De voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Wijziging van de Arbeidswet 1919 (Jongerenstatuut) - Handelingen Tweede Kamer 1976-1977 03 maart 1977 orde 9


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Wijziging van de Arbeidswet 1919 (Jongerenstatuut) (13547).

©

De Voorzitter: Ik stel voor, de beraadslaging over artikel 9 van onderdeel C en het daarop voorgestelde gewijzigde amendement en artikel 9f van onderdeel C van artikel I en het daarop voorgestelde amendement te heropenen. Daartoe wordt besloten.

De heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben gisteren nog geen kennis kunnen nemen van de door de Minister ingediende nota van wijzigingen. Deze nota strekt ertoe voor het dagbladbedrijf en de bezorgers een zeker uitstel te verlenen, maar uiteindelijk lost ze op termijn de problemen die ervoor beide groeperingen uit ontstaan en die zeer groot zijn niet op. Ik meen dan ook dat dit niet dè oplossing is voor de problemen die in het dagbladbedrijf en met betrekking tot de jongeren op dit punt bestaan.

©

J. (Jaap)  BoersmaMinister Boersma: Mijnheer de Voorzitter! Allereerst haak ik aan bij een opmerking die u hebt gemaakt over het ontbreken van de aanduiding van onderdeel F. Ik heb hier inmiddels een nota van verbetering, die deze omissie herstelt.

De Voorzitter: De Minister heeft bij nota van verbetering na de eerste zin van onderdeel E (oud) van artikel I ingevoegd: F.

©

J. (Jaap)  BoersmaMinister Boersma: Mijnheer de Voorzitter! Nu de beraadslaging nog steeds gaande is over het tijdstip waarop de krantenbezorging mag aanvangen, heb ik eigenlijk weinig meer toe te voegen aan wat ik reeds heb gezegd. Gisteren is er nog even sprake van geweest, verschil te maken tussen winter en zomer. Uit het feit dat daar geen officieel voorstel van is gemaakt, leid ik af dat het geen punt van discussie meer behoeft te zijn. Ik zou er slechts dit van willen zeggen: 6 uur is 6 uur, zomer of winter. Mede gelet op de opmerking van de heer Rietkerk over de nota van wijzigingen leg ik er de nadruk op, dat wij bezig zijn voor de achtergebleven groep van de werkende jongeren, vooral in het belang van hun vorming en opleiding, de werktijd terug te dringen. Als wij in de richting zouden blijven gaan van 6 uur permanent, zou dat betekenen dat degenen die volledig dagonderwijs volgen een extra zware belasting moeten ondergaan en dat wij dit dan ook zonder meer zouden accepteren. Ik zou dat, eerlijk gezegd, een vrij kwalijke zaak vinden. Vandaar dat ik er nogmaals op aandring, gehoord ook de discussie over en weer, acht te slaan op de nota van wijzigingen die ik terzake heb ingediend en die probeert een brug te slaan tussen de verschillende opvattingen die hier naar voren zijn gekomen. Deze nota van wijzigingen moet het mogelijk maken in een periode van twee jaar de organisatorische maatregelen te nemen die nodig zijn om definitief over te schakelen naar een eerste aanvangstijdstip van bezorging 's morgens om 7 uur. Gisteren is ook nog gesproken over de kwestie van de flexibele werktijden. Wat dat betreft, heeft de heer Rietkerk nog recht op een antwoord.

Grondwater Arbeidswet

Ik wijs er, wellicht ten overvloede, op, dat de toevoeging 'noch op zondag' eigenlijk overbodig is in verband met artikel 9, eerste lid. Maar wellicht is het nuttig het toch nog toe te voegen om elk misverstand uitte sluiten. Wanneer wij het echter niet zouden doen, dan zou dat niet betekenen dat de wet er niet in voorziet. Hieruit blijkt wel dat ik met deze toevoeging geen problemen heb. Ik wil nog een enkele opmerking maken over de flexibele werktijden. Er is sprake van bepaalde bedrijfsmoeilijkheden, eventueel een moeilijkheid die zich periodiek in een bepaalde onderneming voordoet. In dat licht is, misschien in wat te strakke bewoordingen, gewezen op de koopavond en het ploegenstelsel. Dat is de directe aanleiding geweest om, gelet op de gegroeide praktijk, enige ontsnappingsmogelijkheid te bieden. De wet heeft niet een stelselmatige verlenging van de werktijd van de jeugdige, in verband met een door volwassenen gewenst werkschema, op het oog. Derhalve, wanneer de Kamer dit amendement van de heer Rietkerk aanvaardt -ik blijf dat afraden -kan en zal dit niet betekenen dat ik er opdracht toe zal geven dat de betrokken districtshoofden een systeem van flexibele werktijden onder de werkingssfeer van de wet zullen laten vallen. Ik zeg dit heel uitdrukkelijk. Het gaat hierbij niet om algemene regelingen, maar om zeer bijzondere moeilijkheden in bijzondere, incidentele gevallen, waarbij wordt gedacht aan de problemen die zich per onderneming in verband met koopavonden kunnen voordoen. Ik hoop dat de Kamer rekening zal houden met de door mij gemaakte opmerkingen en naar voren gebrachte bezwaren.

©

J.G. (Koos)  RietkerkDe heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Mijn standpunt over de dagbladbezorging is niet gewijzigd, maar ik zal die discussie niet herhalen. Ik wil echter wel iets zeggen over de mededeling van de Minister dat dit artikel niet tot doel heeft de mogelijkheid van flexibele werktijden ook voor jongeren te openen. Wij zijn hier medewetgevers. Ook als de huidige tekst dat doel niet heeft, hebben wij als Kamer wel degelijk het recht bij amendement dat doel in de wet te brengen. De Minister kan dan niet zeggen dat als de Kamer het wil en het amendement wordt aangenomen, hij niet van plan is datgene te doen wat de bedoeling van de wetgever is.

