering van de sociale zekerheid een meedenken aan een ingrijpende aanpassing wordt gevraagd. Dat gebeurt echter in het besef dat, wil de uitvoeringsorganisatie ook in de toekomst aan de eisen voor een goede functievervulling blijven voldoen, een gefaseerd veranderingsproces onontkoombaar is. Zij doet haar voorstellen echter ook vanuit de overtuiging dat bij allen de bereidheid om los van bestaande bevoegdheden en posities te zoeken naar de voor de toekomst optimale uitvoeringsstructuur voorop staat.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

9*-

Bijlagen

Tweede Kamerzitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

Bijlage 1

SAMENVATTING

Inleiding (hoofdstuk 1)

De toenemende raakvlakken van de sociale zekerheid met algemene sociale en sociaal-economische doelstellingen van het regeringsbeleid doen de vraag rijzen of de traditionele uitgangspunten inzake de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sociale verzekering nog wel in dezelfde mate als in het verleden houdbaar zijn. In macro-economisch opzicht is de sociale zekerheid in de schaarbeweging geraakt van een toenemend aandeel in de verdeling van de nationale ruimte en een geringere groei van die ruimte. Meer dan in het verleden vindt een afweging plaats van de uitgaven voor sociale zekerheid met de voor vele andere overheidstaken (onderwijs, maatschappelijke dienstverlening, milieuzorg, openbaar vervoer etc), met de wens tot het zo veel mogelijk handhaven van de koopkracht van actieven en niet-actieven en met de noodzaak van rendementsherstel voor het behoud en het scheppen van arbeidsplaatsen. Dat vereist een grote mate van voorspelbaarheid en beheersbaarheid van het beloop van aanspraken en premiedruk van de sociale verzekering. In Bestek '81 zijn door de Regering verschillende concrete voorstellen gedaan om het beslag van de sociale zekerheid -in samenhang met het in de komende jaren te voeren sociaal-economische beleid -te beperken. De geschetste ontwikkeling vraagt echter tevens om een heroverweging van de beheersingsstructuur van de sociale zekerheid en om een nieuwe plaatsbepaling van de centrale overheid daarbinnen. Binnen het sociale beleid is er in de loop der jaren een steeds grotere verwevenheid onderkend tussen doelstellingen en instrumenten op het terrein van de sociale zekerheid en op andere beleidsterreinen. Daarbij valt te denken aan het werkgelegenheidsbeleid en het beleid gericht op de verbetering van arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen. Voorts aan het arbeidsvoorzieningsbeleid, het welzijnsbeleid, het gehandicaptenbeleid en de bedrijfsgezondheidszorg. Onderlinge afstemming van de instrumenten, maar vooral ook van de hantering daarvan door de uitvoeringsorganen op de onderscheiden beleidsterreinen, is noodzakelijk. Dat geldt uit een oogpunt van beheersing, maar vloeit evenzeer voort uit het streven naar optimale ontplooiing van individuen en een versterkte aandacht voor het volumebeleid. Tegen die achtergronden hebben de bewindslieden van Sociale Zaken in september 1976 besloten tot de instelling van een ambtelijke projectgroep «Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid», aangevuld met externe deskundigen (zie bijlage 2) met als taakopdracht:-het vraagstuk van de uitvoeringsorganisatie primair te benaderen vanuit een streven naar verbetering van de beheersing van het uitvoeringsproces en voorstellen te doen voor een nadere regeling van de taak, plaats en functie van de SVR, alsmede -het voorbereiden van een gerichte adviesaanvrage ter zake aan de SER en daarbij een blauwdruk voor een nieuwe organisatiestructuur.

Ook de SER heeft begin 1978 in het kader van de behandeling van de adviesaanvrage over het vraagstuk van de uitvoering van de sociale zekerheid van 10 februari 1967 een nieuw initiatief genomen. Aan de organisatiebureaus Berenschot en Bosboom en Hegener is een vervolgopdracht

op het

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

in 1972 uitgebrachte alternatievenrapport verstrekt. Aan de hand van het binnenkort door de organisatiebureaus uit te brengen eindrapport van dit vervolgonderzoek zal de meningsvorming binnen de SER plaatsvinden. Er wordt naar gestreefd begin 1980 tot conclusie te komen. De door de organisatiebureaus in hun tussentijdse rapportage gehanteerde uitgangspunten liggen deels in het verlengde van die van de projectgroep. Daartoe heeft zeker bijgedragen dat het organisatiebureau Berenschot is betrokken bij de werkzaamheden van de projectgroep, terwijl ambtelijke leden van de projectgroep als waarnemer optreden in de begeleidingscommissie van het vervolgonderzoek. Bij de uitwerking van die uitgangspunten zijn de organisatiebureaus echter gebonden aan een aantal randvoorwaarden, die ten de-Ie niet voor de projectgroep gelden. Zowel de projectgroep als de SER laten de uitvoeringsstructuur van de wettelijke ziektekostenverzekeringen buiten beschouwing. Deze verzekeringen zijn nauw verbonden met het gezondheidszorgbeleid als geheel.

Dit eerste interim-rapport

bestaat uit twee delen.

Het eerste deel bespreekt het beheersingsproces en de plaats van het beheersingsorgaan daarbinnen. Doelstelling, taken en bevoegdheden van dat beheersingsorgaan zijn door de projectgroep zover uitgewerkt, dat realisatie door middel van wetgeving kan worden voorbereid.

Het tweede deel bevat een duidelijke conclusie ten aanzien van de richting waarin de uitvoeringsorganisatie zich dient te ontwikkelen, doch draagt overigens een meer verkennend karakter. Een functievervulling waarbij aan de uitgangspunten van beheersing, individugerichte benadering en versterkte aandacht voor het volumebeleid wordt voldaan, vraagt naar de mening van de projectgroep om het tot stand komen van autonome regionale uitvoeringsorganen met eigen bestuurlijke bevoegdheden ten aanzien van de gevalsbehandeling. Tegelijkertijd stelt de projectgroep nadrukkelijk, dat over de concrete invulling van de gehele toekomstige uitvoeringsstructuur en het gefaseerde groeiproces dat nodig zal zijn om naar die veranderde structuur toe te groeien, een brede maatschappelijke discussie noodzakelijk is. De projectgroep tracht door haar wijze van presentatie daarvoor ruimte te bieden, maar tegelijkertijd door middel van een ruwe schets en het noemen van alternatieve oplossingen gericht tot die discussie bij te dragen. Deze benadering houdt in dat in dit interim-rapport nog niet van een volledige blauwdruk kan en mag worden gesproken. De projectgroep rekent het tot haar taak in volgende deelrapporten een aantal onderwerpen nader uit te werken. Ten dele kan daarbij worden ingespeeld op de resultaten van de beoogde maatschappelijke discussie. Ten de-Ie ook zal worden getracht de gedachtenvorming door verdere analyse voeding te blijven geven.

Deel I. Beheersing en beheersingsorgaan (hoofdstukken 2 t/m 5)

De hoofdstukken 2 en 3 hebben in hoofdzaak een beschrijvend karakter.

In hoofdstuk 2 wordt de verwevenheid van het sociale zekerheidsbeleid met het sociaal-economische en het algemene sociale beleid nader toegelicht door middel van een kwalitatieve en kwantitatieve beschrijving van de ontwikkeling van het sociale zekerheidsstelsel. De uitbouw van dat stelsel -met name na de Tweede Wereldoorlog -heeft niet alleen plaatsgevonden ten aanzien van het aantal gedekte risico's doch bestond tevens uit een uitbreiding van de kring van verzekerden en een verbetering van de risicodekking. Belangrijke elementen daarin zijn het tot stand komen van volksverzekeringen, het gestalte krijgen van de solidariteitsgedachte naast het equivalentiebeginsel en de welvaartsvastheid van de uitkeringen. Gaandeweg ook is het sociale karakter van de risico's meer Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

algemeen onderkend. Juist daardoor komt de samenhang tussen enerzijds de onderdelen van het stelsel en anderzijds de verwevenheid met andere beleidsterreinen steeds sterker naar voren. Gewezen wordt o.a. op de samenhang tussen de verschillende werkloosheidsregelingen onderling en met het werkgelegenheidsbeleid en de arbeidsmarktpolitiek, en die tussen de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, het gehandicaptenbeleid, de arbeidsbemiddeling en de gezondheidszorg. Ook de relatie met het inkomensbeleid (welvaartsvastheid, nettonettokoppeling) komt ter sprake. Het toenemende kwantitatieve beslag van de sociale zekerheidssector op het nationaal inkomen blijkt o.a. uit onderstaande cijfers:

Sociale verzekering

Over ige

Totaal

1960

8,5

4,5

12,9 Ï965

12,3

5,1

17,4 1970

15,9

5,6

21,5 1975

21,7

8,6

30,31978

23,0

9,1

32,1

De in de zeventiger jaren opgetreden en ook voor de toekomst verwachte vertraging in de economische groei maakt een afremming van het beslag van de sociale zekerheid op het nationaal inkomen noodzakelijk. De toenemende raakvlakken van de sociale zekerheid met andere beleidsterreinen en een afremming van de beslagtoename -met prioriteit voor een beheersing van volumeontwikkelingen -stellen nieuwe eisen aan de structuur en de kwaliteit van het beheersings-en uitvoeringsproces van de sociale zekerheid.

Hoofdstuk 3 begint met een schets van de samenstelling en de taken van de huidige uitvoeringsorganen en hun plaats binnen de bestaande structuur. Het georganiseerde bedrijfsleven speelt daarin van oudsher een belangrijke rol. Dat geldt ook voor de organen die belast zijn met het toezicht. Dat is met name de SVR, behoudens het toezicht door de SVB op de Raden van Arbeid en enkele toezichthoudende bevoegdheden van rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen (AWF, AOF, AAF). Behalve toezicht houden heeft de SVR op grond van wettelijke bepalingen een aantal taken ten aanzien van coördineren, adviseren van de Minister van Sociale Zaken, wetgeven, beslissen in geschillen en het administreren van enkele fondsen.

Vervolgens wordt de uitvoeringsstructuur bezien vanuit de probleemstelling in het eerste deel van dit interimrapport: de beheersbaarheid, de verantwoordelijkheid van de centrale overheid daarbij en de verwevenheid van de sociale zekerheid met andere beleidsterreinen. Geconstateerd wordt dat de beheersbaarheid van het uitvoeringsproces binnen de huidige structuur onvoldoende tot zijn recht is gekomen. Behalve in het grote aantal organen en een wat beperkte opvatting van die organen als uitvoerder, waardoor aan de relatie met de beleidsvorming onvoldoende aandacht is besteed, ligt een belangrijke belemmering voor de beheersbaarheid in de onduidelijkheid ten aanzien van plaats, functie en bevoegdheden van de SVR. Uit de parlementaire stukken van de behandeling van de Organisatiewet Sociale Verzekering blijkt de tweeslachtigheid van de wetgever. Enerzijds de aanduiding van de SVR als «toezichthoudend, coördinerend en leidinggevend toporgaan», doch anderzijds beklemtoning van de autonomie van de uitvoeringsorganen.

De toezichthoudende functie van de SVR komt mede niet goed tot zijn recht omdat: -onduidelijk is in welke mate het toezicht op de uitvoering van de wettelijke regelingen en op het administratieve apparaat een repressief c.q. preventief karakter heeft;

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

-de bevoegdheid van de SVR om zonodig direct in te grijpen in het beleid van de uitvoeringsorganen teneinde de effectiviteit van het toezicht volledig te ontplooien ontbreekt, dan wel door onvoldoende sanctiemogelijkheden wordt gesteund; -ook enkele toezichthoudende taken aan andere organen (SVB, AWF, AOF, AAF) zijn opgedragen; -het verrichten van nevenactiviteiten door de uitvoeringsorganen het toezicht in bepaalde gevallen bemoeilijkt; -de in de SVR vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en werknemers (of hun achterban) ook de bestuurders van de uitvoeringsorganen aanwijzen.

De SVR heeft zich in de praktijk beperkt tot een in hoofdzaak repressief toezicht op wetstechnische en financiële aspecten van de uitvoering. Bij de noodzakelijke beheersingsactiviteiten dient het echter meer te gaan om het tijdig onderkennen van tendenties in het sociale gebeuren, die zo nodig tot beleidswijziging zouden moeten leiden. De tweeslachtigheid van de wetgever heeft zich ook gewroken bij de af bakening van de coördinerende taak van de SVRten opzichte van die van de Federatie van Bedrijfsverenigingen. De coördinerende taak van de SVR dient volgens de federatie in samenhang met de toezichthoudende taak te worden gezien. De SVR meent dat noch uit de tekst van de wet noch uit haar totstandkoming valt af te leiden, dat de SVR slechts kon coördineren bij gebleken discoördinatie. De SVR en de federatie zijn het nog steeds oneens over de juiste omvang van ieders werkterrein. Afspraken inzake de samenwerking hebben de SVR en de federatie neergelegd in een protocol. De invloed van de centrale overheid blijkt materieel zeer gering en beperkt zich in hoofdzaak tot het aanwijzen van een derde deel van de leden van tripartite samengestelde besturen en de voorzitters van de SVR, SVB, Raden van Arbeid, AWF, AOF, en AAF. Na benoeming functioneren zij echter onafhankelijk van de centrale overheid. Het toezicht op (de beheersing van) het uitvoeringsproces is door de wetgever in feite overgelaten aan de SVR, die -zo werd reeds geconstateerd -niet optimaal als beheersingsorgaan functioneert. Het functioneren van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid is mede afhankelijk van de wijze waarop wordt aangesloten op de organisatorische indeling op andere, nauw rakende terreinen. Evenzeer van belang is de doorzichtigheid en bereikbaarheid voor de gebruikers. Tot slot van hoofdstuk 3 wordt daarop nader ingegaan, met name om het kader aan te geven waarbinnen het beheersingsproces zich afspeelt. In het tweede deel van het interim-rapport worden deze aspecten verder uitgewerkt bij de functie-analyse van de gehele uitvoeringsorganisatie.

De hoofdstukken 4 en 5geven achtereenvolgens een analyse wan het beheersingsproces en de plaats van een nieuw in te stellen beheersingsorgaan daarbinnen. Onder beheersing verstaat de projectgroep een samenhangend geheel van activiteiten die ertoe leiden dat: -het uitvoeringsproces van het sociale zekerheidsstelsel voortdurend verloopt conform het tevoren in verschillende wetten en uitvoeringsmaatregelen vastgelegde beleid; -gesignaleerd wordt, wanneer dit stelsel op basis van het bestaande beleid niet meer aan het doel beantwoordt en in dat geval wordt bijgedragen tot beleidswijziging; -bestaande regelingen op het gebied van de sociale zekerheid zo nodig worden aangepast en nieuwe regelingen tot stand komen op basis van maatschappelijke behoeften en wensen en in goede afweging ten opzichte van alternatieve bestedingen van schaarse middelen.

Het gaat daarbij om een proces gericht op het handhaven van het beleid, het beheersen van het financiële beslag en het zo nodig initiëren tot vernieuwing.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

Op het terrein van de sociale zekerheid liggen de hoofdlijnen van rechten en plichten van individuele burgers in de formele wet vast. Voor de volksvertegenwoordiging kan in een dergelijk systeem slechts sprake zijn van een passief budgetrecht door het bijstellen van in de wet neergelegde rechten. Voor een belangrijk deel van het stelsel is de Minister van Sociale Zaken politiek verantwoordelijk. De wetgever heeft echter de uitvoering, waaronder de gevalsbeslissingen, aan autonome uitvoeringsorganen opgedragen. In gevallen van geschil tussen de verzekerde (of de premieplichtige) en het uitvoeringsorgaan beslist de onafhankelijke beroepsrechter. De projectgroep heeft deze eigen verantwoordelijkheid van het beleidsvormingsniveau en het uitvoeringsniveau bij haar voorstellen als uitgangspunt gehandhaafd. Juist die eigen verantwoordelijkheid moet in de organisatie van het beheersingsproces tot uitdrukking komen. Op beleidsvormingsniveau dient binnen het spanningsveld van sociale wenselijkheden en economische mogelijkheden een prioriteitsafweging plaats te vinden. Hierbij zijn de belangen van werkgevers, zelfstandigen en overheid nauw verweven. De beheersing van aanspraken op sociale zekerheid is dan ook geen zaak meer van uitvoering alleen. Uit een oogpunt van beheersing dient de centrale overheid te beschikken over een continue stroom van betrouwbare en beleidsrelevante informatie over de uitvoering van de sociale zekerheid. Zo nodig kunnen dan op grond van een prioriteitsafweging op beleidsvormingsniveau -dat wil zeggen door Regering en/of parlement -tijdig maatregelen worden genomen tot heroverweging van doelstellingen dan wel bijsturing van processen. Ten einde zoveel mogelijk eenheid in sociale politiek te bereiken en te behouden, alsmede de effectiviteit van de instrumenten te maximaliseren dient naar de mening van de projectgroep voor het totale sociale beleid een coördinerend ministerXe worden aangewezen. Het ligt in de rede daarvoor de Minister van Sociale Zaken aan te wijzen gezien zijn reeds bestaande verantwoordelijkheid voor een aantal aan de sociale zekerheid rakende beleidsterreinen (inkomensbeleid, arbeidsmarktbeleid, arbeidsomstandighedenbeleid) en zijn rol in het arbeidsvoorwaardenoverleg (beschikbaar inkomen, premiepercentages. Een duidelijke afbakening ten opzichte van de coördinerende bevoegdheden van andere ministers (onder andere van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk voor het welzijnsbeleid) is daarbij geboden. Het beheersingsproces op uitvoeringsniveau vraagt meer dan een zorgvuldige wetstoepassing. Voor de handhaving van de kwaliteit van de risicodekking is niet alleen nodig een optimale informatie over de kwaliteit van het uitvoeringsgebeuren doch vooral ook informatie over het waarom van het uit de uitvoering voortvloeiende proces. De kwaliteit van de risicodekking kan worden verbeterd, indien door kennis van de oorzaken van dit risico preventieve maatregelen ter voorkoming kunnen worden getroffen. Bij de werkloosheidsregelingen is er een noodzaak van gecoördineerde toepassing van begrippen niet alleen tussen de uitvoeringsorganen van de WW onderling, doch ook tussen die organen en de gemeenten als uitvoerders van de WWV en de RWW. Evenzeer is een duidelijke coördinatie met de arbeidsbureaus noodzakelijk. Bij de verzekeringen tegen inkomensderving bij ziekte of arbeidsongeschiktheid is de onderlinge relatie tussen de sociale verzekeringsgeneeskunde, de bedrijfsgeneeskunde en de algemene gezondheidszorg, alsmede die met de arbeidsbemiddeling van groot belang. De inpassing van het sociale zekerheidsbeleid in het algemene sociale en sociaal-economische beleid en in het totale regeringsbeleid vraagt om een terugkoppeling tussen het uitvoeringsniveau en het beleidsniveau. De permanente toetsing of de doelstelling van het sociale zekerheidsbeleid met de aangewende middelen wordt bereikt heeft een politiek karakter. Gedacht vanuit het beleidsvormingsniveau rijst dan de vraag of de beheersingsfunctie, waarvan deze evaluatie een belangrijk onderdeel is, niet door de centrale overheid moet worden uitgeoefend. Daartegenover staat dat het georganiseerde bedrijfsleven steeds een grote verantwoordelijkheid voor de uitvoe-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

ring van de sociale zekerheid heeft gedragen en heeft willen dragen. Een doelmatig beheersingsproces zonder inbreng van het georganiseerde bedrijfsleven is naar het oordeel van de projectgroep bovendien niet goed mogelijk, omdat de maatschappelijke aanvaarding een voorwaarde voor beheersing vormt. Er is sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en bedrijfsleven. Dit uitgangspunt verdraagt zich niet met het opdragen van de beheersingsfunctie aan de centrale overheid. Juist om de eigen verantwoordelijkheid van beleidsvormingsniveau en uitvoeringsniveau niet te vermengen en tegelijkertijd de gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en bedrijfsleven in het oog te houden stelt de projectgroep voor de beheersingstaak op te dragen aan een in te stellen onafhankelijk beheersingsorgaan. Dit orgaan zal moeten fungeren als ontmoetingspunt van beleid en uitvoering. Naar de mening van de projectgroep zal daartoe de huidige SVR qua doelstelling, taken en bevoegdheden moeten worden uitgebouwd en qua samenstelling worden gewijzigd. De beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken vraagt om een functionele binding van dit beheersingsorgaan met de centrale overheid. De betrokkenheid van het georganiseerde bedrijfsleven bij de uitvoering van het sociale zekerheidsstelsel vraagt om een bemanning van het beheersingsorgaan, die geacht kan worden het vertrouwen van de sociale partners te genieten. Die conclusie wordt in hoofdstuk 5 nader uitgewerkt.

