Brief van De Minister van Sociale Zaken - Nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 27

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 19 januari 1977

Aansluitend aan mijn toezegging, gedaan bij de openbare behandeling in de Tweede Kamer van de begroting van mijn ministerie voor het dienstjaar 1977 op 14 december jl., doe iku hieronder een overzicht toekomen van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de Nota over het te voeren beleid ter zake van de collectieve voorzieningen en de werkgelegenheid (kamerstuk nr. 13951, verder in deze brief aangeduid als de nota), alsmede de financiële aspecten daarvan.

I. VOLUMEBEPERKENDE MAATREGELEN De bijlage bij de nota heeft in hoofdstuk IV onder punt 2.2 aandacht geschonken aan een aantal volumebeperkende factoren, waarop het sociale zekerheidsbeleid geen directe invloed kan uitoefenen, aangezien deze liggen op het terrein van o.a. de arbeidsomstandigheden, het arbeidsklimaat en de werkgelegenheid. De stand van zaken met betrekking tot de op deze punten aangekondigde maatregelen is als volgt:

  • Humanisering van de arbeid

Er bestaat stellig verband tussen enerzijds een geneigdheid zich spoedig ziekte melden of anderszins een beroep te doen op sociale uitkeringen en anderzijds een weinig bevredigd zijn door het werk dat men doet. Deze factoren verdienen nu en in de toekomst grote aandacht, ook in het licht van de wenselijkheid om een beroep op sociale uitkeringen zoveel mogelijk te voorkomen. Daartoe zal ongetwijfeld de verbetering van de betrokkenheid van de werknemers in het bedrijfsgebeuren positief bijdragen. Hiernaast wijs ik op het project tot het verbeteren van arbeidsplaatsen, waarvoor ook in 1977 55 min. subsidie zal worden verleend. Tot nu toe viel bij het toekennen van subsidie het accent op de materiële verbetering van de arbeidsplaatsen. In toenemende mate is op het gehele terrein van de arbeidsbescherming het streven erop gerichtwaar mogelijk -de materiële aspecten te verbinden met de immateriële aspecten. Ook het ontwerp van Tweede Kamer, zitting 1976-1977,13951, nr. 27

een nieuwe veiligheidswet wil tot dit laatste bijdragen. De verwerkelijking van deze gedachten heeft uiteraard een gunstige invloed op een vermindering van het arbeidsverzuim. Verder merk ik nog op dat, naast de overheid, de centrale commissie onderzoek ziekteverzuim, alsmede andere instellingen die zich bewegen op het terrein van de arbeidsomstandigheden en het humaniseren van de arbeid, bij hun onderzoekingen hun werk steeds meer op de bovengenoemde doelstellingen richten.

  • Passend werk

Door mij wordt de instelling overwogen van regionale commissies passend werk. Het doel van deze commissies zal zijn meer coördinatie tot stand te brengen in de toepassing van het begrip passend werk tussen de verschillende uitvoeringsorganen en de arbeidsbureaus. Ik denk hierbij voorlopig aan een experiment, na afloop waarvan zal kunnen worden bezien of tot aanpassing van de wet op dit punt zal dienen te worden overgegaan. De besprekingen hieromtrent met de Stichting van de Arbeid zijn in een ver gevorderd stadium. Binnenkort zal de Kamer hierover een brief bereiken. Een betere coördinatie en de daarmee gepaard gaande wederzijdse informatieverstrekking kunnen er mijns inziens toe leiden dat, in een -zij het waarschijnlijk bepeikl -aantal gevallen, de uitkeringsduur zal kunnen worden bekort.

  • Vacaturemelding

Het is voor een flexibel werkgelegenheidsbeleid van groot belang, dat een goed inzicht bestaat in onder meer de structuur van de vraag. In de Raad voor de Arbeidsmarkt staat in dit verband ter discussie of onder meer enigerlei vorm van verplichte vacaturemelding daartoe een bijdrage zou kunnen leveren.

