Verslag van een mondeling overleg - Nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr.29

' Samenstelling: Bakker (CPN), Van der Mei (CHU), Notenboom (KVP), Peijnenburg (KVP), Van Leeuwen (ARP), Van der Spek (PSP), Wierenga (PvdA), Koning (VVD), Barendregt (PvdA), Nypels (D'66), Hermsen (KVP) onder voorzitter, Rietkerk (VVD), Dolman (PvdA) voorzitter, Verbrugh (GPV), Van Dis (SGP), Van Aardenne (VVD), Epema-Brugman (PvdA), G, M. P. Cornelissen (KVP), Drees (DS'70), Honig vanden Bossche (BP), Beuker IRKPN), Noote boom, Jansen (PPR), Van der Doet (PvdA), Beumer (ARP), Huijsen.

VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG Vastgesteld 9 februari 1977

De bijzondere commissie uit de Kamer welke in juni 1976 het voorbereidend onderzoek verrichtte van de zogenaamde één-procentsnota (Kamerstuk 13951) heeft op donderdag 27 januari 1977 een mondeling overleg gevoerd met de Ministervan Sociale Zaken over diens brief van 19 januari 1977 aangaande de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze nota(13951,nr. 27). De Minister was bij dit overleg vergezeld van drs. A. L. Dirken en drs. J. B. M. Pierik, medewerkers van de directie sociale verzekeringen van zijn departement. De commissie heeft de eer als volgt verslag uit te brengen over het gevoerde overleg.

Opmerkingen en vragen vanuit de commissie Ingevolge een daartoe tevoren in de commissie gemaakte afspraak drong de voorzitter van de commissie er bij de Minister op aan dat de Ministerraad op zeer korte termijn duidelijkheid zou verschaffen over haar beleidsvoornemens met betrekking tot de in onderdeel II, sub 2, 3 en 4, van de brief van 19 januari genoemde punten. Hij wees er daarbij op dat in de commissie onder meer als argument was aangevoerd dat de Regering zelf in de één-procentsnota (zie 13951, nr. 2, V, 3) een verband had gelegd tussen de daarin voorgestelde beleidsherzieningen en de totstandkoming van belangrijke hervormende maatregelen. Naarmate de behandeling van bedoelde hervormende wetsontwerpen naderbij komt, is het des te belangrijker, aldus dit in de commissie aangevoerde argument, voor de Kamer om precies te weten welke de beleidsvoornemens van de Regering zijn met betrekking tot de in de nota 13951 voorgestelde herzieningen. Een lid van de P.v.d.A.-fractie onderstreepte het belang van de in de brief genoemde volumebeperkende maatregelen (§ I) en de activiteiten gericht op vereenvoudiging van de uitvoeringsorganisatie (§ III). Naar haar oordeel kan er niet hard genoeg gewerkt worden op deze gebieden. Ook was zij verheugd dat in § II, sub 5 nog eens nadrukkelijk over de zogenaamde «opschoning» wordt gesproken. Zijn er, zo vroeg zij vervolgens, inmiddels nog nieuwe mee-of tegenvallers te melden? In hoeverre zal de mededeling van de Minister van Economi-Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr.29

sche Zaken in diens brief van 19 januari (14100, nr. 16), dat per saldo het werkloosheidsniveau in 1977 hoger zal uitkomen dan gemiddeld in 1976, aanleiding zijn de in brief 13951, nr. 27, gegeven cijfers, met name die over de werkloosheidsuitkeringen, bij te stellen? Zal de hogere incidentele looncomponent waarvan in de brief sprake is in de toekomst leiden tot een hoger uitkeringsniveau; zo ja, is dat effect dan inmiddels verrekend? Wanneer zal de SER-commissie die de reservevorming bij de sociale fondsen in studie heeft haar rapport daarover kunnen uitbrengen? De resultaten van die studie zullen toch, zo veronderstelde zij, in de beoordeling van de meevallers betrokken moeten worden. Ten slotte merkte deze woordvoerdster van de P.v.d.A.-fractie op dat haars inziens de in de brief genoemde meevallers kunnen leiden tot bijstelling van het eenprocentsbeleid. Bij het eenprocentsbeleid gaat het uiteindelijk om een norm voor de drukstijging van de collectieve lasten. Het aandeel van de sociale voorzieningen in die ombuigingsoperatie hoeft, als zich nieuwe ontwikkelingen voordoen, niet per definitie gelijk te blijven.