De doelstelling van het beheersingsorgaan is het goed doen verlopen van het beheersingsproces, te onderscheiden in de beheersing op uitvoeringsniveau en de terugkoppeling naar de beleidsvormer. In het verlengde van deze beheersingstaken zou naar de mening van de projectgroep ook de externe controle op de uitvoering van de sociale zekerheid aan het beheersingsorgaan kunnen worden opgedragen. Daarbij zal zoveel mogelijk aansluiting moeten worden gezocht bij de doelstelling van de Algemene Rekenkamer, die deze functie voor de rijksuitgaven vervult. De projectgroep adviseert het beheersingsorgaan samen te stellen uit 3 tot 5 onafhankelijke, fulltime bestuurders met deskundigheid op het terrein van de sociale zekerheid en verwante beleidsterreinen. Benoeming vindt plaats door de Kroon op voordracht van de Minister van Sociale Zaken, gehoord de SER. De projectgroep beveelt aan een benoeming voor bepaalde tijd (bij voorbeeld 6 jaren) met de mogelijkheid van herbenoeming. Als secretariaat fungeert het huidige secretariaat van de SVR, zo nodig qua bezetting en deskundigheid aangepast aan de uitgebreide taken en bevoegdheden. De uitoefening van de externe controlefunctie vereist de aanwezigheid van registeraccountants binnen het secretariaat. Het beheersingsorgaan heeft de volgende taken: -toezicht houden; -coördineren; -adviseren; -wetgeven; -beslissen in geschillen; -informatie en onderzoek.

Het toezicht van het beheersingsorgaan heeft betrekking op de kwaliteit en de kosten van de risicodekking, de uitvoeringsorganisatie en de financiering. Het toezicht ten aanzien van de risicodekking heeft zowel een preventief als repressief karakter. Het toezicht ten aanzien van de uitvoeringsorganisatie dient zich onder meer te richten op formatienormen, arbeidsvoorwaarden, administratieve processen alsmede de middelen die daarbij worden gehanteerd (o.a. computers), huisvesting en overige materiële activa. Het toezicht op de financiering brengt naar de mening van de projectgroep met zich mee dat de bestaande rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen worden opgeheven. De toezichthoudende taken van AWF, AOF en AAF behoren tot de functies van het nieuwe beheersingsorgaan. Ten aanzien van de overige taken (premie-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

vaststelling, beheren van geldmiddelen) sluit de projectgroep zich aan bij de conclusies van de Externe Commissie van Deskundigen (COMED) die de SER adviseert over informatiestromen en reservevorming. De vaststelling van alle landelijk uniforme premies dient te geschieden door de Minister van Sociale Zaken na advisering door het beheersingsorgaan. Bundeling van de landelijke fondsen wordt bepleit. Ten einde vermenging van uitvoeringstaken en toezichthoudende taken te voorkomen, heeft het opdragen van dat gebundeld beheer aan het beheersingsorgaan niet de voorkeur van de projectgroep. In hoofdstuk 8 wordt op de plaats van het gebundeld fondsbeheer binnen de uitvoeringsorganisatie teruggekomen. Voor de ziekengeld" en wachtgeldfondsen is een rechtstreeks toezicht van het beheersingsorgaan op de premievaststelling en het fondsbeheer gewenst. Ten slotte meent de projectgroep dat het beheersingsorgaan ook belast moet worden met het toezicht op de Raden van Arbeid. Dit toezicht vindt thans plaats door de SVB.

De coördinerende taakvan het beheersingsorgaan heeft betrekking op wetsinterpretatie, het administratieve uitvoeringsproces en de aansluiting met verwante beleidsterreinen. Het oordeel over de juistheid van wetsinterpretatie door de uitvoeringsorganen is gegeven aan de beroepsrechter (rechtsgelijkheid als gevolg van jurisprudentie). Slagvaardig handelen vraagt daarnaast om coördinatieregels. De vrijwillige coördinatie tussen de uitvoeringsorganen staat daarbij voorop. Indien het beheersingsorgaan van oordeel is dat de op vrijwillige afspraken tussen de uitvoeringsorganen berustende coördinatieregels onvoldoende zijn, dan wel onvoldoende tot stand komen, dient het dat te signaleren aan de Minister van Sociale Zaken met advisering over te treffen maatregelen. De projectgroep is van mening dat op het administratieforganisatorischeterre\n het beheersingsorgaan zelf het initiatief dient te kunnen nemen om tot coördinatieregels te komen. Het beheersingsorgaan zal dat in eerste instantie trachten te bereiken door overleg met de uitvoeringsorganen. Indien coördinatie op basis van overleg onvoldoende mogelijk blijkt, zal het beheersingsorgaan zelf over bevoegdheden dienen te beschikken om coördinatieregels vast te stellen. Het beheersingsorgaan schenkt aandacht aan de coördinatie met belendende beleidsterreinen, signaleert de behoefte aan coördinatieregels en adviseert daar over aan de Minister van Sociale Zaken.

De beheersingsfunctie brengt met zich mee het uitbrengen van gevraagde en ongevraagde adviezen, deels op grond van de wet, deels ad hoc. Het beheersingsorgaan is gezien zijn samenstelling en taak minder geëigend om te adviseren over sociaal-politieke aspecten van de sociale verzekeringen. Ad-visering over die aspecten dient uitsluitend te geschieden door de SER.

In de wet zal dienen te worden vastgelegd in welke gevallen het beheersingsorgaan nadere uitvoeringsregelingen met wetskrachtkan stellen. Naar de mening van de projectgroep dient bij de gewijzigde samenstelling van de SVR onder meer de vaststelling van dagloonregelen te geschieden door de Minister van Sociale Zaken. Deze dient over de inhoud daarvan advies te vragen aan de SER en over de technische aspecten aan het beheersingsorgaan. Het beheersingsorgaan dient zijn huidige zeer beperkte bevoegdheden ten aanzien van het beslissen in geschillente behouden.

De doelstelling van het beheersingsorgaan -beheersing op uitvoeringsniveau en terugkoppeling naar de beleidsvormer -brengt met zich dat het orgaan zich via continue en ad hoc informatie (zowel kwantitatief als kwalitatief) een volledig beeld van het totale uitvoeringsproces moet kunnen vormen. Het beheersingsorgaan dient de bevoegdheid te hebben van de uitvoeringsorganen alle informatie over het uitvoeringsproces te verlangen welke dat orgaan voor een goede uitvoering van taak nodig acht. De projectgroep is van oordeel, dat er voor het beheersingsorgaan -in nauwe samenwerking met de beleidsvormer en de beleidsuitvoerders -ook een taak is bij het doen verrichten van onderzoek.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

100

Uit de beheersingstaak vloeit naar de mening van de projectgroep voort, dat het beheersingsorgaan naast bevoegdheden, gericht op specifieke taken in laatste instantie ook de bevoegdheid moet hebben om aanwijzingen te geven aan een uitvoeringsorgaan met betrekking tot de uitoefening van diens taken. Die bevoegdheid dient zich echter niet uit te strekken tot de in-terpretatie van wettelijke begrippen. De uitvoeringsorganen dienen het recht te hebben bij de Minister van Sociale Zaken in beroep te komen tegen aanwijzingen of coördinatieregels van het beheersingsorgaan. Het uitvoeringsorgaan is echter gebonden aan zo'n aanwijzing of coördinatieregel zolang de Minister niet anders beslist. Voor het geval een uitvoeringsorgaan ook na definitieve beslissing van de Minister een aanwijzing of voorschrift van het beheersingsorgaan niet opvolgt, zal in de wet de mogelijkheid moeten worden geboden om de medewerking van dat orgaan alsnog te kunnen afdwingen. De Minister van Sociale Zaken draagt de politieke verantwoordelijkheid voor het beheersingsorgaan. Evenals thans dient daarom in de wet te worden aangegeven welke besluiten van het beheersingsorgaan de voorafgaan-de goedkeuring van de Minister behoeven. Het beheersingsorgaan zal tevens gehouden zijn de besluiten die het neemt ter kennis van de Minister te brengen. Daarnaast dient naar de mening van de projectgroep de Minister de bevoegdheid te hebben het beheersingsorgaan aanwijzingen te geven met betrekking tot de uitoefening van diens taken. Het beheersingsorgaan zal bij de Kroon in beroep kunnen komen tegen zo'n aanwijzing. Het beheersingsorgaan is echter aan de aanwijzing gebonden totdat de Kroon anders beslist. Om de onafhankelijkheid van het beheersingsorgaan te waarborgen zou het aanwijzingsrecht van de Minister geen betrekking moeten hebben op de externe controlefunctie van het beheersingsorgaan ten opzichte van de uitvoeringsorganen en de taak van dat orgaan tot beslissen in bepaalde geschillen. Ten slotte acht de projectgroep het tijdig uitbrengen van jaarverslagen aan de Minister en het parlement mede vanuit de externe controlefunctie van groot belang. Het geheel van voorstellen houdt waarborgen in dat het beheersingsorgaan zal voldoen aan hoge eisen van deskundigheid, onafhankelijkheid en publiciteit. Het ligt naar de mening van de projectgroep in het verlengde van doelstelling en taken ook de externe controle op de uitvoering van de sociale zekerheid aan het beheersingsorgaan op te dragen. Het daarenboven verlenen van controletaken ten aanzien van de uitvoeringsorganen aan de Algemene Rekenkamer, lijkt naar de mening van de projectgroep dan ook niet noodzakelijk en zou tot doublures leiden. Dat zou veel minder gelden, indien de Algemene Rekenkamer een controlerende taak zou worden verleend ten aanzien van uitsluitend het beheersingsorgaan. Bij de ruime aandacht die de projectgroep aan de externe controlefunctie heeft geschonken heeft zij zich met name gericht op de inhoud van een op 25 mei 1976 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal met algemene stemmen aanvaarde motie van de heer Van Amelsfoort c.s. (zitting 1975-1976, nr. 13037, stuk nr. 21). Daarbij heeft zij ook het voorontwerp van wet van de vorige Staatssecretaris van Financiën met betrekking tot de positie van de Algemene Rekenkamer betrokken.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

101

Hoofdstuk 6 legt de verbinding tussen beide delen van het interim-rapport en vormt tevens de inleiding tot het tweede deel.

Beheersing vraagt om een integrale visie op het totale proces van beleidsvorming en uitvoering. Het vormgeven aan het beheersingsorgaan kan dan ook niet los gezien worden van de gehele toekomstige uitvoeringsorganisatie: een schets in hoofdlijnen is onmisbaar. Daarbij heeft de projectgroep een drietal uitgangspunten gehanteerd: een betere beheersing, een meer in-dividugerichte benadering en versterkte aandacht voor het volumebeleid. Deze uitgangspunten lopen -als gevolg van de maatschappelijke ontwikkeling, waarbij ook voor de middellange termijn met een groot aantal inactieven moet worden gerekend -in feite parallel. Nagegaan wordt welke vertaling dat kan vinden in de structuur van de uitvoering van de sociale zekerheid, de coördinatie daarvan met andere beleidsterreinen en de inbreng van de sociale partners daarin.

Daartoe wordt in hoofdstuk 7allereerst een analyse gegeven van de wijze waarop de functies in het uitvoeringsproces worden vervuld en welke knelpunten zich daarbij voordoen. In aansluiting op het in 1972 door de organisatiebureaus Berenschot en Bosboom en Hegener uitgebrachte Alternatievenrapport worden de volgende functies in het uitvoeringsproces onderscheiden: -de collecterende functie; -de distribuerende functie; -de begeleidende functie; -de informerende functie.

Er zijn naar het oordeel van de projectgroep, ook uit een oogpunt van beheersbaarheid en doelmatigheid, een aantal argumenten om de gescheiden uitoefening van de collecterende functiedoor resp. de belastingdienst voor de volksverzekeringen en de KWL en de bedrijfsverenigingen voor de ZW, WW, WAO en ZFW-vooralsnog te handhaven. Die argumenten zijn gelegen in het tegengaan van premieontduiking of ontwijking, de nauwe relatie tussen de hoogte van het premieplichtig inkomen en de hoogte van de uitkering en de extra taakverzwaring voor de Rijksbelastingdienst die het heffen van gedifferentieerde ZW/wachtgeldpremies met zich mee zou brengen. Dat sluit niet uit dat op langere termijn als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen een aantal van deze argumenten minder gewicht kunnen krijgen en de gescheiden premie-inning dan opnieuw in discussie kan komen. Ook de uitkomsten van een studie die thans door een werkgroep van de Stuurgroep Beleidsvorming Nietactieven wordt verricht naar de financiering van de sociale zekerheid zouden consequenties voor het systeem van premieheffing kunnen hebben.

De kern van de distribuerende functie wordt gevormd door het vaststellen van het recht op en de hoogte van de dekking. De begeleidende functie is daar uit een oogpunt van beheersing, individugerichte benadering en volumebeleid ten nauwste mee verweven. Zij worden als één geheel behandeld. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de demografische verzekeringen -waar de volumeontwikkeling vrijwel niet te beïnvloeden c.q. te beheersen is-en de overige sociale zekerheidsregelingen. Daar kan zowel preventief als tijdens de werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid, vooral door samenwerking van uitvoeringsorganen op verschillende beleidsterreinen, getracht worden door persoonlijke begeleiding de oorzaken van het uittreden uit het arbeidsproces weg te nemen, dan wel omstandigheden te scheppen waaronder behoud van arbeid of herintreding mogelijk is.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

102

De uitvoering van de distribuerende en begeleidende functie bij de regelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt voornamelijk in een drietal dwarsdoorsneden behandeld: -samenhangen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid; -samenhangen met de uitvoering op andere beleidsterreinen; -de individugerichte benadering.

Uit een oogpunt van samenhang binnen de uitvoering van de sociale zekerheid'ts vooral een continue begeleiding in de tijd van belang. Bij de werkloosheidsregelingen bemoeilijkt de organisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid een continue beoordeling en begeleiding in een tweetal opzichten: -de bedrijfstaksgewijze uitvoering van de WW tegenover de uitvoering van de WWV en RWW door de gemeentelijke sociale diensten; -het grote aantal gemeentelijke sociale diensten en het onvoldoende tot stand komen van intergemeentelijke samenwerking bij de uitvoering van de werkloosheidsregelingen. Beide factoren leiden ertoe dat steeds een groot aantal coördinatielijnen noodzakelijk is om een gecoördineerde begeleiding en beoordeling van werklozen in de tijd te kunnen realiseren. In de uitvoeringspraktijk blijkt daarin thans een belangrijk knelpuntte zijn gelegen. De mogelijkheden tot integratie van de drie werkloosheidsregelingen zijn thans in studie bij een afzonderlijke interdepartementale projectgroep. Bij de regelingen in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt een continue beoordeling en begeleiding vooral in gevaar gebracht door de verbrokkelde structuur van de medische advisering aan de bedrijfsverenigingen en van de begeleiding en controle van verzekerden. De medische begeleiding vindt niet altijd gedurende de gehele Ziektewetperiode door de verzekeringsgeneeskundige van de bedrijfsvereniging plaats. Ook is het aantal spontane meldingen aan de GMD voor gevallen met arbeidsongeschiktheidsaspecten in het licht van de feitelijke doorstroming naar de AAW en WAO in verhouding gering. De Staatssecretaris van Sociale Zaken heeft daarom de SVR gevraagd aan de in de wet voorziene plicht van de bedrijfsverenigingen om deze gevallen aan de GMD te melden nieuwe inhoud te geven. De meer fundamentele vraag is ten slotte of de scheiding van medische diensten geen belemmering vormt bij het streven om de uitvoering van de distribuerende en begeleidende functie te verbeteren.

Het recht doen aan samenhangen met de uitvoering op andere beleidsterreinen vraagt om een goed samenspel van de diverse organen (arbeidsvoorziening, bedrijfsgezondheidszorg, welzijnsbeleid etc). Dat zal slechts mogelijk zijn indien op ieder van de beleidsterreinen wordt nagegaan welke specifieke elementen in de eigen structuur een goede coördinatie in de weg staan. Hier wordt nagegaan op welke wijze de coördinatie thans plaats vindt en in hoeverre de uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid de mogelijkheden tot coördinatie met andere beleidsterreinen bemoeilijkt. In het bijzonder wordt ingegaan op: -de verbrokkelde structuur en uitvoering van socialezekerheidsregelingen in geval van werkloosheid tegenover de eenduidige structuur van de arbeidsvoorziening; -de deels bedrijfstaksgewijze, deels lokale uitvoering van de sociale zekerheid tegenover een in het algemeen regionale of lokale uitvoering op aanverwante beleidsterreinen; -het ontbreken of onvoldoende functioneren van overlegstructuren, me-de als gevolg van het ontbreken van beslissingsbevoegdheid daarbij; -het te grote isolement van de sociale verzekeringsgeneeskunde ten opzichte van de bedrijfsgezondheidszorg en de algemene gezondheidszorg en mede als gevolg daarvan ten opzichte van de potentiële gebruikers van uitkeringen én begeleidingsmogelijkheden in hun werkomgeving.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

103

Indien de bestaande interne en externe samenhangen in de uitvoeringsorganisatie in het oog worden gehouden zal dat mede bijdragen tot een individugerichte benadering van de uitkeringsgerechtigden. Voorkomen wordt daarmee dat de coördinatie in de begeleiding op de gebruiker wordt afgewenteld. Het verplaatsen van de bestuurlijke beslissingsbevoegdheden naar de regio is daarbij onder invloed van de zich wijzigende plaats van de sociale zekerheid binnen het totale sociale beleid onontkoombaar. Geconcludeerd wordt dat waar de structurele oorzaken bij het uittreden uit het arbeidsproces ook in de toekomst zullen overheersen, regionale aspecten een zwaarder accent krijgen dan bedrijfstaksgebonden aspecten.

Getoetst aan de uitgangspunten van beheersbaarheid en bereikbaarheid voor de gebruikers beantwoordt de vervulling van de distribuerende functie bij de demografische verzekeringen in grote lijnen aan de eisen. Er is enerzijds een centraal toezicht en gebundeld beheer van fondsen door de SVB en anderzijds een gedecentraliseerd contact met de uitkeringsgerechtigden in de regio via de Raden van Arbeid. Een dergelijk contact is ook een voorwaar-de om inhoud te kunnen geven aan de begeleidende functie in beperkte zin (informatie, verwijzen, leggen van contacten). Uit een oogpunt van beheersing is het echter wel gewenst -zoals in deel I reeds werd voorgesteld -het toezicht op de Raden van Arbeid op te dragen aan het beheersingsorgaan.

Binnen de informerende functie zijn twee deeltaken te onderscheiden: -verzamelen en verspreiden van informatie ten behoeve van een goede uitvoering van de sociale zekerheid, waaronder ook managementinformatie ten behoeve van het leiden en besturen van de uitvoeringsorganisatie; -informatie verzamelen en doorgeven aan het niveau van de beleidsvorming om een goede terugkoppeling te waarborgen.

Dat vraagt om een informatiesysteem dat aan de volgende eisen voldoet: -voldoende continuïteit in de informatiestromen ook bij nieuwe groepering van gegevens op grond van gewijzigde wetgeving of uitvoering; -de mogelijkheid van koppeling van informatie tussen verschillende sociale zekerheidsregelingen onderling en met informatie op verwante beleidsterreinen; -flexibel van opzet.