  • Het strafbaar stellen van de werkgever, die zonder medeweten van het uitvoeringsorgaan een arbeidskracht aanstelt, die een uitkering geniet

De studie hierover is nog niet afgerond.

  • Oneigenlijk gebruik als gevolg van de ruime bepalingen

Het wetsontwerp naar aanleiding van de door de SVR uitgebrachte rapporten over het oneigenlijk gebruik van de sociale voorzieningen is inmiddels bij de Tweede Kamer ingediend (zitting 1976-1977, kamerstuk nr. 14280). De daarin voorgestelde bepalingen zullen, zij het op bescheiden schaal, leiden tot vermindering van het aantal uitkeringsgenietenden van de sociale verzekeringswetten. De besparingen kunnen voor 1977 worden geraamd op f 16 min. en voor 1980 op f 25 min.

II. MAATREGELEN IN DE NOMINALE SFEER In de bijlage bij de nota zijn tevens een aantal maatregelen aangekondigd tot beheersing van de nominale ontwikkeling. De stand van zaken met betrekking tot deze maatregelen is als volgt:

  • Daglonen

In de nota is voorgesteld om de algemene dagloonregelen ZW, net als thans reeds bij de WW en de WAO het geval is, aan de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken te onderwerpen. Uit een oogpunt van uniformiteit en kostenbeheersing acht ik dit gewenst.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977,13951, nr. 27

Inmiddels heeft een wetsontwerp het departement verlaten, waarin aan dat voorstel wordt gevolg gegeven. In dat wetsontwerp wordt, in verband met de gewenste uniformiteit tussen de dagloonbepalingen in de verschillende wetten, tevens voorgesteld om de genoemde Minister, evenals nu al bij de WW het geval is, de bevoegdheid te geven bepalingen uit de algemene dagloonregelen aan te wijzen, waar de uitvoeringsorganen in de bijzondere dagloonbesluiten Ziektewet, die zij bevoegd zijn te treffen, niet van af mogen wijken. In de nota wordt verder voorgesteld ten aanzien van de dagloonberekening ZWen WW uit te gaan van een referteperiode van 52 weken (thans 13 weken). Daardoor kan worden voorkomen, dat in bepaalde gevallen, waarin iemand zeer tijdelijk een hoge verdienste heeft gehad, bij de vaststelling van het dagloon volledig met die hoge verdienste moet worden rekening gehouden. Ook wordt overwogen om bepaalde elementen, waarvan niet zeker is, dat zij tijdens het genot der uitkering worden gederfd (zoals overwerkvergoeding, reisuren) geheel of ten dele buiten beschouwing te laten. Op 1 september 1976 is de SVR gevraagd hieromtrent advies uit te brengen. De SVR heeft geantwoord, eerst het aan de SER gevraagde advies omtrent deze beleidsvoornemens en de totstandkoming van de wijzigingen in de wettelijke bepalingen ten aanzien van de daglonen te willen afwachten. In de nota waren nog niet de besparingen opgenomen, die uit de voorgestelde beleidsombuiging zouden kunnen voortvloeien. Deze besparingen worden thans geraamd, uitgaande van invoering per 1 juli 1977, op f 4 min. in 1977 en f 30 min. in 1980.

  • Herziening uitkeringsniveau WAO

In de nota is het beleidsvoornemen opgenomen om het uitkeringspercentage ingevolge de WAO bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer ten aanzien van de nieuwe uitkeringen terug te brengen van 80% naar 75%. De reeds ingegane uitkeringen zouden op 80% dienen te worden gehandhaafd. Bij de behandeling van de nota in de Tweede Kamer is o.a. bezwaar gemaakt tegen het creëren van een onderscheid tussen oud-en nieuw invaliden hetwelk deze maatregel met zich mee zou brengen. Een afrondend gesprek over dit onderwerp zal binnenkort in de Ministerraad plaatsvinden. Bij het mondeling overleg met uw Kamer zal ik hierover nadere mededelingen verstrekken.