Een lid van de V.V.D.-fractie informeerde hoe de premiedruk, uitgedrukt in percentage nationaal inkomen, volgens de huidige raming respectievelijk in 1970 en 1980 zou zijn exc/us/e/loonkostensubsidies. De in § IV, sub 5, weergegeven raming is inclusief de loonkostensubsidies. Welk totaalbedrag aan overheidsgeld wordt op dit moment aangewend voor de financiering van de sociale verzekeringen? In dit verband wees dit lid op de laatste alinea van blz. 47 van de miljoenennota 1977 waar de mogelijkheid wordt opengelaten dat de rijksbijdragen aan de sociale verzekeringsfondsen verminderd zullen worden omdat het een moeizame opgave zou zijn het overgrote deel van het ombuigingsbeleid in de belastingsfeer te realiseren. In hoeverre zullen de nu gepresenteerde nieuwe ramingen leiden tot vermindering van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen? Dit lid zei nog eens te willen benadrukken dat het doel van de 1 %-operatie was en is een versterking van de economische kracht van de maatschappij door een beperking van de groei van de collectieve lasten. Als zich nu wijzigingen voordoen ten opzichte van het in juni 1976 geschetste beeld dan kunnen de modaliteiten van het ombuigingsbeleid opnieuw in heroverweging genomen worden, als men de doelstelling daarvan maar niet uit het oog verliest. Zal, zo vroeg dit lid ten slotte, de ombuiging nu volledig in de fiscale sfeer gerealiseerd worden of zal de Regering, de aangekondigde beslissingen in de sociale sector handhavend, een lagere groeinorm (dan 1 %) formuleren? Een ander lid van de V.V.D.-fractie merkte op dat het voor de Kamer toch wel erg moeilijk wordt haar controlerende taak naar behoren uit te oefenen als binnen een periode van één jaar verscheidene malen zeer verschillende ramingen worden gepresenteerd. In juni 1976 werd nog uitgegaan van een drukstijging van 20,4% in 1976 naar 24,8% in 1980; in de laatste raming wordt zelfs een daling van de premiedruk voorzien van 20,8% in 1976 naar 20,7% in 1980. Het vertrouwen in de overgelegde ramingen wordt daardoor helaas ernstig ondermijnd. De brief van 19 januari benadrukt nogal de onzekerheid en het voorlopige karakter van de daarin gepresenteerde ramingen. Hoe ver gaat die onzekerheid? Zijn op korte termijn weer nieuwe cijfers te verwachten? In de brief van 19 januari wordt op basis van de huidige inzichten in 1976 een extra vermogensaanwas verwacht van ruim 700 min. ten opzichte van de vermogensposities zoals weergegeven in de brief van 26 november 1976 (13972, nr. 3). Voor het jaar 1977 wordt nu een vermogensaanwas verwacht van 1,6 mld. ten opzichte van de brief van 26 november. Wat de uitkeringen betreft meldt de brief van 19 januari dat het in de sociale meerjarenramingen aangegeven uitkeringsniveau in 1980 met ruwweg f500 min. dient te wor-Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 29