In het huidige systeem zitten twee belemmeringen om aan deze karakteristieken te kunnen voldoen: -er is in het algemeen sprake van gevalsadministratie in plaats van persoonsadministratie; -slechts de gegevens die in statistische overzichten worden vastgelegd zijn blijvend en snel toegankelijk.

Beide belemmeringen zullen moeten worden weggenomen.

Het op gang komen van het denken over een verbetering van informatiesystemen blijkt onder meer uit de verbetering en uitbreiding van afzonderlijke statistieken. Daarnaast komt dat tot uitdrukking in de door de COMED uitgebrachte deelrapporten over «informatiestromen en reservevorming in de sociale verzekering» en in het meer gestructureerde overleg in o.a. de adviescommissie voor Statistieken voor de Sociale Zekerheid van het CBS en het Overlegorgaan Centrale Personenregistratie Sociale Verzekeringen. Het trekken van definitieve conclusies wordt in dit laatste overleg echter bemoeilijkt, omdat een persoonsgebonden informatiesysteem een drastische wijziging van de bestaande administratieve processen inhoudt en de uiteindelijke beslissing van de uitvoering dan ook in belangrijke mate wordt bepaald door de kostenbatenanalyse. Voor de beleidsinformatieve kant, waarvoor een persoonsgebonden administratie een vrijwel onmisbaar in-strument is, is een dergelijke kostenbatenanalyse echter niet of nauwelijks Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

104

te maken. In het licht van de beschreven ontwikkelingen in het denken over de gewenste inhoud van de informerende functie is de totstandkoming van een persoonsgebonden informatiesysteem echter onontkoombaar. Naarde mening van de projectgroep zijn daarvoor voldoende argumenten aangevoerd. Niet langer mag de uitvoeringstechnische invalshoek het belang van voldoende beleidsinformatie blijven overschaduwen. Voorop moet worden gesteld, dat binnen het gehele proces van wijzigingen en verbeteringen van de informatieopslag en verwerking niet alleen de eisen die uit een oogpunt van beheersing en een optimale uitvoering van de sociale zekerheid aan nieuwe informatiesystemen worden gesteld een rol moeten spelen. Minstens zo belangrijk is de aandacht voor het scheppen van waarborgen tegen de aantasting van de persoonlijke levenssfeer van degenen van wie informatie wordt verzameld, opgeslagen of verwerkt. AI-hoewel dit probleem van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op meer terreinen waar de automatisering en informatieopslag zich sterk uitbreidt speelt en daarom een algemene aanpak vraagt, zal -zeker in het kader van de sociale zekerheidsregelingen -hieraan bijzondere aandacht moeten worden besteed. Ten aanzien van de informerende functies ziet de projectgroep een duidelijke taak voor het beheersingsorgaan vanuit twee achtergronden: -slechts een centrale verantwoordelijkheid voor een goed en uniform in-formatiesysteem kan het verbrokkelde karakter van de huidige informatievoorziening doorbreken; -vanuit zijn adviserende en toezichthoudende functie dient het beheersingsorgaan over adequate informatie te beschikken; slechts dan is een goed toezicht en een snelle terugkoppeling van uitvoeringsniveau naar beleidsniveau mogelijk.

Op grond van de functie-analyse komt de projectgroep tot de conclusie dat een regionale uitvoeringsstructuurvan de sociale zekerheid overwegen-de voordelen heeft, omdat: -in de begeleiding de uit een oogpunt van beheersing, volumebeleid en individugerichte benadering meest relevante aspecten regionaal het beste tot hun recht kunnen komen; -de bereikbaarheid voor de gebruikerzowel bestuurlijk als administratiefoptimaal is; -het aantal coördinatielijnen met uitvoeringsorganen voor verwante beleidsterreinen kan worden geminimaliseerd.

Tot slot van hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de uitvoering door de bedrijfsverenigingen van taken op neventerreinen (pensioenregelingen, vakantiebonnensystemen, vorstverletregelingen, aanvullende regelingen voortvloei-end uit CAO-afspraken e.d.) De projectgroep onderkent de waarde van deze nevenactiviteiten die echter het doelmatig uitvoeren van de sociale zekerheid niet in de weg mogen en ook niet hoeven te staan. Het vooralsnog handhaven van de collecterende functie als taak voor de bedrijfsverenigingen maakt het mogelijk daarbij voor de uitvoering van neventaken aan te haken.

De conclusies uit de functie-analyse worden in hoofdstuk S vertaald in een ruwe schets voor de gehele toekomstige uitvoeringsorganisatie.

Naar het oordeel van de projectgroep kunnen de in de bestaande uitvoeringsorganisatie gesignaleerde knelpunten in belangrijke mate worden weggenomen door een uitvoeringstechnische én bestuurlijke regionalisatie van een aantal functies, met name het vaststellen van het recht op en de hoogte van de risicodekking en de begeleiding van de individuele uitkeringsgerechtigden. Een uitvoeringsoptimum kan worden bereikt door de vorming van regionale uitvoeringsorganen, die deze functies voor alle sociale zekerheidsregelingen vervullen. Daarmee zou niet alleen recht worden gedaan aan de samenhangen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid, maar tevens Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

105

zou een optimale uitgangssituatie worden verkregen voor coördinatie met andere beleidsterreinen, waarvan de uitvoeringsstructuur in het algemeen regionaal is opgezet. Te zamen met de bereikbaarheid voor de gebruikers, die door regionalisatie wordt verbeterd, maakt dat een individugerichte, gecoördineerde begeleiding mogelijk en schept de best mogelijke voorwaarden voor een volumebeleid en mede daardoor voor een betere beheersing van de sociale zekerheid.

De regionale organen zouden zich vooral moeten richten op gevalsbehandeling: deze wordt ontkoppeld van de overige functies van de uitvoering van de sociale zekerheid.

Het vaststellen van het exacte aantal regionale uitvoeringsorganen en de indeling van het land in werkgebieden vraagt een meer uitvoerige studie dan in het kader van dit rapport mogelijk is. Wel worden enkele criteria genoemd: o.a. economisch en technisch optimale uitvoering van de sociale zekerheid, coördinatie met andere beleidsterreinen, bestuurlijke organisatie van ons land.

De projectgroep heeft gekozen voor het toekennen van eigen bestuurlijke bevoegdheden aan de regionale organen. Met andere woorden een deconcentratie van de uitvoering acht zij onvoldoende. Gelet op de functievervulling is bestuurlijke decentralisatie van de gevalsbehandeling noodzakelijk. Daarmee wordt aangesloten op een maatschappelijke ontwikkeling, die op andere terreinen van beleid eveneens tot het leggen van verantwoordelijkheden zo dicht mogelijk bij de direct betrokkenen leidt. Beslissingen dienen daar te worden genomen, waar het constateren van samenhangen mogelijkheden tot beïnvloeding biedt. Deze gedecentraliseerde uitvoering dient echter te geschieden binnen een kader van regels die op landelijk niveau ten aanzien van het beleid in het algemeen worden vastgesteld. Ten einde de homogeniteit van het uitvoeringsbeleid veilig te stellen zal een toetsing van het regionale beleid door het beheersingsorgaan tot een bijstelling van deze regels kunnen leiden. In het overleg over deze regels zullen ook de bedrijfsverenigingen en gemeentebesturen moeten worden betrokken. Deze zullen zich daardoor vooral kunnen richten op het beleid ten aanzien van de uit te voeren regeling in het algemeen. De besturen van de regionale organen zullen zodanig moeten zijn samengesteld, dat daarin de verantwoordelijkheid voor de specifieke taak van de regionale organen en de inspraak van maatschappelijke groeperingen tot uitdrukking komt. Gedacht wordt dan aan vertegenwoordigers van c.q. benoeming door: -de werknemers-en werkgeversorganisaties;-eventueel ook andere maatschappelijke organisaties; -de gemeentebesturen en eventueel de provinciale besturen;-de Minister.

Naar de mening van de projectgroep zijn op korte termijn beslissingen nodig ten aanzien van een tweetal elementen uit de toekomstige uitvoeringsstructuur. Allereerst dient een begin gemaakt te worden met de realisering van een beheersingsorgaan, waarvan de doelstelling, taken en bevoegdheden in het eerste deel van dit interim-rapport zijn beschreven. Daarnaast is een principebeslissing nodig, dat de gevalsbehandeling voor alle hier behandelde sociale zekerheidsregelingen in de toekomst dient te worden opgedragen aan regionale uitvoeringsorganen met eigen bestuurlijke bevoegdheden. Met name bij deze laatste beslissing gaat het om een diep in-grijpende wijziging van de bestaande uitvoeringsstructuur. Daarom dient in een brede maatschappelijke discussie een keuze gemaakt te worden uit denkbare alternatieven. De projectgroep ziet daarvoor voldoende ruimte. Noch de uitvoeringsstructuur waarin het beheersingsorgaan en de regionale uitvoeringsorganen moeten worden ingepast, noch de fasering van het veranderingsproces ziet zij als vaststaand.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

106

Om aan die discussie mede richting te geven heeft de projectgroep een structuur in hoofdlijnen geschetst, waarin het beheersingsorgaan en de regionale uitvoeringsorganen zouden passen (zie bijgevoegd schema). Deze schets wordt in hoofdlijnen gekenmerkt door: -een organisatorische opbouw vanuit een functionele taakverdeling; -autonome bevoegdheden ten aanzien van het algemene beleid op het terrein van resp. de demografische verzekeringen en de overige sociale zekerheidsregelingen voor landelijke uitvoeringsorganen, met bij de regelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid langs die weg ruimte voor de inbreng van de bedrijfsverenigingen; -een gebundeld beheer van fondsen; -centrale coördinatie van de informerende functie; -autonome bevoegdheden voor de regionale uitvoeringsorganen ten aanzien van de gevalsbehandeling; -een duidelijke beheersingsstructuur door de directe verantwoordelijkheid van het beheersingsorgaan voor coördinatie van en toezicht op de gehele (functioneel verdeelde) uitvoering op landelijk en regionaal niveau.

Ten aanzien van het orgaan dat wordt belast met het gebundeld fondsbeheerziet de projectgroep drie alternatieven: -het beheersingsorgaan; in deel I heeft de projectgroep reeds gesteld, dat dan een vermenging van uitvoerende en toezichthoudende taken optreedt, zodat dit alternatief niet haar voorkeur heeft; -de Sociale Verzekeringsbank; de aanwezige kennis en mankracht zouden kunnen worden benut en eventueel uitgebreid om alle fondsen te beheren;

Tweede Kamer,zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

107

Hoofdlijnen van de toekomstige uitvoering van de sociale zekerheid

Demografische verzekeringen

Socialezekerheidsregelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid

I

I

I -» 1

UI Ol t I

Beleidsvormend orgaan

Beheersingsorgaan

Landelijke uitvoering

Regionale uitvoering

^ \|/

Beheersingsorgaan

Landelijke uitvoering demografische verzekeringen Gebundeld beheer van fondsen *

I I

si/

Centrale coördinatie informerende functie Landelijke uitvoering overige socialezekerheidsregelingen BV BV BV Regionale uitvoeringsorganen ^

l

§

Lokale uitvoering

Bijkantoren /ffield

l ngsposten

overleg, coördinatie

toezicht, regelgeving

-een nieuw in te stellen autonoom orgaan, met name indien dat orgaan mede zou worden belast met een gecoördineerde informatieverzameling.

Landelijk niveau Regionaal niveau Nadere uitwerking behoeft het taakgebied «landelijke uitvoering sociale zekerheidsregelingen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid». Onder meer moet daarbij de vraag worden beantwoord of de huidige Federatie van Bedrijfsverenigingen een versterkte formele positie moet krijgen. In het schema is niet ingegaan op de organisatorische opbouw van de sociaalmedische begeleiding. Op basis van reeds bij de functie-analyse genoemde uitgangspunten zal daarop in een afzonderlijk deelrapport worden ingegaan. Coördinatie in de regio zal slechts mogelijk zijn, indien ook een goede onderlinge aansluiting van op landelijk niveau gegeven regels voor de verschillende beleidsterreinen en van de totale beleidsconceptie daarachter tot stand komt. Om die onderlinge coördinatie te bereiken zijn landelijke overlegorganen nodig, die telkens clusters van raakpunten tussen twee of meerdere beleidsterreinen bezien. Gedacht kan daarbij worden aan overlegorganen die ten dele ook thans reeds bestaan, zoals het Overlegorgaan Werkloosheid en Arbeidsvoorzieningen (OWA). Onderstaand schema brengt die structuur tot uitdrukking.

I

Sociale zekerheid I I

I

Sociale-verzekeringsgeneeskunde

l

Arbeidsvoorziening

T"

Arbeids-omstandighedenbeleid \^ I I

I

Welzijns-beleid

etc.

I I

overleg, coördinatie

toezicht, regelgeving

Bij de voorstellen tot wijziging van de uitvoeringsstructuur heeft zowel het kostenaspect als het kwaliteitsaspect een rol gespeeld. Een doelmatiger uitvoeringsorganisatie brengt niet alleen op zich kostenvoordelen met zich mee, veel belangrijker is nog, dat daardoor betere mogelijkheden ontstaan voor een meer individugerichte benadering en een doelmatig volumebeleid. Afgezien van éénmalige aanloopkosten kan slechts sprake zijn van structurele besparingen als gevolg van volume-effecten. De vraag of -met het oog op een intensivering van het volumebeleid -een uitbreiding van het uitvoeringsapparaat gewenst is, valt enigszins buiten het kader van dit interimrapport. Het schema ten aanzien van de toekomstige structuur gaf slechts een functionele opdeling in taakgebieden; voor de organisatorische invulling Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

109

zijn alternatieven denkbaar. Als belangrijkste aandachtspunten c.q. knelpunten in de te starten discussie ziet de projectgroep o.a.: -de gevolgen van uit te werken voorstellen voor de werknemers van de huidige uitvoeringsorganen; -de structurering van het veranderingsproces; -de taak en plaats van de bedrijfsverenigingen; -de taak en plaats van de gemeenten.

Het zal noodzakelijk zijn op deze knelpunten in volgende deelrapporten terug te komen. Hier is slechts een aanduiding mogelijk van enkele voorlopige gedachten, die in de te voeren discussie verder moeten worden uitgediept. Zowel de persoonlijke belangen van de werknemers van de uitvoeringsorganen als het waarborgen van de kwaliteit van de zorg maken het noodzakelijk dat vanaf het eerste moment de personele aspecten zwaar wegen. In overleg met de betrokken organisaties van werknemers en de betreffende ondernemingsraden dient parallel met de concrete uitwerking van de veranderingen in de uitvoeringsorganisatie een sociaal plan te worden ontwikkeld. Centrale elementen daarin moeten zijn: -het zoveel mogelijk behouden van de beschikbare arbeidsplaatsen en voorkomen van gedwongen ontslagen; -het zoveel mogelijk realiseren van functionele en regionale verschuivingen in het personeelsbestand langs de weg van het natuurlijk verloop; -een goede voorlichting aan en begeleiding van de individuele werknemers gedurende het gefaseerde veranderingsproces; -aandacht voor rechtspositionele aspecten.

Bij het veranderingsproces naar een beter gestructureerde uitvoering in de regio zouden de achtereenvolgende stappen kunnen zijn: -vrijwillig overleg; -verplicht overleg alvorens te beslissen; -vrijwillig opvolgen van adviezen uit het coördinatie-overleg; -formele beslissing in het coördinatie-overleg; -omvormen coördinatie-overleg tot autonome regionale organen.

Cruciaal in dit proces is dat de samenwerking tussen de verschillende uitvoeringsorganen op het terrein van de verzekeringen in geval van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid onderling en met die op het terrein van de demografische verzekeringen door de erkenning van de noodzaak tot en de doelmatigheid van de gevolgde aanpak geleidelijk toeneemt. Cruciaal is echter eveneens dat bij het voortschrijden van dit proces de gegroeide structuur door stapsgewijze aanpassing van de wetgeving wordt gevolgd. Een terugval naar de oude situatie door eventuele incidentele fricties tussen uitvoeringsorganen moet worden voorkomen. Overwogen zou moeten worden het veranderingsproces ook op voorhand een zekere wettelijke begeleiding te geven door het tot stand brengen van een Kaderwet uitvoering socialezekerheid. Behalve enkele grote lijnen ten aanzien van de uitvoeringsstructuur, zou daarin vooral een tijdsplanning voor het gefaseerde veranderingsproces kunnen worden vastgelegd.

De bedrijfsverenigingen zijn en blijven de organen binnen de uitvoering van de sociale zekerheid waarin de bedrijfstaksgewijze inbreng tot uitdrukking komt. Onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen is echter een verschuiving van hun taak en plaats binnen de uitvoering onontkoombaar. Als gevolg van die maatschappelijke ontwikkelingen krijgt het volume-beleid zowel binnen de sociale zekerheid als vanuit andere beleidsterreinen een steeds centralere plaats. Tegelijkertijd is te constateren dat de bedrijfstaksgebonden aspecten ten dele worden verdrongen door algemeen maatschappelijke aspecten. In het algemeen kan worden gesteld dat waar de individuele begeleiding centraal staat een regionale aanpak de voorkeur verdient en waar de nadruk ligt op bedrijfstaksgebonden aspecten en een aan-Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

110

pak in de bedrijven een uitbreiding van taken van de bedrijfsverenigingen voor de hand ligt. Vooral ook in bestuurlijk opzicht lijkt bij deze nieuwe taken van de bedrijfsverenigingen voor werknemers-en werkgeversvertegenwoordigers een belangrijke rol weggelegd. Daarbij moet een integratie tot stand komen van hun inbreng vanuit het arbeidsmarktaspect en vanuit het sociaal zekerheidsaspect. Bezien moet worden in hoeverre de regionale uitvoeringsorganen de bedrijfsverenigingen desgewenst faciliteiten kunnen bieden voor de uitvoering van de collecterende functie en van taken op neventerreinen. Het grote aantal bedrijfsverenigingen, de uiteenlopende regionale spreiding van districtskantoren en eventuele lokale vestigingen, en het ontbreken van de verplichting tot het maken van voor alle bedrijfsverenigingen binden-de afspraken vormen een ernstige belemmering voor de coördinatie. Dat geit voor de onderlinge coördinatie maar vooral ook voor de coördinatie op regionaal niveau met uitvoeringsorganen op andere beleidsterreinen. Om dat te voorkomen lijkt binnen het gefaseerde veranderingsproces in de eerste plaats een beperking van het aantal bedrijfsverenigingen geboden. Aansluiting moet daarbij worden gezocht bij verschuiving en concentraties die hebben plaatsgevonden in het bedrijfsleven en in de organisatiestructuur van vakbeweging en werkgeversorganisaties. Binnen dit veranderingsproces past ook: -een vrijwillig door de bedrijfsverenigingen op zich te nemen verplichting om te komen tot bindende coördinatie-afspraken op landelijk niveau; -het instellen van gemeenschappelijke districtskantoren door het GAK en de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen.

De projectgroep meent in dit deelrapport te kunnen volstaan met het aangeven van deze mogelijkheden. Het is in de eerste plaats aan de bedrijfsverenigingen zelf er een nadere concrete inhoud aan te geven.