  • Invoering begrip niet-kostwinner

In de nota is aangekondigd, dat, in afwachting van de resultaten van een studie naar de mogelijkheden tot unificatie van het kostwinnersbegrip in de sociale uitkeringsregelingen, naar het oordeel van de Regering in elk geval als niet-kostwinner moeten worden aangemerkt bij hun ouders inwonende kinderen en dat de Regering het verantwoord acht voor deze categorie personen de uitkering te stellen op 70% van die van een kostwinner. Tijdens de behandeling van de nota in de Tweede Kamer is o.m. gesteld, dat beperking van het niet-kostwinnersbegrip tot uitsluitend bij hun ouders inwonende kinderen, een niet te rechtvaardigen onderscheid tussen wel en niet bij hun ouders inwonende kinderen tot gevolg zou hebben. Voorts is vanuit de Kamer de vraag gesteld, of het mogelijk zou zijn in de omschrijving van het niet-kostwinnersbegrip een leeftijdsgrens van 35 jaar in te bouwen. Onder een uitbreiding als hiervoor bedoeld zou ook de gehuwde niet-kostwinner dienen te worden begrepen. Dit zou echter vooruitlopen op de studie naar het kostwinnersbegrip. Op korte termijn zal in de Ministerraad een afrondend gesprek plaatsvinden. In het meergenoemde mondeling overleg zal ik daarover nadere informatie verstrekken.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 27

  • Kinderbijslag/kinderaftrek

Het wetsontwerp is ingediend op 27 oktober 1976. Het voorlopig verslag, vastgesteld op 22 december 1976, stelt mij voor grote problemen. Weliswaar wordt door een groot deel van de Kamer bij de beschouwingen over de in dit wetsontwerp geregelde eerste fase van de herstructurering van de kinderbijslag en de kinderaftrek de tweede fase betrokken, maar het is niet mogelijk thans reeds de grote lijnen voor de tweede en volgende fasen, als uiteengezet inde Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid, nader te concretiseren. Bij het bepalen van mijn standpunt met betrekking tot de vraagstukken die in het voorlopig verslag aan de orde zijn gesteld, zal ik -gelet op de onderlinge samenhang -de beleidsvoornemens genoemd onder II, sub 2 en 3, betrekken. De memorie van antwoord wordt met spoed samengesteld. Hierbij zal een nota van wijzigingen worden ingediend, die beoogt de ingangsdatum te verschuiven van 1 januari 1977 naar 1 april 1977. Indien laatstgenoemde datum kan worden gerealiseerd, worden de besparingen voor het Rijk als volgt geraamd (in min. guldens): Transactiebasis

Begrotingsbasis

1977

217,5

187,5 1980

415

415

  • Indexering

De hoogte en aanpassing van de uitkeringen worden in belangrijke mate beïnvloed door het vigerende indexeringsmechanisme, waarbij de uitkeringen worden aangepast met de index der regelingslonen. Dit mechanisme leidt tot overcompensatie zodanig dat de netto uitkeringen relatief meer verhoogd worden dan de nettolonen, omdat bruto indexeringen als gevolg van uiteenlopende inhoudingen een verschillend netto resultaat opleveren. Om deze systeemfout weg te werken is de Regering voornemens de regelingsloonindex te corrigeren («opschonen») voor mutaties in premies die niet ten laste komen van de onderscheidene uitkeringen. Het daaromtrent uitgebrachte advies van de Sociaal-Economische Raad wordt thans bestudeerd. Daarbij dient erop te worden gewezen, dat als gevolg van de praktische koppeling van de sociale minima aan het nettominimumloon (de nettonetto koppeling) de opschoning van het indexcijfer in feite alleen effect heeft op de uitkeringen die boven de minimumuitkering liggen, dat wil zeggen op de boven minimale WAO-en WWV-uitkeringen. De besparing was voor 1977 geraamd op f 350 min., waarvan f290 min. ten bate van de fondsen en f60 min. ten bate van het Rijk. Deze bedragen waren uiteraard geen taakstellende bedragen, maar gebaseerd op de ten tij-de van de opstelling van de nota te verwachten ontwikkeling van de premiemutaties in de sociale verzekering. De relevante mutaties in 1977 ten opzichtevan 1976 blijken zodanig te zijn dat voor 1977 geen besparing optreedt. De aard van de maatregel brengt met zich mee dat de uitkomsten automatisch lager zijn naar de mate waarin de werkelijke stijging van de premiepercentages wordt beperkt. De nominaal lagere besparingen betekenen niet dat niet voldaan zou worden aan de beleidsvoornemens inzake de «opschoning» en zijn dus niet als een tegenvaller aan te merken.