den verlaagd. Wat is, zo vroeg dit lid, het verband tussen de meevallers aan de inkomstenkant en de verwachte daling van het uitkeringsniveau in 1980? Is voorts een verwachte daling in 1980 met f 500 min. niet zo marginaal, en bovendien nog zo onzeker, dat men daarop geen bijstelling van het beleid kan baseren? Dit lid zij er niet gerust op te zijn dat de feitelijke lastenontwikkeling inderdaad overeenkomstig de nu opgestelde prognoses zal verlopen. In dit verband wees hij op de gevolgen van een mogelijk hoger werkloosheidsniveau, het nog steeds toenemende arbeidsverzuim en de recent van SVR-zijde geuite verwachting van een stijgend aantal AAW-uitkeringen. Ook demografische ontwikkelingen zouden de lasten wel eens sterker kunnen doen stijgen dan nu wordt verondersteld. Is met deze factoren bij de opstelling van de recente raming wel voldoende rekening gehouden? Betekent de mededeling in de brief van 19 januari dat de hoge incidentele looncomponent «spoort»» met de hogere premie-opbrengsten, dat met name de inkomens beneden de premie-grens sterker zijn gestegen dan werd verwacht? In hoeverre zal dat in de toekomst tot een hoger uitkeringsniveau leiden? Dit lid zei het ermee eens te zijn met het uitgangspunt dat de sociale fondsen niet onnodig reserves moeten vormen. Hij vroeg zich echter af of bij een aantal fondsen de mogelijkheid van een behoorlijke reservevorming niet te zeer is aangetast door een te lage premievaststelling. Met name over de positie van het Algemeen Werkloosheidsfonds maakte hij zich zorgen. Dit fonds had een premie van 1,3% geadviseerd, maar de Minister heeft deze vervolgens vastgesteld op 1 %. Laat dat premiepercentage wel voldoende ruimte voor noodzakelijke reservevorming? Aan het slot van zijn brief (§ IV, sub 7) deelt de Minister mee dat, indien de veronderstellingen juist zijn, uiterlijk per 1 januari 1978 de premiepercentages kunnen worden herzien. Naar het oordeel van dit lid zou men niet per definitie tot een premieverlaging hoeven te besluiten om de niet beoogde extra vermogensaanwas «terug te sluizen». Ook door een belastingverlaging zou men, in verband met de belangrijke rijksbijdragen aan de sociale fondsen en de loonkostensubsidies, een dergelijk effect kunnen bereiken. Hoe staat de Minister tegenover die mogelijkheid? Ten slotte vroeg dit lid van de V.V.D.-f ractie de Minister welke ruimte hij, uitgaande van de juistheid van de recente prognoses, in 1977 precies denkt te hebben voor premie-en/of belastingverlaging. Uiteraard is het antwoord op die vraag van groot belang voor het arbeidsvoorwaardenoverleg tussen werkgevers en werknemers. Dat overleg zou ten zeerste gebaat zijn met een besluit tot premie-en/of belastingverlaging.

Ook een lid van de A.R.P.-fractie zei het te betreuren dat de steeds wisselende prognoses een beoordeling van het beleid uitermate bemoeilijken. Zij herinnerde eraan bij de jongste begrotingsbehandeling van het Ministerie van Sociale Zaken hebben opgemerkt dat de kamerleden veelal niet de beschikking hebben over de premieadviezen van de onderscheiden sociale fondsen. Zonder die adviezen, en de daaraan ten grondslag liggende nota's, is het voor de Kamer moeilijk het beleid goed te controleren. Voor een goede oordeelsvorming is ook van belang, zo vervolgde zij, dat de Kamer op de hoogte gesteld wordt van de verwachtingen en aannames welke door de Minister, dan wel het CPB, jaarlijks aan de fondsbesturen met het oog op de premieberekeningen worden voorgelegd. De uitkomst van de berekeningen is daar immers goeddeels van afhankelijk. Zijn de meest recente ramingen, vroeg deze spreekster verder, inmiddels getoetst bij de besturen van de afzonderlijke fondsen? Is ook bekend hoe deze daarover oordelen? Hebben de fondsbesturen zich ook uitgelaten over de extra vermogensaanwas welke een gevolg is van de hogere inkomsten? Ook dit lid vroeg zich af of niet gerekend moet worden met toekomstige tegenvallers aan de uitgavenkant (hoger werkloosheidsniveau, ziekteverzuim, stijging van het aantal AAW-uitkeringen). Is in de prognoses wel voldoende rekening gehouden met deze factoren?