Evenals dat voor de bedrijfsverenigingen gold zijn er ook voor de gemeenten mogelijkheden om in te spelen op het gefaseerde veranderingsproces. Hoewel bij de huidige uitvoering van de WWV en RWW door de gemeenten de bereikbaarheid voor de gebruikers verzekerd is en beslissingen in de eigen woon/werkomgeving worden genomen brengt de schaal waarop uitvoering plaats vindt -met name bij de kleinere gemeenten -en het grote aantal gemeenten bezwaren met zich ten aanzien van de kwaliteit van de begeleiding en de mogelijkheden tot coördinatie. Dat geldt te meer omdat onvoldoende gebruik wordt gemaakt van mogelijkheden tot intergemeentelijke samenwerking. Bij de invoering van een geïntegreerde werkloosheidsregeling -waarover een afzonderlijke interdepartementale projectgroep een eerste interim-rapport voorbereidt -moet worden bezien welke organen op dat moment met de uitvoering worden belast. De mate waarin een regionale samenwerking tussen gemeenten c.q. bedrijfsverenigingen tot stand is gekomen zal daarbij mede bepalend zijn. Binnen een gecoördineerd sociaal beleid is de maatschappelijke begeleiding van groot belang. Juist op dat punt hebben de gemeenten een duidelijke taak vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voor het welzijnsbeleid. Op grond daarvan en op grond van hun algemeen bestuurlijke positie zullen de gemeenten vertegenwoordigd moeten zijn in de besturen van de regionale uitvoeringsorganen. De projectgroep meent dat de gemeenten naast de sociale partners duidelijk betrokken zullen moeten worden in de discussie over de definitieve vormgeving van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid. Daarbij zal onder meer aandacht moeten zijn voor de bestuurlijke inbreng van de gemeenten, de koppeling van informatie en de financiële gevolgen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

111

Slotopmerking De projectgroep realiseert zich dat in haar voorstellen van allen die zo'n belangrijk aandeel hebben in het functioneren van de bestaande uitvoering van de sociale zekerheid een meedenken aan een ingrijpende aanpassing wordt gevraagd. Dat gebeurt echter in het besef dat, wil de uitvoeringsorganisatie ook in de toekomst aan de eisen voor een goede functievervulling blijven voldoen, een gefaseerd veranderingsproces onontkoombaar is. Zij doet haar voorstellen echter ook vanuit de overtuiging dat bij allen de bereidheid om los van bestaande bevoegdheden en posities te zoeken naar de voor de toekomst optimale uitvoeringsstructuur voorop staat.

Tweede Kamerzitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

112

Bijlage 2

SAMENSTELLING VAN DE DEPARTEMENTALE PROJECTGROEP «ORGANISATIE VAN DE BEHEERSING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID» Drs. L. Lamer (voorzitter), Directeur-Generaal voor Sociale Voorzieningen. J. C. Wijnmaalen (secretaris), Projectleider Stafafdeling Beleidsontwikkeling.

Leden: H. J. van Dalen, Stafafdeling Beleidsontwikkeling. Drs. A. L. Dirken, Directeur voor Sociale Verzekeringen. Drs. F. W. M. Hol, Projectleider Stafafdeling Beleidsontwikkeling. G. H. J. M. Jansen, Projectleider Stafafdeling Beleidsontwikkeling. Mr. F. H. A. M. Kruse, plv. Directeur-Generaal voor de Arbeidsvoorziening. Mevrouw mr. A. Oudkerk, Raadadviseur Sociale Zekerheidswetgeving. A. J. Schuurman, Stafafdeling Beleidsontwikkeling.

Externe deskundigen:

Prof. dr. P. G. M. Hesseling, Erasmus Universiteit -Rotterdam. Prof. mr. L. J. M. de Leede, Katholieke Universiteit -Nijmegen. Prof. dr. D. J. Wolfson, Erasmus Universiteit -Rotterdam.

Organisatiebureau Berenschot:

Ir. J. J. Dooren, Mevrouw drs. M. E. Streekstra, Mr. F. A. van Tuyll van Serooskerken (tot 1 april 1977).

Waarnemer: Mr. G. J. Oosterhuis, Algemeensecretaris Sociale Verzekeringsraad.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

113

Bijlage 3

OVERZICHT VAN DE RELATIES IN DE BESTUURLIJKE ORGANISATIE VAN DE SOCIALE VERZEKERING la. Relatie Minister van Sociale Zaken-Sociale Verzekeringsraad

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

SVR verantwoordelijk aan Minister De Sociale Verzekeringsraad is verantwoordelijk aan de Minister.

Artikel 41 OSV

Samenstelling SVR

De Sociale Verzekeringsraad bestaat uit een voorzitter en een door de Minister te bepalen aantal leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.

Artikel 35, lid 2 OSV

Aanwijzing gedeelte van de leden door Minister Bepaling aantal door organisaties te benoemen leden van SVR door de Minister Aanwijzing plaatsvervangende voorzitters door Minister

Vaststelling bezoldiging voorzitter en goedkeuring schadeloosstelling leden door Minister Overeenstemming met Minister omtrent benoeming algemeen secretaris Goedkeuring rechtspositie personeel SVR

De Minister wijst telkenmale voor de tijd van drie jaren een derde gedeelte der leden en der plaatsvervangende leden van de Sociale Verzekeringsraad aan.

Een derde gedeelte der leden en der plaatsvervangende leden van de Sociale Verzekeringsraad wordt aangewezen door de algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers en een ander derde gedeelte door de algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. De Minister bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden, dat door elke organisatie wordt aangewezen.

Er zijn drie plaatsvervangende voorzitters, die door de Minister, uit de leden van de Sociale Verzekeringsraad worden aangewezen en door hem kunnen worden geschorst en ontslagen. Uit elk van de drie groepen van leden wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen.

De voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad kan worden bezoldigd; zijn bezoldiging wordt door de Minister vastgesteld. Tevens kan aan de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van de Sociale Verzekeringsraad volgens door die raad te stellen regelen, een schadeloosstelling en een vergoeding voor reis-en verblijfkosten, worden toegekend. Deze regelen behoeven de goedkeuring van de Minister.

De algemeen secretaris wordt in dienst genomen en ontslagen door de Sociale Verzekeringsraad, met dien verstande, dat omtrent de benoeming voordat deze geschiedt, overeenstemming met de Minister moet zijn verkregen.

De Sociale Verzekeringsraad stelt regelen omtrent indienstneming en ontslag, alsmede omtrent het loon en de andere arbeidsvoorwaarden van het personeel. Deze regelen behoeven de goedkeuring van de Minister.

Artikel 35, lid 5 OSV

Artikel 35, lid 6 OSV

Artikel 35, lid 4 OSV

Artikel 36, lid 3 OSV

Artikel 40, lid 2, OSV

Artikel 40, lid 3, OSV

Minister kan aanwijzingen geven aan SVR Kennisgeving besluiten van SVR aan Minister

Minister kan nadere regelen betreffende de SVR stellen Goedkeuring reglement SVR door Minister

De Minister kan de Sociale Verzekeringsraad aanwijzingen geven met Artikel 41, OSV belrekking tot de uitoefening van diens taak.

De Sociale Verzekeringsraad brengt de besluiten, die hij neemt, ter Artikel 43, OSV kennis van de Minister.

Door de Minister kunnen ter uitvoering van het omtrent de Sociale Artikel 37, OSV Verzekeringsraad bepaalde nadere regelen worden gesteld. Daarbij kan worden bepaald, dat de Sociale Verzekeringsraad bevoegd is zich te splitsen in kamers en bepaalde zijner bevoegdheden over te dragen aan de voorzitter, een kamer of een commissie uit de raad.

De Sociale Verzekeringsraad stelt, onder goedkeuring van de Minister, Artikel 38, OSV een reglement voor zijn werkzaamheden vast.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

114

la. Relatie Minister van Sociale Zaken-Sociale Verzekeringsraad (vervolg)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Waarnemers Minister bij SVR

Kennisgeving vergaderingen SVR aan Minister Advies SVR op verzoek Minister of uit eigener beweging

Door de Minister aan te wijzen personen zijn bevoegd de vergaderingen van de Sociale Verzekeringsraad en van de door deze Raad ingestelde kamers en commissies bij te wonen. Zij hebben in deze vergadering een raadgevende stem.

Aan de Minister wordt tijdig kennis gegeven van de vergaderingen van de Sociale Verzekeringsraad.

De Sociale Verzekeringsraad dient desgevraagd de Minister en andere ministers van advies en kan hen uit eigen beweging van advies dienen over onderwerpen, die verband houden met de taak, welke aan de raad is opgedragen.

Artikel 39, lid 1, OSV

Artikel 39, lid 2, OSV

Besch. van 10-7 1962 nr. 3461,Stcrt. 1962, nr. 140, artikel 17

SVR brengt jaarverslag en verslag van de stand van zaken van de WAO, de ZW en de WW uit aan de Minister De Sociale Verzekeringsraad is verplicht binnen een jaar na het einde van een boekjaar een verslag van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen en aan de Minister uit te brengen. Tevens is de Sociale Verzekeringsraad verplicht jaarlijks aan de Minister verslagen van de stand van de WAO, de AAW, de ZW en de WW te doen toekomen.

Artikel 46, lid 2, OSV

Voorschriften omtrent inrichting verslagen door Minister Opgave stand middelen en beleggingen wachtgeldfondsen en AWF door SVR aan Minister Opgave stand middelen en beleggingen AOF door SVR aan Minister Door de Minister worden voorschriften gegeven omtrent de inrichting van de uit te brengen verslagen en de daarin te verwerken statistische gegevens.

De Sociale Verzekeringsraad is verplicht binnen twee maanden na afloop van een kalenderkwartaal aan de Minister opgave te doen van de stand der middelen en beleggingen van de wachtgeldfondsen der bedrijfsverenigingen en van het Algemeen Werkloosheidsfonds aan het einde van dat kwartaal. De Sociale Verzekeringsraad is verplicht binnen twee maanden na afloop van een kalenderkwartaal aan de Minister opgave te doen van de stand der middelen en beleggingen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds aan het einde van dat kwartaal.

Artikel 46, lid 3, OSV

Besch. van 28-5-1954 nr. 2944, Stcrt. 1954, nr. 100, artikel 7

Besch. 5-1-1972 nr. 35113, Stcrt. 1972, nr. 7, art. 7

Opgave stand middelen en beleggingen AOW, AWW-en AKW-fonds door SVR aan Minisier Omslag kosten SVR over organen waarop SVR toezicht houdt volgens door de Minister te stellen regelen De Sociale Verzekeringsraad is verplicht binnen twee maanden na afloop van een kalenderkwartaal aan de Minister opgave te doen van de stand der middelen en beleggingen van het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds aan het einde van dat kwartaal.

De kosten van de Sociale Verzekeringsraad, worden overeenkomstig door de Minister te stellen regelen omgeslagen over de organen, waarop door de Sociale Verzekeringsraad toezicht wordt uitgeoefend.

Besch. 10-4-1974 nr. 50.340 Stcrt. 1974, 77, artikel 6

Artikel 51, lid 2, OSV

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

115

Ib. Relatie Minister van Sociale Zaken-Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Minister bepaalt samenstelling bestuur AAF Benoeming leden bestuur AAF door Minister

Bepaling aantal door organisaties te benoemen leden AAF-bestuur door de Minister De Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot AAF Waarnemers Minister bij vergaderingen van het bestuur van het AAF Besluiten AAF ter kennis van Minister

Toezending jaarverslag AAF aan Minister Kennisgeving vergaderingen aan Minister

Minister kan voorschriften geven omtrent inrichting jaarverslag AAF Toelagen te verlenen door AAF behoeven goedkeuring Minister Minister kan regelen stellen met betrekking tot reserve AAF Minister geeft beleggingsvoorschriften

Het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds bestaat uit een door de Minister te bepalen aantal leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.

De Minister benoemt telkenmale voor drie jaren een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden, waaronder een lidvoorzitter.

Een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de organisaties van werkgevers en een ander derde gedeelte door de organisaties van werknemers. De Minister bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden, dat door elke organisatie wordt aangewezen.

Omtrent de samenstelling, de zittingsperiode en de bevoegdheden van het bestuur en omtrent het beheer van het fonds kunnen door de Minister nadere regelen worden gesteld.

Door de Minister aan te wijzen personen zijn bevoegd de vergaderingen van het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds bij te wonen. Zij hebben in deze vergaderingen een raadgevende stem.

Het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds brengt de besluiten, welke het neemt, onverwijld ter kennis van de Minister.

Het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds is verplicht binnen een jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan de Minister wordt toegezonden.

Aan de Minister wordt tijdig kennis gegeven van de vergaderingen van het AAF.

Door de Minister kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van het jaarverslag en de daarin te verwerken statistische gegevens.

Het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds kan, onder goedkeuring van de Minister, in het belang van de bij de AAW geregelde verzekering toelagen verlenen aan instellingen of organisaties, die ten doel hebben het nemen of bevorderen van maatregelen, welke strekken tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid.

De Minister kan regelen stellen met betrekking tot de vorming en instandhouding van een reserve door het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.

De Minister stelt voorschriften vast met betrekking tot de belegging van de gelden van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Artikel 66, lid 2, AAW

Artikel 66, lid 3, AAW

Artikel 66, lid 4, AAW

Artikel 66, lid 7, AAW

Artikel 67, lid 1, AAW

Artikel 70, lid 1, AAW

Artikel 71, lid 2, AAW

Artikel 67, lid 2, AAW

Artikel 71, lid 3, AAW

Artikel 69 AAW

Artikel 72, lid 2, AAW

Artikel 73, lid 7, AAW

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

116

Ie. Relatie Minister van Sociale Zaken-Arbeidsongeschiktheidsfonds

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Minister bepaalt samenstelling bestuur AOF Benoeming leden bestuur AOF door Minister

Het bestuur van het Arbeidsongeschikheidsfonds bestaat uit eendoor de Minister te bepalen aantal leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.

De Minister benoemt telkenmale voor drie jaren een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden, waaronder een lidvoorzitter.

Artikel 72, lid 2, WAO

Artikel 72, lid 3, WAO

Bepaling aantal door organisaties te benoemen leden AOF-bestuur door de Minister Een derde gedeelte van de leden en van de plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de organisaties van werkgevers en een ander derde gedeelte door de organisatie van werknemers. De Minister bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden, dat door elke organisatie wordt aangewezen.

Artikel 72, lid 4, WAO

De Minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot AOF Waarnemers Minister bij vergaderingen van het bestuur

Besluiten AOF ter kennis van Minister Toezending jaarverslag AOF aan Minister

Kennisgeving vergaderingen aan Minister Omtrent de samenstelling, de zittingsperiode en de bevoegdheden van het bestuur en omtrent het beheer van het fonds kunnen door de Minister nadere regelen worden gesteld.

Door de Minister aan te wijzen personen zijn bevoegd de vergaderingen van het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds bij te wonen. Zij hebben in deze vergaderingen een raadgevende stem.

Het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds brengt de besluiten, welke het neemt, onverwijld ter kennis van de Minister.

Het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds is verplicht binnen een jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan de Minister wordt toegezonden.

Aan de Minister wordt tijdig kennis gegeven van de vergadering van het AOF.

Artikel 72, lid 6, WAO

Artikel 72a, lid 1.WAO

Artikel 74, lid 1, WAO

Artikel 75, lid 2, WAO

Artikel 72a, lid 2, WAO

Minister kan voorschriften geven omtrent inrichting jaarverslag AOF Toelagen te verlenen door AOF behoeven goedkeuring Minister Minister kan regelen stellen met betrekking tot reserve AOF Door de Minister kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van het jaarverslag en de daarin te verwerken statistische gegevens.

Het Arbeidsongeschiktheidsfonds kan, onder goedkeuring van de Minister, in het belang van de bij de WAO geregelde verzekering toelagen verlenen aan instellingen of organisaties, die ten doel hebben het nemen of bevorderen van maatregelen, welke strekken tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid.

De Minister kan regelen stellen met betrekking tot de vorming en instandhouding van een reserve door het bestuur van het Arbeidsongeschi kt heidsfonds.

Artikel 75, lid 3, WAO

Artikel 73a WAO

Artikel 76, lid 4, WAO

Minister geeft beleggingsvoorschriften De Minister stelt voorschriften vast met betrekking tot de belegging van de gelden van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Artikel 76, lid 5, WAO

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

117

ld. Relatie Minister van Sociale Zaken-Algemeen Werkloosheidsfonds

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Minister stelt statuten AWF vast Minister bepaalt samenstelling bestuur AWF

Benoeming gedeelte leden en bestuur AWF door Minister Bepaling aantal door organisaties te benoemen leden AWF-bestuur door de Minister Verplichting tot kennisgeving van besluiten door AWF aan Minister Toezending jaarverslag AWF aan Minister Minister kan voorschriften geven omtrent inrichting jaarverslag AWF Beleggingsvoorschriften AWF door Minister

Voor aanwending reserve AWF toestemming Minister vereist Overeenstemming met Minister omtrent benoeming directeur AWF De statuten van het Algemeen Werkloosheidsfonds worden door de Minister vastgesteld en gewijzigd.

Het bestuur van het fonds bestaat uit een door de Minister te bepalen aantal leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.

De Minister benoemt telkenmale voor drie jaren een derde gedeelte der leden en der plaatsvervangende leden, waaronder een lidvoorzitter.

Een derde gedeelte der leden en der plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers en een ander derde gedeelte door de algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. De Minister bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden, dat door elke organisatie wordt aangewezen.

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt de besluiten, welke het neemt, onderwijld ter kennis van de Minister.

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is verplicht binnen een jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan de Minister wordt toegezonden.

Door de Minister kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van het in het jaarverslag en de daarin te verwerken statistische gegevens.

De Minister kan regelen stellen ten aanzien van de belegging van de gelden van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds bezigt gereserveerde gelden niet tot bestrijding van uitgaven van het fonds dan met toestemming van de Minister.

De directeur van het Algemeen Werkloosheidsfonds wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen en ontvangt zijn bezoldiging uit de gelden van het fonds, met dien verstande, dat omtrent de benoeming, voordat deze geschiedt, overeenstemming met de Minister moet zijn verkregen.

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 3, WW

Artikel 14, lid 4, WW

Artikel 14, lid 5, WW

Artikel 16, lid 1, WW

Artikel 19, lid 2, WW

Artikel 19, lid 3, WW

Artikel 20, lid 5, WW

Artikel 41, lid 2, WW

Artikel 15, lid 2, WW

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

118

Ie. Relatie Minister van Sociale Zakenbedrijfsverenigingen

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Indeling bedrijfsleven

Het bedrijfs-en beroepsleven wordt voor de uitvoering der sociale verzekering door de Minister verdeeld in onderdelen, ieder omvattende een of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan. Daarbij wordt voor zoveel nodig aangegeven tot welke tak van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan bepaalde werkzaamheden behoren.

Artikel 3 OSV

Slechts één bedrijfsvereniging per onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven Voor ieder onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven komt niet meer dan één bedrijfsvereniging voor erkenning in aanmerking en wel die, welke door de Minister als representatief voor dat onderdeel wordt beschouwd.

Artikel 4, lid 2, OSV

Erkenning van bedrijfsvereniging Als bedrijfsvereniging kan door de Minister op haar verzoek worden erkend een vereniging, opgericht door een of meer representatieve organisaties van werkgevers en een of meer representatieve organisaties van werknemers, indien zij voldoet aan de in de Organisatiewet Sociale Verzekering gestelde vereisten.

Artikel 4, lid 1.0SV

Deelname van het Rijk aan oprichting van een bedrijfsvereniging Aan de oprichting van een bedrijfsvereniging, bestemd voor een onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven, waartoe rijksdiensten behoren of geacht worden te behoren, kan het Rijk als ware het een representatieve organisatie van werkgevers deelnemen.

Artikel 4, lid 3, OSV

Gelijkstelling andere organisaties met representatieve organisatie van werkgevers voor de oprichting van een bedrijfsvereniging De Minister kan een naar zijn oordeel representatieve organisatie van publiekrechtelijke lichamen of van andere rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen voor de oprichting van een bedrijfsvereniging gelijkstellen met een naar zijn oordeel representatieve organisatie van werkgevers.

Artikel 4, lid 4, OSV

Uitoefening taken en bevoegdheden bedrijfsvereniging door PBO-orgaan Erkenning algemene bearijfsvereniging

Slechts één Algemene Bedrijfsvereniging Op verzoek van een hoofdbedrijfschap of een bedrijfschap kan worden bepaald, dat de taak en de bevoegdheden van een bedrijfsvereniging, voor een onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven, worden uitgeoefend door dat hoofdbedrijfschap. Hetzelfde geldt ten aanzien van een lichaam, dat door deze hoofdbedrijfschappen of bedrijfschappen is ingesteld.

Als bedrijfsvereniging kan door de Minister op haar verzoek mede worden erkend een vereniging, opgericht door algemeen erkende centrale organisaties van werkgevers en werknemers gezamenlijk, indien zij voldoet aan de in de Organisatiewet Sociale Verzekering gestelde vereisten.

Slecht één bedrijfsvereniging komt voor erkenning als Algemene Bedrijfsvereniging in aanmerking.