III. UITVOERINGSORGANISATIE

Om een grotere doorzichtigheid, een grotere doelmatigheid en een grotere bereikbaarheid van de sociale verzekeringsstructuur te bewerkstelligen is Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 27

een ambtelijke projectgroep ingesteld, welke aangevuld is met externe deskundigen. Deze projectgroep heeft de opdracht nog tijdens deze regeringsperiode een gerichte adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad voor te bereiden met betrekking tot de toekomstige plaats en functie (toezicht en beheer) van de Sociale Verzekeringsraad in de totale organisatie. Deze adviesaanvrage zal vergezeld gaan van een conceptie omtrent de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekering als geheel. Deze besprekingen in de projectgroep zijn reeds zover gevorderd, dat een interim-rapport over het beheer en toezicht van de Sociale Verzekeringsraad wordt voorbereid, dat binnen afzienbare tijd zal worden uitgebracht.

IV. FINANCIËLE CONSEQUENTIES

  • Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid

In de nota zijn op blz. 24 de uitkeringen en kosten van verstrekkingen geraamd tot 1980, bij geëxtrapoleerd beleid. Deze ontwikkeling zou leiden tot een premiedrukstijging in termen van nationaal inkomen van 20,4 in 1976 tot 24,8 in 1980. Het in de bedoelde nota uiteengezette ombuigingsbeleid resulteerde in een aantal voor te stellen maatregelen met de in tabel 1 vermelde kwantitatieve effecten.

  • Sociale meerjarenramingen

Bij het verschijnen van de miljoenennota en de sociale meerjarenramingen is rekening gehouden met het voorgenomen ombuigingsbeleid, waarbij voor een aantal maatregelen (met name in de sfeer van de kindervoorzieningen en werknemersvoorzieningen) taakstellende bedragen zijn opgenomen. In de sfeer van de sociale verzekeringen (premiesfeer) betrof dit de volgende ombuigingen genoemd in tabel 2. De premiedrukstijging in termen van nationaal inkomen werd toen als volgt geraamd:

Premi 1976 edruk in % nationaal inkomen 1980

Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid (geëxtrapoleerd beleid)

20,4

24,8 sociale meerjarenramingen (incl. loonkostensubsidies)

20,6

20,9

De raming van de uitkeringen en kosten van verstrekkingen welke ten grondslag ligt aan de geraamde premiedrukstijging in de sociale meerjarenramingen (blz. 16) zijn in onderstaande tabel samengevat en vergeleken met de ramingen in de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid.

Uitkeringen en kosten van verstrekkingen (in mld. guldens) 1976

1977

1980

Nota collectieve voorzieningen etc.

47,8

n.v.t.

87,3 sociale meerjarenramingen

46,7

53,5

73,9

' Hoofdstuk XV (Sociale Zaken); bijlage VI.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977,13951, nr. 27

De verklaring voor het verschil van 13,4 mld. in 1980 kan globaal in vijf categorieën van oorzaken worden aangegeven:

1,3 mld. 6,3 mld.

3,4 mld.

1,7 mld.

14,3 mld.

0,9 mld.

13,4 mld.