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 29

Ten slotte wees deze woordvoerster erop dat het bij het 1 %-beleid niet gaat om bezuinigingen van de bezuinigingen maar om een voor het behoud van de werkgelegenheid noodzakelijke groeinorm voor de collectieve lasten. Teneinde deze te bereiken waren besparingen noodzakelijk. Alleen vanwege die doelstelling is derhalve de beperking van de drukstijging verantwoord. Als zich nu nieuwe gegevens en nieuwe ontwikkelingen voordoen is er zeker aanleiding aan de hand daarvan opnieuw te bezien welk beleid gevoerd moet worden. Eenander lid van de A.R.P.-fractie informeerde in hoeverre het voor 1977 verwachte hogere werkloosheidsniveau (zie de brief van de Minister van Economische Zaken) een ongunstige invloed heeft op de geraamde «inverdien»-effecten. Is daarmee in de herziene ramingen al rekening gehouden. Zal er voorts van de hogere incidentele looncomponent een opwaartse druk uitgaan op de prijsontwikkeling ten gevolge waarvan ook het uitkeringsniveau zal stijgen? In de MEV 1976 werd, vervolgde deze spreker, uitgegaan van een incidentele looncomponent van 0.5%. Moet, nu zich een incidentele looncomponent aftekent die 1 a 1,5% hoger is, achteraf geconcludeerd worden dat die raming van 0,5% te laag is geweest? Of is die schatting op zich reëel geweest en wat is dan de reden voor deze niet verwachte stijging? De brief van 19 januari trekt in paragraaf IV, sub 6, de conclusie dat het niveau van het beslag op de nationale middelen in 1980 via de sociale verzekeringen geringer zou zijn dan aanvaardbaar is in het kader van het 1 %-beleid en aanvullend beleid, namelijk 20,7% in plaats van 20,9%. Zijn in dat geraamde percentage van 20,7% nu wel of niet de effecten verwerkt van de in de 1 %-nota aangekondigde ombuigingen?

Een lid van de P.P.R.-fractie vroeg zich af in hoeverre de gehanteerde schattingsmethoden als zodanig aanleiding zijn voor systematische afwijkingen tussen ramingen en feitelijke uitkomsten. Hij gaf de Minister in overweging een zorgvuldige analyse daarvan te maken. Vervolgens herinnerde hij eraan dat zijn fractie zich nogal pessimistisch had uitgelaten over de doelstelling van de Regering structureel het nationaal inkomen jaarlijks met 33/4 te laten groeien. Op welke verwachtingen over de groei van het nationaal inkomen zijn de huidige ramingen over de premiedruk gebaseerd? Ook dit lid onderstreepte dat het 1 %-beleid een instrument is om de doelstelling van behoud van de werkgelegenheid te realiseren. Als zich in de verwachtingen ten aanzien van het beslag van de collectieve sector op het nationaal inkomen veranderingen voordoen moet het 1 %-beleid, of de modaliteiten daarvan, worden bijgesteld.

Een lid van de S.G.P.-fractie zei benieuwd te zijn naar een specificatie van de onverwacht hoog uitgevallen post incidenteel. Welk gedeelte daarvan is in het particuliere bedrijfsleven gerealiseerd en welk gedeelte bij de overheid? Het lid Nooteboom gaf de Minister in overweging in de toekomst bij de presentatie van ramingen de statistische onzekerheidsmarge erbij aan te geven. Als zich dan mee-of tegenvallers voordoen is het psychologisch effect anders dan nu. Welke instantie is, zo vroeg dat lid, nu uiteindelijk verantwoordelijk voor de raming van een incidentele looncomponent in 1976 van 0,5%. Is dat een autonome schatting van het Centraal Plan Bureau geweest of heeft de Regering bepaalde aanwijzingen of aanbevelingen gegeven?