Artikel 2, Nd 2, OSV

Artikel 5, lid 1, OSV

Artikel 5, lid 2, OSV

Instelling algemene BV door Minister Toelating organisaties tot arbeid van BV

Indien de aan de Algemene Bedrijfsvereniging verleende erkenning vervalt of wordt ingetrokken en niet van dezelfde datum af een nieuwe erkenning wordt verleend, kan de Minister een Algemene Bedrijfsvereniging instellen.

Tenzij door de Minister anders wordt beslist, is een bedrijfsvereniging gehouden een organisatie van werkgevers of werknemers, welke representatief is voor de sector van het bedrijfs-en beroepsleven, waarover bedoelde bedrijfsvereniging haar werking uitstrekt, in de arbeid van die bedrijfsvereniging en haar bestuur te betrekken op gelijke wijze als waarop de organisaties, die reeds aan de bedrijfsvereniging medewerken, in die arbeid zijn betrokken.

Artikel 6, lid 1, OSV

Artikel 6a, lid 3, OSV

Uitvoering AAW

Goedkeuring statuten BV door Minister Regelen met betrekking tot zekerheidsstelling voor werknemer van verplichtingen door BV De Minister kan een of meer bedrijfsverenigingen aanwijzen, die gehouden Artikel 6a, lid 3, OSV zijn door hen aan te wijzen personen te betrekken in de arbeid, verband houdende met de uitvoering van de AAW.

De statuten van een bedrijfsvereniging, alsmede wijzigingen in die statuten Artikel 10, lid 3, OSV behoeven de goedkeuring van de Minister.

De Minister kan regelen stellen omtrent de door een bedrijfsvereniging te stellen zekerheid voor de nakoming harer verplichtingen.

Artikel 11 OSV

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

119

Ie. Relatie Minister van Sociale Zakenbedrijfsverenigingen (vervolg)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Intrekking erkenning BV bij niet nakomen van verplichtingen De erkenning van een bedrijfsvereniging kan door de Minister worden ingetrokken, indien de bedrijfsvereniging haar verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Artikel 14, lid 3, OSV

Intrekking erkenning BV op verzoek of na ontbinding, danwei niet meer voldoen aan vereisten voor erkenning De erkenning ener bedrijfsvereniging wordt door de Minister ingetrok-Artikel 14, lid 1, ken, indien zij daartoe een verzoek indient, of tot ontbinding besluit, sub a t/m c, OSV dan wel indien zij niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde vereisten.

Intrekking erkenning BV bij overgang taak en bevoegdheden naar PBO-orgaan Verplichting tot kennisgeving besluit van ontbinding BV aan Minister De erkenning ener bedrijfsvereniging wordt door de Minister ook ingetrokken, indien haar taak en bevoegdheden overgaan op een hoofdbedrijfschap of op een lichaam, dat door deze hoofdbedrijfschappen of bedrijfschappen is ingesteld.

Het bestuur der bedrijfsvereniging is verplicht de Minister onverwijld met een besluit tot ontbinding in kennis te stellen.

Artikel 14, lid 1,subd, OSV

Artikel 14, lid 2, OSV

Verplichting tot kennisgeving besluiten BV aan Minister op verzoek van de Minister Een besluit van de algemene vergadering of het bestuur van de bedrijfsvereniging wordt terstond ter kennis gebracht van de Minister wanneer deze zulks verzoekt.

Artikel 15, lid 2, OSV

Jaarverslag BV dient aan Minister te worden toegezonden Een bedrijfsvereniging stelt binnen negen maanden na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand der vereniging en haar werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen, welk verslag, met een exemplaar van de door de algemene vergadering goedgekeurde rekening over dat boekjaar, aan de Minister wordt toegezonden.

Artikel 12, lid 2, OSV

Beroep tegen niet verlenen of intrekken van verklaring van geen bezwaar bij Minister Beleggingsvoorschriften wachtgeldfondsen door Minister

Minister kan regelen stellen met betrekking tot een verplichte bijdrage BV voor AWF Tegen het niet verlenen van een verklaring van geen bezwaar tot het zelfstandig voeren van de administratie, alsmede tegen een intrekking van zulk een verklaring kan het bestuur der bedrijfsvereniging de Minister voorziening vragen.

De Minister stelt regelen ten aanzien van de belegging van de gelden van de wachtgeldfondsen der bedrijfsverenigingen.

De Minister is bevoegd regelen te stellen, volgens welke het bestuur van een bedrijfsvereniging kan worden verplicht tot storting in het Algemeen Werkloosheidsfonds van een gedeelte premiën, welke over een aan te wijzen periode voor het wachtgeldfonds zijn betaald over het loon van werknemers, die over een bepaalde periode om bijzondere redenen geen aanspraak konden doen gelden op wachtgeld ten laste van het wachtgeldfonds der bedrijfsvereniging en over die dagen uitkering ontvingen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Artikel 25, lid 3, OSV

Artikel 20, lid 5, WW

Artikel 42 WW

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

120

If. Relatie Minister van Sociale Zaken-Gemeenschappelijk Administratiekantoor

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Oprichting en erkenning GAK

Nadere voorwaarden aan erkenning verbonden Als Gemeenschappelijk Administratiekantoor kan door de Minister, op haar verzoek worden erkend een vereniging, opgericht door algemeen erkende centrale organisaties van werkgevers en werknemers gezamenlijk, indien zij voldoet aan de in de Organisatiewet Sociale Verzekering gestelde vereisten.

Aan de erkenning als Gemeenschappelijk Administratiekantoor kunnen door de Minister in het algemeen belang nadere voorwaarden worden verbonden.

Artikel 23, lid 4, OSV

Artikel 23, lid 5, OSV

Intrekking erkenning

De erkenning als Gemeenschappelijk Administratiekantoor wordt door de Minister ingetrokken, indien de vereniging, welke als zodanig is erkend, een daartoe strekkend verzoek indient, of tot ontbinding besluit, dan wel niet meer voldoet aan de voor erkenning gestelde vereisten of haar taak naar het oordeel van de Minister niet naar behoren vervult, alsmede indien zij de door de Minister gestelde nadere voorwaarden niet of niet naar behoren nakomt.

Artikel 23, lid 9, OSV

lg Relatie Minister van Sociale Zaken-Gemeenschappelijke Medische Dienst

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Erkenning door Minister van GMD ingesteld door Federatie van BV-en Als Gemeenschappelijke Medische Dienst kan door de Minister op zijn verzoek worden erkend een dienst, ingesteld vanwege de Federatie van Bedrijfsverenigingen, indien hij voldoet aan de in de Organisatiewet Sociale Verzekering gestelde vereisten.

Artikel 22a, lid 3, OSV

Minister kan voorwaarden en nadere regelen stellen met betrekking tot instelling, werking en opheffing GMD De Minister kan aan de erkenning als Gemeenschappelijke Medische Dienst nadere voorwaarden verbinden alsmede nadere regelen stellen; welke nodig zijn voor de instelling van een Gemeenschappelijke Medische Dienst.

Artikel 22a, lid 4, OSV

Intrekking erkenning

De erkenning als Gemeenschappelijke Medische Dienst wordt door de Minister ingetrokken, indien de dienst daartoe een verzoek indient, of tot ontbinding besluit; dan wel niet meer voldoet aan de voor erkenning gestelde vereisten of zijn taak naar het oordeel van de Minister niet naar behoren vervult, alsmede indien de dienst aan de door de Minister gestelde nadere voorwaarden of regelen niet of niet naar behoren voldoet.

Artikel 22a, lid 8, OSV

Werkzaamheden GMD voor andere organen De Gemeenschappelijke Medische Dienst is bevoegd, onder goedkeuring van de Minister, werkzaamheden, welke voortvloeien uit andere sociale voorzieningen, te verrichten op verzoek van een orgaan, dat een zodanige voorziening uitvoert.

Artikel 22c, OSV

Medewerking GMD aan oprichting of instandhouding van Revalidatie-inrichtingen De Gemeenschappelijke Medische Dienst is onder goedkeuring van de Minister bevoegd revalidatie-inrichtingen op te richten of in stand te houden, dan wel mede op te richten of mede in stand te houden.

Artikel 22a, lid 2, OSV

Toezending Jaarverslag GMD aan Minister De Gemeenschappelijke Medische Dienst stelt binnen negen maanden na het verstrijken van ieder kalenderjaar een verslag omtrent zijn werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar samen, welk verslag aan de Minister wordt toegezonden.

Artikel 22d, lid 1, OSV

Voorschriften omtrent inrichting jaarverslag en daarin te verwerken gegevens De Minister stelt voorschriften vast omtrent de inrichting van het jaarverslag en de daarin te verwerken statistische gegevens.

Artikel 22d, lid 2, OSV

Verplichting tot kennisgeving besluiten GMD aan Minister op verzoek Minister Een besluit van het bestuur van de Gemeenschappelijke Medische Dienst wordt terstond ter kennis gebracht aan de Minister wanneer deze zulks verzoekt.

Beschikking van 27-12-1966 nr. 61.204, Strct. 1966, nr. 253, artikel 2, lid 2

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

121

Ih. Relatie Minister van Sociale Zaken-Sociale Verzekeringsbank

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Verantwoording en rekenplichtigheid SVB aan Minister voor uitgaven ten laste van het Rijk Samenstelling bestuur SVB Benoeming voorzitter door Minister Ten aanzien van ten laste van het Rijk komende uitgaven is het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Minister.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank bestaat uit een voorzitter die door de Minister voor de tijd van drie jaren wordt benoemd en uit vijftien leden en een gelijk aantal plaatsvervangende leden, die voor de tijd van drie jaren zitting hebben.

Artikel 15, lid 1, WSVB

Artikel 6, lid 1,WSVB

Minister kan voorzitter bestuur SVB schorsen of ontslaan De voorzitter kan tussentijds door de Minister worden geschorst en ontslagen.

Artikel 6, lid 2, WSVB

Aanwijzing gedeelte van de leden van het bestuur SVB door de Minister De Minister wijst een derde gedeelte der leden en der plaatsvervangende leden van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank aan.

Artikel 6, lid 4, WSVB

Bepaling aantal door organisaties te benoemen leden van SVB-bestuur door de Minister Een derde gedeelte der leden en der plaatsvervangende leden wordt aangewezen door de algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers en een derde gedeelte door de algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. De Minister bepaalt hoeveel leden en plaatsvervangende leden door elke organisatie worden aangewezen.

Artikel 6, lid 3, WSVB

Overeenstemming met Minister omtrent benoeming Directie SVB Goedkeuring reglement werkzaamheden SVB door Minister

Minister kan SVB liquidatiebalansen laten opmaken Minister kan voorschriften geven omtrent inrichting van verslagen en balansen van de SVB Onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank is een directie werkzaam van ten hoogste drie leden, die door het bestuur worden benoemd, met dien verstande, dat omtrent de benoeming, voordat deze geschiedt, overeenstemming met de Minister moet zijn verkregen.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank stelt, onder goedkeuring van de Minister, een reglement voor zijn werkzaamheden vast.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank doet op door de Minister te bepalen tijdstippen een liquidatiebalans opmaken van de verzekeringen, geregeld in de Invaliditeitswet, in verbinding met de Liquidatiewet invaliditeitswetten en in de Ouderdomswet 1919, voor zover financieel beheerd door het lnvaliditeits-en Ouderdomsfonds.

De Minister kan voorschriften geven omtrent de inrichting van de door de Sociale Verzekeringsbank uit te brengen verslagen en balansen.

Artikel 8 WSVB

Artikel 9 WSVB

Artikel 11, lid 3, WSVB

Artikel 11, lid 5, WSVB

SVB zendt jaarlijks verslag van eigen werkzaamheden en die van de RvA aan de Minister Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank brengt binnen een jaar na het einde van een boekjaar een verslag van zijn werkzaamheden, alsmede omtrent de werkzaamheden van de Raden van Arbeid uit aan de Minister. Artikel 78, lid 1, WSVB Minister kan voorschriften geven omtrent door de SVB uit te brengen verslagen Minister kan voorschriften geven omtrent rechtspositie en bezoldiging directie en personeel SVB Minister kan regelen stellen met betrekking tot administratie van verzekerden door SVB De Minister kan voorschriften geven omtrent de inrichting van de door de Sociale Verzekeringsbank uit te brengen verslagen.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank regelt de bezoldiging van de directie en van het overige personeel en in het algemeen hun rechten en verplichtingen. De Minister kan voorschriften geven, waaraan bedoel-de regeling moet voldoen.

De Minister kan nadere regels geven aan de Sociale Verzekeringsbank met betrekking tot de te voeren administratie en registratie van de verzekerden ingevolge de AOW en AWW.

Artikel 78, lid 2, WSVB

Artikel 10 WSVB

Artikel 4, lid 2, AOW en artikel 5, lid 2, AWW Minister regelt verdeling werkzaamheden en bevoegdheden tussen SVB en Raden De Minister wijst de werkzaamheden, onderscheidenlijk de bevoegdheden aan, betrekking hebbende op de uitvoering van de AOW, de AWW, de Kinderbijslagwetten en de Ouderdomswet 1919 en lnvaliditeitswet welke in plaats van door de Sociale Verzekeringsbank door de onder andere in artikel 5, lid 1, AOW, artikel 6, lid 1, AWW, artikel 5. lid 2, AKW, artikel 16, Raden van Arbeid zullen worden verricht, onderscheidenlijk uitgeoefend, lid 1, KWL Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

122

Ih. Relatie Minister van Sociale Zaken-Sociale Verzekeringsbank (vervolg)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Minister stelt voorschriften vast met betrekking tot beleggingen van door SVB te beheren fondsen De Minister stelt voorschriften vast met betrekking tot de belegging van de gelden van het door de Sociale Verzekeringsbank te beheren Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds en het Algemeen kinderbijslagfonds.

Artikel 25 AOW, Artikel 40 AWW, Artikel 21, lid 1, AKW li. Relatie Minister van Sociale Zaken-Raden van Arbeid

Aard van de relatie

Benoeming leden RvA door Minister

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

De werkgeversleden van de Raden van Arbeid en hun plaatsvervangers, onderscheidenlijk de arbeidsleden en hun plaatsvervangers, worden benoemd door de Minister op aanbeveling van de door deze aan te wijzen voornaamste centrale organisaties van werkgevers en arbeiders.

Artikel 20 WSVB

Minister kan plaatsvervangende voorzitter RvA aanwijzen RvA kan in beroep bij Minister als SVB goedkeuring besluiten RvA weigert RvA kan in beroep bij Minister tegen beslissing van SVB inzake gemeenschappelijke regelingen tussen de Raden In afwijking van de vervanging van de voorzitter bij verhindering e.d. door het lid, dat het oudste in jaren is, kan de Minister een andere plaatsvervangende voorzitter aanwijzen.

Tegen een beslissing van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank waarbij goedkeuring wordt onthouden aan de uitoefening van een bevoegdheid staat voor de Raad van Arbeid beroep op de Minister open. Van de door de Minister te nemen beslissing in dit beroep wordt ook aan de Raad van Arbeid een afschrift gezonden.

Tegen beslissingen van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank ter zake van weigering van goedkeuring aan of opheffing van alsmede van weigering van opheffing van een gemeenschappelijke regeling kan ieder der betrokken Raden van Arbeid bij de Minister in beroep komen.

Artikel 36 WSVB

Artikel 40, lid 1 t/m 4, WSVB

Artikel 41, lid 4, WSVB

Minister kan voorschriften geven omtrent gemeenschappelijke regeling tussen alle Raden Door de Minister kunnen voorschriften gegeven worden omtrent gemeenschappelijke regelingen tussen alle Raden van Arbeid.

Artikel 41, lid 3, WSVB

Verplichting tot het geven van inlichtingen RvA aan Departementen Minister bepaalt inrichting en toezending jaarverslagen RvA Over alle zaken, zijn werkkring betreffende dient de Raad van Arbeid indien dit wordt verlangd van bericht en raad aan de Departementen van Algemeen Bestuur.

De Raad van Arbeid zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden in het laatstverlopen kalenderjaar aan de Minister. De inrichting dezer verslagen en het tijdstip, waarop zij worden ingezonden, worden door de Minister vastgesteld.

Artikel 45 WSVB

Artikel 46, lid 1 en 2 WSVB

Minister bepaalt inrichting begroting RvA en over te leggen bescheiden De begroting en de daarbij op voorschrift van de Minister over te leggen bescheiden worden ingericht overeenkomstig door de Minister te geven voorschriften.

Artikel 53, jo artikel 50, WSVB RvA kan Minister om voorziening vragen bij niet-goedkeuring der begroting van de Raad door SVB Minister geeft voorschriften omtrent inrichting rekening van verantwoording RvA aan SVB Voorzitter en leden RvA kunnen bij Minister voorziening vragen tegen SVB-beslissing omtrent rekening voor onrechtmatig gedane uitgaven Tegen een beslissing van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank inzake het niet goedkeuren van de begroting of het doen van uitgaven buiten de begroting kan de Raad van Arbeid bij de Minister voorziening vragen.

De inrichting van de door de Raad van Arbeid aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank over te leggen rekening ter verantwoording van de inkomsten en uitgaven over een dienstjaar geschiedt overeenkomstig de door de Minister te geven voorschriften.

Door de voorzitter, de Raad van Arbeid of één of meer leden van de Raad van Arbeid kan tegen een beslissing van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank omtrent een rekening wegens onrechtmatig gedane uitgaven bij de Minister voorziening worden gevraagd.

Artikel 57, lid 1.WSVB

Artikel 60, lid 2, WSVB

Artikel 64, lid 1 en 2, WSVB

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

123

ti. Relatie Minister van Sociale Zaken-Raden van Arbeid (vervolg)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

SVB draagt geschillen tussen SVB en Raden aan Minister ter beslissing voor indien deze niet in der minne kunnen worden bijgelegd SVB en Raden moeten zich houden aan beslissing Minister in geschillen Minister kan regelen stellen omtrent machtigingen ten behoeve van toezicht SVR op RvA Reglement van orde RvA behoeft goedkeuring Minister

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank tracht alle geschillen tussen de Raden van Arbeid in der minne te doen bijleggen. Indien het daarin niet slaagt, draagt het het geval aan de Minister ter beslissing voor.

De Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid gedragen zich naar hetgeen door de Minister wordt beslist in geschillen tussen de Sociale Verzekeringsbank en een Raad of tussen Raden van Arbeid onderling.

Door de Minister kunnen nadere regelen worden gesteld omtrent het verlenen van machtigingen om ten behoeve van de uitoefening van het aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank opgedragen toezicht op de Raad van Arbeid mondeling of schriftelijk inlichtingen in te winnen of een onderziek in te stellen, het opnemen van boeken daaronder begrepen.

Het reglement van orde, door de Raad van Arbeid voor zijn vergaderingen vast te stellen, behoeft goedkeuring van de Minister.

Artikel 65, lid 3, WSVB

Artikel 70 WSVB

Artikel 66, lid 3, WSVB

Artikel 28 WSVB

Ij. Relatie Ministerdoor Sociale Verzekeringsbank te beheren fondsen

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Minister stelt regelen met betrekking tot verdeling kosten van beheer SVB over de fondsen De kosten van het beheer van de Sociale Verzekeringsbank worden tussen het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en wezenfonds, het Algemeen Kinderbijslagfonds, het Kinderbijslagfonds voor loontrekkenden, het Ouderdomsfonds B, het lnvaliditeits-en Ouderdomsfonds en, voor wat betreft de Kinderbijslagwet voor kleine zelfstandigen, het Rijk, verdeeld naar regelen, door de Minister te stellen.

Artikel 13, WSVB

Minister kan voorwaarden stellen met betrekking tot door het Rijk te verlenen renteloze voorschotten aan Ouderdomsfonds Wanneer het Ouderdomsfonds tijdelijk niet voldoende middelen heeft tot dekking van de uitkeringen en kosten, weiketen laste van het fonds komen, verstrekt het Rijk renteloze voorschotten aan het fonds onder door de Minister en de Minister van Financien te stellen voorwaarden.