©

J. (Jaap)  BoersmaMinister Boersma: Mijnheer de Voorzitter! In formele zin is dit volkomen terecht. In de wet komt echter niet te staan dat de Minister flexibele werktijden mogelijk moet maken. Er wordt gesproken over bijzondere gevallen en in die bijzondere gevallen wordt 8V2 uur in het amendement verlengd tot 9 uur. Daarna gaat het om de interpretatie. Ik neem aan dat bij de uitleg van de wet de opvatting van de originele wetgever ook van groot belang zal worden geacht. Ik heb verder toegelicht dat, gelet op het karakter van de wettekst, nooit daaronder zal kunnen worden begrepen, ook niet na een onverhoopte aanvaarding van het amendement van de heer Rietkerk, het op grote schaal in-voeren van flexibele werktijden voor jongeren. Onder flexibele werktijden versta ik dan de mogelijkheid tot het opsparen van uren om te komen tot een 4'/2-daagse werkweek.

©

J.G. (Koos)  RietkerkDe heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De wetgever is Regering en Staten-Generaal gezamenlijk. Als op een bepaald artikel van een wetsontwerp een wijziging wordt voorgesteld, met daarbij de toelichting dat dat tot doel heeft een bepaalde ruimte mogelijk te maken, en die wijziging wordt aanvaard, dan is dat wet geworden. Dan is niet de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever alleen doorslaggevend. Toelichtingen op amendementen tellen wel degelijk mee bij de interpretatie van de wet. De Minister vindt het onjuist flexibele werktijden uitsluitend te gaan introduceren voor de vrije vrijdagmiddag. Hij heeft gisteren al gehoord dat ik het niet met het oog daarop heb voorgesteld. Mijn hoofdpunt is dat op dit moment de wet elke mogelijkheid van toepassing van welke flexibele werktijd-regeling dan ook, ook al is het de ene dag een half uurtje meer en de andere dag een half uurtje minder, onmogelijk maakt. Ik wil in de wet ruimte hebben om door het districtshoofd verantwoorde flexibele werktijden ook toepasbaar te kunnen doen zijn op jongeren. Dat is een kaderbepaling. De Minister kan daarop niet zeggen dat daarmee de bedoeling van de wetgever, zoals die oorspronkelijk bestond, blijft bestaan.

©

J. (Jaap)  BoersmaMinister Boersma: Mijnheer de Voorzitter! Formeel is er geen enkel verschil van opvatting. Desniettemin zal niet alleen gehoord de discussie maar ook gelet op de intenties van de wet, namelijk het geven van sociale bescherming, dan toch nog in alle gevallen het districtshoofd tot een afweging moeten komen. Voor de rest wacht ik in vertrouwen de stemming over dit amendement af.

De aanhef van artikel I wordt zonder stemming aangenomen. De onderdelen A en B van artikel I en de aanhef van onderdeel C worden zonder stemming aangenomen. Het gewijzigde amendement-Rietkerk c.s. (stuk nr. 16, A) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.

©

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD, de KVP, de ARP, de CHU, de SGP, de BP, het GPV en DS'70, alsme-de het lid Huijsen vóór dit amendement hebben gestemd. Het gewijzigde amendement-Rietkerk c.s. (stuk nr. 16, B) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD, de KVP, de ARP, de CHU, de SGP, de BP en DS'70, alsmede het lid Nooteboom vóór dit amendement hebben gestemd.

Artikel 9 van onderdeel C, zoals het is gewijzigd door de aanneming van het gewijzigde amendement-Rietkerk c.s. (stuk nr. 16, A en B) wordt zonder stemming aangenomen. De artikelen 9a tot en met 9e van onderdeel C worden zonder stemming aangenomen.

Het amendement-Rietkerk c.s. (stuk nr. 11) wordt bij zitten en opstaan verworpen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD, de BP, de SGP en DS'70, alsmede het lid Nooteboom vóór dit amendement hebben gestemd. Artikel 9f van onderdeel C wordt zonder stemming aangenomen. De artikelen 9g en 9h van onderdeel C worden zonder stemming aangenomen. Het amendement-Hartmeijer c.s. (stuk nr. 13) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van DS'70, D'66 en de BP, alsmede het lid Nooteboom tegen dit amendement hebben gestemd.

Arbeidswet

Artikel 9i van onderdeel C, zoals het is gewijzigd door de aanneming van het amendement-Hartmeijer c.s. (stuk nr. 13) wordt zonder stemming aangenomen. De artikelen 9j t/m 9q van onderdeel C worden zonder stemming aangenomen. Het gewijzigde onderdeel C wordt zonder stemming aangenomen. De onderdelen D tot en met P worden zonder stemming aangenomen. Het gewijzigde artikel I wordt zonder stemming aangenomen. Artikel II wordt zonder stemming aangenomen.

De Voorzitter: Ik constateer dat, gelet op de positieve beslissing, die de Kamer zojuist nam ten aanzien van het gewijzigde amendement-Rietkerk c.s. (stuk nr. 16, B), artikel III als vervallen moet worden beschouwd.

De artikelen IV (oud) en V (oud) en de beweegreden worden zonder stenv ming aangenomen. Het wetsontwerp wordt zonder stemming aangenomen.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.