Antwoord van de Minister

Vrij spoedig na de door hem in de derde termijn bij de begrotingsbehandeling gedane toezegging was reeds, zo deelde de Minister in zijn antwoord Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 29

mee, een concept-brief aan de Kamer op het departement gereed. Op dat moment ontbrak daar nog een, althans gedeeltelijke, verklaring aan voor de meeropbrengsten van de diverse fondsen. Eerst in het begin van 1977 werd duidelijk, dat deze meeropbrengsten voor het overgrote deel het gevolg moesten zijn van het verschil tussen de verdiende lonen enerzijds en de regelingslonen anderzijds. Dat verschil werd weer nader verklaard uit het feit, dat de incidentele looncomponent hoger uitviel dan was geraamd. De Regering heeft het toen verstandig geacht ook andere, nauw met de post incidenteel verband houdende, kerngegevens van de MEV 1976 nader onder de loep te nemen. Deze hele exercitie had er toe geleid, dat op 19 januari een tweetal brieven, een van de Minister van Economische Zaken en een van de Minister van Sociale Zaken, aan de Kamer was toegezonden. De Minister verklaarde goede nota te hebben genomen van de opvattingen die in de commissie leven, dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid dient te komen ten aanzien van de beleidsvoornemens aangaande de in paragraaf II, sub 2, 3 en 4, genoemde maatregelen in de nominale sfeer. Hij zei te hopen inderdaad op korte termijn de uitkomsten van het beraad in de Ministerraad aan de Kamer, dan wel de commissie te kunnen meedelen. Ondertussen, zo verzekerde hij, wordt op het departement met voortvarendheid gewerkt aan de memorie van antwoord op het voorlopig verslag inzake het wetsontwerp kinderbijslag/kinderaftrek. Bewust is in de brief van 19 januari een aantal malen gewezen op het voorlopige karakter van de daarin gepresenteerde ramingen en op de onzekerheden daarvan. Overigens is het altijd zo geweest, dat feitelijke uitkomsten verschilden van de ramingen en dat ook tussentijds bepaalde ramingen moesten worden bijgesteld. Het verschil met vroeger is alleen, dat tussentijds optredende veranderingen niet meer binnenskamers blijven. De correcties werden dan het daarop volgende jaar bij de nieuwe premieberekening aangebracht. Dat gaf echter slechts de illusie van exactheid en overzichtelijkheid. De Minister herinnerde er overigens aan het nieuws van de meevaller bij de behandeling van de begroting Sociale Zaken eerst na enige aarzeling aan de Kamer te hebben meegedeeld. De oorzaken van de meevaller waren toen nog niet bekend. De Minister zei zich goed te kunnen voorstellen, dat het voor de Kamer erg moeilijk wordt haar controlerende taak goed uit te oefenen als binnen een korte periode verscheidene malen verschillende ramingen worden gepresenteerd. Ook de Regering, zo verzekerde hij, wordt door dergelijke onverwachte ontwikkelingen voor problemen geplaatst. De Minister zei niet de indruk te hebben, dat er sprake is van systematische, positieve afwijkingen tussen ramingen en feitelijke uitkomsten. Hij herinnerde eraan dat in het verleden nog wel eens belangrijkere tegenvallers zich hadden voorgedaan. In dit verband memoreerde hij de onverwacht sterke stijging van het aantal WAO-gevallen, zoals zich die in 1972 begon af te tekenen. Deze WAO-tegenvaller heeft er toe geleid dat binnen het directoraat-generaal voor de sociale voorzieningen een financiële afdeling is gevormd die nauwlettend de macro-economische ontwikkeling en de ontwikkelingen bij de afzonderlijke fondsen begeleidde en critisch kon staan tegenover ex-tern of intern verstrekte cijfermatige gegevens. Op dat punt bestond, zo was naar aanleiding van de genoemde WAO-tegenvaller gebleken, een duidelijke lacune op het departement. In dit verband wees de Minister ook op de nagestreefde vereenvoudiging in de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid en de versterking van de positie van de Sociale Verzekeringsraad daarin. Ook voor het ministerie is echter een functie weggelegd bij de controle op de uitvoering van de sociale verzekeringen. Het beleid is er op gericht de controle op de autonome uitvoeringsorganen te verstevigen zonder tot een volstrekte centralisatie van bevoegdheden te komen. De aanleiding van de herziene ramingen, zoals weergegeven in de brief van 19 januari, werd gevormd door de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de verdiende lonen in de periode oktober 1975 -oktober 1976. In eerste instantie lagen aan de bijstellingen dus geen nota's van de verschillende fondsen ten grondslag. In wezen is de meevaller wat betreft de Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 29