Artikel 65, AOW

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

124

Ma. Algemene bepalingen inzake de relatie van de Sociale Verzekeringsraad tot het AAF, het AOF, het AWF, de bedrijfsverenigingen, het GAK en de GMD

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Toezicht door SVR

Voorschriften omtrent samenwerking tussen organen Verplichting tot verstrekken van inlichtingen door BV, AAF, AOF, AWF, GAK en GMD aan SVR De Sociale Verzekeringsraad is belast met het toezicht op de uitvoering van de AAW, de WAO, de ZW en de WW, en op de organen, welke deze takken van verzekering uitvoeren of administreren, alsmede op de Gemeenschappelijke Medische Dienst, De Sociale Verzekeringsraad kan voorschriften geven omtrent de samenwerking van organen, welke een controlerende of toezichthoudende taak uitoefenen.

De besturen van een bedrijfsvereniging, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Werkloosheidsfonds, het bestuur van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor en de Gemeenschappelijke Medische Dienst zijn verplicht aan de Sociale Verzekeringsraad desverlangd schriftelijk de inlichtingen te verstrekken, welke hij verlangt, en voorts gelegenheid te geven tot het instellen van een onderzoek, hetwelk hij nodig acht, en hem inzage te geven in de boeken en bescheiden, zomede de gelden en waarden te tonen, welke door of vanwege genoemde organen worden beheerd of bewaard.

Artikel 47, lid I.OSV

Artikel 47, lid 2, OSV

Artikel 50, OSV

Bevoegdheid om besluiten van organen ter schorsing of vernietiging aan de Minister voor te dragen De Sociale Verzekeringsraad kan een besluit van de algemene vergadering of het bestuur ener bedrijfsvereniging, dan wel van het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, of het Algemeen Werkloosheidsfonds, indien dat besluit naar zijn oordeel in strijd is met de wet of het algemeen belang, aan de Minister ter schorsing of vernietiging voordragen.

Artikel 49, OSV

Voorschriften omtrent goede en gecoördineerde uitvoeringen door organen De Sociale Verzekeringsraad kan aan de organen voorschriften geven, welke strekken tot een goede en gecoördineerde uitvoering van de AAW, de WAO, de ZW en de WW.

Artikel 48, OSV

Goedkeuring rechtspositie personeel BV, GAK, GMD, AAF, AOF en AWF door SVR De lonen en andere arbeidsvoorwaarden van het personeel van de bedrijfsverenigingen, welke de administratie zelfstandig voeren, van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, de Gemeenschappelijke Medische Dienst, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfondsen het Algemeen Werkloosheidsfonds behoeven de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad.

Artikel 27, OSV

Ib. Relatie Sociale Verzekeringsraad-Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds

Aard van relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Verantwoordelijk en rekenplichtigaan SVR Het bestuur van het fonds is verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Sociale Verzekeringsraad.

Artikel 66, lid 5, AAW

Besluiten AAF dienen ter kennis van SVR te worden gebracht Het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds brengt de besluiten, welke het neemt, onverwijld ter kennis van de Sociale Verzekeringsraad.

Artikel 70, lid 1, AAW

Toezending jaarverslag AAF aan SVR Het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds is verplicht binnen een jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden.

Artikel 71, lid 2, AAW

Tweede Kamerzitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

125

Mc. Relatie Sociale Verzekeringsraad-Arbeidsongeschiktheidsfonds

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Verantwoordelijk en rekenplichtig aan SVR Het bestuur van het fonds is verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Sociale Verzekeringsraad.

Artikel 72, lid 5, WAO

Besluiten AOF dienen ter kennis van SVR te worden gebracht Het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds brengt de besluiten, welke het neemt, onverwijld ter kennis van de Sociale Verzekeringsraad.

Artikel 74, lid 1, WAO

Toezending jaarverslag AOF aan SVR Regelen SVR met betrekking tot verrekening tussen AOF en bedrijfsverenigingen van premies en uitkeringen Het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds is verplicht binnen een jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden.

De Sociale Verzekeringsraad kan regelen stellen omtrent de verrekening tussen het Arbeidsongeschiktheidsfonds en de bedrijfsverenigingen van ontvangen premies en verhaalsbedragen enerzijds en van verstrekte uitkeringen en gemaakte kosten anderzijds, alsmede omtrent de berekening van de ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds te brengen administratiekosten.

Artikel 75, lid 2, WAO

Artikel 79, WAO

Geschil BV-AOF betreffende herzieningen Het Arbeidsongeschiktheidsfonds kan aan de bedrijfsvereniging mededelen, dat de bedragen, welke aan dat fonds ten goede zijn gekomen of in rekening zijn gebracht op daarbij aan te geven wijze worden herzien. Indien een bedrijfsvereniging zich met deze herziening niet kan verenigen, kan zij zich wenden tot de Sociale Verzekeringsraad welke in het geschil een beslissing neemt.

Artikel 73, lid 4, WAO

Nadere aanwijzing SVR aan AOF met betrekking tot belegging gelden in deposito's Bindende aanwijzingen omtrent beleggingsbeleid door SVR

Opgave stand der middelen en beleggingen van AOF aan SVR De Sociale Verzekeringsraad kan met betrekking tot de belegging van gelden door het Arbeidsongeschiktheidsfonds in deposito's bij de Nederlandse Bank of bij in Nederland gevestigde algemene banken nadere aanwijzingen geven.

Indien de Sociale Verzekeringsraad van oordeel is dat de verdeling der beleggingen over de verschillende objecten of enig ander onderdeel van het ter zake van de beleggingen gevoerde beleid in strijd is met de eisen van algemene aard welke daaraan moeten worden gesteld, kan hij aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds te dezen aanzien bindende aanwijzingen geven.

Het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds is verplicht binnen een maand na afloop van een kalenderkwartaal aan de Sociale Verzekeringsraad opgave te doen van de stand der middelen en beleggingen van het fonds aan het eind van dat kwartaal.

Beschikking van 5 januari 1972, nr. 55.113, Stcrt. 1972, nr. 7, artikel 1, lid 4

Beschikking van 5 januari 1972, nr. 55.113, Stcrt. 1972, nr. 7, artikel 5

Beschikking van 5 januari 1972, nr. 55.113, Stcrt. 1972, nr. 7, artikel 4

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

126

Md. Relatie Sociale Verzekeringsraad-Algemeen Werkloosheidsfonds

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Rekenplichtigheid AWF aan SVR

Toezending jaarverslag AWF aan SVR Aanwijzingen AWF aan BV-en met betrekking tot beoordelen verzoeken om uitkering worden ter kennis van de SVR gebracht. Bij een geschil hieromtrent beslist de SVR Beslissing SVR in een geschil tussen BV-AWF inzake vaststelling premie wachtgeldverzekering SVR kan richtlijnen geven met betrekking tot belegging van gelden in bepaalde vormen Bindende aanwijzingen omtrent beleggingsbeleid door SVR

Opgave stand der middelen en beleggingen van AWF aan SVR Kennisgeving van besluiten door AWF aan SVR

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Sociale Verzekeringsraad.

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is verplicht binnen een jaar na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand van het fonds en van zijn werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen te stellen, welk verslag met de rekening over dat boekjaar aan de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden.

  • Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds geeft aan de besturen der bedrijfsverenigingen aanwijzingen van algemene aard, welke deze in acht moeten nemen bij het beoordelen van verzoeken om uitkering. Van zulk een aanwijzing doet het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds mededeling aan de Sociale Verzekeringsraad. 2. Wanneer het bestuur van een bedrijfsvereniging van oordeel is, dat aanwijzingen bezwaarlijk kunnen worden opgevolgd, geeft het daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds. 3. Indien het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds de aanwijzingen geheel of ten dele handhaaft, kan het bestuur van de bedrijfsvereniging zich wenden tot de Sociale Verzekeringsraad, welke in het geschil een beslissing neemt.

Indien het bestuur van de bedrijfsvereniging zich met de mededeling van het Algemeen Werkloosheidsfonds inzake de vaststelling van de premie niet kan verenigen, kan het zich wenden tot de Sociale Verzekeringsraad, welke alsdan in het geschil een beslissing neemt.

De Sociale Verzekeringsraad kan richtlijnen geven met betrekking tot de belegging van gelden in onderhandse leningen, schuldbewijzen, schuldbrieven, pandbrieven en schuldvorderingen.

Indien de Sociale Verzekeringsraad van oordeel is, dat de verdeling der beleggingen over de verschillende objecten of enig ander onderdeel van het ter zake van de beleggingen gevoerde beleid in strijd is met de eisen van algemene aard, welke daaraan moeten worden gesteld, kan hij te dezen aanzien aan het Algemeen Werkloosheidsfonds bindende aanwijzingen geven.

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is verplicht binnen een maand na afloop van een kalenderkwartaal aan de Sociale Verzekeringsraad opgave te doen van de stand der middelen en beleggingen van zijn fonds aan het einde van dat kwartaal.

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt de besluiten, welke het neemt, onverwijld ter kennis van de Sociale Verzekeringsraad. Artikel 17 WW

Artikel 19 WW

Artikel 37 WW

Artikel 32, lid 4, WW

Beschikking van 21 mei 1954, nr. 2994, Stcrt. 1954, 100, artikel 2, lid 4

Beschikking van 21 mei 1954, nr. 2994, Stcrt. 1954, 100, artikel 5

Beschikking van 21 mei 1954, nr. 2994, Stcrt. 1954, 100, artikel 4

Artikel 16 WW

Tweede Kamerzitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

127

He. Relatie Sociale Verzekeringsraadbedrijfsverenigingen (Algemeen)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Bevoegdheid BV tot zelfstandig administreren behoudens verklaring SVR Een bedrijfsvereniging is bevoegd de administratie van een of meer takken van verzekering zelfstandig te voeren, indien en voor zover de Sociale Verzekeringsraad heeft verklaard, dat tegen het zelfstandig voeren van de administratie door de bedrijfsvereniging geen bezwaar bestaat.

Artikel 23, lid 1, OSV

Bevoegdheid tot intrekking door SVR van verklaring van 'geen bezwaar' tegen zelfstandige administratie BV Bevoegdheid SVR met betrekking tot aansluiting werkgevers bij een BV Een verklaring van geen bezwaar kan door de Sociale Verzekenngsraad worden ingetrokken, indien tegen het zelfstandig voeren van de administratie door de bedrijfsvereniging overwegende technische of administratieve bezwaren blijken te bestaan.

De Sociale Verzekeringsraad kan ten aanzien van het aangesloten zijn van een groep of groepen van werkgevers bij een bedrijfsvereniging regelen stellen, welke afwijken van de aansluiting van rechtswege

Artikel 25, lid 1, OSV

Artikel 7, lid 3, OSV

Beslissingsbevoegdheid SVR betreffende aansluiting bij BV in geval zich een geschil voordoet De Sociale Verzekeringsraad beslist, indien daarover geschil bestaat of indien hij dit uit anderen hoofde nodig acht, bij welke bedrijfsvereniging een werkgever is aangesloten.

Artikel 8, lid 1, OSV

Beslissingsbevoegdheid SVR betreffende aansluiting op verzoek werkgever bij andere BV Bepaling door SVR van gedeelte vermogen en grootte daarvan, dat bij overgang groep werkgevers naar andere BV meegaat Bevoegdheid BV-en tot het treffen van gemeenschappelijke regelingen betreffende de uitvoering ZW, WAO of WW. SVR kan de regeling aan Minister voorleggen wegens strijd met de wet of het algemeen belang Verplichting tot kennisgeving besluiten BV aan SVR

Verplichting tot kennisgeving besluiten BV aan SVR, op verzoek SVR Jaarverslag BV dient aan SVR te worden toegezonden

Regelen met betrekking tot opstellen gegevens De Sociale Verzekeringsraad kan op verzoek van een werkgever beslissen, dat die werkgever ten aanzien van werkzaamheden behorende tot een onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven, dat ressorteert onder een andere bedrijfsvereniging dan die, waarbij de werkgever is aangesloten, bij die andere bedrijfsvereniging is aangesloten.

Indien een werkgever of groep van werkgevers naar een andere bedrijfsvereniging overgaat, kan de Sociale Verzekeringsraad bepalen dat een gedeelte van de door de bedrijfsvereniging beheerde fondsen of de tekorten daarin mede overgaan, tot een door de Sociale Verzekeringsraad, onder goedkeuring van de Minister, te bepalen grootte.

Bedrijfsverenigingen kunnen ten aanzien van zaken betreffende de uitvoering van de ZW, de AAW, de AOW of de WW een gemeenschappelijke regeling treffen, welke binnen 14 dagen ter kennis wordt gebracht van de Sociale Verzekeringsraad. Meent de Sociale Verzekeringsraad, dat de regeling in strijd is met de wet of het algemeen belang, dan geeft hij hiervan kennis aan de Minister.

De bedrijfsvereniging brengt, volgens door de Sociale Verzekeringsraad te stellen regelen, besluiten van algemene strekking of belangrijke aard, genomen door de algemene vergadering of het bestuur, ter kennis van de Sociale Verzekeringsraad.

Een besluit van de algemene vergadering of het bestuur van de bedrijfsvereniging wordt terstond ter kennis gebracht van de Sociale Verzekeringsraad, wanneer deze zulks verzoekt.

Een bedrijfsvereniging stelt binnen negen maanden na het verstrijken van een boekjaar een verslag omtrent de toestand der vereniging en haar werkzaamheden in het afgelopen boekjaar samen, welk verslag, met een exemplaar van de door de algemene vergadering goedgekeurde rekening over dat boekjaar aan de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden.

De Sociale Verzekeringsraad kan regelen stellen met betrekking tot de opstelling van de in het jaarverslag te vermelden gegevens.

Artikel 8, lid 2, OSV

Artikel 7, lid 4 en 5, OSV

Artikel 16a, lid 1, OSV

Artikel 15, lid 1,OSV

Artikel 15, lid 2, OSV

Artikel 12, lid 2, OSV

Beschikking van 14 juni 1955, nr. 3451, Stcrt. 1955 nr. 115

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

128

Me. 2. Relatie Sociale Verzekeringsraadbedrijfsverenigingen (Werkloosheidswet)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Kennisgeving aan SVR van premiewachtgeldverzekering Uitvoering wachtgeld" en werkloosheidsverzekering door afdelingskas onder goedkeuring SVR BV mag met toestemming SVR bepaalde administratieve werkzaamheden met betrekking tot de WW door vakbond laten verrichten De te betalen premies worden door het bestuur der bedrijfsvereniging vastgesteld op een percentage van het loon van de werknemer. Van elke vaststelling van een premiepercentage wordt onverwijld kennis gegeven aan de Sociale Verzekeringsraad.

Met goedkeuring van en onder voorwaarden, te stellen door de Sociale Verzekeringsraad, kan de afdelingskas ook belast worden met werkzaamheden, welke strekken tot de uitvoering van de wachtgeld" en werkloosheidsverzekering.

De Sociale Verzekeringsraad kan toestaan, dat de bedrijfsvereniging bepaalde administratieve werkzaamheden met betrekking tot de wettelijke wachtgeld" en werkloosheidsverzekering onder haar verantwoordelijkheid laat verrichten door een of meer organisaties van werknemers.

Artikel 32, lid 2, WW

Artikel 20, lid 1, OSV

Artikel 23, lid 11, OSV

Voor belegging in bepaalde vormen is toestemming SVR noodzakelijk Het bestuur van de bedrijfsvereniging kan de gelden van het wachtgeldfonds beleggen in schatkistpromessen, schatkistbiljetten, onderhandse leningen, schuldbewijzen, schuld" en pandbrieven, schuldvorderingen of door storting in rekening courant bij ' s Rijks schatkist, voor zover en zolang daartoe door de Sociale Verzekeringsraad toestemming is verleend.

Beschikking van 21 mei 1954, nr. 2994, Stcrt. 1954, 100, art. 1, lid 3 onder f.

Bindende aanwijzingen omtrent beleggingsbeleid door SVR Opgave stand der middelen en beleggingen van wachtgeldfondsen aan SVR Voor aanwending reserve wachtgeldfonds tot bestrijding uitgaven wachtgeldfonds is toestemming SVR nodig Bevoegdheid SVR tot ontheffing reserveringsplicht

Indien de Sociale Verzekeringsraad van oordeel is, dat de verdeling der beleggingen over de verschillende objecten of enig ander onderdeel van het ter zake van de beleggingen gevoerde beleid in strijd is met de eisen van algemene aard, welke daaraan moeten worden gesteld, kan hij te dezen aanzien aan de besturen van de bedrijfsverenigingen bindende aanwijzingen geven.

De besturen van de bedrijfsverenigingen zijn verplicht binnen een maand na afloop van een kalenderkwartaal aan de Sociale Verzekeringsraad opgave te doen van de stand der middelen en beleggingen van hun fondsen aan het einde van dat kwartaal Het bestuur der bedrijfsvereniging bezigt gereserveerde gelden niet tot bestrijding van uitgaven van het wachtgeldfonds dan met toestemming van de Sociale Verzekeringsraad.

De Sociale Verzekeringsraad kan over een bepaald boekjaar geheel of ten dele ontheffing verlenen van de verplichting tot reservering.

Beschikking van 21 mei 1954, nr. 2994, Stcrt. 1954, 100, artikel 5

Beschikking van 21 mei 1954, nr. 2994, Stcrt. 1954, 100, artikel 4

Artikel 33, lid 2, WW

Artikel 33, lid 1,subb, WW

He. 3. Relatie Sociale Verzekeringsraadbedrijfsverenigingen (Ziektewet)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Voorschriften SVR met betrekking tot beleggingsreserve ziekengeldverzekering Uit de middelen, opgebracht door de aangesloten werkgevers, vormt de bedrijfsvereniging een reserve. De Sociale Verzekeringsraad kan voorschriften geven omtrent de belegging van de middelen der reserve, alsmede omtrent de wijze van waardering der beleggingen.

Artikel 63, lid 1, 1 en 2 ZW

Aanwijzingen SVR omtrent het op peil houden van de reserve Indien de reserve binnen het tijdsverloop van drie jaren niet het minimum heeft bereikt, geeft de Sociale Verzekeringsraad een aanwijzing omtrent de maatregelen, die moeten worden genomen ten einde de reserve binnen de kortst mogelijke termijn tot het minimum aan te vullen.

Artikel 63, lid 5, ZW

Bevoegdheid SVR om op een eerder tijdstip aanwijzingen te geven met betrekking tot het op peil nouden reserve Een aanwijzing met betrekking tot het op peil houden van de reserve kan binnen het tijdsverloop van drie jaren gegeven worden, indien de reserve is gedaald tot minder dan de helft van het minimum, dan wel indien bijzondere omstandigheden zulks naar het oordeel van de Sociale Verzekeringsraad wenselijk maken.

Artikel 63, lid 6, ZW

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

129

Hf. Relatie Sociale Verzekeringsraadbedrijfsverenigingen. Gemeenschappelijk Administratiekantoor, Gemeenschappelijke Medische Dienst

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Voorschriften aan BV-GAK en GMD door SVR strekkende tot efficiënte inrichting en coördinatie administraties Omslag administratiekosten GAK over alle BV-en volgens maatstaf SVR De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd ten aanzien van de administratie van de bedrijfsverenigingen, van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor en van de Gemeenschappelijke Medische Dienst voorschriften te geven, welke een efficiënte inrichting van die administratie waarborgen en zo nodig strekken tot coördinatie van de administraties onderling.

De Sociale Verzekeringsraad kan bepalen, dat administratiekosten, gemaakt door het Gemeenschappelijk Administratiekantoor ten behoeve van de verzekering in het algemeen, overeenkomstig een door de Sociale Verzekeringsraad vast te stellen maatstaf over alle bedrijfsverenigingen worden omgeslagen.

Artikel 26, lid 1, OSV

Artikel 51. lid 3, OSV

Hg. Relatie van de Sociale Verzekeringsraad-Gemeenschappelijk Administratiekantoor

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Vertegenwoordiging SVR bij vergaderingen GAK. SVR heeft daar raadgevende stem De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd zich op de door het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te houden vergaderingen, met een raadgevende stem te doen vertegenwoordigen. Aan de Sociale Verzekeringsraad wordt tijdig kennis gegeven van deze vergaderingen.