  • bijstelling als gevolg van lagere lasten in basisjaar (vooral ZFW/AWBZ) 1,6 mld.-lagere lasten als gevolg van lager geraamde volumestijgingenbijstelling i.v.m. lagere loon-en prijsstijging in MEV 1980-beleidsombuigingen in het kader van het 1%-beleid (zie tabel 2)-«inverdien»effecten WW, inclusief verschuiving van WW naar WWV en ABW Totaal Bij: hogere lasten kinderbijslagfondsen in verband met compensatie afschaffing kinderaftrek Deze categorieën van oorzaken, in samenhang met de mutaties in de rijksbijdragen (incl. loonkostensubsidies) en de daling van de arbeidsinkomensquote, verklaren eveneens de geringere premiedrukstijging 1976-1980.
  • Nader herziene ramingen

Na het verschijnen van de sociale meerjarenramingen zijn er zowel wat betreft de uitgaven als de inkomsten nadere gegevens beschikbaar gekomen via de premie-adviesnota's van de desbetreffende fondsbesturen die via de brief van 26 november jl. inzake de f 60 maatregel aan de Kamer zijn medegedeeld. Uitgaven: -WAO: lagere lastenontwikkeling in 1976 tot uiting komend in een hoger vermogen per ultimo 1976. Dit heeft (mede) geleid tot een lagere premievaststelling voor 1977 dan in de sociale meerjarenramingen geraamd. -AAW: In de brief van 26 november jl. is een meevaller voor de schatkist gepresenteerd van 855 min., gedeeltelijk voortvloeiende uit een lastenverschuiving naarde premiesfeer. De premie 1977 is vastgesteld op 1,9 in plaats van 1,8%. In de voorziening van de liquiditeitsbehoefte van het AAF in 1977 wordt voorzien door het Rijk (350 min.). -ZFW (verplicht): lagere lastenontwikkeling in 1976 met doorwerking naar latere jaren. De vermogenspositie per ultimo 1976 zal hierdoor globaal 200 min. hoger zijn. De premie 1977 is op 8,2% vastgesteld waarbij rekening is gehouden met een gewenst regelmatig premieverloop (zie brief 26 november). -f 60 uitkering: In de sfeer van de sociale fondsen heeft deze uitkeringineens een klein batig saldo tot gevolg. Een exacte raming is niet wel mogelijk, doch het gaat hier om relatief onaanzienlijke bedragen die geen bijstelling van ramingen rechtvaardigen.

Inkomsten De ramingen voor 1976 van de premieplichtige inkomens zijn recent door het Centraal Planbureau herzien ten opzichte van die welke ten tijde van de publikatie van de Macro-Economische Verkenning en de Sociale Meerjarenramingen golden. Dergelijke herzieningen vonden en vinden regelmatig plaats. In het verleden zijn daarbij ook van de ramingen afwijkende uitkomsten geconstateerd. Deze zijn steeds pas bij nieuwe premievaststellingen in aanmerking genomen. In de afgelopen periode zijn bij verschillende gelegenheden ramingen gepubliceerd waarbij de nieuwe uitkomsten steeds veel aandacht hebben gekregen. Deze uitkomsten zijn mede afhankelijk van de ontwikkeling van de premieplichtige inkomens, die worden bepaald door veranderingen in:

Tweede Kamer.zitting 1976-1977, 13951, nr. 27

-de gemiddelde inkomens; -de loon-en premiegrenzen; -de inkomensverdeling en -het verzekerdenbestand in samenhang met de ontwikkeling van werkgelegenheid en aantal uitkeringsgerechtigden. Het voorgaande beklemtoont nog eens dat het hier gaat om ramingen die altijd iets speculatiefs inhouden. Blijkens voorlopige uitkomsten van de ontwikkeling van de verdiende lonen vergeleken met die van de regelingslonen in oktober vorig jaar, tekent zich een incidentele looncomponent af die 1 a 1,5% hoger zou kunnen zijn dan waarvan tot nu toe werd uitgegaan. Een dergelijk hoge incidentele looncomponent spoort met de hogere premie-opbrengsten voor 1976. Op basis van de huidige inzichten wordt in 1976 een extra vermogensaanwas verwacht van ruim 700 min., ten opzichte van de vermogensposities weergegeven in de brief van 26 november 1976. Ook in 1977 en latere jaren zullen de inkomsten van de sociale fondsen, gegeven de premiepercentages, in positieve zin worden beïnvloed. Hieronder volgen de vermoedelijke vermogensposities van de fondsen: Sociale meerjaren-