inkomsten van de sociale fondsen het gevolg van een zeer ernstige tegenvaller bij de loonontwikkeling vervalt. De Minister sprak in dit verband over de hoge incidentele looncomponent als de ernstigste tegenvaller van de afgelopen jaren. Het Centraal Planbureau is, zo vervolgde de Minister, verantwoordelijk voor de in de macro-economische verkenningen gepubliceerde kerngegevens. Er vindt voorafgaand aan de opstelling van de MEV wel discussie plaats in de Raad voor Economische Aangelegenheden. In zoverre zei de Minister zich mede verantwoordelijk te voelen voor de raming van de incidentele looncomponent voor het jaar 1976 welke mede om beleidsoverwegingen, en na gehouden ruggespraak met de onderscheiden sociale partners, op het lage niveau van 0,5% was vastgesteld. De Minister herinnerde eraan dat indertijd van verschillende zijden bij deze raming de aantekening was geplaatst, dat zij wel eens aan de erg krappe kant zou kunnen blijken te zijn. Uit regelmatige steekproeven van de Loontechnische Dienst bleek in de loop van de tweede helft van 1976 een toenemende spanning tussen de in-houd van de loonmaatregel enerzijds en de behoefte van ondernemers om met name bepaalde categorieën personeel toch iets hoger te belonen anderzijds. Overtredingen van de loonmaatregel in strikt formele zin zijn echter door de LTD niet op grote schaal geconstateerd. Op dit moment worden de uitkomsten van de LTD evenwel nog nader geanalyseerd. Duidelijk is inmiddels wel geworden, dat in een aantal gevallen meer loon is uitbetaald dan men op grond van de loonmaatregel mocht verwachten. De precieze oorzaken voor de hoger uitgevallen post incidenteel zijn nog niet bekend. Op dit moment moet worden aangenomen, dat in ieder geval de toegenomen vraag naar geschoolde bouwvakkers en de stijging van het minimumloon een opwaartse druk hebben veroorzaakt. De Minister zei een onderscheid te willen blijven maken tussen de inkomstenontwikkeling bij de fondsen enerzijds en het één-procentbeleid anderzijds. Ook al zou de meevaller aan de inkomstenkant nog hoger geweest zijn, dan nog is er geen aanleiding de één-procentsoperatie niet of niet helemaal uit te voeren. Het kabinet blijft onverkort vasthouden aan de beperking van de drukstijging van de collectieve lasten tot rond één procent van het nationale inkomen per jaar. De in 1976 en 1977 gerealiseerde maar niet beoogde extra vermogensaanwas zal in enigerlei vorm moeten worden «teruggesluisd» naar hen die dat geld hebben opgebracht, zo zei de Minister. Het kabinet heeft echter nog geen beslissing genomen over het tijdstip en het tempo van dezeterugsluizing. Wel staat vast dat met het oog op een zo gelijkmatig mogelijke premie-ontwikkeling deze terugsluizing niet in één keer gerealiseerd zal worden. Theoretisch is het mogelijk, aldus de Minister, om een deel van de rijksbijdrage aan de sociale fondsen terug te halen, waardoor ruimte zou ontstaan vooreen belastingverlaging. In een aantal gevallen zou daarvoor echter zeker een wetswijziging nodig zijn. De Minister zegde toe de Kamer op niet al te lange termijn nader te zullen inlichten over de omvang van de terugsluizing en de wijze waarop deze zal geschieden. Eerst moet nog vastgesteld worden in welke mate bij de onderscheiden fondsen werkelijk sprake is van overtollige reserves. De Minister zei vervolgens niet te verwachten dat in de nabije toekomst zich nog meer «meevallers» zullen voordoen. Met de vanuit de commissie gesuggereerde mogelijke tegenvallers ten gevolge van een hoger werkloosheidsniveau en een hoger niveau van arbeidsverzuim is in de cijfers nog geen rekening gehouden. De Minister zei voorshands geen aanleiding te zien de premie ingevolge de Werkloosheidswet te verhogen. Deze is op grond van een vierjarenraming vastgesteld op een procent in de verwachting dat het Regeringsbeleid met name zou resulteren in een geleidelijke terugdringing van de omvang van de werkloosheid, vooral kortdurige werkloosheid. De facto is door het bestuur van het Algemeen Werkloosheidsfonds bij de vaststelling van de vermogenspositie afstand gedaan van de zogenaamde Tinbergen-Witteveenformule. De Minister erkende, dat bij een Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951,nr. 29