Artikel 23, lid 10, OSV

llh. Relatie Sociale Verzekeringsraad-Gemeenschappelijke Medische Dienst

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Toezending jaarverslag GMD aan SVR De Gemeenschappelijke Medische Dienst stelt binnen 9 maanden na een kalenderjaar een verslag omtrent zijn werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar samen, welk verslag aan de Sociale Verzekeringsraad wordt toegezonden

Artikel 22d, lid 1, OSV

Regelen SVR met betrekking tot de kosten van de GMB voortvloeiend uit de uitvoering WAO De kosten van de Gemeenschappelijke Medische Dienst, voor zover deze voortvloeien uit de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, komen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, voor zover ze voortvloeien uit de uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet komen ze ten laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds. De Sociale Verzekeringsraad kan ter zake nadere regelen stellen.

Artikel 22e, OSV

Verplichting tot kennisgeving besluiten GMD aan SVR Verplichting tot kennisgeving besluiten GMD aan SVR op verzoek SVR De Gemeenschappelijke Medische Dienst brengt besluiten van algemene strekking of belangrijke aard, genomen door het bestuur, ter kennis van de Sociale Verzekeringsraad.

Een besluit van het bestuur van de Gemeenschappelijke Medische Dienst wordt terstond ter kennis gebracht van de Sociale Verzekeringsraad, wanneer deze zulks verzoekt.

Beschikking van 27 december 1966, nr. 61204, Stcrt. 1966, nr. 253, artikel 2, lid 1

Beschikking van 27 december 1966, nr. 61204, Stcrt. 1966, nr. 253, artikel 2, lid 2

SVR geeft opstelling en onderverdeling gegevens jaarverslag aan De verstrekking van de in het jaarverslag te vermelden gegevens geschiedt volgens door de Sociale Verzekeringsraad aan te geven opstellingen en onderverdelingen.

Beschikking van 28 juni 1968, nr. 53107, Stcrt. 1968, nr. 132

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

130

lij. Relatie Sociale Verzekeringsraad-Sociale Verzekeringsbank

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Verantwoordingen rekenplichtigheid SVB aan SVR

Toezicht door SVR op SVB

Verplichting tot kennisgeving van besluiten door SVB aan SVR Verplichting tot kennisgeving besluiten SVB aan SVR op verzoek SVR SVB brengt jaarlijks verslag van eigen werkzaamheden en die van de RvA uit aan SVR Nadere aanwijzing SVR aan SVB met betrekking tot belegging gelden in vorderingen Opgave stand der middelen en beleggingen van SVB aan SVR

Bindende aanwijzingen omtrent beleggingsbeleid SVB door SVR Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank is verantwoordelijk en rekenplichtig aan de Sociale Verzekeringsraad-De Sociale Verzekeringsraad is belast met het toezicht op de Sociale Verzekeringsbank en op de uitvoering van de wetten door de Sociale Verzekeringsbank.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank brengt volgens door de Sociale Verzekeringsraad te stellen regelen besluiten van algemene strekking of belangrijke aard ter kennis van de Sociale Verzekeringsraad.

Een besluit van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank wordt terstond ter kennis gebracht van de Sociale Verzekeringsraad, wanneer deze zulks verzoekt.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank brengt binnen een jaar na het einde van een boekjaar een verslag van zijn werkzaamheden, alsmede omtrent de werkzaamheden van de Raden van Arbeid uit aan de Sociale Verzekeringsraad.

De Sociale Verzekeringsraad kan met betrekking tot de belegging van gelden door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank in vorderingen op of gegarandeerd door in Nederland gevestigde algemene banken nadere aanwijzingen geven.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank is verplicht binnen een maand na afloop van een kalenderkwartaal aan de Sociale Verzekeringsraad opgave te doen van de stand der middelen en beleggingen van het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds aan het einde van dat kwartaal.

Indien de Sociale Verzekeringsraad van oordeel is, dat de verdeling der beleggingen over de verschillende objecten of enig ander onderdeel van het ter zake van de beleggingen gevoerde beleid in strijd is met de eisen van algemene aard, welke daaraan moeten worden gesteld, kan hij te dezen aanzien aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank bindende aanwijzingen geven.

Artikel 15, lid 1, WSVB

Artikel 16, lid 1.WSVB

Artikel 14, lid 1, SWVB

Artikel 14, lid 2, WSVB

Artikel 78, lid 1, WSVB

Beschikking van 10.4.1974, nr. 50.340 Stcrt. 1974, 77 artikel 2, lid 3

Beschikking van 10.4.1974, nr. 50.340 Stcrt. 1974, 77 artikel 3

Beschikking van 10.4.1974, nr. 50.340 Stcrt. 1974, 77 artikel 3

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

131

lila. Relatie van de Kroon tot de SVR, het AAF, het AOF, het AWF en de bedrijfsverenigingen

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Schorsing of vernietiging besluiten SVR door de Kroon Schorsing of vernietiging besluiten AAF door de Kroon

Schorsing of vernietiging besluiten AOF door de Kroon Schorsing of vernietiging besluiten AWF door de Kroon

Schorsing of vernietiging besluiten BV door de Kroon De besluiten van de Sociale Verzekeringsraad kunnen voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, door de Kroon worden geschorst of vernietigd.

De besluiten van !iet bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds kunnen, voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, door de Kroon worden geschorst en vernietigd.

De besluiten van het bestuur van het Arbeidsongeschiktheidsfonds kunnen, voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, door de Kroon worden geschorst of vernietigd.

De besluiten van het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds kunnen, voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, door de Kroon worden geschorst of vernietigd.

De besluiten van de algemene vergadering of het bestuur ener bedrijfsvereniging kunnen, voor zover zij met de wet of het algemeen belang strijden, door de Kroon worden geschorst of vernietigd.

Artikel 44 OSV

Artikel 70, lid 2, AAW

Artikel 74, lid 2, WAO

Artikel 16, lid 2, WW

Artikel 28, lid 1, OSV

Voorzieningen bij Amvb indien SVR verplichtingen niet naar behoren nakomt Voorzieningen bij Amvb indien door de organisaties geen leden of plaatsvervangende leden voor SVR worden aangewezen Voorzieningen bij Amvb indien AWF verplichtingen niet naar behoren nakomt Voorzieningen bij Amvb indien door de organisaties geen leden of plaatsvervangende leden voor AWF worden aangewezen.

Voorzieningen bij Amvb indien BV haar taak niet naar behoren vervult Benoeming voorzitter SVR door de Kroon

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorzieningen worden getroffen, voor het geval de Sociale Verzekeringsraad zijn verplichtingen naar het oordeel van de Kroon niet naar behoren nakomt.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorzieningen worden getroffen, voor het geval de aanwijzing van leden en plaatsvervangende leden van de Sociale Verzekeringsraad door een of meer organisaties van werkgevers en/of werknemers achterwege blijft.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds zijn verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorzieningen worden getroffen, voor het geval de aanwijzing van leden of plaatsvervangende leden van het Algemeen Werkloosheidsfonds door een of meer organisaties van werkgevers en/of werknemers achterwege blijft.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval een bedrijfsvereniging naar het oordeel van de Kroon haar taak niet naar behoren en in overeenstemming met de bij of krachtens de wetten vastgestelde regelen vervult.

De voorzitter van de Sociale Verzekeringsraad wordt door de Kroon voor de tijd van drie jaren benoemd. Hij kan evenwel tussentijds door de Kroon worden geschorst en ontslagen.

Artikel 45, lid 1, OSV

Artikel 45, lid 2, OSV

Artikel 18, lid 1, WW

Artikel 18, lid 2, WW

Artikel 16 OSV

Artikel 35, lid 3, OSV

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

132

Illb. Relatie Kroon-Sociale Verzekeringsbank en Raden van Arbeid

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Schorsing of vernietiging van besluiten SVB en RvA door de Kroon De besluiten van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, van de Raad van Arbeid en de voorzitter van de Raad van Arbeid, kunnen voor zover zij met de wet, een algemene maatregel van bestuur of het algemeen belang strijden, door de Kroon worden geschorst of vernietigd.

Artikel 73, lid 10, WSVB

Voorzieningen bij Amvb indien SVB taak niet naar behoren vervult Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank naar het oordeel van de Kroon zijn taak niet naar behoren of niet in overeenstemming met de bij of krachtens de wetten vastgestelde regelen vervult.

Artikel 17, lid 1, WSVB

Voorziening bij een Amvb indien door de organisaties geen leden of plaatsvervangende leden van SVB worden aangewezen

Kroon benoemt voorzitter RvA

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorzieningen worden getroffen, voor het geval de aanwijzing van leden of plaatsvervangende leden van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank door een of meer organisaties van werkgevers of werknemers achterwege blijft.

De voorzitter van de Raad van Arbeid wordt door de Kroon benoemd.

Artikel 17, lid 2, WSVB

Artikel 29, lid 1, WSVB

Voorzitter mag geen nevenfuncties hebben zonder toestemming van de Kroon Zonder toestemming van de Kroon bekleedt de voorzitter geen ander openbaar ambt noch een betrekking en oefent hij geen beroep uit.

Artikel 30, lid 2, WSVB

Kennisgeving aan de Kroon door SVB van besluiten, mogelijk in strijd met wet of algemeen belang Tenzij de wet tot welker uitvoering het besluit genomen is anders bepaalt, geeft de voorzitter, wanneer een besluit van de Raad van Arbeid naar zijn oordeel in strijd is met de wet, een algemene maatregel van bestuur of het algemeen belang van dit gevoelen kennis aan de Raad en aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, dat daarvan terstond aan de Kroon verslag doet.

Artikel 37, lid 1, WSVB

Bij Amvb kan aan de RvA verplichting tot betaling van rente en aflossing van voorschotten van andere organen worden gegeven Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan de Raad van Arbeid uitgaven worden opgelegd tot betaling van rente en aflossing van voorschotten, welke hij van enig ander publiekrechtelijk lichaam heeft ontvangen.

Artikel 32, lid 1, WSVB

IV. Relatie Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfondsbedrijfsverenigingen

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Bevoegdheid AAF om na te gaan of de besluiten van de BV-en met betrekking tot het verlenen van uitkering en voorziening AAW in overeenstemming zijn met de wet Controle op de ten goede en ten laste van het AAF gebrachte bedragen wegens uitkeringen Het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds is bevoegd te doen nagaan of de besluiten van de bedrijfsverenigingen met betrekking tot het verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering of het in aanmerking komen voor voorzieningen in overeenstemming zijn met de bij of krachtens de wet vastgestelde bepalingen.

Het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds is bevoegd te doen nagaan of bedragen, welke de bedrijfsverenigingen aan het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds in rekening brengen wegens voor dit fonds gedane uitgaven, op de juiste wijze zijn vastgesteld.

N.B. Het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds heeft geen bevoegdheden ten opzichte van de Gemeenschappelijke Medische Dienst.

Artikel 68, sub a, AAW

Artikel 78, sub b, AAW

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

133

  • V. 
    Relatie Arbeidsongeschiktheidsfondsbedrijfsverenigingen

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Bevoegdheid AOF om na te gaan of de besluiten van de BV-en met betrekking tot het verlenen van uitkering WAO in overeenstemming zijn met de wet Controle op de ten goede en ten laste van het AOF gebrachte bedragen wegens premie en uitkeringen

Correctie op beleid BV

Afwijking advies GMD

Het Arbeidsongeschiktheidsfonds is bevoegd te doen nagaan of de besluiten van de bedrijfsverenigingen met betrekking tot het verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering in overeenstemming zijn met de bij of krachtens de wet vastgestelde bepalingen.

Het Arbeidsongeschiktheidsfonds is bevoegd te doen nagaan of bedragen, welke de bedrijfsverenigingen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds in rekening brengen wegens voor dit fonds gedane uitgaven, alsmede bedragen welke de bedrijfsverenigingen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds ten goede doen komen wegens voor dit fonds geïnde premies en verhaalsbedragen, op de juiste wijze zijn vastgesteld.

Indien het beleid van een bedrijfsvereniging ten aanzien van: a. de heffing en invordering van de premie b. het verlenen van arbeidsongeschiktheidsuitkering c. het beheer en de administratie met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsver zeker ing in strijd is met de vastgestelde bepalingen of om andere redenen niet aan de te stellen eisen voldoet, kan het Arbeidsongeschiktheidsfonds aan de bedrijfsvereniging mededelen, dat de bedragen, welke aan dat fonds ten goede zijn gekomen of in rekening zijn gebracht op daarbij aan te geven wijze worden herzien. Indien de bedrijfsvereniging zich hiermede niet kan verenigen kan zij zich tot de Sociale Verzekeringsraad wenden, die een beslissing neemt.

Ten aanzien van de gevallen, waarin-en voor zover-de bedrijfsvereniging is afgeweken van het oordeel van de Gemeenschappelijke Medische Dienst, kan het Arbeidsongeschiktheidsfonds aan de bedrijfsvereniging mededelen, dat de bedragen, welke aan het fonds in rekening zijn gebracht op daarbij aan te geven wijze worden herzien. Indien de bedrijfsvereniging zich hiermede niet kan verenigen kan zij zich tot de Sociale Verzekeringsraad wenden, die een beslissing neemt.

N.B. Het Arbeidsongeschiktheidsfonds heeft geen bevoegdheden ten opzichte van de Gemeenschappelijke Medische Dienst.

Artikel 73, lid 1 sub a, WAO

Artikel 73, lid 1 sub b, WAO

Artikel 73, lid 2 en 3, WAO

Artikel 73, lid 3 en 4, WAO

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

134

VI. Relatie Algemeen Werkloosheidsfondsbedrijfsverenigingen

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Bevoegdheid AWF om verleende werkloosheidsuitkeringen te toetsen aan de wet Bevoegdheid AWF om door de BV in rekening gebrachte bedragen en door de BV overgemaakte bedragen te controleren Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd te doen nagaan of besluiten van de besturen van bedrijfsverenigingen met betrekking tot het recht op een werkloosheidsuitkering in overeenstemming zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen.

Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds is bevoegd te doen nagaan of bedragen, welke de bedrijfsverenigingen aan het Algemeen Werkloosheidsfonds in rekening brengen wegens gedane uitgaven, alsmede bedragen, welke aan het fonds ten goede komen wegens voor dit fonds geinde premiën op de juiste wijze zijn vastgesteld.

Artikel 44, lid 1 sub a, WW

Artikel 44, lid 1 sub b, WW

Kennisgeving aan AWF van vaststelling premiepercentage wachtgeldverzekering De te betalen premién worden door het bestuur der bedrijfsvereniging vastgesteld op een percentage van het loon van de werknemers. Van elke vaststelling van een percentage wordt onverwijld kennis gegeven aan het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Artikel 32, lid 2, WW

Bevoegdheid AWF tot afwijzing vastgestelde premiepercentages wachtgeldver zekering Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds kan binnen 3 weken na ontvangst van een kennisgeving van premievaststelling wachtgeldverzekering aan het bestuur van de bedrijfsvereniging mededelen, dat het zich met het vastgestelde percentage niet kan verenigen.

Artikel 32, lid 3, WW

Herziening vaststelling premiepercentage Het bestuur van de bedrijfsvereniging stelt na ontvangst van een mededeling van het Algemeen Werkloosheidsfonds inzake het zich niet kunnen verenigen met de vastgestelde premie, het percentage opnieuw vast in overeenstemming met het gevoelen van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Artikel 32, lid 4, WW

Aanwijzingen van algemene aard van het AWF met betrekking tot beoordeling door de BV-en en van verzoeken om uitkering Het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds geeft aan de besturen der bedrijfsverenigingen aanwijzingen van algemene aard welke deze in acht moeten nemen bij het beoordelen van verzoeken om uitkering. Wanneer het bestuur van een bedrijfsvereniging van oordeel is, dat deze aanwijzingen bezwaarlijk kunnen worden opgevolgd, geeft het daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds. Als het Algemeen Werkloosheidsfonds de aanwijzing handhaaft, kan de bedrijfsvereniging zich tot de Sociale Verzekeringsraad wenden, die een beslissing neemt.

Artikel 37, leden 1 t/m, WW

Bevoegdheid AWF om beperkende bepalingen te stellen met betrekking tot de mate, waarin beheers-en administratiekosten ten laste van dat fonds kunnen worden gebracht De kosten van beheer en administratie aan de uitvoering van de werkloosheidsverzekering verbonden, komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, behoudens de bevoegdheid van het bestuur van dit fonds om ten aanzien van de mate, waarin de door de bedrijfsverenigingen gemaakte kosten ten laste van het fonds kunnen worden gebracht, beperkende bepalingen te stellen.

Artikel 20, lid 4, WW

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

135

VII. Relatie Sociale Verzekeringsbank-Raad van Arbeid

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

RvA verantwoordelijk en rekenplichtig aan SVB

SVB houdt toezicht op RvA

Controle op RvA door SVB

Verplichting tot verstrekken van inlichtingen door RvA aan SVB De Raad van Arbeid is verantwoordelijk en rekenplichtig aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Het toezicht op de Raden van Arbeid is opgedragen aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank kan een of meer zijner leden of een of meer onder zijn bevelen werkzame ambtenaren machtigen om ten behoeve van de uitoefening van het dat bestuur opgedragen toezicht op de Raden van Arbeid mondeling of schriftelijk inlichtingen in te winnen of een onderzoek in te stellen, het opnemen van boeken daaronder begrepen. Een machtiging wordt niet verleend dan voor een telkens door het bestuur aangewezen geval of een reeks gelijksoortige gevallen.

De voorzitter en de leden van de Raad van Arbeid, alsmede alle aan de Raad van Arbeid ondergeschikte ambtenaren zijn verplicht aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank desverlangd schriftelijk de in-lichtingen te verschaffen, welke het ten behoeve van de uitoefening van het hem opgedragen toezicht verlangt, voorts het bestuur gelegenheid te geven tot het instellen van een onderzoek, dat het ten behoeve van dat toezicht nodig acht en zo dikwijls het bestuur het vordert inzage te geven in de boeken en bescheiden, de dienst van de Raad van Arbeid betreffende, zomede in gelden en waarden, welke door of vanwege de Raad van Arbeid worden beheerd of bewaard.

Artikel 49, WSVB

Artikel 54, lid 1, WSVB

Artikel 66, lid 1 en 2, WSVB

Artikel 67, WSVB

SVB kan voorschriften geven met betrekking tot inrichting administratie RvA RvB kan voorschriften geven omtrent toepassing van de door de RvA uitgevoerde wetten Kennisgeving aan bestuur SVB van ontslag of overlijden leden en plaatsvervangende leden RvA door voorzitter RvA Voorzitter RvA geeft aan SVB kennis van besluiten, mogelijk in strijd met wet of algemeen belang Gemeenschappelijke regelingen tussen Raden behoeven goedkeuring SVB SVB kan gemeenschappelijke regeling tussen Raden opheffen

Van bepaalde besluiten van RvA is goedkeuring SVB vereist De Raad van Arbeid is met betrekking tot de inrichting van de administratie van de Raad verplicht de aanwijzingen te volgen van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank is bevoegd aan de Raad van Arbeid voorschriften te geven omtrent de toepassing van een bepaling, voorkomende in de AOW, de AWW, de Kinderbijslagwetten, de Ouderdomswet 1919, de IW, de Liquidatiewet IW en de WSVB.

De voorzitter van de Raad van Arbeid geeft het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank onverwijld kennis van benoeming, ontslag of overlijden van leden of plaatsvervangende leden van de Raad van Arbeid.

Tenzij de wet tot welker uitvoering het besluit genomen is anders bepaalt, geeft de voorzitter, wanneer een besluit van de Raad van Arbeid naar zijn oordeel in strijd is met de wet, een algemene maatregel van bestuur of het algemeen belang, van dit gevoelen kennis aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Twee of meer Raden van Arbeid kunnen gemeenschappelijke zaken in onderling overleg regelen. Zodanige regeling behoeft vóór haar in-werkingtreding de goedkeuring van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Een regeling tussen twee of meer Raden van Arbeid kan te allen tijde door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank al dan niet op verzoek van een of meer der betrokken Raden van Arbeid, bij een met redenen omkleed besluit worden opgeheven. Dit besluit regelt de gevolgen der opheffing.