Brief 26-11-1976

Huidige raming ramingen 1976

1977

1976

1977

1976

1977

AOW

3213

3337

3213

3337

3460

3 775 AWW

377

319

377

319

400

380 AKW

75 KWL

165

165

180

35 ZFW (verpl.)

878

676

1081

681

1120

775 AWF

1357

1051

1357

1051

1415

1 265 Wachtgeldfondsen

717

965

717

965

740

1 025 WAO

1610

1571

1832

1622

2085

2 065 AAW

106

325

175 AWBZ

850

696

850

696

895

860 Totaal

9321

9063

9699

8836

21501-10 430

De hogere vermogensposities bij de huidige ramingen zijn in hoofdzaak een gevolg van hogere inkomsten als gevolg van hogere premiegrondslagen. Bij de WAO en WW (1976) is eveneens een iets lagere volumeontwikkeling verwerkt. Zoals in de brief van 26 november uiteengezet, was reeds ten tijde van de sociale meerjarenramingen als beleidsuitgangspunt gekozen voor een zodanige intering op reserves in 1977, dat een zo rustig mogelijk premiebeeld op middellange termijn kan worden gerealiseerd. Nogmaals zij gewezen op het voorlopige karaktervan de ramingen.

Premiepercentages Uit het voorgaande mag worden afgeleid dat als deze voorlopige indruk juist is, het premieniveau voor 1977 te hoog is. In welke mate dit het geval is dient nader te worden onderzocht.

  • Uitkeringen en verstrekkingen 1980

De raming van de uitkeringen en verstrekkingen in 1980 volgens de sociale meerjarenramingen (pag. 16) kan in grote lijnen worden gehandhaafd. Echter de bijstellingen vermeld in punt 3 hiervoor werken in principe door naar 1980. Tegenover de meevallende lastenontwikkeling bij de WAO staan echter extra uitgaven in dezelfde orde van grootte als gevolg van de onlangs door de Kamers aangenomen wetswijziging inzake de anticumulatieregeling WAO/WSW. De meevallende lastenontwikkeling in 1976 bij de ZFW heeft een lager uitgavenniveau in 1980 tot gevolg ten bedrage van ruwweg 650 min. (raming gebaseerd op premie-adviesnota ZFR).

Tweede Kamer, zitting 1976-1977,13951, nr. 27

Een verdere beperking van de premiepercentages voor werknemers in de periode 1976-1980 leidt tot minder besparingen uit hoofde van de voorziene correcties op de uitkomsten van de regelingsloonindex. Hiermede is een bedrag van ongeveer f 80 min. gemoeid in 1980. Intussen heeft de Regering besloten tot uitstel van de voorgenomen maatregelen inzake de kindervoorzieningen en de werknemersvoorzieningen tot 1-4-1977. Voor de sociale fondsen heeft dit minder besparingen tot gevolg dan beoogd (zie tabel 2).

1977

1980

werknemersvoorzieningen

90 kindervoorzieningen

-

-

Naar huidige inzichten dient het in de sociale meerjarenramingen aangegeven uitkeringsniveau in 1980 (incl. kosten van verstrekkingen) met ruwweg 500 min. te worden verlaagd van 73,9 naar 73,4 mld.

  • Premiedruk 1976-1980

Hieronder volgt een overzicht van de geraamde premiedruktoeneming in achtereenvolgende publikaties en de huidige raming:

Premiedruk in % nationaal inkomen 1976

1977

1980

Nota collectieve voorzieningen etc.

20,4

24,8 Sociale meerjarenramingen (incl. loonkostensubsidies)

20,6

20,5

20,9 Huidige raming (incl. loonkostensubsidies)

20,8

20,7

De hogere premiedruk in 1976 ten opzichte van die geraamd in de sociale meerjarenramingen, wordt verklaard door hogere inkomsten als gevolg van hogere premieplichtige inkomens. De lagere drukstijging in 1980 in vergelijking met de sociale meerjarenramingen is uitsluitend het gevolg van lagere lasten. De meevaller aan de in-komenskant heeft hierop geen invloed.