hoger uitvallende werkloosheid zich minder «inverdien»-effecten kunnen voordoen. Als dat zou blijken, dan zou inderdaad tot bijstelling van die ramingen moeten worden overgegaan. De Minister deelde vervolgens mee dat op dit moment blijkens de sociale meerjarenramingen de overheid voor een totaalbedrag van 7,2 mld. gulden aan de financiering van de sociale verzekering bijdraagt. Wat de loonkostensubsidies betreft, wordt in de huidige raming voor 1980 uitgegaan van 0,4 a 0,5% nationaal inkomen. Het is de bedoeling, zo deelde de Minister mee, dat de betrokken commissie van de SER in de loop van dit jaar haar rapport zal uitbrengen over de reservevorming bij de sociale fondsen. Van een eventuele «pooling» van de sociale fondsen moet men overigens geen overdreven verwachtingen koesteren. Van het totale vermogen van de fondsen bestaat ongeveer 70% uit vorderingen op debiteuren in verband met nog af te dragen premies. In de brief van 19 januari is reeds opgemerkt, dat de hoge incidentele looncomponent spoort met de hogere premie-opbrengsten voor 1976. De stelling, als zou de extra toename bij de post incidenteel met name terecht zijn gekomen bij de hogere inkomensgroepen, is dan ook niet houdbaar, aldus de Minister. In de afgelopen jaren is de feitelijke incidentele looncomponent gemiddeld 1 a V/2% geweest. In 1975 was de stijging van de post incidenteel loon beperkt gebleven tot 0,5%. Naar de huidige inzichten dient het in de sociale meerjarenramingen aangegeven uitkeringsniveau in 1980 met ± 500 min. te worden verlaagd van 73,9 naar 73,4 mld. De Minister beaamde dat een dergelijke marginale verlaging in de raming voor 1980 geen aanleiding kan vormen voor een beleidswijziging. De Minister zei nog geen antwoord te kunnen geven op de vraag of de één-procentsombuiging volledig in de fiscale sfeer gerealiseerd zal gaan worden. Zoals gezegd, houdt het kabinet onverkort vast aan de beperking van de drukstijging tot 1 % van het nationaal inkomen per jaar. Wanneer in-derdaad sprake zou zijn, in tegenstelling tot eerdere verwachtingen, van een gestabiliseerde premiedruk, dan zou dat kunnen leiden tot een herbezinning over de modaliteiten van het één-procentsbeleid. De Minister benadrukte nog eens dat de doelstelling van het één-procentsbeleid tweeledig is. Het gaat niet alleen om behoud van de werkgelegenheid, maar ook om het veiligstellen van de collectieve voorzieningen in de komende jaren. In de sociale meerjarenraming en ook in de ramingen van de brief van 19 januari is, zo zei de Minister ter vermijding van misverstand, rekening gehouden met het voorgenomen ombuigingsbeleid in de sfeer van de sociale verzekering. In hoeverre de hoge incidentele looncomponent zal leiden tot verhoging van de prijzen is op dit moment moeilijk aan te geven. Ook andere factoren hebben immers hun invloed op de prijsontwikkeling. In de brief van de Minister van Economische Zaken is met name gewezen op de afremming van de stijging der invoerprijzen ten gevolge van de appreciatie van de gulden. De Minister zei te vrezen, dat de extra incidentele looncomponent, gecombineerd met de duidelijk neerwaartse lijn in de prijsontwikkeling, zou resulteren in een nog hogere arbeidsinkomensquote. De Minister benadrukte ten slotte dat de verantwoordelijkheid voor de opstelling van de macro-economische verkenning berust bij het Centraal Planbureau. Voorafgaand vindt wel een discussie plaats met de Regering, maar het Centraal Planbureau is autonoom in de vaststelling van de macro-economische kerngegevens. In de publieke discussie wordt echter wel eens onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de MEV-cijfers enerzijds en de beleidsdoelstellingen van de Regering anderzijds.