De Raad van Arbeid behoeft de goedkeuring van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank voor: het kopen, ruilen, vervreemden en bezwaren van onroerende goederen; het verhuren of verpachten van eigendommen; het treffen van dadingen, het onderwerpen van geschillen aan scheidsmannen, het voeren van rechtsgedingen, hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger beroep of cassatie, het berusten in een tegen de Raad ingestelde rechtsvordering; het doen van door de Kroon aangewezen rechtshandelingen.

Artikel 68, WSVB

Artikel 69, WSVB

Artikel 34, WSVB

Artikel 37, lid 1, WSVB

Artikel 41, lid 1 en 2, WSVB

Artikel 41, lid 3, WSVB

Artikel 43, lid 1, WSVB

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, rus. 1-2

136

VII. Relatie Sociale Verzekeringsbank-Raad van Arbeid (vervolg)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

RvA moet ingesteld rechtskundig onderzoek aan SVB meedelen afvorens rechtshandeling te plegen Bij het aanvragen van goedkeuring voor het voeren van een rechtsgeding deelt de Raad van Arbeid het te dien aanzien door hem ingesteld rechtskundig onderzoek aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank mee.

Artikel 43, lid 2, WSVB

RvA moet afschriften van besluiten aan SVB zenden RvA dient SVB van bericht en raad op verzoek SVB

RvA moet begroting in-dienen bij SVB Begroting RvA behoeft goedkeuring SVB

SVB kan indeling begroting RvA wijzigen Verlening of onthouding van goedkeuring aan begroting RvA door SVB geschiedt in haar geheel De Raad van Arbeid zendt aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank afschrift van alle door hem genomen besluiten met uitzondering van die, welke voor beroep bij de Raden van Beroep vatbaar zijn.

Over alle zaken, zijn werkkring betreffende dient de Raad van Arbeid indien dit wordt verlangd van bericht en raad aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

De Raad van Arbeid zendt jaarlijks drie maanden vóór de aanvang van het kalenderjaar, waarvoor zij moet dienen, bij het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank een begroting in van inkomsten en uitgaven.

De begroting behoeft om te werken de goedkeuring van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank heeft de bevoegdheid in de indeling der begroting wijziging te brengen.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank verleent of onthoudt zijn goedkeuring aan de begroting in haar geheel, gelijk zij door de Raad van Arbeid is vastgesteld. De beslissing van het bestuur wordt medegedeeld aan de Raad van Arbeid.

Artikel 44, WSVB

Artikel 45, WSVB

Artikel 50, WSVB

Artikel 54, lid 1, WSVB

Artikel 54, lid 2, WSVB

Artikel 56, lid 1 en 2, WSVB

SVB kan RvA machtiging tot beschikking over bedragen op nog niet goedgekeurde begroting verlenen RvA behoeft machtiging SVB voor uitgaven buiten de begroting Af-en overschrijving posten begroting RvA alleen na machtiging SVB RvA doet rekening van inkomsten en uitgaven aan SVB toekomen ter verantwoording SVB stelt termijn voor inzending rekening RvA vast

Voorzitter bestuur SVB is belast met rechtsvervolging voorzitter en leden RvA bij onrechtmatig gedane uitgaven SVB moet trachten geschillen tussen Raden in der minne te schikken Is de goedkeuring aan de begroting van de Raad van Arbeid niet verleend vóór de aanvang van het jaar, waarvoor de begroting moet dienen, dan machtigt het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank de Raad van Arbeid over het gehele bedrag van die posten der begroting te beschikken, waartegen bij hem geen bedenking bestaat. In spoedeisende gevallen echter kan het bestuur de Raad van Arbeid machtigen tot op een door het bestuur te bepalen bedrag uitgaven te doen uit die posten der begroting, waartegen bedenking bestaat.

Buiten de begroting kan geen uitgave worden gedaan dan met afzonderlijke voorafgaande machtiging van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

Af-en overschrijving op de posten van de begroting kan niet geschieden dan voor zover daartoe bij de begroting zelve, of bij een afzonderlijk door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank goedgekeurd besluit van de Raad van Arbeid machtiging is verleend.

De Raad van Arbeid doet van de inkomsten en uitgaven over elk dienstjaar verantwoording aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank onder overlegging van een rekening. Deze rekening vermeldt alle ontvangsten en uitgaven van het dienstjaar.

De Raad van Arbeid zendt de rekening en de daarbij behorende bescheiden binnen de door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank vast te stellen termijn aan dat bestuur in. Het bestuur kan in de indeling van de rekening wijzigingen aanbrengen.

De voorzitter van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank is, wanneer daartoe volgens dit artikel aanleiding is, belast met de rechtsvervolging tot schadevergoeding van de voorzitter en de leden van de Raad van Arbeid worden wegens onrechtmatig gedane uitgaven, waarvoor zij persoonlijk aansprakelijk zijn jegens de Raad van Arbeid.

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank tracht alle geschillen tussen de Raden van Arbeid in der minne te doen bijleggen.

Artikel 56, lid 3, WSVB

Artikel 58, WSVB

Artikel 59, WSVB

Artikel 60, lid 1 en 2, WSVB

Artikel 60, lid 3 en 4, WSVB

Artikel 63, lid 1 en 2, WSVB

Artikel 65, Hd 3, WSVB

Tweede Kamer,zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

137

VII. Relatie. Sociale Verzekeringsbank -Raad van Arbeid (vervolg)

Aard van de relatie

Inhoud wettelijke bepaling

Vindplaats

Indien RvA weigert bij Amvb opgelegde uitgaven op begroting te vermelden kan SVB dit doen De bij algemene maatregel van bestuur opgelegde uitgaven tot betaling van rente en aflossing van voorschotten aan publiekrechtelijke lichamen worden in elk geval evenals de bij andere wettelijke voorschriften aan de Raad opgelegde uitgaven op de begroting van uitgaven gebracht. Dit geschiedt door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank indien de Raad van Arbeid weigert aan zijn verplichtingen te voldoen.

Artikel 52, lid 2, WSVB

VIII. Relatie van de door de Sociale Verzekeringsbank te beheren fondsen onderling

Aard van de relatie

AOW-, AWW-en AKW-fondsen moeten elkaar renteloze voorschotten geven bij tekorten

Inhoud wettelijke bepaling

Zolang het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds of het Algemeen Kinderbijslagfonds geen voldoende middelen heeft, schiet een dezer fondsen de voor de uitgaven van het andere fonds benodigde gelden renteloos voor. Het Ouderdomsfonds krijgt geen renteloos voorschot van het Rijk zolang het Ouderdomsfonds hierdoor over voldoende middelen kan beschikken.

Vindplaats

Artikel 12, lid, WSVB

Indien IW-fondsen of Ouderdomsfonds B of het KWL-fonds niet voldoende middelen hebben verstrekt het AOW-, AWW-of AKW-fonds of een der andere fondsen voorschotten. Minister stelt de rente vast Indien AWW of AKW-fonds niet voldoende middelen heeft verstrekt IW-fonds of Ouderdomsfonds B danwei KWL-fonds voorschotten. Minister stelt de rente vast Zolang het lnvaliditeits-en Ouderdomsfonds, het Ouderdomsfonds B of het Kinderbijslagfonds voor loontrekkenden geen voldoende middelen heeft, schiet een dezer fondsen, dan wel het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds of het Algemeen Kinderbijslagfonds de voor de uitgaven van een der eerstgenoemde fondsen benodigde gelden tegen een door de Minister vast te stellen rente voor.

Zolang het Weduwen-en Wezenfonds of het Algemeen Kinderbijslagfonds geen voldoende middelen heeft, schiet het lnvaliditeits-en Ouderdomsfonds, het Ouderdomsfonds B of het Kinderbijslagfonds voor loontrekkenden de voor de uitgaven van het Weduwen-en Wezenfonds benodigde gelden tegen een door de Minister vast te stellen rente voor.

Artikel 12, lid 4, WSVB

Artikel 12, lid 5, WSVB

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15594, nrs. 1-2

138

Bijlage 4

PROTOCOL MET BETREKKING TOT DE SAMENWERKING SVR-FBV De Sociale Verzekeringsraad (SVR) en de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV), gelet op de op 1 april 1976 gehouden besprekingen over de positie van SVR, FBV en bedrijfsverenigingen en over de relatie tussen SVR en FBV,

stellen het volgende vast:

  • In verband met het principiële verschil in benadering zien SVR en FBV er van af een discussie aan te gaan of voort te zetten betreffende de verschillen in de standpunten die beide organen innemen met betrekking tot eikaars plaats in het geheel van de uitvoeringsorganisatie en daarmee samenhangend over de formele relatie tot elkaar. Zij zijn daarentegen van oordeel dat van meer belang is na te gaan op welke terreinen van de uitvoeringsorganisatie samenwerking tussen SVR en FBV tot stand kan komen en op welke wijze de samenwerking zodanig kan worden gestructureerd dat een optimaal effect daarvan bereikt kan worden. 2. De beide organen zijn van oordeel dat, hoewel zowel de SVR -als bij de wet in het leven geroepen orgaan -als de FBV-als vrijwillig vanuit de uitvoeringsorganen voortgekomen samenwerkingsverband -elk een groot aantal taken hebben, welke nauwkeurig omschreven kunnen worden, er een groot werkterrein blijft bestaan waarop beide organen zowel afzonderlijk als gezamenlijk kunnen opereren binnen het kader van hun gemeenschappelijke doelstelling, te weten een zo rechtvaardig en doelmatig mogelijke uitvoering van de sociale verzekeringswetten. 3. SVR en FBV hebben de intentie in de activiteiten op het in artikel 2 bedoelde werkgebied, waarop de beide organen zowel afzonderlijk als gezamenlijk kunnen opereren, zoveel mogelijk samen te werken. 4. Overeenkomstig hun intentie om de samenwerking optimaal te doen zijn zullen SVR en FBV in onderling overleg telkens ad hoc vaststellen welke vorm dient te worden gegeven aan een gezamenlijk optreden of aan de uitwisseling van gegevens omtrent bij elk van de instellingen afzonderlijk in behandeling zijnde zaken. 5. Om dit doel te bereiken zal steeds het andere orgaan, zo mogelijk vooraf, in de gelegenheid worden gesteld zijn mening kenbaar te maken over activiteiten die hetzij de SVR hetzij de FBV ontplooit. Daarbij is irrelevant of de werkzaamheden, die worden verricht en waarover de mening van de ander wordt gevraagd, behoren tot die groep van taken waarover de SVR en de FBV het eens zijn dat zij tot de competentie van öf de een óf de ander behoren, dan wel liggen op het terrein waarop zowel SVR als FBV zich (kunnen) begeven. 6. Indien door een der organen een officieel advies moet worden uitgebracht en het is dat orgaan bekend dat de opvattingen van het andere orgaan over de betreffende kwestie anders zijn, zal zoveel als mogelijk is van die opvattingen worden melding gemaakt zonder dat daardoor het eigen standpunt zal worden aangetast. 7. Indien een der organen van oordeel is, dat aan de bedrijfsverenigingen per circulaire of anderszins een voorschrift of advies van belangrijke aard

Tweede Kamerzitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

139

dient te worden doorgegeven, zal hierover vroegtijdig vooroverleg met het andere orgaan plaatsvinden of voorkennis aan het andere orgaan worden gegeven. 8. SVR en FBV onderkennen dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waaronder het niet mogelijk is het andere orgaan zo vroegtijdig als wenselijk zou zijn in te lichten, bij voorbeeld indien de SVR het verzoek ontvangt om op zeer korte termijn of vertrouwelijk een advies uit te brengen a?n een bewindsman of aan een orgaan als bij voorbeeld de SER. In die gevallen zal de SVR, zij het achteraf, op zo kort mogelijke termijn dat wil zeggen nadat een eventuele geheimhoudingsplicht is opgeheven, de FBV in kennis stellen van het door hem ingenomen standpunt. De FBV zal in vergelijkbare gevallen eenzelfde gedragslijn volgen. 9. Zowel bij de SVR als bij de FBV zal in elk afzonderlijk geval een nauwkeurige afweging plaatsvinden of consultatie van het andere orgaan beslist overbodig dan wel onmogelijk is. Is zulks niet het geval dan zal zonder meer overleg vooraf worden gepleegd. 10. Afhankelijk van het onderwerp zal het vooroverleg plaatsvinden door: -bespreken in het geïnstitutionaliseerde Overleg SVR-FBV (OSF); -doen waarnemen van het secretariaat van de SVR, resp. de administrateur van de FBV bij de voorbereiding van de besluitvorming; -toezenden van een concept-advies of -circulaire ter becommentariè-ring; -toezenden van vergaderstukken in het kader van de gebruikelijke uitwisseling daarvan.

Bij de keuze van de overlegvorm zullen beide organen rekening houden met de intentie het overleg in een zo vroeg mogelijk stadium aan te vangen.

3 december 1976

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

140

Bijlage 5

ADVIES BETREFFENDE DE POSITIE VAN DE SOCIALE VERZEKERINGS-RAAD,

uitgebracht door

prof. mr. W. F. Prins en prof. mr. J. M. Polak

  • Ter beantwoording staat de vraag hoever reikt de bij artikel 41 Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1952, nr. 344) aan de minister toegekende bevoegdheid om aan de Sociale Verzekeringsraad aanwijzingen te geven met betrekking tot de uitoefening van diens taak?
  • Bij de beantwoording van deze vraag moet vooropgesteld worden, dat het Statuut van de SVR, zoals neergelegd in hoofdstuk III van de Organisatiewet, onvoldoende doordacht en dientengevolge ondoorzichtig is. Naast artikel 41 staat immers artikel 44, hetwelk aan de Kroon de bevoegdheid toekent om besluiten van de Raad wegens strijd met de wet of het algemeen belang te vernietigen, welke bepaling de indruk wekt, dat de SVR -evenals provincie en gemeente (artikel 149 en 154 Grondwet) -zou zijn een «autonoom» lichaam, welks vertegenwoordigers (organen) zouden handelen zonder gebonden te zijn aan bevelen van hoger gezag. Daarmede is echter niet verenigbaar, dat de raad verantwoordelijk is aan de minister en van deze bewindsman «aanwijzingen» kan ontvangen. Wat de verantwoordelijkheid betreft is dit zonder meer duidelijk, terwijl de aanwijzingen slechts zin hebben indien zij in acht genomen moeten worden, met andere woorden bevelen zijn. ledereen, ook een minister kan aan een ander goede raad geven, maar wanneer de wet spreekt van een bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen, is dat niet anders dan het creëren van een verhouding van ondergeschiktheid, zoals ook past bij de verantwoordingsplicht. Voor een bevoegdheid tot schorsing en vernietiging van besluiten is bij zulk een verhouding geen plaats, daar immers volstaan kan worden met een «aanwijzing» om een besluit, dat aan hoger gezag niet bevalt, in te trekken, dat -anders dan bij «autonome» lichamen het geval isgepaard kan gaan met een aanwijzing om een besluit van tegenovergestelde strekking te nemen.
  • De bewuste bepaling is bij derde nota van wijzigingen in artikel 41 opgenomen. Zij was nodig omdat de directe zeggenschap van de SVR was verminderd en daartegenover aan de minister meer invloed moest worden toegekend. Dat daarnaast artikel 44 werd gehandhaafd, was inconsequent maar paste wel bij de toenmaals bestaande opvattingen. Men vergelijke de uit hetzelfde jaar 1952 daterende Wet op de organen voor de emigratie, die -gehoorzaam aan de toen algemene roep om «functionele decentralisatie» -eveneens een bevoegdheid tot schorsing en vernietiging van besluiten van het emigratiebestuur aan de Kroon verzekerde, hoewel iets dergelijks niet gerechtvaardigd mocht heten, niet alleen vanwege het geringe belang, dat hiermede gemoeid was, maar vooral vanwege de overwegende invloed van de centrale overheid in dat bestuur. Wellicht heeft ook een rol gespeeld een artikel van wijlen mr. S. Mok in Ned. Juristenblad van 1946, blz. 5-9, waarin wordt bepleit om aan de Minister van Sociale Zaken bevoegdheid te verlenen tot vernietiging van beslissingen van het college van rijksbemiddelaars. Maar dan heeft men -onbewust of willens en wetens -een kardinaal verschil over het hoofd gezien. Het

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

141

college is alleen gebonden aan «algemene aanwijzingen» (artikel 11, lid 4, BBA) en kan dus in een concreet geval de verantwoordelijkheid van de Minister doorkruisen. Ten aanzien van de SVR is dit -juridisch -niet mogelijk, omdat de Raad gebonden is aan «aanwijzingen» zonder meer.

  • Nu is de vraag gesteld, of artikel 41 Organisatiewet zich mede uitstrekt tot andere taken dan het toezicht, hetwelk de Raad uitoefent krachtens hoofdstuk IV Organisatiewet. Ons inziens kan die vraag niet anders dan bevestigend worden beantwoord, althans (en dat is hier alleen van belang) ten aanzien van de Organisatiewet, de Coördinatiewet en de Werkloosheidswet. Volgens deze wetten als bedoeld in hoofdstuk III Organisatiewet, met andere woorden, de SVR zoals deze daar is ingericht en voorzien van bevoegdheden en verplichtingen. Het zou trouwens niet anders zijn indien de bedoelde wetten alleen maar zouden spreken van de SVR, want dit kan -bij gebreke van speciale afwijkingen -niet anders zijn dan het lichaam, gelijk dat in hoofdstuk III is uitgerust. Het is in dit verband niet zonder belang, dat de Or-ganisatiewet ook buiten hoofdstuk IV (toezicht) aan de SVR bevoegdheden toekent, die niet onder het begrip «toezicht» zijn te begrijpen en waarbij een aanwijzingsrecht van hoger gezag niet voor de hand ligt. Zo het recht tot beslissing van geschillen van artikel 8 (hoofdstuk II). Voor de praktijk is dit niet van zoveel belang omdat de wetgever hier zelf het toetsingsrecht van de onafhankelijke rechter erkent (artikel 41 j°. artikel 28), maar principieel is het wel van betekenis. Men zie Hoge Raad 26 juni 1964, NJ 1965, nr. 2 en Ara Aequi 1966, blz. 209). Ware de SVR geschillen van deze aard beslissende, een onafhankelijk college, dan zou het toetsingsrecht van de rechter aanvechtbaar zijn.
  • Van praktisch belang wordt dit alles echter, wanneer men denkt aan het recht van beroep, hetwelk ingevolge artikel 17 der Coördinatiewet istoegekend aan gemoedsbezwaarden. Men heeft vermoedelijk bij de toekenning van dit recht erop vertrouwd, dat betrokkenen zich wel bij een beslissing van een zo aanzienlijk college als de SVR zullen neerleggen en in de praktijk zal dit meestal ook wel het geval zijn. Maar juridisch is het niet zonder bedenking, dat deze beslissingen afkomstig zijn van een college, dat onderworpen is aan «aanwijzingen», hetgeen de rechter niet zal verhinderen om in zaken van deze aard de zaak opnieuw in haar geheel te overwegen. Met de gemoedsbezwaarden zijn wij nog niet klaar: zie laatstelijk de noot van prof. Bronkhorst onder Hoge Raad 16 januari 1968, NJ 1969, nr. 2.
  • Conclusie. Vooralsnog is de Sociale Verzekeringsraad zowel op het gebied van de Organisatiewet, als op dat van Coördinatie-en Werkloosheidswet gebonden aan ministeriële aanwijzingen. Zijn positie is evenwel geregeld op een wijze, die ge(dis)qualificeerd moet worden als onevenwichtig en misleidend. Wil men niet op zien komen spelen en moeilijkheden in de toekomst voorkomen, dan dient de status van deze raad opnieuw te worden bezien.

Utrecht, Wageningen 6 februari 1969

  • W. 
    • F. 
      Prins J. M. Polak

Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nrs. 1-2

142

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.