  • De 1% norm

De 1 %-norm is uitgedrukt in termen van nationaal inkomen en is een «beslagnorm» en stelt een grens aan de jaarlijkse toeneming van het beslag van de collectieve sector op het nationaal inkomen. De gezamenlijke premieen belasting druk tussen 1976 en 1980 mag jaarlijks met 1% NI toenemen. Volgens de miljoenennota 1977 (tabel 4.4 op blz. 45) dient de druktoeneming gemeten te worden vanaf het desbetreffende cijfer in de MEV-1976, zijnde 20,4 voor de premiedruk. Het bovenstaande overzicht leidt dan tot de conclusie, dat het niveau van het beslag op nationale middelen in 1980 via de sociale verzekeringen geringer zou zijn dan aanvaardbaar is in het kader van het 1%-beleid en aanvullend beleid (loonkostensubsidies), namelijk 20,7% in plaats van 20,9%. Ech-ter uitgaande van de feitelijke ontwikkeling is denkbaar dat tussen 1976 en 1980 het niveau van het beslag niet toeneemt en wellicht daalt (van 20,8 naar 20,7). Overigens zijn de ramingen voor 1980 met onzekerheidsmarges omgeven in verband met het niet beschikbaar zijn van aangepaste middellange termijnramingen van het Centraal Planbureau.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 27

  • Evaluatie

De gegevens inzake inkomsten en uitgaven van de sociale fondsen zoals deze tot op heden bekend zijn duiden erop dat het huidige premieniveau ( = premiepercentages) wellicht structureel iets te hoog is. Dit leidt in 1976 en ook in 1977 tot een niet beoogde extra vermogensaanwas. Indiende veronderstellingen juist zijn dan zouden uiterlijk per 1 januari 1978 de premiepercentages kunnen worden herzien. De huidige raming van de uitgaven resulteert in een lagere premiedruk NI in 1980 dan aanvankelijk geraamd. Niet alleen het absolute beslag op nationale middelen via de sociale verzekeringen zal in 1980 lager zijn, ook de toeneming van het beslag van 1976 is geringer ten opzichte van de gehanteerde uitgangsposities.

De Minister van Sociale Zaken, J. Boersma Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 27

Tabel 1: Beleidsvoornemens sociale voorzieningen volgens de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid (in min. guldens)

1977

1980 Totale ombui-Waarvan in

Totale ombui-Waarvan in ging volgens Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid

premiesfeer

ging volgens Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid

premiesfeer

  • kosten van gezondheidszorgverzekeringen 405

375

1495

1330-algemene bestand

250

0-werknemersvoorzieningen

120

100

690

660-voorzieningen overheidspersoneel

418

630-kinderbijslag en kinderaftrek

225

1000

600'-correcties op uitkomsten loonindex

350

290

1200

945

1578

765

5265

3535-p.m. posten

100

100

500

500

  • totaal

1678

865

5765

4035

' in de Miljoenennota is uitgegaan van 700 min, het verschil ad 100 min. heeft betrekking op de kindertoelageregeling voor overheidspersoneel.

Tabel 2: Vergelijking van beleidsvoornemens in de sfeer van de sociale verzekering volgens de Nota collectieve voorzieningen en werkgelegenheid en volgens de sociale meerjarenramingen (in min. guldens)

1977

1980 Nota collec-

Sociale meer-

Nota collec-

Sociale meertieve voor-

jarenramingen tieve voor-

jarenramingen zieningen en werkgelegenheid zieningen en werkgelegenheid

  • kosten van gezondheidszorgverzekering 375

320

1330

1180-werknemersverzekeringen

100

100

660

660-kinderbijslagverzekering

600

600-correcties uitkomsten loonindex in diverse sociale verzekeringen'

290

945

570

765

445

3535

3010-p.m. posten

100

500

350

totaal

865

515

4035

3360

zie toelichting onder II, punt 5.

Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 13951, nr. 27

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.