Aanvullend op de uiteenzetting van de Minister werd van ambtelijke zijde nog het volgende naar voren gebracht.

Tweede Kamer, zitting 1976 1977, 13951, nr. 29

De in de brief van 19 januari vermelde meevallers aan de inkomstenkant hebben geen enkele invloed op de cijfers voor de premiedruk in 1980 in percentage nationaal inkomen. Bij de vaststelling van het premiedrukpercentage in 1980 wordt eerst gekeken naar de verwachte uitkeringen en kosten. Daarvan worden afgetrokken de voorziene rijksbijdragen en loonkostensubsidies, de onderlinge betalingen en de interestontvangsten. Door van de geschatte uitkeringen en kosten deze niet-premieinkomsten af te trekken, ontstaat het bedrag dat door premieheffing zal moeten worden opgebracht. Dat bedrag wordt gerelateerd aan het nationaal inkomen in 1980, zoals dit door het Centraal Planbureau wordt geraamd. De premiedruk wordt dus geraamd zonder naar de inkomstenkant te kijken. De premiedrukstijging in 1976 van 20,4% in de nota collectieve voorzieningen naar 20,8% in de brief van 19 januari is een gevolg van de hogere premie-opbrengsten. Ten gevolge van de hoge incidentele looncomponent is een groter bedrag aan premies ontvangen zonder enige wijziging in premievaststellingen of uitkeringen. De feitelijke druk blijkt achteraf hoger te zijn geweest dan vooraf werd geraamd. Niet valt te verwachten dat van de hoge incidentele looncomponent in de toekomst een aanzienlijke lastenverzwaring het gevolg zal zijn. De meeste uitkeringen worden immers niet verhoogd met de index van het verdiende loon, maar met de regelingsloonindex. In het algemeen geldt trouwens, dat de stijging van de premiedruk voornamelijk het gevolg is van volumeontwikkelingen. De nominale ontwikkelingen hebben, met uitzondering van de ziektekostenverzekering, weinig invloed op de hoogte van de premiedruk. ledere maand komen op het Ministerie van Sociale Zaken schriftelijke systematische gegevens binnen van de uitvoeringsorganen. Deze gegevens betreffen zowel nominale ontwikkelingen als volumeontwikkelingen. Deze informatiestroom is echter nog niet voldoende. Op het ministerie is men bezig een informatiesysteem op te zetten zoals dat geschetst is in de eerste twee deelrapporten van de commissie van externe deskundigen van de SER. De situatie ten aanzien van de verschillende sociale uitkeringen overziend, kan men niet tot de conclusie komen dat in de huidige ramingen een te optimistisch beeld wordt geschetst.

De voorzitter van de bijzondere commissie. Dolman De wnd. griffier van de bijzondere commissie, Eikerbout Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 29

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.